Nieuwe recensies

Els de Groen OmslagEls de Groen, Wakker vallen, Haarlem 2018
(In de Knipscheer)

Eenvoudig taalgebruik, heldere beelden, grote betrokkenheid bij mens en maatschappij. Met messcherpe formuleringen geeft De Groen commentaar op de wereld om haar heen. Het eerste gedicht opent aldus:

Laat me wakker vallen
Laat me vriendschap openen/ en conflicten sluiten./ gevangen tijd bevrijden/ van roosters en routine/ en gevangen meningen/ van boycot en censuur

Deze combinatie van spitsvondigheid en engagement is in de hele bundel aanwezig. De interpunctie is sober. Af en toe lopen zinnen en gedachten in elkaar over doordat een komma of punt is weggelaten. Een subtiele methode die goed werkt, en die met recht spaarzaam wordt toegepast. Op een aantal plaatsen waar de lezer een weglating verwacht, plaatst de dichter wél een leesteken.

De Groen, née Kouwenhoven, drukt zich graag uit in metaforen. De beschrijvingen en de beeldspraak zijn bijna wetenschappelijk nauwkeurig en fotografisch. De lezer wordt met vaste hand meegevoerd in het moment en het beeld, hij/zij mag kennelijk geen detail missen.
Sommige onderwerpen zijn klein en afgebakend. De talkshow, de kermis, tv-kijken na de avondmaaltijd passeren de revue en worden in een moreel kader geplaatst. In de meerderheid van de gedichten komen bredere thema’s aan de orde als populisme, macht, geld, vergankelijkheid. Ook daarin popelt de dichter om haar visie over het voetlicht te brengen.

Weer scandeerden meutes/ de vreselijkste woorden/ moest ik mijn oudste leren/
dat het zo niet hoorde.

De dichter heeft dankbaar geput uit haar vele reizen en haar werk als Europarlementariër. Een aantal gedichten lijkt ter plekke geschreven dan wel gebaseerd op dagboekaantekeningen, zo vers en gedetailleerd ogen ze.

Sarajevo
Kijk, ze lapt de ramen/ waar sinds de granaataanvallen/ zo veel stof op zit

De vijfendertig zelfgemaakte illustraties sluiten volmaakt aan bij de gedichten: naturalistisch en sfeervol. De combinatie weerspiegelt duidelijk de ervaring die de dichter heeft met het maken van kinderboeken. Op de webstek wordt gewag gemaakt van olieverfschilderijen, maar ze ogen als gouaches of aquarellen, zo dun is de verf opgebracht. De uitgever heeft ze recht gedaan met vierkleurendruk op een royale papiersoort.

Felix Monter

 

Zog Erik Lindner

Erik Lindner, Zog, Amsterdam 2018
(Van Oorschot)

Een omslag van een boek, en dan vooral de afbeelding erop, wekt een bepaalde verwachting. Een schreeuwerige voorstelling met felle kleuren en grote letters herbergt een ander verhaal dan een sobere foto die tot de verbeelding spreekt. Gelukkig weet Uitgeverij Van Oorschot vaak boeken te publiceren met treffende omslagen. Zo ook de open deur op Zog , de recente dichtbundel van Erik Lindner. Deze omslag is zowel sober als veelzeggend. Je kijkt naar buiten, naar een ruw en bergachtig landschap waar niets of niemand lijkt te zijn. Maar waar bevind je je? In een schuur, een verlaten huis? De foto wekt een gevoel van verlatenheid op, maar ook geborgenheid, je bent binnen, hoe eenvoudig en oud de kamer ook is, hier kun je schuilen tegen de kou en de regen van buiten. Over deze open deur aan de voet van een berg valt genoeg te fantaseren, hoewel je wel een bepaalde kant op wordt gestuurd. En dan verwacht je als lezer bij de gedichten in de bundel onbewust hetzelfde.

Vooral in het eerste deel van de bundel, ook met de titel Zog, kunnen de gedichten gelezen worden als foto’s of afbeeldingen. In plaats van een ruw berglandschap speelt de zee in elk ervan een belangrijke rol; de lezer, of kijker, staat op het strand en krijgt een vergezicht voorgeschoteld met daarin opvallende details.

