5 september, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 31:
‘De eeuw van Gisèle’

Extaze in de Houtrustkerk 31

Het onderwerp van Extaze 31 zijn de thema’s die voorkomen in Annet Mooij’s bijzondere boek ‘De eeuw van Gisèle. Mythe en werkelijkheid van een kunstenares’, waarin de omstreden literaire kring Castrum Peregrini een belangrijke plaats inneemt.
In Gisèle van Waterschoot en de kunst van het leven beschrijft Annet Mooij hoe Gisèle van haar leven een kunstwerk maakte waarbij ze fictie en verfraaiing niet schuwde. Vooral haar relatie met Castrum zag ze graag gecorrigeerd. Want, hoewel zij de pelgrims (peregrini) onderdak bood, werd het haar verboden bij vriendenfeesten en leesavonden aanwezig te zijn. Onno Schilstra herkent deze situatie in een kleine gouache, getiteld
De Aspirant (tevens de titel van zijn essay), die hij aantrof in Gisèle’s atelier: drie personen staan, dicht bij elkaar, te smoezen, terwijl een vierde schuchter en nieuwsgierig toekijkt. Castrum Peregrini was het geesteskind van Wolfgang Frommel. Van de Duitse dichter Stefan George had hij een opvatting van pedagogie overgenomen die inhield dat oudere mannen jongens moesten uitkiezen om ze in te wijden in de geheimen van de poëzie en het leven. Plato’s Symposion diende als een van de voorbeelden van deze relatie.
Piet Gerbrandy belicht in zijn bespreking van deze dialoog hoe Sokrates de priesteres Diotema volgt in haar opvatting dat erotiek, mits op de juiste wijze bedreven, tot diepe filosofische inzichten leidt. Maar, als het hier gaat om het contact tussen een oudere leraar en een jonge leerling, wie leert er dan meer? De eerste, zo interpreteert Gerbrandy Sokrates’ voortgaand betoog. Hij zal ondervinden dat innerlijke schoonheid waardevoller is dan de vergankelijke fysieke aantrekkelijkheid (Pedagogische eros). Het is een visie die dicht bij Arjen Mulder’s interpretatie van het tweede deel van Stefan George’s gedicht
In der Stern des Bundes komt. Niet de jongen is hier degeen die in de liefdesinitiatie getraumatiseerd raakt (dus: een ander mens wordt), het is de dichter zelf die door
de overgave aan zijn godheid voorgoed is veranderd
(Het eeuwige ogenblik van Stefan George).

Los van de ‘Gisèle-thema’s staat Hans Muiderman’s essay over de filmische schrijfstijl van Marguerite Duras (De verbeelding van Duras): de pen is als een camera.
In dit nummer voorts korte verhalen van Annika van Bodegraven, Guido Eekhaut, Judith de Graaf, Ines Nijs en Inge Schollen. De gedichten zijn van Jonas Bruyneel, Maria van Oorsouw en Martine van der Reijden en het beeldend werk
is van Florence Marceau-Lafleur.

Tijdens de presentatie van Extaze 31 zal Annet Mooij haar licht laten schijnen over over het werk en het leven van Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912–2013), en het reilen en zeilen binnen Castrum Peregrini onder de loep nemen. Oprichter van deze kring, Wolfgang Frommel, had van de Duitse dichter Stefan George een opvatting van pedagogie overgenomen die hierboven al beschreven staat. Piet Gerbrandy houdt een voordracht over deze ‘pedagogische eros’. Onno Schilstra bespreekt de kunst van Gisèle aan de hand van geprojecteerde beelden, Martine van der Reijden draagt enkele van haar gedichten voor en Klaas Trapman sluit de avond af met een piano-uitvoering van Lamentations et Consolations opus 17 van Siergiej Bortkiewicz, waarvan de no. 1-6.
 
Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 met gratis consumptie in de pauze (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

cover Extaze 31

De nieuwe Extaze is verkrijgbaar vanaf 5 september
(Alle nummers zijn direct hier te bestellen) Vormgeving binnenwerk, omslag en afbeelding omslag: Els Kort

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

In Liefde Knoeyende 8, Tysger Boelens

Vignet-nonsenpoëzie-Omgekeerde wereld Lear Topsyturvy
Columns over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur

In ons dagelijks leven fungeert de humor meestal als een soort pauzeknop van de ernst: goed voor een momentje van comic relief, voor een luchtige onderbreking van wat er echt toe doet. Gelukkig zien veel nonsensdichters een meer serieuze rol weggelegd voor humor.
    Zij deinzen er niet voor terug om de consequentie te trekken uit het bekende gezegde ‘comedy is tragedy plus time’. De conclusie is duidelijk: niet de ernst maar de humor heeft het laatste woord. Ons uiteindelijke perspectief op leven en wereld is per definitie humoristisch van aard.
    Een dergelijk perspectief vinden we in de nonsensverzen van de Duitse dichter Christian Morgenstern (1871-1914). Dit is een beroemd voorbeeld:

De Knie

Een knie gaat daar zijn stille weg.
Het is een knie, meer niet!
Het is geen boom! Het is geen heg!
Het is een knie, meer niet.

Een militair, vrij, onverveerd,
werd in de pan gehakt.
De knie slechts liet men ongedeerd –
als blijk van fijne tact.

Sindsdien gaat die zijn stille weg.
Het is een knie, meer niet.
Het is geen boom, het is geen heg.
Het is een knie, meer niet.

Zoals bekend hebben studenten, zeker in groepsverband, een natuurlijke geneigdheid tot nonsens. Dit gedicht werd geschreven voor een nonsensclub die in 1895 werd opgericht door acht Duitse studenten. Deze club heette Die Galgenbrüder en was opgezet als een parodie op Middeleeuwse mystieke ridderordes. Al noemden de leden zich ‘De Galgenbroeders’, het ging hun niet om gewone galgenhumor.
    Deze studenten zouden namelijk graag de onbevangen en onbekommerde kijk op de dingen willen hebben van iemand die aan de galg hangt (in zijn laatste minuten). De gehangene verkeert immers in een bevoorrechte positie. Hij is eindelijk definitief los van alle gedoe en kopzorg die op aardse bodem een helder perspectief op de dingen altijd zo in de weg staan.
    Deze eredienst van de nonsens vond plaats in een verduisterde ruimte. Op een met zwart laken gedekte tafel plaatsten de ingewijden een beulsmaal (water en brood) en een draadje rode wol (de ‘levensdraad’ waaraan wij allen bengelen). In deze sfeervolle ambiance werden gedichten als ‘De Knie’ met passend ceremonieel gedeclameerd. Broeder Morgenstern schreef de liturgie voor deze sessies, en een bundeling van zijn bijdragen zou later de Duitse nonsensklassieker Die Galgenlieder (1905) opleveren.
    Naast een solitaire knie lopen er in deze Galgenliederen wel meer wonderlijke wezens rond, zoals het Maankalf en de Middernachtsmuis. De gedichten van Morgenstern over deze nonsensdieren vonden veel navolging, ook in andere talen. De mooiste voorbeelden in het Nederlands zijn natuurlijk de gorgelrijmen van Cees Buddingh’.
    Veel van deze Galgenliederen zijn parodietjes op hooggestemde levensbeschouwelijke poëzie. Soms verstrekt de dichter ook zelf een quasi-filosofische uitleg bij een gedicht (in het geval van ‘De Knie’ haalt hij Kant erbij). Vaak hebben ze echter van zichzelf een levensbeschouwelijke lading. De kinderlijke verwondering over alles, die we als volwassene een beetje zijn kwijtgeraakt, krijgt dan met de hulp van een loslopende knie een wedergeboorte als filosofische verwondering.
    Morgenstern wilde in zijn Galgenliederen uitdrukking geven aan de grootst mogelijke geestesvrijheid. Zijn nonsens moet de lezer bevrijden van de hoogdravende ernst van de religie en de filosofie, maar ook van de schamperende routines van veel gewone humor. Meer nog dan bij Edward Lear is de lezer bij Morgenstern getuige van een mystieke bruiloft van ernst en humor.
    Zijn Galgenliederen worden vanwege de levensbeschouwelijke ondertoon ook wel eens ‘metafysische bakerrijmen’ genoemd. Net als een nursery rhyme vertellen ze op argeloze toon de gekste dingen. De knie is nou net een lichaamsdeel dat we ons maar moeilijk als een losstaand ‘iets’ kunnen voorstellen (wel de knieschijf, maar niet de hele knie).
    Volgen we zo’n loslopende knie op zijn stille weg, dan worden we al gauw opgenomen in een wijde wereld ver voorbij de benepen plannetjes en boodschappenlijstjes van het calculerende verstand – en dat allemaal zonder de grote woorden van de mystiek. Sommige (erg Duitse) deskundigen beluisteren in het harmonische duet van zin en onzin in deze verzen zelfs een dichte benadering van de eeuwige Muziek der Sferen.
    De mooiste proeve van stilzwijgende mystiek in de Galgenliederen is wel ‘Fisches Nachtgesang’. Het is een lied dat alleen maar uit maattekens bestaat:

Nachtlied van de Vis

Nonsens

 

 

 

 

Sommige lezers (als dat in dit geval het juiste woord is) ontwaren hierin een visvorm met schubben, terwijl anderen waterbubbels zien. Hoe dan ook is dit gedicht het lied van een stemloos dier in de stilte van de nacht. Het is een gedicht voorbij de beperkingen van de taal, maar nog wel net (min of meer) opgetekend in taal. Morgenstern zelf noemde dit Lied ohne Worte het diepste gedicht in het Duits, voorwaar geen geringe claim. Het is echter zeker waar dat veel andere Duitse poëzie een tikje melodramatisch aandoet naast het ingetogen lied van deze diepe vis.
    We zijn het wel aan de dichter van deze geestige Galgenlieder verplicht om goedmoedig voorbij te gaan aan zijn latere terugval in de ernst, toen hij zich bekeerde tot de antroposofie en met zijn gepreek zelfs zijn oude Galgenbroeders van zich vervreemdde. Toch verloor hij gelukkig nooit zijn gevoel voor humor. Toen deze levenslange tbc-patiënt uiteindelijk de geest gaf, grapte hij in zijn laatste nacht nog over zijn ‘vierdimensionaal gehoest’. Galgenhumor van de gewone soort had deze dichter dus ook.

Christian Morgenstern: De Galgenliederen en andere groteske gedichten (Uitgeverij IJzer, 2006) Tweetalige editie waarbij de vertalingen van Bèr Willems een handige leeshulp vormen bij de originelen.
Christian Morgenstern: ‘De Knie’. Mijn vertaling van ‘Das Knie’. Dit is de oorspronkelijke tekst:

Das Knie

Ein Knie geht einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts!
Es ist kein Baum! Es ist kein Zelt!
Es ist ein Knie, sonst nichts.

Im Kriege ward einmal ein Mann
erschossen um und um.
Das Knie allein blieb unverletzt –
als wärs ein Heiligtum.

Seitdem gehts einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.
Es ist kein Baum, es ist kein Zelt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.

 

Lees meer »

In Liefde Knoeyende 7

Niets doet er toe in de nonsensliteratuur. Misschien moet ik dit iets duidelijker formuleren: ‘niets’ doet er toe in de nonsensliteratuur. Het begrip ‘niets’ speelt een belangrijke rol in de nonsensicale logica. Bij de nonsensgrap gaat het vaak om het schrijven over het niets alsof het een iets is. Het verhaal ‘Nothing’ uit 1931 van de Engelse schrijver Richard Hughes is volledig gebaseerd op deze grap. Deze passage geeft een goede indruk van het procedé:

‘What is there for breakfast?’ said the father.
‘Amongst other things,’ said the mother, ‘there’s Nothing. Would you like some?’
‘No, thank you,’ said the father, ‘I prefer bacon.’

Dit praten over het Niets als iets dat voor je op de ontbijttafel staat past helemaal in de opgewekte nonsensicale praktijk om verschillen te minimaliseren. In dit geval vervaagt zelfs het verschil tussen ‘zijn’ en ‘niet-zijn’, wat in onze beleving toch een vrij cruciaal onderscheid is. Deze nonsensgrap staat mogelijk niet helemaal los van het feit dat we toch al de neiging hebben om ons het niets voor te stellen als iets – namelijk als lege ruimte. Niet als een lege ruimte, maar als lege ruimte. Dit versje van John O’Mill is een charmante variatie op deze grap:

Zen

Het staat je werkelijk snoezig, Loesje,
dat net nieuw uitgetrokken bloesje.

Niets doet er dus toe in de nonsens, en ik voeg daar meteen aan toe: op dezelfde manier speelt niemand een belangrijke rol in de nonsensliteratuur. Het vergelijkbare opvoeren van ‘niemand’ als een personage is een courante grap binnen het nonsensgenre. Dit samenvallen van niemand met iemand is eigenlijk de ontologische versie van de woordspeling die neigt naar de paradox. Een mooi voorbeeld staat in Through the Looking-Glass van Lewis Carroll:

‘I see nobody on the road,’ said Alice.
‘I only wish I had such eyes,’ the King remarked in a fretful tone. ‘To be able to see Nobody! And at that distance, too!’

Sinds Homerus Niemand als personage opvoerde in de Odyssee, hebben heel wat dichters op deze grap gevarieerd. Rond het jaar 1500 werd in Straatsburg een vers gepubliceerd waarin de dichter Niemand verantwoordelijk houdt voor alle ongelukjes in zijn huishouden. Zijn bedienden houden tenminste keer op keer vol dat het niemands schuld is. De bekendste manifestatie in dichtvorm van dit kiekeboe-achtige spel van er-niet-en-toch-ook-weer-wel-zijn is het nonsensvers ‘The Little Man Who Wasn’t There’ uit 1899 van de Amerikaanse dichter Hughes Mearns. Dit is de derde strofe:

Last night I saw upon the stair,
A little man who wasn’t there.
He wasn’t there again today
Oh, how I wish he’d go away…

Nonsensliteratuur is vaak op haar best als er bij de nonsensgrap ook nog iets van echte poëzie komt kijken. Dat maakt deze reeks columns hopelijk ook wel duidelijk. De meest poëtische toepassing van de soort nonsensgrap waar we het hier over hebben is zonder twijfel het gedicht ‘Portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas’ van de Franse dichter Claude Aveline (1901-1992):

Portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat

Dit is het portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat.
Hij kan er niets aan doen dat Onze Lieve Heer die alles gemaakt heeft vergeten is om hem te maken.
Hij ziet eruit zoals veel vogels, want de dieren die niet bestaan lijken op de dieren die wel bestaan.
Alleen hebben de dieren die niet bestaan geen naam.
En daarom heet deze vogel de Vogel-Die-Niet-Bestaat.
En daarom is hij zo verdrietig.
Misschien slaapt hij, of wacht hij af tot hij mag bestaan.
Hij zou zo graag willen weten of hij zijn snavel kan opendoen, of hij vleugels heeft, of hij net als een echte vogel het water in kan duiken zonder zijn kleuren te verliezen.
Hij zou zichzelf zo graag horen zingen.
Hij zou zo graag bang zijn om ooit dood te gaan.
Hij zou zo graag heel lelijke, heel levende vogeltjes krijgen.
De droom van een vogel-die-niet-bestaat, is om geen droom meer te zijn.
Er is ook niemand ooit eens tevreden.
En hoe wil je dat het op die manier goed komt met de wereld?

