Nieuwe recensies

De eeuw van Charlie ChaplinMatthijs de Ridder, De eeuw van Charlie Chaplin, Amsterdam 2017 (De Bezige Bij)

‘De Duitse dadaïsten reageren op impulsen uit het buitenland die erop wezen dat niets de ervaring van de naoorlogse tijd beter definieerde dan het fenomeen Chaplin.’ (p.231)

Hoe vaak gebeurt het dat er in Nederland een uitzonderlijk boek verschijnt, een boek zoals dat hier zelden wordt geschreven?
Engelsen zijn er goed in: aan de hand van één enkele gebeurtenis (bijvoorbeeld de Wereldtentoonstelling van 1900) of van één persoon (bijvoorbeeld Sarah Bernardt) de geschiedenis van een heel tijdperk beschrijven en dat in de sfeer of de stijl van die gebeurtenis of die persoon.
Matthijs de Ridder, geboren in Apeldoorn, cultureel en wetenschappelijk gevormd in Antwerpen, heeft zo’n boek geschreven:

De eeuw van Charlie Chaplin

Aan de hand van de mens Charles Spencer Chaplin, de komiek, filmmaker en acteur Charlie Chaplin, het idool Charlie of ‘Charlot’, en de wereld met chaplinitis besmettende halfgod die het aardse op de meest onverwachte momenten in de geschiedenis oversteeg, bewegen we ons soepel door de wereld van de Engelse vaudeville, de prille Amerikaanse filmindustrie, het Wilde Westen van de Amerikaanse steden, waar wetteloosheid en grote sociale ongelijkheid heerste, de wrede loopgravenoorlog in Europa, de avant-garde van de Europese kunsten (Blaise Cendrars, Dada, Georg Grosz, Paul Citroen, Paul van Ostayen), de opstand van de Spartakisten in Berlijn, de Russische Revolutie, de opkomende filmtheorie (Louis Delluc), de Jazz-Age,  de couveusekamer van de sprekende film, de Grote (economische) Depressie, de opkomst van het Derde Rijk, de studio’s waarin de nieuwe montagetechnieken in de film werden uitgedokterd en toegepast (Eisenstein, Vertov, Ruthman), het Taylorisme ofwel de wereld van de lopende band, de Spaanse Burgeroorlog, het nazisme, de Tweede Wereldoorlog, de uitwassen van de communistenjacht in Amerika.

Als een barse rode draad door het boek loopt de afdaling van Chaplin’s liefde voor de idee van Amerika naar zijn grote teleurstelling over de verwording van dat land. Hoe sterk was niet zijn wil geweest om als Engels immigrant in Amerika de confrontatie aan te gaan met de samenleving waarin hij toen voorzichtig een plaats zocht. In Canada, waar hij in 1913 met het vaudeville-gezelschap  Karno’s Komedians aan land was gegaan, hielp Alf Reeves, journalist van de Winnipeg Review,  ‘Charles’ bij dat streven, door hem in een serie artikelen uit te beelden als een Britse Amerikaan-in-wording.
Chaplin’s inburgering verliep vlot en ging verder dan begrip voor de zeden en gebruiken van de Amerikaanse bevolking. In zijn ijveren om Amerika bij de Eerste Wereldoorlog te betrekken, ging hij in op het verzoek van het Witte Huis om aan wie dat kon betalen oorlogsobligaties (Liberty Loan Bonds) te verkopen, zodat het Amerikaanse leger met de opbrengsten daarvan  ‘die oude duivel van een Kaiser’ kon verjagen. Hij maakte zelfs een propagandafilm voor deze wervingsactie: The Bond.

