Nieuwe recensies

Voorplat De WeinigenLucas Hirsch, De Weinigen. Of de bankier in de buik van het beest, Haarlem 2019 (In de Knipscheer)

De eerste roman van de tot voor kort uitsluitend als dichter bekend staande Lucas Hirsch leest als een eerste roman.
Een diskwalificatie is dat niet.
    Het eerste album van een band is meestal een verzameling van meer of minder succesvolle nummers uit het prille repertoire. Van een eenheid is dan meestal geen sprake. Ervan uitgaande dat de band talentvol is en het vertrouwen geniet van zijn platenmaatschappij, zal er een vervolg komen. Dat tweede album zal meer eenheid bevatten, meer uitgebalanceerd zijn. Toch zal het eerste album vanwege de lef die eruit spreekt en juist ook vanwege de verscheidenheid van de nummers niet gauw in de herinnering van muziekliefhebbers vervagen. Vaak zal de van gemengd fruit voorziene debuut-lp of –cd  de erenaam ‘cult’ toegemeten krijgen.

De roman De Weinigen herbergt net als dat eerste album van die talentvolle band een allegaartje van stijlen.
    De stijl van deel een van het boek, ‘2009’, dat in de chronologie van het verhaal aansluit bij het vijfde en laatste deel, laat zich omschrijven als Amerikaans proza in het Nederlands, korte zinnen volgens de regels van de kunst van het weglaten, cool, springerig en scheutig met het strooien van namen… Lucas Hirsch  goes Bret Easton Ellis: ‘Ik staarde naar buiten. Het dilemma waarmee ik worstelde lag zwaar op de maag. Het domineerde mijn gedachten. Uitgehold voelde ik me. Ik scrolde door mijn iTunesbibliotheek en draaide “The Rifle”  van Alena Diana, “Daydreaming” van Radiohead, een van de Goldbergvariaties vertolkt door Glen Gould, “Rob ’n Nancy” van Giant Tiger Hooch, Brian Eno & David Byrne’s “Regiment” en Carl Cox: “Raw 007”.’
    De hoofdstukken die de bitterzoete ervaringen van hoofdpersoon Jonas Staal als medewerker bij de afdeling Coördination, Intelligence & Analysis van een grote Nederlandse bank beschrijven, zijn rustiger van toon en ritme, documentair in de uitbeelding van een aspect van de realiteit (de bankwereld), ironisch in de beschrijving van Jonas’ meerderen, en parodistisch in de weergave van de taal die binnen het bedrijf (ook door Jonas) gebezigd wordt: ’”Wat dan? Hebben we een enhanced-due-diligenceverzoek gekregen van een bezorgde relationship banker of zijn ze zenuwachtig geworden bij Compliance?”’
    De verteltrant in de hoofdstukken die gaan over de huwelijksperikelen van Jonas, wordt gekenmerkt door iets langere zinnen en uitgebreider aandacht voor beschrijvingen van emoties en entourages dan in de andere gedeeltes van het boek, waardoor die doet denken aan de schrijfstijl die we vaak aantreffen in de betere soort roman over intermenselijke relaties: ’De kat rekte zich uit, sprong op tafel en liep naar me toe. Hij gaf me een liefdevolle kopstoot. Na drie rondjes om zijn as gedraaid te hebben, krulde hij zich op en ging tussen ons in liggen. Ik legde een hand op zijn kop en begon te kroelen. De kat begon te spinnen.
“Ik denk dat we een tijdje uit elkaar moeten.” Evi aaide zijn kont, “Ik wil nadenken over onze relatie.”’
    De stijl van de schelmenroman (baldadig, stoer, in dit geval ook studentikoos) dringt door in deel drie, ‘1997’, waarin een beeld wordt geschetst van Jonas als lid van het Amsterdams Studenten Corps en van de vriendschap met zijn dispuutgenoot Jimmy Nooyman: ‘”Check dit.” Ik kreeg een aansteker toegeworpen. THE SIXTEENTH INFANTRY DIVISION U.S.ARMY, las de ene kant. Ik draaide de Zippo om: BATTLE OF THE BULGE 24TH 1944 K.V. las de andere. Jimmy gaf me een joint.
“Is hij echt?” vroeg ik terwijl ik de aansteker ontvlamde. Ik nam een trek van de joint. Klik! deed de aansteker toen ik hem sloot.
“Wat denk je zelf, Staal? Dikke knor. Kijk eens om je heen…” zei Jimmy droogjes. “Is een cadeautje van mijn moes. Die begrijpt het tenminste.”’

