Extaze nummer eenendertig: ‘De eeuw van Gisèle’

Op donderdag 5 september werd de nieuwe Extaze: ‘De eeuw van Gisèle’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

E X T A Z E  B E S T E L L E N

cover Extaze 31

De eeuw van Gisèle

ESSAYS
Annet Mooij schreef een bijzondere biografie over de kunstenares Gisèle van
Waterschoot van der Gracht (1912–2013), waarin de omstreden literaire kring Castrum Peregrini een belangrijke plaats inneemt. De essays in Extaze 31 zijn op de thema’s
die in deze biografie voorkomen gebaseerd.
In Gisèle van Waterschoot en de kunst van het leven beschrijft Annet Mooij hoe Gisèle van haar leven een kunstwerk maakte waarbij ze fictie en verfraaiing niet schuwde. Vooral haar relatie met Castrum zag ze graag gecorrigeerd. Want, hoewel zij de pelgrims (peregrini) onderdak bood, werd het haar verboden bij vriendenfeesten en leesavonden aanwezig te zijn. Onno Schilstra herkent deze situatie in een kleine gouache, getiteld De Aspirant (tevens de titel van zijn essay), die hij aantrof in Gisèle’s atelier: drie personen staan, dicht bij elkaar, te smoezen, terwijl een vierde schuchter en nieuwsgierig toekijkt. Castrum Peregrini was het geesteskind van Wolfgang Frommel. Van de Duitse dichter Stefan George had hij een opvatting van pedagogie overgenomen die inhield dat oudere mannen jongens moesten uitkiezen om ze in te wijden in de geheimen van de poëzie en het leven. Plato’s Symposion diende als een van de voorbeelden van deze relatie. Piet Gerbrandy belicht in zijn bespreking van deze dialoog hoe Sokrates de priesteres Diotema volgt in haar opvatting dat erotiek, mits op de juiste wijze bedreven, tot diepe filosofische inzichten leidt. Maar, als het hier gaat om het contact tussen een oudere leraar en een jonge leerling, wie leert er dan meer? De eerste, zo interpreteert Gerbrandy Sokrates’ voortgaand betoog. Hij zal ondervinden dat innerlijke schoonheid waardevoller is dan de vergankelijke fysieke aantrekkelijkheid (Pedagogische eros).
Het is een visie die dicht bij Arjen Mulder’s interpretatie van het tweede deel van
Stefan George’s gedicht In der Stern des Bundes komt. Niet de jongen is hier degeen
die in de liefdesinitiatie getraumatiseerd raakt (dus: een ander mens wordt), het is
de dichter zelf die door de overgave aan zijn godheid voorgoed is veranderd
(Het eeuwige ogenblik van Stefan George).

Los van de ‘Gisèle-thema’s staat Hans Muiderman’s essay over de filmische schrijfstijl van Marguerite Duras (De verbeelding van Duras): de pen is als een camera.

KORTE VERHALEN
Annika van Bodegraven
Guido Eekhaut
Judith de Graaf
Ines Nijs
Inge Schollen

GEDICHTEN
Jonas Bruyneel
Maria van Oorsouw
Martine van der Reijden

BEELD
Florence Marceau-Lafleur

Vormgeving binnenwerk, omslag en afbeelding omslag: Els Kort

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 31, de nabeelden

Donderdagavond 5 september werd het eenendertigste nummer van Extaze gepresenteerd, met als rode draad ‘De eeuw van Gisèle’, de biografie van Annet Mooij, belicht vanuit verschillende disciplines. Annet Mooij liet haar licht laten schijnen over over het werk en het leven van Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912–2013), en nam het reilen en zeilen binnen Castrum Peregrini onder de loep. Piet Gerbrandy hield een voordracht over ‘pedagogische eros’.
Onno Schilstra besprak de kunst van Gisèle aan de hand van geprojecteerde beelden, Martine van der Reijden droeg enkele van haar gedichten voor en Klaas Trapman sloot de avond af met een piano-uitvoering van Lamentations et Consolations opus 17 van Siergiej Bortkiewicz, waarvan de no. 1-6. Naast de optredens was er een pop-up tentoonstelling te zien van beeldend kunstenaar Florence Marceau-Lafleur.
Haar tekeningen zijn te bewonderen in Extaze 31.
De presentatie was in handen van Cor Gout, licht en geluid: Anton Simonis (Adesign).
Hieronder de ‘nabeelden’ van fotograaf Eric de Vries.

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk 5/9:
pop-up tentoonstelling van Florence Marceau-Lafleur

Donderdagavond 5 september is de presentatie van
het eenendertigste nummer van Extaze: ‘De eeuw van Gisèle’.
Naast optredens van Annet Mooij, Piet Gerbrandy, Onno Schilstra, Martine van der Reijden en Klaas Trapman, richt beeldend kunstenaar Florence Marceau-Lafleur speciaal voor deze avond een pop-up tentoonstelling in.
Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur.
Entree: € 10,00 met gratis consumptie in de pauze (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl

extaze 1

Ongeveer twee jaar geleden werd mijn aandacht getrokken door een begrip uit de biologie: de zogenaamde Body Surface Area. Deze verwijst naar de precieze afmeting van het oppervlak van een menselijke huid. Het lichaamsoppervlak van een persoon kan worden berekend op basis van zijn of haar lengte en gewicht. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om op een oppervlak te tekenen dat gelijk is aan dat van mijn huid, en zo paste ik de formule op mezelf toe, en sneed een stuk papier in het juiste formaat, dat wil zeggen: 1,6549 vierkante meter. Hoe evenredig ook, het oppervlak voelde groter aan dan ik.

De tekeningen bevatten elementen van een menselijk lichaam, maar verwijzen ook naar andere schalen, kleiner of groter dan de menselijke maat. Wat werd gedacht als een zelfportret wordt een landschap, wat werd gedacht als een gevonden object wordt een figuur waarmee ik me kan identificeren. Net als in de schilderijen van Gisèle spelen mijn beelden met dubbele betekenissen, evenals de herkenning van de menselijke vorm in
niet-menselijke voorstellingen.

Het grote werk bestaat uit mijn precieze lichaamsoppervlak, gemeten op 14 augustus.
De kleine werken, die in Extaze zijn afgedrukt, maken deel uit van een doorlopende serie. Eenmaal klaar, zal het oppervlak van deze kleine werken samen gelijk zijn aan die van mij.

Gepost in Home | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

5 september, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 31:
‘De eeuw van Gisèle’

Extaze in de Houtrustkerk 31

Het onderwerp van Extaze 31 zijn de thema’s die voorkomen in Annet Mooij’s bijzondere boek ‘De eeuw van Gisèle. Mythe en werkelijkheid van een kunstenares’, waarin de omstreden literaire kring Castrum Peregrini een belangrijke plaats inneemt.
In Gisèle van Waterschoot en de kunst van het leven beschrijft Annet Mooij hoe Gisèle van haar leven een kunstwerk maakte waarbij ze fictie en verfraaiing niet schuwde. Vooral haar relatie met Castrum zag ze graag gecorrigeerd. Want, hoewel zij de pelgrims (peregrini) onderdak bood, werd het haar verboden bij vriendenfeesten en leesavonden aanwezig te zijn. Onno Schilstra herkent deze situatie in een kleine gouache, getiteld
De Aspirant (tevens de titel van zijn essay), die hij aantrof in Gisèle’s atelier: drie personen staan, dicht bij elkaar, te smoezen, terwijl een vierde schuchter en nieuwsgierig toekijkt. Castrum Peregrini was het geesteskind van Wolfgang Frommel. Van de Duitse dichter Stefan George had hij een opvatting van pedagogie overgenomen die inhield dat oudere mannen jongens moesten uitkiezen om ze in te wijden in de geheimen van de poëzie en het leven. Plato’s Symposion diende als een van de voorbeelden van deze relatie.
Piet Gerbrandy belicht in zijn bespreking van deze dialoog hoe Sokrates de priesteres Diotema volgt in haar opvatting dat erotiek, mits op de juiste wijze bedreven, tot diepe filosofische inzichten leidt. Maar, als het hier gaat om het contact tussen een oudere leraar en een jonge leerling, wie leert er dan meer? De eerste, zo interpreteert Gerbrandy Sokrates’ voortgaand betoog. Hij zal ondervinden dat innerlijke schoonheid waardevoller is dan de vergankelijke fysieke aantrekkelijkheid (Pedagogische eros). Het is een visie die dicht bij Arjen Mulder’s interpretatie van het tweede deel van Stefan George’s gedicht
In der Stern des Bundes komt. Niet de jongen is hier degeen die in de liefdesinitiatie getraumatiseerd raakt (dus: een ander mens wordt), het is de dichter zelf die door
de overgave aan zijn godheid voorgoed is veranderd
(Het eeuwige ogenblik van Stefan George).

Los van de ‘Gisèle-thema’s staat Hans Muiderman’s essay over de filmische schrijfstijl van Marguerite Duras (De verbeelding van Duras): de pen is als een camera.
In dit nummer voorts korte verhalen van Annika van Bodegraven, Guido Eekhaut, Judith de Graaf, Ines Nijs en Inge Schollen. De gedichten zijn van Jonas Bruyneel, Maria van Oorsouw en Martine van der Reijden en het beeldend werk
is van Florence Marceau-Lafleur.

Tijdens de presentatie van Extaze 31 zal Annet Mooij haar licht laten schijnen over over het werk en het leven van Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912–2013), en het reilen en zeilen binnen Castrum Peregrini onder de loep nemen. Oprichter van deze kring, Wolfgang Frommel, had van de Duitse dichter Stefan George een opvatting van pedagogie overgenomen die hierboven al beschreven staat. Piet Gerbrandy houdt een voordracht over deze ‘pedagogische eros’. Onno Schilstra bespreekt de kunst van Gisèle aan de hand van geprojecteerde beelden, Martine van der Reijden draagt enkele van haar gedichten voor en Klaas Trapman sluit de avond af met een piano-uitvoering van Lamentations et Consolations opus 17 van Siergiej Bortkiewicz, waarvan de no. 1-6.
 
Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 met gratis consumptie in de pauze (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

cover Extaze 31

De nieuwe Extaze is verkrijgbaar vanaf 5 september
(Alle nummers zijn direct hier te bestellen) 
Vormgeving binnenwerk, omslag en afbeelding omslag: Els Kort

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Tegen de avond begin ik met schrijven, Willemien de Rooy

 ‘s Nachts word ik wakker met moeie armen, het lijkt of mijn bloed stroop is en moeilijk door mijn aderen stroomt. Ik denk dat ik zware dromen heb en al herinner ik me deze dromen niet, het gevoel in mijn armen en handen is het weinige wat ervan overblijft. Maar het is niet weinig, het is veel en fysiek, en verwar dat niet met gedachten of met een emotioneel gevoel. Waarom dan wakker worden, waarom niet gemakkelijk weer inslapen?        

Tegen de avond begin ik met schrijven, maar eerst is er de hele dag. Een dag met veel werk, niet altijd heel zwaar, maar meestal wel ingewikkeld. De wandeling met de hond tussen de middag, het eten van een broodje, het is allemaal heel fijn, maar ik ervaar het als heel kort, alles heel snel, en dan vlug weer aan het werk. Mijn Sisyphusarbeid: geen uitzicht op betere tijden. Vroeger dacht ik niet aan de toekomst, dus maakte ik me niet te sappel over de dingen waar anderen op twintig- of dertig jarige leeftijd zich mee bezighouden. Zorgen voor een huis, vastigheid, toekomst, pensioen, wat niet al.  Ik had er geen weet van, wilde er geen weet van hebben. Allerlei huishoudelijke apparaten die mensen van mijn leeftijd in die tijd kochten, deden me niks. Ik maakte mezelf wijs dat ik geen huishouden had, maar allengs sluipt het erin: eten klaarmaken, gasten ontvangen, spullen kopen, sociale verplichtingen aangaan. En deed ik niet mee met het huwelijksspel? Me geborgen voelen in een relatie? Natuurlijk gebeurde dat. Heel subtiel sluit het net zich om je heen, want hoeveel vrijheid kun je eigenlijk aan?

Tegen de avond begin ik met schrijven en dan is het een genoegen, een genot ook, dat ik niet langer kritisch naar mezelf hoef te kijken. Die altijd zorgelijke blik naar mezelf: doe ik het wel goed, is het wel de moeite waard?

Ik sluit mijn ogen.

Eindelijk ben ik geen boekverkoper meer, ook al verkoop ik nog boeken. En hoe vaak vroeg ik me niet af of ik nu bijna gelukkig was. Met het schrijven is het anders, al schrijvend krijg ik direct een voldaan gevoel.

*

Ik ben nog boekverkoper.
In deze veranderende wereld, in onze snel veranderende wereld, zie ik ook de boeken veranderen. Ik ben boekverkoper en als ik de boeken niet meer kan verkopen, komen ze verhaal bij me halen. Als ik ze verkoop maak ik er een ander mens of blij of gelukkig of ongelukkig mee. Als ik ze niet verkoop kan ik ze weggooien, een daad van wanhoop van het ergste soort, of ze oppakken, bekijken, er iets uithalen, er op een andere manier mee omgaan. Is het zo vreselijk om boekverkoper te zijn? Niet wanneer je er geen moeite mee hebt een Sisyphus te zijn, en anders misschien ook niet. Als ik er goed over nadenk, ben ik altijd een zwerver geweest of een Lijsje Lorresnor.  Met mijn blik gericht op koopwaar. De tijd van het prachtige boek met plaatjes, met verrassingen, met geheimen, is die voorbij? Die dreiging is er altijd. Is het nu dan tijd om weer eens anders met een boek om te gaan? Ik heb zoveel boeken door mijn handen zien gaan. Nooit meer tijd gehad, nooit meer de tijd genomen om het boek te voelen, te ruiken, te betasten. Geen tijd, geen zin om te dansen.

Ik heb een cd met gamelanmuziek opstaan, is gamelanmuziek ouderwets? Zijn de mensen die zich daaraan overgeven een uitstervend soort? Zijn ze de weg kwijt? Verloren? Ben ik verloren als ik iets anders met boeken doe dan ik deed, als ik ze weer individu maak en ze een karakter toedicht, iets waartoe ik lange tijd niet meer in staat was?

Als kind stelde ik me deze vragen niet. Ik verloor me in het boek, in de dans, in de muziek, in de wei, in de fantasie. Nu moet ik me losmaken van de vanzelfsprekendheden die ik me in mijn volwassenheid eigen heb gemaakt. Het opstellen van eindeloze lijsten die ervoor moesten zorgen dat er een gezonde verhouding ontstond tussen inkoop en uitgaven. Hier boeken gekocht, daar weer genoeg verkocht. Dan weer kopen, administratief verwerken en hup op zoek naar nieuwe klanten. Nooit een stap op de plaats, geen twijfel, geen weg terug, altijd maar doorspurten, week in week uit, jaar in, jaar uit. Wat een prachtige jaren, wat een vermeldenswaardige omzet. Wat een geploeter, wat een baat bij de uitvindingen waardoor je nog sneller kon werken.

*

Mijn wond geneest, de pelle morbida doet zijn werk. De kaarsen die ik voor Sint Antonius heb opgestoken hebben hun werk gedaan. Ik stak ze op in Florence, eigenlijk als herinnering aan de lofbijeenkomsten in de Lodewijkskerk. Ik dacht op dat moment aan mijn vader en moeder, beiden dood. Zagen ze mij daar? Zag ik hen nog of heb ik ze uit het oog verloren? Ik stak een kaars op en nog een. Ik dacht aan Carol Light, aan de plek waar ze werkt op de universiteit van Notre Dame, in de Verenigde Staten. In de bibliotheek waar ze steeds maar weer catalogi van mij ontving en er later helemaal niets meer mee deed. Of leek dat maar zo? Ik ken de plek niet waar ze werkt. Op braintrack heb ik de koepel gezien, een foto van de koepel van de University of Notre Dame. Naderbij leek ik niet te kunnen komen. Maar de afstand bleef, want vanaf november 1999 was het stil, doodstil vanuit  Notre Dame, Chapel Hill. Ondanks mijn smeekbeden, onverhoord, tot dat ene moment dat ik de post ophaalde en ze daar opeens weer was. Carol Light, book order. Toch werkte ik eerst netjes de eerder binnengekomen bestellingen en brieven af. En toen, opeens was ze er weer. Order of books, evenzovele op kat. 14.

Ik stak een kaars op in Florence, ik tastte de blauwe hemel af op zoek naar de maagd Maria, de Maria van mijn jeugd. Van de twee Mariamaanden mei en oktober, was mei mijn favoriete maand. Ik had een beeldje van haar in een blauwe jurk en daar kon ik in mei altijd veldboeketjes bij zetten. Ik was er dol op ze te plukken. Wanneer ik met mijn broer Hans naar het avondlof gingen werd het keten, boven in de Lodewijkskerk. We beklommen de vele trappen naar het bovenste balkonnetje en altijd zat Zebedeus daar. Natuurlijk heette hij niet zo. Maar we noemden hem bij die naam omdat hij leek op een figuur uit Pietje Bel’s avonturen. Arme Zebedeus was het mikpunt van onze spot. Alleen door zijn uiterlijk? Misschien door het contrast tussen de toewijding waarmee hij het lof volgde en onze aandrang om lol te trappen. Soms gingen we voor het lof niet naar de kerk. Dan knielden we thuis op het karpet. Met z’n allen de litanie opzeggen, met z’n allen de weesgegroeten bidden van de rozenkrans. Mijn moeder was dan de enige die dit met overgave deed. Alleen op mijn kamer, met mijn Mariabeeldje en de bloemetjes, voelde ik me meer betrokken bij de meimaand als Mariamaand, dan in de kerk of beneden op het sisaltapijt, dat zulke gemene figuurtjes maakte in je vel.

Mijn wond heelt, Carol Light bestelt na zoveel maanden gelukkig weer boeken. De meimaand is allang voorbij en het duurt nog lang voor het oktober is. In de kerk in Florence werd ook de litanie opgezegd. Het eerste gedeelte door één persoon gesproken, het tweede door de goegemeente beantwoord. In het Italiaans (of was het Latijn?) ken ik ze nog wel. Het zijn evenzovele epitheta van Maria: Maria verlosseres, Maria koningin, Maria redder in de nood. Een eindeloze lijst. Ik zat er lang, in gedachten verzonken.

*

Ik als boekverkoper. Je moet beginnen. Als je geboren wordt moet je beginnen. Nadat ik de alleroudste computer – waarom worden ze naar een bloem of vrucht genoemd waar ze toch echt niks mee van doen hebben? – naar zolder heb gesleept, zit ik hier aan het raam, bezweet door de plotselinge stilte.

Mijn vader als boekverkoper. Mijn vader als lange Jan met zijn kolenschophanden. Hij begon met gillen toen hij geboren werd, zo wil het verhaal. Hij gilde toen hij op de schuit van Rotterdam naar Wijk bij Duurstede naar zijn grootouders werd gebracht, schreeuwde van het begin tot het einde van de reis. Mijn vader begon met gillen en hij werd boekverkoper. Na de oorlog was dat. Hij begon met een koffer vol boeken en ging de markten af.