Geïnspireerd door de geschriften van de economen John Maynard Keynes en Clifford Hugh Douglas en met name diens Economic Democracy van 1920, verstrekte hij de natie een aantal economische adviezen, zoals het naar omlaag brengen van het aantal werkuren, het drukken van meer geld en het controleren van de prijzen.
Geïnspireerd door Douglas was zeker ook de toespraak van de joodse kapper aan het eind van The Great Dictator (1940), met daarin passages als: ‘Jullie, het volk, hebben de macht – de macht om machines te scheppen. De macht om geluk te scheppen. Jullie, het volk, hebben de macht om dit leven vrij en fraai te maken, om dit leven te veranderen in een prachtig avontuur!’
De reacties op de film waren zuinig. Een filmster die zich gedraagt als een koning, moest dat nou? En was de speech niet doordrongen van communistische idealen?
Het vermoeden dat Chaplin iets te veel waardering voor het communisme opbracht, werd versterkt door zijn lof op de moedige strijd die de communisten tegen de troepen van Hitler voerden. Sterker nog: hij bepleitte samenwerking met ‘onze beste bondgenoot’.
Hoe genuanceerd Chaplin zich ook over zijn respect voor de Russen uitliet, de FBI nam daar geen genoegen mee en stelde een uitgebreid, maar rommelig onderzoek in naar Chaplin’s ideeën, contacten en privé-omstandigheden. In de jaren vijftig zou Joseph McCarthy met zijn House  Committee on Un-American Activities daar nog een schepje bovenop doen.
Chaplin, die zich geen politicus wenste te noemen, maar ‘slechts’ artiest, vroeg zich wanhopig af wat er gebeurd was met de filosofische principes die hem in 1913 voor Amerika hadden gewonnen. Wat was er terecht gekomen van Ralph Waldo Emerson’s oproep aan de Amerikanen om een eigen Bijbel te schrijven? En herinnerde iemand zich nog Robert Green’s ode aan de burgerlijke ongehoorzaamheid?
Amerika maakte misbruik van de democratie, meende Chaplin. Hadden mensen niet het recht om zich te informeren over afwijkende ideologieën? De grote heksenjacht van McCarthy en de zijnen was toch puur ondemocratisch? Ook het verlies aan decorum bij de burgerij stak hem. Maar er waren nog ernstiger zaken, het gebruik van atoomenergie bijvoorbeeld. Tegen binnenlands gebruik daarvan had hij geen bezwaren, integendeel, maar om er atoombommen van te maken?
Zijn film The King of New York van 1957 was een afrekening met het land waarop hij ooit zijn hoop had gevestigd. Zijn films vanaf 1952 (Limelight) liepen niet of werden amper vertoond. De Amerikanen wantrouwden hem. De diepe val van popidool naar paria viel Chaplin zwaar.
In 1952 ontvluchtte Chaplin Amerika en vestigde zich in Zwitserland. Op 10 april 1953 leverde hij op het Amerikaanse consulaat aldaar zijn re-entry permit in.

Chaplin’s films, uiterst levendig en gedetailleerd door De Ridder naverteld, illustreren de gebeurtenissen in Chaplin’s eigen leven (The king of New York!) en in de wereld om hem heen (The Great Dictator!) of hebben de geur ervan overnomen.
Door zijn grote kennis van de muziek en de Westerse subculturen slaagt De Ridder erin opmerkelijke verbanden te leggen. Bijvoorbeeld tussen Chaplin’s rol als ‘tramp’ (zwerver op zoek naar werk in het Amerika van de jaren nul en tien van de twintigste eeuw) en een tegencultuur van mensen die zich weigerden te conformeren aan de heersende norm en met hun nomadisch bestaan de paternalistische waarden uitdaagden die de hoeders van de moraal in die tijd als vanzelfsprekend hielden.
Het zal die houding en die stellingname zijn geweest die kritische geesten in de loop van de geschiedenis moed en hoop heeft gegeven.

Op 29 juni vertelde Matthijs de Ridder over zijn boek en vertoonde hij beelden van Charlie Chaplin in Boekhandel Douwes in Den Haag. Het werd een ware happening. De thuisblijvers hebben ongelijk gekregen.

