Nieuwe recensies

Het stinkende goud

Hans van Cuijlenborg – Het stinkende goud. Een liefde aan Goud-, Tand- en Slavenkust. Historische roman, De Bilt 2016 (HaEs Producties)

Michael Hemmers zou in deze tijd een ware kosmopoliet genoemd worden. Geboren in Duitsland, geëmigreerd naar Amsterdam om uiteindelijk terecht te komen op de Afrikaanse westkust. Hij legde het omgekeerde

 

traject af van veel vluchtelingen nu. Reizen, verhuizen, op zoek gaan naar een plek waar je je hopelijk

 

meer thuis voelt is blijkbaar van alle tijden.
Waarschijnlijk zonder het te willen is dat misschien wel de belangrijkste boodschap die literair vertaler Hans van Cuijlenborg meegeeft in Het stinkende goud. Met veel inlevingsvermogen beschrijf hij Nederland halverwege de 17e eeuw. Er woeden grote oorlogen, de Tachtigjarige oorlog heeft consequenties tot ver in het koloniale rijk; de slavenhandel tiert welig en slimme zakenlieden verdienen hun geld met vreemdsoortige producten, zoals civet, het kostbare goedje dat wordt onttrokken aan civetkatten en gebruikt wordt voor onder andere parfum. Tegen dit decor volgen we het verhaal van Michael Hemmers. In zijn geboortedorp komt hij in aanraking met ene Jacob Boehme, een schoenmaker-schrijver door wiens gedachtengoed de jonge Michael zich laat inspireren. Als hij na de dood van Boehme de kans krijgt diens manuscript naar Amsterdam te brengen, doet hij dat gelijk. Michael voelt zich niet gebonden aan zijn ouders en geboortestreek en wil graag de wereld zien.
Het boekje van Boehme is een dunne rode draad door het verhaal en brengt Michael in contact met verlichte denkers in die tijd. In Amsterdam komt hij terecht bij meester Abraham voor wie het manuscript bedoeld was. Deze handelaar leert hem de fijne kneepjes van de civetproductie en stimuleert hem uiteindelijk naar Afrika te vertrekken, op een van de zeilschepen die regelmatig de oversteek maken naar de Nederlandse overzeese gebieden.

De boot brengt hem naar een fort dat zojuist op de Portugezen is veroverd. De verhouding met de inlandse zwarte bevolking verbaast hem en hij denkt er het zijne van. Voor hem is ieder mens gelijk, even slecht of even goed. Hij voelt medelijden met de slaven die op het fort verzameld worden om te verscheept te worden naar Amerika of soms in het fort gehouden te worden als bijslaap van de manschappen. Zelf voelt hij zich steeds meer aangetrokken tot het nabijgelegen dorpje en hoewel hij aangenomen was als boekhouder en geen van de bewoners van het fort ongestraft mogen verlaten, krijgt hij dankzij zijn directe leidinggevende meer en meer ruimte om zich ongestraft buiten het fort te bewegen en zich volledig te richten op het verzorgen en fokken van civetkatten.

De beschrijvingen van het leven van de soldaten, de matrozen op de boot en het leven in Amsterdam zijn geloofwaardig. Het is duidelijk waarom Hans van Cuijlenborg voor dit personage heeft gekozen. Michael Hemmers is een alleenstaande ziel die aan niets en niemand verantwoording schuldig is, zelfs niet aan God, en het kost dan ook niet veel moeite hem uiteindelijk op de plek te laten komen die Cuijlenborg voor hem bedacht heeft: buiten de Nederlandse maatschappij, overgeleverd aan de natuur en Michaels eigen vrije geest. Maar daar ligt dan misschien gelijk het manco: er mist een conflict in het verhaal. Een interne of externe strijd waardoor het voor de hoofdpersoon lastig wordt om te bereiken wat hij wil bereiken. Dat geeft spanning aan een verhaal en laat de lezer in het ongewisse of het doel bereikt zal worden. In dit verhaal legt Michale zich zonder veel weerstand neer bij wat hem overkomt, hij streeft niets na. Hij droomt boven de atlas van verre streken en niet veel later komt hij er zonder al te veel problemen terecht.

