Nieuwe recensies

Peter J. van Dijk, De verhalen, Amsterdam 2017
(Gopher) P.J.van Dijk-De Verhalen

Herkenbaar en toch vervreemdend

In deze redelijk omvangrijke bundel brengt Peter J. van Dijk al het kortere werk samen dat hij schreef tussen 1977 en 2016. Hij werkte in die tijd en ook nu nog aan een romanreeks Het leven is een daad, waarvan reeds drie delen zijn verschenen. Eerder leverde Van Dijk bijdragen aan onder andere het literair tijdschrift Extaze.

De verhalen in deze bundel zijn zeer divers, niet alleen wat betreft lengte en thematiek, maar ook met betrekking tot de navolgbaarheid, of beter gezegd: beklijving. Zo is het openingsverhaal ’De liefde als inspiratiebron’ een soort fragment uit een groter geheel, of vormen de alinea’s flarden van gedachten die door het hoofd spoken van een oudere man die overgaat in de ‘ik’ en die de liefde laat groeien zoals een sneeuwbal die steeds groter wordt. Het blijft niet hangen, maar misschien is dat de bedoeling wel. Ook ‘Bakema’s journaal’ was lastiger. Het begint mooi:

‘Bakema wilde dood. Hij had alles gehad, het meeste gezien en de respectabele leeftijd van zesenvijftig jaar bereikt. Zo oordeelde hij tenminste zelf.’

Misschien had ‘gehad’ beter weggelaten kunnen worden, maar los daarvan klinkt het intrigerend dat iemand op die leeftijd dood wil terwijl hij nog helder kan denken en er niet zo slecht voor lijkt te staan. En dan ontrolt zich het verhaal en wordt allengs duidelijk waarom Bakema dit idee heeft opgevat en krijgt de lezer een beeld van zijn beweegredenen. In korte tijd wordt zijn leven verteld en daarna blijven we hangen bij zijn relatie die begint te knagen. De spanning wordt opgebouwd, maar helaas is het einde een ontgoocheling waardoor het verhaal minder goed blijft hangen. In het voorwoord geeft de schrijver aan dat het verhaal gebaseerd is op een autobiografisch element, waarbij het dan wel weer interessant is om te zien hoe dat in een verhaal is omgezet.
Zo geeft hij van meer verhalen een deel van de ontstaansgeschiedenis weg in het voorwoord, daarmee een mooie context schetstend van de zaden waaruit de verhalen ontkiemden.

Het verhaal ‘Vlijt’ is dan veel treffender, en de beelden blijven hangen. Heeft iets weg van de verhalen van Roald Dahl. Een redelijk normale setting die ontspoort en enigszins luguber eindigt. Een jongetje dat alleen opgroeit met zijn moeder vult zijn leven met slechts drie bezigheden: kuilen graven, bouwwerken bouwen (van duplo en lego) en tandenpoetsen. Vooral dat laatste lijkt een obsessie te zijn en het gebit van het kind gaat aan vlijt ten onder. Surrealistisch en met een vreemde onverwachte wending.

Ook het verhaal ‘Celia en haar afstand’ is mooi opgebouwd, de lezer krijgt langzaam een beeld van het meisje dat, niet helemaal tevreden met zichzelf, de liefde van een oudere man gebruikt om los te komen van thuis, om een eigen weg te in te slaan. Maar ze lijkt te moeten kiezen tussen twee personen, Kay en Quellinus. De eerste haalt haar op, neemt haar mee naar zee en zet haar, met haar fiets achterin de auto, weer vlak bij het ouderlijk huis af. Haar tweede geliefde, die belangrijker lijkt te zijn dan de eerste, blijft tot het eind in nevelen gehuld.

Liefde is een terugkomend thema, zoals in de verhalen hierboven, waarbij het in ‘Bakema’s journaal’ gaat om een ouder echtpaar dat uitgekeken lijkt te zijn op elkaar en Celia die niet kan kiezen. In ‘Vivien sfinx’ wordt de liefde geconsumeerd tijdens een vakantie aan zee. Een meisje biedt zich zonder schroom aan twee opgroeiende jongens aan. De achterliggende of onderliggende verhaallijn is dan weer wat moeilijker te achterhalen, ook omdat het einde vrij plotseling komt en het verhaal niet af lijkt te zijn. Er mist een lijntje, een laagje.