(cg)

 

vaan-nu-2017-244x300Erik Brus (samenstelling), Vaan nu. C.B. Vaandrager met andere ogen, Rotterdam 2017 (Studio Kers)

Niemand schreef proza zoals Cornelis Bastiaan Vaandrager het toen schreef (De Hef, 1975): ‘Hoe rook ut ook weer: The sweet smell of success? Waarvan lucht in bezit, hoewel verduisterd door wolken, faze die kan voorkomen, die niet blijvend is.’ (p.71)
En nog steeds niet.
Met zijn poëzie ligt dat anders, blijkt uit een aantal bijdragen in de fraai uitgegeven bundel Vaan nu. Afgaande op de ready-mades en neo-realistische ‘zestiger’ gedichtjes die in het boek staan afgedrukt, hebben de auteurs daarvan zijn toon en zijn trucjes aardig te pakken.
Wel hoorde ik de rauwe toon, de bruuske afbrekingen en de spreektaalbrokken, zo kenmerkend voor Vaandrager’s proza, terug in de teksten van Rotterdamse punkgroepen, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, maar dan in het Engels-Rotterdams. Ik kende nogal wat van die muzikanten. Vaandrager was een voorbeeld voor hen, niet alleen vanwege zijn manier van schrijven, maar vooral vanwege zijn Rotterdams-zijn. Want dat hadden de meesten van die muzikanten ook in zich, die met de schouders opgetrokken, kin-omhooggestoken Rotterdammerigheid, dat uitspuwen van woorden met die gebrouwde R van Rotterdam.
De Hef Deel 1 begint zo: ‘De Hef is vol beweeglijkheid, die ik begeer. Zie hier: Amsterdam-Parijstreinen die er over vliegen onder machtige stuwing van zwart metaal en witte stoom. Ook vind ik hier grote, trage schepen die van zee komen, of onze stad verlaten. De Hef zelf schept met grote vertikale bewegingen geweldige verscheidenheid van aktie: wentelende wieken, sidderende kabels.’
Ik ken het treintraject dat Vaandrager hier beschrijft. Ik zag het vaak genoeg, links omhoog kijkend vanaf de stoep voor de deur van de Bunker, vh Jazzbunker, aan de Boompjeskade. Er staat niet veel over Rotterdam in Vaan nu. Het meeste nog in het verhaal dat Soulbrother Treurniet aan André Hart vertelt. Het mooiste stuk van de bundel, naar mijn smaak.
‘In de zomer van 63 zat ik veel in café De Fles, op de ’s-Gravendijkwal. Ik vond het leuk om in een kunstzinnige sfeer te zijn. De Fles was jazz, de kunstacademie om de hoek, en er waren meisjes.’
Een Surinaamse soulzanger, een Rotterdammer.
Als ik dit lees hoor ik mijn toetsenbordletters schreeuwen: ‘Meer Rotterdam! Meer Rotterdam!’
Die kale betonnen bunker met zijn lage podium, de akoustiek droog. De muzikanten schonkig of bonkig. Ik zie ze weer voor me, de houtblazers op de free-jazzpunk-toer, mannen met vaalgele koppen, als uit zandsteen gehouwen, groeven daarin die hun leeftijd verraden, stramme lijven bedekt met leer… de band loeit en gromt, een vrouw, ook in leer, sleept ijzeren kettingen over het hout van de podiumvloer.
Rotterdams rauw was ook Stof, een in eigen beheer uitgegeven, geniet of losbladig punky blaadje, gefotocopieerd op verschillende kleuren papier. Vaandrager, Jules Deelder, Hans Sleutelaar, Paul en Kick Wasco.
Weer dagen de toetsenbordletters mijn vingers uit. Maar ik ben Haags en mijn R ligt vooraan in mijn mond. Maar Vaan, en Rotterdam? Een volmondig ja!