Van Cuijlenborg schetst op zeer vermakelijke wijze de geschiedenis aan de hand van de civethandel en geeft een mooi beeld van het leven in een Nederlands fort op de Afrikaanse westkust. Tegelijkertijd toont hij dat de wereld eigenlijk niet heel erg veranderd is als we kijken naar de verschillen tussen rijk en arm, de internationale handel, de en het verlangen van mensen om de wereld te ontdekken.

Arjen van Meijgaard

 

bambiFelix Saltem. Bambi. Een leven in het bos,
2e druk, Den Haag 2016
(vertaald door Jet Q
uadekker)

Vier aanleidingen om een klassiek boek (*), geschreven door een Oostenrijks-Hongaarse jood (Felix Saltem, eigenlijke naam: Siegmund Salzaman, 1869-1945) te bespreken:
1-het zien van de tweedelige tv-documentaire ‘Close up: Walt Disney’;
2-de recente dood van de Chinees-Amerikaanse kunstenaar Tyrus Wong, de man die de Disney-film ‘Bambi’ tot kunst verhief;
3-de vertaling van Jet Quadekker;
4-de bijzondere literaire motieven in het boek, die in de film ontbreken.

Sub 1:
Aan het eind van de jaren dertig wilde Walt Disney iets nieuws proberen. Zijn komische cartoonfilms hadden hem succes gebracht, maar geen status als cineast. Met Sneeuwwitje (1937) had hij het genre van de avondvullende tekenfilm uitgevonden. En hoewel de film door pers en publiek bejubeld werd, wilde Disney meer. Vooral het technisch aspect achtte hij voor verbetering vatbaar. Met Bambi (1942) zou die hoop en verwachting in vervulling moeten gaan.

Sub 2:
De technische sprong voorwaarts zou door Tyrus Wong aangezet moeten worden en dat gebeurde. Bij de opnamen van de impressionistisch in beeld gebrachte natuur had hij een speciale geavanceerde techniek met glasplaten ontworpen, waarmee een betere dieptewerking ontstond. Zo vormde hij een sprookjesachtig decor voor de handelingen van de realistische weergegeven dieren.

Sub 3:
Aan de neiging om Bambi als een kinderboek te vertalen (zoals Disney van het verhaal een kinderfilm had gemaakt) heeft Jet Quadekker zich weten te onttrekken. Een van de mooiste hoofdstukken uit het boek maakt zich als poëzie los van het papier:
‘De grote eik aan de rand van het veld verloor zijn blad. Alle bomen raakten hun blad kwijt. Hoog boven de andere twijgen reikte een tak van de eik tot ver in het veld. Aan het uiterste puntje zaten twee bladeren bij elkaar.’
Korte zinnen, een spanningsopbouw. Je voorvoelt een bespiegeling over het vallen van de blaren, het verval, het levenseinde. En het laat zich raden dat de twee bladeren vragen zullen stellen als: ‘Zou het waar zijn dat in onze plaats anderen komen als wij weg zijn?’ En: ‘Wat gebeurt er met ons als wij vallen?’ En: ‘Wat is daar beneden?’
Alles kort en afgemeten, zodat de emotie om de woorden en de zinnen heen kan.

Sub 4:
Het hoofdmotief van het boek is het leren leven in eenzaamheid. Mocht literatuur in staat zijn de fundamentele eenzaamheid van de mens op te heffen, dan zou Bambi deze veronderstelling kunnen bewaarheden. De Hertenkoning (De Oude), leert Bambi (naar het schijnt zijn zoon, in ieder geval zijn opvolger) alleen te zijn: ‘Kun je niet alleen zijn? Schaam je!’ (p.41). ‘U hebt mij toen een standje gegeven, oude koning, (…) omdat ik niet alleen kon zijn. Vanaf toen kon ik het.’ (p.54). De Oude zei langzaam: ‘Je moet leren leven… en op je hoede zijn.’
Het hertje Gobo dat een tijdlang door een jager is verzorgd en daardoor geloof in de mens heeft gekregen, zal later voor dit vertouwen met zijn leven boeten. Eenzaamheid baart waakzaamheid en weerbaarheid.
Dit thema wordt in de Disney-film aangeraakt, maar niet uiteengezet in al zijn facetten: ontwikkeling, strijd, wanhoop, hoop, zelfbewustzijn, zelfstandigheid.

