Nieuwe recensies

D. Gerlach, C.Postmaa, Onder den vrijen hemel, Den Haag 2016 (Eindeloos Uitgevers)

Al heel lang wist ik dat dit boek zou gaan komen. Ik heb het met spanning afgewacht. Waarom met spanning? Omdat ik vermoedde dat het boek een gevoelige snaar bij mij zou kunnen raken.
Het boek, voor het grootste deel geschreven door Casper Postmaa en grotendeels geïllustreerd door Diederik Gerlach (hij verzorgde de onderschriften van de foto’s, tekeningen en documenten, die het boek ook telt en schreef een nawoord) gaat over Diederik’s vader Henk (1920-1986). Wie bekend is met Diederik als persoon en als beeldend k

diederik-gerlach-omslag

unstenaar weet hoe emotioneel hij bij zijn vader betrokken is en hoezeer hij als schilder en tekenaar telkens weer door hem werd geïnspireerd.
Ooit beschreef ik, als onderdeel van een lezing over het werk van Diederik Gerlach, een schilderij van een man die zit te eten in een restaurant. Wat zich om hem heen bevindt, flessen, glazen, is groter dan hijzelf, zweeft, onttrekt zich aan de zwaartekracht, onttrekt zich aan vastheid, houvast. Verleden en toekomst lijken de man te onvlieden, je zou mogen concluderen dat de man dood is. Maar in de compositie trekt de man al het zijnde naar zich toe. Hij mag dood zijn, maar hij is. En als de man de vader is, kan kunst ook troostend zijn.
De man op het schilderij is Diederik’s vader.
Was mijn verwachting dat het boek mij zou raken op dat beeld gebaseerd?
Ten dele.

Waarop steunde die verwachting dan nog meer?
Op het dubbele verhaal dat ik zou kunnen verwachten? Want ook de werkwijze van auteur en tekenaar was me lang voordat ik het boek in handen kreeg bekend.

Verhaal 1 beschrijft de vlucht van Henk Gerlach en drie vrienden uit het door de Duitsers bezette Nederland met alle misverstanden, ontberingen en rampspoed die ze op weg naar hun gehoopte eindbestemming tegenkomen. Het plan was om via Zwitserland Engeland te bereiken en vandaaruit ‘mee te doen met de goede kant’.
Die vlucht verloopt dramatisch en het lot van Henk Gerlach en de andere drie grijpt me aan, maar er is meer.

Verhaal 2 volgt Diederik en Casper op hun speurtocht naar de plaatsen op de vluchtroute die voor Henk Gerlach en zijn makkers was uitgestippeld.
In zijn weergave van deze reis, een dooltocht met een wrakkige Peugeot door een schimmig verleden, toont Postmaa zich onderkoeld, humoristisch, informatief en vooral observatief. Dat laatste niet alleen waar het de steden, dorpen, bossen en weilanden op de route betreft, ook ten opzichte van zijn reisgezel.
Tekenend hiervoor is de volgende passage:
‘We bekijken langdurig het onopvallende stationsgebouw, Diederik intenser dan ik, alsof hij het een getuigenis kan ontlokken. Als ik me omdraai om terug te gaan naar de auto, merk ik dat hij niet met me mee is gekomen. Hij loopt over de spoorbaan in de richting waarin zijn vader in 1943 ook is gegaan. Hij heeft zijn hoofd voorover gebogen als een bloedhond die het verse spoor diep wil inhaleren. Terwijl ik zo naar hem kijk en hij bijna uit het zicht is verdwenen, vraag ik me af wie die man eigenlijk is met wie ik op reis ben gegaan en waarom hij deze expeditie onderneemt met een journalist die zijn vader nooit heeft gekend. Waarom heeft hij de reis niet samen met zijn vader gemaakt? Dan was hij veel meer te weten gekomen.’

Het is vooral deze passage die me ontroert.
Ik herken namelijk deze houding en deze blik, zoals Postmaa ze beschrijft. Want zo voel ik mijzelf, wanneer ik welbewust in de sporen van mijn vroeg overleden vader ben getreden of er bij toeval in terecht ben gekomen. Op momenten dat je je vader in die historische indrukken ontwaart, val je samen met waar je uit voortkomt, niet eens zozeer in biologische zin, maar vooral historisch, cultureel en geestelijk.

