Extaze tweeëndertig: ‘De onzichtbare schrijver’

Op donderdag 28 november werd de nieuwe Extaze: ‘De onzichtbare schrijver’ gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

De nieuwe Extaze is verkrijgbaar vanaf 28 november
(Alle mooie vorige nummers zijn direct hier te bestellen)

De onzichtbare schrijver

ESSAYS
Het thema van Extaze 32, ‘De onzichtbare schrijver’, is gebaseerd op Sander Bax’ studie De literatuur draait door. Ook na het verschijnen van dat boek kreeg hij in de PR rond Ilja Leonard Pfeiffer’s Grand Hotel Europa en Peter Buwalda’s Otmars zonen bevestigingen van wat hij in zijn onderzoek had geconstateerd. Beide auteurs worden gepresenteerd als succesvol, in interviews wordt voortdurend gevraagd naar de band tussen hun werk en hun leven (ofwel: is het werk ‘authentiek’, is het ‘echt?) en in beide gevallen wordt het werk gerelateerd aan de buitentextuele (politieke) werkelijkheid waarnaar in de roman verwezen wordt. Net als Sander Bax in zijn essay De regels van de literaire mediacultuur verduidelijkt Coen Peppelenbos in Hier is mijn bloed diens waarnemingen (in Peppelenbos’ woorden: ‘veel van wat je in je leven hebt meegemaakt te gelde maken’ en ‘de autobiografische laag versterkt de authenticiteit) met voorbeelden: een interview van Wim Brands met L.H.. Wiener en een talkshowgesprek van Eva Jinek met Oscar van den Boogaard. Arie Storm stelt in De noodzaak van eenzaamheid vast dat televisie een massamedium is en in haar vorm en inhoud niet bevattelijk voor subtiliteit, stilte en duisternis. Het medium tv is vreemd aan literatuur, ze zal altijd haar aandacht richten op schrijvers die meedoen aan het doorbreken van stilte en duisternis. Goede schrijvers en lezers zijn eenzame personen en vanuit hun diepste wezen slecht, asociaal en negatief. Elke poging om die eenzaamheid en dat gevoel voor het slechte te verminderen leidt af van wat literatuur is.
Chrétien Breukers liet zich in zijn essay In onwetendheid schuilt een wrede schoonheid inspireren door een, ook in dit nummer afgedrukte, column van
Rosanne Hertzberger (NRC 12/7/19). In dat stuk vraagt Hertzberger zich af of boekhandels nog moeten blijven bestaan. Breukers ziet de logistiek van de boekhandel als een anachronisme en ‘de betere boekhandel’ als een tempel voor het ‘hoge en schone’. Het liefst zag Breukers dat de wurgende consensus over literatuur werd losgeschud door een nieuwe avant-garde van cultuurliefhebbers.

KORTE VERHALEN
Dorien Dijkhuis
Pieter Drift
Boudewijn van Houten
Arjen van Meijgaard
Christiaan Ronda
Inge Schollen


GEDICHTEN
Catharina van Daalen
Job Degenaar
Mattijs Deraedt
Philip Hoorne
Leen Korenhoff
Hanz Mirck

Bert Struyvé

STRIP
Rob H. Bekker en Taconis Stolk

BEELD
Andrei Roiter


Vormgeving binnenwerk, omslag en illustratie omslag: Els Kort

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

28 november, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 32:
‘De onzichtbare schrijver’

De presentatie van het literair tijdschrift Extaze 32, getiteld ‘De onzichtbare schrijver’, sluit thematisch aan op het boek De literatuur draait door van Sander Bax. Wanneer wordt de schrijver onzichtbaar? Wanneer hij verstrikt raakt in de wetten van de mediacultuur. Deze wetten bepalen dat de schrijver ‘succesvol’ is, dat er een band bestaat tussen zijn leven en werk (met andere woorden dat hij in zijn schrijven ‘authentiek’ is) en dat zijn werk gerelateerd is aan de buitentextuele (politieke) werkelijkheid, waarnaar in de het literaire werk verwezen wordt. Is er binnen deze regels nog wel ruimte voor ‘echte’ literatuur die vernieuwend of tegendraads is?
Sander Bax geeft tijdens de avond tekst en uitleg over zijn onderzoek naar deze ontwikkeling. Coen Peppelenbos (hoofdredacteur van het digitale tijdschrift Tzum) bespreekt voorbeelden van talk-shows waarin precies die regels worden toegepast
waar Bax over schrijft.
Muzikant en dichter Anne-Tjerk Mante, begeleid door Mischa Götz
op gitaar en piano, zal proberen de zichtbare schrijver te ontmaskeren.
Beeldend kunstenaar Taconis Stolk zal vanuit zijn discipline een verbinding leggen
met het thema van de avond.
Dorien Dijkhuis, die deze maand in Utrecht haar eerste poëziebundel – Waren we dieren – ten doop zal houden, leest gedichten.  

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 met gratis consumptie in de pauze (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

De nieuwe Extaze is verkrijgbaar vanaf 28 november
(Alle nummers zijn direct hier te bestellen)

Vormgeving binnenwerk, omslag en afbeelding omslag: Els Kort

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Kralinger Popfestival – Forever young, Manuel Kneepkens

Waar zijn de zomers gebleven, de lachende zomers
dat wij, blowend, in het gras lagen
in elkaars armen?

zo in extase
dat het leek alsof de Van Brieneroordbrug
aan onze teennagels hing

          twee Bloemenkinderen

          het water was veel te diep…

en waar zijn de winters gebleven
dat jij over Kralinger plas schaatste, ijsbloemenkind
zoveel fragieler dan ik
rakelings langs het stoned wak van mijn ziel

          Minnaar, wat lig je daar te Hendrik Avercampen
                   soms gestruikeld over de wonden
                       van Lidwina van Schiedam?

Ach, Kralingen met je Popfestival

is alle liefde dan illusie

vier seizoenen wiet?

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Cilja Zuyderwyk, Lieve Vogel

Cilja Zuyderwyk, Lieve Vogel, Brave new books (2019) – Ricus van der Kwast

Gepost in Home | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Rob Verschuren, Het karaokemeisje

Rob Verschuren, Het karaokemeisje, Haarlem 2019 (In de Knipscheer) – Cor Gout

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , | 1 Reactie

De content uitnutten langs multimediale kanalen, Carl Stellweg

Hij stapt de metro uit en meteen is alles vertrouwd. Alsof hij nooit is weggeweest. Even gedachteloos als vroeger loopt hij door de poortjes en komt dan in het tochtige halletje van het kleine treinstation waar ook de metro stopt. Hij negeert de kiosk met de koude chocomel en vette gevulde koeken, kinderlijke traktaties die hij ook als volwassene tijdenlang niet kon weerstaan. Nu lukt hem dat wel, zoals hij zoveel impulsen heeft leren beteugelen – behalve die ene impuls die hem nu weer hier heeft gebracht.
   Wat voor nut deze onderneming heeft? Moeilijk te zeggen. Hij is bereid er het nodige voor op het spel te zetten, dat in ieder geval, al was het maar omdat de tijd begint te dringen, hij is immers al bijna bejaard.
    Bejaard: een woord dat nog maar weinig wordt gebruikt, maar waarvoor hij niet terugdeinst. De tijd van terugdeinzen, van bange eufemismen, van zoete broodjes bakken, ligt achter hem, dat heeft hij nu genoeg gedaan. Hij is dus geen ‘senior’, hij is een oude knar, een man op leeftijd, b-e-j-a-a-r-d, verstaat u wel? Of bijna dan.
    Niets om hem heen trekt zijn bijzondere aandacht, hij loopt net zo doelgericht door als in de jaren dat hij hier dagelijks kwam en zich belangrijk en nuttig mocht voelen.
    Net buiten het station pauzeert hij even. Hij ziet de fietsenstalling, het kleine busstation ernaast, alles onveranderd, ook het kantoorvee dat zich naar huis haast om weer mens te worden, nu de dagtaken erop zitten. Best mogelijk dat hij hier op dit moment als enige een bitterzoete sensatie van thuiskomst ervaart.
    Over hooguit een uur is deze oude, gammele bedrijvenpolder helemaal leeggelopen, is de tijd er tot stilstand gekomen. En dan? De hemel mag weten of het allemaal gaat lukken. En of ze er ook echt zal zijn. Zijn enerverende afspraakje. Hij weet wat ze vermag, hij kent haar metier, ze heeft er trouwens meer dan één: beklimster van pyloonbruggen, paaldanseres, om er nog een paar te noemen.
    Het metier waar het nu om gaat baart hem de meeste zorgen. Ze mag er goed in zijn, het kan altijd een keer fout lopen, het moet wel een keer fout lopen, en is het niet onvermijdelijk dat zij hem dan in haar val meesleurt? Zal hij er zich tegen verzetten? Zo ja, waarom gaat hij dan eigenlijk zo vertrouwelijk met haar om? Om haar een veilige haven te bieden wanneer ze de destructieve dollemansrit van haar leven even moe is? Hij weet wel beter.
    Hij passeert een viaduct waar het treinspoor overheen loopt, ziet de graffiti die er jaren geleden in opdracht van de gemeente is aangebracht, en constateert dat het kunstwerk lelijk is aangetast maar daardoor toch niet lelijker is geworden.
    Hij werpt een blik op het talud met bosjes waar hij vaak zijn blaas heeft geleegd, hoewel een WC niet meer dan vijf minuten lopen was. Misschien had hij toen al die oerdrang om uit de pas te lopen. Of wilde hij een geheim met de bosjes delen door er iets achter te laten.
    Hij loopt langs een blinde muur van grijsgespoten baksteen, gaat rechts de hoek om, en ja, daar staan ze nog, de kantoorgebouwen van vroeger, zij aan zij, als logge schepen aangemeerd, het water geen water maar asfalt, en daartussen ook het pand dat jarenlang stond voor een vast inkomen, collega’s, waardering, en het genoegen om zichzelf dagelijks in druk te zien.
    Het pand is al jaren leeg, de vastigheid met het naderen van de oude dag verdampt. Amper genoeg geld om van te leven, geen collega’s en waardering meer, geen bewijzen van zijn bestaan in druk, en ook vrouw en dochter na alle tegenslag met de noorderzon vertrokken… en toch, toch is hij opgebloeid. Hij weet haar nu aan zijn zijde. Het meisje van de vele metiers.
    Hij versnelt zijn pas, en staat dan voor het gebouw dat eens het hoofdkantoor van zijn voormalige werkgever was. Een dikke glazen wand met twee draaideuren, een leeggeruimde ontvangsthal daarachter.Vluchtig kijkt hij om zich heen. Geen sterveling te bekennen. Hij duwt tegen een draaideur. Die geeft niet mee. Tot zijn opluchting doet de andere deur dat wel. Kijk aan, het slot is geforceerd. Hij grijnst veelbetekenend.
    Binnen voelt hij zich niet meteen op zijn gemak, ook al heeft hij niet het idee dat hij iets doet wat niet mag. Hij komt zijn herinneringen opeisen. Is daar iets mis mee? Hangen hier trouwens camera’s, CCTV of hoe heet die shit? Hoeft hij zich geen zorgen om te maken, zo heeft ze hem verzekerd. En zij zal het wel weten.
    Rechts op een tafel ligt een stapeltje toetsenborden, links ziet hij de voormalige receptie, de slanke balie een perron waar geen vreemdeling meer zal stranden. Vóór hem, in de uitgestrekte ontvangsthal, het wezenloze zitje waar nooit iemand zat.
    Hij kijkt op. Het atrium. Acht verdiepingen hoog torent boven hem uit. In het midden de glazen liftschacht, met op elke verdieping een brug die de vroegere redactielokalen aan weerszijden van het atrium met elkaar verbindt.
    Een groot karkas, daar bevindt hij zich in, en hij voelt zich er thuis. Ook karkassen kunnen leven herbergen, ze krioelen er soms van. Parasitair leven, kleine aaseters, zoals hij, de bijna-bejaarde, en zijn afspraakje.
    Moeizaam klimt hij over een van de toegangspoortjes op weg naar de lift. Zijn knieën kraken. Hij voelt zich nogal bespottelijk, ook door die rugzak vol lekkers en lectuur. Laptop verboden. Kaarsen en dekentjes verplicht. Pathetisch? Jammer dan.
    Hij drukt op de liftknop. Wat dacht hij nou, natuurlijk gaan de deuren niet open… altijd naïef gebleven hè. Hij zal het geraamte van dit karkas via de wervelkolom – de trap – moeten bestijgen. Dat gaat hem redelijk goed af, hij is best een krasse knar, ook volgens haar, al laat ze steevast een ruwe schalkse lach volgen op die vaststelling.
    Hij vindt dat hij wel wat heeft teruggekregen voor al zijn moeizaam aangeleerde zelfbeheersing, hoewel geen wijsheid, anders liep hij nu niet de trappen op van een gebouw waar hij feitelijk niets te zoeken heeft. Heeft hij er niets te zoeken? Hij grinnikt, voelt zich ineens uitgelaten, vrij. Hij komt het weeskind dat zijn verleden is aan een nieuwe, jonge moeder voorstellen.
    Op de vierde verdieping, waar hij ooit werkte, staat hij stil. Hij spitst zijn oren, maar hoort niets. Ook de stemmen van vervlogen tijden houden zich koest.
    Voorgoed verstomd, dat panische circus van strebers. Voor altijd verwaaid, die apenrotsgeluiden.
    Dan klinkt er een oorverdovend, rinkelend alarm. Het stopt, en begint opnieuw. Hij klampt zich vast aan de reling, voelt een diepe rilling in zijn schouders, een ijskoude klem om zijn hart, een hete vlam die door zijn darmen schiet. Als het geluid is opgehouden, stelt hij opgelucht vast dat hij het niet in zijn broek heeft gedaan. Nog niet.
    Snel loopt hij de brug af, in westelijke richting het gangetje in dat leidt naar de redactieruimtes, en duikt daar de WC in. Hij doet de deur op slot, trekt in één beweging zijn broek en onderbroek omlaag en produceert onmiddellijk een lange, kurkdroge drol, een puntgave angstplastiek.
    Nog even blijft hij met bonzend hart op de pot zitten. Radeloosheid kruipt langs zijn broekspijpen omhoog, doet zijn geslacht krimpen. Het gerinkel klinkt na in zijn oren. Het zal zo wel in de kraag worden gevat. Vocht vult zijn ogen.