Ik begon niet met gillen, er was meer dan genoeg lawaai door de overvliegende gevechtsvliegtuigen. De moeders met pasgeboren baby’s kregen het advies hun kroost met een kussen te bedekken wanneer de vliegtuigen overkwamen.  Nee, niet om het gillen te smoren, niet om de oortjes voor dat lawaai te behoeden, maar als bescherming tegen de glassscherven die rond konden vliegen. Mijn moeder vertelde me dat, heel veel later, toen ik zelf een baby’tje had. Kroop mijn moeder zelf ook onder een groot kussen om zich te beschermen tegen rondvliegende scherven? Al die dagen in de tot ziekenhuis omgebouwde meubelfabriek, stortte er geen enkel vliegtuig neer. Maar dat het flink spookte in de wereld waar ik en andere babys in terecht kwamen, staat op mijn huid geschreven.

Gelukkig kan ik nu met schrijven beginnen.

Ik ben niet geboren met boeken om me heen. Mij werd verteld dat er één boek gelezen werd, hardop, vóór of na de maaltijd op de boerderij waar mijn ouders sinds september 1944, met hun twee zoontjes en ik in de maak, geëvacueerd waren. Vanuit Arnhem om plaats te maken voor de Slag om Arnhem. Overal waar maar één boek wordt gelezen, wordt het dwingend hardop voorgelezen. Eén boek voor twee, drie of talloze mensen.

Ik ben begonnen met lezen, nadat ik eindeloos plaatjes in boeken had gekeken. En er waren altijd boeken om me heen. Stapels die kwamen en gingen. Buiten in de wei wilde ik altijd ‘boeme putte’. Ja, zegt mijn vader, en ja, zegt mijn moeder, je wilde altijd ‘boeme putte’.

Gepost in Home, Proza | Plaats een reactie

1 november en Spoorzoeker, Steven Van Der Heyden

1 november

ik zal nooit je schouderbladen schrapen,
wervels tot een ruggengraat puzzelen, je een nieuwe huid
aanmeten of je stembanden lijmen. vanuit een precieze hoek
heb ik je aders niet geopend, geen kwaad bloed verspild.

de donkerste draad rond mijn gedachten spint
een cocon van spijt. wij dragen nog steeds
elkaars naam. geloven er niet echt in.
dit is het seizoen waarin doden rijpen. ik laat je liggen.

 

Spoorzoeker

de straat bewaart dit stoffige huis,
het lekt jaren leegstand.

in de hoeken glanzen mijn kinderjaren,
waarin ik mezelf terugzoek.

ik ruik opnieuw tabak, proef zondags gebak,
de schrijfmachine hamert woorden in mijn oor.

hier loopt het spoor dood, in dit beroofde
land reed ik door de zomer op mijn fiets,

nu hijgen zelfs de honden in kortere stoten
lijkt het groen ouder, tot alles krimpt

tot het punt waarop ik zonder spijt
uit het moment stap.

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Nu en Schuilkelder, door Els Groen

Nu

Bijwoorden van tijd moeten geen kapsones
krijgen. Ze bakenen de tijd niet af maar
spannen ermee samen. Nu wordt later, later
nu en nog weer later vroeger.
Hapering is perceptie, maar…

nu is een driftig woord dat zijn
zin wil hebben. Het is als vuur dat
uitgaat, een schreeuw die al verstomt.
Nu moet het van nu hebben: momentopnamen
voltreffers, doelpunten, hoogtepunten.

En wij zijn ruimtevaarders die tijdzones
opheffen maar heimelijk bewaren. Bakens
bermen, baanvakken zijn stervelingen liever
dan oneindigheid. Dus houden we van nu:
die stoel dicht bij het raampje.

 

Schuilkelder

Als de wereld ten ondergaat, scheep ik me niet in.
Arken zijn onbetrouwbaar. Als de wereld sterft ga ik
naar de kelder met zesendertighonderd mede-Ossenaren.

Een plaatselijke supermarkt doet ons uitgeleide.
OP is OP, orakelt de reclame op de ramen. VOL is VOL
echoën stemmen uit de diepte. We lopen al sneller.

In een parkeergarage schuilen kelderkamers: bedden
knus gestapeld, wc’s als schouwburgstoelen in een
rechte rij. Er is ventilatie. En een koelsysteem.

Om beurten gaan we liggen, om beurten ook weer staan.
Tijd wordt iets wat slobbert, ruimte iets wat knelt
redding wat ontreddert. Tot we buiten mogen.

Boven roert zich niets. Zelfs vogels zijn gevlogen.
We plunderen de winkel tot OP waarachtig OP is.
Dan gaan we het volk dat niet kon schuilen achterna.

(Dit gedicht won de derde prijs bij de Stadsgedichtenwedstrijd 2019)

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

De eland, door Guido Eekhaut

Ik ben er stellig van overtuigd dat de man die ik kende als Martinus Brons nooit, maar dan ook nooit, de intentie had in mijn woonkamer te verschijnen onder de vorm van een eland. Nu is een eland een machtig en vooral groot dier, dat verre van past in mijn woonkamer. Daar had Martinus Brons — of wie ook verantwoordelijk was voor dit verschijnen — rekening mee gehouden, want de eland was een miniatuurversie van zichzelf. Waarmee ik bedoel: het was een kleine eland maar niettemin al te duidelijk een volwassen exemplaar.
            Goed, we laten dit onderwerp even rusten. Ik keer nu net terug van de therapeut, en ik maak het al wat beter. Dit consult was drie maanden geleden al gepland, dus lang voor het bezoek van Martinus als eland, en heeft daar dan ook niets mee uit te staan. Uiteraard meldde ik het incident aan de therapeut, want ik was van mening dat ik dit niet zomaar mocht laten passeren. Zeg nu zelf: hoe vaak krijg je een eland in je woonkamer op bezoek, en een volwassen exemplaar bovendien?
            De therapeut legde met een traag en weloverwogen gebaar haar bril en vulpen neer naast haar aantekeningenboekje en keek mij aan, niet verrast maar puur analytisch, zoals ze dat eigenlijk de hele tijd doet. Misschien is in haar beroep het vermelden van een eland, en het woord zelf, een soort code, of beter gezegd een symptoom, dat bij de patiënt op een ernstige en dus in overweging te nemen afwijking duidt. Wanneer je naar een reguliere dokter gaat en je vermeldt pijn in de linkerarm en in de linkerzijde van je borst, dan weet die ook waar hij aan toe is.
            ‘Eland,’ zei ze.
            Ik veronderstelde dat ik haar geen fysieke omschrijving van het dier hoefde te geven. In deze streken komen weliswaar geen elanden voor, maar iedereen heeft ze wel een keertje op televisie gezien. Of op YouTube, wanneer ik de leeftijd van mijn therapeut in overweging neem.
            ‘Is dit ernstig?’ vroeg ik.
            Ik ben nu weer thuis, dus ze heeft me niet meteen laten opnemen. Ik heb, neem ik aan, geen ernstige afwijking of aandoening.
            ‘Wat voor kleur had die eland?’ vroeg ze.   
            Nu sla je me dood, maar ik herinnerde me niet meer de kleur van het beest. Ik wist het niet en zei haar dat ook. Wat ik haar niet zei, was dat de eland eigenlijk Martinus Brons was. Want, geef toe, zo’n bewering zou zeer onwaarschijnlijk geklonken hebben. En ze zou me gevraagd hebben hoe ik dat wist, dat die eland Martinus Brons was.
            En wie is die Martinus Brons eigenlijk?
            Daar zit het hem. Brons is dood. Brons is al ruim tien jaar dood. Hij stierf gewoon, heel erg onspectaculair, aan hartfalen. Niets wees er toen op dat hij ooit, vrijwillig of niet, als eland zou terugkeren. Maar blijkbaar weerhoudt dat er hem niet van om niet-uitgenodigd en onverwacht in mijn huis op te duiken.
            En wat deed hij daar, in mijn woonkamer? Niets, eigenlijk. Elanden hebben die onverschillige blik, die onverschillige houding, die verklaard kan worden uit het feit dat ze geen natuurlijke vijanden hebben. Ze leven in noordelijke gebieden, waar beren en lynxen voorkomen, en mensen, maar een eland is zo’n machtig dier dat die zich niets aantrekt van al die roofdieren.
 
Mijn buurmeisje heeft natuurlijk al snel wat in de gaten. ‘Heb jij een eland in je woonkamer?’ vraagt ze. Ze slaagt erin die zin als een retorische vraag te laten klinken. Ze is vijftien en bijzonder pienter, zoals alle vijftienjarigen. Soms komt ze met een boek en stelt me vragen. En niet met een schoolboek, nee. Altijd iets wat ze uit de bibliotheek voor volwassenen heeft gehaald.
            ‘Wanneer ik hier passeer, kijk ik recht in je woonkamer. Is het een echte, levende eland?’
            Dat kan ik alleen maar bevestigen. Ze is danig onder de indruk. Niemand in de buurt heeft een eland. Een kat, een hond of een hamster, dat wel. Maar niet een eland. Ik ben opmerkelijk, ik ben speciaal. In haar ogen ben ik ook een oudere man, want ik ben twintig jaar ouder dan zij. Dat is, voor haar, een aanzienlijk verschil. Onder normale omstandigheden hebben wij nauwelijks een gesprek. Geen gemeenschappelijke onderwerpen. Nu, vanwege die eland, is dat anders.
            ‘Wat geef je hem te eten?’ vraagt ze. Ze is duidelijk erg praktisch ingesteld. Ik heb hem niets te eten gegeven. Hij lijkt ook geen honger te hebben. Maar echt weten doe ik het niet. Ik weet niet eens of hij er wel de hele tijd is. Misschien is hij er alleen maar wanneer ik er ben. En gaat hij op andere momenten ergens grazen.
            Ze is bezorgd om mijn onwetendheid. Ze is bezorgd om de eland. ‘Laat je hem dan niet rondlopen in je tuin?’
            ‘Hij staat daar maar,’ zeg ik. ‘Hij doet niets. Het is alsof hij nadenkt.’
            ‘Waarover?’
            ‘Ik weet het niet. Misschien over wie en wat hij is.’
            ‘Hij is een eland,’ zegt ze.
            Ik vertel haar niet dat hij ook Martinus Brons is. En tegelijk een eland. Ze is vijftien. Allicht heeft ze veel fantasie. Maar of die fantasie ook het concept van een eland die tegelijk Martinus Brons is kan bevatten, weet ik niet.
            Ik kan het overigens niet uitleggen. Ze is vijftien. Bijna half zo oud als ik. Ze leeft in een andere wereld. Toch hebben we die eland gemeen.
            ‘Heb je een sigaret?’ vraagt ze.
            ‘Nee,’ zeg ik. ‘Overigens is het ongezond. Zeker al op jouw leeftijd.’
            ‘M’n ouders willen het niet. Ik rook wel eens, stiekem. Ik heb een plekje waar ik sigaretten en een aansteker bewaar. Maar niet in de buurt van het huis.’
            ‘Het is een verslaving.’
            ‘Ja. Dat weet ik. Het wordt alleen maar erger. Ik hou van de smaak van sigaretten. Ik word daar rustig van.’
            Zelf rook ik alleen af en toe een sigaar. Maar de laatste is maanden geleden.
            ‘Is dat ook zo met die eland?’ vraagt ze me.
            ‘Wat is ook zo met die eland?’
            ‘Dat je er rustig van wordt wanneer hij in je woonkamer staat?’
            Zo heb ik er nog niet over nagedacht.
 
De therapeut oordeelt niet. Dat is ook niet haar taak. Ze probeert afwijkingen te vinden. Ze probeert trauma’s te voorkomen. ’Je bent niet getrouwd,’ zegt ze. ‘Je bent ook nooit getrouwd geweest. Heb je iemand in je leven?’
            In haar kantoor klinkt deze vraag niet bedreigend. En ook niet beschuldigend.
            ‘Ik ben alleen,’ zeg ik. Maar dat is niet het juiste antwoord op haar vraag.
            ‘Dat is op zich geen probleem.’
            ‘Ik heb ook geen behoefte om met iemand te zijn.’
            ‘Het komt steeds vaker voor,’ zegt ze. ‘Twintigers en dertigers die geen relatie hebben en ook geen relatie willen.’
            Ze vraagt niet om commentaar en krijgt die ook niet. Persoonlijk interesseer ik me niet voor sociale verschijnselen. Of voor politiek. Aan een eland en een buurmeisje heb ik genoeg. Ik ben niet voor niets in therapie.
 
Het buurmeisje zegt: ‘ik heb uw raad opgevolgd en de sigaretten weggegooid. Waarom nodig je me niet uit in je woonkamer? Dan kan ik jouw eland van nabij bekijken.’
            ‘Het is mijn eland niet,’ zeg ik. ‘Hij is van zichzelf. Net als mensen ook niet aan andere mensen toebehoren.’
            ‘Maar hij staat in jouw huis.’
            ‘Ben jij eigendom van je ouders? Omdat je in hun huis woont?’
            Ze kijkt dromerig weg. Er is werk aan de winkel wat haar betreft, besef ik.
            ‘Misschien zijn wij de enigen die de eland kunnen zien,’ zegt ze. Dan kijkt ze me weer aan. ‘Jij en ik.’
            ‘Dat is mogelijk. Maar het is weinig waarschijnlijk.’
            ‘Heeft iemand anders die eland al gezien?’
            ‘Ik vermoed van niet, nee.’
            ‘Er komen geen mensen bij jou over de vloer?’
            ‘Eigenlijk niet.’
            Zo kunnen we nog even aan de gang blijven. Er zijn vragen die ik niet kan beantwoorden. Fundamentele vragen. En vragen over elanden.
 
De therapeute weet ondertussen van het buurmeisje. Ze vindt dit een interessante ontwikkeling. Ze vraagt of het buurmeisje een huisdier heeft.
            ‘Zoals een eland?’ vraag ik.
            Kat, hond, hamster, specificeert ze. Of een goudvis misschien?
            ‘Niet dat ik weet. Ik weet niets over haar. Ze heeft ouders. Ik vermoed dat ze enig kind is. Maakt het wat uit?’
            ‘Er zijn correlaties die wij in de gaten moeten houden,’ zegt ze.
            Ah, correlaties!
            ‘Zoals deze tussen jou en de omgeving — jouw omgeving. Je bent het met me eens dat die eland ingebeeld is?’
            ‘Ik zou het niet weten. Vertelt u het me maar.’ Mensen hebben een probleem met verbeelding. Ze lezen alleen maar romans die nauw aansluiten bij hun banale ervaringen. Vooral in dit land, dat nochtans een zeer rijke fantastische en surrealistische traditie heeft. Vandaag niet meer. Alles moet praktisch en nuttig zijn. Ook literatuur. Die moet sociale en politieke ideeën bespreken. Persoonlijk vind ik dat onzin. Literatuur moet gaan over raadsels en mysteries. Literatuur moet een mysterie zijn.
            ‘Er komen in deze streken geen elanden voor,’ zegt de therapeute.
            ‘Dat weet ik,’ zeg ik. Ze gaat me niet pakken op het ontkennen van de reële wereld.
            ‘Maar je hebt wel degelijk een buurmeisje.’
            ‘Daarvan ben ik overtuigd. Ze praat zelfs met mij.’ Ik ben bekend met het fenomeen van de ingebeelde vriendjes. Bij kinderen kan dat. Bij volwassenen duidt het op psychoses. Of is het schizofrenie?
            Ze beweegt de pen tussen haar vingers, als een toverstaf. ‘Reageert de eland op uw aanwezigheid? Is er sprake van enige interactie?’
            ‘Nee,’ zeg ik. ‘Hij staat daar maar. Het buurmeisje daarentegen…’
            ‘Ja?’
            ‘Met haar praat ik. Sinds een tijdje al.’ Iets daagt me. ‘Is de eland er misschien voor haar, en niet voor mij? Heeft hij zich in het huis vergist?’
            ‘Dat zou absurd zijn,’ zegt de therapeute afwezig. Ze kijkt op de klok. Het einde van het consult nadert. ‘Hoe kan die eland zich in een huis vergissen?’
            ‘Tja,’ zeg ik. ‘Dat overkomt mij ook.’
            Nog een aantekening in dat boek van haar.
 
Op straat probeer ik de dingen in perspectief te zien. Deze opzet is tot falen gedoemd. Ik heb een heel persoonlijk perspectief, dat geen ruimte laat voor banale geesten en hun hobby’s. Ik word niet verleid door de massa en haar spektakel. Een plots opduikende eland in mijn woonkamer is net vreemd genoeg en draagt bij tot de volmaaktheid van mijn leven.
            Mijn buurmeisje zegt me: ‘U kijkt tegelijk opgewekt en triest, alsof u weet dat alles wat genot is in het leven van korte duur is.’
            Kijk, een vijftienjarige met zoveel wijsheid is een balsem voor mijn ziel. Ik wil haar optillen en meenemen. Waar naartoe doet niet terzake. Zolang ze zich maar veilig voelt. Ik wil dat ze deel wordt van mijn leven, en dat ze die akelige Martinus Brons uit mijn huis verjaagt. Ik wil een leven met haar, en met haar als inspiratie.
            De realiteit zal anders zijn. Ze loopt een jongen tegen het lijf die haar vriendje wordt, die haar intelligentie en diepgang niet begrijpt en in het beste geval een saaie, hardwerkende echtgenoot wordt. Die haar ziel versmacht zonder het te beseffen, uit liefde. Ze laat dat gebeuren, ook uit liefde, en daarna komen er kinderen.
            Ik hoop dat iemand — niet ik — haar helpt dit lot te voorkomen. Dat moet wel een bijzonder iemand zijn.
            ‘Wanneer u er niet bent, is de eland er ook niet,’ zegt ze. ‘Toch niet in de woonkamer. Ik kan in de woonkamer binnenkijken, maar niet in de rest van het huis. Misschien is hij dan in de slaapkamer. Of hij neemt een bad.’
            ‘Hij past niet in het bad,’ zeg ik.
            ‘Wel wanneer hij zichzelf nog kleiner maakt.’
            ‘Dat lijkt me onmogelijk.’
            Ze lacht. ‘Alles in verband met die eland is onmogelijk.’
            Ze heeft gelijk. Het is het onmogelijke verraad van Martinus Brons. Om wat ik hem ooit aandeed.
            ‘Misschien is die eland van u eigenlijk dood,” zegt ze. Ik merk dat ze een fijn dons heeft op haar voorarmen. ‘Als hij dood is, mag ik hem dan hebben?’
            ‘Wat wil je met die eland beginnen, als hij dood is?’
            ‘Misschien wil ik hem opensnijden,’ zegt ze bedachtzaam. ‘Ik wil hem opensnijden om uit te zoeken hoe hij in elkaar zit. Ik sneed al eens een muis open, en een vogel, maar dat zijn eenvoudige dieren, simpele dingen, en veel is er niet in te vinden.”
            ‘Ik zou denken dat het weinig uitmaakt,’ opper ik. ‘Of je nu een muis of een eland opensnijdt: het zijn allemaal dezelfde organen en zo, alleen wat groter, bij die eland.’
            ‘Dat weet u niet echt,’ zegt ze, ‘tenzij u zelf al een paar dieren openmaakte. Deed u dat? Nee? Ook niet in de biologieles, toen u nog naar school ging?’
            ‘Dat soort biologie hebben we nooit gehad,’ zeg ik. ‘Of ik kan het me niet meer herinneren. Of ik viel flauw en kan me het niet meer herinneren.’
            ‘Tja. Ik had een leraar die graag dieren opensneed. Voor sommige leerlingen was dat griezelig, maar ik kon er best goed tegen. De dieren waren dood, wat eigenlijk een beetje jammer is, want als de dingen dood zijn, zie je niet half hoe ze functioneren.”
            Ze is vijftien. Ze heeft bizarre ideeën.
            ‘Wil je dat werkelijk doen? Een eland opensnijden? Je hebt een groot mes nodig, neem ik aan, en heel wat kracht.’
            ‘Jij kunt me helpen,’ suggereert ze.
 