Een goede kwaliteitstest voor een nonsensgedicht is om even te checken of het vers in kwestie net zo goed in een algemene als in een specifieke nonsensbloemlezing zou kunnen staan. Dit gedicht uit 1950 van de niet zo bekende Aveline (hij is eigenlijk voornamelijk bekend geworden door dit gedicht) doorstaat die test glansrijk. Het gedicht is geestig zonder dat de humor er het hoogste woord heeft. Je zou de premisse van dit gedicht kunnen samenvatten als: een ongerealiseerd gebleven concept voor een vogel opponeert zich.
    Het nonsensicale van deze premisse wordt er in dit gedicht niet dik bovenop gelegd, maar haast weggemoffeld. Het gevolg is dat je als lezer intens gaat meeleven met een nota bene uitdrukkelijk niet-bestaand wezen. Uiteindelijk gun je het deze vogel van harte om wel te bestaan, en lelijke kleine vogeltjes te krijgen. Daarbij geven de losse vorm van het gedicht en de vrijelijk uitzwierende dichtregels deze puur conceptuele vogel ook nog eens vleugels.
    Aveline’s vogel staat in een rijke nonsenstraditie met onder meer Morgenstern en zijn menagerie van onbestaanbare dieren. Alleen hebben die dieren wel een naam, en zijn hun contouren ook iets minder schetsmatig. Als we dichter bij huis blijven, laat ons zeggen in de buurt van een zekere blauwbilgorgel, dan zou je goed kunnen stellen dat deze Vogel-Die-Niet-Bestaat het ultieme gorgeldier is.
    ‘Portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat’ speelde ook nog een leuke rol in de beeldende kunst. Aveline vroeg namelijk aan een groot aantal bevriende kunstenaars om daadwerkelijk het portret te maken van deze niet-bestaande vogel. Dat resulteerde in meer dan honderd speelse schilderijen, tekeningen en beelden. Google maar eens op de oorspronkelijke titel van het gedicht en klik op Images. Menig wel-bestaand staatshoofd zal minder vaak geportretteerd zijn.

John O’Mill: ‘Zen’, in De Stem, 20 maart 1989.
Claude Aveline: ‘Portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat’. Mijn vertaling. Hieronder de oorspronkelijke tekst zoals gepubliceerd in: Portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas. Peintures, dessins, sculptures, livres d’artistes et estampes. Sur un poème de Claude Aveline. (Musée de l’Hospice Saint-Roch, 2014):

Portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas

Voici le portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas.
Ce n’est pas sa faute si le Bon Dieu qui a tout fait a oublié de le faire.
Il ressemble à beaucoup d’oiseaux, parce que les bêtes qui n’existent pas
ressemblent à celles qui existent.
Mais celles qui n’existent pas n’ont pas de nom.
Et voilà pourquoi cet oiseau s’appelle l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas.
Et pourquoi il est si triste.
Il dort peut-être, ou il attend qu’on lui permette d’exister.
Il voudrait savoir s’il peut ouvrir le bec, s’il a des ailes, s’il est capable de
plonger dans l’eau sans perdre ses couleurs, comme un vrai oiseau.
Il voudrait s’entendre chanter.
Il voudrait avoir peur de mourir un jour.
Il voudrait faire des petits oiseaux très laids, très vivants.
Le rêve d’un oiseau-qui-n’existe-pas, c’est de ne plus être un rêve.
Personne n’est jamais content.
Et comment voulez-vous que le monde puisse aller bien dans ces conditions?

In Liefde Knoeyende 6

Binnen de nonsensliteratuur zijn de verschillen tussen de poëzie en het proza soms zo groot dat het wel afzonderlijke literaire genres lijken. Het proza gaat vaak rebels tegen de draad in, met een soort humor die aan de satire grenst. Daarentegen ademt de poëzie, waartoe we ons hier beperken, eerder de geest van een mellow monisme. De dichter W.H. Auden, die een bekende bloemlezing van nonsensgedichten samenstelde, omschreef het genre als ‘an attempt to find a world where the divisions of class, sex, and occupation do not operate.’
    Dit volkomen negeren van sociale en andere barrières geeft de nonsenspoëzie haar ontspannen grandeur. Van die grootsheid vormt het werk van de Engelse nonsensdichter Edward Lear (1812–1888) in verschillende opzichten een frappant bewijs. Samen met Lewis Carroll wordt Lear beschouwd als de grondlegger van de nonsens als zelfstandig literair genre. Dit is het gedicht waarmee hij op latere leeftijd zijn dichterschap afsloot:

Some Incidents in the Life of My Uncle Arly

O my agèd Uncle Arly! –
Sitting on a heap of Barley
All the silent hours of night, –
Close beside a leafy thicket: –
On his nose there was a Cricket, –
In his hat a Railway-Ticket; –
(But his shoes were far too tight.)

Long ago, in youth, he squander’d
All his goods away, and wander’d
To the Timskoop Hills afar.
There, on golden sunsets blazing
Every evening found him gazing, –
Singing, – ‘Orb! you’re quite amazing!
How I wonder what you are!’

Like the ancient Medes and Persians,
Always by his own exertions
He subsisted on those hills; –
Whiles, – by teaching children spelling, –
Or at times by merely yelling, –
Or at intervals by selling
‘Propter’s Nicodemus Pills’.

Later, in his morning rambles
He perceived the moving brambles
Something square and white disclose; –
’Twas a First-class Railway Ticket
But in stooping down to pick it
Off the ground, – a pea-green Cricket
Settled on my uncle’s Nose.

Never – never more, – oh! never,
Did that Cricket leave him ever, –
Dawn or evening, day or night; –
Clinging as a constant treasure, –
Chirping with a cheerious measure, –
Wholly to my uncle’s pleasure, –
(Though his shoes were far too tight.)

So, for three-and-forty winters,
Till his shoes were worn to splinters,
All those hills he wander’d o’er, –
Sometimes silent; – sometimes yelling; –
Till he came to Borly-Melling,
Near his old ancestral dwelling; –
– And he wander’d thence no more.

On a little heap of Barley
Died my agèd Uncle Arly,
And they buried him one night; –
Close beside the leafy thicket; –
There, – his hat and Railway Ticket; –
There, – his ever faithful Cricket; –
(But his shoes were far too tight.)

In de loop van de twintigste eeuw groeiden de serieuze poëzie en de nonsenspoëzie dichter naar elkaar toe. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de moderne poëzie aan nonsens grenst, maar wel dat ze enkele typische trekjes overnam van een dichter als Lear. Toen Lear, die later bekend zou worden als The Laureate of Nonsense, rond 1830 begon met dichten, waren ernst en luim in de letteren nog vrij strikt gescheiden. Zijn dubbeltonige nonsens, die speelsheid combineert met een melancholieke ondertoon, heeft die kloof mee helpen overbruggen. Deze dubbeltonigheid is inmiddels mainstream geworden in de serieuze poëzie – zij het dat daar de ernst meestal het laatste woord heeft, en dan niet zelden in de vorm van zelfbeklag.
Naast enkele honderden limericks schreef Lear ook een aantal langere nonsensgedichten, die hij, net als zijn limericks, voorzag van doodle-achtige tekeningetjes. Door het karakteristieke ontbreken van een punchline laten die limericks veel lezers onbevredigd achter, maar zijn langere gedichten, die hij ‘nonsense songs’ noemde, kunnen juist heel voldaan stemmen. Deze songs hebben inderdaad de vorm van een lied met een memorabel refrein. Enkele ervan heeft de dichter zelfs getoonzet. Deze gedichten hebben geen boodschap en zijn ook niet wat je noemt dolkomisch, maar ze kunnen even opwekkend en opbouwend op de lezer inwerken als een hymne.
   Dat komt vooral doordat Lear’s nonsens vaak het karakter heeft van een  allesomvattende omarming, die elk wezen insluit dat net als de dichter ietwat afwijkt van de norm – zoals de Pobble (die geen tenen heeft) en de Quangle-Wangle (die een complete menagerie op zijn hoed meedraagt). Iets van die inclusiviteit, die zelfs biologische barrières overwint, hoor je al meteen in de eerste song uit 1865. Die bezingt de soortoverschrijdende liaison van een kangoeroe en een eend. Hieronder Lear’s uitbeelding van het vriendenstel op stap.

nonsens

De tweede song, ‘The Owl and the Pussy-cat’, is misschien wel Lear’s bekendste bijdrage aan de nonsensliteratuur. Dat gedicht bezingt het huwelijksgeluk van de twee natuurlijke vijanden uit de titel.
    De laatste nonsense song uit 1886 las u daarnet en gedenkt een zekere Uncle Arly. Lear schreef het toen hij drieënzeventig was, enkele jaren voor zijn dood. Andere nonsensdichters, zoals de Duitse klassieker Christian Morgenstern, bekeerden zich op latere leeftijd in hun poëzie tot een zwaarwichtiger kijk op de dingen, maar Lear bleef tot het einde toe trouw aan zijn nonsens. Na het voltooien van zijn vers over Uncle Arly schreef de dichter aan een vriend: ‘And I esteem it a thing to be thankful for that I remain as great a fool as I ever was.’
    De zinsnede ‘some incidents in the life of’ uit de titel van het gedicht is een wat plechtige oude uitdrukking voor een biografische schets, en het gedicht zelf is een necrologietje in versvorm. Dit vers is geen uitbundige manifestatie van het nonsensgenre. Het is zelfs stemmig genoeg om op een kerkhof voorgedragen te worden – wat trouwens ook gebeurt in de sfeervolle televisiesketch op basis van dit gedicht van Peter Cook en Dudley Moore uit 1965 (er is een clip op YouTube).
    Nonsensicale humor komt vaak neer op een komisch duet van betekenissen, zoals in de woordspeling of de paradox. In een wereld die voortdurend glasheldere eenduidigheid van ons verlangt, ervaren we die ongegeneerde tweeslachtigheid als bevrijdend. Lear’s gedicht bevat zelfs een dubbele woordspeling. Gelezen als één woord verandert ‘Uncle Arly’ in ‘unclearly’, wat ook nog eens bijna klinkt als ‘Uncle Lear’, zoals de Laureate wel werd aangesproken door jonge fans.
    Het gedicht als geheel zou je daarenboven kunnen lezen als het emotionele equivalent van een woordspeling. Dit vers is een duet van gevoelens: een humoristisch gedicht over sentimentaliteit dat zelf weer een beetje sentimenteel is. Hier slaagt Lear erin om simultaan amusant en navrant te zijn, meer nog dan iemand als Heinrich Heine, de dichter uit de Romantiek, die vaak van eenzelfde dubbeltonigheid gebruikmaakte.
    In dit gedicht speelt Lear een charmant spel met zijn eigen sentimentele inborst. Hij gaf in een brief ruiterlijk toe dat hij last had van ‘incontinent eyes’. Veel lezers zullen vast ook even glimlachen bij de lectuur van het vers, maar misschien niet zonder een brokje in de keel weg te moeten slikken vanwege die veel te krappe schoenen.
    We zagen al dat de titel zinspeelt op ‘Uncle Lear’. De vraag die zich aandient is dan: is het gedicht een verkapte autobiografie? Dit wonderlijke in memoriam wordt inderdaad beschouwd als een van Lear’s meer autobiografische verzen, waarbij de erwtjesgroene krekel optreedt als een onalledaagse muze van de dichtkunst. Dat maakt de speelse dubbeltonigheid van het gedicht eigenlijk nog opmerkelijker.
    De epileptische en asthmatische Lear was het twintigste kind uit een verarmd gezin, en werd al jong aan zijn lot overgelaten. Later werd het er door een reeks professionele en persoonlijke tegenslagen niet veel beter op. En hoewel hij bij mogelijke partners vermoedelijk niet zo lette op details als het geslacht, bleef de dichter zijn leven lang alleen.
    Toch is het pas in dit laatste gedicht dat hij iets van een klacht mompelt, en dan nog unclearly (tussen discrete haakjes). De dichter had weliswaar moeilijke voeten, maar de te krappe schoenen staan hier duidelijk voor een meer algemene malaise. Nonsensdichters kunnen met smaak grof uit de hoek komen, maar hun algehele warsheid van emotioneel exhibitionisme verleent een gedicht als dit een zekere klasse. Het zelfbeklag blijft hier beperkt tot een door haakjes gedempt refreintje, en wordt ook nog eens getemperd door de gekkigheid eromheen. Dat maakt van deze kindernonsens een toch wel heel volwassen gedicht.
    Dit levensbericht over Uncle Arly is een duet van tegengestelde gevoelens, en bij dat duet verliezen beide emoties hun scherpe kantjes. Serieuze dichters zijn er vaak op gericht om een bepaalde emotie groots en dramatisch uit te meten, maar een dichter als Lear verkleint een emotie liever sussend tot een behapbaar formaatje. Daardoor klinkt dit gedicht, net als veel andere nonsenspoëzie, een beetje als een bakerrijm voor alle leeftijden. Hier is een vertaling door Wim Tigges:

Voorvallen in het Leven van mijn Ome Arwe

O mijn oude Ome Arwe!
Die zat op een hoopje Tarwe
    In de nachtelijke kou,
Bij een bosje weggedoken:
’n Krekel op z’n neus, en ook ’n
Treinkaart op zijn hoed gestoken,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

In zijn jeugd verbraste hij z’n
Hele have en ging reizen
    Naar de Berg van Tiniskoop.
In de gouden schemeruren
Zat hij naar de zon te turen,
En zong: ‘Hemelbol vol vuren,
    Waarheen leidt Uw wijde loop?’