‘een reep roze
die de einder ontkracht
(…)
een opgerold zeil, een man op de punt van een boot
een lamp halverwege de mast.’

De grootsheid van de zee wordt onderuitgehaald door die lamp halverwege de mast. De man is bijzaak, maar ook hij doorbreekt de lege einder.
Erik Lindner beschrijft en laat zien, maar blijft zelf veelal buiten zijn gedichten. Af en toe speelt de ik een rol aan het eind van een gedicht, maar dan ook als toeschouwer.

‘regennevels die aan de einder vlekken maken
water dat buiten mij om verder reikt.’

Op een bepaalde manier doen de gedichten denken aan die van Slauerhoff en dan vooral aan zijn verhouding met de zee. De eeuwig zoekende dichter die de zee liefhad en haar bevoer naar alle windrichtingen. Slauerhoff zat op zee, Lindner staat aan zee, Slauerhoff verbindt zich met de zee, Lindner beschouwt de zee. Dat is misschien wel het grote verschil en wat opvalt in zijn gedichten: de in veel gevallen ontbrekende ‘ik’.

‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen/nooit vond ik ergens anders onderdak.’ In deze overbekende regels van Slauerhoff is de ‘ik’ meteen bij aanvang al aanwezig, en daardoor zit de lezer direct in het gedicht. Waarom vond hij nergens onderdak? Hoe ‘woon’ je in gedichten? Het staat natuurlijk los van de vorm, een sonnet biedt absoluut geen garantie voor de impact van een gedicht, maar in de gedichten in Zog kost het meer moeite mee te gaan in de ‘foto’ die getoond wordt, hoewel de beelden en woordkeus soms zeer treffend zijn:

‘Flikkerlicht op de dam
fietser in een fluorescerend hesje.’

Maar daarna volgt dan weer een zin waarbij de ik niet deelneemt, niet actief in het gedicht optreedt, maar aan de zijlijn blijft staan. De golven denderen op de ‘ik’ af, hij kan er niets aan doen en doet er ook niets mee.

Het tweede deel, Seraing, is gebaseerd op een bezoek aan een leegstaande fabriek in een voorstad van Luik, met fotograaf Stephan Keppel (waarom staat niet een van zijn foto’s op de omslag van de bundel?). Hier wordt regelmatig over een ‘je’ gesproken. Het gaat om bouwplaatsen, hoge plekken waar iemand aan het werk is, bovenaanzichten van de stad. Trappen, balken en wolken zijn terugkomende termen die aangeven dat het om hoogtes gaat, om houvast en evenwicht. 

In de gedichten verderop in de bundel komen de stad en de natuur steeds terug  – de zee blijft een belangrijk element – maar ook hoe de mens zich in die stad en natuur beweegt: als een roeier die met gelijkmatige slagen over het water glijdt, als een wandelaar in het bos die het pad probeert te volgen, als een visser naast zijn hengels aan de waterkant.

De gedichten waarin de mens niet louter beschreven wordt, maar die vanuit een ‘ik’ beleefd worden, blijven het meest hangen.

‘Wat is de melodie die ik telkens zing
waarin ik het lied niet meer herken.’

Klaarblijkelijk kan of wil Erik Lindner niet in zijn gedichten wonen, zoals Slauerhoff, maar draagt hij zijn poëzie met zich mee om zijn omgeving weer te geven en vast te leggen. Om de lezer te laten zien wat hij ziet. Het is dan aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil. En soms is dat prettig, zoals ook bij de open deur op de omslag. Zal ik naar buiten stappen om te kijken wat er nog meer is, of blijf ik binnen. Laat ik me met het gedicht meevoeren, en probeer ik te ervaren wat Erik Lindner ervaart, of ga ik zelf mijn omgeving op die manier proberen te bekijken. Hier zal iedere lezer op een andere manier een keuze maken.

De wolken en de zee blijven in ieder geval hangen, de uitgestrektheid, een lange dam met een figuurtje erop, in een fluoresceren hesje. Dat zijn wij, in de grote wereld om ons heen.