* Bambi werd in 1922 oorspronkelijk als feuilleton in de Neue Freie Presse gepubliceerd.

(cg)

 

De écriture automatique van Ilona VerhoevenIlona Verhoeven Fiets onder de waterspiegel

Ilona Verhoeven, Fiets onder de waterspiegel, Haarlem 2016 (In de Knipscheer)

De écriture automatique komt niet automatisch tot stand. Er moet een motortje zijn om de geest in beweging te zetten. Een beeld dat je intrigeert, een gedachte waarvan je niet los komt, een woord dat in zijn woordbeeld voor je geest blijft dwarrelen, een idee die om uitwerking vraagt. Zodra het motortje de gedachtenstroom heeft gestart, kan de schrijver de ogen sluiten en dromen, associatief dromen van geheel naar deel, van deel naar verwant deel, van deel terug naar geheel, van geheel naar groter geheel, van hoofdstroom naar zijstroom, van zijstroom terug naar hoofdstroom. Op papier zien we die bewegingen terug in een vloedgolf van metoniemen, van betekenisverschuivingen.
Het motortje dat Ilona Verhoeven’s gedachtenstroom telkens in beweging zet is een foto. Een foto van iets gewoons dat bij nader (in)zien toch niet zo gewoon is en daardoor vragen oproept, ideeën voortbrengt, nieuwe beelden vormt.
Een foto van boomtoppen die naar elkaar zijn toegegroeid en de hemel afdekken. Tussen de takken en blaren zou een nachtegaal kunnen schuilen. Misschien heeft Ilona die gezien of gehoord toen ze de foto nam. Misschien had ze hem daar alleen maar gedacht. Bij ‘nachtegaal’ denkt ze dan eerst aan de tijden wanneer we de vogel kunnen aantreffen in Berlijn, waar de foto genomen is, en in welke tijd van het jaar ze vandaar verder trekken naar zonnige streken en wanneer ze weer terugkomen. En waar we ze kunnen vinden. ‘De’ nachtegaal maakt vervolgens plaats voor individuele nachtegalen, die samen een concert ten gehore brengen, het liefst in het pikkedonker. Wat houdt zo’n concert precies in, vraagt Ilona zich af. En waar bevinden de koorzangers zich op zulke momenten? Dan begeeft ze zich schrijvend middenin dat concert en vertelt ze wat ze hoort: de variaties, de klanken, de melodieën, de uithalen. Een volgende stap is die van het individuele naar het overkoepelende, van de nachtegalen en hun zang naar de poëzie van de straat. Dat is de categorie waar ze in passen. We komen dan als vanzelf bij het klankgedicht uit en de belangrijkste Duitse vertegenwoordiger van dit genre: Kurt Schwitters, die in 1946 een ‘lautgedicht’ schreef dat was geïnspireerd op vogelklanken. ‘Obervogelsang’ heet het gedicht. Die Obervogel moet de nachtegaal zijn geweest, de klanken die het gedicht vormen bewijzen dat. Een Nederlandse dichter die de virtuositeit van de nachtegaal beschreef was J.C. Bloem. ‘[…] In de koude voorjaarsnacht/Zingen de onsterfelijke nachtegalen’ (‘De nachtegalen’). Maar de nachtegalen zingen niet voor de mens, weet Ilona. De vogelmannetjes zingen voor de vogelvrouwtjes, ze roepen hen. Het gezang is dus een middel. ‘Is zijn missie geslaagd, dan duikt het mannetje pijlsnel op zijn doel af en kan het grote gevogel beginnen’. Het doel en het grotere doel, dus.