Gelijk de Perzen en de Meden
Leefden volgens eigen zeden,
    Schafte hij zich een bestaan,
Soms door kind’ren te onderwijzen,
Soms ook door alleen te krijsen,
Soms door pillen aan te prijzen
    Die hem goed hadden gedaan.

Later, toen hij wandelen ging,
’s Morgens, trof zijn oog een ding
    In de bramen, vierkant, wit, en
’t Bleek een Kaartje Eerste Klas,
Maar toen hij aan ’t bukken was,
Sprong een Krekel, groen als gras,
    Op zijn neus, en bleef daar zitten.

Nooit of nimmer, neen, o, neen,
Ging die Krekel van hem heen.
    Vroeg of laat, bij hitte of kou,
Bleef hij, kleinood voor ’t leven,
Vrolijk tsjirpend hem bekleven.
’t Heeft mijn Oom veel vreugd’ gegeven,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

En zo, drie en veertig winters
(Al zijn schoeisel ging aan splinters)
    Dwaalde hij voor dag en dauw
Soms gelaten, soms in toorn,
Tot hij kwam bij Lomp Verploren,
’t Landgoed waar hij werd geboren,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

Op een heel klein hoopje Tarwe
Stierf mijn oude Ome Arwe,
    Ze begroeven hem al gauw
Bij dat bosje, vol van blaren,
Waar zijn hoed en treinkaart waren,
En zijn Krekel, trouw voor jaren,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

Edward Lear: The Complete Nonsense and Other Verse. (Penguin, 2006)
Edward Lear: Babbels en krabbels van Edward Lear. (Het Spectrum, 1978) Vertaald door Wim Tigges.

 

In Liefde Knoeyende 5

Bestaat er zoiets als Opperlandse nonsenspoëzie? Het is een vraag waarvan we in kringen van nonsensliefhebbers vaak wakker liggen. Weliswaar zien veel Opperlandse teksten er op het eerste gezicht behoorlijk nonsensicaal uit, maar al snel rijzen er twijfels. De mop van het Opperlands bestaat er immers uit om een bepaalde regel (bijvoorbeeld: je mag maar één klinker gebruiken) hardnekkig te respecteren, terwijl de mop van de nonsensliteratuur er meestal uit bestaat om een regel (ook al gaat het om een natuurwet) volledig te negeren.
    Daar komt nog bij dat je in de Opperlandse sfeer opvallend weinig poëzie tegenkomt. De schepper van het Opperlands, Battus (een van de vele pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius, 1935-2014), geeft in zijn standaardwerk Opperlandse taal- & letterkunde dit mooie voorbeeld van een palindroom, van een zin die hetzelfde klinkt als je hem van achteren naar voren leest:

Gad nee, poëzie…! zei ze op een dag.

De verzuchting van de spreekster kon wel het motto zijn van dat boek (en ook van de latere versie Opperlans!), want er staan maar heel weinig gedichten in. De paar gedichten die erin staan zijn meestal extreem kunstige, maar nu juist niet nonsensicale light verse. Een goed voorbeeld is het IJ-rijm uit 1880 van de Nederlandse plezierdichter B.H. van Breemen. Battus citeert dat rijm om de Opperlandse versvorm te illustreren waarbij je in je hele gedicht maar één klinker mag gebruiken. Dit is de eerste strofe:

Blijf, wijl ’k mijn tijd
blij ’t ij-rijm wijd,
blijf, blijf mij bij, gij IJ,
stijf vrij, wijl ’k lijm,
mijn ij-rijk rijm;
mijn wijs, mijn prijs zijt gij.

De dichter houdt dit ge-ijl negen strofen lang vol. Hij weet zijn gedicht ook nog eens negen strofen lang (min of meer) zinnig te houden – en daar stuiten we op een cruciaal puntje. Want bij zo’n Opperlandse restrictie van maar één bruikbare klinker is dat nu net de sport. Het beoogde resultaat is dus juist niet nonsens.
    Je kunt je zelfs afvragen of er eigenlijk wel een principieel verschil bestaat tussen een Opperlandse dichtvorm en een meer courante (maar nauwelijks minder gekunstelde) dichtvorm als het sonnet. Of moeten we zo’n malle Opperlandse dichtvorm zien als een parodie op die courantere dichtvormen? Van hieruit doorredenerend zou je de hele Opperlandse taal- en letterkunde kunnen zien als een nonsensicale parodie op de taal- en letterkunde – net zoals de zogenaamde ‘patafysica’ van de Franse schrijver Alfred Jarry een nonsensicale parodie is op de fysica.
    Het is altijd weer boeiend om een pietje-precies te zijn als het over nonsens gaat – en het wordt nog interessanter. Soms is het einddoel van de maniakale regelvastheid van het Opperlands namelijk wel degelijk onzin. Een aardig voorbeeld hiervan is de formule ‘S + 7’. Daarbij vervang je elk substantief in een bestaande, liefst overbekende tekst door het zevende volgende substantief in een woordenboek. Dit procedé werkt het best met een handwoordenboek. Op die manier kun je een doodgeciteerde dichtregel over de maand mei weer fris elan geven:

Een nieuwe lepel en een nieuw geluk

Het Opperlands beschikt over meer van zulke formules om zin om te toveren tot onzin. Er is trouwens nog een raakvlak tussen het Opperlands en de nonsensliteratuur: het thema van de omgekeerde wereld. De benaming ‘Opperlands’ is zelf al een tegenbeeld van ‘Nederlands’, en eigenlijk staat de hele Opperlandse taal- en letterkunde haaks op de literaire praktijk. Je zoekt niet een vorm bij je inhoud, maar je wurmt een inhoud in je vorm. Ook in de nonsenspoëzie wordt de inhoud van een gedicht weleens ondergeschikt gemaakt aan de vorm (met name aan het rijm), maar dan is het effect heel anders. Opperlandse poëzie als het IJ-rijm ziet er razend knap uit, maar is zelden evocatief. De eerste impressie bij nonsenspoëzie is meestal andersom: erg evocatief, maar niet zozeer knap – of zelfs maar competent.
    Dat er binnen de Opperlandse taal- en letterkunde zo weinig aan poëzie wordt gedaan is ook weer niet zo vreemd, want om bovenop de gebruikelijke dichterlijke voorschriften ook nog een Opperlandse restrictie in acht te moeten nemen is wel erg veel gevraagd. Gelukkig is er naast een plezierdichter als Van Breemen ook een nonsensdichter in wiens werk we die vaardigheid terug kunnen vinden: John O’Mill (pseudoniem van de Nederlandse anglist J. van der Meulen, 1915-2005).
    Deze taalvirtuoos maakte in een van zijn gedichten gebruik van een andere bekende Opperlandse toverformule om uit zin onzin te maken, namelijk het spoonerism oftewel ‘neukebootje’. Bij een spoonerism verwissel je voor het komische effect de beginletters van twee woorden of lettergrepen. In plaats van het ‘snuivend ros’ van een ruiter krijg je dan zijn ‘ruivend snos’. O’Mill nam het op zich om het aloude verhaal over Sint Joris en de Draak compleet in spooneristische verzen te herdichten. Dit is de bekendste (wat kortere) versie van het resultaat:

Sint Dracus en de Joor

Sint Dracus op zijn ruivend snos
steed rapvoets door het bonker dos.
Plots houden raard en puiter stil
geschrokken door een gauwe ril.
Is daar misschien een niel in zood,
besprongen door een Dille Koot?
Sint Dracus ijlt nu sloorspags voort
naar waar de kroodneet werd gehoord
en daar ontblouwt zich aan zijn vik
’n scheeld dat hem verschrijft van stik:
’n mubbenschonster, groest en woot,
de auwe kluit, de blanden toot
en aan de roet der votsen ligt,
(de banden voor ’t hang gezicht)
een vronkjouw, uiterschate moon,
haar tooft gehooid met kouden groon.
Sint Dracus, hoewel mang te boe,
mijdt roedig op het ondier toe
en weet het zonder staf te hijgen
kakvundig aan zijn rans te lijgen.
Nog vluugt het spammen, pomt een kroot,
dan krijgt het de gestade noot.
De vronkjouw uit een kreugdeveet
en grijpt Sint Dracus billend treet.
Hij zet haar vóór zich op zijn ros
en brengt haar uit het bakendros
weer bij haar slader op het vot.
Daar hankt men dem, daar gankt men Dod.
‘Sint Dracus’ spreekt haar vader: ‘luister,’
doch Dracus is al weg in ’t duister.
Lang vaart de stader in de nacht,
hudt dan het schoofd en zompelt macht:
Dat had mijn schoonzoon kunnen zijn,
daar kist ons Moba treer een wein.

Het is even zoeken, maar hier hebben we dan toch een proeve van heel bevredigende nonsenspoëzie op basis van een Opperlands procedé. Dit is zelfs poëzie die herinnert aan de beroemde nonsensballade ‘Jabberwocky’ van Lewis Carroll – en niet alleen vanwege de gevelde draak. Net als bij ‘Jabberwocky’ begint het voor de lezer met betoverende nonsens en krijgt hij er, na het kraken van de code, ook nog een spannend oerverhaal bij. Toch veroorlooft de dichter zich hier bij zijn toepassing van het neukebootje op tenminste vijf plaatsen vrijheden waarvoor de ware Opperlander terug zou deinzen. Te beginnen met de titel, die volgens de regels eigenlijk ‘Sint Drakis en de Joor’ had moeten zijn.
    We hebben het hier natuurlijk wel over een uitzonderlijk lastig poëtisch parcours met dubbele (dichterlijke én Opperlandse) hindernissen. Niettemin moet dus zelfs een routinier als John O’Mill bij zo’n Opperlandse taalhandicap zijn toevlucht nemen tot noodgrepen om nog tot bevredigende nonsens te kunnen komen. De slotsom moet dan ook zijn dat Opperland, heel anders dan Nederland, geen vruchtbare voedingsbodem vormt voor de nonsenspoëzie. We kunnen weer rustig gaan slapen.

John O’Mill: Tafellarijmvet (Andries Blitz, 1958)

 

In Liefde Knoeyende 4

Hoe ver kun je gaan met nonsenspoëzie? Pure waanzin blijft meestal niet zo heel lang boeiend, zelfs niet in de vorm van poëzie met een genoeglijk reutelend metrum. Een goed nonsensgedicht is doorgaans een half-om-half mix van zin en onzin. Goede literaire nonsens is een prikkelende evenwichtsoefening tussen twee dingen. Zoals een woordspeling balanceert tussen twee heel verschillende betekenissen, zo balanceert een nonsensgedicht giechelig tussen zin en onzin. Een klassiek voorbeeld van die komische ambiguïteit is de ballade ‘Jabberwocky’ van de Engelse nonsensauteur Lewis Carroll (1832–1898).
    ‘Jaberwocky’ is misschien wel het beroemdste nonsensgedicht uit de hele wereldliteratuur. Het gedicht staat niet in Carroll’s Alice in Wonderland maar in het vervolg daarop, Through the Looking-Glass, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom veel Carrollianen dat tweede boek nog hoger aanslaan dan het eerste. In het boek komt naar voren dat het gedicht een vreemd effect op Alice uitoefent: ‘Somehow it seems to fill my head with ideas – only I don’t exactly know what they are!’ Een herkenbare sensatie voor de liefhebber van nonsenspoëzie.

carroll-jabberwocky

Jabberwocky

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

‘Beware the Jabberwock, my son!
The jaws that bite, the claws that catch!
Beware the Jubjub bird, and shun
The frumious Bandersnatch!’

He took his vorpal sword in hand:
Long time the manxome foe he sought –
So rested he by the Tumtum tree,
And stood awhile in thought.

And, as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came whiffling through the tulgey wood,
And burbled as it came!

One, two! One, two! And through and through
The vorpal blade went snicker-snack!
He left it dead, and with its head
He went galumphing back.

‘And, hast thou slain the Jabberwock?
Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Callooh! Callay!’
He chortled in his joy.

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

Om de verwarring bij de lezer compleet te maken, houdt een nonsensdichter vaak nog iets van de schijn van betekenis op. Zelfs vrij extreme nonsens als ‘Jabberwocky’ respecteert altijd nog de regels van de grammatica en de syntaxis. Bovendien heeft het gedicht een vertrouwde, traditionele vorm en volgt het een behoorlijk solide verhaallijn. Je zou kunnen zeggen: de onzin is er tactisch gedoseerd.
    Als student schreef Carroll een vierregelige parodie op oude Angelsaksische poëzie. Dat wonderlijke kwatrijn werd later de eerste en laatste strofe van ‘Jabberwocky’. Deze nonsensballade bezingt het vellen van de Jabberwock – afgaande op het prentje een draak in een gilet. Een gedicht als dit, dus nonsens met een straf metrum, is zelf eigenlijk ook een soort draak in een vestje: tomeloze inhoud in een strakke pasvorm. Maar er is meer.
    In het Engels is ‘jabberwocky’ inmiddels officieel synoniem geworden aan ‘onzin’, maar we weten uit goede bron dat sommige woorden in het gedicht juist volgepropt zitten met betekenis. Die bron is namelijk een personage uit Carroll’s boek zelf. Daarin legt Humpty Dumpty enkele woorden namelijk uit als een ‘kofferwoord’, als een nieuw woord waarin verschillende bestaande woorden gepakt zitten. Een actueler maar minder komisch kofferwoord is ‘Brexit’. In een brief heeft Carroll zich ten overvloede aangesloten bij Humpty Dumpty. In dat epistel gaf hij ‘uffish’ (in de vierde strofe) als voorbeeld. ‘It seems to suggest a state of mind when the voice is gruffish, the manner roughish, and the temper huffish.’
    Als een woordspeling een duet van betekenissen is, dan zou je een kofferwoord goed een optelsom van betekenissen kunnen noemen. De malle overdaad aan betekenis van die kofferwoorden enerzijds en de duisterheid van de resterende neologismen anderzijds voeren de pesterige ambiguïteit vakkundig op. Je probeert eerst nog wel om ook de rest te decoderen, maar geeft dan de moed al gauw op. De herhaling van de eerste strofe op het eind versterkt het balladegevoel, maar heeft hier ook iets koddigs. Na alle drukte over het vellen van de Jabberwock moet de sullige slotsom zijn dat er niks wezenlijks is veranderd. ’t Is nog steeds brillig, en die arme borogoves zijn nog altijd mimsy.
    Nonsens als ‘Jabberwocky’ lijkt misschien makkelijk opgetekend te zijn na een stevig glas, maar het is toch echt precisiewerk. De schrijver van de bekende serie detectives over Father Brown, G.K. Chesterton, was een groot nonsensconnaisseur. In een essay over Carroll toonde hij zich heel beslist over de spelling van ‘uffish’ in de vierde strofe. Hij schreef zelfs dat de eerste druk van Through the Looking-Glass vrijwel zeker onverkocht was gebleven als de zetter er per ongeluk ‘affish’ van had gemaakt.
    Dat mag dan een tikje overdreven zijn, maar er bestaat in de nonsens zoiets als een absoluut gehoor – en heel weinig dichters hebben dat. De vele mislukte imitaties van Carroll’s ballade vormen daarvan het treurige bewijs. Ten bewijze twee regels uit ‘Gedondillo’, een navolging van ‘Jabberwocky’ door de Amerikaanse plezierdichter Ogden Nash (hij kwam al even voorbij in de vorige column). De titel van zijn imitatie is waarschijnlijk een kofferwoord van ‘armageddon’ en ‘armadillo’.