Dan herinnnert hij zich een paar zinnen uit een onverwerkt verleden. We moeten de content uitnutten langs multimediale kanalen.
    Langs wat voor kanalen? had hij ongelovig herhaald.
    Multimediale kanalen! En als je dat niet adequaat kunt handlen, dan is het uitzetten van een outplacement-traject misschien wel alles wat we nog voor je kunnen betekenen. Jij en de rest van dat krakkemikkige zooitje hebben lang genoeg lopen fucken, zitten snurken, met je pik zitten spelen, de belangen van de Nieuwsconsument met voeten getreden.

Hij was naar zijn bureau teruggesjokt. En had gedacht:
    De content, tut-tut.
    Uitnutten, toe maar.
    Langs multimediale kanalen, het mocht wat.
    De nieuwsconsument, gaan jullie je mond eens spoelen, tuig dat je bent.
    Afijn, een outplacement-traject. Hij kreeg dus de zak.

Nu, jaren later, vraagt hij zich af waar al die grote uitnutters zijn gebleven. Wat de multimediale kanalen zoal hebben opgeleverd.
    Niks, niente, nada, nitsjewo, zeker?

Maar wacht even: hij is hier niet om met zijn broek op zijn enkels uit de plee te worden getrokken. Om hier opnieuw in zijn hemd te worden gezet. Deze keer zal hij waardig het pand verlaten. In boeien desnoods, maar met opgeheven hoofd. En hopelijk met het meisje van de vele metiers aan zijn zijde, zijn prinses roekeloosheid, ook zij in boeien, en daardoor rebelser, heroïscher dan ooit. Men zal opkijken van zo’n flamboyant tweetal.
    Wanneer hij wil doorspoelen beseft hij dat het water is afgesloten. Laat die drol maar lekker verstenen. Hij sluipt de WC uit, houdt even zijn adem in, laat nog een keer de stilte op zich inwerken. Hij loopt langs de koffieautomaat waar, in de uitsparing boven het roostertje, door drab aangevreten plastic bekers zijn gepropt, en bereikt de grote zaal die hij zo goed kent.
    Alle bureaus staan er nog, de meeste computers zijn weg. Hij inspecteert de kasten, vindt wat krantenleggers, slaat er eentje open, bladert wat door de broze, vergeelde inhoud tot hij op iets stuit dat zijn aandacht trekt: ‘Geen enkele herinnering kan Marguérite Hélie troosten.’
    Het is de kop boven een reportage uit een Normandisch dorpje, dat hij een kwart eeuw geleden, ter ere van vijftig jaar D-Day had geschreven, toen hij wegens personeelsgebrek even over de grens mocht gaan kijken. Daar stond ze, samen op de foto met een van haar illustere bevrijders, de Amerikaanse generaal Omar Bradley: Marguérite Hélie. Omar Bradley pakt een glas van een dienblad dat ze hem voorhoudt, en lacht haar daarbij hoffelijk toe. Een mooie herinnering, maar niet een die opwoog tegen het verdriet om de gestorven dierbaren, de afgebroken studie, het gedwongen huwelijk na de oorlog, het verspilde leven in een spelonkachtig woninkje op het klamme Normandische platteland.
    Marguérite Hélie is ongetwijfeld allang dood, maar hij is haar niet vergeten. Niets is hij vergeten van al die jaren dat hij dagelijks iets van zichzelf in druk mocht zien.
    En dan, eindelijk, hoort hij iets. De lokroep waarop hij al die tijd heeft gehoopt. Die hij heeft gevreesd, dat ook. Parelende zang, kwajongensachtig, al is dat niet het goede woord. Iets over een feest dat kan beginnen, want zij zijn binnen. Welja, hij kon alles verwachten: van basgitaar spelen in een grungeband, tot carnavalsgezang in het uur der waarheid, en alle metiers daartussenin.
    En nu komt hij er niet meer onderuit. Hij kijkt een deel van de ruimte in dat hij eerder met zijn blik heeft gemeden, ziet zijn bureau van weleer, ziet haar hoofd erbovenuit steken, het grofgebreide wollen mutsje, het beeldige blonde haar eronder, de zowel koele als sprankelende blik, de benen op tafel, de stoere werkmansschoenen met het pak semtex ernaast.
    Zijn mooiste parasiet. De welkome, wonderbaarlijke ontwrichting van zijn levensavond.
    Hier en nu begint het feest. En eindigt het waarschijnlijk ook. Ze zwaait, en hij zwaait terug.

Gepost in Geen categorie | Getagged | Plaats een reactie

Ventieltjes, proza om het gemoed te luchten, door Ruud Minnee

LOT

Hij had het zo graag gewild; een rijk en bourgondisch leven vol weelde, aanzien en mooie spullen. Zijn ambities waren echter blijven steken in een Vinex-wijk en een saaie kantoorbaan. Maar door eindeloze meditaties, trainingen en een lieve vriendin die allesbehalve materialistisch was, lukte het hem zijn grootste vijand te verslaan, zijn ego. Hij keek tevreden naar zijn kleine achtertuin, die nu groot genoeg leek. Niets is niet alles maar alles is ook niets, mijmerde hij, toen de telefoon ging. Het was een dame van de staatsloterij, ze zei hem dat hij maar beter even kon gaan zitten…

VERGELEN

Het is 2086 en Nederland is veranderd in één groot openluchtmuseum; eigendom van de Volksrepubliek China. De oorspronkelijke bewoners van het lage land fungeren hierbij als figuranten in hun eigen decor; dragen de oorspronkelijke klederdrachten, doen op gezette tijden klompendansjes, maken kaas en kaken haring. Het kikkerlandje trekt jaarlijks meer dan zestig miljoen welvarende Chinezen, dat is overigens nog geen vijf procent van de totale bevolking van 1,380 miljard. Er was dus geen houden meer aan. Nederland moest wel van de nood een deugd maken, of zoals een Chinese wijsheid luidt; ‘Het is de tegenwind, die de vlieger doet stijgen’

VOORUITGANG

‘Maandag 23 december 2122 – 08.12’, verschijnt er in de I-iris van Johan. Zijn Electro-pak ondersteunt hem in alles, maar kan de felle gewrichtspijn niet wegnemen. Hij drukt op zijn painkiller-button, waardoor zijn grootste kwelgeest enigszins terugdeinst, dan zoeft hij via de stijgstang naar boven in een van de zes monumentale windmolens die Nederland nog rijk is. De restauratie is nu bijna rond. Het is druk in de lucht; de fly-cars hebben het fileprobleem verplaatst naar boven. De dag moet nog beginnen en Johan is al moe. Hij denkt aan zijn vader, die al op zijn 74e met pensioen ging.