Arjen van Meijgaard
 

WoestijngeestJan Zwaaneveld, Woestijngeest, eigen uitgave 2018
(Brave New Books)

In Woestijngeest heeft de auteur achttien korte verhalen gebundeld. Twaalf verschenen eerder in diverse literaire tijdschriften (w.o. Extaze). Voor geïnteresseerden in korte-verhalen-schrijvers die nog niet doorgebroken zijn, is deze bundel in ieder geval een verantwoorde aankoop: het biedt inzicht in het niveau dat je moet hebben om in aanmerking te komen voor publicatie in een literair tijdschrift.

Er zijn meer redenen om van Woestijngeest kennis te nemen. De gekozen verhalen laten een aantrekkelijke mix zien van inhoud, perspectief en lengte. Zo zijn er verhalen die naar een kindertijd in Nederland verwijzen (Pakjesavond, De papegaai), maar ook verhalen met een exotische inslag (Blackbird, over een vakantie in een Latijns-Amerikaans oerwoud). Naast veel realistische verhalen (in lengte variërend van twee tot achttien pagina’s) bevat het boek ook een enkele surrealistische vertelling (het titelverhaal bijvoorbeeld). Ik-verhalen worden afgewisseld met bijdragen vanuit een hij-perspectief. Het is geen vrolijke bundel, maar soms duikt er humor op, zoals in het verhaal over Sinterklaas. De verhalen zitten goed in elkaar. Introductie (na één bladzijde weet je waar je bent en met wie je in het verhaal te maken krijgt), ontwikkeling, pakkend slot. Vaak geen woord teveel.

In Verborgen gebreken zien we een zekere Robert Lam zijn bouwvallige woning binnengaan. In de bergruimte liggen versleten meubels, kapotte printers en verroeste fietsen ‘op en door elkaar als gebeente in een massagraf’. Het blijkt dat zijn vrouw hem heeft verlaten en hij met een mindere baan genoegen heeft moeten nemen. Geld voor onderhoud aan het huis heeft hij onvoldoende. Geld om de hypotheek af te lossen is er al helemaal niet. Het loopt dan ook niet goed af. Geen verrassend einde, maar de neergang wordt treffend beschreven.

Ook De vogel die nog leefde heeft een trieste ondertoon. Een vogelaar reist naar Den Helder om een extreem zeldzame vogel te observeren. Het beestje dreigt het slachtoffer te worden van de stookolie die door een tanker is geloosd. Terwijl hij de vogel met zijn verrekijker bestudeert, reflecteert hij over een verloren liefde. Wanneer een botte voorbijganger (‘Zit je naar wijven te loeren of zo?’) het toneel betreedt, vrees je voor nog meer ellende. Maar Zwaaneveld heeft een ander slot in petto.

En dan is er een verrassende beschrijving van de intieme vriendschap van de ik-figuur met Amy (in wie je moeiteloos Amy Winehouse herkent). Ongetwijfeld uit de duim gezogen, maar het klinkt geloofwaardig. We komen trouwens meer popmuziek (new wave, punk, Arcade Fire, Muse) in de bundel tegen.

Bij eerste lezing vond ik de over het algemeen wat oudere verhalen iets minder sterk. Maar toen ik bij tweede lezing probeerde te ontdekken waar het aan schortte, kwam ik niet verder dan tekortkomingen van ondergeschikt belang: een enkel cliché of een geforceerde beeldspraak. Zoals de beschrijving van de achterbuurt in De papegaai (kozijnen verveloos en verrot, tuintje vol brandnetels, stapel lege bierkratten) en passages als ‘ik (…) absorbeerde de lentewarmte van haar lichaam dat nauwelijks moeite deed zich te verbergen achter een zwart jurkje’ (New Wave) en ‘haar tepels prikten tegen mijn borst als ongemakkelijke vragen die dringend een antwoord behoefden’ (Amy).

Ten slotte nog dit. Wat ik niet goed kon plaatsen was de keuze om de slotregel van enkele verhalen in een afwijkend typografisch jasje (lichtgrijs) te steken.

Hein van der Hoeven