(cg)

 

Kunze-Ila--Laura-thumbGertrude Kunze, Ila & Laura, Utrecht 2016 (IJzer)

Een vriendenvierkant, twee zusters, Ila en Laura, twee vrienden, Philip en Daniël. Alle vier zijn ze vanuit Engeland (Laura via Australië en Engeland) in Nederland beland.
Ila ontwerpt kleren, Laura verkocht ijs in Australië en weet nu even niet wat ze zal doen, Philip studeert piano aan het conservatorium en Daniël is directeur van een zoölogisch museum. De liefdevolle verhoudingen over en weer hebben te lijden aan gemoedsonrust bij de personages, wanneer Philip’s handen aan de piano haperen, Ila een niet geheel geslaagde modeshow ontwerpt en organiseert, Laura noch in Australië, noch in Nederland haar draai vindt en Daniël, ‘de sterke schouder van het kwartet’, zich genoopt ziet naar Engeland terug te keren wegens ziekte van zijn moeder.
Het verhaal gaat over jonge mensen, staat op het achterplat van het boek, maar zijn het jonge mensen van onze tijd? Het zou kunnen, maar dat gevoel had ik tijdens het lezen niet.
Het boek bestaat grotendeels uit dialogen en persoonlijke overdenkingen naar aanleiding van die dialogen. Misschien komt het door deze conventionele benadering dat ik het ‘nu’ van het verhaal niet herken.  Schrijven kan Gertrude Kunze zeker. Ze houdt haar zinnen kort en een uitdrukking als ‘ze duwden elkaar naar de bar’ is sterk.
Helaas maakt de schrijfster ook gebruik van het afschuwelijk lapvoorzetsel ‘richting’ dat in ons spraakgebruik alle voorzetsels van richting (naar, in, op, jegens, ten aanzien van, ten opzichte van, tot) lijkt te hebben vervangen. ‘Richting’ komt van ‘in de richting van’ en is iets totaal anders dan bijvoorbeeld ‘naar’. ‘In de richting’ gaat nooit direct op een doel af. De autoroute naar Schagen gaat vanaf Den Haag of Haarlem ‘richting’ Den Helder, maar na de afslag Schagen gaat het ‘naar’ Schagen of ‘op Schagen aan’.
Bizar is de zin: ‘Hij moest op zijn fiets springen richting conservatorium’. Hoe gaat dat in zijn werk? Achterstevoren op de fiets springen, zijwaarts? Het is zo jammer. Net als dat net iets te bruuske einde, dat, hoe droevig de beschreven gebeurtenis ook is, door het ‘gezochte’ karakter ervan bij mij geen enkele emotie opriep.
Ondanks deze tekortkomingen zullen veel mensen dit boek met genoegen lezen.

(cg)

Kees ’t Hart, Wederzijds, Amsterdam 2017 (Querido)Wederzijds

Wederzijds is een komisch verhaal met een licht geëngageerde inslag. Het decor is de Haagse binnenstad waar de hoofdpersoon, een conrector op een middelbare school, met zijn veel jongere vrouw Wies niet zo lang geleden is gaan wonen. Het huis bevalt, de buurt minder. Wanneer hij eigenhandig graffiti op een elektriciteitskastje voor de zoveelste keer overschildert, krijgt hij het aanbod lid te worden van een organisatie die de overlastmakers zal aanpakken. Er moet eenmalig een bedrag betaald worden als inschrijfgeld en af en toe moet er een wederdienst vervuld worden.

Het klinkt onschuldig en wanneer je nagaat dat kleine irritaties die het woongenot in de weg zitten en die bovendien niet door de politie weggewerkt (kunnen) worden op deze manier wel verdwijnen, klinkt het zelfs aantrekkelijk. Want deze Wederzijdsclub bereikt wel haar doel, al is het soms met geweld. Tocht wringt het en heeft de hoofdpersoon zo zijn bedenkingen. Mag je wel voor eigen rechter spelen, hoever gaat deze buurtpreventieclub, wat zijn precies de tegenprestaties, wie zijn er lid? En waarom kan hij niemand bereiken om deze vragen aan voor te leggen?