Gepost in Geen categorie | Getagged , , | Plaats een reactie

In Liefde Knoeyende 12, Tysger Boelens

Vignet-nonsenpoëzie-Omgekeerde wereld Lear Topsyturvy

Columns over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur

Wat is het mooiste Nederlandse nonsensgedicht? Voor de meeste lezers zou het waarschijnlijk gaan tussen ‘De blauwbilgorgel’ van Buddingh’, waarmee deze kleine reeks columns opende, en ‘Barlemanje’, waarmee de reeks nu besluit.
    ‘Barlemanje’ uit 1949 staat op naam van een minor poet die ook bekend is van de Bommel-strips, markies Q. X. de Canteclaer van Barneveldt. Zijn complete dichtwerk werd in 1997 door De Bezige Bij gepubliceerd als Verzamelde poëmen. De bezorger van die mooie bundel, Marten Toonder, situeert ‘Barlemanje’ in de studententijd van de markies, zijn zogeheten Vleugeljaren.
    Wat meteen opvalt is dat dit vers erg verschilt van de meeste andere gedichten van De Canteclaer in de bundel. De toon van ‘Barlemanje’ doet denken aan de Vijftigers, terwijl de poëzie van de edelman meestal de geest van de Tachtigers ademt. De vraag dringt zich dan ook op: is dit gedicht wel van de hand van de markies? Dit is de eindversie ervan:

Barlemanje

’t Was grol en gloei
en slomig broei
in lure, slore stirren.
Het was sar stomig in mijn krol,
daar stonk een kwalm van schit en brol,
er sloomden glome knirren.

Ik trok geen moen
en zoog geen droen.
’k Was grollig, daar mijn kleddel
de vale walm had ingewigd
en norksig drielde naar de schicht,
die wijlde in de peddel.

Nu dralleboort
een vuurgaljoort
en knispert door de klijven.
’t Is of er stolen glomen gaan
en moenen in de krolle slaan
en stoffe stekkels stijven.

Nu gaar ik kwas
en werp ik stras,
nu is de moen gevangen.
Ik trek een gloederige sproet,
(als kwalmerige peddel doet)
en droen dralt door de prangen.

Je zou dit gedicht pure wartaal kunnen noemen (zoals ik ook eens in een boek heb gedaan), maar met een beetje goede wil valt hierin eigenlijk best iets van een scenario te ontdekken.
    Het gedicht begint met een situatieschets: er heerst een drukkende sfeer in de krol van de dichter. De tweede strofe gaat van de sfeertekening (’t was grol) naar het persoonlijke (’k was grollig) en introduceert de problematiek van het vers. Waarom voelt de dichter zich zo bedrukt? Omdat hij geen greep heeft op de moen. In de derde strofe komt dit conflict tot uiting, en in de vierde strofe lezen we de gelukkige afloop: de moen is nu gevangen.
    Aan welke figuur uit de Bommel-strips doet dit ronde taalgebruik, waar geen woord Frans bij is, nu denken? Zeker niet aan de precieuze markies, maar eerder aan een kunstenaar als Terpen Tijn, de lokale Vijftiger. En nog meer aan Kwetal, de kleine uitvinder die grote natuurkrachten weet te mobiliseren.
    Dit is hoe Kwetal een paraplu beschrijft: ‘een schutsel tegen lekwolken. Een beetje bollig, met een membraan op krommende stekkels, die zich kleineren laten.’ Zijn spreektrant is even lapidair en quasi-archaïsch als het idioom in ‘Barlemanje’, met zelfs woordelijke overeenkomsten (stekkels). Weliswaar vinden we dit idioom terug in enkele gedichten waarin de markies duidelijk wel de hand had, met ronkende regels over ‘een oud geslacht’, maar nooit zo zuiver, uitbundig en ononderbroken als hier.

Kwetal, met linksonder Lut Lierelij

Het zou niet de eerste keer zijn dat de markies met andermans veren pronkt. Het auteurschap van dit gedicht is niet onbelangrijk. Je gaat het vers namelijk anders lezen als je Kwetal als de spreker in gedachten houdt. Dan hoor je niet meer het lammenadige gelal van een studentje après boire, maar eerlijke oertaal op orakelsterkte.
    Deze lezing van het gedicht lijkt ondersteund te worden door een brief van Toonder uit 1991. Ik vroeg hem of ‘Barlemanje’ was ingegeven door het beroemde nonsensvers ‘Jabberwocky’ van Lewis Carroll uit Through the Looking-Glass (1871). Daarvan nog even de eerste strofe:

’T was brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

De gelijkenis met de eerste strofe van ‘Barlemanje’ is opvallend. Toch was er volgens Toonder geen sprake van bewuste navolging. Hij zag zelfs een wezenlijk verschil tussen de beide gedichten. ‘In Jabberwocky is het denken al Woord geworden. Het is een rationeel gedicht. Barlemanje berust meer op de oertrilling, die aan het Woord vooraf gaat, maar waar, historisch gezien, het Woord uit voortkomt.’
    Kwetal wordt in de handboeken nu juist neergezet als iemand in wie deze oertrilling nog resoneert, als de ongekunstelde verpersoonlijking van een pre-rationele natuurkracht. Dus als de tegenhanger van een maniëristische markies die zo uit het fin-de-siècle lijkt weggestapt.
    Bovendien blijkt uit de strips dat Kwetal vertrouwd was met het woord ‘barlemanje’. Het is in zijn jargon de naam van een negatieve kracht, vermoedelijk van het soort dat opereert via moen. Eigenlijk heeft alles in ‘Barlemanje’ het signatuur van de kleine breinbaas.
    Dit gedicht heeft nog het meeste weg van de beschrijving in een notendop van de eeuwige strijd tussen goed en kwaad, zoals die zich afspeelde in de krol van de dichter. Een dergelijke strekking van het gedicht is helemaal in de geest van het Kleine Volkje, de verborgen natuurmystieke gemeenschap waarvan Kwetal deel uitmaakt.
    Mogelijk is Kwetal bij het versifiëren ook geholpen door twee andere leden van deze commune. Allereerst door Monkel Oor, die als enige van het volkje kan lezen en het hele woordenboek uit zijn hoofd leert (hij is al bij de U). En voor de poëtische fijnafstelling door Lut Lierelij, de minstreel die zich in lied en gedicht uitzingt in een heel eigen soort Middelnederlands.
    Of je ‘Barlemanje’ nu leest als een nonsensgedicht of niet (Toonder had zo zijn twijfels), het wint enorm aan kracht als je eenmaal het auteurschap van Kwetal accepteert. Net als bij ‘Jabberwocky’ wordt de komische verwarring die het gedicht oproept dan nog eens vergroot door de suggestie van een diepere betekenis – in dit geval zelfs de suggestie van een oertrilling.

Marten Toonder: Nu is de moen gevangen: alle poëmen. (Uitgeverij Personalia, 2014). Deze bundel bevat behalve het oeuvre van de markies ook de gedichten van andere figuren uit de Bommel-strips, waaronder enkele van Heer Bommel zelf. Met essays van Dick Boer en Klaas Driebergen over onder meer het nonsensgehalte van de poëmen. Ook het plaatje is ontleend aan dit boek.

 

In Liefde Knoeyende 11

Lees verder

Gepost in Column nonsensgedichten Tysger Boelens, Columns, Home | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Jana Arns, Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn

Jana Arns, Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn, Leuven 2019 (Uitgeverij P) – Felix Monter

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 32, de nabeelden

Donderdagavond 28 november werd het tweeëndertigste nummer van Extaze gepresenteerd, de laatste in de vorm en inhoud waarin die is gegoten. Met als thema ‘De onzichtbare schrijver’, gebaseerd op het boek De literatuur draait door van Sander Bax.
Sander Bax gaf tijdens de avond tekst en uitleg over zijn onderzoek naar deze ontwikkeling.
Coen Peppelenbos (hoofdredacteur van het digitale tijdschrift Tzum) besprak op humoristische wijze voorbeelden van talk-shows waarin precies die regels worden toegepast waar Bax over schrijft.
Daarnaast was er muziek en voordrachten van muzikant en dichter Anne-Tjerk Mante, begeleid door Mischa Götz op gitaar en piano; beeldend geluid van kunstenaar Taconis Stolk èn Dorien Dijkhuis (haar poëziedebuut Waren we dieren is net vers van de pers) las, op meesterlijke wijze, gedichten voor.
De presentatie was in handen van Cor Gout, licht en geluid: Anton Simonis (Adesign).
Hieronder de ‘nabeelden’ van fotograaf Eric de Vries.

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Terugluisteren in Het woordenrijk op Den Haag FM over de lancering en de presentatie van de nieuwe Extaze: ‘De onzichtbare schrijver’.

Klik hier voor de uitzending van 24 november.
Om:
29:00 Agenda met o.a.: Literair Tijdschrift Extaze (Houtrustkerk Den Haag,
35:30 Anne-Tjerk over Extaze, de onzichtbare schrijver
41:00 Anne-Tjerk: Onderweg, de reis als doel
45:30 Anne-Tjerk Mante & Micha Gotz – Ruis, 2019
50:00 Drie gedichten gelezen door Anne-Tjerk en Rene

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , | Plaats een reactie

Ventieltjes, proza om het gemoed te luchten, door Ruud Minnee

Onbegrijpelijkheid

Het is rustig op het Bureau ter Bevordering van de Onbegrijpelijkheid (BtBvdO). De zon heeft door de glas-in-loodramen een bijna psychedelisch tapijt gelegd. Jaap Deklier speelt verveeld met zijn Rubik’s kubus SL-pro de luxe, terwijl zijn collega Johan Jobsik naar buiten staart. ‘Er moeten gewoon een paar aanduidingen bij, Johan, de mensen gaan doorkrijgen dat een Persoonsnummer, een BSN nummer, een Sociaal-Fiscaal nummer en een Sofinummer allemaal voor hetzelfde staat… Het is gewoon niet meer verwarrend genoeg.’
    ‘Ik denk dat je gelijk hebt Jaap’, verzucht zijn collega. ‘Laten we er een paar benamingen bij verzinnen. Gewoon voor alle onduidelijkheid…’


Vanish

We waren beneveld door de drank en de liefde. De lokroep van het onbekende kon onmogelijk worden genegeerd, de behoefte om de zware luiken van de sleur open te slaan werd onbedwingbaar. Onze ratio werd verpletterd door een immense hunkering die de rem op ons verlangen onherstelbaar beschadigde. En we denderen af op een onzekere maar oh, zo opwindende horizon. De spanning tintelde ondragelijk door onze lichamen. We moesten en zouden het doen, er was geen ontkomen aan… En we gebruikten het: Vanish Oxi Action Crystal White… En het is waar. Even later keken we naar een stralend witte was!


Zwaartekracht

De wereld verging niet
maar verloor alleen haar zwaartekracht
En alles wat te licht werd bevonden
kreeg de vrijheid om te cremeren in de dampkring
Gerard had de ramp kunnen overleven
ware het niet dat hij zojuist een streng dieet had afgerond

Tolerantie

Bij ons in de buurt woont sinds kort een man van Palestijnse afkomst, Asfour heet hij, aardige vent. Maar hij heeft de onbedwingbare neiging om met stenen te gooien. Hij kan er niks aan doen zegt ie. Hij is ermee opgegroeid. Als ie een steen ziet moet hij hem ergens naar toe gooien. Laatst gooide hij weer eens zonder enige aanleiding een steen door de voorruit van mijn buurman. Zoals ook in dit geval, nam hij direct na zijn daad contact op met de gedupeerde om uitgebreid excuses te maken en de gedane schade te vergoeden. Omdat dit alles de goede man en zijn gezin enorm op kosten begon te jagen, houden we er nu in de buurt rekening mee, kleine moeite. We verwijderen losse stenen en waarschuwen de gemeente als ze bij ons in de buurt komen straten en dergelijke. En als we zelf met tegels en stenen aan de gang gaan, sluiten we simpelweg de boel goed af. Door dit alles is het de laatste tijd rustig rond Asfour. Nu gooit hij nog wel eens met een verdwaald legosteentje van zijn kinderen, maar daar heeft eigenlijk niemand last van.

