Eerdere recensies

Johan van Tilburg, De man die naar Engeland
wilde lopen
,De man die naar Amsterdam 2014 (Brave New Books)

De man die naar Engeland wilde lopen is een verhalenbundel als een doos bonbons. Het beste kun je er af en toe één uitnemen en je laten verrassen door de onverwachte vulling, soms bitter of wrang, soms zoet maar altijd vreemd. En doe, net als bij bonbons, rustig aan: het is een boek om langzaam te lezen, want te veel achter elkaar leidt snel tot oververzadiging.
Het boek is ongebruikelijk dik voor een verhalenbundel, bijna vierhonderd pagina’s met ruim honderd verhalen, soms niet langer dan een halve pagina. Knap is hoe van Tilburg in de beperkte ruimte die hij zichzelf gunt, telkens weer een sterk en duidelijk beeld weet neer te zetten. Aan een paar krachtige zinnen, ontdaan van opsmuk, heeft hij genoeg om de lezer het verhaal in te trekken. Daarmee toont hij zich een echte taalkunstenaar.
Van Tilburg presenteert een grote diversiteit aan situaties en personages, meestal in een licht bizarre sfeer. Maar zo divers als de setting is, zo eenduidig is de thematiek (dat is ook de reden dat je niet te snel moet lezen). In een minzaam sarcastische stijl komen we personages tegen die vooral tobben met de liefde. Overigens niet erg zwaar en dramatisch, de spottende toon van van Tilburg houdt de gebeurtenissen licht.
De kracht van het boek (een volledig beeld in beperkte ruimte) zorgt tegelijkertijd voor een probleem: de verhalen blijven aan de oppervlakte. Geen ervan heeft een plot, of een twist aan het eind, waardoor de gebeurtenissen in een ander licht komen te staan en er diepte ontstaat. Verhaal is daarom geen goede karakterisering voor de teksten, het zijn schetsen of sfeertekeningen. Van hoge kwaliteit, dat wel.

(Johan Bordewijk)

 

omslagAyaZikkenKees Ruys, Alles is voor even, het bewogen schrijversleven van Aya Zikken, Haarlem 2013 (In de Knipscheer)

Het is vaak gememoreerd, maar het blijft bijzonder: precies op de dag waarop haar biografie bij de Haagse boekhandel Van Stockum ten doop werd gehouden, overleed schrijfster Aya Zikken op drieënnegentigjarige leeftijd (22 maart 2013). Het is een omvangrijke biografie. De evangelist Lucas had tweeëntwintig pagina’s nodig om het leven van Christus te beschrijven. Schrijver, redacteur en Indonesië-kenner Kees Ruys gebruikt ruim zevenhonderd pagina’s voor het leven en werk van de productieve, maar niet heel bekende of veel verkopende Aya Zikken. Had Ruys zich moeten beperken? Wat mij betreft niet. De biografie is door de rijk geciteerde bronnen – lange citaten uit de vele interviews die Ruys de schrijfster afnam en de prachtige dagboekfragmenten – het lezen meer dan waard.

Zikken is een intrigerende, originele persoon met een veelzijdig oeuvre van romans, reisverslagen, interviews en autobiografische schetsen, met als bekendste werk de roman De atlasvlinder (1958) die zich afspeelt in een dorpje op Sumatra in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het bronnenmateriaal brengt je niet alleen dicht bij Zikken, maar ook bij de tijd waarin zij leefde. Vooral het Indië van de jaren dertig, gezien door de ogen van een jong Nederlands meisje en beschreven door een oorspronkelijk schrijfster, komt in de biografie tot leven. Een citaat uit het dagboek, geschreven vanaf het dak van een woonhuis in het centrum van Batavia: ‘Een eenzame druipende inlander komt voorbij. Een tram sliert uitdagend over de straat. Een verregende broodbakker en een postbesteller karren met troostelooze gezichten langs. Het regent en toch is ’t erg opwekkend weer, maar perhaps ligt dat aan mij’. Zikken is dan veertien jaar. Ook van het literaire leven in Nederland uit de jaren vijftig en zestig krijgt de lezer een goede indruk. De passages uit de dagboeken, brieven, interviews, recensies rijgt Ruys aaneen met sober, goed geschreven proza. De schitterend uitgegeven biografie wordt gecompleteerd door een ruime selectie foto’s uit alle fases van Aya Zikkens lange leven.

