Nieuwe recensies

Wim Noordhoek, Muzenstraat en andere Haagse verhalenmet tekeningen van Marcel van Eeden, Amsterdam 2016 (Van Oorschot)

Den Haag is voor Wim Noordhoek zwart en wit. Liefde en haat. Het zwart zit ‘m niet alleen in het Haagse zelf… de zinloze vernietiging van natuur en gebouwen, de moord op Scheveningen, de

omslag Noordhoek

Haagse hoogmoed die van de stad koste wat het kost een metropool wil maken, de dorre bureaucratie, de clubjesgeest…, het zit ‘m ook en vooral in zijn persoonlijke geschiedenis, in zijn jeugd, zijn vader, een tiran, een zenuwlijder, een plaag voor zijn moeder en voor Wim. Lange tijd lukte het hem niet vanuit zijn nieuwe woonplaats Amsterdam terug te keren naar Den Haag. De vader blokkeerde die weg terug.  Zijn gevoel hierbij ontlaadt zich aan het eind van het boek, in het verhaal Muzenstraat:
‘Ik waagde me terug. Vond een lege stad, bewoond door vreemdelingen en doden. […] Mijn grootvader, de verlegen ouderling, zie ik de laatste tijd vaak. Aan de Scheveningse haven of in de tuin van het Gemeentemuseum, waar hij met me wandelde toen ik nog maar net kon lopen. Het lijkt of er zijn die er talent voor hebben. Bij hun leven zie je het al. Ze ontstijgen het ogenblik, ontwikkelen iets voldongens. Ze zijn er, maar niet steeds, Zoals een blinde alleen een grindpad in zijn tuin heeft als er een bezoeker over loopt. Sommigen verdwijnen met een vloek, zoals mijn vader. Hem zie ik nooit.’

Maar hoe liefdevol kan Wim Noordhoek schrijven over het wit van de stad, dat in werkelijkheid juist duister is. De groezelige, unheimische plekken die Den Haag nog altijd bezit, die soms jaren veertig, jaren vijftig aandoen, net als de tekeningen van Marcel van Eeden in het boek. Niet alleen dat Den Haag weet Noordhoek feilloos uit te beelden, ook bij de dwarse, duistere personages waar Den Haag er meer dan voldoende van heeft lukt hem dat.
Lees het verhaal De stoker, en je begrijpt wat ik bedoel. Het is avond, het is donker in Den Haag. De verteller bevindt zich in een tram. Een man, die hij herkent, hijst zich binnenboord. Het is Blok, de stoker van het Stedelijk Gymnasium (Haganum-cg), waar de verteller zes jaar ‘moest’ doorbrengen. Blok’s bestemming is de remise. Reis naar het einde van het traject. De stoker gaf knipoogjes naar de schoolmeisjes en dronk in het geniep uit een heupflesje. Voor dat laatste vergrijp werd hij telkenmale ontslagen om later weer in genade te worden aangenomen. De verteller, die dag teruggekeerd van vakantie, weet niet dat er op zijn oude school een reünie plaatsvindt. De stoker weet dat wel. Wanneer de tram het gymnasium nadert, stelt Blok voor daar vijf minuten te stoppen. Hij zou graag wat te drinken halen. Verstopt in de toren van het gebouw, weet de verteller.
‘Ik dwaalde door het schoolgebouwencomplex met zijn gangen, trappen en luchtplaatsen. Het had jaren geduurd voor ik er de weg wist.’
Op deze avond lijkt de verteller die weg opnieuw kwijt te zijn. Hij dwaalt door het gebouw als door de onderwereld: ‘Niemand zei iets tijdens deze reünie.’
In de toren vind hij de stoker terug, bezig kolen op het vuur te gooien.
‘Met ijzeren regelmaat hanteerde hij zijn spade en mikte van afstand scheppen kolen door het deurtje van de verwarmingsinstallatie. Het vuur vonkte helgeel op. Geen kooltje ging ernaast.’
Dan: ‘”We moeten terug,” zei Blok, de tram wacht, laatste rit.”’