Vergde het lezen van De Weinigen aanvankelijk een herhaald accommoderen, na een klein uurtje begon het algemene beeld vast en rustig te worden. Hirsch had een thriller kunnen schrijven over de misstanden in het bankbedrijf in zijn algemeenheid en die in Jonas’ bank in het bijzonder.
    Om ons tot het wheelen and dealen van zijn eigen bank te beperken, hadden de topics kunnen zijn: het uitbetalen van absurd hoge bedragen aan ceo’s (ceo=chief executive officer) als onderdeel van de vertrekregeling; de schimmige verkoop en gedeeltelijke overname (een deel van de bank wordt aan een bank in Frankfurt verkocht) door een investeringsbank (en wie of wat zit achter die investeringsbank? Eigenbelang? Iemand die aan de touwtjes trekt?  Een grote Amerikaanse zakenbank?);  transacties met banken in Iran en Noord-Korea en met de Jordan Palestinian Bank, die sterke affiliaties heeft met de politieke tak van Hamas en rekeningen voor families van terroristen faciliteert; de steun die de bank hiermee verleent aan de Nederlandse overheid, die miljarden uitgeeft aan ontwikkelingshulp, ook naar bezette Palestijnse gebieden, en best weet dat dit geld niet alleen gebruikt word voor ziekenhuizen en scholen; het op verzoek van Buitenlandse Zaken verrichten van onderzoek naar een Russisch gasbedrijf waarmee de bank al jaren zaken doet, om uit te vinden of hun ‘politieke standing’ (lees: hun relatie met de president) voor de overheid nog goed genoeg is om zaken met ze te blijven doen; het chanteren van tipgevers van een kritische journalist die een boek voorbereidt dat schadelijk zou kunnen zijn voor de bank; het opdoeken van de vestiging Amsterdam waarbij alle werkzaamheden overgaan naar het hoofdbureau in Frankfurt, wat de verdwijning van 4200 arbeidsplaatsen met zich meebrengt; de vergaande beschuldigingen, kwaliteitscontroles en chicanes die Jonas treffen en uiteindelijk leiden tot zijn ontslag.

Had Hirsch zich tot deze materie beperkt, dan was de persoon van Jonas Staal als privé-persoon – als voormalig corpsstudent, als ontevreden echtgenoot van een al even ontevreden vrouw in een tanend huwelijk, als betrekkelijke buitenstaander ten opzichte van het sociale leven op de bank, als een man die zich onhandig en vaak naïef beweegt in zaken die meer gediend waren geweest met slimheid of zelfs geslepenheid, als een vriend die zijn vrienden beschermt, ook al ondervindt hij daar zelf schade van, en als de verliezer die na alles wat hem in het verhaal is overkomen met lege handen achterblijft –  ondergeschikt gebleven aan het bankverhaal.

En al deze facetten optuigen met uiteenlopende stijlen? Ach, waarom niet.  Wacht maar af, dit boek wordt cult.
Daarbij licht geholpen door de opmerkelijke vormgeving van de omslag.