In een artikel in het aan biografieën gewijde nummer van Extaze (nummer 8, november 2013) schrijft Ruys – in een denkbeeldige brief aan Zikken – over zijn onderneming: ‘Dat ik ooit het plan heb opgevat over jou te schrijven was al net zo overmoedig als jouw instemming met het project.’ Die instemming ging gepaard met een merkwaardige voorwaarde: de biograaf mocht niet spreken met derden. Hij moest zich beperken tot wat zij hem vertelde en wat hij vond in het omvangrijke privé-archief. Ruys kende Zikken al dertig jaar van nabij. Hij bewonderde haar. Toch bewaart hij in het boek afstand. Hij interpreteert voorzichtig: het lijkt dat zij…, misschien heeft zij gedacht dat … Die voorzichtigheid is prettig. Zelfverzekerde verklaringen zouden in dit geval irriteren. Zo van: ik ken haar goed, dus ik weet hoe het zit. Ruys spaart zichzelf niet. Over een gezamenlijke reis naar Indonesië oordeelt hij: ‘Het werd geen succes. Beter gezegd, het werd een fiasco.’ Voor de biografie geldt dat oordeel gelukkig niet. Integendeel.

(Hein van der Hoeven)

 

Hans Muiderman, Ik ben hier geboren – Verhalen, Ik ben hier geboren
Soesterberg 2014 (Aspekt)