(cg)

 

Theo Monkhorst, Theo MonkhorstDe blijmoedige leugenaar, Haarlem 2016 (In de Knipscheer)

Theo Monkhorst’s roman De blijmoedige leugenaar draait om de politieke strijd over het Spuiforum, het Haagse cultuurpaleis in aanbouw (‘Culture Dome’ in het boek), die de Haagse politiek in de jaren tien van deze eeuw heeft gedomineerd. Het Spui, waar het forum komt te staan, is de spil van het verhaal: het stadhuis (het Atrium), bestuurlijk Den Haag, het Haagse politieke en
culturele wereldje, de lokale media. Een echte sleutelroman is De blijmoedige leugenaar niet. Er zijn sleutels te vinden, maar die vallen niet altijd even gemakkelijk in het slot. Bovendien biedt het verhaal naast ‘versleutelde’ personages ook plaats aan personen die met hun werkelijke namen worden aangeduid, zoals Mark Rutte (minister-president), Ferry Mingelen (‘eens een populair politiek analist op tv en sinds zijn pensionering schnabbelend als gespreksleider’),  Thea van Loon (initiatiefneemster van De Regentenkamer) en Michael (uitbater van Bodega De Posthoorn).  Als je een sleutelroman (of een satire, wat een sleutelroman meestal is… ook dit boek) half-fictie kan noemen, dan bestaat het boek uit fictie, half-fictie en journalistiek.

De meeste van de personages uit de afdeling half-fictie laten zich raden. Bijvoorbeeld: in het hoofdpersonage Tiddo Helpman (‘een jongen uit het Noorden’, geboren in Kolham, ten oosten van Groningen-stad) zouden we ex-PvdA-wethouder Marnix Norder (stadsontwikkeling, volkshuisvesting en integratie) kunnen herkennen. Maar ook Theo Monkhorst zelf, die geboren is in de Korrewegbuurt in Groningen-stad en met zijn neefjes in Kolham speelde. De Emmastraat, waar Helpman woont, is ook het woonadres van Theo Monkhorst. Karel Zuur kan niemand anders verbeelden dan ex-wethouder economische en sociale zaken Henk Kool (zuurkool!). Achter Kees Toren moet Constant Martini (voorzitter lokale PvdA in Den Haag) schuilen (Martinitoren!). Angelique Trompetter staat voor de wethouder van cultuur, binnenstad en internationale organisaties, Marjolein de Jong. En met Maarten von der Assen (Amsterdams uitgever, boekhandelaar en schrijver) wordt zonder twijfel Maarten Asscher bedoeld.

De fictie verbreidt zich met name rond Tiddo, die de openheid van zijn Gronings landschap is kwijtgeraakt en, sinds de stad hem in zijn greep heeft gekregen, een politieke manipulator en leugenaar is geworden. Prominent in het verhaal zijn voorts Lux, een begenadigd beeldend kunstenaar (waarschijnlijk geïnspireerd op Marcus van Soest, een kunstenaar die Theo Monkhorst en zijn vrouw ooit onder hun hoede hebben genomen), hard van buiten, maar zacht van binnen, een man van het principe hoop en Tiddo’s tegenpool, Kasja, vriendin van Lux en later ook van Tiddo, tot zijn donkere kant haar te veel wordt, en Tiddo’s vrouw Trudy (in veel opzichten gelijkend op Theo Monkhorst’s vrouw Det Regts), wier elegantie en charme je niet doen vermoeden dat ze uiterst taktisch kan manoeuvreren.
Ook de uitbeelding van de perikelen rond de ‘Culture Dome’ kent fictieve momenten, maar toch vooral journalistieke. De wijze waarop dit ultieme voorbeeld van Haagse hoogmoed via goedkope verkooptechnieken aan de man (het volk) is gebracht, heeft Monkhorst met verve en naar waarheid opgetekend. Het cultuurpaleis moest twee bestaande theaters vervangen (De Dr. Anton Philips (concert)zaal en het Danstheater), diende een tijdloos cultureel monument te worden en zou vooral groot moeten worden, veel groter dan nodig was om de twee theaters te vervangen. Hoe dit voor elkaar te krijgen? Eenvoudig genoeg: je plakt het Haags Conservatorium eraan vast. Docenten en studenten van die instelling zaten niet op deze verhuizing te wachten, waarbij nog kwam dat de huur die de muziekschool voor de nieuwe behuizing zou moeten betalen exorbitant hoog zou zijn. De druk op de directie was groot. Voor de beoogde verhuizing had de Gemeeente namelijk nog een verborgen argument. Het bestaande conservatorium stond op een A-locatie, ideaal om er een groot kantoorgebouw neer te zetten.
‘De kunst om deze warwinkel te verkopen aan het publiek was om met grote woorden het publiek enthousiast te krijgen. Woorden als internationaal, de toekomst, visie, durf en economische injectie. “Hiermee bouwen wij een monument voor onze kinderen, geven de stad een cultureel hart en zetten ons op de wereldkaart.” Dit was de slogan die ik (=Tiddo-cg) gebruikte.’
Toen de oppositie tegen de plannen in de Gemeenteraad en ook, via actiegroepen, bij de bevolking onverwachte vormen begon aan te nemen, ontstond er paniek bij Tiddo en zijn partij (in het boek ‘de liberalen’, in werkelijkheid de PvdA), die een nederlaag bij de volgende verkiezingen vreesde. Hoe Tibbo met Machhiavellistische technieken het gevaar te lijf gaat is te komisch beschreven om de passage hier te resumeren.