Benarde positie

Bij de grote watersnoodramp werd de Zeeuwse priester Jacob van Hennewegen geconfronteerd met een duivels dilemma: verdrinken, want de zwemkunst was hij niet machtig of het dakraam verlaten met het enige drijfbare binnen handbereik, zijn uit Amerika geïmporteerde opblaaspop ‘Dolly’. Met het water en zijn geweten aan de lippen koos hij uiteindelijk voor het laatste. En zo werd hij, onder het niet aflatende geprevel van Weesgegroetjes, gevonden. In de missionarishouding, dat dan weer wel…

Antropologische studies in de marge

Toen de Hakobouri, die bekend staan om hun kannibalisme, het lichaam van de musicalster Chantal Janzen in zijn geheel hadden verorberd, dachten zij daarmee schoonheid en vitaliteit te hebben verworven. Maar in plaats daarvan begonnen zij feilloos fragmenten te reproduceren uit de musical ‘Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer’. Dit tot grote ergernis van de naburige Maboezu die de Hakobouri uiteindelijk tot de laatste man afslachtten.

Gepost in Columns, Geen categorie, Home, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Zonneslag, Ricus van der Kwast

Het is donderdagochtend, de laatste van juni, en het belooft een snikhete dag te worden in Lyon. Ik heb wat uren te doden en wil de stad opsnuiven. Uitwaaien, noem ik dat altijd. Maar kun je dat woord gebruiken bij deze hitte?
            Het is nog vroeg, maar de stad is al nerveus broeierig. Als ik vanaf de Quai du Dr Gailleton een zijstraat insla, zie ik in de verte een opstootje. Politie en zwaailichten zijn ter plekke.
            Een vrouw stelt me een vraag. Ik ben dat gewend. Waar ik ook voet zet, wordt me de weg gevraagd. Lang heb ik gedacht dat ik het meest universele voorkomen ter wereld moest hebben. Maar dat is het niet. Het is mijn tred, de blik ver vooruit, zonder aandacht voor mijn directe omgeving, meestal wat papieren los in mijn hand. ‘Die is van hier,’ zie je ze in Berlijn, Praag of Milaan denken, ‘die weet waar hij heen wil.’ Ze vergissen zich. Het is net andersom. Juist omdat ik nergens naartoe moet, loop ik maar snel. Doelloos en vastberaden.
            De vrouw zit op een bankje en oogt wat hulpeloos. Maar ze wil de weg niet weten, ze vraagt wat anders. Of ze nog open gaan vandaag? ‘Ik denk van niet,’ antwoord ik op goed geluk. Ik heb geen idee waar ze het over heeft. ‘J’ai des papiers à remplir,’ verzucht ze. ‘Hadden ze niet een andere dag kunnen uitkiezen?’ Ik knik instemmend en wens haar nog veel succes.

Pas dan zie ik waar ze het over heeft. Het opstootje waar ik nu op afloop, blijkt een demonstratie, een staking te zijn. Veertig, misschien vijftig ambtenaren hebben zich verzameld voor het Hôtel des Finances. Op een afstandje kijken drie agenten ongeïnteresseerd toe. Ze lijken andere zorgen te hebben. Voortdurend wissen ze zich het zweet van het voorhoofd.
            Als ik me in het gewoel begeef, ontfermt zich een man over me die zich voorstelt als belastingcontroleur. ‘Ons werk wordt uitgehold,’ vertelt hij, ‘als het al niet helemaal verdwijnt.’ Ik houd hem voor de stakingsleider. Hij neemt mij mee naar een affiche dat helemaal past bij mijn donkere voorgevoel van deze dag. Het toont een grafmonument voor de gevallen ambtenaar, met de zaken waar die zich sterk voor maakte en die ook gesneuveld zijn. Alle punten van het plakkaat neemt hij met me door. Hij houdt even in voordat hij trots de slotzin, de leus op rijm, declameert.

Suppression de postes = Services publics low cost.

Wat is hier mis met low cost, denk ik, en de climax valt voor mij in het water. Maar ik hou wijselijk mijn mond. ‘We blijven doorgaan,’ voegt de stakingsleider er nog strijdlustig aan toe. Ik verklaar mij solidair en wens hem veel succes. Vandaag wil ik het met iedereen eens zijn.

De belastingdienst zetelt aan de Rue de la Charité – je moet er maar op komen. Ik loop de straat uit, haast me over de Place Bellecour, dezer dagen door het vrouwenvoetbalevenement grotendeels aan het zicht onttrokken, naar de Place des Jacobins.
            Het plein ligt vol in de zon en vol in het verkeer. Veel centraler krijg je ze niet: twaalf straten komen hier samen. De drukte is ernaar.
            De fontein op het midden van het plein, met zijn vier standbeelden van kunstenaars uit verschillende tijdvakken, belooft verkoeling, maar brengt die niet. Zwaarbewapende soldaten hebben zich voor de fontein geposteerd. Ik vermoed een terroristische dreiging. Maar er is iets vreemds aan dit schouwspel. Eén van de soldaten springt gehurkt het plein rond en fotografeert zo zijn companen, telkens met een ander standbeeld op de achtergrond. Leuk voor later.

Nauwelijks tien uur is het nu en al ondraaglijk heet. Zo’n dag waarop de mussen dood van de daken vallen.
            Het verbaast me altijd weer hoe snel je in een stad uit het licht en het lawaai bent. Amper honderd meter verderop ligt de koele Place des Célestins. Ik vind schaduw op een terras en begin weer te ademen.
            Het is geen mus die dood van het dak valt als de serveerster het even later op een schreeuwen zet. Heb ik een knal gehoord? Een klant beent snel weg, bijna driftig. De baas van het café schiet gealarmeerd toe en begint tafels weg te halen. Nu worden we geëvacueerd, denk ik, en verwacht dat elk moment de soldaten om de hoek zullen komen aanrennen. Ik reken af bij het meisje en vraag haar wat er voorgevallen is. ‘Crottes de pigeon,’ fluistert ze, alsof het ons geheim moet blijven.
            Vogelpoep, en dan zo’n circus. Nu weet ik zeker dat de stad een collectieve zonnesteek heeft. Ik maak me uit de voeten.

Dan begint het speelkwartier op kleuterschool Lamartine en verandert alles. Op de hoek van de Rue Montcharmont en de Rue Fabre blijf ik staan. Nog nooit klonk alledaags geluid zo goed. Terwijl ik me omdraai, zie ik een kapsalon voor mannen die Les Incorruptibles heet. Als ik nog haar zou hebben, zou ik me beslist hier laten knippen, en niet alleen vanwege de naam. Minutenlang geniet ik nog, met krijsende kleuters in mijn rug, van het zicht op de rustige, stijlvolle kapperszaak.
            Met moeite kan ik me losrukken en slenter ik terug. Niemand spreekt me meer aan. De soldaten op de Place des Jacobins zijn verdwenen. De dreiging is uit de lucht. Het is een doodgewone dag in Lyon.
 
© Ricus van der Kwast
La Bruyère, 7 juli 2019

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

Recensie 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien door Thomas Möhlman in Awater 2019 najaar.

scan 1

scan 2

scan 3

Gepost in Home, Recensies | Plaats een reactie

Een beetje over schrijven ook, door Bas Tuurder

Vergeef me.
Ik denk: ik kan het altijd vragen. En als vragen kan, kan zeggen ook: ‘vergeef me’. De punten van mijn schoenen lijken het niet te weten, of ik wel bevelen heb te geven, en ze verwarren me, die punten, want ik dacht niet dat ik na ‘vergeef me’ een uitroepteken liet doorklinken.
Er is geen beginnen aan, en maar goed ook, ze moesten maar eens weten waaraan, die punten moesten het maar eens weten.
Ik zwijg.
Ik volg het ritme van het gesprek, ik voel het en de punten lijken het met me eens te zijn, tappen mee, en stoppen wanneer het weer tijd is om te zeggen ‘vergeef me’.
Niet dat het koppel er ook maar enige aandacht aan schenkt. Heeft het de punten van mijn schoenen wel bekeken: het raast maar door, ik hoor de passie wel in hun stemmen, vind die bij vlagen mooi, bij vlagen beangstigend, misschien zeg ik daarom ‘vergeef me’ en vervolgens nog eens ‘vergeef me’.
Ik sta er wat bij, als een Vestdijkiaanse ziener: grote ogen, vlezige lippen, verkeerd begrepen door de punten van mijn schoenen. Hun ongeduldig tappen op de vloer valt nu samen met het zeggen ‘vergeef me’, het geluid overstemt de stem die ik uitprobeer.
‘Luider,’ lijken ze te zeggen, ‘luider en meer vragend.’ De punten van mijn schoenen lijken vraagtekens te willen zetten achter elk woord dat mijn mond ontvalt.
De jongen en het meisje, ze hebben me al eerder bekeken, mijn verkeerdheid in zich opgenomen en weggesloten achter het slot van een van de vluchtigste gedachten die er zijn: nu niet. Nu niet dat ‘vergeef me.’
‘Nu wel,’ lijken de punten van mijn schoenen te zeggen terwijl ze een stugge maat zoeken te houden bij wat ze zeggen, die brave jongen, dat mooie meisje. Het is niet dat ze me niet zien staan. Ik sta recht voor ze. Maar zien ze me wel? Ik stel me, voor nu, alleen maar beschikbaar op, ik ben de be-zichtbare man, ik sta in het midden van een ruimte. Ik denk dat de punten van mijn schoenen de beschrijving van de straat al lang vergeten zijn. In Valide Straat, het zou evengoed een veld kunnen zijn, en ik er middenin, als een vogelschrik geprikt in het wegdek…

… tussen twee witte stippellijnen in. Woorden als wagens zoeven uit de monden van het stel, ze zoeven aan mijn oren voorbij. Toeterend, tierend, lachend, het raam op een kier, het is vreemd luisteren naar misschien wel je lievelingslied. Hun bewegingen, hun gesticuleren, druk, als gras wuivend in de wind, meewarig soms, parmantig ook, en astrant als dronken mensen die tot dansen dwingen.