Wanneer ik thuis kom, is de eland er niet meer. Of eigenlijk Martinus Brons, die nu zijn opwachting niet meer maakt. Dat is merkwaardig. Was ik er, dan was hij er ook. Nu al dagenlang. Misschien heeft het universum beslist om weer orde op zaken te stellen. Of hoorde hij welk lot het buurmeisje voor hem in petto had.
            Ik maak koffie. Even later zit ik neer in de sofa en wacht af. Martinus Brons verschijnt niet meer. Had hij iets anders te doen? Is hij elders verschenen? Bij een andere voormalige vriend? Heeft hij zich in een ander universum vervoegd? Is hij teruggekeerd naar de plek waar elanden thuis zijn?
            Ik weet dat geen enkele van mijn vragen beantwoord zal worden.
            Eigenlijk zoek ik ook die antwoorden niet. Ik wil niet eens weten wat de therapeute van me denkt. Misschien moet ik die sessies stopzetten. Al kan ik dat niet, want het is de rechtbank die me ertoe verplicht.
            Ik schrik op vanwege de bel. Nadat ik de deur heb geopend staat een man van een jaar of veertig voor me. Jeans, sweater, de kledij van de talentloze burgerman in zijn vrije tijd. Hij heeft zich enkele dagen al niet geschoren
            Hij kijkt verontrust. Ik weet niet wie hij is. Ik heb hem nog nooit gezien. ‘Ik ben de buurman,’ stelt hij zich voor. ‘We wonen hiernaast. Hebt u vandaag mijn dochter al gezien? Ze is nergens meer te vinden. We bellen iedereen, haar vriendinnen, de school, maar ze is vermist. Hebt u enig idee…?’
            Ik heb allicht een paar ideeën, maar geen daarvan ga ik met hem delen. Ik zie hem nooit thuis. Hij is de afwezige vader, die nu in een noodgeval opduikt en meteen de zaak in handen wil nemen, orde scheppen waar chaos heerst, zijn betrokkenheid bevestigen.
            Weet hij dat zijn dochter en ik keuvelen over het dissecteren van elanden? Niet, denk ik. Hij weet heel weinig over zijn dochter. Hij kan ook niet vermoeden dat ze een toekomst als huissloof tegemoet gaat. Waarbij hij de gefrustreerde schoonvader zal zijn. Ik vertel hem dat allemaal niet. Hij zoekt het maar uit. Ik weet alleen dat zowel zijn dochter als de eland verdwenen zijn uit mijn leven, en dat ze nooit meer terugkeren. Die eland is de pineut, al weet hij dat nog niet.

Gepost in Home, Proza | Plaats een reactie

Ventieltjes, proza om het gemoed te luchten, door Ruud Minnee

JAN DE VRIES IS ZIEK

‘Ik heb me ziek gemeld Joke, de wereld draait niet om mij.’
Zijn vrouw kijkt hem verschrikt aan: ‘Maar…, maar, dat doet ie wel!’
Jan kan alleen maar zuchten.
Even later verschijnt op miljoenen beeldschermen een zichtbaar nerveuze CNN-nieuwslezer: ‘Dames en heren. Het kan niemand ontgaan zijn: Jan de Vries is ziek.’ Er doemen beelden op van schots en scheef gestrande auto’s. Radeloze reizigers stromen verdwaasd uit stilstaande bussen en treinen. Sommige klampen zich aan elkaar vast. Iemand gilt hysterisch. Voor even verschijnt de nieuwslezer weer. Zijn mond beweegt maar er zijn geen woorden. En dan valt ook het beeld weg…

OPGEBRAND

Het VOC-schip ’t Vaandrig’ klieft door de woeste golven van de Indische Oceaan. In de grote kajuit staat Diederik Janszoon tegenover kapitein Evertsen. Hij friemelt zenuwachtig aan zijn pet. ‘Ik… ik heb last van spanningen kapitein, Ik heb alle symptomen van stress: concentratieproblemen, dissociatie, angst- en paniekklachten, geheugenverlies, stemmingswisselingen, piekeren, een opgejaagd gevoel, neiging tot verslaving, verwardheid, duizeligheid en ik heb nergens zin in… ik denk zelfs dat ik een burn-out heb.’
‘Een wat?!’ roept kapitein Evertsen. ‘Wat zit je nou te bazelen man? Stress, burn-out, spreek je moerstaal!’
‘Ik denk dat ik ben opgebrand kapitein.’
‘Opgebrand, opgebrand, een paar weken geleden zag ik twee heksen op een brandstapel in Vlissingen, dié waren opgebrand.’ De kapitein grijnsde van oor tot oor.
‘Ik wil graag dat u mijn klachten serieus neemt kapitein, anders ga ik naar de afdeling HR.’
‘De afdeling HR? Wat is dat nou weer in hemelsnaam?’
‘Euh.., geen idee kapitein, ziet u nou wel dat ik helemaal in de war ben.’
‘Je hebt gelijk Diederik Jacobszoon.’ zuchtte de kapitein. ‘We gaan er wat aan doen, dit moet grondig worden aangepakt.’
En geheel volgens de toen geldende arbeidsvoorwaarden, is Diederik nog diezelfde dag gegeseld, geradbraakt en gekielhaald…

ONLY ONE MAN

Defensiekopstukken zitten in vergadering bijeen. Onderwerp van gesprek: een ultrageheime missie in het Midden-Oosten, waarbij één specialist de klus moet klaren. Dat moet iemand zijn die vierkant achter de opdracht staat, iemand die zich net zo goed onzichtbaar kan maken in woestijnen als in de diepten van de Arabische zee en de Perzische golf. Hij moet niet alleen veerkrachtig zijn en de ogen wijd openhouden, maar vooral veel in zich op kunnen nemen. Zonder een woord te spreken, weten ze dat er maar één man is die aan al deze eisen kan voldoen. There’s only one man for the job: SpongeBob SquarePants!

DODELIJK

Als een veld geknakte tulpen staan tientallen mensen op het Centraal Station van Utrecht op hun mobieltjes te staren. Het strijklicht van de opkomende zon versterkt het surrealistische beeld. Een lange, tengere man onttrekt zich met opgeheven hoofd aan de uniformiteit, maar helemaal op zijn gemak is hij niet. Dan plotseling grijpt hij naar zijn nek. Happend naar lucht zakt hij op de grond, zijn lichaam schokt twee, drie keer, dan is het stil. Het dodelijke gif afkomstig van de Chironex Fleckeri of kubuskwal werkt razendsnel. De zoveelste hartstilstand die maand. Wie denkt te kunnen ontsnappen aan de digitale wereld maakt een fatale fout.

DIGITALE SNELWEG

De digitale snelweg is onderhand een van de gevaarlijkste wegen ooit. Er is geen snelheidslimiet, er zijn geen vluchtstroken, zebra’s of stoplichten en er is geen tijd om voor te sorteren. Losers worden ongenaakbaar afgesneden door users. Mensen die niet snel genoeg invoegen worden verpletterd door internetverkeer. Bejaarden worden met rollator en al vermorzeld door agressieve drivers. Digibeten bezwijken aan vastlopende besturingssystemen, of liggen met een virus op hun versleten databank. Thuisblijven is geen optie, want zonder voeding ga je er zeker aan…

Gepost in Proza | Plaats een reactie

De Wonderbaarlijke Reis naar Le Carla-Bayle, Manuel Kneepkens

Bij het overlijden van de Franse politicus Jacques Chirac herleefde bij mij de herinnering aan de wonderbaarlijke reis naar het Franse dorp Le Carla-Bayle, die ik als raadslid van de gemeente Rotterdam in Oktober 1995 heb mogen maken.
            Juist in die periode had de kersverse president Chirac pour la gloire de France besloten atoomproeven te houden op de atol Mururoa in de Stille Zuidzee. Het waren volkomen overbodige proeven die alleen maar dienden om de wereld te laten zien dat Frankrijk nog steeds een grote mogendheid, ja zelfs een atoommogendheid, was….

Rotterdam had zich begin jaren tachtig tot atoomvrije ge­meente ver­klaard. Dat schiep verplichtingen. Een Rotterdams protest tegen deze kern­proeven van Frankrijk, onze partner in de EU, mocht mijns inziens dan ook niet uitblij­ven. Maar wat was de beste manier om dat protest te uiten?

En waar konden we met ons protest het beste naartoe? De gemeenteraad van onze zusterstad Lille leek een geschikt aanspreekpunt. Maar in Lille, de enige zus­ter­stad van Rotterdam in Frankrijk, had  men toentertijd een uitgesproken afkeer van Rotterdam vanwe­ge het drugstoerisme van jonge­ren uit die stad naar de Rotterdamse wijk Span­gen. In Lille leefde namelijk de mythe dat Rotterdam een waar coke-para­dijs was.  (1)
            Volgens de Span­gense kaste­lein Rinus Vis kwam dat doordat er eens, onder het bewind van de toen­ma­lige procu­reur-ge­neraal van het Gerechtshof in Den Haag, Winnie Sorgdrager, een contai­ner cocaïne was ‘door­gelaten’ in Rotterdam (zie ook  het verslag van de Commissie Van Traa inzake de IRT-affaire) en daar door een stommi­teit op de markt ge­bracht. (2)
            Die partij bevatte coke van een zoda­ni­ge kwali­teit, dat binnen het junk-ci­rcuit in Europa de mening had postge­vat dat Rotterdam qua coke het Land van Cocagne was. In Rotterdam moest je zijn! Gelukkig voor vredelievend Rotterdam bestond er nog een ander Frans aan­spreek­punt, zo ontdekte ik.
            In 1989 had de stad Rotte­rdam met het stadje Le Carla (later met toevoeging ‘Bayle’) in de Franse Py­reneën (zeshonderd tweeëntachtig inwoners) een Ver­drag van Eeuw­ig­durende Vriendschap geslo­ten, een Pacte d’ Amitié Eternelle.
            De beweegreden hiervoor was dat de wieg van Pierre Bayle, Rott­er­dams meest vooraanstaande filosoof na Erasmus, in Le Cara had gestaan. Deze Hugenoot was door de Zonneko­ning uit Frankrijk verbannen vanwege zijn verlichte ideeën, en had zijn toevlucht in onze stad genomen.
            Deze Pierre Bayle (1647-1706) heeft een groot en veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Hij was onder meer de stichter van het allereerste populair-wetenschappelijke tijdschrift, ‘Les nouvelles de la republique des lettres’ (1684 -1687), waarin hij kriti­sche boekaankondigin­gen publiceerde. Ook was hij de auteur van de ‘Dictio­naire historique et critique’, waarin maatschappelijke regels, de effectiviteit van instellingen en de betrouwbaarheid wetenschap­pelijke theorieën op de maatlat van de menselijke rede werden gelegd. Als zodanig was hij de voorloper van de Encyclopedisten, van Voltaire, d’Alembert en Concor­det . 
            Zijn naam leeft alhier nog voort in de jaarlijkse prestigieu­ze Pierre Bayle-lezing en in de Pierre Bayle-prij­zen voor Kunstkri­tiek.

Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.

Ik stelde toenmalig Rotterdams burgervader Bram Peper voor om met een open brief ons ongenoegen over de kwestie aan de burgemeester van Le Carla-Bayle kenbaar te maken, en de tekst van deze brief voor publicatie door te sturen naar de plaatselijke krant in de Franse Pyreneën, La Dépêche du Midi. (3)
            En waarempel, hij vond het goed! Maar toen ik hem voor­stelde naar La Carla af te reizen om de brief in hoogst eigen persoon aan de inwoners voor te lezen, antwoordde hij met de verrukkelijke kortafheid, die deze Nicolaas Beets-achtige Haarlemmer (‘Een nurks in de Haarlemmerhout’) typeerde: ‘Ga zelf!’
            En dat heb ik gedaan. Tenslotte vertegenwoordig ik de revo­ludieke tradi­tie van het politiek bedrij­f die de democratie weer lyrisch wil maken en de poëzie wil terugbrengen in de politiek! Pierre Bayle, here I come! In gezelschap van  radioverslagggeefster Caroline Dijk, die was afgestudeerd op een scriptie over Pierre Bayle en van Stadsradio Rot­terdam de opdracht had gekregen een documentaire over onze wonderbaarlijke reis te maken, kwam ik voorbij Toulouse hoger en hoger in de bergen terecht, en begon ik, al opstijgend, te begr­ijpen dat de reis om méér ging dan om Mururo­a: ik was in het voor­malig land der Katha­ren beland.

Niet om het een of ander, maar op Schiphol was het spiri­tu­eel al gelijk raak. Daar zag ik op het NS-perron een heer met een keppel­tje op, die zozeer op opperrabbijn Soeten­dorp leek, toen welbekend van  TV, dat ik mij gerechtigd voelde hem aan te spre­ken en hem over onze reis te vertellen.

Ik citeer hier Caroline Dijk’s bandopname:

Rabbijn Soetendorp: ‘Ik ben net de hele nacht doorge­reisd vanuit Los Angeles, waar ik heb deelge­nomen aan een conferen­tie van mensen die als kind de Tweede Wereldoor­log hebben meegemaakt. Als overlevende van die oorlog ben je meer dan wie dan ook overtuigd van de noodzaak om alles in het werk te stellen om de wereld te laten voortbestaan. En als er iets is waar de mensheid voor moet waken, dan is het een atoomex­plo­sie. Er hoeft er maar één plaats te vinden, en dan.….
            Ik hoop daarom dat het initiatief van uw stad succes heeft, en dat mensen eindelijk gaan luisteren, en dat ze zich niet opsluiten in het soort arrogan­tie, dat de laatste tijd zo sterk heerst in Frankrijk en niet alleen daar. Want als deze proeven blij­ven door­gaan, dan is de kans groot dat andere landen zullen vol­gen. En daarom is het nu zo belangrijk dat we niet moedeloos raken door het droeve feit dat er tot nu toe niet naar ons protest is geluis­terd.
            Bij ons zijn net de feestdagen te einde, en het thema van die feestdagen was “inkeer en terugkeer”. Waarmee gezegd wil zijn dat het een be­wijs van kracht is, wanneer je terugkomt op een besluit dat naar later blijkt verkeerd was. In dit geval is het zeker niet een bewijs van zwakte om toe te geven, maar juist een bewijs van kracht!’

Gesterkt door rabbijn Soetendorp’s woorden gingen wij aan boord van het vliegtuig. Die avond, om zeven uur stipt, landden wij in Toulou­se, waar ons nog een rit van een uur in een huurauto door de bergen wachtte. Dat we veel te laat op onze bestemming aankwamen, had mede als oorzaak dat niemand, maar dan ook niemand in dat stukje achteraf-Frank­rijk van het bestaan van Le Carla-Bayle had gehoord.
            Maar de Pre-Pyreneën waren ons genadig. Plots, bij eens scherpe bocht, viel ons oog in oog op een reus­achtig helv­erlicht bord langs de weg, waarop stond:

 

LE CARLA BAYLE

Titulaire d’un Pacte d’Amitiè Eternelle
avec Rotterdam, Pays-Bas

We waren er!
Het stadje zelf lag inmiddels al in diepe rust. Klaarblijkelijk waren de bewoners met de Galli­sche haan op stok gegaan. Alleen de burge­meester, Jean-Luc Couret, was nog op. Na enige plichtplegingen begeleidde hij ons naar onze slaap­plaats, vijftien kilome­ter verder­op. Die afstand moesten we afleggen, omdat Le Carla- Bayle toen nog zo piepklein was dat het zelfs geen eigen ho­tel(let­je) had. (3)

Onze slaapplaats bleek Le Tustet te zijn, een herenboerderij, gedreven door een Zweeds echtpaar. Het waren ex-managers uit de reclame-wereld, die de rat-ra­ce zat, boer waren geworden en als nevenverdienste kamers-met-ontbijt aan toeristen ver­huurden in hun pittoreske opstal.

Ik citeer wederom het bandje (opname: de volgende morgen):

K.: ‘We staan hier voor Le Tustet, een huis met een prach­tig uitzicht op de Pyreneëen. Voor alle vensters van dit huis blijken overal, werkelijk overal, in sier­lijk smeed­ij­zer de let­ters “H.C.” aange­bracht. Dat zijn de initialen van de schatrijke koffie­han­de­laar Henri Castri­opatte, een Fransman van Griekse afkomst, die in de Jaren twintig Josephine Baker naar Frank­rijk heeft gehaald. En Josephi­ne Baker heeft hier daadwer­kelijk gewoond. Sterker nog, het bed waarin ik heden de nacht heb doorge­bra­cht, is het bed van Josep­hine Baker!
            Deze ontmoeting in de geest was eigenlijk nog markanter dan onze ontmoeting met rabbijn Soetendorp in de materie van Schiphol. Want mevrouw Josephine, la Tumulte Noire, is niet enkel en alleen beroemd geworden door haar half­bloot optre­den in een bana­nen­rokje, als “leading lady” van de Revue nègre in het Théatre des Champs Elysées (” No one had ever witnessed such unbridled sex on a stage !”) maar ook door haar Regen­boog-gezin, bestaand uit twaalf geadopteerde kinderen van allerlei kleur en ras, dat ze na de Tweede Wereldoorlog vormde. Als er één vrouw spiritu­eel was….’

C.: ‘Nog erotisch gedroomd, meneer K., nu u de nacht in het bed van Josephine Baker hebt mogen doorbrengen?’

K.: ‘Als links gericht poëet-politicus droom ik uitsluitend van een betere wereld, mevrouw Dijk!’

Over spiritualiteit gesproken: de oude ketterse (kathaarse) spiritualiteit is, gelukkig, nog niet geheel vergaan in de Comté de Foix, zoals de streek daar in de Pre-Pyreneën heet. Zo wijkt de bevol­king van Le Carla-Bayle qua samenstelling nogal af van de rest van Frank­rijk. Ze is bij­voorbeeld niet alleen overwegend pro­tes­tant, maar ook nog eens rood. Onder de vijf­tien(!) gemeen­te­raadsleden was slechts één Chiracien, de rest: Parti Socia­lis­te. En waarachtig, die partij was toentertijd toch heel wat overtuigder links dan onze Partij van de Aard­ap­pelmoe­heid!