Welk een genot om weer eens een boek te lezen over dingen die er toe doen, doortrokken van historisch besef en gekruid met kritiek, waarbij ook kleinere onderwerpen de aandacht krijgen. De laatste algemene ledenvergadering van Pulchri Studio, bijvoorbeeld, waar in een moderne variant van een volksgericht het oude bestuur met pek en veren werd ingesmeerd en naar huis gestuurd, het door kunstenaars van naam samengestelde beleidsplan in de prullenmand belandde en de vereniging werd teruggebracht naar de status van een hobbyclub.
‘[…] Pulchri vertoonde alle trekken van een grote paddenstoel die langzaam in elkaar zakte. Je kent dat misschien wel, langzaam valt die prachtige schimmel rond zijn eigen voet in stof uiteen.’
Deugd doet mij ook de anekdote over de Amsterdamse uitgeverspolitiek, die Theo Monkhorst mij al eens in Pulchri (jawel!) vertelde, een dialoog uit het leven gegrepen:
[Maarten von der Assen:] ‘Je moet het zo zien. Een boek uitgeven en verkopen gaat in wisselwerking met een uitgeverij, boekhandelaren, journalisten, critici en vaste klanten. Die kongsi maakt het tot een commercieel succes. Wie niet tot die kring behoort komt er niet in.’
[Tiddo:] ‘Dus een soort Amsterdamse samenzwering van uitgevers en media?’
[MvdA:] ‘Zo kun je het zien. Als je er niet in zit, lijkt het een bastion. Als je er wel in zit, is het een uitdagende speeltuin vol bekenden.’

De blijmoedige leugenaar is een uitstekend geschreven roman, gebaseerd op sterk empirisch materiaal. Enige moeite heb ik met de structuur. De niet verklaarde dood van Tiddo, de brieven die hij vanuit de hemel schrijft aan zijn zoon Sax en daar nog eens bovenop de brieven van Kasja aan Sax. De informatie uit de brieven krijg je vaak dubbel te lezen en soms stoort dat. Daarbij zijn de brieven geen echte brieven, dat wil zeggen, de stijl is niet epistolair en de inhoud lijkt niet op de persoon van de ontvanger (Sax) afgestemd. Stuur je gedetailleerde verslagen van vrijpartijen aan je zoon, cq de zoon van je vriend? Of technisch geformuleerde uiteenzettingen van politieke machinaties? Mede door deze structuur krijgt de amoureuze relatie tussen Tiddo en Kasja net iets te veel gewicht, hij drukt niet alleen het politieke gehalte iets teveel opzij, maar ook het psychologische thema: het zwart en het wit binnen de persoon van Tiddo, dat weerspiegeld wordt in zijn relatie met de kunstenaar Lux.