Van Dijk schrijft beeldend, lange zinnen trekken de lezer mee, soms met op de rand van cliché balancerende metaforen, zoals de sneeuwbal in het openingsverhaal, maar dat kan ook een spel zijn en mocht dat zo zijn, dan is het handig gespeeld. Het stoort niet. Het taalgebruik went en dat is prettig. Het is fijn om soms even wat moeite te moeten doen om aan een stijl te wennen, maar als die gewenning er eenmaal is en de stijl bevalt, was die moeite niet voor niets. Dat Peter J. van Dijk veel schrijfervaring heeft is te merken. Dialogen zijn functioneel, gedachten zijn mooi door beschrijvingen en observaties heen geweven. Ook de wat meer essay-achtige stukken, zoals ‘Literair leven of ons wilde westen’ waarin Kellendonk een centrale rol speelt, of ‘Zacht verend Mos’, over een ervaring op de Internationale School voor Wijsbegeerte zijn leuk om te lezen en geven een inkijkje in de ideeën van de schrijver.

In ‘Lieven, de magiër, de mensen & de grot’ wordt de ideeënleer van Plato uitgewerkt. Lieven, een soort dorpsgek, wordt in een grot opgesloten omdat hij dan niemand meer kwaad kan doen. In de grot komt hij tot het inzicht dat dit alleen werkelijkheid is en de rest erbuiten niet.

In Lieven ontwaakte het besef dat mensen hem altijd bedrog hadden voorgespiegeld en daarvan leek hij nu verlost. Hij accepteerde het bestaan in de grot en dacht dat de dorpelingen niet wisten hoe de verhoudingen der dingen lagen.’

Wanneer hij weet te ontsnappen trekt hij op aanraden van een magiër de wijde wereld in om zijn verhaal te verkondigen, maar een succes is dat niet: overal wordt hij uitgelachen. Wanneer hij dan besluit te gaan werken als een eerzame kleermaker, gaat het toch weer mis. Een sprookjesachtig verhaal waaraan je allerlei dingen kan ophangen, zoals de grens tussen waarheid en onwaarheid, het nepnieuws dat nu aan de orde van de dag lijkt te zijn, het vertrouwen in elkaar, de afzondering die mensen zoeken om tot zichzelf te komen in deze hectische wereld. Het is een voorbeeld van een verhaal dat beklijft, misschien wel omdat de basis een bekende literair-historische kern bevat, of misschien omdat het mooi is opgebouwd en het een afgerond verhaal is, herkenbaar en toch vervreemdend. Dat is over het algemeen de kwaliteit van deze bundel: herkenbare situaties, voorvallen, gebeurtenissen of gedachten die op een aparte manier aan de lezer gepresenteerd worden en daardoor vervreemdend werken.

(Arjen van Meijgaard)

 

Dirk Kroon

Dirk Kroon, Op de hoogte van de vogels. Verzamelde gedichten, Dordrecht 2017 (Liverse)

 

 

Een imposante verzamelbundel is het, Op de hoogte van de vogels van Dirk Kroons, een keuze uit zijn gedichten van 1968 tot 2016. Het is een lijvig boekwerk met een grote variatie aan gedichten uit een groot aantal verschillende bundels die eerder onder andere verschenen bij Meulenhoff, Bosch&Keuning en Nijgh&Van Ditmar. Ook publiceerde hij door de jaren heen veel in allerlei tijdschriften. De bundels

 

hebben treffende titels als ‘Materiaal voor morgen’, ‘In de huid van de tijd’ en ‘vergeefs verweer’.
In het lovende voorwoord geeft Leo van de Wetering, boekhandelaar bij Donner en op die manier een bekende van Kroon, de overkoepelende thematiek aan: liefde en dood. Maar een thema is ook, zoals op de site van de dbnl staat: ‘het losraken van het aardse bestaan en het opgaan in het hogere.’ En dan met als voornaamste motief die van de vogel die het symbool vormt ‘voor de vlucht uit het gekooide bestaan’.
De titel van deze verzamelbundel sluit daar mooi op aan. Eenmaal vrij, kiest de vogel voor grote hoogtes om niet weer gevangen te worden én om een panoramisch overzicht te hebben van de wereld onder hem. Deze bundel kan gezien worden als die wereld, bevolkt met gedichten die op allerlei manieren dood, vlucht en liefde uitbeelden.