(cg)

 

Zo zijn onze manieren

Boudewijn van Houten, Zo zijn onze manieren. Mengelwerk, Groningen 2016 (Uitgeverij De Blauwe Tijger)

Boudewijn van Houten speelde met het idee de bundel, waarover ik nu schrijf, ‘Mengelwerk’ te noemen. Dit woord duidt meestal een mengelmoes van genres of stijlen aan. Ook hier is dat het geval, en wel in zeer extreme mate. Het boek bevat schetsen, kluchten, satires, verhalen en essays die vanaf de jaren zeventig tot ‘onze’ jaren tien voor uiteen-lopende media (televisie, literaire tijdschriften, filmtijd-schriften, opiniebladen, satirische studentenbladen, blogs) werden geschreven en door de grote verschillen in ontstaansdata een bonte mengeling van tijdsbeelden opleveren. Dat laatste is het zwakke punt van deze bundel.
Bij het lezen van ‘Onbespoten liefde of kleipap op de borst’, een klucht over de ‘weg uit de consumptiemaatschappij en terug naar de natuur’-trend van de jaren zeventig, denk je voortdurend: hoe leuk zou ik dit in 1974 gevonden hebben? Want voor de lezer in 2016/2017 is de grap dat in de boerderij, waar de klucht zich afspeelt, de spinnenwebben in ere worden gehouden als vliegenvangers, omdat bewoonster Jojanneke er stellig van overtuigd is dat het gebruik van chemische vliegenbestrijders het menselijk leven met een dag bekort, toch wel erg stoffig.
‘De Vrije Hond’ (eveneens geschreven in de jaren zeventig), een klucht over een hond die zich verzet tegen zijn onderdrukking (’9000 jaar geleden zijn we aan de ketting gelegd’) en zich in dat streven verwant voelt aan de vrouwen, negers, homoseksuelen, indianen, prostituees, zeerobben en zandklokjes, is te star van vorm om in onze beweeglijke tijd nog geestig te zijn.
Kritieken van films uit 1984 komen evenmin behouden aan. Herinneren we ons ‘The Hotel New Hampshire’ en ‘The Razor’s Edge’ nog voldoende om onze mening aan die van Van Houten te toetsen?
In de satire (van 1982) ‘Stan van der Meyden Journaal’ (herken in de naam van het Journaal de voornaam, respectievelijk achternaam van de roddelkoningen Stan Huygens en Henk van der Meyden) treffen we Nederlandse schrijvers aan die te gast zijn bij een feest van Markies de Rioja op zijn landgoed in het mondaine Marbella. In de korte inleiding op ‘de reportage’ schrijft Van Houten dat hij de schrijvers liet optreden zoals ze absoluut niet waren en beslist ook niet gezien wilden worden. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Bijvoorbeeld dit:
(W.F. Hermans tegen Gerard Reve) ‘”Kameraad Gerard, misschien kunn’n we sam’n eens iets doen, een teeveesjootje of zoiets. Als de mensen maar niet gaan denk’n dat ’t om mij begonn’n is. Jij moet de solist wez’n, Gerard. Ik neem genoeg’n met de tweede viool.”
Zo geheel onze grote auteur, in zijn oneindige bescheidenheid! Jammer wel dat je altijd nog zo kunt horen dat hij uit Groningen komt.’
Alles duidelijk? Nou nee, niet alles.