Maar een roos is een roos is een roos! De Parti Socialiste greep de komst van ondergetekende gretig aan voor een drukbezochte protest-meeting. We citeren wederom het bandje. Aan het woord is Jean-Luc Couret, Maire van Le Carla-Bayle:

‘Mesdames et messieurs. Mes chers concitoyens, mes chers amis. Je suis tout particulièrement heureux de vous ac­ceuiller dans la salle du conseil municipal ce soir, afin de recevoir avec vous Monsieur Manuel Kniekens, qui represente la mairie de Rotterdam et son maire, Monsieur Bram Piepeur, et Caro­li­ne Dieke qui est journaliste à Rotterdam dans une radi­o…’

Harmonica muziek zwelt aan, geluid van Peper’s brief die wordt geopend, de stem van Jean-Luc Couret.

Jean-Luc Couret leest dan de brief van Bram Peper voor. Hier volgt gemakshalve de tekst in het Nederlands:

Rotterdam, 12 Oktober 1995

Maire du Carla-Bayle                      

Monsieur Jean-Luc Couret
Mairie de Carla -Bayle
Place de l’Europe
09130 Le Carla-Bayle
France

Geachte collega,

Frankrijk is op 6 september j.l. begonnen met de eerste van een serie van acht kernproeven op het atol Mururoa in de Stille Zuidzee.

Het voornemen om deze proeven te doen plaatsvinden, heeft de afgelopen tijd een internationale golf van protesten teweeg gebracht. De acties van de milieuorganisatie Greenpeace zijn daar publicitair de meest duidelijke voorbeelden van. Ook de Nederlandse regering heeft hieromtrent reeds eerder haar teleurstelling uitgesproken. Velen voelen zich bedreigd door deze proeven.

Zoals ook in Le Carla-Bayle en in andere delen van Frankrijk, bestaat er in onze stad een grote verontrusting en diepe teleurstelling met betrekking tot het nemen van deze kernproeven. Een opvatting die eveneens sterk leeft bij leden van de gemeenteraad van Rotterdam. In onze optiek achten wij de serie kernproeven zowel vanuit het oogpunt van non-proliferatie als van milieubescherming ongewenst.

In dit kader hopen wij uiteraard dat de overige kernwapenstaten hierin geen aanleiding zullen vinden om hun nucleaire testprogramma eveneens te hervatten. Dit is temeer van belang aangezien er al sinds januari 1994 in de Geneefse Ontwapeningssconferentie onderhandelingen worden gevoerd om te komen tot een verdrag dat alle kernproeven over de gehele wereld verbiedt. Deze onderhandelingen, waarin onder andere alle kernwapen-staten participeren, hebben inmiddels goede voortgang gemaakt. Wij vrezen echter dat deze vorderingen in gevaar kunnen worden gebracht door het tussentijds hervatten van dergelijke proeven. Ten aanzien van het milieu vrezen wij dat kleine veranderingen in het ecosysteem op de langere termijn grote gevolgen zullen hebben voor ons leefklimaat. En van de aarde zijn wij allen in gelijke mate afhankelijk.

Het leven en werk van de grote filosoof Piere Bayle ligt ten grondslag aan onze gemeenschappelijke verbondenheid die uiteindelijk vorm heeft gekregen in de gezamenlijke ondertekening van een Pacte d’Amitiè Eternelle tussen Le Carla-Bayle en Rotterdam. Dit is tevens de reden dat wij de vrijheid hebben durven nemen U op de hoogte te brengen van de verontrusting en de teleurstelling onder de Rotterdame bevolking omtrent de hier bovengeschetste activiteiten van de Franse overheid.

Namens de bewoners van Rotterdam spreek ik hierbij de hoop uit dat de Franse President het moedige besluit zal nemen de andere kernproeven af te gelasten, om daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de wereldvrede en het welzijn van alle mensen.

Inmiddels verblijf ik

Hoogachtend
Dr. A. Peper
Burgemeester van Rotterdam

(Luid applaus)

 

Harmonica muziek

Caroline (voice-over): ‘De ceremonie was plechtig, maar te lang om hier in zijn geheel uit te zenden. Jean Luc Couret was in elk geval zeer ingenomen met de brief uit Rotterdam. Want ook de maire van Le Carla Bayle en zijn concitoyens ver­oordelen de Franse kernproeven op Mururoa en vinden dat hun regering de proeven moet staken. Immediatement!’

Tot onze verrassing waren zowel de Franse televisie als de Franse radio ruim vertegenwoordigd en toonden hun medewerkers zich zeer geïn­teresseerd in het Rotterdams protest. Hierbij speelde het toeval een grote rol. Pierre, de broer van maire Jean-Luc Couret, bleek namelijk corre­spondent van het pers­agentschap Reuther te zijn. Ja, er rustte waarlijk zegen op onze expeditie.

Geluid van glazen en geroezemoes

C.: ‘Het was een bijzondere, maar ook ontroer­ende cere­mo­nie, nietwaar, meneer K.? Maar is u nu ook daadwerkelijk écht iets toege­zegd?’

K.: ‘Nou, de maire heeft overduide­lijk zijn diepe verontwaardiging uitgesproken over de Franse kern­pro­e­ven. Daar heeft hij aan toegevoegd dat het overgrote deel van de Fransen er net zo over denkt, en dat we aan de heer Peper moet overbrengen dat ze hier erg blij zijn met zijn brief, omdat die hun steunt in hun eigen verzet tegen de kernproeven.’

C.: ‘We gaan nu over tot het volgende ritueel, wat betekent dat we le verre d’amitié moeten heffen.”

K.: ‘Ze hebben hier hele goede wijnen, waar­van ik tijdens de lunch die de maire ons aanbood al uitbun­dig heb mogen ge­nieten, zozeer zelfs dat ik achterin de auto tijdens onze sight-seeing-tour naar de stad Foix in een lichte sluimer ben geraakt. Maar dat had je al gemerkt.

C (lacht):’ Is er een last van uw schouders gevallen, nu uw bijzondere missie is volbracht?’

K.: Zeker. Het wás inderdaad een bijzondere opdracht. Mooi maar zwaar. Er zit inmiddels een grote knoop (noeud) in mijn tong van al dat parler Francais! Maar ik moet je wat bekennen: onder­weg hiernaartoe heb ik me wel eens afge­vr­aagd waar ik aan begonnen was. Stel dat die mensen in Le Carla- Bayle van het reacti­onaire soort waren geweest! Dat zijn ze dus niet, maar ik moet bekennen dat ik ergens in m’n achterhoofd toch een raar zwart beeld van die Pyreneeën had. Menigmaal bekroop me de gedachte dat daar enkel een soort schaap­herders zou leven, primitieve, geestelijk achter­ge­bleven lieden, die de macho-attitu­de van president Chirac misschien wel zouden toejuichen: hoe meer atoom­proeven pour la gloire de France, hoe liever! Ook heb ik me afgevraagd of ik niet het risico van een ijskoude ontvangst liep. Nee dus. De mensen hier zijn goed bij de pinken. Le Carla-Bayle wordt bestuurd door de Parti Socialiste, een partij die naar mijn indruk heel wat linkser is dan onze hedendaagse PvdA. Nee, er is niks mis met de mensen van Le Carla-Bayle. Dus dat er een last van mij afgeval­len is, dat is zeker. ‘

Hamonicamuziek stopt  

Harmonicaspeler: ‘C’est ca..!’

Caroline: ‘Tres jolie, tres jolie!’

De Mururoa-meeting werd dus gretig bezocht in Katharenland. De mensen konden hun mening einde­lijk eens naar buiten brengen, en dat luchtte danig op. De gewone mensen in Frankrijk stonden namelijk net zo machte­loos tegenover de proe­ven als wij in Neder­land. Want of­schoon de meerderheid (zestig procent) van de Fransen tegen de atoom­proeven was, had de bevolking geen jota in te brengen. De merkwaardige situatie doet zich namelijk voor dat de president van Frankrijk zelf de defensiepolitiek van zijn land voert (en ook de buitenlandse politiek) en niemand anders.
            Maar wat als Nederland nu eens ook kernkoppen zou bezitten én een atol à la Muroroa in de Zuidzee… zou onze re­gering dan ook…?
            Ik zou willen dat ik zeker wist van niet.

 

1) Het anti-Nederlandse  sentiment is er wijd verbreid.
‘Het is een schande, dat een reus als Frankrijk lijdzaam moet toezien, hoe een dwergje als Nederland de poten van onze maatschappij doorzaagt.’
(Het Vervolg , de Volkskrant, 24 Juni 1995)

2) Maarten van Traa, Inzake opsporing enquetecomm, Den Haag, 1996, pp. 266-268 (SDU)

3) In onze dagen zou waarschijnlijk een email aan de burgemeester van Le Carla Bayle hebben volstaan. Dat is een verarming. Een email mist nu eenmaal geheel en al de charme van een brief.

4) Dat is veranderd, zo heeft mij Caroline Dijk mij meegedeeld. Ze heeft recent het dorp nog eens bezocht. Jean Luc Couret, nog steeds burgemeester daar, heeft het stadje aantrekkelijk gemaakt voor toeristen en aan tachtig Ama’s (alleenstaande jeugdige asylzoekers) werk verschaft. Een gedurfd programma. Caroline maakt op dit moment een filmdocumentaire over Le Carla-Bayle en het Ama- project.

Gepost in Proza | Plaats een reactie

In Liefde Knoeyende 10, Tysger Boelens

Is de nonsenspoëzie de godsdienst van de toekomst? Er is zeker een link te leggen tussen religie en nonsens – en niet alleen door militante atheïsten. Geleerden als Erasmus schreven religieuze teksten die voluit de lof der zotheid zingen. Weliswaar gaat het dan voor een deel om een satirische omkering, maar voor een deel ook weer niet. Deze geleerden zijn het namelijk over één ding eens: de onnozele dwaas heeft de beste kans om het Koninkrijk der Hemelen te betreden.
            De meeste religieuze tradities hebben hun eigen verhalenkrans rondom zo’n ‘wijze dwaas’. Deze verhalen gaan over zulke hartveroverende heiligen als Simeon de Dwaas, die in de zesde eeuw het Evangelie verbreidde door herrie te trappen in de kerken. In de Moslimwereld circuleren dergelijke verhalen over de dertiende-eeuwse imam Nasrudin. Van deze geestelijk leidsman moet je geen antwoorden verwachten:

– Nasrudin, waarom beantwoord je elke vraag weer met een vraag?
– Doe ik dat dan?

Humor van deze spirituele snit lijkt vaak te suggereren dat het antwoord op onze levensvragen alleen maar een hulpeloze grinnik kan zijn. Deze levensbeschouwelijke bescheidenheid doet sterk denken aan het werk van een nonsensdichter als Morgenstern. Ze roept ook in gedachten wat de Amerikaanse regisseur Terry Gilliam (die ‘Jabberwocky’ van Lewis Carroll verfilmde) op zijn grafsteen gebeiteld wil hebben: ‘He giggled in awe’.
            Ook binnen het Zen-Boeddhisme wordt nonsensicale humor ingezet voor een levensbeschouwelijk doel. Zen kun je het beste zien als een school voor het afleren, als een techniek voor het ontspullen van je hoofd. Dat afleren gebeurt met behulp van nonsensminiaturen, koans. Dit is een koan die bestaat uit een dialoog tussen een monnik en een meester:

– Meester, ik kom met lege handen.
– Mooi, leg het daar maar neer.
– Maar meester, ik heb niks bij me!
– Ook goed, neem het dan maar weer mee.

Een koan wil je dusdanig met stomheid slaan, dat de gedachtencarroussel in je hoofd even helemaal tot stilstand komt. Het beoogde gevolg is een breinvullende en contemplatieve radiostilte. Zen wil voor rust zorgen in het drukke gedachtenhotel van ons hoofd (dat mooie beeld komt uit de ballade ‘L’hôtellerie de Pensée’ van de Oud-Franse dichter Charles d’Orléans).
            Sommige moderne Zen-meesters gebruiken voor die koans ook wel eens gedeeltes uit Alice in Wonderland, en dan met name de passages waarin de Cheshire-kat zich uitspreekt. Enkele van deze meesters gaan nog een stapje verder: zij zien in de nonsensliteratuur de Westerse variant van Zen. De bekendste onder hen is de Engelse Zen-meester en nonsensdichter Alan Watts (1915-1973).
            In zijn bundel Nonsense (1967) combineert Watts de traditionele nonsenspoëzie met Zen, een combinatie die wel ‘nonzens’ wordt genoemd. Een criticus hoorde in deze poëtische koans maar liefst ‘een jodelend brein’. De bundel bevat een nonsensballade in twintig limericks en een toepasselijk getitelde, want irritant repetitieve ‘Nuisance Mantra’. Maar je vindt er ook een iets meer programmatisch vers, met een soortement filosofische slotsom:

Birdle Burble

I went out of my mind and then came to my senses
By meeting a magpie who mixed up his tenses,
Who muddled distinctions of nouns and of verbs,
And insisted that logic is bad for the birds.
  With a poo-wee cluck and a chit, chit-chit;
  The grammar and meaning don’t matter a bit.

The stars in their courses have no destination;
The train of events will arrive at no station;
The inmost and ultimate Self of us all
Is dancing on nothing and having a ball.
  So with chat for chit and with tat for tit,
  This will be that, and that will be It!

Een sterke slotregel, al zal dit gedicht als geheel voor nonsenspuristen te didactisch van opzet zijn. Spiritualiteit begint vaak met een kinderlijk verbaasde glimlach, en ze kan er volgens deze dichter ook het beste weer mee eindigen. Watts lijkt de werkelijkheid te lezen als één groot nonsensgedicht: het is allemaal een verwarrende beurtzang van zin en onzin – maar er zit muziek in. En de glorie ervan moet je niet zoeken in een of andere bedoeling.
            De nonsensliteratuur wil ons bevrijden van de benauwende beperkingen van de materiële werkelijkheid en de logica. Eigenlijk wel een beetje zoals de religie dat pleegt te doen. Watts lijkt de nonsenspoëzie ook daadwerkelijk te positioneren als een goed alternatief voor heilige boeken. Zijn redenering is ongeveer als volgt.
            Religie is in aanleg een aantrekkelijke vorm van bescheidenheid en zelfinzicht. Er zijn onmiskenbare en mogelijk blijvende lacunes in onze kennis. Waarom zou je die niet opvullen met een soort poëzie die het leven met die lacunes vergemakkelijkt en die, wie weet, je ook nog eens helpt om een beter mens te zijn? Inmiddels is er van die bescheidenheid niet zoveel meer over, zodat het goed is om uit te zien naar een vervangend soort poëzie. En waarom zou die poëzie weer zwaarwichtig moeten zijn? Het begon tenslotte allemaal met een knal.
            Interessant is in dit verband de bevinding van antropologen dat religieuze teksten en rituelen hun functie even goed blijven vervullen als de eigenlijke zin ervan allang is vergeten – nadat ze dus in feite nonsens zijn geworden. Er is wereldwijd een behoefte aan een invulling van onze kennislacunes die rekening houdt met de mogelijkheid van metafysische verrassingen, maar kennelijk hoeft die invulling niet per se heel concreet en eenduidig te zijn.
            Wat nu juist de nonsenspoëzie zo geschikt maakt voor dit doel, is dat het gevaar van een interpretatie naar de letter hier toch wel miniem is. ‘Birdle Burble’ is voor het doel misschien nog wat te leerstellig, maar de zondagslezing zou voortaan heel goed kunnen komen uit de alles-omarmende nonsenspoëzie van Lear of Morgenstern.
            Meester Watts oordeelde dat zijn monniken moesten leren tijd te verspillen, bijvoorbeeld door naar zijn jodelend brein te luisteren. Hij reciteerde zijn gedichten als nonsensmantra’s, in een licht bekakt Engels. Toch klinkt zijn nonzens soms een beetje vals, vergeleken met de traditionele nonsenspoëzie. Ze klinkt dan koket en bedacht, en ook wat te luid – zelfs naast het refrein van een vers als ‘The Pelican Chorus’, waarin Edward Lear toch gul met uitroeptekens strooit:

Ploffskin, Pluffskin, Pelican jee!
We think no Birds so happy as we!
Plumpskin, Ploshkin, Pelican jill!
We think so then, and we thought so still!

Ook hier weer een ijzersterke laatste regel. Het is zo’n zinnetje dat je kan verleiden tot een dromerig gepeins over een wereld waar regels als ‘This will be that, and that will be It!’ en ‘We think so then, and we thought so still!’ in marmer gehouwen op gebedshuizen en overheidsgebouwen zullen staan.

Alan Watts: Nonsense. (E.P. Dutton, 1977) Herdruk aangevuld met enkele relevante fragmenten uit de essays van de dichter.

 
 

Lees meer »

In Liefde Knoeyende 9

Vignet-nonsenpoëzie-Omgekeerde wereld Lear Topsyturvy
Columns over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur

De geestverruimende invloed van de nonsensliteratuur strekt zich ook uit tot de popmuziek. Popmusici lijken zelfs een bijzondere affiniteit met het nonsensgenre te hebben. De Alice-boeken van Carroll hebben al menige trippy popsong geïnspireerd, zoals ‘White Rabbit’ van Jefferson Airplane (‘Remember what the Dormouse said: Feed your head, feed your head’). Ook de song ‘A Whiter Shade of Pale’ van Procul Harum is het vermelden waard, temeer omdat deze nonsense shanty door de dramatische muziek een onwaarschijnlijke crematie-hit werd.
    Enkele popsterren gingen echter nog wat verder en schreven hun hoogstpersoonlijke versie van literaire nonsens. Het multitalent John Lennon (1940-1980) slaagde hierin het beste. Als Beatle was het eerste wat hij buiten de muziek van de Beatles om produceerde (in 1964) meteen al een boek vol ‘Lennonsense’, zoals hij het noemde. Dat boek bundelt nonsenspoëzie en -proza van zijn hand en kreeg de toepasselijke titel In His Own Write.
    De boektitel verraadt het al: Lennon was verslaafd aan woordspelingen. Zijn proza is dan ook vaak de overtreffende trap van woordspeligheid. Het is een waar zwaan-kleef-aan van puns. Dat gaat dan als volgt:

[…] one hundred owls and the pussy willowbrook no rejection slip over board room for two many cooks spoil the brothel […]

Haast elk woord in dit proza vormt een combinatie met zowel het voorgaande als het navolgende woord: slip-over, over-board, board-room. Lennon maakt hier ook nog een aardige toespeling op het gedicht ‘The Owl and the Pussy-cat’ van zijn favoriete nonsensdichter Edward Lear. 
    Volgens getuigen schreef Lennon dit non-stop nonsensproza razendsnel achterelkaar op. Als lezer van zulk proza raak je echter al vrij gauw buiten adem, en dan grijp je graag naar zijn poëzie. Deze meer relaxte gedichten hebben een losse en zangerige toon. Net als de langere gedichten van Lear zijn het eigenlijk nonsense songs.
    Een nonsenstekst heeft geen betekenisvol plot waaraan de voortgang van het verhaal kan worden opgehangen. Nonsensauteurs hebben daarom ook altijd druk gezocht naar alternatieve structurerende principes voor hun proza en poëzie. Om het verhaal te sturen koos Lewis Carroll in Through the Looking-Glass bijvoorbeeld voor de regels van het schaakspel.
    Het meest gebruikte ordenende principe, zeker in de kindernonsens, is het alfabet. Ook Edward Lear schreef een flink aantal van deze (al dan niet berijmde) nonsensalfabetten, maar Lennon dichtte het toch wel definitieve, qua ontregeldheid moeilijk nog te overtreffen nonsensalfabet. Lear zou er nog van opkijken. Het heet simpelweg ‘An Alphabet’ en dit zijn de eerste vijf regels:

A is for Parrot which we can plainly see
B is for glasses which we can plainly see
C is for plastic which we can plainly see
D is for Doris
E is for binoculars I’ll get it in five

De vijfde regel wordt vaak incorrect geciteerd als ‘E is for binoculars I’ll get in five’, maar dat slaat natuurlijk nergens op.
    Een van de aantrekkelijkste aspecten van de nonsensliteratuur is dat ze zich niets aantrekt van de evolutie. Ze gaat lijnrecht in tegen de hele deprimerende notie van het leven als een afvalrace, door zich te specialiseren in achteloze incompetentie. Op ons werk proberen we onze incompetentie natuurlijk zo goed mogelijk te verbergen (vaak een full-time job), maar in de nonsensliteratuur komt domheid uit de kast.
    Bij Lennon krijgt de incompetentie fraai gestalte, zowel in de vorm als de inhoud. In de klassieke nonsenspoëzie zien we vaak een komisch contrast tussen de redelijk geacheveerde stijl en het minder geschoolde gedachtengoed, maar bij Lennon zijn vorm en inhoud volledig in harmonie. Het volgende gedicht is in alle opzichten lief-onbeholpen:

I Sat Belonely Down a Tree

I sat belonely down a tree,
Humbled fat and small.
A little lady sing to me
I could not see at all.