Appetency lights the corb of the guzzard now,
The ancient beveldric is otley lost.

Het hele gedicht bestaat uit dit soort regels. Nash was een groot bewonderaar van het origineel, maar toch is zijn imitatie ervan niet echt geslaagd. Zijn gedicht maakt de indruk van een nogal lukrake verzameling kofferwoorden en malapropismen – en helemaal niet van tactisch gedoseerde nonsens. De balans zin-onzin is hier onmiskenbaar zoek. De meeste andere imitaties van Carroll’s ballade vertonen ditzelfde euvel: ze zijn veel te bizar. Het bijzondere van ‘Jabberwocky’ is nou net dat het gedicht, ondanks alle wartaal en verwartaal, af en toe bijna plausibel klinkt als specimen van de antieke poëzie die het parodieert.
    Al met al blijkt het nog een hele kunst om bij het schrijven van een nonsensgedicht de juiste zin-onzin-ratio te vinden. Het dunne lijntje dat geslaagde nonsenspoëzie scheidt van vermoeiende wartaal is binnen de literatuurwetenschap dan ook nog steeds een boeiend onderwerp van studie. Natuurlijk is Carroll’s ballade onvertaalbaar, en natuurlijk voelde menige vertaler zich daardoor juist uitgedaagd.
    De diverse vertalingen in het Nederlands vind je verzameld in het leuke en informatieve boekje van Jur Koksma en Joep Stapel: Het nonsensgedicht Jabberwocky van Lewis Carroll. (Lewis Carroll Genootschap, 2018)

 

In Liefde Knoeyende 3

Nonsens is goed bestand tegen de tand des tijds. Om een antieke grap te snappen hebben we vaak een vracht aan voetnoten nodig, alleen al om te begrijpen waartegen de spot of satire zich richt, maar niet bij nonsens. Het nonsens-genre bevat geen tijdgebonden spot of satire. Het speelt met de wetten van de logica – en die bleven door de eeuwen heen toch wel gelijk. Zo levert een Oud-Griekse tekst over een schip dat wat uit de koers raakt en zodoende op de Maan strandt, nog steeds toegankelijke en leuke lectuur op. Duurzame humor, dus. Niettemin woedt er op dit punt binnen de nonsens een beetje een richtingenstrijd.
    Veel academici zien nonsensliteratuur namelijk liever wel als satire, als een kritisch commentaar op iets of iemand, want wat kun je nu helemaal zeggen over pure nonsens? Genoeg om er een proefschrift mee te vullen? Voor de ware liefhebber daarentegen is het toch echt een principekwestie dat nonsens nergens op slaat.
    Deze richtingenstrijd komt goed tot uiting in de discussie over de parodietjes op de klassieke kinderrijmen in Alice in Wonderland. Veel academici menen dat Carroll daarmee de zoetsappige originelen bekritiseerde. De liefhebber wijst er dan graag op dat de dichter ook zelf zulke sentimentele versjes schreef – en dat het hier gaat om de simpele lol van het op zijn kop zetten van dingen.
    Eigenlijk hebben beide partijen een beetje gelijk. Vaak zal het zijn voorgekomen dat de schrijver aanvankelijk uitging van een satirische opzet, maar dat die in de roes van de humor vaak ook weer uit zicht verdween. In dat geval kon satirische overdrijving uitlopen op nonsensicale hypertrofie. Dat is trouwens meteen de geschiedenis van de nonsensliteratuur in een notendop: satire die uit de bocht vliegt. Het is de geschiedenis van de emancipatie van de humor, van haar bevrijding uit de dienstbaarheid aan een agenda. De literatuurgeschiedenis kent veel mooie momentjes waarop een schrijver het sneren van de satire moe werd – en besloot om humor helemaal de vrije loop te laten. Te beginnen in de eerste eeuw met Lucianus en zijn knotsgekke proza over die Maanreis per boot.
    In de poëzie vormen de impossibilia een goed voorbeeld van satire die werd opgetild naar nonsens. Het is in de poëzie niet ongebruikelijk om iets duidelijk te maken aan de hand van een hyperbool (onmogelijke overdrijving), bijvoorbeeld in een liefdesgedicht: jouw schoonheid straalt als een zon bij nacht…. Dit soort vergelijkende overdrijvingen bleek erg effectief in satiren, met name bij het stevig aanzetten van andermans tekortkomingen. Later werden deze onmogelijkheden – of op zijn Latijns impossibilia – soms weer verlost van elke satirische pertinentie en gepresenteerd als stand-alone nonsens. In die geest schreef de zeventiende-eeuwse Engelse bisschop Richard Corbet zijn beroemde gedicht ‘A Mess of Non-Sense’. Hieronder een gemoderniseerde versie van de eerste strofe:

Like to the thundering tone of unspoke speeches
Or like a lobster clad in logic breeches
Or like the grey fur of a crimson cat
Or like the mooncalf in a slipshod hat
Or like the shadow when the Sun is gone
Or like a thought that never was thought upon
Even such is he who never was begotten
Until his children were both dead & rotten.

Bisschoppen hadden toen heel andere prioriteiten. Bovenop alle impossibilia gaf de geestelijk leidsman zijn gedicht ook nog een tautologisch zweem: iets onmogelijks is als iets onmogelijks.
    Dichter bij huis vinden we een nog mooier voorbeeld van satire die werd verbeterd tot nonsens. Een gedicht van de Amerikaanse plezierdichter Ogden Nash (1902-1971) raakte duidelijk een snaar bij de Nederlandse dichter Han G. Hoekstra (1906-1988). Nash publiceerde rond de Tweede Wereldoorlog in enkele Amerikaanse bladen die destijds zo ongeveer verplichte kost waren voor Nederlandse humoristen als Hoekstra. Op een wat minder speels moment in 1938, dus nog voor Pearl Harbor, schreef Nash dit bittere hekeldicht op de Japanners.

The Japanese

How courteous is the Japanese;
He always says, ‘Excuse it, please.’
He climbs into his neighbor’s garden,
And smiles, and says, ‘I beg your pardon’;
He bows and grins a friendly grin,
And calls his hungry family in;
He grins, and bows a friendly bow;
‘So sorry, this my garden now.’

Naast de goedmoedige humor in zijn overige gedichten krast dit versje van Nash als een nagel op een schoolbord. Gelukkig werd deze schrille satire al snel na de Tweede Wereldoorlog door Hoekstra veredeld tot een inmiddels klassiek geworden kindernonsensgedicht. De geniepige schijnbeleefdheid van imperialistische Japanners is nu veranderd in een komieke slinksheid van vrijpostige nonsenswezens.

De Knispadenzen

De allerkeurigste van alle nette mensen
komen uit Knispadenzië, het zijn de Knispadenzen.

En zet er een zijn kleine voet soms op jouw grote neer,
dan zegt hij dadelijk vol schrik: ‘Pardon’ of: ‘Excuseer.’

Omdat hij zo geschrokken doet neem je hem mee naar huis.
Nog tienmaal zegt hij onderweg: ‘Was waarlijk een abuis!’

Hij pakt meteen de beste stoel, hij drinkt een kopje thee
en zegt voor je het vraagt: ‘Ik eet straks graag een stukje mee.’

Hij glimlacht en vraagt heel beleefd: ‘Waar is de telefoon?’
en nodigt zelf zijn vrouwtje uit, drie dochters en een zoon.

Dan grijpt hij naar je vulpotlood, geheel op zijn gemak,
‘Zeer fraai, zeer fraai,’ zegt hij en steekt hem buigend in zijn zak.

De Knispadenzen eten flink, ze eten alles op.
Dan is er televisie en zíj draaien aan de knop.

Ze lopen door het hele huis, van boven naar beneden,
kloppen hun gastheer op de rug en kijken heel tevreden.

‘Ja prachtig. Is heel mooie tuin. En heerlijke balkons.
Hoe jammer, spijt ons,’ zeggen zij. ‘Nu alles zijn van ons!’

De dichter Willem Wilmink hoorde in deze kindernonsens kennelijk nog een echo van Nash, want in een brief noemde hij het gedicht verontwaardigd een ‘parabel van de Centrum Partij’. De biografen van de dichter, Joke Linders en Janneke van der Veer, zien er evenwel terecht ‘een fraai staaltje Hoekstra-kolder’ in (de link met Nash leggen ze overigens niet). Je kunt spreken van een glijdende schaal tussen de twee, maar in ‘Knispadenzië’ overstijgt de nonsens de satire.
    Alle humor heeft een subversief element, maar in de nonsensliteratuur wordt het niet verspild aan de politieke trivia van de dag. Het richt zich – veel fundamenteler – tegen de ijzerenheinige logica en de hopeloos voorspelbare realiteit.

Han G. Hoekstra: De kikker van Kudelstaart. (Querido, 1983)
Ogden Nash: I’m a Stranger Here Myself. (Little Brown & Co, 1938)

 

In Liefde Knoeyende 2

De eerste officiële nonsenspoëzie die ons onder ogen komt is vaak ‘De blauwbilgorgel’ (zie de vorige column), maar we worden meestal al veel eerder, als baby, aangeraakt door dit wonderlijke genre. Dat gebeurt via het nursery rhyme. Hier is het eerste couplet van een persoonlijke vroege favoriet.

De kop van de kat was jarig,
zijn pootjes vierden feest.
Het staartje kon niet meedoen,
dat was pas ziek geweest.

Betrekkelijk coherente nonsens als dit rijm doet al wonderen voor je humeur. Soms is de hoofdpersoon van zo’n bakerrijm of kinderrijm nog te herleiden tot een historisch personage (Kortjakje was mogelijk een lichtekooi), maar vaak is de kloof tussen rijm en realiteit toch wel onoverbrugbaar. Nonsens werkt gewoonlijk het best in een beknopte vorm als het gedicht, want het is lastig om de verbazing van de lezer pagina’s lang op peil te houden. De gekste kinderrijmen beperken zich ook meestal tot één strofe. De allergekste zelfs tot maar twee regels – zoals deze gezellige wirwar van waanzin.

Ozewiezewoze wiezewalla kristalla
kristoze wiezewoze wiezewieswieswieswies.

Zulke compacte nonsens schrijf je niet eens zo makkelijk op, want zie de lezer maar eens te boeien in zo’n kort bestek zonder plot en frappe. Typisch voor een bakerrijm is de sussende en opmonterende toon, en daarbij is het element van herhaling (alliteratie, rijm, refrein) heel behulpzaam. Zo wiegen bakerrijmen (en veel volwassen nonsensgedichten) onze bijdehante kritische functies in een tevreden monkelende sluimer. Misschien benaderen we dan wel het dichtst de status van een spinnende kat (met een jarige kop).
    Het zoeken naar betekenis, in leven en literatuur, is onze default mode, en ook in deze bakerrijmen is nijver gespeurd naar verborgen betekenissen (historisch, politiek, satirisch). Het standaardwerk The Oxford Dictionary of Nursery Rhymes (1951) stelde echter niet zonder voldoening vast dat veel rijmen toch echt zo gek zijn als ze klinken binnen de context van de wieg. Nu is voor een baby alle taal onzin, dus je zou zeggen dat de extra moeite niet nodig is. Het aardige is evenwel dat de meeste zogenaamde bakerrijmen helemaal niet speciaal voor kinderen zijn geschreven. Ook het volgende vers van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke (1903–1963) staat in die mooie traditie. Het is namelijk een bakerrijm voor volwassenen.

What Footie Does Is Final

Mips and ma the mooly moo,
The likes of him is biting who,
A cow’s a care and who’s a coo? –
What footie does is final.

My dearest dear my fairest fair,
Your father tossed a cat in air,
Though neither you nor I was there, –
What footie does is final.

Be large as an owl, be slick as a frog,
Be good as a goose, be big as a dog,
Be sleek as a heifer, be long as a hog, –
What footie will do will be final.