(cg)

 

in-opdrachtWiel Kusters, In opdracht, Zaandam 2019
(Uitgeverij Leon van Dorp)

Nog voor je een van de achtenveertig kwatrijnen in deze bundel hebt gelezen, valt uit circumstantial evidence op te maken dat de muze bij de totstandkoming ervan beslissend heeft opgetreden. ‘In opdracht’ heet het werk, en in de flaptekst wordt verteld dat de gedichten zich eind 2018, na verschijning van Kusters’ verzamelde poëzie, in korte tijd aan hem opdrongen.

Dichterschap wordt wel vaker geboren uit zulke vlagen van inspiratie, die zelf vaak weer ontstaan uit verlies, van de jeugd bijvoorbeeld, of van een geliefde. ‘U missen en u niet ontgaan’ heeft Kusters de bundel als motto van J.H. Leopold meegegeven. Leopold, een van onze meest geïnspireerde dichters, heeft het Perzisch of ‘oostersch’ kwatrijn bij ons de volle glans van zijn meesterschap gegeven.
    Nu is het motto niet afkomstig uit een van die kwatrijnen van Leopold, wat aangeeft dat Kusters zich niet met hem heeft willen meten. Hij heeft alleen inspiratie in hem gezocht als voorganger in het dragen en uiten van zijn verlies. Kusters bedient zich ook alleen in formeel opzicht van de vorm, namelijk van het rijmschema aaba. Oorspronkelijk is dat ontstaan doordat in de eerste twee regels een grondgedachte wordt uitgedrukt die in de derde regel een wending neemt, waarna het geheel in de slotregel als het ware dialectisch oplost. Je zou kunnen zeggen dat de Perzische variant het enige schema biedt voor het kwatrijn als zelfstandige, afgeronde vorm: bij gepaard, gekruist of omarmend rijm kan het schema altijd worden voortgezet. Daardoor schuilt er iets fataals in deze vorm, iets van een noodlotsaanzegging die ervoor zorgt dat Leopold’s kwatrijnen je vaak als een mokerslag treffen.
    Van dit alles is in de kwatrijnen van Kusters, afgezien dus van het rijmschema zelf, geen sprake. Dat hoeft anno 2019 natuurlijk ook niet; vormen zijn maar coördinaten voor het in goede en beproefde banen leiden van de creativiteit. Toch is het wel jammer wanneer deze vorm, die zich zo goed leent voor concentratie en het vatten van de wereld in een trilkristal, naar de behoefte van de dichter aan een korte, epigrammatische vorm wordt geplooid:

Nu je haar verlaat alsof je haar verliet,
denk je aan de toekomst, maar je ziet hem niet.
Dus ga je door, het voelt als groeien, als
reizen in de trein naar een vervroegd verdriet.

In dit gedicht is geen wending te bespeuren, de derde regel bevestigt veeleer wat er in de eerste twee als premisse wordt gesteld. Het roept de vraag op of Kusters voor dit beroep van de muze op zijn dichterlijke reserve niet beter een van de andere kwatrijnvormen had kunnen kiezen. In deze reeks ontbreekt voor de oosterse vorm te vaak de rechtvaardiging.

(Rutger H. Cornets de Groot)

 

 
Ava Miller, Kristien De WolfKristien De Wolf, Ava Miller en ik, Haarlem 2019 (In de Knipscheer)

‘Met Sieg Engel heeft Kristien De Wolf een onvergetelijk personage aan het literaire universum toegevoegd,’ staat als aanbeveling op het achterplat van de roman Ava Miller en ik.
      Zeker, Sieg Engel, de kleine ‘ik’ op het voorplat van het boek, is een personage. Maar is zij ook een persoon? Is zij niet veeleer een lege vorm die gevuld wil zijn met het leven van een ander, een poffertjesplaat waarbij dat leven precies in de perforaties moet vallen die de ‘ik’ heeft aangebracht, zodat de ideale vorm ontstaat van precies dat wat de ‘ik’ nooit in de wereld zou kunnen neerzetten en waarvan zij dacht dat die ander het wel zou klaarspelen? Bij ieder woord dat de auteur in de mond van Sieg Engel legt, hoor ik de nagalm van de motor van de roman: de werking van een genius, een would-be beschermgeest die haar klasgenote Ava vormt naar een ideaalbeeld, en invloed uitoefent op haar doen en laten.
      Tegen het eind van het boek wordt de genius een kwade wanneer een ander de ‘beschermheerschappij’ over Ava claimt.