Het geboortehuis in Scheveningen vormt het begin en het eind van de reis door de herinneringen aan het gezin, de familie en de bekenden van de verteller.
Aan het begin (Weer thuis) is het huis nog betimmerd met hardbordplaten, die zijn moeder in een tijd dat strakheid de norm en de waan werd, had laten aanbrengen. ‘Elke ribbel, elk ornament moest verdwijnen’.
Aan het eind (Weer zien) is het huis daarvan bevrijd en heeft het zijn nuances en voornaamheid hervonden. Het geribbelde gele matglas van de schuifdeuren bestond nog. Licht bracht de wolken in het glas weer tot leven.
Het huis, nu nog met de hardboardplaten, staat de koop. De verteller meldt zich bij de makelaar, doet zich voor als potentiële koper. Wat hij hier zoekt is verloren tijd. Alle ruimtes en kamers in het huis hadden een naam, of liever een bijnaam, maar niet het tussenkamertje met in het platte dak een vierkant raam.
Waarom had het geen naam? Een inloop-garderobekast, zoals de makelaar het noemt, is niet de naam die hij zoekt. Ruimte zonder tijd? Het onderzoek begint.
Naar het geheim van het kamertje, naar de verborgenheden van de herinnering.
De beelden uit zijn jeugd gaan bewegen en vullen zich met diepte. De verhalen van Muiderman staan niet plat op papier, ze ontrollen zich voor onze ogen in 3D.
We ‘zien’ een foto van zijn moeder met haar kinderen (Haar hand.) Het is haar afscheidsfoto van het leven. De schrijver neemt ons mee tot achter de foto, tot in de kamer achter de winkel van de fotograaf. Aan de muren grote rollen papier. De rol met grijs wordt naar beneden gehaald. Dan de stem van de moeder, die inbreekt op de regie van de fotograaf. Ze wil niet vooraan zitten, ze wil achter haar kinderen. De verteller, het kind, voelt haar hand in zijn onderrug. Ze duwt hem naar voren. Dan flitst het licht.
Zijn tante heeft een kostuum voor hem gemaakt (Omhelzing). Tante achter de naaimachine, ze heeft verdriet, denkt hij. Het kostuum voelt onplezierig. De voorkant van het jasje komt hard tegen zijn lichaam, alsof het met karton gevuld is. De jongen herinnert zich een omhelzing van de tante met de oom. Net zo ongemakkelijk als het kostuum. ‘Hun lichamen schampen tegen elkaar en lijken niet in staat elkaar vast te houden’. Het oog van de herinnering draait om het tweetal heen. De oom doet een trage stap naar voren en door die traagheid lijkt het alsof hij twijfelt. Door de langzame beweging waarmee hij naar voren stapt, wijkt zijn bovenlichaam naar achteren. Door dat beeld heen ziet hij de gulzige omhelzingen die hij kent van zijn ouders.
Ook in het geluidsbeeld weet de schrijver dimensies aan te brengen. In de stem van de dochter die weet dat haar dementerende moeder van haar afdrijft (Breng me maar terug)…
“Gaat het goed mam?”
Ze hoort niet dat de klank van haar stem speelt met de toonhoogte. Ze wil haar moeder over een grens terugtrekken, over de dunne lijn tussen nu en wat ooit was.’
De mevrouw van kamer 413 (De oude moeder) heeft gezongen. Ze heeft zich even prettig gevoeld. In een passage op pagina 101 worden we in de gevoelsruimte geplaatst waarin de oude vrouw zich bevindt:
‘Ze ging op twee manieren stemmen horen.
Bij haar rechteroor, haar linker was al jaren doof, bogen de mensen zich voorover en schreeuwden mededelingen als, “ik heb hier de medicijnen voor u, drinkt u genoeg, we gaan u op uw andere zij leggen.”
Ze was verbaasd dat mensen zo schreeuwden in haar goede oor, alsof die mensen niet begrepen dat ze veel gevoeliger werd voor alle geluiden om haar heen. Ze kon veel meer horen. Ze hoefde niet meer te luisteren en te interpreteren. Geluiden kwamen niet langer van buiten, ze was één met de wereld geworden. Zo voelde ze dat.’

Reliëf.
Het huis, nu weer zonder hardbordplaten, is verkocht en kijkt uit op de toekomst.
Het geribbelde gele matglas, de nuances, het licht, de wolken in het glas.

(cg)

 

de vrouw die blijftAnn Thijssen, De vrouw die blijft, Amsterdam 2014 (Prometheus)

Een in staat van verval verkerend landhuis in Frankrijk, een aan Weltschmerz lijdende en als kluizenaar levende landheer, mokkend personeel dat de boel draaiend moet zien te houden, een opstandige dochter (een meisje nog) en een gouvernante. Dat lijkt een in sepia geschetst portret van het adellijke landleven van een eeuw geleden. Mis. De roman De vrouw die blijft van Ann Thijssen, waarvan de setting zich zo laat samenvatten, speelt in 2004. Maar het boek ademt de sfeer van het begin van de twintigste eeuw. Dat verschil in werkelijke tijd en de beleving ervan geeft het boek een prettige spanning.
Met een aangename traagheid vertelt Ann Thijssen het verhaal over Else, een Belgische jongedame wier relatie op een dood spoor is geraakt. Ze krijgt het aanbod om gouvernante te worden in de Cevennen. Daar ontspint zich een strijd met het lastige kind Florine, maar de trotse Else laat zich niet wegpesten – zij is immers de vrouw die blijft. Intussen raakt Else in de ban van haar mysterieuze opdrachtgever, de vader van het meisje. Zijn gezicht is verminkt als gevolg van een ongeluk, maar met zijn lange haar doet hij Else denken aan een leeuw. Er ontstaat een zekere aantrekking tussen Else en de leeuw, maar ondanks een schoorvoetende toenadering blijven ze gedurende het hele boek om elkaar heen draaien.
De gebeurtenissen in Frankrijk worden afgewisseld met herinneringen aan de jeugd van Else. Aanvankelijk leidt dat af van het verhaal, maar gaandeweg wordt duidelijk hoe het heden van Frankrijk verweven is met het verleden van België.
Met een verzorgde stijl en precieze formuleringen weet Thijssen een breekbaar beeld te schetsen van een vrouw wier leven achterhaald wordt door haar verleden.
De vrouw die blijft is een knap gecomponeerde roman. Thijssen laat zien dat ze kan schrijven. Dit boek is een debuut van formaat.