‘Vergeef me.’
Misschien zeg ik het nu omdat ik mensen niet wil vergelijken met grashalmen, misschien onthoud ik daarom toch dat de straat ‘In Valide Straat’ heet. Wat win ik, wat verlies ik wanneer ik dat ‘In’ in mijn gedachten laat staan? Twijfel tapt hier aarzelend over mijn woorden heen en komt dan besluiteloos tot stilstand, de punten van mijn schoenen staan alleen maar voorlopig op die jongen en dat meisje gericht.
Tap…tap.
En ik vraag me af wat het is, precies, wat mijn stilstaande schoenen hier onder hun zolen pletten.

Het is allemaal eender, straat, veld, wagens, woorden, jongen, meisje, dansen. Dansen op het lied dat me om sentimentele redenen zo lief is, maar mijn voeten vertraagden. Ik miste het ritme, viel uit de maat. Ik mis nu het ritme, ben ongeduldig.
Tap Tap.
En mijn woorden hangen als twee vogels, ondersteboven aan de armen van een vogelschrik, en ze fluiten in mijn oren wat zij denken te zien.
Het kan niemand wat schelen, zegt de ene, en omdat ik door mijn wimpers heen naar de punten van mijn schoenen staar, kan ik niet zien, maar wel horen welke van de twee dat zegt.
Tap Tap.

De ene van de twee zegt: het kan niemand wat schelen. Sterf maar, sterf maar aan de onverschilligheid, die van jezelf, die van anderen, die van het leven dat zegt: er zit betekenis in. In sterven. Dood laat iedereen zich kennen.
Het betekent iets, het moet iets betekenen, dit leven, dit ik, dit ademen. Het is een grijpen naar iets, mijn grip, onze greep die het bloed uit de vingers lijkt weg te nemen, zwetende palmen, wij houden elkaar toch vast, gaan toch hand in hand, stappen samen het leven in, wij laten ons kennen, toch? Dat doen we… toch?
Tap Tap.
De andere van de twee zegt: het kan iedereen wat schelen. Sterf maar, sterf maar aan de bemoeienis die zegt: er zit geen betekenis in. In leven. Levend laat niemand zich kennen.
Het betekent niets, het moet niets betekenen, dit sterven, dit ik, dit ademen. We openen toch weer de hand die grijpt, de jouwe, onze greep met wit wegtrekkende knokkels, drogende palmen, wij laten elkaar toch los, gaan toch hand uit hand, stappen alleen het leven uit, jij en ik laten zich niet kennen, toch?
Tap Tap.
Raakt het me of raakt het me totaal niet? Het is maar precies wat ik zelf kies, wat ik toelaat, raakt het me of geef ik er geen moer om? Want wie zijn zij? Wie ben ik? Wie zijn wij? Niemand toch? Geen god die het ons zegt, geen 2-D personage die het weet, geen username die het wist, niemand zal weten dat wij niemand zijn geweest.
Tap Tap.
Dus ik doe maar, wat maakt het me uit. Negeer iedereen die nooit eerder een woord met me sprak, vlieg uit naar iedereen die ik nooit eerder zag, ik heb geen raad nodig, ik weet wel beter, ik weet hoe het afloopt. En hoe ik leef, ik kan er mee leven, en wat doet er dan nog toe. Ik ben toch de enige die oordeelt, over mezelf, over anderen, ik heb er stiltes voor ingebouwd die van rouw zouden moeten spreken. Ze lijken toch te overtuigen, en ik heb er woorden voor uitgevonden die van correctheid moeten getuigen, ze lijken toch oren te vinden, er wordt toch naar je geluisterd, al word ik genegeerd, iedereen doet toch maar zoals ik. Ik ben net als iedereen, iedereen is net als ik, wie zou me wat kwalijk kunnen nemen. Niemand. Toch?
Tap Tap.
Ik ben alleen maar wie ik ben, dat is niet mijn schuld, en alles is mijn schuld. Hoe wil ik me anders verdedigen, ik ben de held, de antiheld, de villain, all rolled up into one, ik ben spiegels al zo lang beu, ik ben beelden moe, archetypes druipen uit mijn oren, moeder, minnaar, wijze, schaduw, het zwaard steekt diep en vast in mij, en hoe het ook zij, wat het ook mag kosten, ik en ik alleen ben voorbestemd het eruit te trekken, de harten te smelten van allen die eindelijk het licht zullen zien, die eindelijk lief zullen zijn, en het goed doen, en alles doen, en betekenis krijgen omdat dit het enige is wat ik te bieden heb.
Tap Tap.
Een beetje betekenis.
Tap Tap.
Meer niet.
Tap Tap.
En het doet pijn, ik doe er anderen pijn mee, en iedereen leeft in pijn, maar misschien is het genoeg een beetje betekenis te geven aan waarom het niemand wat kan schelen, aan waarom het iedereen wat kan schelen, een beetje.
Tap Tap.
Sterf maar.
Tap Tap.
Een beetje. Maar niet te veel.
Tap Tap.
Dat is hoe ik je wil kennen, in leven, een beetje, alsof ik je mag kennen, alsof je me toelaat en toestaat een klein beetje jou te mogen zijn.
Tap Tap.
Een beetje iemand die mij kent.
Tap Tap.
Een beetje iemand die mij is.
Tap Tap.
In leven. Mag het. Toch?

Tap Tap en ‘vergeef me’ en het verschil is me onduidelijk. Wie hier praat, de vogels, de jongen of het meisje, ik, de punten van mijn schoenen, of het ritme alleen.
‘Vergeef me,’ zeg ik en, ‘er is geen beginnen aan,’ lijken de punten van mij schoenen te zeggen.
En wat zeggen mijn voeten? Helaas kan ik ze niet verstaan, zo opgesloten in die schoenen met punten, zo zal het niet gaan. Langzaam zet ik de ene voet voor de andere. Met de punt van mijn linkerschoen duw ik de hak van de rechterschoen omlaag, en met de tenen in mijn rechtersok duw ik de linkerhak naar beneden. Nu, met beide schoenen uit, sta ik een beetje naar mijn sokken te staren.
Met mijn dikke rechterteen nog in mijn rechtersok, duw ik de sok van mijn linkervoet af. Mijn blote linkerteen duwt mijn rechtersok omlaag en dan sta ik op blote voeten. Blootsvoets sta ik in wat het leven kan zijn, is het niet voor mij. Een toerist in andermans verlangen, ben ik.
‘Leven,’ zeggen ze, je voeten, ‘er is geen beginnen aan, je doet het gewoon, voor je het beseft heb je in je pamper gekakt.’
‘Vergeef me,’ zeg ik en dit keer klinkt er wel een uitroepteken in door.
Ik steek de straat over, invalide of niet, stap op het koppel af. Grote ogen, vlezige lippen, vreemd gezicht.
‘Vergeef me. Mijn in vuur zijn. Mijn naar buiten kijken en niets zien, alleen het flakkeren, onvoorspelbaar, onnavolgbaar, en vooral mijn luisteren. Mijn afluisteren. Vergeef me mijn dansen, aan de binnenkant van het vuur. Vergeef me.’

Gepost in Columns, Home, Proza | 1 Reactie

Tegen de avond begin ik met schrijven, Willemien de Rooy

 ‘s Nachts word ik wakker met moeie armen, het lijkt of mijn bloed stroop is en moeilijk door mijn aderen stroomt. Ik denk dat ik zware dromen heb en al herinner ik me deze dromen niet, het gevoel in mijn armen en handen is het weinige wat ervan overblijft. Maar het is niet weinig, het is veel en fysiek, en verwar dat niet met gedachten of met een emotioneel gevoel. Waarom dan wakker worden, waarom niet gemakkelijk weer inslapen?        

Tegen de avond begin ik met schrijven, maar eerst is er de hele dag. Een dag met veel werk, niet altijd heel zwaar, maar meestal wel ingewikkeld. De wandeling met de hond tussen de middag, het eten van een broodje, het is allemaal heel fijn, maar ik ervaar het als heel kort, alles heel snel, en dan vlug weer aan het werk. Mijn Sisyphusarbeid: geen uitzicht op betere tijden. Vroeger dacht ik niet aan de toekomst, dus maakte ik me niet te sappel over de dingen waar anderen op twintig- of dertig jarige leeftijd zich mee bezighouden. Zorgen voor een huis, vastigheid, toekomst, pensioen, wat niet al.  Ik had er geen weet van, wilde er geen weet van hebben. Allerlei huishoudelijke apparaten die mensen van mijn leeftijd in die tijd kochten, deden me niks. Ik maakte mezelf wijs dat ik geen huishouden had, maar allengs sluipt het erin: eten klaarmaken, gasten ontvangen, spullen kopen, sociale verplichtingen aangaan. En deed ik niet mee met het huwelijksspel? Me geborgen voelen in een relatie? Natuurlijk gebeurde dat. Heel subtiel sluit het net zich om je heen, want hoeveel vrijheid kun je eigenlijk aan?

Tegen de avond begin ik met schrijven en dan is het een genoegen, een genot ook, dat ik niet langer kritisch naar mezelf hoef te kijken. Die altijd zorgelijke blik naar mezelf: doe ik het wel goed, is het wel de moeite waard?

Ik sluit mijn ogen.

Eindelijk ben ik geen boekverkoper meer, ook al verkoop ik nog boeken. En hoe vaak vroeg ik me niet af of ik nu bijna gelukkig was. Met het schrijven is het anders, al schrijvend krijg ik direct een voldaan gevoel.

*

Ik ben nog boekverkoper.
In deze veranderende wereld, in onze snel veranderende wereld, zie ik ook de boeken veranderen. Ik ben boekverkoper en als ik de boeken niet meer kan verkopen, komen ze verhaal bij me halen. Als ik ze verkoop maak ik er een ander mens of blij of gelukkig of ongelukkig mee. Als ik ze niet verkoop kan ik ze weggooien, een daad van wanhoop van het ergste soort, of ze oppakken, bekijken, er iets uithalen, er op een andere manier mee omgaan. Is het zo vreselijk om boekverkoper te zijn? Niet wanneer je er geen moeite mee hebt een Sisyphus te zijn, en anders misschien ook niet. Als ik er goed over nadenk, ben ik altijd een zwerver geweest of een Lijsje Lorresnor.  Met mijn blik gericht op koopwaar. De tijd van het prachtige boek met plaatjes, met verrassingen, met geheimen, is die voorbij? Die dreiging is er altijd. Is het nu dan tijd om weer eens anders met een boek om te gaan? Ik heb zoveel boeken door mijn handen zien gaan. Nooit meer tijd gehad, nooit meer de tijd genomen om het boek te voelen, te ruiken, te betasten. Geen tijd, geen zin om te dansen.

Ik heb een cd met gamelanmuziek opstaan, is gamelanmuziek ouderwets? Zijn de mensen die zich daaraan overgeven een uitstervend soort? Zijn ze de weg kwijt? Verloren? Ben ik verloren als ik iets anders met boeken doe dan ik deed, als ik ze weer individu maak en ze een karakter toedicht, iets waartoe ik lange tijd niet meer in staat was?