Kees ’t Hart lijkt met een knipoog de talloze buurtpreventieverenigingen te willen beschrijven. Men verenigt zich in WhatsAppgroepjes, loopt samen door de buurt om onheil voor te zijn en beslist onderling wie er verdacht is en wie niet. Anoniem wordt er eventueel wat aan gedaan, zeker als de politie verstek laat gaan.

Bij Wederzijds wordt dan bij voorkeur niet de dader aangepakt, maar een familielid of vriend van de dader. Heeft een puber graffiti op een muur achtergelaten, dan wordt de auto van zijn moeder overgespoten. Veroorzaakt iemand geluidsoverlast, dan krijgt de familie van deze persoon een geluidsbom in de brievenbus (een aantal aan elkaar geboden telefoons die op afstand aangezet worden en ontzettende herrie maken).

En passant wordt ook het pesten via internet aan de kaak gesteld en geeft de schrijver aan hoe makkelijk het is iemands foto op internet te zetten en hoe moeilijk het voor diegene is dezelfde, vaak shockerende foto weer te verwijderen. Dit gebeurt op de school van de hoofdpersoon en uiteindelijk wordt de verkeerde persoon teruggepakt. Ook dat nog.

Bovenal gaat deze roman over wraak. De ander laten voelen wat jou is aangedaan. We lijken daar in de huidige maatschappij steeds minder moeite mee te hebben. Oog om oog, tand om tand. Hard tegen hard, zonder over de gevolgen na te denken. Geeft een gebouw met kunstenaars overlast? De fik erin. Denk je dat iemand je vriendin lastigvalt? De beuk erin. De vermeende overlast is dan tenminste voorbij, wat verder de consequenties zijn is van minder belang, als het spoor maar niet terugvoert tot degene die wraak heeft genomen.

Maar ook spelen kafkaiaanse taferelen een rol. Hoe kom je uit een doolhof van een onzichtbare organisatie terwijl je er in eerste instantie niet eens aan deel wilde nemen. Welke mensen staan aan jouw kant, wie zijn je medespelers en loop je zelf ook gevaar als je niet meedoet? De hoofdpersoon ligt ervan wakker. Is dit de juiste manier om het op te lossen? Hij komt niet verder en heeft het gevoel van het kastje naar de muur te lopen, en weer terug. De vraag is ook of hij en zijn vrouw de schimmige en ongrijpbare organisatie nog kunnen en willen ontworstelen? Samen tegen de rest, al is niet duidelijk wie ‘samen’ is en wie ‘de rest’. Een vermakelijke roman die je argwanend naar je buurtgenoten laat kijken.

(Arjen van Meijgaard)

 

Pim Wiersinga, EleonEleonora en de liefdeora en de liefde,
Haarlem 2016 (In de Knipscheer)