Bladerend door de bundel vallen van tijd tot tijd treffende zinnen en mooie gedachtes op. Neem ‘Therapie’, opgedragen aan Arie Gelderblom.

‘Je loopt met de dood te praten
bij gebrek aan beter.

Je moet ook niet vluchten
al geven ze bij thuiskomst
pijn en medicijnen.’

Het deed me in de verte denken aan ‘De Tuinman en de Dood’ van P.J. van Eyck. De tuinman vluchtte wel, terwijl zijn landheer een gemoedelijk en nieuwsgierig gesprek begint met de dood. In de hierboven geciteerde regels laat Dirk Kroon juist de onmacht zien van iemand in therapie, het uitzichtloze vooruitzicht en de raad om niet te vluchten. De tuinman had die raad misschien ook moeten krijgen, dan was hij de dood immers ontsprongen.

In de cyclus ‘Een jaar in kaart’ (1986) schetst hij aan de hand van korte gedichten de seizoenen. Bij ‘Maart’ staan duidelijke assonanties en alliteraties:

Maart – traag en laat
komt alles tot leven.
(…)

Is maart laat, juni is meer een tussengeschoven kindje, de aankondiging van de zomer, waarin de dagen lengen.

Juni – zomaar een maand,
gerekt verhaal van de dagen.
(…)

Aan de ene kant krijgen de maanden herkenbare trekken, maar aan de andere kant zijn het toch de maanden van dat jaar, 1986. Maart is immers niet altijd laat en de ‘windstille mist’ van april neemt niet elk jaar maar ‘geen beslissing.’ In dit geval neigen de gedichten naar simpele boerenwijsheden, waar niemand iets tegenin zal brengen, maar die de schoonheid en diepgang missen van een raak gedicht. Helaas komt dit vaker voor bij de poëzie uit deze verzamelbundel. De vraag rijst dan ook waarom hij voor dit grote aantal gedichten gekozen heeft en waarom precies voor deze? Een nawoord waarin de dichter zijn keuze toelicht zou soelaas kunnen bieden, maar dat ontbreekt. Uiteindelijk is Dirk Kroon ons natuurlijk ook op geen enkele manier uitleg verschuldigd. Het is zijn bundel en zijn keuze.
Gelukkig zitten er met grote regelmaat onmiskenbaar prachtige vondsten in, zoals ‘Ik word de wereld om mij heen.’ uit het gedicht Identiteit waarin de schilder Westerik wordt aangehaald om de ‘ik’ te karakteriseren:

Kijk jij nou eens,
ik kan het niet beoordelen,
ben ik nu oud en moe?

Of ben ik toch zo’n mannetje
van Westerik en teken ik
een bloem naar een bloem?

Ik word de wereld om mij heen.

De dood komt bij Dirk Kroon in allerlei vormen terug. Als gesprekspartner, zoals in ‘Therapie’, als ‘nooit onderbroken slaap’ waarnaar verlangd wordt. De dood is eerder een situatie, een vooruitzicht, een verwoord verlangen. Soms geeft hij de dood weer in een te makkelijke metaforen, zoals ‘donker’ of ‘stilte’, maar vaak genoeg is het een gedachte die boven het gedicht zweeft.

Het thema liefde wordt juist weer in de vorm van een jij-persoon gegoten, een geliefde. Een ‘jij’ die aangeraakt wordt, naar wie gezocht wordt, naar wie ook verlangd wordt. Soms is de geliefde een ‘haar’ zoals in ‘Bereik’.

Soms in de wolken
zie je haar gaan
grijp dan de kijker
die verten verkent.

De geliefde op de vlucht? De angst om haar te verliezen en dan de poging haar vast te houden met een kijker? Of wordt de kijker gebruikt om vast op zoek te gaan naar een andere geliefde? Poëzie moet ruimte bieden aan de lezer om zijn eigen gedachten de vrije loop te laten. Een beetje aan de hand van de dichter die met klanken en beelden de lezer stuurt, maar een gedicht hoeft niet maar voor één interpretatie vatbaar te zijn. Herkenning kan op verschillende niveaus plaatsvinden. En hoewel de herkenning er in mijn ogen soms te dik bovenop ligt, zal het voor anderen juist weer prettig zijn en geeft die herkenbaarheid houvast.