(Johan Bordewijk)

 

Stefaan van den Bremt, De oude wereld moe,De oude wereld moe
over literatuur en voortzetters in de literatuur.
Haarlem 2013 (In de Knipscheer)

In De oude wereld moe heeft Stefaan van den Bremt een aantal essays gebundeld over grote dichters uit het eind van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. ‘Al deze schrijvers beleven hun tijd als een breekpunt, met een duidelijk vóór en een niet minder manifest ná,’ schrijft hij in het Woord vooraf. Als verbindend element is dat echter te mager, want nergens beargumenteert Van den Bremt welke overeenkomsten er zijn in die belevenis en waarom juist de door hem gekozen schrijvers – o.a. Maeterlinck, Nijhoff, Pablo Neruda en Octavio Paz – bij elkaar horen. Nergens wordt duidelijk welke ontwikkelingen in de wereld (bijvoorbeeld in de politiek of de techniek) een overeenkomst vormen in het werk van de besproken dichters. Het lijkt of Van den Bremt dat zelf ook wel voelt, dat lees je uit zijn opmerking aan het slot van zijn Woord vooraf, dat de Nieuwe Wereld ‘overal begint waar men de oude moe is’. Ofwel, de gevoelde oude wereld is vooral individueel bepaald. Iedere grote schrijver vormt op zijn eigen manier, op zijn eigen willekeurige moment in de tijd, een breuk met het oude.

Dit alles doet echter niets af aan de waarde van de essays, die juist te lezen zijn als gedegen besprekingen van de afzonderlijke dichters. Soms stuit Van den Bremt op interessante overeenkomsten, zoals die tussen Zone van Apollinaire en Awater van Nijhoff. Ook is het lonend dichters zelf aan het woord te laten, al vergt het enige studie en eruditie om te begrijpen wat José Lezama Lima bedoelt wanneer hij zegt dat zijn poëzie voor hem ‘een nachtelijk huisjesslak in een rechthoek met water’ is, en daaraan toevoegt dat die rechthoek ‘iets even illusoirs als een Eleatische aporie’ is. Veel begrijpelijker is gelukkig de opmerking van Maeterlinck over de waarde van taal: ‘De woorden zijn uitgevonden voor het dagelijks gebruik in het leven en die zeldzame keer dat een of andere vorstelijke ziel hen naar andere oorden leidt, zijn ze ongelukkig, ongerust en verwonderd als landlopers rond een troon.’
De lezer kan in het boek op zoek naar meer van dergelijke waardevolle visies op taal en dichten, ze zijn zeker te vinden. Maar Van de Bremt doet meer dan de schrijvers over hun werk aan het woord laten: hij illustreert de besprekingen met citaten. En dan blijkt dat hoeveel je ook kan filosoferen en essayeren over dichtkunst, hoeveel gedegen duidingen je ook kan schrijven, de echte waarde in het werk zelf besloten ligt. Als voorbeeld een tijdloos citaat van Pablo Neruda over de Spaanse burgeroorlog. Ieder essay is ontoereikend bij deze zinnen als vuistslagen:

‘maar uit elk gedood kind steekt een geweer met ogen,
uit elke misdaad schieten kogels
die vroeg of laat de plek nog vinden
van jullie hart.’

(Johan Bordewijk)

Reacties zijn gesloten.