De Eleonora in het forse (610 pagina’s) boek van Pim Wiersinga is Eleonora van Aquitanië (ca 1122-1204), dochter van Hertog Willem X van Acquitanië en Eleonora Châteleraut.
Eerst maar de geschiedenis uit de geschiedenisboeken.
In 1137 erft Eleonora, vijftien jaar jong, het hertogdom Acquitanië, dat met bijbehorende graafschappen ongeveer een kwart van Frankrijk beslaat. De Franse kroonprins Lodewijk VII is er als de kippen bij om de alom begeerde bruid tot de zijne te maken. Als hertogin blijft Eleonora zelfstandig, ook tijdens haar tweede huwelijk (1152) met Hendrik II, hertog van Normandië en graaf van Anjou, met een claim op de Engelse troon.
Acquitanië was in die tijd een administratieve regio in het zuidwesten van Frankrijk met als hoofdstad Bordeaux. Daarvoor, vanaf 56 voor Christus, was het gebied een Romeinse provincie geweest. In de vijfde eeuw schonken de Romeinen het gebied aan de Visigoten en werd Acquitanië een koninkrijk met Toulouse als hoofdstad. In 507 verdreven Clovis en zijn Frankische legers de Oostgermaanse machtshebbers met geweld.
Na 587 begon de eerste periode van Acquitanië als hertogdom. Nadat de Vascones (Basken) het gebied tussen de Garonne en de Pyreneeën hadden veroverd en daar het hertogdom Vasconia (Gascogne) hadden gesticht, ontstond ten noorden van de Garonne het eerste hertogdom Acquitanië met als hoofdstad Toulouse. In 768 voegde Pepijn de Korte het gebied bij het Karolingische Rijk. Nadat eerst Karel de Grote Acquitanië als koninkrijk aan zijn zoon Lodewijk de Vrome had geschonken, werd het gebied na het Verdrag van Verdun (843) een onderdeel van het West-Frankische Rijk van Karel II de Kale. Dat bleef het totdat zijn vazallen hun leen en titel erfelijk maakten en achtereenvolgens de graven van Poitiers, de graven van Auvergnes, de graven van Toulouse en opnieuw de graven van Potiers de titel van hertog opeisten. In 1036 werd Gascogne, Navarra uitgezonderd, door Willem VIII van Acquitanië bij Acquitanië gervoegd.
In het Acquitanië van de 12e en 13e eeuw ontstond de literatuur van de troubadours in het Occitaans, ook wel langue d’oc of Provençaals genoemd. In feite was het Occitaans –behorend tot de Occitano-Romaanse talen – een verzamelnaam van een aantal streektalen die in het zuiden van Frankrijk werden gesproken. Het volledige taalgebied wordt ‘Occitanië’ genoemd.

Deze historische feiten verwerkt hebbend, komen we al heel dicht bij de plot van Wiersinga’s roman. Het hofleven van Acquitranië is verfijnd. Vooral dankzij Eleonora floreren de dicht- en zangkunst van de troubadours, het discours van de geleerden en de theorie en de praktijk van de hoofse liefde. Haar begunstiging van de kunsten en wetenschappen en haar liberale houding tegenover mensen die het gezag van Rome weigeren te erkennen (ketters, joden, mohammedanen) is een doorn in het oog van hovelingen en geestelijken.
Dit motief weegt zwaar in de thematiek van Wiersinga’s roman, waarin de strijd van Eleonora als ‘Vorstin van de Minne’ en de ontwikkelingsgang van Thomas de Blondel van leerling-troubadour tot meester en van jeugdige Minnezanger tot halfvolwassen jongeman die het zinnengeluk deelachtig wordt in een liefdesverhouding met zijn ‘domna’ Berengarína, de boventoon voeren.
Een belangrijk bijmotief vormt de onberekenbaarheid van Eleonora’s zoon Richard Leeuwenhart, die zich kort na zijn kroning tot monarch van Engeland gereedmaakt voor de Derde Kruistocht en voor de tijd die deze oorlog zal duren Eleonora tot zijn regentes benoemt. Een verwikkeling die een belangrijke plaats in het verhaal inneemt is de gevangenschap van Richard op bevel van Hertog Leopold V van Oostenrijk die vergelding eist voor een belediging die Richard hem in het Beloofde Land heeft aangedaan.
Zo karikaturaal als Richard wordt neergezet als een geilnicht, een houwdegen en een brutale, maar humoristische vlerk, zo subtiel schildert Wiersinga Eleonora als een verstandige, geestige, sensuele, daadkrachtige vrouw, wier pijnlijke ervaringen in het verleden haar alleen maar sterker hebben gemaakt. Tot die pijnlijke zaken behoort zeker de straf die Hendrik II haar oplegde, nadat ze met behulp van haar ex-man Lodewijk tegen hem in opstand was gekomen om de positie van haar zoons te bevorderen en de autonomie van Acquitanië te bewaren. De strijd om de rechten van haar zoons was een gevolg van het feit dat Hendrik zijn macht niet met hen wilde delen. Eleonora verbleef tien jaar lang in het gevang.