Het kan strakker, dacht ik vaak tijdens het lezen.
Maar dit is een schrijversoordeel over een zeer geslaagd boek van een andere schrijver. Ik heb niets gezegd…

(cg)

 

Aly Freije, Door het vanggat, Haarlem, Cover Aly Freije
2016 (In de Knipscheer)

In 2009 publiceerde Aly Freije de Groningstalige bundel Wondpoeier. Ik heb haar enkele van die gedichten horen voordragen. Niet alle woorden begreep ik, maar de gang van de gedichten, een stugge wind over het in vlakken verdeelde land van noord-oost Groningen, de beweging in de voordracht ingehouden, begreep ik wel. Ook in haar nieuwe Nederlandstalige bundel hoor ik in de verte die wind, zie ik van afstand de rechthoeken van groen:

Het mes blijft trillend steken, ze kerft
een lijn, omheint een erf, trekt groene verticalen
plaatst een horizon

(Gedicht)

In ‘Het mist’ ruik je de hokken en de schuren van de boerderijen, maar vaag, hoor je, ruisend in de wind, de verhalen van de boer en zijn knechten, maar omfloerst. De beelden lijken gekaderd, ‘omheind’:

schuren geurden naar ingedikte tractorolie
oogstverhalen, schoffels hingen schuin
tegen de zomerwind, deurklinken gingen in verzet

Er is weinig voor nodig om het licht en de geluiden tijdelijk te laten verdwijnen.
De nacht kan dat al:

Er vallen gaten in de nacht
beelden zwermen binnen

[…]

fijn herfststormstof dringt door op vensterbanken
dressoirs, dekt toe, zwart wondpoeder

(Terugspoelen, II: Kieren)

Steeds meer bekruipt mij het gevoel dat de dichter de beweging van de beelden wil stilleggen in een verleden en wil oppoetsen als herinnering. Zoals in ‘Schafttijd’, waarin de man op zijn erf zit zoals hij graag zit en het vizier gesloten houdt:

hij kroop op zijn knieën hoog
door de korenvakken, verankerde
schoven overdwars, -vast als een huis–

Alles stilgelegd. Voorbij

De akkers liggen schokkend stil in de zomerhitte

In het gedicht In lichtbundels danst het stof III is de stilstand volledig. Of toch niet?

op een doorgezond landschap, op het hoogtepunt
van de dag, valt het licht als een moker
vallen mensen, dieren onverbiddelijk
met hun schaduw samen

De wijzers van de klok vallen samen, de zon is op zijn hoogtepunt, de tijd stokt…

            ik hak met een houweel een gat in de tijd
            reik naar herinneringen, ze verspringen
            geslingerd uit hun baan, ik zoek naar grond
            naar fundament

De beelden worden omcirkeld, omsloten, vastgehouden:

Behoedzamer het wassen, steeds minder
vast te houden, haar haren verspreiden
sterrenstof, de schaar knipt dwars
ons zwijgen door, heimelijk houd ik een krul terug

[…]

haar beeld voor altijd vast gebrand, loop ik
verblind de moestuin in, drijf de spade diep, scheur grond

(Omcirkelen)

Maar kan het beeld vastgehouden worden? Misschien waneer het op een of andere wijze weerspiegeld wordt, of een weergave vindt in taal die toevallig net past:

sap druipt van kinnen, verft lippen paars, jij wast
de kom van je handen, mijn hart

angst is een waterrat die huist in oeverwallen, de wind
zal harder waaien, mij van jou weg, ga jij overdwars

en niets valt vast te houden
behalve dit moment, weerspiegeld in je ogen.