Als kind stelde ik me deze vragen niet. Ik verloor me in het boek, in de dans, in de muziek, in de wei, in de fantasie. Nu moet ik me losmaken van de vanzelfsprekendheden die ik me in mijn volwassenheid eigen heb gemaakt. Het opstellen van eindeloze lijsten die ervoor moesten zorgen dat er een gezonde verhouding ontstond tussen inkoop en uitgaven. Hier boeken gekocht, daar weer genoeg verkocht. Dan weer kopen, administratief verwerken en hup op zoek naar nieuwe klanten. Nooit een stap op de plaats, geen twijfel, geen weg terug, altijd maar doorspurten, week in week uit, jaar in, jaar uit. Wat een prachtige jaren, wat een vermeldenswaardige omzet. Wat een geploeter, wat een baat bij de uitvindingen waardoor je nog sneller kon werken.

*

Mijn wond geneest, de pelle morbida doet zijn werk. De kaarsen die ik voor Sint Antonius heb opgestoken hebben hun werk gedaan. Ik stak ze op in Florence, eigenlijk als herinnering aan de lofbijeenkomsten in de Lodewijkskerk. Ik dacht op dat moment aan mijn vader en moeder, beiden dood. Zagen ze mij daar? Zag ik hen nog of heb ik ze uit het oog verloren? Ik stak een kaars op en nog een. Ik dacht aan Carol Light, aan de plek waar ze werkt op de universiteit van Notre Dame, in de Verenigde Staten. In de bibliotheek waar ze steeds maar weer catalogi van mij ontving en er later helemaal niets meer mee deed. Of leek dat maar zo? Ik ken de plek niet waar ze werkt. Op braintrack heb ik de koepel gezien, een foto van de koepel van de University of Notre Dame. Naderbij leek ik niet te kunnen komen. Maar de afstand bleef, want vanaf november 1999 was het stil, doodstil vanuit  Notre Dame, Chapel Hill. Ondanks mijn smeekbeden, onverhoord, tot dat ene moment dat ik de post ophaalde en ze daar opeens weer was. Carol Light, book order. Toch werkte ik eerst netjes de eerder binnengekomen bestellingen en brieven af. En toen, opeens was ze er weer. Order of books, evenzovele op kat. 14.

Ik stak een kaars op in Florence, ik tastte de blauwe hemel af op zoek naar de maagd Maria, de Maria van mijn jeugd. Van de twee Mariamaanden mei en oktober, was mei mijn favoriete maand. Ik had een beeldje van haar in een blauwe jurk en daar kon ik in mei altijd veldboeketjes bij zetten. Ik was er dol op ze te plukken. Wanneer ik met mijn broer Hans naar het avondlof gingen werd het keten, boven in de Lodewijkskerk. We beklommen de vele trappen naar het bovenste balkonnetje en altijd zat Zebedeus daar. Natuurlijk heette hij niet zo. Maar we noemden hem bij die naam omdat hij leek op een figuur uit Pietje Bel’s avonturen. Arme Zebedeus was het mikpunt van onze spot. Alleen door zijn uiterlijk? Misschien door het contrast tussen de toewijding waarmee hij het lof volgde en onze aandrang om lol te trappen. Soms gingen we voor het lof niet naar de kerk. Dan knielden we thuis op het karpet. Met z’n allen de litanie opzeggen, met z’n allen de weesgegroeten bidden van de rozenkrans. Mijn moeder was dan de enige die dit met overgave deed. Alleen op mijn kamer, met mijn Mariabeeldje en de bloemetjes, voelde ik me meer betrokken bij de meimaand als Mariamaand, dan in de kerk of beneden op het sisaltapijt, dat zulke gemene figuurtjes maakte in je vel.

Mijn wond heelt, Carol Light bestelt na zoveel maanden gelukkig weer boeken. De meimaand is allang voorbij en het duurt nog lang voor het oktober is. In de kerk in Florence werd ook de litanie opgezegd. Het eerste gedeelte door één persoon gesproken, het tweede door de goegemeente beantwoord. In het Italiaans (of was het Latijn?) ken ik ze nog wel. Het zijn evenzovele epitheta van Maria: Maria verlosseres, Maria koningin, Maria redder in de nood. Een eindeloze lijst. Ik zat er lang, in gedachten verzonken.

*

Ik als boekverkoper. Je moet beginnen. Als je geboren wordt moet je beginnen. Nadat ik de alleroudste computer – waarom worden ze naar een bloem of vrucht genoemd waar ze toch echt niks mee van doen hebben? – naar zolder heb gesleept, zit ik hier aan het raam, bezweet door de plotselinge stilte.

Mijn vader als boekverkoper. Mijn vader als lange Jan met zijn kolenschophanden. Hij begon met gillen toen hij geboren werd, zo wil het verhaal. Hij gilde toen hij op de schuit van Rotterdam naar Wijk bij Duurstede naar zijn grootouders werd gebracht, schreeuwde van het begin tot het einde van de reis. Mijn vader begon met gillen en hij werd boekverkoper. Na de oorlog was dat. Hij begon met een koffer vol boeken en ging de markten af.

Ik begon niet met gillen, er was meer dan genoeg lawaai door de overvliegende gevechtsvliegtuigen. De moeders met pasgeboren baby’s kregen het advies hun kroost met een kussen te bedekken wanneer de vliegtuigen overkwamen.  Nee, niet om het gillen te smoren, niet om de oortjes voor dat lawaai te behoeden, maar als bescherming tegen de glassscherven die rond konden vliegen. Mijn moeder vertelde me dat, heel veel later, toen ik zelf een baby’tje had. Kroop mijn moeder zelf ook onder een groot kussen om zich te beschermen tegen rondvliegende scherven? Al die dagen in de tot ziekenhuis omgebouwde meubelfabriek, stortte er geen enkel vliegtuig neer. Maar dat het flink spookte in de wereld waar ik en andere babys in terecht kwamen, staat op mijn huid geschreven.

Gelukkig kan ik nu met schrijven beginnen.

Ik ben niet geboren met boeken om me heen. Mij werd verteld dat er één boek gelezen werd, hardop, vóór of na de maaltijd op de boerderij waar mijn ouders sinds september 1944, met hun twee zoontjes en ik in de maak, geëvacueerd waren. Vanuit Arnhem om plaats te maken voor de Slag om Arnhem. Overal waar maar één boek wordt gelezen, wordt het dwingend hardop voorgelezen. Eén boek voor twee, drie of talloze mensen.

Ik ben begonnen met lezen, nadat ik eindeloos plaatjes in boeken had gekeken. En er waren altijd boeken om me heen. Stapels die kwamen en gingen. Buiten in de wei wilde ik altijd ‘boeme putte’. Ja, zegt mijn vader, en ja, zegt mijn moeder, je wilde altijd ‘boeme putte’.

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

1 november en Spoorzoeker, Steven Van Der Heyden

1 november

ik zal nooit je schouderbladen schrapen,
wervels tot een ruggengraat puzzelen, je een nieuwe huid
aanmeten of je stembanden lijmen. vanuit een precieze hoek
heb ik je aders niet geopend, geen kwaad bloed verspild.

de donkerste draad rond mijn gedachten spint
een cocon van spijt. wij dragen nog steeds
elkaars naam. geloven er niet echt in.
dit is het seizoen waarin doden rijpen. ik laat je liggen.

 

Spoorzoeker

de straat bewaart dit stoffige huis,
het lekt jaren leegstand.

in de hoeken glanzen mijn kinderjaren,
waarin ik mezelf terugzoek.

ik ruik opnieuw tabak, proef zondags gebak,
de schrijfmachine hamert woorden in mijn oor.

hier loopt het spoor dood, in dit beroofde
land reed ik door de zomer op mijn fiets,

nu hijgen zelfs de honden in kortere stoten
lijkt het groen ouder, tot alles krimpt

tot het punt waarop ik zonder spijt
uit het moment stap.

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Nu en Schuilkelder, door Els de Groen

Nu

Bijwoorden van tijd moeten geen kapsones
krijgen. Ze bakenen de tijd niet af maar
spannen ermee samen. Nu wordt later, later
nu en nog weer later vroeger.
Hapering is perceptie, maar…

nu is een driftig woord dat zijn
zin wil hebben. Het is als vuur dat
uitgaat, een schreeuw die al verstomt.
Nu moet het van nu hebben: momentopnamen
voltreffers, doelpunten, hoogtepunten.

En wij zijn ruimtevaarders die tijdzones
opheffen maar heimelijk bewaren. Bakens
bermen, baanvakken zijn stervelingen liever
dan oneindigheid. Dus houden we van nu:
die stoel dicht bij het raampje.

 

Schuilkelder

Als de wereld ten ondergaat, scheep ik me niet in.
Arken zijn onbetrouwbaar. Als de wereld sterft ga ik
naar de kelder met zesendertighonderd mede-Ossenaren.

Een plaatselijke supermarkt doet ons uitgeleide.
OP is OP, orakelt de reclame op de ramen. VOL is VOL
echoën stemmen uit de diepte. We lopen al sneller.

In een parkeergarage schuilen kelderkamers: bedden
knus gestapeld, wc’s als schouwburgstoelen in een
rechte rij. Er is ventilatie. En een koelsysteem.

Om beurten gaan we liggen, om beurten ook weer staan.
Tijd wordt iets wat slobbert, ruimte iets wat knelt
redding wat ontreddert. Tot we buiten mogen.

Boven roert zich niets. Zelfs vogels zijn gevlogen.
We plunderen de winkel tot OP waarachtig OP is.
Dan gaan we het volk dat niet kon schuilen achterna.