I’m looking up and at the sky,
To find such wondrous voice.
Puzzly puzzle, wonder why,
I hear but have no voice.

‘Speak up, come forth, you ravel me.’
I potty menthol shout.
‘I know you hiddy in this tree.’
But still she won’t come out.

Such softly singing lulled me sleep,
An hour or two or so
I wakeny slow and took a peep
And still no lady show.

Then suddy on a little twig
I thought I see a sight,
A tiny little tiny pig,
That sing with all its might.

‘I thought you were a lady,’
I giggle, – well I may,
To my surprise the lady
Got up – and flew away.

De spreker is hier, zoals wel vaker bij Lennon, een wat simpele geest, of misschien een kind. Hij komt in elk geval doorlopend heel mooi niet zo goed uit zijn woorden. Zes kwatrijnen lang zijn we luistervink van dit melodieuze geneuzel, en het hele gedicht staat loepzuiver in het register van de vertederde verbazing. Je kunt bij dit gedicht zelfs even denken aan de Amerikaanse beeldend kunstenaar Jeff Koons, die de kinderlijke verwondering voor een hogere vorm van begrip houdt.
    Dit gedicht is daarnaast ook nog een leuk spel met een bekende Oud-Engelse uitdrukking voor iets onmogelijks, voor iets wat van zijn leven niet gebeuren zal: ‘when pigs fly’. Deze uitdrukking komt ook voorbij in de beide Alice-boeken, en natuurlijk verwijst ook de reusachtige varkenvormige ballon bij de Pink Floyd concerten ernaar.
    In Lennon’s gedicht bewijst de nonsenspoëzie zich weer eens als een onmisbare bron van hoognodige correcties en aanvullingen op de evolutie, zoals vliegende biggetjes met gouden keeltjes. Lennon maakte ooit deze kritische kanttekening: ‘Reality leaves a lot to the imagination.’ En hij deed er wat aan.

John Lennon: In His Own Write / A Spaniard in the Works. (Vintage, 2010)

In Liefde Knoeyende 8

In ons dagelijks leven fungeert de humor meestal als een soort pauzeknop van de ernst: goed voor een momentje van comic relief, voor een luchtige onderbreking van wat er echt toe doet. Gelukkig zien veel nonsensdichters een meer serieuze rol weggelegd voor humor.
    Zij deinzen er niet voor terug om de consequentie te trekken uit het bekende gezegde ‘comedy is tragedy plus time’. De conclusie is duidelijk: niet de ernst maar de humor heeft het laatste woord. Ons uiteindelijke perspectief op leven en wereld is per definitie humoristisch van aard.
    Een dergelijk perspectief vinden we in de nonsensverzen van de Duitse dichter Christian Morgenstern (1871-1914). Dit is een beroemd voorbeeld:

De Knie

Een knie gaat daar zijn stille weg.
Het is een knie, meer niet!
Het is geen boom! Het is geen heg!
Het is een knie, meer niet.

Een militair, vrij, onverveerd,
werd in de pan gehakt.
De knie slechts liet men ongedeerd –
als blijk van fijne tact.

Sindsdien gaat die zijn stille weg.
Het is een knie, meer niet.
Het is geen boom, het is geen heg.
Het is een knie, meer niet.

Zoals bekend hebben studenten, zeker in groepsverband, een natuurlijke geneigdheid tot nonsens. Dit gedicht werd geschreven voor een nonsensclub die in 1895 werd opgericht door acht Duitse studenten. Deze club heette Die Galgenbrüder en was opgezet als een parodie op Middeleeuwse mystieke ridderordes. Al noemden de leden zich ‘De Galgenbroeders’, het ging hun niet om gewone galgenhumor.
    Deze studenten zouden namelijk graag de onbevangen en onbekommerde kijk op de dingen willen hebben van iemand die aan de galg hangt (in zijn laatste minuten). De gehangene verkeert immers in een bevoorrechte positie. Hij is eindelijk definitief los van alle gedoe en kopzorg die op aardse bodem een helder perspectief op de dingen altijd zo in de weg staan.
    Deze eredienst van de nonsens vond plaats in een verduisterde ruimte. Op een met zwart laken gedekte tafel plaatsten de ingewijden een beulsmaal (water en brood) en een draadje rode wol (de ‘levensdraad’ waaraan wij allen bengelen). In deze sfeervolle ambiance werden gedichten als ‘De Knie’ met passend ceremonieel gedeclameerd. Broeder Morgenstern schreef de liturgie voor deze sessies, en een bundeling van zijn bijdragen zou later de Duitse nonsensklassieker Die Galgenlieder (1905) opleveren.
    Naast een solitaire knie lopen er in deze Galgenliederen wel meer wonderlijke wezens rond, zoals het Maankalf en de Middernachtsmuis. De gedichten van Morgenstern over deze nonsensdieren vonden veel navolging, ook in andere talen. De mooiste voorbeelden in het Nederlands zijn natuurlijk de gorgelrijmen van Cees Buddingh’.
    Veel van deze Galgenliederen zijn parodietjes op hooggestemde levensbeschouwelijke poëzie. Soms verstrekt de dichter ook zelf een quasi-filosofische uitleg bij een gedicht (in het geval van ‘De Knie’ haalt hij Kant erbij). Vaak hebben ze echter van zichzelf een levensbeschouwelijke lading. De kinderlijke verwondering over alles, die we als volwassene een beetje zijn kwijtgeraakt, krijgt dan met de hulp van een loslopende knie een wedergeboorte als filosofische verwondering.
    Morgenstern wilde in zijn Galgenliederen uitdrukking geven aan de grootst mogelijke geestesvrijheid. Zijn nonsens moet de lezer bevrijden van de hoogdravende ernst van de religie en de filosofie, maar ook van de schamperende routines van veel gewone humor. Meer nog dan bij Edward Lear is de lezer bij Morgenstern getuige van een mystieke bruiloft van ernst en humor.
    Zijn Galgenliederen worden vanwege de levensbeschouwelijke ondertoon ook wel eens ‘metafysische bakerrijmen’ genoemd. Net als een nursery rhyme vertellen ze op argeloze toon de gekste dingen. De knie is nou net een lichaamsdeel dat we ons maar moeilijk als een losstaand ‘iets’ kunnen voorstellen (wel de knieschijf, maar niet de hele knie).
    Volgen we zo’n loslopende knie op zijn stille weg, dan worden we al gauw opgenomen in een wijde wereld ver voorbij de benepen plannetjes en boodschappenlijstjes van het calculerende verstand – en dat allemaal zonder de grote woorden van de mystiek. Sommige (erg Duitse) deskundigen beluisteren in het harmonische duet van zin en onzin in deze verzen zelfs een dichte benadering van de eeuwige Muziek der Sferen.
    De mooiste proeve van stilzwijgende mystiek in de Galgenliederen is wel ‘Fisches Nachtgesang’. Het is een lied dat alleen maar uit maattekens bestaat:

Nachtlied van de Vis

Nonsens

 

 

 

 

Sommige lezers (als dat in dit geval het juiste woord is) ontwaren hierin een visvorm met schubben, terwijl anderen waterbubbels zien. Hoe dan ook is dit gedicht het lied van een stemloos dier in de stilte van de nacht. Het is een gedicht voorbij de beperkingen van de taal, maar nog wel net (min of meer) opgetekend in taal. Morgenstern zelf noemde dit Lied ohne Worte het diepste gedicht in het Duits, voorwaar geen geringe claim. Het is echter zeker waar dat veel andere Duitse poëzie een tikje melodramatisch aandoet naast het ingetogen lied van deze diepe vis.
    We zijn het wel aan de dichter van deze geestige Galgenlieder verplicht om goedmoedig voorbij te gaan aan zijn latere terugval in de ernst, toen hij zich bekeerde tot de antroposofie en met zijn gepreek zelfs zijn oude Galgenbroeders van zich vervreemdde. Toch verloor hij gelukkig nooit zijn gevoel voor humor. Toen deze levenslange tbc-patiënt uiteindelijk de geest gaf, grapte hij in zijn laatste nacht nog over zijn ‘vierdimensionaal gehoest’. Galgenhumor van de gewone soort had deze dichter dus ook.

Christian Morgenstern: De Galgenliederen en andere groteske gedichten (Uitgeverij IJzer, 2006) Tweetalige editie waarbij de vertalingen van Bèr Willems een handige leeshulp vormen bij de originelen.
Christian Morgenstern: ‘De Knie’. Mijn vertaling van ‘Das Knie’. Dit is de oorspronkelijke tekst:

Das Knie

Ein Knie geht einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts!
Es ist kein Baum! Es ist kein Zelt!
Es ist ein Knie, sonst nichts.

Im Kriege ward einmal ein Mann
erschossen um und um.
Das Knie allein blieb unverletzt –
als wärs ein Heiligtum.

Seitdem gehts einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.
Es ist kein Baum, es ist kein Zelt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.

 

In Liefde Knoeyende 7

Niets doet er toe in de nonsensliteratuur. Misschien moet ik dit iets duidelijker formuleren: ‘niets’ doet er toe in de nonsensliteratuur. Het begrip ‘niets’ speelt een belangrijke rol in de nonsensicale logica. Bij de nonsensgrap gaat het vaak om het schrijven over het niets alsof het een iets is. Het verhaal ‘Nothing’ uit 1931 van de Engelse schrijver Richard Hughes is volledig gebaseerd op deze grap. Deze passage geeft een goede indruk van het procedé:

‘What is there for breakfast?’ said the father.
‘Amongst other things,’ said the mother, ‘there’s Nothing. Would you like some?’
‘No, thank you,’ said the father, ‘I prefer bacon.’

Dit praten over het Niets als iets dat voor je op de ontbijttafel staat past helemaal in de opgewekte nonsensicale praktijk om verschillen te minimaliseren. In dit geval vervaagt zelfs het verschil tussen ‘zijn’ en ‘niet-zijn’, wat in onze beleving toch een vrij cruciaal onderscheid is. Deze nonsensgrap staat mogelijk niet helemaal los van het feit dat we toch al de neiging hebben om ons het niets voor te stellen als iets – namelijk als lege ruimte. Niet als een lege ruimte, maar als lege ruimte. Dit versje van John O’Mill is een charmante variatie op deze grap:

Zen

Het staat je werkelijk snoezig, Loesje,
dat net nieuw uitgetrokken bloesje.

Niets doet er dus toe in de nonsens, en ik voeg daar meteen aan toe: op dezelfde manier speelt niemand een belangrijke rol in de nonsensliteratuur. Het vergelijkbare opvoeren van ‘niemand’ als een personage is een courante grap binnen het nonsensgenre. Dit samenvallen van niemand met iemand is eigenlijk de ontologische versie van de woordspeling die neigt naar de paradox. Een mooi voorbeeld staat in Through the Looking-Glass van Lewis Carroll:

‘I see nobody on the road,’ said Alice.
‘I only wish I had such eyes,’ the King remarked in a fretful tone. ‘To be able to see Nobody! And at that distance, too!’

Sinds Homerus Niemand als personage opvoerde in de Odyssee, hebben heel wat dichters op deze grap gevarieerd. Rond het jaar 1500 werd in Straatsburg een vers gepubliceerd waarin de dichter Niemand verantwoordelijk houdt voor alle ongelukjes in zijn huishouden. Zijn bedienden houden tenminste keer op keer vol dat het niemands schuld is. De bekendste manifestatie in dichtvorm van dit kiekeboe-achtige spel van er-niet-en-toch-ook-weer-wel-zijn is het nonsensvers ‘The Little Man Who Wasn’t There’ uit 1899 van de Amerikaanse dichter Hughes Mearns. Dit is de derde strofe:

Last night I saw upon the stair,
A little man who wasn’t there.
He wasn’t there again today
Oh, how I wish he’d go away…

Nonsensliteratuur is vaak op haar best als er bij de nonsensgrap ook nog iets van echte poëzie komt kijken. Dat maakt deze reeks columns hopelijk ook wel duidelijk. De meest poëtische toepassing van de soort nonsensgrap waar we het hier over hebben is zonder twijfel het gedicht ‘Portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas’ van de Franse dichter Claude Aveline (1901-1992):

Portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat

Dit is het portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat.
Hij kan er niets aan doen dat Onze Lieve Heer die alles gemaakt heeft vergeten is om hem te maken.
Hij ziet eruit zoals veel vogels, want de dieren die niet bestaan lijken op de dieren die wel bestaan.
Alleen hebben de dieren die niet bestaan geen naam.
En daarom heet deze vogel de Vogel-Die-Niet-Bestaat.
En daarom is hij zo verdrietig.
Misschien slaapt hij, of wacht hij af tot hij mag bestaan.
Hij zou zo graag willen weten of hij zijn snavel kan opendoen, of hij vleugels heeft, of hij net als een echte vogel het water in kan duiken zonder zijn kleuren te verliezen.
Hij zou zichzelf zo graag horen zingen.
Hij zou zo graag bang zijn om ooit dood te gaan.
Hij zou zo graag heel lelijke, heel levende vogeltjes krijgen.
De droom van een vogel-die-niet-bestaat, is om geen droom meer te zijn.
Er is ook niemand ooit eens tevreden.
En hoe wil je dat het op die manier goed komt met de wereld?

Een goede kwaliteitstest voor een nonsensgedicht is om even te checken of het vers in kwestie net zo goed in een algemene als in een specifieke nonsensbloemlezing zou kunnen staan. Dit gedicht uit 1950 van de niet zo bekende Aveline (hij is eigenlijk voornamelijk bekend geworden door dit gedicht) doorstaat die test glansrijk. Het gedicht is geestig zonder dat de humor er het hoogste woord heeft. Je zou de premisse van dit gedicht kunnen samenvatten als: een ongerealiseerd gebleven concept voor een vogel opponeert zich.
    Het nonsensicale van deze premisse wordt er in dit gedicht niet dik bovenop gelegd, maar haast weggemoffeld. Het gevolg is dat je als lezer intens gaat meeleven met een nota bene uitdrukkelijk niet-bestaand wezen. Uiteindelijk gun je het deze vogel van harte om wel te bestaan, en lelijke kleine vogeltjes te krijgen. Daarbij geven de losse vorm van het gedicht en de vrijelijk uitzwierende dichtregels deze puur conceptuele vogel ook nog eens vleugels.
    Aveline’s vogel staat in een rijke nonsenstraditie met onder meer Morgenstern en zijn menagerie van onbestaanbare dieren. Alleen hebben die dieren wel een naam, en zijn hun contouren ook iets minder schetsmatig. Als we dichter bij huis blijven, laat ons zeggen in de buurt van een zekere blauwbilgorgel, dan zou je goed kunnen stellen dat deze Vogel-Die-Niet-Bestaat het ultieme gorgeldier is.
    ‘Portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat’ speelde ook nog een leuke rol in de beeldende kunst. Aveline vroeg namelijk aan een groot aantal bevriende kunstenaars om daadwerkelijk het portret te maken van deze niet-bestaande vogel. Dat resulteerde in meer dan honderd speelse schilderijen, tekeningen en beelden. Google maar eens op de oorspronkelijke titel van het gedicht en klik op Images. Menig wel-bestaand staatshoofd zal minder vaak geportretteerd zijn.

John O’Mill: ‘Zen’, in De Stem, 20 maart 1989.
Claude Aveline: ‘Portret van de Vogel-Die-Niet-Bestaat’. Mijn vertaling. Hieronder de oorspronkelijke tekst zoals gepubliceerd in: Portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas. Peintures, dessins, sculptures, livres d’artistes et estampes. Sur un poème de Claude Aveline. (Musée de l’Hospice Saint-Roch, 2014):

Portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas

Voici le portrait de l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas.
Ce n’est pas sa faute si le Bon Dieu qui a tout fait a oublié de le faire.
Il ressemble à beaucoup d’oiseaux, parce que les bêtes qui n’existent pas
ressemblent à celles qui existent.
Mais celles qui n’existent pas n’ont pas de nom.
Et voilà pourquoi cet oiseau s’appelle l’Oiseau-Qui-N’Existe-Pas.
Et pourquoi il est si triste.
Il dort peut-être, ou il attend qu’on lui permette d’exister.
Il voudrait savoir s’il peut ouvrir le bec, s’il a des ailes, s’il est capable de
plonger dans l’eau sans perdre ses couleurs, comme un vrai oiseau.
Il voudrait s’entendre chanter.
Il voudrait avoir peur de mourir un jour.
Il voudrait faire des petits oiseaux très laids, très vivants.
Le rêve d’un oiseau-qui-n’existe-pas, c’est de ne plus être un rêve.
Personne n’est jamais content.
Et comment voulez-vous que le monde puisse aller bien dans ces conditions?

In Liefde Knoeyende 6

Binnen de nonsensliteratuur zijn de verschillen tussen de poëzie en het proza soms zo groot dat het wel afzonderlijke literaire genres lijken. Het proza gaat vaak rebels tegen de draad in, met een soort humor die aan de satire grenst. Daarentegen ademt de poëzie, waartoe we ons hier beperken, eerder de geest van een mellow monisme. De dichter W.H. Auden, die een bekende bloemlezing van nonsensgedichten samenstelde, omschreef het genre als ‘an attempt to find a world where the divisions of class, sex, and occupation do not operate.’
    Dit volkomen negeren van sociale en andere barrières geeft de nonsenspoëzie haar ontspannen grandeur. Van die grootsheid vormt het werk van de Engelse nonsensdichter Edward Lear (1812–1888) in verschillende opzichten een frappant bewijs. Samen met Lewis Carroll wordt Lear beschouwd als de grondlegger van de nonsens als zelfstandig literair genre. Dit is het gedicht waarmee hij op latere leeftijd zijn dichterschap afsloot:

Some Incidents in the Life of My Uncle Arly

O my agèd Uncle Arly! –
Sitting on a heap of Barley
All the silent hours of night, –
Close beside a leafy thicket: –
On his nose there was a Cricket, –
In his hat a Railway-Ticket; –
(But his shoes were far too tight.)