De slotzin van het geciteerde stuk proza zet me aan het denken. Stel dat Diederik de reis samen met zijn vader had ondernomen, zou deze tocht in 2012 dan nog eens gemaakt zijn en zou dit boek met zijn schitterende vermenging van woord en beeld en heden en verleden er ooit gekomen zijn? Ik denk het niet.
Ik zal proberen uit te leggen waar dit vermoeden op berust.
Mijn vader nam mij een jaar voor zijn dood mee op een reis van enkele dagen naar Friesland. Hij wilde mij de plaatsen laten zien waar hij in de oorlog ondergedoken was geweest om de Arbeitseinsatz te ontlopen: een uitspanning in Gaasterland, twee woonhuizen in Leeuwarden en een boerderij in Sint Anna. Dan zou ik tevens kennis kunnen maken met de personen die hem in de laatste oorlogsjaren onderdak hadden geboden. Tijdens de rit in onze hemelblauwe Olympia, voorzien van een wolkenkleurig dak, vertelde hij me honderduit over die tijd in Friesland, en eenmaal daar aangekomen luisterde ik vooral naar de gesprekken die hij met zijn vroegere onderduikgevers voerde.

Zoals de tocht van Diederik en Casper begon met autopech, zo begon onze reis met een uitglijder op de weg die ernstige gevolgen had kunnen hebben.
Toen we boven de glanzend natte Rijksstraatweg die langs Wassenaar voert in de verte de hoog opgehangen stoplichten dichterbij zagen komen en mijn vader, aangemoedigd door het groen van die lampen, nog een extra dot gas gaf, zag hij plotseling, rechts in de berm, een liftende soldaat staan (en soldaten, kerels van stavast, nam je mee in de wagen, als zij liftten, dat was een ongeschreven wet).
Toen gebeurde het. Zijn stampende voet op het rempedaal deed het Opeltje in een keurige U naar de overzijde van de straatweg zeilen. Ongehinderd door tegenliggend verkeer (er moet een engel op ons dak hebben gezeten) wist hij de afgeslagen motor weer aan de praat te krijgen en in een nieuwe U naar de berm te loodsen, waar de militair nog altijd stond, zij het tot de helft gekrompen van angst. Nadat mijn vader het rechterportier voor hem had opengezwaaid slikte de dienstplichtige even, zette bliksemsnel het ongeloofwaardige incident waarvan hij zojuist getuige was geweest uit zijn hoofd en stapte in.

Hoe vreemd het ook moge klinken, de herinnering aan de dubbele U-bocht in de Opel Olympia stemt mij weemoedig. Het was alsof mijn vader deze bijna-calamiteit nodig had om zijn hoofd leeg en de onrust uit zijn lijf weg te krijgen. Iets angstaanjagenders dan dit kon hem immers niet meer overkomen!
Ik heb dus wel samen met mijn vader ‘zijn spoor’ gevolgd. Wellicht dat ik daardoor de verleiding heb kunnen weerstaan die reis nogmaals te ondernemen. Mijn vader’s gesprekken zou ik me wellicht nog kunnen herinneren, maar mijzelf als zevenjarige zou ik nooit meer kunnen vinden. Niet ik, maar een zevenjarige was op reis geweest met zijn vader.

Het boek van Diederik Gerlach (ik vertel niets over de prachtige tekeningen) en Casper Postmaa (ik vertel niets over de grillige zijpaden die hij al vertellend inslaat) is te koop in iedere welwillende Haagse boekwinkel. En zou overal in Nederland en België in de boekwinkel moeten liggen.

(cg)

 

naomi-duveen-zonderNaomi Duveen, Zonder ben ik niet heel (Naomi Duveen 2016)