Als u er niets van snapt hebt u het goed gelezen. Dit rijm van Roethke (spreek uit: rètkie) kom je regelmatig tegen in Engelstalige bloemlezingen, alleen wordt er nooit bij verteld dat het eigenlijk geen zelfstandig gedicht is. Het is een passage uit Praise to the End! (1951), een episch gedicht waarin deze meestal serieuze dichter als een modernistische Walt Whitman de wereld bezingt met de onbevangenheid van een kind. In deze drie strofen wil Roethke de diffuse en sussende sfeer van een nursery rhyme oproepen, en daarbij is het element van herhaling weer heel effectief. Net als in een klassiek nursery rhyme wordt de kinderlijk warrige taal telkens besloten met een kloek en (relatief) eenduidig refrein, en net als in alle kinderpoëzie treffen we er een preoccupatie met ouders en dieren aan.
    Natuurlijk is ook bij deze biologerende regels geprobeerd om er iets van een betekenis in te lezen. Het haast onvermijdelijke fallische symbool is dan ‘footie’, via een optimistische associatie met footlong. Die betekenisdwang is nu juist bij deze strofen uit Praise to the End! niet op zijn plaats. Ze zijn door de dichter typografisch iets apart gezet van de rest en echt bedoeld als nonsens – en het is nonsens op zijn best. Geen willekeurig bijeengeveegd zootje woorden, maar trefzekere en toonvaste onzin. Het gedicht heeft momentum en een melodie, en wie of wat footie ook is, we gunnen hem graag het laatste woord.
    Een nonsensvers als dit is een nog nooit vertoonde ontmoeting van woorden die, blij verrast, in een gezamenlijk lied uitbarsten. Aanvullend bewijs van zijn kwaliteit als nursery rhyme is dat je dit gedicht, ondanks het gebrek aan samenhang, verrassend snel van buiten kent. De ritmewisseling bij de derde strofe leidt ons naar een prettig gedecideerde slotregel, die de kwestie rond footie eens en voor altijd afrondt. En anders dan bij gewone poëzie laat zo’n slotregel je niet achter met het onrustige idee dat je, hier aangekomen, ergens over aan het denken moet zijn gezet. Zoals het een nursery rhyme betaamt, stemt dit wonderlijke vers alleen maar monter en tevreden.

Theodore Roethke: Collected Poems. (Faber & Faber, 1985.)

 

In Liefde Knoeyende 1

Dit is de eerste column van een reeks over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur. De bedoeling is niet alleen om het leesplezier van de nonsens nog iets te vergroten, maar daarnaast ook kwesties aan de orde te stellen als: is nonsenspoëzie de religie van de toekomst? Dat zou namelijk zomaar kunnen, volgens een van de hier te bespreken dichters. Het goede nieuws is dat nonsenspoëzie van alle tijden en continenten is. En daarbij slaat de nonsenspoëzie die onze rechtlijnige delta opfleurt helemaal geen gek figuur. Wel werd deze Nedernonsens vaak geïnspireerd door een vreemdtalig voorbeeld. Niet dat onze nonsensdichters minder begaafd zijn (het voorbeeld wordt vaak overtroffen), maar ze kennen hun talen nu eenmaal beter dan de buitenlandse broeders in de nonsens. Ook het bekendste Nederlandstalige nonsensgedicht, ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ (1918–1985), is een geval van navolging, want heel duidelijk treedt hij hier in de voetsporen van de Duitse nonsensklassieker Christian Morgenstern (1871–1914). Sterker nog: ook de naam van het blad waarin dat gedicht voor het eerst gepubliceerd werd is ontleend aan diens werk.

De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
    Raban! Raban! Raban!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
    Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
    Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
    Ga heen! Ga heen! Ga heen!

Een attente vriendin wees Buddingh’ in de grauwe oorlogsjaren op de gekke naam van een blauwsnavelig vogeltje in een Engels kinderboek: bluebillgurgle wat de dichter koddig verhollandste tot ‘blauwbilgorgel’. Het gedicht dat hij vervolgens over dit beestje maakte is een duidelijke navolging van de verzen van Morgenstern over imaginaire diersoorten. Bij de Duitse dichter wemelt het van dieren die helemaal niet in de biologieboeken staan. In 1943 publiceerde Buddingh’ dit gedicht, samen met onder meer ‘De bozbezbozzel’, in het tijdschrift De schone zakdoek. De impact was in eerste instantie beperkt, want dat blad had voorzichtigheidshalve, vanwege de bezetting, een discrete oplage van één exemplaar. Het gedicht suggereerde niettemin meteen ook de verzamelnaam ‘gorgelrijmen’ voor de verzen over ruim zeventig andere nonsensdieren die nog zouden volgen.
    In het Duits krijgen behalve namen ook substantieven een hoofdletter, zodat we bij de namen van nonsensdieren in Morgenstern niet altijd zeker weten of het een soortnaam of een eigennaam betreft. Ook bij de blauwbilgorgel is er reden tot twijfel. Het ontbreken van een hoofdletter suggereert weliswaar een soortnaam, maar de eerste regel, ‘Ik ben de blauwbilgorgel’, lijkt dat weer tegen te spreken. Misschien is deze gorgel het unieke resultaat van een eenmalige kruising tussen een porgel en een porulan. Bijna alle andere gorgelrijmen staan niet in de ik-vorm; als er dan gesproken wordt over bijvoorbeeld het wiffelklaasje gaat het kennelijk om een biologisch prototype.
    Waarom is nou juist dit gedicht van Buddingh’ zo populair geworden? Hij schreef in diezelfde periode tenslotte wel veel gekkere verzen – met een droogkomisch soort surrealisme, zonder de kelderdamp van het onderbewuste. Je zou kunnen aanvoeren dat ‘blauwbilgorgel’ zo lekker bekt, maar geldt dat eigenlijk niet nog meer voor de contemporaine ‘bozbezbozzel’? Misschien is het gedicht wel zo populair omdat het zulke glasheldere nonsens is. Dit gorgelrijm is immers een heel correct en puntig cv-tje.
    We krijgen eerst, zoals het hoort, info over de burgerlijke stand van de gorgel. In het tweede couplet volgt een handig resumé van zijn dieet. Het derde noemt zijn bezigheden en hobby’s. En het vierde schetst, altijd nog volgens de regels, zijn toekomstverwachting. Het is bijna of een balorige sollicitant hier in een officiële brief de sleutelwoorden heeft vervangen door onzin. Zo’n vertrouwde en doorzichtige opbouw maakt een nonsensgedicht heel licht verteerbaar. Ze maakt ook dat het gedicht makkelijk in je herinnering blijft hangen. Daarbij vergeleken zijn de meeste andere gorgelrijmen wat losser en grilliger – en daardoor minder memorabel.
    Er komt nog bij dat zich in het laatste couplet een navrante ondertoon bij de humor voegt. Buddingh’ schreef het gedicht namelijk toen hij met tbc in een sanatorium lag (de link tussen dat laatste couplet en zijn ziekte legde hij ook zelf). Het gevolg is een pakkende emotionele dubbeltonigheid: een mix van speelsheid en een wolkje melancholie die herinnert aan de nonsense songs van Edward Lear (1812–1888) – van wie de dichter trouwens werk vertaalde. (Ook het vignetje boven deze column is overigens van Lear.) Buddingh’ droeg zijn gedicht zelf niet lichtvoetig of cabaretesk voor, maar altijd op zijn karakteristiek slepende toon, met tussen de refreinwoorden dramatische pauzes. Van die mooie dubbeltonigheid vinden we soms nog iets terug in andere gorgelrijmen, want niet voor elk gorgelbeest is het leven een feest: ‘Ik ben een arme drommeldaris, / wat zelden leuk en meestal naar is.’
    ‘De blauwbilgorgel’ is door de jaren heen heel wat keren geïmiteerd. Zo bestaat er inmiddels natuurlijk ook een roodbilgorgel. Aan die imitaties lees je goed af hoe perfect het origineel in elkaar zit. De navolgingen zijn vaak eerder light verse dan nonsenspoëzie, dat wil zeggen: een grap op rijm met een daverende clou. Een andere veelgemaakte fout is dat ze te buitenissig willen zijn. Goede nonsenspoëzie bewaart altijd een precair en prikkelend evenwicht tussen de zin en de onzin – in dit geval tussen het schema van een broodnuchter invulformulier en de bolle waanzin van de invullingen. Als je imiteert, doe het dan goed, zoals Buddingh’ zelf…

1. Buddingh’: Alle gorgelrijmen. (De Bezige Bij, 2003)

Gepost in Column nonsensgedichten Tysger Boelens, Home | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Naar een ecologisch decoratiestelsel, Manuel Kneepkens

Al sinds decennia geschiedt in Nederland het eren van verdienstelijke burgers precies op dezelfde wijze. Hij of zij wordt geëerd met een straatnaam, plaquette, een buste of een full size-standbeeld. Dit alles na zijn of haar dood (leden van de Koninklijke familie uitgezonderd. Die mogen eerder).
    Bij leven eert men de verdienstelijke burger met de Orde van Oranje Nassau, de Orde van de Nederlandse Leeuw of de Militaire Willemsorde.

In Rotterdam is het eerbewijs, oplopend in gewichtigheid, de Erasmuspenning, de Wolf van Borselenpenning en de Van Oldenbarneveltpenning. En dan hebben we nog de Johan van der Veekenpenning voor personen in een leidinggevende functie. Dat zijn mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de economische ontwikkeling van Rotterdam (en de ecologische ontwikkeling, hoe zit het daarmee? Het is maar een vraag…).

Wij leven inmiddels op de drempel van het Ecologische Tijdperk, daar helpt geen moedertje lief aan. Recent verscheen de  spraakmakende publicatie van het IPCC, waarin dringend  op (her)bebossing van de planeet word aangedrongen. Méér bomen!
    Zwitserse wetenschappers hebben in het gerenommeerde wetenschapsblad Science berekend hoeveel er bij moeten komen om de CO2-concentratie terug te brengen tot ongeveer het niveau van honderd jaar geleden. Één biljoen! In de Verenigde Staten, Canada, Australië, China, Rusland en Brazilië is daartoe voldoende braakliggend terrein voorhanden, lezen we in het artikel.
    Wel is het zo dat we ons over herbebossing, met name in Brazilië, ernstig zorgen moeten maken. Onder Bolsanaro gaat het in dat land namelijk precies andersom. Er wordt daar alleen maar meer en meer bos gekapt, vooral in het Amazonegebied.
    Ook het dichtbevolkte Nederland zal wat die (her)bebossing betreft naar rato een bijdrage moeten leveren.

Ik zal hieronder een voorstel doen tot bebossing van ons land. Het aardige van dit voorstel is dat het niets extra’s hoeft te kosten.

Wordt het niet langzamerhand zaak dat de verdienstelijke burger, die op het punt staat geridderd te worden, een keuzemogelijkheid wordt geboden? Dat hij of zij kan zeggen: ‘Nee, ik hoef geen lintje, burgemeester, plant voor mij maar een (linde)boom!’ En dat die boom dan in het bijzijn van de geridderde en zijn familie en vrienden plechtig wordt geplant in het Nederlandse Ridderordenbos
    Het zou wel eens zo kunnen zijn dat een behoorlijk aantal van de te ridderen personen voor het planten van een boom zal kiezen. Want het gaat hier om verdienstelijke burgers, die vast en zeker nòg verdienstelijker willen zijn! En door hun boomplanting leveren zij een substantiële bijdrage aan het milieu. Zijn of haar ecologische voetafdruk zal door deze boomplanting immers gelijk een stuk kleiner zijn!
    De lintjesregen van 2019 leverde achttienhonderd tweeëntachtig geridderden op. Bij elkaar dus een behoorlijk bos.
    Aan een ridderorde heeft alleen de gefêteerde zelf iets. Maar van het Ridderorderbos profiteren we allemaal…
    De te planten boom – voorzien van een koperen plaatje met de naam van de geridderde erop – mag natuurlijk ook een plataan, beuk of populier zijn. De eik wil ik afraden. Al was het maar omdat de eikenprocessierups in Nederland al biotoop genoeg heeft…

Gepost in Columns | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Vladimir Sorokin, De dag van de Opritsjnik

Sorokin voorplatVladimir Sorokin, De dag van de Opritsjnik, Rotterdam 2019 (Uitgeverij Douane) Chrétien Breukers

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Gedichten van Carla Boogaards

De uitkomst

Ik heb altijd al een zigeuner willen zijn, toen ik een kind was zei ik  tegen mijn ouders, ik ben uw kind niet, ik ben van de zigeuners en op een dag komt de zigeunerkoning mij halen. Niemand sprak mij tegen of beweerde dat zoiets gewoon niet kon en dat soort dingen, de hele familie knikte, er werd nooit meer over gesproken. Dat hoefde ook niet, ik wist het stond in hun geheugen gegrift. Ikzelf werd warm

van liefde voor mijn vader die ik nog niet kende, mijn ogen straalden, misschien hield ik vanaf die dag wel meer van familie. Ze streken zachtjes door mijn haar, en mijn vader noemde mij het poppetje van zijn ogen.

Absurd, is uw mening, zigeuners zijn paardendieven, ze roven kinderen ze zijn heel onbetrouwbaar. Okay, is dat zo, wie is wel betrouwbaar, zeg op klootzak wie het wel is.

De vrouwen met een kind op de arm en hun  aangerimpelde lange rokken met oker en rode en zwarte en roze stralende geheime motieven erin geweven, een wijde broek eronder van zwart satijn met roze strepen, je ziet nog net hun dikke enkeltjes. Mijn man was de zoon van de zigeunerkoning, het was voorbestemd, hij was zo mooi ik moest hem wel doden. Mijn man pakte het mes van me af en droeg me naar bed en schortte mijn rok op. Mijn man leek op Federico Garcia Lorca, toen hij jong was dat zwarte en fijne en ogen vol licht

dat meegesleurd wordt in de jonge god die hij is. Ik was altijd een maagd als hij me beetjes gaf in mijn hals.

 

Sugar Ray Robinson de bokser is dood

Sugar Ray Robinson de bokser is dood, schrijf ik in een gedicht, op de dag
dat hij sterft in een ziekenhuis in Los Angeles, ik schrijf, deze solide neger,
een van mijn fonkelende bastaardvaders, en ik hoorde het geluid van gillend huilen in een storm,
totdat de wind ging liggen om de bokser te laten sterven,
zo stil is het ook als pappa sterft, zijn ogen maken kleine geluidjes die niemand kan horen.
Dan ga ik heel zacht tegen hem praten, ga maar slapen god laat hem stilletjes inslapen,
als iemand nog maar een klein beetje ademt moet je naar hem glimlachen.

Over Sugar Ray Robinson wordt verteld dat hij zachtaardig was, de vrouwen noemden hem  Duifje,
toen hij in de hemel was gearriveerd
keek hij naar beneden en spoog eens flink, zijn duifjes koerden in de bomen,
Pappa je hield van sierduiven, ik heb het op foto’s gezien, je staat in een grote volière met een duif
op je hoofd, daalde de heilige geest op je neer in de vorm van een duif
dat gebeurde toch toen Jezus gedoopt werd door Johannes, en je lacht naar de camera,
naar mij al was ik er niet bij, maar ik denk niet dat je ooit van boven naar beneden hebt gespuugd, dat zou mamma absoluut niet hilarisch hebben gevonden.