(Dit gedicht won de derde prijs bij de Stadsgedichtenwedstrijd 2019)

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

De eland, door Guido Eekhaut

Ik ben er stellig van overtuigd dat de man die ik kende als Martinus Brons nooit, maar dan ook nooit, de intentie had in mijn woonkamer te verschijnen onder de vorm van een eland. Nu is een eland een machtig en vooral groot dier, dat verre van past in mijn woonkamer. Daar had Martinus Brons — of wie ook verantwoordelijk was voor dit verschijnen — rekening mee gehouden, want de eland was een miniatuurversie van zichzelf. Waarmee ik bedoel: het was een kleine eland maar niettemin al te duidelijk een volwassen exemplaar.
            Goed, we laten dit onderwerp even rusten. Ik keer nu net terug van de therapeut, en ik maak het al wat beter. Dit consult was drie maanden geleden al gepland, dus lang voor het bezoek van Martinus als eland, en heeft daar dan ook niets mee uit te staan. Uiteraard meldde ik het incident aan de therapeut, want ik was van mening dat ik dit niet zomaar mocht laten passeren. Zeg nu zelf: hoe vaak krijg je een eland in je woonkamer op bezoek, en een volwassen exemplaar bovendien?
            De therapeut legde met een traag en weloverwogen gebaar haar bril en vulpen neer naast haar aantekeningenboekje en keek mij aan, niet verrast maar puur analytisch, zoals ze dat eigenlijk de hele tijd doet. Misschien is in haar beroep het vermelden van een eland, en het woord zelf, een soort code, of beter gezegd een symptoom, dat bij de patiënt op een ernstige en dus in overweging te nemen afwijking duidt. Wanneer je naar een reguliere dokter gaat en je vermeldt pijn in de linkerarm en in de linkerzijde van je borst, dan weet die ook waar hij aan toe is.
            ‘Eland,’ zei ze.
            Ik veronderstelde dat ik haar geen fysieke omschrijving van het dier hoefde te geven. In deze streken komen weliswaar geen elanden voor, maar iedereen heeft ze wel een keertje op televisie gezien. Of op YouTube, wanneer ik de leeftijd van mijn therapeut in overweging neem.
            ‘Is dit ernstig?’ vroeg ik.
            Ik ben nu weer thuis, dus ze heeft me niet meteen laten opnemen. Ik heb, neem ik aan, geen ernstige afwijking of aandoening.
            ‘Wat voor kleur had die eland?’ vroeg ze.   
            Nu sla je me dood, maar ik herinnerde me niet meer de kleur van het beest. Ik wist het niet en zei haar dat ook. Wat ik haar niet zei, was dat de eland eigenlijk Martinus Brons was. Want, geef toe, zo’n bewering zou zeer onwaarschijnlijk geklonken hebben. En ze zou me gevraagd hebben hoe ik dat wist, dat die eland Martinus Brons was.
            En wie is die Martinus Brons eigenlijk?
            Daar zit het hem. Brons is dood. Brons is al ruim tien jaar dood. Hij stierf gewoon, heel erg onspectaculair, aan hartfalen. Niets wees er toen op dat hij ooit, vrijwillig of niet, als eland zou terugkeren. Maar blijkbaar weerhoudt dat er hem niet van om niet-uitgenodigd en onverwacht in mijn huis op te duiken.
            En wat deed hij daar, in mijn woonkamer? Niets, eigenlijk. Elanden hebben die onverschillige blik, die onverschillige houding, die verklaard kan worden uit het feit dat ze geen natuurlijke vijanden hebben. Ze leven in noordelijke gebieden, waar beren en lynxen voorkomen, en mensen, maar een eland is zo’n machtig dier dat die zich niets aantrekt van al die roofdieren.
 
Mijn buurmeisje heeft natuurlijk al snel wat in de gaten. ‘Heb jij een eland in je woonkamer?’ vraagt ze. Ze slaagt erin die zin als een retorische vraag te laten klinken. Ze is vijftien en bijzonder pienter, zoals alle vijftienjarigen. Soms komt ze met een boek en stelt me vragen. En niet met een schoolboek, nee. Altijd iets wat ze uit de bibliotheek voor volwassenen heeft gehaald.
            ‘Wanneer ik hier passeer, kijk ik recht in je woonkamer. Is het een echte, levende eland?’
            Dat kan ik alleen maar bevestigen. Ze is danig onder de indruk. Niemand in de buurt heeft een eland. Een kat, een hond of een hamster, dat wel. Maar niet een eland. Ik ben opmerkelijk, ik ben speciaal. In haar ogen ben ik ook een oudere man, want ik ben twintig jaar ouder dan zij. Dat is, voor haar, een aanzienlijk verschil. Onder normale omstandigheden hebben wij nauwelijks een gesprek. Geen gemeenschappelijke onderwerpen. Nu, vanwege die eland, is dat anders.
            ‘Wat geef je hem te eten?’ vraagt ze. Ze is duidelijk erg praktisch ingesteld. Ik heb hem niets te eten gegeven. Hij lijkt ook geen honger te hebben. Maar echt weten doe ik het niet. Ik weet niet eens of hij er wel de hele tijd is. Misschien is hij er alleen maar wanneer ik er ben. En gaat hij op andere momenten ergens grazen.
            Ze is bezorgd om mijn onwetendheid. Ze is bezorgd om de eland. ‘Laat je hem dan niet rondlopen in je tuin?’
            ‘Hij staat daar maar,’ zeg ik. ‘Hij doet niets. Het is alsof hij nadenkt.’
            ‘Waarover?’
            ‘Ik weet het niet. Misschien over wie en wat hij is.’
            ‘Hij is een eland,’ zegt ze.
            Ik vertel haar niet dat hij ook Martinus Brons is. En tegelijk een eland. Ze is vijftien. Allicht heeft ze veel fantasie. Maar of die fantasie ook het concept van een eland die tegelijk Martinus Brons is kan bevatten, weet ik niet.
            Ik kan het overigens niet uitleggen. Ze is vijftien. Bijna half zo oud als ik. Ze leeft in een andere wereld. Toch hebben we die eland gemeen.
            ‘Heb je een sigaret?’ vraagt ze.
            ‘Nee,’ zeg ik. ‘Overigens is het ongezond. Zeker al op jouw leeftijd.’
            ‘M’n ouders willen het niet. Ik rook wel eens, stiekem. Ik heb een plekje waar ik sigaretten en een aansteker bewaar. Maar niet in de buurt van het huis.’
            ‘Het is een verslaving.’
            ‘Ja. Dat weet ik. Het wordt alleen maar erger. Ik hou van de smaak van sigaretten. Ik word daar rustig van.’
            Zelf rook ik alleen af en toe een sigaar. Maar de laatste is maanden geleden.
            ‘Is dat ook zo met die eland?’ vraagt ze me.
            ‘Wat is ook zo met die eland?’
            ‘Dat je er rustig van wordt wanneer hij in je woonkamer staat?’
            Zo heb ik er nog niet over nagedacht.
 
De therapeut oordeelt niet. Dat is ook niet haar taak. Ze probeert afwijkingen te vinden. Ze probeert trauma’s te voorkomen. ’Je bent niet getrouwd,’ zegt ze. ‘Je bent ook nooit getrouwd geweest. Heb je iemand in je leven?’
            In haar kantoor klinkt deze vraag niet bedreigend. En ook niet beschuldigend.
            ‘Ik ben alleen,’ zeg ik. Maar dat is niet het juiste antwoord op haar vraag.
            ‘Dat is op zich geen probleem.’
            ‘Ik heb ook geen behoefte om met iemand te zijn.’
            ‘Het komt steeds vaker voor,’ zegt ze. ‘Twintigers en dertigers die geen relatie hebben en ook geen relatie willen.’
            Ze vraagt niet om commentaar en krijgt die ook niet. Persoonlijk interesseer ik me niet voor sociale verschijnselen. Of voor politiek. Aan een eland en een buurmeisje heb ik genoeg. Ik ben niet voor niets in therapie.
 
Het buurmeisje zegt: ‘ik heb uw raad opgevolgd en de sigaretten weggegooid. Waarom nodig je me niet uit in je woonkamer? Dan kan ik jouw eland van nabij bekijken.’
            ‘Het is mijn eland niet,’ zeg ik. ‘Hij is van zichzelf. Net als mensen ook niet aan andere mensen toebehoren.’
            ‘Maar hij staat in jouw huis.’
            ‘Ben jij eigendom van je ouders? Omdat je in hun huis woont?’
            Ze kijkt dromerig weg. Er is werk aan de winkel wat haar betreft, besef ik.
            ‘Misschien zijn wij de enigen die de eland kunnen zien,’ zegt ze. Dan kijkt ze me weer aan. ‘Jij en ik.’
            ‘Dat is mogelijk. Maar het is weinig waarschijnlijk.’
            ‘Heeft iemand anders die eland al gezien?’
            ‘Ik vermoed van niet, nee.’
            ‘Er komen geen mensen bij jou over de vloer?’
            ‘Eigenlijk niet.’
            Zo kunnen we nog even aan de gang blijven. Er zijn vragen die ik niet kan beantwoorden. Fundamentele vragen. En vragen over elanden.
 
De therapeute weet ondertussen van het buurmeisje. Ze vindt dit een interessante ontwikkeling. Ze vraagt of het buurmeisje een huisdier heeft.
            ‘Zoals een eland?’ vraag ik.
            Kat, hond, hamster, specificeert ze. Of een goudvis misschien?
            ‘Niet dat ik weet. Ik weet niets over haar. Ze heeft ouders. Ik vermoed dat ze enig kind is. Maakt het wat uit?’
            ‘Er zijn correlaties die wij in de gaten moeten houden,’ zegt ze.
            Ah, correlaties!
            ‘Zoals deze tussen jou en de omgeving — jouw omgeving. Je bent het met me eens dat die eland ingebeeld is?’
            ‘Ik zou het niet weten. Vertelt u het me maar.’ Mensen hebben een probleem met verbeelding. Ze lezen alleen maar romans die nauw aansluiten bij hun banale ervaringen. Vooral in dit land, dat nochtans een zeer rijke fantastische en surrealistische traditie heeft. Vandaag niet meer. Alles moet praktisch en nuttig zijn. Ook literatuur. Die moet sociale en politieke ideeën bespreken. Persoonlijk vind ik dat onzin. Literatuur moet gaan over raadsels en mysteries. Literatuur moet een mysterie zijn.
            ‘Er komen in deze streken geen elanden voor,’ zegt de therapeute.
            ‘Dat weet ik,’ zeg ik. Ze gaat me niet pakken op het ontkennen van de reële wereld.
            ‘Maar je hebt wel degelijk een buurmeisje.’
            ‘Daarvan ben ik overtuigd. Ze praat zelfs met mij.’ Ik ben bekend met het fenomeen van de ingebeelde vriendjes. Bij kinderen kan dat. Bij volwassenen duidt het op psychoses. Of is het schizofrenie?
            Ze beweegt de pen tussen haar vingers, als een toverstaf. ‘Reageert de eland op uw aanwezigheid? Is er sprake van enige interactie?’
            ‘Nee,’ zeg ik. ‘Hij staat daar maar. Het buurmeisje daarentegen…’
            ‘Ja?’
            ‘Met haar praat ik. Sinds een tijdje al.’ Iets daagt me. ‘Is de eland er misschien voor haar, en niet voor mij? Heeft hij zich in het huis vergist?’
            ‘Dat zou absurd zijn,’ zegt de therapeute afwezig. Ze kijkt op de klok. Het einde van het consult nadert. ‘Hoe kan die eland zich in een huis vergissen?’
            ‘Tja,’ zeg ik. ‘Dat overkomt mij ook.’
            Nog een aantekening in dat boek van haar.
 