Deze bundel gaat over dansen, niet meer in staat zijn te dansen, leren leven met die onmogelijkheid, een nieuw leven na de dans, maar vooral over tijd.
Zonder het dansend bewegen, de beweging van de dans, gericht op verder gaan, op toekomst, is de ‘ik’ (vanaf hier: ‘ze’) niet heel:
‘zonder zo/half geleefd/zonder ben ik niet heel’ (‘zonder’).
Het ‘toen’ kan alleen ‘nu’ worden in een beeld , van het meisje, dat – ‘kijk daar!’– huppelt in de regen, bijvoorbeeld:
‘ze zingt zo nat//mijn hoofd zoemt/ja ik kijk/herken het kind/dwarrelende wilde dans’ (‘toen wordt nu’).
Als het heden niet van haar is en de toekomst ondoorzichtig, zoekt ze koestering in het verleden, maar ook die kan ze niet bereiken. Ze strandt halverwege:
‘thuis is/waar het kind/dat in mij lacht/verwelkomd wordt […] mijn grootouders//ik nam ze mee/het thuis gebouwd/met angstgeld/van de verre bank/”als we er niet meer zijn”/ik ben niet hier, niet daar/ik leef ertussenin’ (‘thuis 2’).
De gedachte aan Abraham, haar niet gekende grootvader, brengt haar binnen in de muziek…in het Concertgebouw, waar de grootvader (‘in 1939, misschien ’40’) naar Mahler luistert. Een kalmerende gedachte?
‘met hem zijn dochter/jouw moeder/ergens jij/jij hoort het ook/stil//hij wist/wist wat ging gebeuren/onbestaanbaar/gaat gebeuren//zou gaan gebeuren’ (‘bevroren rivier’).

De eerste gedichten in de bundel gaan over tijd die krampachtig door de ‘ik’ bewogen wordt, vanuit het heden naar het verleden, zonder ooit vastigheid op te leveren. Ze beschrijven het zoeken naar woorden voor het voldongen feit, de waarheid, de tijd die stilstaat en is wat hij is:
‘een roodborstje/dichtbij/onder de heg/het hipt/pikt vliegjes/ik zit en kijk/en zie/hoe de tijd/zonder meer/zichzelf is’ (‘roodborstje’).
Ook in het gedicht ‘keerpunt’ wordt stilstaande tijd beschreven, maar er wordt ook een kentering aangekondigd:
‘ik herinner me/ rode bloemen/aan de cactus/rozen geel-roze/op tafel/niets aan de hand//die tijd/dat moment/stond/ schitterend stil//tegelijkertijd/verdween/in een oogwenk/vanzelfsprekendheid//zó’n kort moment/van radeloosheid/dat ik het/vandaag/pas besef/nu/is er/wat veranderd’ (‘keerpunt’).
De grens, hier bereikt, wordt overschreden in het tweede gedeelte van de bundel:
‘In de oneindige ruimte/overschreed ik grenzen/van ver naar hier/niet meer dan een zucht//ik ontsteeg mijzelf/liet mij kennen/als nooit gedacht/toch vanzelfsprekend//vroeger inzicht/is gekanteld naar/een onbetreden zone/nieuw maar transparant/onder oud onthouden/ga ik omzichtig/in nieuw gebied/van glas//niets anders dan/verrukking/wat ik zie/wat ik weet//wat ik ontmoet’ (‘grenzen’)

(cg)

 

toxopeusJohn Toxopeus, Zo zien de mensen het graag. Satirische verhalen over uw favorieten, De Bilt 2016 (Haes publicaties)