 

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

De spuigaten uit, door Mischa van den Brandhof

Nieuws en achtergrond

Beroepsvereniging MARAN, voor beloega’s werkzaam bij de marine, herkent zich niet in de karakterisering die vorige week in de media werd geschetst als zouden witte dolfijnen niet professioneel zijn.

Dat meldt de beroepsvereniging donderdag in een persbericht.

In de media verscheen vorige week het bericht dat de witte dolfijn die voor de Noorse kust is gespot mogelijk een spion is. De Russen zouden een militair trainingsprogramma hebben voor zeezoogdieren als beloega’s, zeehonden en tuimelaars. Diverse kranten verwezen daarbij naar het onderzoek van het Murmansk Marine Biological Institute, waarin geconcludeerd werd dat beloega’s de ‘hoge professionaliteit van zeehonden missen: ze zouden te gevoelig zijn voor kou en slecht mondelinge bevelen kunnen onthouden.
Delphina Sashenka, voorzitter van MARAN, herkent zich niet in dit beeld: ‘Wij zijn verbaasd en teleurgesteld door deze berichtgeving.’
    Sashenka gaf aan dat de onderzoekers ten onrechte de indruk wekken dat het aan de beloega’s ligt, terwijl de Russen ook de hand in eigen boezem moeten steken. ‘MARAN pleit al jaren voor een verbetering van de arbeidsomstandigheden. Wij menen dat goed werkgeverschap een fatsoenlijke beloning inhoudt en niet alleen onderdak en zo nu en dan een extra visje of een zeeworm. Daar hoort in onze optiek bijvoorbeeld ook een pensioen bij. Anders is het liefdewerk oud papier.’
    Youri Yaroslav Belaya van de oorlogsdolfijnenbrigade verklaarde tegenover Omroep Noordwest dat hij het gevoel heeft dat de beloega wordt weggezet als een tere zeekanarie.
    Hij lichtte toe: ‘Je moet je voorstellen dat het niet altijd duidelijk is wat Majoor Hobbelduif nou precies naar je staat te schreeuwen vanaf de kant. In het water is dat gewoon heel moeilijk. En ik moet erbij zeggen dat de vertalers ook echt belabberd zijn. Dan is het toch logisch dat het niet altijd lekker loopt in de chain of command. En soms krijg je gewoon een opdracht waar je echt niks mee kunt. Ik heb een keertje meegemaakt dat ik oude munitie moest opduiken van de oceaanbodem, maar ja, dan kom je daar en dan blijkt een zeegarnaal het gebruikt te hebben om een stukje ingevallen koraal mee te stutten. Ja, wat ga je dan doen hè? Dat is niet moreel. En soms moet ik bijvoorbeeld gereedschap voor diepzeeduikers dragen. Maar hoe zó, denk ik dan? Je hebt zelf toch ook armen? Neem die hamer lekker zelf mee. Als ze dat onprofessioneel willen noemen, tja… Kijk, dat je een doejong (red.: zeekoe) niet professioneel noemt, daar kan ik nog wel bij komen. Ik bedoel, die doen echt niks de hele dag behalve een beetje ronddrijven onder het wateroppervlak. Maar wat wij doen, als beveiligers van een marinebasis, dat’s geen kattenpis. Je moet altijd paraat zijn voor de vijand, en als het nodig is moet je ze, boem, in één klap doodslaan. En heb je enig idee hoe koud dat poolwater is? Je hoort mij niet zeggen dat niemand daar nooit eens over geklaagd heeft, de hele dag in ijskoud water op honderden meters diep, brrr… En wat krijg je voor al dat gesnorkel? Soms niet meer dan een halve vissenkop.’

Volgens Belaya breekt maar langzaam het besef door dat witte walvissen geen flierefluiters zijn, maar een vlijmscherpe blik hebben en een uitstekend geheugen. ‘Veel mensen denken dat beloega’s een soort schattige dolfijntjes zijn. En dat klopt niet.’

Gepost in Columns, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Ventieltjes, proza om het gemoed te luchten, door Ruud Minnee

APPEL

‘Het staat hier toch echt’

– Vezels

– Vitamine A, B1, B2, B6, B12, en itamin C

– Natrium

– Kalium

– Calcium

– Magnesium

– Fosfor

– Ijzer

– Koper

– Zink…

‘Dat kan wel zijn Eva,

maar ik hoef geen appel.’

 

DURF

Werd besprongen door een diepe durf. Liep zonder dralen door het rode licht, en niemand, niemand hield me tegen. Ik was mijn angst overgestoken en knipte alle weerstand door met iets dat soepel en scherp was en makkelijk in de geest ligt. Kocht voor het statiegeld van mijn dromen iets tastbaars om ze uit te laten komen. Belandde hiermee volgenoten aan de overkant, maar toen ik achteromkeek stond ik nog op dezelfde plek, wachtend op het groene licht. Heb zelfs de oversteek niet overwogen, want thuisgekomen lag ik nog op bed, starend naar een zwijgzaam plafond.

 

BUCKET LIST

Boven de Gooi en Vechtstreek bungelt Ronald-Jan van Scheepspenning aan een parachute, gehuld in een hagelwitte smoking. Terwijl hij langzaam naar beneden wiegt, geniet hij van wat Strottarga bianco kaviaar. Deze actie stond al een tijdje op zijn bucket list. Op datzelfde moment, ergens op de Middellandse zee, is Ananda Abasi uit Ghana bezig met zijn ‘bucket list’. Dat wil zeggen, hij is koortsachtig aan het bedenken hoe hij met een emmertje zo snel mogelijk kan voorkomen dat zijn gammele bootje zinkt….

 

ONBEGRIJPELIJkHEID

Op het ‘Bureau ter Bevordering van de Onbegrijpelijkheid’ hangt een nerveuze sfeer. ‘Elke willekeurige opsomming van twee of meer letters uit het alfabet levert een afkorting van een bestaande organisatie, syndroom, ziekte of wet op. Is dat niet verontrustend?’ denkt Johan Jobsik hardop. ‘We zijn door onze lettercombinaties heen!’
    ’Gelukkig hebben we het AVG nog (Algemene Verordening Gegevensbescherming),’ gaat zijn collega hierop in. ‘Een ingenieuze warboel aan toestemmingsverklaringen, gegevensbescherming, privacy regulering, datalek-protocollen en ga zo maar door. Dat moet genoeg zijn om ook deze keer voldoende stresskippen met een enkeltje naar het hiernamaals te sturen. Nee, m’n beste Johan, Ik denk dat we ons geen zorgen hoeven te maken. Wij halen ons quota wel weer dit jaar.’

 

MUSICAL

Ben uit het Circustheater gevlucht
Het gejammer werd me echt te veel
Die eindeloze brij van jij, mij, blij 
Zij aan zij en samen zijn we vrij

Ik rende langs het Scheveningse strand
Maar tussen het krijsen van de meeuwen
Hoorde ik mijn achtervolger schreeuwen

De woede achter mij won snel terrein
Het werd een ongelijke strijd, ik kon niet meer
En mijn lichaam zakte bij de vloedlijn neer

De belager greep me bij de keel
En vlak, voor ‘t bewustzijn mij verliet
Zag ik een gezicht dat ik direct herkende
Het was Joop… Joop van den Ende
 

DELEN

‘Een halve ton per maand Trudy! Mijn werknemers komen niet eens aan de vijftienhonderd. Ik moet het compenseren. Het is gewoon niet eerlijk.’
    Zijn vrouw kijkt hem stralend aan: ‘Oh, Govert-Jan, ik had zo gehoopt dat je geweten zou gaan spreken. Wat heerlijk. Je bent een schat!’
    Met een schok wordt Govert–Jan wakker, het zweet parelt op zijn voorhoofd. 
    ‘G-J, wat is er in hemelsnaam…?!’ Zijn vrouw kijkt hem verschrikt aan. 
    ‘Ik had een afschuwlijkje nachtmerrie Trudy. 
    ‘Waarover dan? 
    ‘Delen Trudy, het ging over delen.’
    ‘Delen?!’ roept Trudy uit. ‘Oh mijn god, wat afschuwelijk! Ach, arme, arme jongen.’

*

Lees meer »

PAPAE NERVOUS

In 2066 kon de wereld zich verheugen op de tweede Nederlandse paus in de geschiedenis. De eerste, Adrianus Vl, mag overigens nauwelijks naam hebben. Hij bekleedde de functie slechts een jaar (1522–1523). Zijn ‘opvolger’, de uit Heerlen afkomstige Johannes, Hendrikus, Andrea Bernardus was vast van plan dit zielige record royaal te breken. Los van de intentie het legendarische Bedankt voor de bloemen voor het eerst accentloos over het Sint-Pietersplein te doen laten schallen, had hij de aanhef van zijn eerste Urbi et orbi volledig in het Latijn opgesteld. Een bombastisch intro dat bol stond van metaforen: over de wil van mensen, het ego, de vele aspecten van lucht en water, de kracht van amfibieën, die in beide elementen kunnen voortbestaan en de verraderlijke schoonheid van de vrouw. Maar de zenuwen speelden hem dusdanig parten, dat eenmaal op het balkon verschenen, er niet veel meer over zijn trillende lippen kwam dan de zinsnede seis quid volo inflatable crocodilus ad inde expellam inter decoras mulieres. Wat zoiets betekent als: weet je wat ik wil, een opblaaskrokodil om daar mee te drijven tussen de lekkere wijven….
 

INFILTRANT

Het wezen bevindt zich in een kale, helverlichte ruimte. Zijn tentakels maken hoekige gebaren en uit het knokige lichaam komt een doordringend, schel geluid. Het doet verslag aan zijn soortgenoten, die tevreden zoemen. Deze infiltrant bleek het ultieme wapen om de aarde beetje bij beetje te vernietigen. Even later loopt het nu volledig getransformeerde wezen, door de gangen van het Witte Huis. Een passant groet hem beleefd: ’Goodmorning Mister President.’
 

ERICA

Erica kromde haar rug, deed haar gebit uit en zette een raar stemmetje op. Toen ze ook nog wist te melden dat de Tsarina theedronk uit een samovaar, was de waarheidscommissie overtuigd. De dames maakte een reverence, de heren salueerden. Het onderwerp van hun diepe devotie probeerde ondertussen haar gebit weer in te doen, uitroepend: ‘Na zdorovje! Na zdorovje!’
Haar zakwoordenboekje, Russisch voor beginners, viel uit haar Jumbo-boodschappentas. Voor de commissieleden was er echter geen twijfel meer mogelijk. Ze stonden oog in oog met de legendarische, dood gewaande jongste dochter van Tsaar Nicolaas de ll… Anastasia Nikolajevna Romanova.
 

DE BUURTMANAGER

‘Goedemorgen, de buurtmanager.’
‘De buurtmanager?’
‘Ja, heeft u geen bericht ontvangen?’
‘Nee, we waren met vakantie en…’
‘De buurtmanager herstelt de sociale contacten in uw wijk. Eens even kijken… u kunt deze week kiezen uit: A: een bezoekje aan mevrouw Veenstra, hier aan de overkant; B: wandelen met meneer De Goey op nummer 43; of C: het organiseren van een buurtbarbecue.’
‘Oh, nee, daar begin ik echt niet aan…’
‘Dan kunt u kiezen uit de volgende sancties: A: uw gas wordt twee weken afgesloten; B: een parkeerverbod; C: uw vuilnis wordt de komen drie maanden niet opgehaald.’
 

TEKENING

‘Ik heb wolkenkrabbers gebouwd in New York, Tokio en Abu Dhabi,’ verzuchtte de befaamde en gelauwerde architect en emeritus-hoogleraar aan de TU Delft, Jan-Jaap Geuzehoepel – Bakschnabel. ‘Kilometerslange bruggen in Alaska en alles daartussenin. Ik heb alle prijzen gewonnen die er op dit gebied te winnen zijn, maar ik zou het allemaal inruilen als mijn vader eindelijk iets zou zeggen over mijn tekening van Barbapapa…’
 

*

DA’S PAS KRAS

Een paar honderd meter van de bus vonden ze de macabere resten van het reisgezelschap: schedels, botten, een aantal kunstgebitten en een paar heupprotheses. De deelnemers aan de seniorenreis van KRAS, de ‘Bonusai Bush Tour’, werden overrompeld door de laatste nog praktiserende kannibalenstam, de Hakabouri. Een slachtpartij was het gevolg. De twee hartsvriendinnen uit Boskoop, die als enigen de nachtmerrie hebben overleefd, zijn zwaar getraumatiseerd. Niet eens door de verschrikkingen die ze hebben meegemaakt maar meer door het feit dat de Hakabouri de twee vriendinnen zo onsmakelijk vonden dat ze van het menu werden geschrapt
 

VRIENDIN

De licht dementerende mevrouw Van Beveren was maar wat blij met haar vriendin. Ze praatte met haar over koetjes en kalfjes en samen keken ze naar omroep Max. Op een zonnige middag trakteerde mevrouw Van Beveren  zichzelf en haar vriendin op een advocaatje. ‘Lekker hè?’ kraaide ze het uit. Maar in plaats van een instemmende reactie kwam er rook uit haar vriendin. Vol ontzetting greep mevrouw Van Beveren haar vast, maar werd hierbij getroffen door een enorme schok. Een kortsluiting had haar pacemaker volledig ontregeld. En zo werden ze gevonden, naast elkaar liggend op de grond. Een zorgrobot kan slecht tegen advocaat…
 

TEGENVALLER

Ben nu een week of zes dood, maar het valt bitter tegen, had er meer van verwacht: iets lichter dan licht, zachter dan zacht, schoner dan schoon. Dacht mijn geliefden weer te zien, excuses aan te bieden en te krijgen. Voorbijgelopen geluk aan te spreken en gepasseerde wegen in te slaan. Maar ik zit hier alleen in een huisje, tussen talloze andere huisjes. Het enige vermaak komt van een animatieteam, gevuld met B-artiesten die door moord, vliegtuigcrash of overdosis tot dit bizarre oord zijn veroordeeld. Het is eigenlijk niets meer dan een bungalowpark. Met een subtropisch zwemparadijs, dat dan weer wel.
 