Laten we de gedateerde stukken buiten beschouwing, dan houden we een boeiende essaybudel over. Want Van Houten’s beschouwingen over Erich Maria Remarque, Henry Louis Mencken, Auguste Comte, Pyke Koch en Anatole France zijn goed geschreven, doorwrocht en tijdloos.
Erich Maria Remarque (1898-1970), die in zijn tweede roman Im Westen nichts neues (1929) de waanzin van de (grote) oorlog beschreef, verzot was op glamourvrouwen, zijn liefde voor een van hen, Marlene Dietrich, verwerkte in Arc de Triomphe (1954) en wiens literaire werk na zijn succesroman zozeer aan kwaliteit inboette dat iemand uit de kring van Erika en Klaus Mann daar vilein over opmerkte: Am besten nichts Neues.
De journalist Henry Louis Mencken (1880-1956), bijgenaamd de Bullebas van Baltimore, die zich met afschuw keerde tegen het democratisch kiesstelsel, gelijkheid als basis voor de samenleving, geloof en de geestelijken, afschaffing van de slavernij, universiteiten, poëzie, avant-garde, bohémiens en geheelonthouders, die in de jaren twintig van de vorige eeuw gezaghebbend was, tot zijn invloed in de jaren dertig taande en na de oorlog nog verder afnam, die kort voor zijn dood in 1956 bezoek kreeg van de schrijver Alistair Cooke en bij diens terloopse mededeling dat de dichter Edgar Lee Mastersin in het jaar 1948 was gestorven, aansloot met: ‘Ja dat klopt. Ik geloof dat hij in hetzelfde jaar doodging als ik.’
Auguste Comte (1778-1857), een van de eerste wetenschapsfilosofen en grondlegger van het positivisme, die niets zag in revolutie, filosofie (‘de nauwkeurige bestudering van de dromerijen en aberraties van de mens in de loop van de eeuwen’) en de psychologie, een zinnelijk man, die een geëxalteerde liefdesverhouding aanging met de bijna dertig jaar jongere schrijfster en dichteres Clotilde de Vaux, die hij na haar dood liet voortleven in een cultische verering.
Pyke Koch (1901-1991), over wiens fascistische sympathieën Van Houten kwam te spreken met diens collega-kunstschilder Carel Willink, waarbij laatstgenoemde tot de volgende uitspraak kwam: ‘Ach, dat had zo weinig met de realiteit te maken! Toen de oorlog was afgelopen, zei Koch me: jammer dat die Duitsers met hun prachtige uniformen verdwijnen en dat we die geallieerde apen in hun battle dress ervoor in de plaats krijgen!’
Anatole France (1844-1924), een intelligent, levenslustig, sensueel man, die voor zijn carrière veel te danken had aan Madame de Caillavet, wier salon hij vanaf 1883 bezocht en kort daarna een verhouding met haar begon, partij koos voor Dreyfus en zich uitsprak voor het socialisme en na de Eerste Wereldoorlog voor het communisme koos, maar besefte dat hij nooit afstand zou kunnen doen van zijn meubelen, zijn schilderijen en zijn boeken.

Het boek bevat meer bijzondere stukken, ‘Hitler was hier’, bijvoorbeeld. Daarin neemt de schrijver ons mee op een wandeling door München om met hem de plaatsen te bezoeken die met Hitler en Nazi-Duitsland te maken hebben gehad. Hij beschrijft daarbij de neoclassicistische stijl van Paul Ludwig Troost, die Albert Speer als Rijksarchitect voorging. Van Houten vraagt zich af waar de doodsheid van zijn stijl vandaan komt. Kwam het door de gebruikte materialen? Of door de afwezigheid van de versieringen die het echte classicisme zo verrijkten?
Pijnlijk voor onze zuiderburen, maar bijzonder amusant is Van Houten’s karakterisering van de Belgische volksgeest als kleinburgerlijk, ongemanierd, schraapzuchtig, onaantrekkelijk en nog veel meer onaangenaams. Natuurlijk met de tongue in de cheek gepriemd, maar de hoon die hier de Belgen treft, richten de Engelsen in gelijke mate op ons Nederlanders. Neem de tekst van het nummer British Tourist van John Dowie er maar bij:

I’m a British Tourist and I’m very, very rude.
I hate the stinking foreigners
hate their stinking food

I don’t like French or Germans
I don’t care for Belgians much
But worst of all worst of all
I hate the Dutch

The Dutch, the Dutch
I hate them worse than dogs.
They live in windmills
and mince around in clogs.

They don’t have any manners
They don’t say ‘thanks’ or ‘please’
all they eat is tulips
and stinking gouda cheese…

I’m a British tourist with a countenance severe
I love to strike the foreign type
And box their poxied ears

But there’s one woggy dago
I cannot bear to touch
The slimy crawling
stench appalling
snotty grotty Dutch

The Dutch are mad
Their fingers stuck in dikes
They use the wrong side of the road
And ride around on bikes

They don’t have any manners,
don’t have any brains.
There’s only one race worse than them
and that’s… THE DANES!

(cg)