Long ago, in youth, he squander’d
All his goods away, and wander’d
To the Timskoop Hills afar.
There, on golden sunsets blazing
Every evening found him gazing, –
Singing, – ‘Orb! you’re quite amazing!
How I wonder what you are!’

Like the ancient Medes and Persians,
Always by his own exertions
He subsisted on those hills; –
Whiles, – by teaching children spelling, –
Or at times by merely yelling, –
Or at intervals by selling
‘Propter’s Nicodemus Pills’.

Later, in his morning rambles
He perceived the moving brambles
Something square and white disclose; –
’Twas a First-class Railway Ticket
But in stooping down to pick it
Off the ground, – a pea-green Cricket
Settled on my uncle’s Nose.

Never – never more, – oh! never,
Did that Cricket leave him ever, –
Dawn or evening, day or night; –
Clinging as a constant treasure, –
Chirping with a cheerious measure, –
Wholly to my uncle’s pleasure, –
(Though his shoes were far too tight.)

So, for three-and-forty winters,
Till his shoes were worn to splinters,
All those hills he wander’d o’er, –
Sometimes silent; – sometimes yelling; –
Till he came to Borly-Melling,
Near his old ancestral dwelling; –
– And he wander’d thence no more.

On a little heap of Barley
Died my agèd Uncle Arly,
And they buried him one night; –
Close beside the leafy thicket; –
There, – his hat and Railway Ticket; –
There, – his ever faithful Cricket; –
(But his shoes were far too tight.)

In de loop van de twintigste eeuw groeiden de serieuze poëzie en de nonsenspoëzie dichter naar elkaar toe. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de moderne poëzie aan nonsens grenst, maar wel dat ze enkele typische trekjes overnam van een dichter als Lear. Toen Lear, die later bekend zou worden als The Laureate of Nonsense, rond 1830 begon met dichten, waren ernst en luim in de letteren nog vrij strikt gescheiden. Zijn dubbeltonige nonsens, die speelsheid combineert met een melancholieke ondertoon, heeft die kloof mee helpen overbruggen. Deze dubbeltonigheid is inmiddels mainstream geworden in de serieuze poëzie – zij het dat daar de ernst meestal het laatste woord heeft, en dan niet zelden in de vorm van zelfbeklag.
Naast enkele honderden limericks schreef Lear ook een aantal langere nonsensgedichten, die hij, net als zijn limericks, voorzag van doodle-achtige tekeningetjes. Door het karakteristieke ontbreken van een punchline laten die limericks veel lezers onbevredigd achter, maar zijn langere gedichten, die hij ‘nonsense songs’ noemde, kunnen juist heel voldaan stemmen. Deze songs hebben inderdaad de vorm van een lied met een memorabel refrein. Enkele ervan heeft de dichter zelfs getoonzet. Deze gedichten hebben geen boodschap en zijn ook niet wat je noemt dolkomisch, maar ze kunnen even opwekkend en opbouwend op de lezer inwerken als een hymne.
   Dat komt vooral doordat Lear’s nonsens vaak het karakter heeft van een  allesomvattende omarming, die elk wezen insluit dat net als de dichter ietwat afwijkt van de norm – zoals de Pobble (die geen tenen heeft) en de Quangle-Wangle (die een complete menagerie op zijn hoed meedraagt). Iets van die inclusiviteit, die zelfs biologische barrières overwint, hoor je al meteen in de eerste song uit 1865. Die bezingt de soortoverschrijdende liaison van een kangoeroe en een eend. Hieronder Lear’s uitbeelding van het vriendenstel op stap.

nonsens

De tweede song, ‘The Owl and the Pussy-cat’, is misschien wel Lear’s bekendste bijdrage aan de nonsensliteratuur. Dat gedicht bezingt het huwelijksgeluk van de twee natuurlijke vijanden uit de titel.
    De laatste nonsense song uit 1886 las u daarnet en gedenkt een zekere Uncle Arly. Lear schreef het toen hij drieënzeventig was, enkele jaren voor zijn dood. Andere nonsensdichters, zoals de Duitse klassieker Christian Morgenstern, bekeerden zich op latere leeftijd in hun poëzie tot een zwaarwichtiger kijk op de dingen, maar Lear bleef tot het einde toe trouw aan zijn nonsens. Na het voltooien van zijn vers over Uncle Arly schreef de dichter aan een vriend: ‘And I esteem it a thing to be thankful for that I remain as great a fool as I ever was.’
    De zinsnede ‘some incidents in the life of’ uit de titel van het gedicht is een wat plechtige oude uitdrukking voor een biografische schets, en het gedicht zelf is een necrologietje in versvorm. Dit vers is geen uitbundige manifestatie van het nonsensgenre. Het is zelfs stemmig genoeg om op een kerkhof voorgedragen te worden – wat trouwens ook gebeurt in de sfeervolle televisiesketch op basis van dit gedicht van Peter Cook en Dudley Moore uit 1965 (er is een clip op YouTube).
    Nonsensicale humor komt vaak neer op een komisch duet van betekenissen, zoals in de woordspeling of de paradox. In een wereld die voortdurend glasheldere eenduidigheid van ons verlangt, ervaren we die ongegeneerde tweeslachtigheid als bevrijdend. Lear’s gedicht bevat zelfs een dubbele woordspeling. Gelezen als één woord verandert ‘Uncle Arly’ in ‘unclearly’, wat ook nog eens bijna klinkt als ‘Uncle Lear’, zoals de Laureate wel werd aangesproken door jonge fans.
    Het gedicht als geheel zou je daarenboven kunnen lezen als het emotionele equivalent van een woordspeling. Dit vers is een duet van gevoelens: een humoristisch gedicht over sentimentaliteit dat zelf weer een beetje sentimenteel is. Hier slaagt Lear erin om simultaan amusant en navrant te zijn, meer nog dan iemand als Heinrich Heine, de dichter uit de Romantiek, die vaak van eenzelfde dubbeltonigheid gebruikmaakte.
    In dit gedicht speelt Lear een charmant spel met zijn eigen sentimentele inborst. Hij gaf in een brief ruiterlijk toe dat hij last had van ‘incontinent eyes’. Veel lezers zullen vast ook even glimlachen bij de lectuur van het vers, maar misschien niet zonder een brokje in de keel weg te moeten slikken vanwege die veel te krappe schoenen.
    We zagen al dat de titel zinspeelt op ‘Uncle Lear’. De vraag die zich aandient is dan: is het gedicht een verkapte autobiografie? Dit wonderlijke in memoriam wordt inderdaad beschouwd als een van Lear’s meer autobiografische verzen, waarbij de erwtjesgroene krekel optreedt als een onalledaagse muze van de dichtkunst. Dat maakt de speelse dubbeltonigheid van het gedicht eigenlijk nog opmerkelijker.
    De epileptische en asthmatische Lear was het twintigste kind uit een verarmd gezin, en werd al jong aan zijn lot overgelaten. Later werd het er door een reeks professionele en persoonlijke tegenslagen niet veel beter op. En hoewel hij bij mogelijke partners vermoedelijk niet zo lette op details als het geslacht, bleef de dichter zijn leven lang alleen.
    Toch is het pas in dit laatste gedicht dat hij iets van een klacht mompelt, en dan nog unclearly (tussen discrete haakjes). De dichter had weliswaar moeilijke voeten, maar de te krappe schoenen staan hier duidelijk voor een meer algemene malaise. Nonsensdichters kunnen met smaak grof uit de hoek komen, maar hun algehele warsheid van emotioneel exhibitionisme verleent een gedicht als dit een zekere klasse. Het zelfbeklag blijft hier beperkt tot een door haakjes gedempt refreintje, en wordt ook nog eens getemperd door de gekkigheid eromheen. Dat maakt van deze kindernonsens een toch wel heel volwassen gedicht.
    Dit levensbericht over Uncle Arly is een duet van tegengestelde gevoelens, en bij dat duet verliezen beide emoties hun scherpe kantjes. Serieuze dichters zijn er vaak op gericht om een bepaalde emotie groots en dramatisch uit te meten, maar een dichter als Lear verkleint een emotie liever sussend tot een behapbaar formaatje. Daardoor klinkt dit gedicht, net als veel andere nonsenspoëzie, een beetje als een bakerrijm voor alle leeftijden. Hier is een vertaling door Wim Tigges:

Voorvallen in het Leven van mijn Ome Arwe

O mijn oude Ome Arwe!
Die zat op een hoopje Tarwe
    In de nachtelijke kou,
Bij een bosje weggedoken:
’n Krekel op z’n neus, en ook ’n
Treinkaart op zijn hoed gestoken,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

In zijn jeugd verbraste hij z’n
Hele have en ging reizen
    Naar de Berg van Tiniskoop.
In de gouden schemeruren
Zat hij naar de zon te turen,
En zong: ‘Hemelbol vol vuren,
    Waarheen leidt Uw wijde loop?’

Gelijk de Perzen en de Meden
Leefden volgens eigen zeden,
    Schafte hij zich een bestaan,
Soms door kind’ren te onderwijzen,
Soms ook door alleen te krijsen,
Soms door pillen aan te prijzen
    Die hem goed hadden gedaan.

Later, toen hij wandelen ging,
’s Morgens, trof zijn oog een ding
    In de bramen, vierkant, wit, en
’t Bleek een Kaartje Eerste Klas,
Maar toen hij aan ’t bukken was,
Sprong een Krekel, groen als gras,
    Op zijn neus, en bleef daar zitten.

Nooit of nimmer, neen, o, neen,
Ging die Krekel van hem heen.
    Vroeg of laat, bij hitte of kou,
Bleef hij, kleinood voor ’t leven,
Vrolijk tsjirpend hem bekleven.
’t Heeft mijn Oom veel vreugd’ gegeven,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

En zo, drie en veertig winters
(Al zijn schoeisel ging aan splinters)
    Dwaalde hij voor dag en dauw
Soms gelaten, soms in toorn,
Tot hij kwam bij Lomp Verploren,
’t Landgoed waar hij werd geboren,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

Op een heel klein hoopje Tarwe
Stierf mijn oude Ome Arwe,
    Ze begroeven hem al gauw
Bij dat bosje, vol van blaren,
Waar zijn hoed en treinkaart waren,
En zijn Krekel, trouw voor jaren,
    (Maar zijn schoeisel was te nauw.)

Edward Lear: The Complete Nonsense and Other Verse. (Penguin, 2006)
Edward Lear: Babbels en krabbels van Edward Lear. (Het Spectrum, 1978) Vertaald door Wim Tigges.

 

In Liefde Knoeyende 5

Bestaat er zoiets als Opperlandse nonsenspoëzie? Het is een vraag waarvan we in kringen van nonsensliefhebbers vaak wakker liggen. Weliswaar zien veel Opperlandse teksten er op het eerste gezicht behoorlijk nonsensicaal uit, maar al snel rijzen er twijfels. De mop van het Opperlands bestaat er immers uit om een bepaalde regel (bijvoorbeeld: je mag maar één klinker gebruiken) hardnekkig te respecteren, terwijl de mop van de nonsensliteratuur er meestal uit bestaat om een regel (ook al gaat het om een natuurwet) volledig te negeren.
    Daar komt nog bij dat je in de Opperlandse sfeer opvallend weinig poëzie tegenkomt. De schepper van het Opperlands, Battus (een van de vele pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius, 1935-2014), geeft in zijn standaardwerk Opperlandse taal- & letterkunde dit mooie voorbeeld van een palindroom, van een zin die hetzelfde klinkt als je hem van achteren naar voren leest:

Gad nee, poëzie…! zei ze op een dag.

De verzuchting van de spreekster kon wel het motto zijn van dat boek (en ook van de latere versie Opperlans!), want er staan maar heel weinig gedichten in. De paar gedichten die erin staan zijn meestal extreem kunstige, maar nu juist niet nonsensicale light verse. Een goed voorbeeld is het IJ-rijm uit 1880 van de Nederlandse plezierdichter B.H. van Breemen. Battus citeert dat rijm om de Opperlandse versvorm te illustreren waarbij je in je hele gedicht maar één klinker mag gebruiken. Dit is de eerste strofe:

Blijf, wijl ’k mijn tijd
blij ’t ij-rijm wijd,
blijf, blijf mij bij, gij IJ,
stijf vrij, wijl ’k lijm,
mijn ij-rijk rijm;
mijn wijs, mijn prijs zijt gij.

De dichter houdt dit ge-ijl negen strofen lang vol. Hij weet zijn gedicht ook nog eens negen strofen lang (min of meer) zinnig te houden – en daar stuiten we op een cruciaal puntje. Want bij zo’n Opperlandse restrictie van maar één bruikbare klinker is dat nu net de sport. Het beoogde resultaat is dus juist niet nonsens.
    Je kunt je zelfs afvragen of er eigenlijk wel een principieel verschil bestaat tussen een Opperlandse dichtvorm en een meer courante (maar nauwelijks minder gekunstelde) dichtvorm als het sonnet. Of moeten we zo’n malle Opperlandse dichtvorm zien als een parodie op die courantere dichtvormen? Van hieruit doorredenerend zou je de hele Opperlandse taal- en letterkunde kunnen zien als een nonsensicale parodie op de taal- en letterkunde – net zoals de zogenaamde ‘patafysica’ van de Franse schrijver Alfred Jarry een nonsensicale parodie is op de fysica.
    Het is altijd weer boeiend om een pietje-precies te zijn als het over nonsens gaat – en het wordt nog interessanter. Soms is het einddoel van de maniakale regelvastheid van het Opperlands namelijk wel degelijk onzin. Een aardig voorbeeld hiervan is de formule ‘S + 7’. Daarbij vervang je elk substantief in een bestaande, liefst overbekende tekst door het zevende volgende substantief in een woordenboek. Dit procedé werkt het best met een handwoordenboek. Op die manier kun je een doodgeciteerde dichtregel over de maand mei weer fris elan geven:

Een nieuwe lepel en een nieuw geluk

Het Opperlands beschikt over meer van zulke formules om zin om te toveren tot onzin. Er is trouwens nog een raakvlak tussen het Opperlands en de nonsensliteratuur: het thema van de omgekeerde wereld. De benaming ‘Opperlands’ is zelf al een tegenbeeld van ‘Nederlands’, en eigenlijk staat de hele Opperlandse taal- en letterkunde haaks op de literaire praktijk. Je zoekt niet een vorm bij je inhoud, maar je wurmt een inhoud in je vorm. Ook in de nonsenspoëzie wordt de inhoud van een gedicht weleens ondergeschikt gemaakt aan de vorm (met name aan het rijm), maar dan is het effect heel anders. Opperlandse poëzie als het IJ-rijm ziet er razend knap uit, maar is zelden evocatief. De eerste impressie bij nonsenspoëzie is meestal andersom: erg evocatief, maar niet zozeer knap – of zelfs maar competent.
    Dat er binnen de Opperlandse taal- en letterkunde zo weinig aan poëzie wordt gedaan is ook weer niet zo vreemd, want om bovenop de gebruikelijke dichterlijke voorschriften ook nog een Opperlandse restrictie in acht te moeten nemen is wel erg veel gevraagd. Gelukkig is er naast een plezierdichter als Van Breemen ook een nonsensdichter in wiens werk we die vaardigheid terug kunnen vinden: John O’Mill (pseudoniem van de Nederlandse anglist J. van der Meulen, 1915-2005).
    Deze taalvirtuoos maakte in een van zijn gedichten gebruik van een andere bekende Opperlandse toverformule om uit zin onzin te maken, namelijk het spoonerism oftewel ‘neukebootje’. Bij een spoonerism verwissel je voor het komische effect de beginletters van twee woorden of lettergrepen. In plaats van het ‘snuivend ros’ van een ruiter krijg je dan zijn ‘ruivend snos’. O’Mill nam het op zich om het aloude verhaal over Sint Joris en de Draak compleet in spooneristische verzen te herdichten. Dit is de bekendste (wat kortere) versie van het resultaat:

Sint Dracus en de Joor

Sint Dracus op zijn ruivend snos
steed rapvoets door het bonker dos.
Plots houden raard en puiter stil
geschrokken door een gauwe ril.
Is daar misschien een niel in zood,
besprongen door een Dille Koot?
Sint Dracus ijlt nu sloorspags voort
naar waar de kroodneet werd gehoord
en daar ontblouwt zich aan zijn vik
’n scheeld dat hem verschrijft van stik:
’n mubbenschonster, groest en woot,
de auwe kluit, de blanden toot
en aan de roet der votsen ligt,
(de banden voor ’t hang gezicht)
een vronkjouw, uiterschate moon,
haar tooft gehooid met kouden groon.
Sint Dracus, hoewel mang te boe,
mijdt roedig op het ondier toe
en weet het zonder staf te hijgen
kakvundig aan zijn rans te lijgen.
Nog vluugt het spammen, pomt een kroot,
dan krijgt het de gestade noot.
De vronkjouw uit een kreugdeveet
en grijpt Sint Dracus billend treet.
Hij zet haar vóór zich op zijn ros
en brengt haar uit het bakendros
weer bij haar slader op het vot.
Daar hankt men dem, daar gankt men Dod.
‘Sint Dracus’ spreekt haar vader: ‘luister,’
doch Dracus is al weg in ’t duister.
Lang vaart de stader in de nacht,
hudt dan het schoofd en zompelt macht:
Dat had mijn schoonzoon kunnen zijn,
daar kist ons Moba treer een wein.

Het is even zoeken, maar hier hebben we dan toch een proeve van heel bevredigende nonsenspoëzie op basis van een Opperlands procedé. Dit is zelfs poëzie die herinnert aan de beroemde nonsensballade ‘Jabberwocky’ van Lewis Carroll – en niet alleen vanwege de gevelde draak. Net als bij ‘Jabberwocky’ begint het voor de lezer met betoverende nonsens en krijgt hij er, na het kraken van de code, ook nog een spannend oerverhaal bij. Toch veroorlooft de dichter zich hier bij zijn toepassing van het neukebootje op tenminste vijf plaatsen vrijheden waarvoor de ware Opperlander terug zou deinzen. Te beginnen met de titel, die volgens de regels eigenlijk ‘Sint Drakis en de Joor’ had moeten zijn.
    We hebben het hier natuurlijk wel over een uitzonderlijk lastig poëtisch parcours met dubbele (dichterlijke én Opperlandse) hindernissen. Niettemin moet dus zelfs een routinier als John O’Mill bij zo’n Opperlandse taalhandicap zijn toevlucht nemen tot noodgrepen om nog tot bevredigende nonsens te kunnen komen. De slotsom moet dan ook zijn dat Opperland, heel anders dan Nederland, geen vruchtbare voedingsbodem vormt voor de nonsenspoëzie. We kunnen weer rustig gaan slapen.