De dialektiek die zich tussen Sieg Engel en Ava Miller voltrekt is ingewikkeld. Het eerste beeld dat Sieg (zestien jaar op dat moment) van Ava krijgt is een tegenbeeld van haarzelf: ‘Ze was goddelijk om bezig te zien, onbewust en blij, zoals kleine, wrede kinderen zijn.’ En met de alwetendheid van de verteller: ‘Niets leek erop te wijzen dat precies in de volgende seconde een levende tentakel uit het bladerdak zou neerdalen en zich om mijn nek zou vastzuigen om me nooit meer los te laten.’

Hoe geestelijk de lezer Sieg ook moge zien, haar omtrekken zijn scherp aangegeven. Na het lezen van Maria Rosseels’ roman Dood van een non is de jonge Sieg het geloof in God kwijtgeraakt. En als zelfs God niet meer te vertrouwen was, welke mens dan wel? Ze nam zich voor nooit meer op iets of iemand te vertrouwen buiten zichzelf. Sieg hulde zichzelf in zwarte kleren, verfde haar ogen zwart en besloot niet meer te praten. Vanaf dat moment leefde ze niet meer naar buiten. Ze nam op.
      Ook als leerling van het Sint-Lodewijk College in Lokeren meende Sieg dat het begrip van de wereld rondom haar door deze houding kon groeien en dat ze vanuit dat begrip de mensen en de dingen kon beoordelen, en niet zoals die tot haar kwamen. Later in haar leven zou deze visie een filosofische ondergrond krijgen, die aan de oppervlakte kwam tijdens een dispuut met Ava, waarin ze zich verzet tegen de ‘empirische cyclus’, een methode die stappen beschrijft om op een empiristische manier kennis op te nemen.
      ‘Voor mij is het meestal zonneklaar wat waar is en wat niet. Met diep nadenken kom je ook een heel eind. In ieder geval de dingen die ertoe doen. Daarvoor heb je geen ingewikkelde experimenten nodig.’

Ondanks haar ‘zekerheden’ bleef er een venijnige leegte in haar bestaan die ze niet opgevuld kreeg. Voordat zij haar eerste blikken op Ava richtte, waren het slechts de lessen Grieks van docent oude talen Franken geweest die haar boven de kille leegte van haar bestaan deden uitstijgen. Gek van opwinding kon ze worden bij het ontbinden van een stijlfiguur bij Homeros.
      Nadat Franken de klas de vraag had gesteld waarom Odysseus niet gelukkig was, hoorden haar mededeleerlingen voor het eerst haar stem. ‘Iets kwam in me naar boven stormen en overspoelde met donderend geraas alle duinen en dijken van voorzichtigheid die ik rond mezelf had opgetrokken.’
      De eerste en de laatste die het object van een vergelijkbare verrukking werd, was Ava. ‘Ze stevende op mij af als een stoomboot op kruissnelheid. Mijn verstand verwachtte dat ze me voorbij zou schieten, mijn hart hoopte van niet.’ En vooruitlopend op wat zou komen: ‘Dingen veranderden. Alles begon te bewegen. Er vielen gaten.’