Op straat probeer ik de dingen in perspectief te zien. Deze opzet is tot falen gedoemd. Ik heb een heel persoonlijk perspectief, dat geen ruimte laat voor banale geesten en hun hobby’s. Ik word niet verleid door de massa en haar spektakel. Een plots opduikende eland in mijn woonkamer is net vreemd genoeg en draagt bij tot de volmaaktheid van mijn leven.
            Mijn buurmeisje zegt me: ‘U kijkt tegelijk opgewekt en triest, alsof u weet dat alles wat genot is in het leven van korte duur is.’
            Kijk, een vijftienjarige met zoveel wijsheid is een balsem voor mijn ziel. Ik wil haar optillen en meenemen. Waar naartoe doet niet terzake. Zolang ze zich maar veilig voelt. Ik wil dat ze deel wordt van mijn leven, en dat ze die akelige Martinus Brons uit mijn huis verjaagt. Ik wil een leven met haar, en met haar als inspiratie.
            De realiteit zal anders zijn. Ze loopt een jongen tegen het lijf die haar vriendje wordt, die haar intelligentie en diepgang niet begrijpt en in het beste geval een saaie, hardwerkende echtgenoot wordt. Die haar ziel versmacht zonder het te beseffen, uit liefde. Ze laat dat gebeuren, ook uit liefde, en daarna komen er kinderen.
            Ik hoop dat iemand — niet ik — haar helpt dit lot te voorkomen. Dat moet wel een bijzonder iemand zijn.
            ‘Wanneer u er niet bent, is de eland er ook niet,’ zegt ze. ‘Toch niet in de woonkamer. Ik kan in de woonkamer binnenkijken, maar niet in de rest van het huis. Misschien is hij dan in de slaapkamer. Of hij neemt een bad.’
            ‘Hij past niet in het bad,’ zeg ik.
            ‘Wel wanneer hij zichzelf nog kleiner maakt.’
            ‘Dat lijkt me onmogelijk.’
            Ze lacht. ‘Alles in verband met die eland is onmogelijk.’
            Ze heeft gelijk. Het is het onmogelijke verraad van Martinus Brons. Om wat ik hem ooit aandeed.
            ‘Misschien is die eland van u eigenlijk dood,” zegt ze. Ik merk dat ze een fijn dons heeft op haar voorarmen. ‘Als hij dood is, mag ik hem dan hebben?’
            ‘Wat wil je met die eland beginnen, als hij dood is?’
            ‘Misschien wil ik hem opensnijden,’ zegt ze bedachtzaam. ‘Ik wil hem opensnijden om uit te zoeken hoe hij in elkaar zit. Ik sneed al eens een muis open, en een vogel, maar dat zijn eenvoudige dieren, simpele dingen, en veel is er niet in te vinden.”
            ‘Ik zou denken dat het weinig uitmaakt,’ opper ik. ‘Of je nu een muis of een eland opensnijdt: het zijn allemaal dezelfde organen en zo, alleen wat groter, bij die eland.’
            ‘Dat weet u niet echt,’ zegt ze, ‘tenzij u zelf al een paar dieren openmaakte. Deed u dat? Nee? Ook niet in de biologieles, toen u nog naar school ging?’
            ‘Dat soort biologie hebben we nooit gehad,’ zeg ik. ‘Of ik kan het me niet meer herinneren. Of ik viel flauw en kan me het niet meer herinneren.’
            ‘Tja. Ik had een leraar die graag dieren opensneed. Voor sommige leerlingen was dat griezelig, maar ik kon er best goed tegen. De dieren waren dood, wat eigenlijk een beetje jammer is, want als de dingen dood zijn, zie je niet half hoe ze functioneren.”
            Ze is vijftien. Ze heeft bizarre ideeën.
            ‘Wil je dat werkelijk doen? Een eland opensnijden? Je hebt een groot mes nodig, neem ik aan, en heel wat kracht.’
            ‘Jij kunt me helpen,’ suggereert ze.
 
Wanneer ik thuis kom, is de eland er niet meer. Of eigenlijk Martinus Brons, die nu zijn opwachting niet meer maakt. Dat is merkwaardig. Was ik er, dan was hij er ook. Nu al dagenlang. Misschien heeft het universum beslist om weer orde op zaken te stellen. Of hoorde hij welk lot het buurmeisje voor hem in petto had.
            Ik maak koffie. Even later zit ik neer in de sofa en wacht af. Martinus Brons verschijnt niet meer. Had hij iets anders te doen? Is hij elders verschenen? Bij een andere voormalige vriend? Heeft hij zich in een ander universum vervoegd? Is hij teruggekeerd naar de plek waar elanden thuis zijn?
            Ik weet dat geen enkele van mijn vragen beantwoord zal worden.
            Eigenlijk zoek ik ook die antwoorden niet. Ik wil niet eens weten wat de therapeute van me denkt. Misschien moet ik die sessies stopzetten. Al kan ik dat niet, want het is de rechtbank die me ertoe verplicht.
            Ik schrik op vanwege de bel. Nadat ik de deur heb geopend staat een man van een jaar of veertig voor me. Jeans, sweater, de kledij van de talentloze burgerman in zijn vrije tijd. Hij heeft zich enkele dagen al niet geschoren
            Hij kijkt verontrust. Ik weet niet wie hij is. Ik heb hem nog nooit gezien. ‘Ik ben de buurman,’ stelt hij zich voor. ‘We wonen hiernaast. Hebt u vandaag mijn dochter al gezien? Ze is nergens meer te vinden. We bellen iedereen, haar vriendinnen, de school, maar ze is vermist. Hebt u enig idee…?’
            Ik heb allicht een paar ideeën, maar geen daarvan ga ik met hem delen. Ik zie hem nooit thuis. Hij is de afwezige vader, die nu in een noodgeval opduikt en meteen de zaak in handen wil nemen, orde scheppen waar chaos heerst, zijn betrokkenheid bevestigen.
            Weet hij dat zijn dochter en ik keuvelen over het dissecteren van elanden? Niet, denk ik. Hij weet heel weinig over zijn dochter. Hij kan ook niet vermoeden dat ze een toekomst als huissloof tegemoet gaat. Waarbij hij de gefrustreerde schoonvader zal zijn. Ik vertel hem dat allemaal niet. Hij zoekt het maar uit. Ik weet alleen dat zowel zijn dochter als de eland verdwenen zijn uit mijn leven, en dat ze nooit meer terugkeren. Die eland is de pineut, al weet hij dat nog niet.

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

Ventieltjes, proza om het gemoed te luchten, door Ruud Minnee

JAN DE VRIES IS ZIEK

‘Ik heb me ziek gemeld Joke, de wereld draait niet om mij.’
Zijn vrouw kijkt hem verschrikt aan: ‘Maar…, maar, dat doet ie wel!’
Jan kan alleen maar zuchten.
Even later verschijnt op miljoenen beeldschermen een zichtbaar nerveuze CNN-nieuwslezer: ‘Dames en heren. Het kan niemand ontgaan zijn: Jan de Vries is ziek.’ Er doemen beelden op van schots en scheef gestrande auto’s. Radeloze reizigers stromen verdwaasd uit stilstaande bussen en treinen. Sommige klampen zich aan elkaar vast. Iemand gilt hysterisch. Voor even verschijnt de nieuwslezer weer. Zijn mond beweegt maar er zijn geen woorden. En dan valt ook het beeld weg…

OPGEBRAND

Het VOC-schip ’t Vaandrig’ klieft door de woeste golven van de Indische Oceaan. In de grote kajuit staat Diederik Janszoon tegenover kapitein Evertsen. Hij friemelt zenuwachtig aan zijn pet. ‘Ik… ik heb last van spanningen kapitein, Ik heb alle symptomen van stress: concentratieproblemen, dissociatie, angst- en paniekklachten, geheugenverlies, stemmingswisselingen, piekeren, een opgejaagd gevoel, neiging tot verslaving, verwardheid, duizeligheid en ik heb nergens zin in… ik denk zelfs dat ik een burn-out heb.’
‘Een wat?!’ roept kapitein Evertsen. ‘Wat zit je nou te bazelen man? Stress, burn-out, spreek je moerstaal!’
‘Ik denk dat ik ben opgebrand kapitein.’
‘Opgebrand, opgebrand, een paar weken geleden zag ik twee heksen op een brandstapel in Vlissingen, dié waren opgebrand.’ De kapitein grijnsde van oor tot oor.
‘Ik wil graag dat u mijn klachten serieus neemt kapitein, anders ga ik naar de afdeling HR.’
‘De afdeling HR? Wat is dat nou weer in hemelsnaam?’
‘Euh.., geen idee kapitein, ziet u nou wel dat ik helemaal in de war ben.’
‘Je hebt gelijk Diederik Jacobszoon.’ zuchtte de kapitein. ‘We gaan er wat aan doen, dit moet grondig worden aangepakt.’
En geheel volgens de toen geldende arbeidsvoorwaarden, is Diederik nog diezelfde dag gegeseld, geradbraakt en gekielhaald…

ONLY ONE MAN

Defensiekopstukken zitten in vergadering bijeen. Onderwerp van gesprek: een ultrageheime missie in het Midden-Oosten, waarbij één specialist de klus moet klaren. Dat moet iemand zijn die vierkant achter de opdracht staat, iemand die zich net zo goed onzichtbaar kan maken in woestijnen als in de diepten van de Arabische zee en de Perzische golf. Hij moet niet alleen veerkrachtig zijn en de ogen wijd openhouden, maar vooral veel in zich op kunnen nemen. Zonder een woord te spreken, weten ze dat er maar één man is die aan al deze eisen kan voldoen. There’s only one man for the job: SpongeBob SquarePants!

DODELIJK

Als een veld geknakte tulpen staan tientallen mensen op het Centraal Station van Utrecht op hun mobieltjes te staren. Het strijklicht van de opkomende zon versterkt het surrealistische beeld. Een lange, tengere man onttrekt zich met opgeheven hoofd aan de uniformiteit, maar helemaal op zijn gemak is hij niet. Dan plotseling grijpt hij naar zijn nek. Happend naar lucht zakt hij op de grond, zijn lichaam schokt twee, drie keer, dan is het stil. Het dodelijke gif afkomstig van de Chironex Fleckeri of kubuskwal werkt razendsnel. De zoveelste hartstilstand die maand. Wie denkt te kunnen ontsnappen aan de digitale wereld maakt een fatale fout.

DIGITALE SNELWEG

De digitale snelweg is onderhand een van de gevaarlijkste wegen ooit. Er is geen snelheidslimiet, er zijn geen vluchtstroken, zebra’s of stoplichten en er is geen tijd om voor te sorteren. Losers worden ongenaakbaar afgesneden door users. Mensen die niet snel genoeg invoegen worden verpletterd door internetverkeer. Bejaarden worden met rollator en al vermorzeld door agressieve drivers. Digibeten bezwijken aan vastlopende besturingssystemen, of liggen met een virus op hun versleten databank. Thuisblijven is geen optie, want zonder voeding ga je er zeker aan…

Gepost in Columns, Proza | Plaats een reactie