BBE

Johan had de leeftijd bereikt waarop testosteron de lichaamssappen doorgaans begint om te zetten in lava. Er ging geen dag voorbij of zijn puberbrein was goeddeels gevuld met het voluptueuze figuur van de buurvrouw. Toen deze haar adembenemende lichaam letterlijk wilde blootstellen aan het zonlicht, klom Johan op de schutting, maar voor hij zijn ogen de kost kon geven waar ze zo naar verlangden, gleed hij uit en stortte met een ijle, nog baardloze kreet ter aarde. De buurvrouw kreeg de schrik van haar leven. Johan een bijna-blootervaring.
 

GFT

De bel! Mijn god, alles is verloren, denkt Gerard… Hevig transpirerend opent hij de deur. In de opening staren twee agenten hem fronsend aan. ‘Goedemorgen,’ zegt een van hen. ‘Wij hebben dit gevonden in uw afvalcontainer,’ en uit een vuilniszak trekt hij een stuk been waar nog een naaldhak aan bungelt. Gerard zinkt snikkend op de grond. ‘Ik beken, ik …ik…’ Hij voelt een hevige druk op zijn borst. ‘Wilt u dit organische materiaal voortaan in uw GFT bak doen,’ zegt de agent. ‘Prettige dag nog,’ zegt zijn collega. Gerard voelt zijn hart onregelmatig bonken, dan stopt het.

Gepost in Columns, Proza | Getagged | Plaats een reactie

Leo, door Tijl Nuyts

1

er woont een boze koning
in mijn borst

ik sla geen mea culpa
maar voed hem vogelzaad
omdat iedereen dat doet

wanneer we ’s morgens
rond de tafel zitten
gezichten naar de muur

ziet men onze baarden oplichten
als brandschone rechthoeken

we gloeien
maar enkel in het donker

 

2

Leo’s buste van vogelzaad
biedt voeding voor het nest

nestbevuilers zegt men
nestbeveiligers zegt men

een duif voelt zich belangrijk
omdat hij voor duizend toeschouwers
op Leo’s schouders heeft gescheten
misschien is de duif inderdaad belangrijk
maar kakken kan iedereen

wanneer de avond valt
wordt op het witte vlak onder Leo’s kin
een diavoorstelling afgespeeld

 

3

Leo geeft ruiterlijk toe
dat hij fouten heeft gemaakt
dat doet hij vanop zijn stenen paard
starend in een zon die ondergaat

’s nachts klonteren meningen
samen tot een krijtwitte maan
die minzaam glimlachend
boven de hoofden van de
bezoekers hangt

Leo opent zijn armen
en omhelst de bekentenissen
die wij niet over onze lippen krijgen
als dartele veulens draven we met hem
van witte vlek naar witte vlek

daarna gaan we douchen

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Peter Veen, Valwind. Zeer korte verhalen.

valwind-omslag-voorkant
<<
De ingezette dood>> – Chrétien Breukers

Peter Veen, Valwind. Zeer korte verhalen. Nieuw-Schoonebeek 2019 (Uitgeverij Dizzend)

 

 

 

Recensie

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , | Plaats een reactie

Leo’s begrafenis, Ries Roowaan

Vandaag was mijn begrafenis. Eerlijk gezegd heb ik daar de laatste dagen nauwelijks aan gedacht. Zo vreemd als dat wellicht klinkt. Natuurlijk zag ik het aankomen maar evengoed ging ik er telkens weer snel aan voorbij, alsof het niets met mij te maken had. Pas vanochtend drong volledig tot me door, wat er stond te gebeuren, toen pas ging het licht aan.
    De hele tijd waren mijn gedachten heen en weer gegaan, heen en weer, telkens weer dacht ik terug aan het moment dat ik in een smalle, peperdure, volgens sommigen ook licht ordinaire hoofdstedelijke winkelstraat wandelde en de wereld helemaal in orde leek. Er was nauwelijks verkeer, slechts af en toe een auto, een enkele fietser en verder alleen maar wandelaars. Elk geluid klonk gedempt, alsof er een plaid over het trottoir lag en de echo van mijn voetstappen zachtjes van de gevels klotste. Ik keek naar de andere kant van de straat, die al in de schaduw lag. Werkelijk alles gaf mij een diep gevoel van rust. Het was zo’n zeldzame dag dat alles klopt, precies op het kantelpunt tussen zomer en herfst.
    Dat was dus het ene moment. Het volgende moment was van een heel andere orde, van een volledig onvergelijkbare orde. In mijn ooghoeken zag ik een lichtflits die nog in dezelfde fractie van een seconde tot monsterachtige proporties uitgroeide. Met een razende snelheid, veel te snel om het te registreren, laat staan te kunnen reageren, kwam een moordende drukgolf en een withete vuurzee recht op mij af. Voordat ik met mijn ogen kon knipperen, was ik dood. Sindsdien zweef ik door de straten van Amsterdam. Tamelijk doelloos, mag ik wel zeggen.

*

Een week na die onfortuinlijke septembermiddag was het tijd voor mijn teraardebestelling. Overigens moet ik bekennen niet eens te willen gaan. Die begrafenis kan ook wel zonder mij plaatsvinden, dacht ik. Wat moest ik daar? Ik heb niets meer met mijn oude lichaam, dat is voorbij, het is kapot, niet meer te repareren. Vanaf nu zal ik het zonder moeten doen. Opeens, kort voordat het zou beginnen, dacht ik er evenwel anders over: het ging niet om mijn lichaam, dat was van ondergeschikt belang. Tijdens de plechtigheid zou afscheid worden genomen van mij als persoon – van Leo Hogeler, bij leven en welzijn pianoleraar. Weten zij veel dat je ook zonder lichaam kunt bestaan. Toen ik nog leefde, meende ik net als het merendeel van mijn landgenoten dat met het lijf alles zou verdwijnen. Dood is dood, het Grote Niets, dacht ook ik. Blijkt het niet het Grote Niets, maar de Grote Verveling te zijn. Want daar was ik al snel achter: het bestaan in mijn huidige toestand is niet bijzonder enerverend. Om het zachtjes uit te drukken.
    Mijn broer heeft de begrafenis geregeld. Wie anders? Mijn vader en moeder zijn al enkele jaren geleden overleden en naast Johan had ik niemand. Achteraf bezien is het triest dat we het nooit met elkaar hebben kunnen vinden. Met de in totaal zeven neven en nichten had ik evenmin veel contact. Afgezien van mijn broer waren zij mijn enige verwanten. Van de zes ooms en tantes is alleen nog een zuster van mijn vader over en zij is al jaren volledig dement.
De uitvaart werd niet bijster goed bezocht. Het was karig, erg karig. Uiteraard was Johan aanwezig, samen met zijn vrouw, daarnaast een goede vriendin, nog een vriendin, een vage vriend, tot mijn verbazing was ook Maurice, een nog veel vagere vriend, gekomen en tot slot had mijn voormalige buurvrouw zich bij het gezelschap gevoegd. Bovendien was er een man van middelbare leeftijd die ik niet kende. Geen idee, wat hij kwam doen. Zijn kleding viel in ieder geval behoorlijk uit de toon: hij had een hoed op en droeg een regenjas, ondanks de warmte. Al die tijd hield hij zich een beetje afzijdig en leek iedereen nauwlettend in de gaten te houden.
    Wie er allemaal niet waren? Om te beginnen was geen enkele leerling gekomen. Blijkbaar bestond ik zonder piano eenvoudigweg niet. Evenmin gaf een van hun moeders acte de présence, ook niet degenen die mij goed hadden leren kennen. Ik bedoel: echt goed hadden leren kennen. Ja, waar waren al die minnaressen? Waren ze te beroerd om zelfs maar een paar uur vrij te maken voor mijn begrafenis? Te druk met shoppen, bezoekjes aan de nagelstudio, lunchen met een vriendin? Je zou verwachten dat ze afscheid zouden willen nemen van het lichaam dat nu weliswaar kapot is, maar hun tot voor kort toch veel plezier had bezorgd. Want daar was Leo wel goed voor, maar een laatste keer langskomen was blijkbaar teveel moeite. Ze moeten toch hebben gemerkt dat ik tijdens de pianoles niet op was komen dagen en ook de telefoon niet opnam. Als ze al de moeite hebben genomen om te bellen.
    Er was één troost: het prachtige weer. De wereld was een en al zonlicht. Ook de lucht schitterde: volkomen wolkeloos, helemaal blauw, alsof iemand de moeite had genomen om zelfs het kleinste spoortje wit weg te retoucheren. Het was glorieus. En overal zag ik lieveheersbeestjes. Op elke muur, op elke deur zaten tientallen kleine rode kevers met zwarte stippen. Nooit eerder had ik ze in zulke aantallen gezien. Waren het insecten van een andere soort geweest, dan had iedereen van een plaag gesproken, maar dit was een ander verhaal. De honderden, duizenden Pieternelletjes – in fraai Engels Lady Beetles of in even mooi Duits Marienkäfer – herinnerden me aan het behang van mijn kinderkamer. Mijn bed stond tegen een muur vol lieveheersbeestjes met veel te grote gezichtjes, sommige haast menselijk, andere eerder karikaturaal. Het maakte de cirkel rond, alsof de natuur zelf, in de gedaante van die roodzwarte kevertjes, afscheid kwam nemen.

*

Waarschijnlijk is het voor Johan niet eenvoudig geweest om mijn begrafenis te organiseren. Ik had niets geregeld, niets vastgelegd, zelfs geen testament gemaakt, dat leek me overbodig, alles ging sowieso naar hem. Nooit heb ik willen aangegeven wat mijn voorkeur had: begraven of cremeren. Bij leven en welzijn kon ik voor geen van beide opties enig enthousiasme opbrengen. Of ik nou onder anderhalve meter tuinaarde zou komen te liggen of in een hels vuur van meer dan duizend graden Celsius verstookt zou worden – ik vond het allemaal even angstaanjagend. Ik heb er nooit over willen nadenken.
    Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik altijd nogal zenuwachtig werd van de gedachte aan het verglijden van de tijd. Ik was bang om oud te worden, rimpels te krijgen, voor kleine en grote kwaaltjes, lelijk worden, voor alles dat op den duur in je leven komt en nooit meer verdwijnt. Het punt is namelijk dit: vanaf een zeker moment wordt het niet meer beter, hooguit slechter. De aarde gaat maar door met draaien, om de eigen as, dag na dag, van licht naar donker naar licht, jaar na jaar, rondom de zon, door knisperende voorjaarsochtenden, zomerse hittegolven, novemberstormen en plotselinge sneeuwbuien. Ogenschijnlijk verandert er niets. Maar dat is puur gezichtsbedrog, een illusie, een fata morgana, want elk jaar sta je een stukje dichter bij je graf.

*

Op de keper beschouwd blijft er niet veel over van een mensenleven. Waarschijnlijk gooit Johan straks het grootste deel van mijn meubels op de vuilnisbelt. Hij heeft zich zo vaak minachtend uitgelaten over mijn spullen, mijn oude, licht versleten stoel, de eettafel van onze ouders, mijn antieke kussenkast. Mijn vleugel is veel waard en ik neem aan dat hij die zo snel mogelijk te gelde zal maken. Misschien dat hij een paar boeken onder zijn hoede neemt, wat officiële papieren, diploma’s en dergelijke, enkele foto’s. Maar de rest gaat allemaal weg, ben ik bang.
    Het enige wat blijft, zijn de herinneringen, alledaagse herinneringen: de muziek, de vrouwen, zwemmen tijdens een zomeravond. Dat deed ik altijd graag, nooit in het zwembad, altijd in een meer net buiten de stad, tijdens vakanties soms in een riviertje: het zachte kabbelen van het water in de wind, de zon die al is verdwenen en een grijzig licht achterlaat, bomen op de oever, ruisende bladeren, stemmen van ver, als echo’s uit een vorig leven, een hond die luid blaffend heen en weer rent en zenuwachtig jankt totdat hij eindelijk in het water durft te springen.
    Dat is nu allemaal weg, alleen omdat ik op een doodnormale woensdagmiddag door een Amsterdamse winkelstraat slenterde en van de rust genoot. Totdat een lichtflits en vuurstorm alles veranderde. Een paar tellen later zweefde ik boven mijn eigen stoffelijke resten. Mijn rechterbeen was onder de knie vrijwel geheel afgerukt. De linkerarm was zelfs helemaal verdwenen. Bij mijn schouder zag ik een halfrond wit stuk in een rode en paarse smurrie. De rest van mijn lichaam was in een niet veel betere staat. Dat had ik te danken aan een extremistische organisatie die zich sinds jaar en dag voordoet als een mondiale liefdadigheidsinstelling, maar zich inmiddels uitsluitend nog op aanslagen schijnt te richten.
    Was ik op een andere dag gaan winkelen, dan was er niets gebeurd. Had ik twee straten verderop gelopen, ook dan was er niets gebeurd. Dit was een overduidelijk geval van slechte timing, maar ik neem aan dat iedere dode, uiteraard elk op de eigen manier, tot die conclusie komt. Hoe zou je anders aan deze kant kunnen belanden en de eigen uitvaart meemaken?

*****

(Ries Roowaan (geboren in Utrecht, maar sinds jaar en dag woonachtig in Amsterdam) is historicus, gespecialiseerd in de moderne Europese geschiedenis. Een zo goed als compleet overzicht van zijn academische, journalistieke en literaire publicaties is te vinden op www.roowaan.nl. Op dit moment werkt hij aan een roman die de titel Verloren stad zal dragen.)

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Lusthofstraat, door Manuel Kneepkens

Ik wist niet dat het woord Lust
zo mediterraan van huid was

Ik wist niet dat de Barmhartige (Ar Ramaan)
twee kleine borsten had
alsook een hoffelijke schoot

En ik wist niet, dat zij, de Liefste
hokte
boven de halal slager in de Lusthofstraat

             O, Lof der Zotheid…

Ik, Erasmus’

                       Muze
                          L
                       man

 

Ik wist dat niet!

Ik las de Bello Turcico

                   de Turkenkrijg!