Dirk Kroon dicht niet alleen, hij schreef ook veel over poëzie: diepgravende analyses waarover in Extaze al eerder een recensie verscheen. Een alleskunner dus, die schrijft en beschrijft, dicht en analyseert, denkt en doet. Deze uitgebreide verzameling is ondanks zijn omvang daarom een mooie dwarsdoorsnede van zijn dichterschap. De keuze toont dan Dirk Kroon niet afdwaalt van zijn thematiek en het vrije vers in een vaste vorm verkiest: puntige gedachtes van ééns strofe worden afgewisseld met langere gedichten die bestaan uit enkele strofes. Nauwelijks eindrijm, wel halfrijm en ritme.
Zijn overgave aan de poëzie, van binnenuit en van buitenaf, verdient respect, zoals hij in de bundel Vergeefs verweer uit 2016 zelf ook aangeeft in het lange gedicht ‘Thema met variaties’:

24a

Als dit het einde moet zijn,
herinner mij dan met respect
voor wat toch werkelijk was,
hoe alles in vrijheid begon.

Als dit het afscheid is,
noem dan alle namen
– vergeet die van de dingen niet –
en houd ze mij langdurig voor.

(Arjen van Meijgaard)

 

Het Siamees moment

Peter WJ Brouwer, Het Siamees moment, Haarlem 2017 (In de Knipscheer)

De Siamese tweeling had dertien maanden aan elkaar vastgezeten. Nadat ze operatief van elkaar waren losgemaakt konden ze elkaar voor het eerst in de ogen kijken.

Eva is neerlandica en tolk-vertaalster. Ze houdt van poëzie omdat die alles om ons heen een nieuwe betekenis geeft. Een klok die niet meer vanzelfsprekend is, maar het moment aangeeft waarop de tijd voor ons verstrijkt en begint.
Thomas is muzikant en arrangeur. Een ondergeschikte rol als begeleider schuwt hij niet. Integendeel. Daarmee leer je de verhoudingen kennen en accepteren, vindt hij. Het is zijn manier om dienstbaar te zijn.
Brouwer’s boek gaat over poëzie, fotografie, muziek, hartstocht en gemis.

Thomas en Eva onderhouden naast hun huwelijk (Thomas) en relaties met anderen (Eva) een onstuimige maar onvolmaakte verhouding. Voor beiden ontbreekt er iets.

Voor haar afstuderen krijgt Eva van haar vader een oude Leica. In beelden dácht ze al, nu kan ze die ook vastleggen. Het liefst met behoud van de poëzie die de werkelijkheid kan bieden: een kort moment waarop verlangen en vervulling, herinnering en herkenning, vraag en antwoord samenvallen.
Het beeld dat Eva van Thomas heeft, vertoont witte vlekken alsof de zon zich in het negatief van de foto heeft ingevreten.

Het brievenboek dat ze samen schrijven, het wederzijds inspireren, de epistolaire actie die een reactie verlangt… het brievenboek dat later rafels zal vertonen, doordat Thomas zijn aandeel uit het boek heeft verwijderd.
De vluchtige ontmoetingen in winkels, straatjes, musea en later, iets minder vluchtig, in hotelkamers. Alles gepland, nooit een verrassing.

‘Wanneer de liefde ophoudt te bestaan plakken de plaatjes nog een tijd op je netvlies. Daarna drogen ze op en vallen ze af.’
Zo denkt Eva over haar verbleekte liefde voor Thomas. Ze kan de beelden altijd oproepen, maar er komt niets bij.
En ze waren al niet volledig.

Het Siamees moment van Eva en Thomas vindt plaats op de begraafplaats waar Eva’s vriendin en geliefde Silke zojuist ter aarde is besteld.
‘We zijn dood, Thomas. Met Silke zijn we doodgegaan.’
Wanneer Thomas haar aankijkt ziet hij het. Van de liefde is niets over. Geen schroeiplek, geen as. In die leegte ziet hij dat wat er ontbreekt.

Hoe Thomas mettertijd zal terugdenken aan Eva vervat de schrijver in een beeld.
‘Ze hadden niet alle seizoenen met elkaar meegemaakt. In zijn herinnering zal het altijd de vroege zomer blijven, het najaar en de eerste zachte winterdagen. Hij weet niet hoe Eva’s huid afsteekt tegen de sneeuw.’

(cg)