John O’Mill: Tafellarijmvet (Andries Blitz, 1958)

 

In Liefde Knoeyende 4

Hoe ver kun je gaan met nonsenspoëzie? Pure waanzin blijft meestal niet zo heel lang boeiend, zelfs niet in de vorm van poëzie met een genoeglijk reutelend metrum. Een goed nonsensgedicht is doorgaans een half-om-half mix van zin en onzin. Goede literaire nonsens is een prikkelende evenwichtsoefening tussen twee dingen. Zoals een woordspeling balanceert tussen twee heel verschillende betekenissen, zo balanceert een nonsensgedicht giechelig tussen zin en onzin. Een klassiek voorbeeld van die komische ambiguïteit is de ballade ‘Jabberwocky’ van de Engelse nonsensauteur Lewis Carroll (1832–1898).
    ‘Jaberwocky’ is misschien wel het beroemdste nonsensgedicht uit de hele wereldliteratuur. Het gedicht staat niet in Carroll’s Alice in Wonderland maar in het vervolg daarop, Through the Looking-Glass, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom veel Carrollianen dat tweede boek nog hoger aanslaan dan het eerste. In het boek komt naar voren dat het gedicht een vreemd effect op Alice uitoefent: ‘Somehow it seems to fill my head with ideas – only I don’t exactly know what they are!’ Een herkenbare sensatie voor de liefhebber van nonsenspoëzie.

carroll-jabberwocky

Jabberwocky

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

‘Beware the Jabberwock, my son!
The jaws that bite, the claws that catch!
Beware the Jubjub bird, and shun
The frumious Bandersnatch!’

He took his vorpal sword in hand:
Long time the manxome foe he sought –
So rested he by the Tumtum tree,
And stood awhile in thought.

And, as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came whiffling through the tulgey wood,
And burbled as it came!

One, two! One, two! And through and through
The vorpal blade went snicker-snack!
He left it dead, and with its head
He went galumphing back.

‘And, hast thou slain the Jabberwock?
Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Callooh! Callay!’
He chortled in his joy.

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

Om de verwarring bij de lezer compleet te maken, houdt een nonsensdichter vaak nog iets van de schijn van betekenis op. Zelfs vrij extreme nonsens als ‘Jabberwocky’ respecteert altijd nog de regels van de grammatica en de syntaxis. Bovendien heeft het gedicht een vertrouwde, traditionele vorm en volgt het een behoorlijk solide verhaallijn. Je zou kunnen zeggen: de onzin is er tactisch gedoseerd.
    Als student schreef Carroll een vierregelige parodie op oude Angelsaksische poëzie. Dat wonderlijke kwatrijn werd later de eerste en laatste strofe van ‘Jabberwocky’. Deze nonsensballade bezingt het vellen van de Jabberwock – afgaande op het prentje een draak in een gilet. Een gedicht als dit, dus nonsens met een straf metrum, is zelf eigenlijk ook een soort draak in een vestje: tomeloze inhoud in een strakke pasvorm. Maar er is meer.
    In het Engels is ‘jabberwocky’ inmiddels officieel synoniem geworden aan ‘onzin’, maar we weten uit goede bron dat sommige woorden in het gedicht juist volgepropt zitten met betekenis. Die bron is namelijk een personage uit Carroll’s boek zelf. Daarin legt Humpty Dumpty enkele woorden namelijk uit als een ‘kofferwoord’, als een nieuw woord waarin verschillende bestaande woorden gepakt zitten. Een actueler maar minder komisch kofferwoord is ‘Brexit’. In een brief heeft Carroll zich ten overvloede aangesloten bij Humpty Dumpty. In dat epistel gaf hij ‘uffish’ (in de vierde strofe) als voorbeeld. ‘It seems to suggest a state of mind when the voice is gruffish, the manner roughish, and the temper huffish.’
    Als een woordspeling een duet van betekenissen is, dan zou je een kofferwoord goed een optelsom van betekenissen kunnen noemen. De malle overdaad aan betekenis van die kofferwoorden enerzijds en de duisterheid van de resterende neologismen anderzijds voeren de pesterige ambiguïteit vakkundig op. Je probeert eerst nog wel om ook de rest te decoderen, maar geeft dan de moed al gauw op. De herhaling van de eerste strofe op het eind versterkt het balladegevoel, maar heeft hier ook iets koddigs. Na alle drukte over het vellen van de Jabberwock moet de sullige slotsom zijn dat er niks wezenlijks is veranderd. ’t Is nog steeds brillig, en die arme borogoves zijn nog altijd mimsy.
    Nonsens als ‘Jabberwocky’ lijkt misschien makkelijk opgetekend te zijn na een stevig glas, maar het is toch echt precisiewerk. De schrijver van de bekende serie detectives over Father Brown, G.K. Chesterton, was een groot nonsensconnaisseur. In een essay over Carroll toonde hij zich heel beslist over de spelling van ‘uffish’ in de vierde strofe. Hij schreef zelfs dat de eerste druk van Through the Looking-Glass vrijwel zeker onverkocht was gebleven als de zetter er per ongeluk ‘affish’ van had gemaakt.
    Dat mag dan een tikje overdreven zijn, maar er bestaat in de nonsens zoiets als een absoluut gehoor – en heel weinig dichters hebben dat. De vele mislukte imitaties van Carroll’s ballade vormen daarvan het treurige bewijs. Ten bewijze twee regels uit ‘Gedondillo’, een navolging van ‘Jabberwocky’ door de Amerikaanse plezierdichter Ogden Nash (hij kwam al even voorbij in de vorige column). De titel van zijn imitatie is waarschijnlijk een kofferwoord van ‘armageddon’ en ‘armadillo’.

Appetency lights the corb of the guzzard now,
The ancient beveldric is otley lost.

Het hele gedicht bestaat uit dit soort regels. Nash was een groot bewonderaar van het origineel, maar toch is zijn imitatie ervan niet echt geslaagd. Zijn gedicht maakt de indruk van een nogal lukrake verzameling kofferwoorden en malapropismen – en helemaal niet van tactisch gedoseerde nonsens. De balans zin-onzin is hier onmiskenbaar zoek. De meeste andere imitaties van Carroll’s ballade vertonen ditzelfde euvel: ze zijn veel te bizar. Het bijzondere van ‘Jabberwocky’ is nou net dat het gedicht, ondanks alle wartaal en verwartaal, af en toe bijna plausibel klinkt als specimen van de antieke poëzie die het parodieert.
    Al met al blijkt het nog een hele kunst om bij het schrijven van een nonsensgedicht de juiste zin-onzin-ratio te vinden. Het dunne lijntje dat geslaagde nonsenspoëzie scheidt van vermoeiende wartaal is binnen de literatuurwetenschap dan ook nog steeds een boeiend onderwerp van studie. Natuurlijk is Carroll’s ballade onvertaalbaar, en natuurlijk voelde menige vertaler zich daardoor juist uitgedaagd.
    De diverse vertalingen in het Nederlands vind je verzameld in het leuke en informatieve boekje van Jur Koksma en Joep Stapel: Het nonsensgedicht Jabberwocky van Lewis Carroll. (Lewis Carroll Genootschap, 2018)

 

In Liefde Knoeyende 3

Nonsens is goed bestand tegen de tand des tijds. Om een antieke grap te snappen hebben we vaak een vracht aan voetnoten nodig, alleen al om te begrijpen waartegen de spot of satire zich richt, maar niet bij nonsens. Het nonsens-genre bevat geen tijdgebonden spot of satire. Het speelt met de wetten van de logica – en die bleven door de eeuwen heen toch wel gelijk. Zo levert een Oud-Griekse tekst over een schip dat wat uit de koers raakt en zodoende op de Maan strandt, nog steeds toegankelijke en leuke lectuur op. Duurzame humor, dus. Niettemin woedt er op dit punt binnen de nonsens een beetje een richtingenstrijd.
    Veel academici zien nonsensliteratuur namelijk liever wel als satire, als een kritisch commentaar op iets of iemand, want wat kun je nu helemaal zeggen over pure nonsens? Genoeg om er een proefschrift mee te vullen? Voor de ware liefhebber daarentegen is het toch echt een principekwestie dat nonsens nergens op slaat.
    Deze richtingenstrijd komt goed tot uiting in de discussie over de parodietjes op de klassieke kinderrijmen in Alice in Wonderland. Veel academici menen dat Carroll daarmee de zoetsappige originelen bekritiseerde. De liefhebber wijst er dan graag op dat de dichter ook zelf zulke sentimentele versjes schreef – en dat het hier gaat om de simpele lol van het op zijn kop zetten van dingen.
    Eigenlijk hebben beide partijen een beetje gelijk. Vaak zal het zijn voorgekomen dat de schrijver aanvankelijk uitging van een satirische opzet, maar dat die in de roes van de humor vaak ook weer uit zicht verdween. In dat geval kon satirische overdrijving uitlopen op nonsensicale hypertrofie. Dat is trouwens meteen de geschiedenis van de nonsensliteratuur in een notendop: satire die uit de bocht vliegt. Het is de geschiedenis van de emancipatie van de humor, van haar bevrijding uit de dienstbaarheid aan een agenda. De literatuurgeschiedenis kent veel mooie momentjes waarop een schrijver het sneren van de satire moe werd – en besloot om humor helemaal de vrije loop te laten. Te beginnen in de eerste eeuw met Lucianus en zijn knotsgekke proza over die Maanreis per boot.
    In de poëzie vormen de impossibilia een goed voorbeeld van satire die werd opgetild naar nonsens. Het is in de poëzie niet ongebruikelijk om iets duidelijk te maken aan de hand van een hyperbool (onmogelijke overdrijving), bijvoorbeeld in een liefdesgedicht: jouw schoonheid straalt als een zon bij nacht…. Dit soort vergelijkende overdrijvingen bleek erg effectief in satiren, met name bij het stevig aanzetten van andermans tekortkomingen. Later werden deze onmogelijkheden – of op zijn Latijns impossibilia – soms weer verlost van elke satirische pertinentie en gepresenteerd als stand-alone nonsens. In die geest schreef de zeventiende-eeuwse Engelse bisschop Richard Corbet zijn beroemde gedicht ‘A Mess of Non-Sense’. Hieronder een gemoderniseerde versie van de eerste strofe:

Like to the thundering tone of unspoke speeches
Or like a lobster clad in logic breeches
Or like the grey fur of a crimson cat
Or like the mooncalf in a slipshod hat
Or like the shadow when the Sun is gone
Or like a thought that never was thought upon
Even such is he who never was begotten
Until his children were both dead & rotten.

Bisschoppen hadden toen heel andere prioriteiten. Bovenop alle impossibilia gaf de geestelijk leidsman zijn gedicht ook nog een tautologisch zweem: iets onmogelijks is als iets onmogelijks.
    Dichter bij huis vinden we een nog mooier voorbeeld van satire die werd verbeterd tot nonsens. Een gedicht van de Amerikaanse plezierdichter Ogden Nash (1902-1971) raakte duidelijk een snaar bij de Nederlandse dichter Han G. Hoekstra (1906-1988). Nash publiceerde rond de Tweede Wereldoorlog in enkele Amerikaanse bladen die destijds zo ongeveer verplichte kost waren voor Nederlandse humoristen als Hoekstra. Op een wat minder speels moment in 1938, dus nog voor Pearl Harbor, schreef Nash dit bittere hekeldicht op de Japanners.

The Japanese

How courteous is the Japanese;
He always says, ‘Excuse it, please.’
He climbs into his neighbor’s garden,
And smiles, and says, ‘I beg your pardon’;
He bows and grins a friendly grin,
And calls his hungry family in;
He grins, and bows a friendly bow;
‘So sorry, this my garden now.’

Naast de goedmoedige humor in zijn overige gedichten krast dit versje van Nash als een nagel op een schoolbord. Gelukkig werd deze schrille satire al snel na de Tweede Wereldoorlog door Hoekstra veredeld tot een inmiddels klassiek geworden kindernonsensgedicht. De geniepige schijnbeleefdheid van imperialistische Japanners is nu veranderd in een komieke slinksheid van vrijpostige nonsenswezens.

De Knispadenzen

De allerkeurigste van alle nette mensen
komen uit Knispadenzië, het zijn de Knispadenzen.

En zet er een zijn kleine voet soms op jouw grote neer,
dan zegt hij dadelijk vol schrik: ‘Pardon’ of: ‘Excuseer.’

Omdat hij zo geschrokken doet neem je hem mee naar huis.
Nog tienmaal zegt hij onderweg: ‘Was waarlijk een abuis!’

Hij pakt meteen de beste stoel, hij drinkt een kopje thee
en zegt voor je het vraagt: ‘Ik eet straks graag een stukje mee.’

Hij glimlacht en vraagt heel beleefd: ‘Waar is de telefoon?’
en nodigt zelf zijn vrouwtje uit, drie dochters en een zoon.

Dan grijpt hij naar je vulpotlood, geheel op zijn gemak,
‘Zeer fraai, zeer fraai,’ zegt hij en steekt hem buigend in zijn zak.

De Knispadenzen eten flink, ze eten alles op.
Dan is er televisie en zíj draaien aan de knop.

Ze lopen door het hele huis, van boven naar beneden,
kloppen hun gastheer op de rug en kijken heel tevreden.

‘Ja prachtig. Is heel mooie tuin. En heerlijke balkons.
Hoe jammer, spijt ons,’ zeggen zij. ‘Nu alles zijn van ons!’

De dichter Willem Wilmink hoorde in deze kindernonsens kennelijk nog een echo van Nash, want in een brief noemde hij het gedicht verontwaardigd een ‘parabel van de Centrum Partij’. De biografen van de dichter, Joke Linders en Janneke van der Veer, zien er evenwel terecht ‘een fraai staaltje Hoekstra-kolder’ in (de link met Nash leggen ze overigens niet). Je kunt spreken van een glijdende schaal tussen de twee, maar in ‘Knispadenzië’ overstijgt de nonsens de satire.
    Alle humor heeft een subversief element, maar in de nonsensliteratuur wordt het niet verspild aan de politieke trivia van de dag. Het richt zich – veel fundamenteler – tegen de ijzerenheinige logica en de hopeloos voorspelbare realiteit.

Han G. Hoekstra: De kikker van Kudelstaart. (Querido, 1983)
Ogden Nash: I’m a Stranger Here Myself. (Little Brown & Co, 1938)

 

In Liefde Knoeyende 2

De eerste officiële nonsenspoëzie die ons onder ogen komt is vaak ‘De blauwbilgorgel’ (zie de vorige column), maar we worden meestal al veel eerder, als baby, aangeraakt door dit wonderlijke genre. Dat gebeurt via het nursery rhyme. Hier is het eerste couplet van een persoonlijke vroege favoriet.

De kop van de kat was jarig,
zijn pootjes vierden feest.
Het staartje kon niet meedoen,
dat was pas ziek geweest.

Betrekkelijk coherente nonsens als dit rijm doet al wonderen voor je humeur. Soms is de hoofdpersoon van zo’n bakerrijm of kinderrijm nog te herleiden tot een historisch personage (Kortjakje was mogelijk een lichtekooi), maar vaak is de kloof tussen rijm en realiteit toch wel onoverbrugbaar. Nonsens werkt gewoonlijk het best in een beknopte vorm als het gedicht, want het is lastig om de verbazing van de lezer pagina’s lang op peil te houden. De gekste kinderrijmen beperken zich ook meestal tot één strofe. De allergekste zelfs tot maar twee regels – zoals deze gezellige wirwar van waanzin.

Ozewiezewoze wiezewalla kristalla
kristoze wiezewoze wiezewieswieswieswies.

Zulke compacte nonsens schrijf je niet eens zo makkelijk op, want zie de lezer maar eens te boeien in zo’n kort bestek zonder plot en frappe. Typisch voor een bakerrijm is de sussende en opmonterende toon, en daarbij is het element van herhaling (alliteratie, rijm, refrein) heel behulpzaam. Zo wiegen bakerrijmen (en veel volwassen nonsensgedichten) onze bijdehante kritische functies in een tevreden monkelende sluimer. Misschien benaderen we dan wel het dichtst de status van een spinnende kat (met een jarige kop).
    Het zoeken naar betekenis, in leven en literatuur, is onze default mode, en ook in deze bakerrijmen is nijver gespeurd naar verborgen betekenissen (historisch, politiek, satirisch). Het standaardwerk The Oxford Dictionary of Nursery Rhymes (1951) stelde echter niet zonder voldoening vast dat veel rijmen toch echt zo gek zijn als ze klinken binnen de context van de wieg. Nu is voor een baby alle taal onzin, dus je zou zeggen dat de extra moeite niet nodig is. Het aardige is evenwel dat de meeste zogenaamde bakerrijmen helemaal niet speciaal voor kinderen zijn geschreven. Ook het volgende vers van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke (1903–1963) staat in die mooie traditie. Het is namelijk een bakerrijm voor volwassenen.

What Footie Does Is Final

Mips and ma the mooly moo,
The likes of him is biting who,
A cow’s a care and who’s a coo? –
What footie does is final.

My dearest dear my fairest fair,
Your father tossed a cat in air,
Though neither you nor I was there, –
What footie does is final.

Be large as an owl, be slick as a frog,
Be good as a goose, be big as a dog,
Be sleek as a heifer, be long as a hog, –
What footie will do will be final.

Als u er niets van snapt hebt u het goed gelezen. Dit rijm van Roethke (spreek uit: rètkie) kom je regelmatig tegen in Engelstalige bloemlezingen, alleen wordt er nooit bij verteld dat het eigenlijk geen zelfstandig gedicht is. Het is een passage uit Praise to the End! (1951), een episch gedicht waarin deze meestal serieuze dichter als een modernistische Walt Whitman de wereld bezingt met de onbevangenheid van een kind. In deze drie strofen wil Roethke de diffuse en sussende sfeer van een nursery rhyme oproepen, en daarbij is het element van herhaling weer heel effectief. Net als in een klassiek nursery rhyme wordt de kinderlijk warrige taal telkens besloten met een kloek en (relatief) eenduidig refrein, en net als in alle kinderpoëzie treffen we er een preoccupatie met ouders en dieren aan.
    Natuurlijk is ook bij deze biologerende regels geprobeerd om er iets van een betekenis in te lezen. Het haast onvermijdelijke fallische symbool is dan ‘footie’, via een optimistische associatie met footlong. Die betekenisdwang is nu juist bij deze strofen uit Praise to the End! niet op zijn plaats. Ze zijn door de dichter typografisch iets apart gezet van de rest en echt bedoeld als nonsens – en het is nonsens op zijn best. Geen willekeurig bijeengeveegd zootje woorden, maar trefzekere en toonvaste onzin. Het gedicht heeft momentum en een melodie, en wie of wat footie ook is, we gunnen hem graag het laatste woord.
    Een nonsensvers als dit is een nog nooit vertoonde ontmoeting van woorden die, blij verrast, in een gezamenlijk lied uitbarsten. Aanvullend bewijs van zijn kwaliteit als nursery rhyme is dat je dit gedicht, ondanks het gebrek aan samenhang, verrassend snel van buiten kent. De ritmewisseling bij de derde strofe leidt ons naar een prettig gedecideerde slotregel, die de kwestie rond footie eens en voor altijd afrondt. En anders dan bij gewone poëzie laat zo’n slotregel je niet achter met het onrustige idee dat je, hier aangekomen, ergens over aan het denken moet zijn gezet. Zoals het een nursery rhyme betaamt, stemt dit wonderlijke vers alleen maar monter en tevreden.

Theodore Roethke: Collected Poems. (Faber & Faber, 1985.)