Door Wiersinga’s verhaal meegevoerd, waande ik mij in twee periodes tegelijkertijd: In 11e en 12e eeuw vanzelfsprekend en, het is nogal een sprong, in de rumoerige jaren zestig van de vorige eeuw, de tijd waarin het hippiedom Europa en Amerika in zijn ban hield, de tijd van de vrije liefde, de doorbraak in de acceptatie van homo- en bisexualiteit, het feminisme, het verzet tegen de verstarring van de sociale en politieke structuren en de daaruit voortvloeiende repressie, de teach-ins, het belang van de muziek, in het bijzonder van de rock’n’roll, de grote popfestivals, het pacifisme, de vrije gedachten en meningsuitingen, verdraagzaamheid, het verkennen van onbekende streken en oorden, het libertarisme, het spel (de spelende mens), nostalgie en pastiche, love, peace and understanding.

Drop-out of the system
Thomas de Blondel is een drop-out, die wars van de overheersende geloofsleer zijn toevlucht zoekt bij de Albigenzen, ketters die door de Moederkerk verketterd worden, maar zich moed inspreken met de leus: ‘onze lasteraars krenken slechts een omhulsel, niet ons wezen’.

Een generatie die zich keert tegen bevoogding, tegen verouderde, vermolmde concepten van gezagsverhoudingen die als ‘natuurlijk’ gelden
De repressie door de kerk wordt belichaamd door de ketterjager Pierre de Castelnau, die Thomas tot in de slaapkamer van een herberg achtervolgt en bespiedt.
Verdraagzaamheid is de kernwaarde in het beleid van Koning Sancho de Wijze van Navarro (bij wie Eleonora ‘winkelt’ om een vrouw voor Richard uit te kiezen): ‘Voor de wet is iedereen gelijk en in mijn koninkrijk veilig, zolang hij of zij zich aan de wetten houdt.’
Thomas’ halfbroer, de prelaat Andreas, komt halverwege het boek tot nieuwe inzichten: ‘De kerk van Liefde bestaat niet. De moederkerk zaait angst in de harten der gelovigen en verschrikking bij de ketters en haar vijanden.’

Halverwege de jaren zestig beginnen de Students for a democratic society (USA) zich af te zetten tegen de oorlog in Vietnam en tegen heersende politieke opvattingen. Zij inspireren de beweging van New Left en leggen de basis voor een tegencultuur
Eleonora’s standpunt ten aanzien van de Kruistochten is niet mals: ‘Dwaasheid! In Jeruzalem hebben noch Acquitaniërs, noch Engelsen iets te zoeken.’
‘Make poetry, not war,’ lijkt Sancho de Wijze te variëren op de uitdrukking ‘make love, not war’. ‘Beter poëzie dan roem op het slagveld, nietwaar? Soldaten vallen, liederen blijven.’

In juni 1969 vinden in Stonewall (USA) rellen plaats die het startsein zullen blijken voor een meer radicale homo-emancipatie
De homosexualiteit van Richard wordt noch aan het hof, noch door hemzelf verzwegen. Ook Eleonora maakt geen geheim van haar lesbische verhouding met het kamermeisje Camilla. Tijdens de Paaswake in de bossen rond Nottingham zingt de Duitste troubadour Walther von der Vogelweide: ‘Man of vrouw maakt toch niet uit? Ze houden van hetzelfde fruit.’

On the road
Thomas’ leermeester Bernart de Ventadorn kiest als een van de opdrachten waaraan Thomas moet voldoen om meester te worden het maken van een grote reis. Later, wanneer Thomas uit Eleonora’s hof is verstoten wegens majesteitsschennis (zijn domna Berengaría is op het tijdstip delict voorbestemd in de echt te treden met Richard Leeuwenhart) zonder geld op reis te gaan en met zijn kunst in zijn levensonderhoud te voorzien. Wanneer hij op het strand van de kuststad Aarbonne in gesprek raakt met nimfachtige wezens die daar op een groep kinderen passen, is de associatie met de Odyssee niet vergezocht.