Eerdere verhalen van John Toxopeus speelden in op zijn vijfentwintigjarige loopbaan als vakbondsbestuurder en verraadden zijn achtergrond als arbeids- en organisatiepsycholoog. Ze speelden niet alleen in op die carrière, ze speelden er ook mee. Droge humor schuilde onder de oppervlakte van de verhaallijnen en de plots. In zijn recent verschenen bundel, Zo zien de mensen het graag, is de humor bovengronds gekomen. Smeuïger is hij ook en schetterender. Die uitbolling van de humor heeft met het onderwerp van de bundel te maken: bekende Nederlanders.
Volgens de ondertitel van het boek moet die thematiek ‘satirische verhalen’ opleveren, maar satire zoals wij die kennen van bijvoorbeeld Kees van Kooten en Wim de Bie of Koefnoen is het niet. Satirische tv-programma’s als de twee genoemde, blazen uitspraken, gedragingen en uiterlijkheden van de bespotte personen op totdat ze barsten. Maar meestal kunnen wij dan als kijkers begrijpen om wie en om wat voor zaken het gaat.
In Toxopeus’ verhalen is dat lang niet altijd het geval. Hij vertaalt eigenschappen van de personages, zoals ijdelheid, platvloersheid, vergaande ambitie, domheid, geilheid, betweterigheid, oppervlakkigheid, geldzucht en populisme, in absurde situaties die weinig of niets met de werkelijke levens van de geparodieerde personen van doen hebben. Daarom is het in veel gevallen moeilijk te doorgronden waar hem de kneep zit.
Arnon is de naam van een rat die boeken versnippert die voor de ‘ik’ overbodig zijn geworden of ergernis verwekkend. Wordt hiermee aangeduid dat Arnon Grunberg een veellezer is of een vermorzelaar van literaire reputaties (van Jan Siemelink bijvoorbeeld)?
Witte Geert, wiens vrijheid van meningsuiting geen grenzen kent, gaat aan het eind van het verhaal op in zijn eigen visioenen. Als ‘Witte Wolk’ verwijdert hij vuiligheid van de ramen, net zolang tot je kinderen weer ziet spelen, kinderen die geen onderscheid kennen, ouders die geen onderscheid maken. Wasgoed op de balkons, gekleurde kleren van Afghanen en Syriërs. Heeft Wilders’ retoriek zich uiteindelijk tegen hem gekeerd? Of is zijn goed gecamoufleerde idee van vrijheid in deze richting geëmancipeerd?
Geer en Goor (op hun retour) hebben hun auto op de derde rijbaan van een snelweg geparkeerd. Chaos.
‘”Snel weg hier,’ zegt Goor, ‘om elf uur komen de meiden van de catering.”
“En de jongens van de vingering,” zegt Geer.
Ze gillen allebei van het lachen.’
Ik lees, verwonder me over het twee keer ‘zegt’ (‘zeggen’ doen ze het namelijk niet), gil niet van het lachen om deze dialoog en vraag me af wat die auto op de derde rijbaan moet. Wil het zeggen dat de carrières van Gerard Jolink en Gordon zijn gestagneerd?
Leuk vind ik wel de rol die Ivo Niehe krijgt toegemeten als promotor van het boek dat de ‘ik’ gaat uitbrengen. Als promotiestunt wordt een muizenhotel gebouwd waarin muisjes logeren die als bekende Nederlanders zijn uitgedost. De stunt krijgt een slechte pers en de bekende Nederlanders zeggen af voor de presentatie. Wanneer de muisjes ziek, kwijnend of al dood zijn komt Ivo over hen vertellen. Dit begrijp ik.
Verder maken we kennis met Mart Smeets als voetenfetisjist, Paul de Leeuw als brulkikker, Van Gaal die zich identificeert met de stad Krakau en Pauw die de koeien uit zijn ‘verzameling’ van elkaar kan onderscheiden door op kleinigheden te letten.
Niet ieder verhaal is scherp of begrijpelijk. Gillen van het lachen doe je niet, bij het lezen. Glimlachen wel, bij momenten.
En soms laat Toxopeus zien hoe goed hij kan schrijven:
‘Het meest fascinerend is de koningin. Zij is het grootste en omvangrijkste wezen dat wij tot op heden tijdens onze tocht hebben gezien. Het melkwitte, bijna doorschijnende achterlijf is tweehonderd keer zo groot als haar kop en borststuk. Ze torent hoog boven ons uit en we kunnen de pulserende beweging van haar ingewanden duidelijk zien en horen. Zo’n passief leven als louter eierenfabriek is niet iets om jaloers op te zijn.’
Uit: ‘In het labyrint’, een verhaal over Linda de Mol.
Een glimlach-plus.

(cg)

 

landstraNiels Landstra, Droef het zwieren, Deventer 2016 (Uitgeverij Oorsprong)

In mijn besprekingen van Wreed het staren en Nader en onverklaard noemde ik beweging en ontwikkeling de belangrijkste kenmerken van Niels Landstra’s poëzie. De beweging van bijvoorbeeld een installatie (een fontein) of een vervoersmiddel (een tram) kon worden overgenomen door menselijke handelingen, gedachten en associaties.
In Droef het zwieren vindt deze transpositie van beweging en ontwikkeling nog verfijnder plaats. In het gedicht ‘Middelburg, Markt’ verraadt het smelten van de verstilde golf van ijs waarop garnalen en oesters rusten, de zilte oorsprong van de zeediertjes. In de vloeistoffase verliezen de waterdeeltjes hun geordende toestand, de zee spoelt rijk van bouillon langs de papillen, een kordon gamba’s verliest het schild op muziek, de toverachtige dienster ontlokt een deinende muziek en de regenboog legt de vloer van chic marmer in met schoven parelmoer zodat de Markt flonkert in het gouden venster.
Nu het beeld is gevormd, hervinden de losgezongen deeltjes van het gedicht voor even hun ordening. Tot de warmte van de herlezing die opnieuw verstoort.

(cg)