Erasmus, geef mij maar Turks Fruit
met Monique van de Ven & Rutger Hauer †

Gepost in Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Recensie: Monika Sauwer, Héloïse en het Inwonen 1947-1952

Heloïse en het inwonen

<<Subtiele laagjes onder het alledaagse>> – Arjen van Meijgaard

Monika Sauwer, Héloïse en het Inwonen 1947-1952, Amsterdam 2019 (Avanti)

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Het ware verhaal van de slang, Rob Verschuren

Als je denkt dat ik rood ben, met horentjes en bokkenpootjes, dan heb je het mis. Ik kan elke gedaante aannemen die ik wil. Die van jouw vrouw of jouw man bijvoorbeeld. Misschien doe ik dat nog wel eens.
    Ik kwam daar dus aanlopen in de gedaante die ik voor de gelegenheid had gekozen, vuurrood, met horentjes en bokkenpootjes. De vrouw slaakte een kreetje dat klonk als ‘ieeeek.’ De man begon te lachen en zei: ‘Krijg nou een paardenlul.’
    De vrouw, die naar mijn horentjes had gestaard, liet haar blik een stukje zakken en giechelde. Ik zei het al, elke gedaante die ik wil.
    Op gepaste afstand bleef ik staan en plantte mijn drietand in het Aards Paradijs.
‘Pleased to meet you,’ zei ik. ‘Hope you guess my name.’
    ‘Mag ik raden?’ jubelde de vrouw. ‘Wat leuk! Uh… Kareltje?’
    De man haalde zijn schouders op.
   ‘Namen heb ik vele, mevrouw,’ zei ik met een beleefde buiging, ‘maar er is altijd plaats voor meer. Men noemt mij Satan, Lucifer en Beëlzebub, de draak, de oude slang en de prins der duisternis. En Kareltje.’
    ‘Adam,’ zei de man, ‘aangenaam kennismaken.’
    ‘Eva,’ zei de vrouw, ‘blijf je voor de thee?’
    Toen we in de schaduw van een boom – een vijg, dacht ik – thee zaten te drinken, vroeg Adam: ‘Kwam je zomaar langs of was er iets?’
    Er was iets, ja. Maar dat wilde ik nog niet kwijt. Ik moest eerst meer weten over dit nieuwe experiment van God. Even tussendoor, pieker niet langer over de vraag waarom God de mens heeft geschapen. De aap viel hem nogal tegen, meer zit daar niet achter.
   ‘Zomaar,’ zei ik dus. ‘Ik was wat aan het wandelen en ik dacht: wat een mooie tuin. Is die van jullie?’
    ‘Ja,’ zei Eva.
    ‘Het is de tuin van God,’ zei Adam.
    Latere ervaringen met de species mens hebben mij geleerd dat je voor een rechtstreeks antwoord op een vraag bij mannen moet zijn. Voor alle andere antwoorden bij vrouwen. Ik richtte mij tot Adam. ‘Die ken ik wel, God. We zijn nog verre familie. Is het waar, Adam, dat God jullie heeft verboden van de vruchten in deze tuin te eten?’
    Adam schudde zijn hoofd en zei: ‘Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.’
    Ik keek naar de boom in het midden van de tuin. Daaraan hingen de mooiste vruchten van allemaal. Zuiver rond, met een dieprood blosje. Alsof God de verboden vrucht verleidelijker had willen maken dan alle andere. Daar zag ik hem wel voor aan.
    Ik zei op dezelfde overspannen toon als Adam: ‘Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.’
    Adam schudde zijn hoofd alsof hij er vanaf wilde: ‘God heeft gezegd: gij zult daarvan niet eten. Zo gij daarvan eet, zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.’
    ‘Een hapje kan toch geen kwaad,’ probeerde ik. Eva keek naar een bijzonder dikke en sappige vrucht die op plukhoogte hing.
    Nu werd Adam boos. Hij verhief zijn stem, en paradijsvogels vlogen krijsend en kwetterend op toen hij galmde: ‘Ook zal de aarde u doornen en distelen voortbrengen en in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt.’
    Goeiemorgen! Ik had hier te maken met de eerste fundamentalist. En dat zijn moeilijke mensen om te overreden. Ik besloot tot een tactische terugtocht. Er moesten andere manieren zijn. Ik dronk mijn kopje leeg en complimenteerde Eva met de subtiele smaak en het aangename aroma van de thee. Ze bloosde als een verboden vrucht. Terwijl ik wegliep, zwaaide ik lichtzinnig met mijn staart.
    ‘Wat een grappig mannetje,’ hoorde ik Eva zeggen.

Denk niet dat ik uit afgunst God dwars wilde zitten. Dat komt er wel bij natuurlijk, mijn collega-kwaadstichters van andere religies hebben allemaal een goddelijke status. Seth, Pan en Loki. Hades, Mara en Tezcatlipoca de Rokende Spiegel. Alleen ik ben uit de hemel gegooid en sta lager in het pandemonium dan de nederigste hulpengel derde klasse. Ik heb ook de pech dat ik moet opereren binnen een dictatuur. Geloof me, zo’n godenkermis als op de Olympus, dat werkt veel democratischer.
    Nee, ik deed het uit idealisme. Lach niet, ik weet waar je woont.
    Ik heb er op alle mogelijke manieren naar gekeken, maar ik kan niks goeds vinden in Gods verbod. Eerst de hele wereldbevolking lekker maken door te vertellen dat de verboden vrucht kennis verschaft en dan ‘mag niet’ doen met dat vervelende vingertje. Welke goede vader wil niet dat zijn kinderen wijs worden? Ik zie mezelf als een weldoener van de mensheid. De eerste revolutionair. Zonder mij zouden jullie allemaal koeien en ezels zijn en tevreden gras kauwen.

Ik hield de tuin in de gaten en wachtte mijn kans af. Op een ochtend zag ik Adam vertrekken met zijn hengel op de schouder. Ik ging meteen op zoek naar Eva. Ze zat onder de verboden boom haar haar te kammen met een twijgje. Ik kwam in de gedaante van een slang, want het was een mooie dag om te kruipen. In de nacht had het geregend en de aarde was koel en geurig.
    ‘Wie ben jij?’ vroeg Eva en ze wees naar me met het twijgje.
    ‘Kareltje.’
    ‘O. Ik herkende je niet meteen. Adam heeft gezegd dat ik niet meer met je moet praten.’
    Ik hief mijn driehoekige kopje op en keek rond. ‘Ik zie geen Adam.’
    Eva giechelde.
    ‘Eva, nog even over die vrucht.’
    Ze keek omhoog en ik zag haar tong over haar lippen glijden.
    ‘Kunnen slangen praten?’ vroeg ze, niet terzake doende.
    ‘Ja,’ antwoordde ik uit beleefdheid. Dat is trouwens een vraag die de geloofsgemeenschap door de eeuwen heen heeft beziggehouden. Vraag het maar aan Dr. J.G. Geelkerken, predikant te Amsterdam-Zuid. Die was zo onverstandig om te opperen dat de slang niet ‘zintuiglijk waarneembaar had gesproken’ en dat de schrifttekst als een metafoor moest worden opgevat. Hij werd zonder pardon uit de Gereformeerde Kerk gegooid en moest verder preken voor de afgesplitste splintergroep Gereformeerde Kerken Hersteld Verband. Rakkers zijn het, die fundamentalisten.
    Eva bleef naar die dikke, sappige vrucht kijken, zo rijp en zwaar dat het dunne takje waaraan hij hing gevaarlijk ver doorboog.
    ‘Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, met smart zult gij kinderen baren,’ mompelde ze spijtig.
    ‘Eva,’ zei ik, ‘kinderen zijn leuk wanneer ze klein zijn. En jouw kinderen zullen opgroeien met de kennis van goed en kwaad.’
    ‘Zullen mijn kinderen gelukkig zijn?’ vroeg ze. ‘Wat zullen ze doen?
    Ik keek in de toekomst. ‘Het zullen jagers en verzamelaars zijn.’
    ‘En mijn kleinkinderen?’
   ‘Jagers en verzamelaars.’
    ‘En mijn achter-, achter-, achter- …. zover als je kunt kijken?
   ‘Alle mensen zullen jouw nakomelingen zijn, Eva,  en ze doen vele dingen, die zeer verschillend zijn.’
    ‘Vertel me over eentje, Kareltje, zover als je in de toekomst kunt zien.’
    Ik keek zesduizend jaar vooruit en zag een vrouw die als twee druppels water op Eva leek. Alleen had ze tatoeages en siliconenborsten. ‘Ze werkt in een karaoke-bar en zit op kickboksen,’ zei ik. ‘In Vinkeveen.’
    ‘O,’ zei Eva.
    ‘Een heel klein hapje?’
    Eva keek weer omhoog. ‘Dan zal de Heere God voor Adam en mij rokken van vellen maken en die ons aantuigen.’ Haar mondje vertrok alsof ze iets vies proefde.
    ‘Maar Eva, daarmee worden kleren bedoeld en kleren maken elke vrouw nog mooier dan ze al is.’ Ik keek naar haar borsten en naar het donzige vachtje tussen haar benen. Toen keek ik naar haar gezicht en zag dat ze er niets van begreep.
    Ik liet mijn tongetje uit mijn bek flitsen, gevorkt, zoals eerder mijn staart, en siste een doodsimpel toverspreukje. Toen zei ik: ‘Kijk achter je.’
    Eva draaide zich om. ‘O,’ zei ze. Toen: ‘Ooooh!’
    Je kent die stangen op wieltjes die ze in kledingwinkels en boetieks hebben? Zo eentje stond nu achter Eva en er hing van alles aan. Avondjurkjes en topjes en merkjeans en bloesjes en lingeriesetjes met kanten randjes en een kort jasje van sabelbont.
    Verder was het een fluitje van een cent. Ik hoefde alleen nog maar een spiegel te toveren.
    Nadat Eva een flinke hap van de vrucht had genomen, nam ze een tweede hap. Ze opende haar mond voor de derde.
    ‘Hé,’ zei ik, ‘laat wat voor Adam over.’
    Ze liet haar hand zakken. ‘Dat is waar ook,’ zei ze, een beetje beduusd. ‘Maar hoe moet ik hem overhalen om te proeven?’
    Ik bekeek haar eens goed. Ze droeg het bontjasje en een rode string. ‘Dat moet geen probleem zijn. Je vraagt: Adam, hou je van mij? en hij zal antwoorden: van wie anders? Daarna gaat de rest vanzelf.’

En zo ging het.
    Na zesduizend jaar is het ware verhaal van de slang dus eindelijk verteld. Je weet nu waarom er magnetronovens en i-Phones en AbTronic X2 buikspiertrainers bestaan. Was je liever een koe of een ezel gebleven in het Aards Paradijs dan?

Gepost in Columns, Geen categorie, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Bouwstenen, door Erik Brus

Erik Brus leest zijn gedicht ʻBouwstenenʼ, dat gaat over het kunstwerk ʻArchitecture of Artʼ van Rolf Den Dunnen. Dit gedicht is geschreven ter gelegenheid van het ladekastproject (mei-juli 2019) in galerie Phoebus Rotterdam, waarin werk van Den Dunnen en anderen werd geëxposeerd.  Rolf Den Dunnen is een kunstenaar uit Rotterdam wiens reeks ʻArchitecture of Artʼ bestaat uit abstracte tekeningen in zwart en blauw en groen, gemaakt op Olympia typemachines. Dit werk is geïnspireerd op de ZERO-beweging van begin jaren zestig en met name op het werk van Jan Schoonhoven.

Erik Brus is een journalist en redacteur uit Rotterdam die boeken samenstelde over onder anderen Hans Sleutelaar en C.B. Vaandrager. Samen met Fred de Vries schreef hij Gehavende stad – muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu, Amsterdam 2012 (Lebowski). 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Jack van der Weide en Alfred Boland, Inktvingers, de stencilkunst van KNUST, 1983–2019

inktvingersJack van der Weide en Alfred Boland, Inktvingers, de stencilkunst van KNUST, 1983–2019, Nijmegen 2019 (Vantilt) – Chrétien Breukers

 

 

 

 

 

Recensies

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: J.M.A. Biesheuvel, Een Schiedamse jongen

Een Schiedams jongen, BiesheuvelJ.M.A. Biesheuvel, Een Schiedamse jongen, Schiedam 2019 (Scriptum) – Hein van der Hoeven

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Witte Donderdag op de Jericholaan, Manuel Kneepkens

Zonnige mevrouw Hasselblatt
ontmoette ik op lentedag aan de Jericholaan

O, al dat licht in mijngroothoeklens
Al die wolken ! Al dat lachende water

De Kralingse Plas weer piegelt mijn ziel…

Om haar, zo enthousiast  poëtografe
citeerde ik Sappho
die ooit tot de Kring van haar Geliefden sprak:

    Wij die mogen wonen in de tempel van de Muzen

    het past ons niet te klagen…

Samen
(‘Waar er twee in mijn naam verenigd zijn…’)
leegden wij drie kelken Merlot

en toen pas besefte ik dat het Witte Donderdag was
de dag van het Laatste Avondmaal

Christenen, dat is hun core business
willen almaar vergeven

maar hoe moet dat met een dichter
& een Vredesfotografe:

    Sjaloom in our time!

die zich bedrinken op Witte Donderdag

aan de weg van Hiroshima naar Nagasaki

aan de Laan van Jericho?

(uit Gelukkige dagen in Kralingen, work in progress )

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Rob van der Zalm, Couperus Cahier XVII: Tot leven gewekte verbeelding. Couperus en het toneel

cover Couperus-Cahier-XVIIRob van der Zalm, Couperus Cahier XVII: Tot leven gewekte verbeelding. Couperus en het toneel, Leiden 2019 (Louis Couperus Genootschap) – Chrétien Breukers

 

 

 

 

 

Recensie

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Recensie: Rob Van de Zande, Jong en Geliefder

jong en geliefder cover rob van de zandeRob Van de Zande, Jong en Geliefder, Oostakker (B.) 2018 (Uitgeverij Partizaan) – Jonas Bruyneel

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

«Het gaat vaker goed met de poëzie. Laat deze bloemlezing daar een bewijs van zijn.» – Roger Nupie

Recensie op de blog van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen over de poëziebundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien. Lees hier meer.

detail cover 10 voor 10

Gepost in Home, Poëzie, Poëziebundel '10 voor 10' | Getagged , , , , | Plaats een reactie