All you need is love
‘Liefde is goddelijkheid,’ predikt Eleonora. ‘Denk aan het woord van Paulus tot de Korinthiërs: “Geloof, hoop en liefde; bovenal de liefde. Al sprak ik de talen der Engelen maar had ik de liefde niet, ik ware niet”’ En Thomas, in een latere passage: ‘Liefde is een zaak van het hart, en het hart is deel van de natuur. De kerkvaders maken [in hun afwijzing van de Minne-cg] een logische fout: alle liefde komt van God.’
Het gedeelte van het boek dat in Engeland speelt is voor een groot deel gewijd aan Bernart de Ventador’s voorstel om een Liefdesrechtbank in te stellen, een nieuw soort rechtbank, vooral bedoeld om Thomas’ veroordeling van majesteitsschennis ongedaan te maken. Eleonora gaat akkoord, sterker nog, ze wil de rechtbank de kracht van de wet geven.

By the time we got to Woodstock
De toernooien, waar na de wedstrijden ijlings tafels worden uitgeklapt en overhuifd met parasols, en de troubadoursconcoursen spiegelen de pop- en literatuurfestivals van de jaren zestig. Ruimtes voor cultuur zijn buitens- en binnenshuis te vinden. De herberg Chez Moulin biedt naast een bibliotheek en vele gelagkamers, elk met een eigen ambiance, een concertruimte. Dat het gevolg van Eleonora in Engeland het lustoord Woodstocke aandoet, kan niet anders gezien worden dan als een topos.

Muziek, het bindmiddel. Hail, hail rock’n’roll
Thomas is een troubadour ‘nieuwe school’, een zanger en muzikant met pit. Tijdens een optreden in Pamplona speelt hij een lied met een hakkend ritme. De toehoorders ‘gaan uit hun bol’. Tijdens zijn eenzame tocht aangeland in de kustplaats Narbonne denkt Thomas na over de relatie tussen verhaal en muziek: ‘Wat is een verhaal? Wenst het publiek altijd verhalen? Ja, zij het dan toch op muziek – was muziek zelf een soort vertelling? Je kon de vraag omkeren: was elk verhaal niet tevens muziek? Elke zin een muzikale frase?’
Omdat de muziekcultuur van de troubadours in Engeland nog geen sterke traditie vormt, wil Eleonora een opleiding voor minnezangers in Oxford vestigen. De ‘popacademies’ van onze dagen.

Fritz the Cat
Scrabreuze grappen en situaties volop in Wiersinga’s roman.
‘Thomas moet er nog van groeien,’ plaagt Eleonora de troubadour tijdens een maaltijd, ‘In de lengte of de breedte,’ lacht het kamermeisje Camilla, haar blik op zijn geslacht gericht.
Het boek eindigt als een strip van Crumb’s Fritz the Cat: een bizarre gangbang met Berengaría, Thomas, de Duitse troubadour Walther von der Vogelweide en Richard Leeuwenhart, komisch als strip, wrang als verhaalelement. De instigator van dit tafereel, Koning Richard, lijkt te trippen op grote hoeveelheden wijn, zijn handelen is ongecoördineerd, zijn verordeningen zijn even onbekookt als immoreel.

De homo ludens
In Nottingham vindt een maskerade-overval op het gevolg van Eleonora plaats. Gewapende mannen in een ratjetoe van uitrustingen, de leider gekleed in een lange rode mantel, ongeharnast op een helm na. De monnik, verscholen achter een masker, wordt aangeduid als Brother Tuck. Achter die vermomming blijkt Andreas schuil te gaan. De Robin Hood in het toneelstukje is Richard’s wapenbroeder Guillaume de Maréchal. Korte tijd later pleegt Andreas zelfmoord. Een bijzonder moment in zijn leven, zo legt hij vast in zijn laatste brief, was zijn aandeel in deze kostuumpartij. Voor het eerst volledig vrij.

(cg)