(Dwarsgracht)

(cg)

 

drie-dagen-nina-roos-boek-cover-9789076174914Nina Roos, Drie dagen, Amsterdam 2016
(De Harmonie)

Na een verhalenbundel (Neem op) is er nu ook een roman van Nina Roos verschenen. Verwacht daarin geen plot met veel actie en dramatiek.  De personages Vincent (directeur van Vochtwering Compleet), zijn vrouw Isabeau en zijn broer Mart (eigenaar van een specerijen- en cadeauwinkel) maken in de drie dagen die Nina Roos beschrijft geen schokkende of opzienbarende dingen mee. Dat verhaal had in vijftig bladzijden verteld kunnen zijn. Toch gebeurt er veel in de roman… niet in de buitenwereld, maar in de binnenwereld van de personages. Gedachten, associaties, spinsels, herineringen, nonsensicalia, overwegingen. Dus geen stream of consciousness vanuit één persoon geschreven, maar drie stomen, die geregeld samenvloeien in de hoofdstroom van de onderlinge relaties, de gedeelde ervaringen, de gezamenlijke  belangen, de wederzijdse verantwoordelijkheden en de gevoelens en gevoeligheden ten opzicht van elkaar.

Wat er in mijn hoofd omgaat is vaak toegespitst op het hier en nu, op handelingen die nu of binnenkort moeten gebeuren. Maar er zijn ook van die gedachten die telkens weer bij mij terugkeren,  steeds in dezelfde vorm, vaak met dezelfde inhoud. Zo overkomt het me eens in de zoveel tijd…
…dat er conversaties opdoemen die ik ooit heb gevoerd, waarbij ik erachter probeer te komen op welk moment ik beter iets anders had kunnen zeggen dan ik toen heb gezegd…
…dat er voortdurend gebeurtenissen uit mijn leven voorbijkomen waarin ik geen geweldig figuur heb geslagen en die ik –daarom– steeds weer analyseer…
…dat ik last heb van oplaaiende haatgevoelens tegen mensen die mij ooit hebben bedrogen of tekort gedaan…
…dat ik beelden van personen of situaties voor me zie die indruk op me maken, maar die ik niet kan plaatsen…
…dat ik bij het lezen van een boek of bij het zien van een film bepeins wat mijn gevoel of gedachte was bij de eerste keer dat ik de film zag, of het boek las…
…dat ik bang ben dat ik een woord, een flard van een conversatie of een deel van een songtekst kwijtraak en dat woord en die woorden zo vaak in mijn hoofd laat rondzingen (soms letterlijk als melodie) dat het in mijn geheugen vast komt te zitten…
…dat ik me griezelverhalen in mijn hoofd haal over kleine lichamelijke ongemakken…
Zullen andere mensen de hierboven beschreven terugkerende gedachten herkennen?

Soms zoemen de gedachten van Nina’s personages ‘mijn’ kant op.
Uit het hoofd van Mart: ‘Hoeveel insecten kun je aan op een dag? Koos ik Kiribati voor mijn spreekbeurt omdat toch niemand dat eiland kent? Omdat ik zeker wist dat de leraar er niet geweest was omdat hij vliegangst had? […] De meester keek en knikte telkens alsof hij wist wat ik ging zeggen. Vanwege mijn gebrek aan informatie, kreeg ik een punt aftrek, maar ik kreeg een voldoende.’
Isabeau: ‘Ik snap nu wel dat pappa je heel af en toe terechtwees, je had op pumps moeten leren lopen, dan had hij wel uitgekeken. Wat wilde ik je graag bijeenknijpen, je zat vaak zo wanhopig te zitten, bleek en vlekkerig, je leek uiteen te vallen en al die vallende stukken schreeuwden om aandacht en dat is geen gezicht mamma, maar je kon het niet zien want je was het zelf.’
Vincent; ‘Zou wild vlees uiteindelijk de afmeting van een neus kunnen aannemen, of zo lang als een duim door kunnen groeien? Als ik wacht heb ik dan straks een vingerlengte vingerlengte vlees onder mijn oksel?’
Een andere vraag die ik me stelde toen ik Nina’s boek ter hand nam, betrof niet de inhoud van wat er in de hoofden van Nina’s personages gebeurde, maar de vorm. Hoe zou Nina vorm geven aan de wijze waarop het er in de hoofden van haar personages toegaat? Lees en weet.

(cg)