Sieg had nu een vriendin op school die haar niet raar vond en die uitsprak wat zij (Sieg) dacht. In de maalstroom van de gebeurtenissen die volgden, merkte Sieg dat er nog andere dingen mee veranderden, alsof Ava’s glans op haar afstraalde en langer bij haar bleef hangen dan zij zelf.
      Een klasgenoot, Matisse, ‘een slimmerik en een knapperd, al opgeschoten tot zijn maximale lengte en steeds kleurig en keurig aangekleed volgens de laatste mode’, raakte van Ava gecharmeerd, maar hoewel niet ongevoelig voor zijn aandacht hield zij de boot af. Voorlopig, want haar genegenheid groeide. Niet de bereidheid tot sex.
      Na de eindexamens van het College en hun intrede aan de universiteit ging Ava zich bovenmatig aan Matisse hechten. Dit tot ergernis van Sieg. Mateloos stoorde zij zich aan het slappe, behaagzieke gedrag dat Ava tentoon ging spreiden. ‘Was Ava één mens of waren het er twee?’
      Ook Matisse nam afstand van de Ava zoals hij haar niet wilde kennen. Nu greep Sieg voor het eerst rigoureus in Ava’s leven in. Ze raadde Matisse af te zoeken naar de Ava van wie hij dacht te houden. Een advies dat hij zou opvolgen.
      Ava veranderde en Sieg voelde de greep op haar verslappen. Wat moest ze aan met Ava’s periodes van zwaarmoedigheid, haar donkere kijk op mens en wereld die was losgemaakt door het lezen van Sartre’s De walging (‘Ze had haar vinger in haar eigen wond gestoken en in die van de hele wereld en kon niet ophouden met draaien’), de bruuske overgang van sexonthouding naar tomeloze promiscuïteit en, voor Sieg ondraaglijk, de relatie met de hoogleraar ontwikkelingspsychologie Patrick De Graeve (vadsig, bleekrood haar), die haar engageerde als promovendus met onderzoeksaanstelling, maar haar voornamelijk gebruikte als gezelschapsdame.
      Telkens wanneer Sieg het tweetal observeerde in openbare gelegenheden, gruwde ze van De Graeve’s avances en Ava’s toegeeflijkheid. ‘Hij drukte zijn hele lijf tegen haar aan en had zijn hand op haar heup’. De beloftes die de professor Ava deed, werden niet nagekomen. Een grotere ramp dan deze was nodig om de catastrofe te beëindigen. Sieg zou die grotere ramp veroorzaken, de stok in de mierenhoop steken.
      Aan de zwaarte van deze ingreep zou niet alleen de relatie tussen Ava en De Graeve bezwijken, ook die tussen Ava en Sieg zou aan gruzelementen gaan.

Hoe Sieg terugkeek op haar sturend gedrag van voor deze crash? Als volgt: ‘Wat ben ik eigenlijk voor een schepsel? Ik voel me als een oog in de lucht, ik zweef over alles heen, meer geest dan lichaam, één met mezelf en afgescheiden van de wereld, in alle omstandigheden eenzaam en gelukkiger dan de meesten. Ik zorg ervoor dat niemand iets van me verwacht en ik verwacht niets van anderen, in ieder geval niets goeds.’
      Terug bij af dus. De lege vorm.

Aan het eind van het verhaal is Ava niet dezelfde als de persoon die we aan het begin van het boek leerden kennen. Toegenomen kracht en gerijpt inzicht worden zichtbaar in haar verbale afrekening met Sieg: ‘Om te beginnen zou je je kunnen afvragen of je hulp gevraagd wordt. Maar nee. Je kijkt, oordeelt en doet het gewoon. Het is mijn leven. Het mijne, van mij alleen! Je bent een zielige parasiet, Sieg Engel. (…) Je vindt jezelf sterk omdat je geen emoties hebt, maar je geeft ook om niets of niemand, nog niet eens om jezelf.’

Ava’s inzicht in de status quo van hun relatie maakt een einde aan de tovermacht van haar demon. Ava is concreet, ze is wie ze is, ze doet wat ze nu eenmaal doet, ze maakt fouten, ze is wispelturig, ze is kwetsbaar. Ze leeft.

Sieg is al deze dingen niet. Leeg was ze, toen de lezer haar leerde kennen. Nu, na alles wat in dit overrompelende boek is verteld, blijft ze leeg achter.

(cg)

 

Reacties zijn gesloten.