 

In Liefde Knoeyende 1

Dit is de eerste column van een reeks over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur. De bedoeling is niet alleen om het leesplezier van de nonsens nog iets te vergroten, maar daarnaast ook kwesties aan de orde te stellen als: is nonsenspoëzie de religie van de toekomst? Dat zou namelijk zomaar kunnen, volgens een van de hier te bespreken dichters. Het goede nieuws is dat nonsenspoëzie van alle tijden en continenten is. En daarbij slaat de nonsenspoëzie die onze rechtlijnige delta opfleurt helemaal geen gek figuur. Wel werd deze Nedernonsens vaak geïnspireerd door een vreemdtalig voorbeeld. Niet dat onze nonsensdichters minder begaafd zijn (het voorbeeld wordt vaak overtroffen), maar ze kennen hun talen nu eenmaal beter dan de buitenlandse broeders in de nonsens. Ook het bekendste Nederlandstalige nonsensgedicht, ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ (1918–1985), is een geval van navolging, want heel duidelijk treedt hij hier in de voetsporen van de Duitse nonsensklassieker Christian Morgenstern (1871–1914). Sterker nog: ook de naam van het blad waarin dat gedicht voor het eerst gepubliceerd werd is ontleend aan diens werk.

De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
    Raban! Raban! Raban!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
    Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
    Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
    Ga heen! Ga heen! Ga heen!

Een attente vriendin wees Buddingh’ in de grauwe oorlogsjaren op de gekke naam van een blauwsnavelig vogeltje in een Engels kinderboek: bluebillgurgle wat de dichter koddig verhollandste tot ‘blauwbilgorgel’. Het gedicht dat hij vervolgens over dit beestje maakte is een duidelijke navolging van de verzen van Morgenstern over imaginaire diersoorten. Bij de Duitse dichter wemelt het van dieren die helemaal niet in de biologieboeken staan. In 1943 publiceerde Buddingh’ dit gedicht, samen met onder meer ‘De bozbezbozzel’, in het tijdschrift De schone zakdoek. De impact was in eerste instantie beperkt, want dat blad had voorzichtigheidshalve, vanwege de bezetting, een discrete oplage van één exemplaar. Het gedicht suggereerde niettemin meteen ook de verzamelnaam ‘gorgelrijmen’ voor de verzen over ruim zeventig andere nonsensdieren die nog zouden volgen.
    In het Duits krijgen behalve namen ook substantieven een hoofdletter, zodat we bij de namen van nonsensdieren in Morgenstern niet altijd zeker weten of het een soortnaam of een eigennaam betreft. Ook bij de blauwbilgorgel is er reden tot twijfel. Het ontbreken van een hoofdletter suggereert weliswaar een soortnaam, maar de eerste regel, ‘Ik ben de blauwbilgorgel’, lijkt dat weer tegen te spreken. Misschien is deze gorgel het unieke resultaat van een eenmalige kruising tussen een porgel en een porulan. Bijna alle andere gorgelrijmen staan niet in de ik-vorm; als er dan gesproken wordt over bijvoorbeeld het wiffelklaasje gaat het kennelijk om een biologisch prototype.
    Waarom is nou juist dit gedicht van Buddingh’ zo populair geworden? Hij schreef in diezelfde periode tenslotte wel veel gekkere verzen – met een droogkomisch soort surrealisme, zonder de kelderdamp van het onderbewuste. Je zou kunnen aanvoeren dat ‘blauwbilgorgel’ zo lekker bekt, maar geldt dat eigenlijk niet nog meer voor de contemporaine ‘bozbezbozzel’? Misschien is het gedicht wel zo populair omdat het zulke glasheldere nonsens is. Dit gorgelrijm is immers een heel correct en puntig cv-tje.
    We krijgen eerst, zoals het hoort, info over de burgerlijke stand van de gorgel. In het tweede couplet volgt een handig resumé van zijn dieet. Het derde noemt zijn bezigheden en hobby’s. En het vierde schetst, altijd nog volgens de regels, zijn toekomstverwachting. Het is bijna of een balorige sollicitant hier in een officiële brief de sleutelwoorden heeft vervangen door onzin. Zo’n vertrouwde en doorzichtige opbouw maakt een nonsensgedicht heel licht verteerbaar. Ze maakt ook dat het gedicht makkelijk in je herinnering blijft hangen. Daarbij vergeleken zijn de meeste andere gorgelrijmen wat losser en grilliger – en daardoor minder memorabel.
    Er komt nog bij dat zich in het laatste couplet een navrante ondertoon bij de humor voegt. Buddingh’ schreef het gedicht namelijk toen hij met tbc in een sanatorium lag (de link tussen dat laatste couplet en zijn ziekte legde hij ook zelf). Het gevolg is een pakkende emotionele dubbeltonigheid: een mix van speelsheid en een wolkje melancholie die herinnert aan de nonsense songs van Edward Lear (1812–1888) – van wie de dichter trouwens werk vertaalde. (Ook het vignetje boven deze column is overigens van Lear.) Buddingh’ droeg zijn gedicht zelf niet lichtvoetig of cabaretesk voor, maar altijd op zijn karakteristiek slepende toon, met tussen de refreinwoorden dramatische pauzes. Van die mooie dubbeltonigheid vinden we soms nog iets terug in andere gorgelrijmen, want niet voor elk gorgelbeest is het leven een feest: ‘Ik ben een arme drommeldaris, / wat zelden leuk en meestal naar is.’
    ‘De blauwbilgorgel’ is door de jaren heen heel wat keren geïmiteerd. Zo bestaat er inmiddels natuurlijk ook een roodbilgorgel. Aan die imitaties lees je goed af hoe perfect het origineel in elkaar zit. De navolgingen zijn vaak eerder light verse dan nonsenspoëzie, dat wil zeggen: een grap op rijm met een daverende clou. Een andere veelgemaakte fout is dat ze te buitenissig willen zijn. Goede nonsenspoëzie bewaart altijd een precair en prikkelend evenwicht tussen de zin en de onzin – in dit geval tussen het schema van een broodnuchter invulformulier en de bolle waanzin van de invullingen. Als je imiteert, doe het dan goed, zoals Buddingh’ zelf…

1. Buddingh’: Alle gorgelrijmen. (De Bezige Bij, 2003)

Gepost in Column nonsensgedichten Tysger Boelens, Home | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Anna Malibran, Gruis & Rozen

gruis-rozen

Anna Malibran, Gruis & Rozen, Berchem 2018 (EPO)

Gepost in Recensies | Plaats een reactie

Leonor Faber-Jonker en Ton Lebbink

Voor Extaze 26 schreef Leonor Faber-Jonker een essay over de (pop)dichter en drummer Ton Lebbink (1943-2017). De titel daarvan, Ingewikkelde simpelheid, zei al veel over inhoud en stijl van Lebbink’s dichterlijk werk. Tijdens de presentatieavond van het nummer, op 7 juni 2018 in de Houtrustkerk in Den Haag, hield Leonor een voordracht, begeleid door filmfragmenten waarin de aard van het beestje (altijd knabbelend aan de burgerlijke moraal) goed zichtbaar werd.

Binnenkort verschijnt van Leonor’s hand Gewoon een geintje. De ingewikkelde simpelheid van Ton Lebbink. Het wordt een gerisodrukt artbook in een gelimiteerde, genummerde oplage van honderdvijftig exemplaren met teksten, tekeningen, correspondentie, foto’s en krabbeltjes uit het archief van Ton. Ze maakte het boek in samenwerking met de Haagse kunstenaar Lula Valetta.

De bundel wordt op zondag 6 oktober tijdens een Ton Lebbink avond in Paradiso gepresenteerd. Mede dankzij de medewerking van verschillende generaties schrijvers en muzikanten belooft dit een bijzonder evenement te worden. Voor haar eigen optreden zal Leonor van dezelfde tekst gebruikmaken die ze tijdens de presentatie van Extaze 26 voordroeg.

(cg)

Gepost in Home | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Michiel Hanon, Niets kan blijven

Niets kan blijven

Michiel Hanon, Niets kan blijven, Den Haag 2019 (Michiel Hanon Boeken) –  Felix Monter

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Woudestein – de studenten in de UB, Manuel Kneepkens

De Biebelebomse studenten in de Biebelebomse Bieb
zie, hoe zij lezen zij op hun PC
de teksten van de Businessschool van Biebelebom:

Zaken zijn zalig! Zaken zijn Zaken! Greed is good!

Zalig de Rijken, die l o s e r s met geld!

En trippelt Mickey Mouse met zijn Apple uit New York
de Leeszaal in
(soms op zoek naar dit gedicht? )
ziet hij loom over de tafels hangen
de Biebelebomse studenten, uitgeteld…

Op hun beeldschermen
niks broze Biebelebomse folianten
maar Dumbo, het Walt Disney-olifantje
een selfie van hun spiegelbeeld…

O, die studenten aan de Universiteit van Biebelebom
als Laurel & Hardy, eind Jaren Twintig
bollen zij hun Biebelebomse wangen en roepen:

‘Lees ons, gelukkigmakend boek!

Maak ons de Boze Buitenwereld zoek
de Jungle van Wallstreet’…

O, minnaars van de Stomme Film

O, Millennials ,veel succes!

( uit: Gelukkige dagen in Kralingen – work in progress)

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Catharina van Daalen, Tot hij oceaan werd

tot-hij-oceaan-werd-catharina-van-daalenCatharina van Daalen, Tot hij oceaan werd, Amsterdam 2019 (Brave New Books) – Felix Monter

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , | Plaats een reactie

De dansenden, Rob Verschuren

In de tuin van een halfvrijstaande woning in de buitenwijk van een middelgrote stad zitten prof. dr. Jacob van den Akker, emeritus hoogleraar in de vergelijkende literatuurwetenschap, auteur van het standaardwerk  An analysis of form and vision in Chekhov’s major plays in the context of  Fin de Siècle movements in European literature, onlangs gepensioneerd, en Annemarie van den Akker, de laatste in een mouwloos jurkje en een Kruidvat Maxi Plus luier. Afrikaantjes en salvia’s staan als hooligans langs de grasmat en in de schaduw onder de coniferen scharrelt een merelpaartje.Tot zover de mise-en-scène. We kunnen nu overgaan tot een goed gesprek.‘Kaa kaa kaa.’‘Wat, lieverd?’
‘Kaa waa!’
‘Ja, dat is een hond. Nee, je moet er niet naar toe gaan. Een vreemde hond moet je nooit aanhalen. Je weet niet of hij dat leuk vindt. Honden stammen af van de wolven. Dat zijn gevaarlijke wilde dieren. Wolven leiden vanuit de achterhoede, wist je dat? Wanneer een roedel wolven op pad is, lopen de oude en zieke dieren vooraan, want die kunnen gemist worden. Dan komen de jonge mannetjes, gevolgd door de vrouwtjes, en helemaal achteraan loopt de leider. Op een afstandje, zodat hij alles goed in de gaten kan houden.
Luister je wel?’
‘Oe ma.’
‘Dat is een bloem, ja. Pluk hem maar, ik zal het niemand vertellen. Wacht, laat mij het doen.’
De man plukt de bloem en houdt hem het meisje voor. Ze begint er de bloemblaadjes af te trekken. Hij buigt zich over haar hoofdje om haar geur op te vangen. Haar haar ruikt altijd naar babyshampoo, haar adem naar melk en haar handjes ruiken naar wat het ook is waar ze het laatst in heeft zitten wroeten.
‘Slagroomschouder,’ zegt hij met zijn lippen op de ronding van haar schouder.
‘Oema da.’
Hij bedenkt dat hij zijn hele leven naar betekenis heeft gezocht en nooit echt heeft geluisterd naar de dichters en de vogels.
‘Bie toe?’
Ze heeft de bloem laten vallen en kijkt om zich heen.
‘Wat zoek je?’
‘Bie toe wao? Wao muk sjie hoe?’
Ah, haar knuffel. Daar is een hele reeks klanken voor nodig, alsof de eigenschappen van het vod te veel en te wonderlijk zijn om onder één naam te vangen. Hij vist hem op van onder de stoel, een kanariekleurige pinguïn met een uitdrukking van debiele vrolijkheid. Ze pakt hem met twee handjes aan en begraaft haar gezichtje in het dons. Dan gooit ze hem in de struiken en dan danst ze op het gras, en ze lacht omdat ze danst en ze lacht omdat ze valt.
‘Die Tanzenden wurden für verrückt gehalten von denjenigen, die die Musik nicht hören konnten,’ zegt de man. ‘Die is van Nietzsche, mocht je het interessant vinden om dat te weten.’ 
Nog later komen de vader en de moeder van het meisje thuis. Ze vragen of ze braaf is geweest, en in de ogen van de oude man en het meisje proberen ze te lezen wat het is dat hen ontgaat.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

De Boom, Manuel Kneepkens

Je moet je uitkleden. Ja, totaal naakt, lief!
Want je wordt een boom nu
Je wordt een boom!

Daar is het bos. Bel aan!
De bomen zullen gretig open doen
Klaar om je in te lijven
in hun Gemeenschap van Geschorsten

Ze zullen vragen: ‘Ben je zoals wij?
Ben je bereid te leven in stilte?
Doofstom.Voor altijd zonder taal ?’

En jij fluistert: Ja, ik ben als jullie!
Ik weet waarom de bossen eeuwig zingen
in mijn bloed…
Het is je laatste woord

Zij zullen dan je lentebladeren  
tot een hoog, kunstig kapsel friseren
je wortels schminken en je takken
als voor een Debutantenbal.

maar een Avondjurk, nee, die krijg je niet
Jij bent voor altijd naakt
van nu af aan!

Dit najaar al moet je buigen voor de Noorderstormwind
Hij striemt je borsten met stortregens
Hij doet je pijn. Onnoemelijk!

Maar, Liefste, hoe zou je dat moeten uiten?
Je hebt geen mond, geen tong, geen lippen meer…
Je wordt straks in het winters klooster
van de kaalte
tot op het bot ontheiligd
Je bent een boom nu. Je hebt geen verweer!

En ook de Zomer verlost je niet.
Integendeel. Zij zengt je met haar hitte
haar spechten bonken in je hoofd
haar uilen roepen oehoe in je holtes

En al die honden, die op je lichaam urineren
Al die verliefden, die hun voze initialen kerven
in je torso. En harten met een pijl erdoor…

Het voelt alsof je wordt gebrandmerkt!
Je gilt het uit. Maar niemand kan je horen

Want je bent van hout! Van woordeloos hout!

Liefste, je droom was om een boom te zijn
Je bent het nu!

Wel met een doornenkroon

Die zul je dragen tot je dood!

(uit: Gelukkige Dagen in Kralingen, work in progress)

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Willem van Zadelhoff, Een graf in de wolken

Een graf in de wolkenWillem van Zadelhoff, Een graf in de wolken, Kalmthout 2019 (Pelckmans) Chrétien Breukers

Recensie

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

De berg, Ishana Sayag

Ik stond beneden. Roy en Daantje waren de helling al aan het beklimmen, niet eens over het officiële wandelpad. Jaloers keek ik hoe ze resoluut voortstapten, steeds verder de heuvel op. Míjn schoenen zonken in het natte riet en de sneeuwresten. Ik zette mijn ene voet voor de andere en gleed bijna weg. Huiverend deed ik nog een stap, en maaide met mijn armen, op zoek naar evenwicht.
    ‘Papa, kijk wat een mooi uitzicht,’ hoorde ik Daantje tegen Roy zeggen. ‘Je kunt bijna over de boomtoppen heen kijken.’
    Ze waren al halverwege de heuvel (‘berg’ heette die, las ik later op een bord), een van de aangelegde natuurkunstwerken in het bos. Dat steekje ergernis over de voorsprong die zij op mij hadden genomen in plaats van samen te lopen, negeerde ik.  
    ‘Mam, dit moet je zien,’ zei Daantje. Roy en zij keken op me neer en glimlachten.
    Een opgewonden klinkende omroeper kondigde de eerste deelnemers van de CrossCup aan die in de verte in het open veld de finish naderden. Dus daartoe dienden de opgeblazen finishboog, de vlaggen en de kramen die we bij aankomst in het bos hadden gezien. In het veld stond nu publiek verzameld, tientallen mensen, langs de hekken holden er nog meer toeschouwers naartoe. Ik keek of er bewakers aanwezig waren, maar zag ze niet. Vijftien jaar in Nederland en nog steeds was ik niet gewend aan het fundamentele gevoel van kalmte dat iedereen hier leek te hebben. Aan hoe vanzelfsprekend veilig zijn was voor Nederlanders.
    Uit de luidsprekers klonk harde muziek, ter huldiging van de winnende jogger. Zo onverwachts dat ik ervan schrok. Toen ik in de ochtend tijdens het ontbijt had voorgesteld in het Cirkelbos te gaan wandelen, had ik er een heel ander beeld bij gehad. In mijn gedachten zag ik ons met zijn drieën zij aan zij een beschut wandelpad volgen tussen de bomen, louterend in de stilte van het bos en het vogelgefluit, en af en toe gezellig met elkaar kletsen. Niet het gedruis van hordes mensen in een drukbezochte hardloopwedstrijd.
    Weer zette ik een bedachtzame stap omhoog, alsof ik op een strakgespannen trapezekoord aan het balanceren was. De grond was glibberig, ik durfde mijn andere voet niet te laten aansluiten.
    ‘Gekke mam, niet zo!’ riep Daantje. ‘Je moet je voeten schuin neerzetten. En duw de hak van je schoen stevig in de grond.’
    Het was een omgekeerde wereld: tien jaar oud en ze wist het al beter dan haar behoedzame moeder. Er was ook weinig over van dat wilde, avontuurlijke meisje dat ík ooit was geweest. Zij had, net als Daantje nu, alles aangedurfd. Als driejarige al, mijn moeder was maar even uit zicht, en weg was ik, naar mijn zus in het kinderdagverblijf drie straten verderop. Als tiener was ik net zo onbesuisd, in weerwil van mijn vader die het leven an sich al als onveilig had bestempeld. ‘Mijn huis is mijn fort’ nam hij letterlijk, bij elke onderneming buitenshuis voorzag hij risico’s. Wandelen in het Yarkon park? Doe maar niet. Je weet niet wat voor een predator je achter de bomen opwacht. Naar het winkelcentrum na school? Doe maar niet, er kan zomaar een bom in de autobus zijn geplaatst. Naar de bioscoop met vrienden? Doe maar niet, straks zit  er een terrorist in de zaal. En waarom zou je? Het klokje tikt thuis toch het best? Ik deed het toch, de vrijheid opzoeken, de ruimte, de drukte (want wat wist mijn vader nou?), en had om de haverklap ruzie met hem.     Boven me legde Roy zijn arm om Daantje’s schouders. Een knus onderonsje. Ik ving flarden van hun gesprek op: ‘…kijk hoe mooi de zonnestralen op de takken vallen… Zoveel verschillende bomen.’
    Ik richtte mijn blik strak op mijn sneakers, zette een volgende stap en drukte direct mijn hak in de natte aarde. Mijn voet gleed naar beneden en kwam tot stilstand tegen een uitstekende steen.
    Pas op drie meter hoogte, maar voor mijn gevoel hangend tussen hemel en aarde, keek ik berekenend naar de top. De zolen van mijn sneakers waren duidelijk te glad voor dit avontuur. Stom. Wie trok nou dit soort schoenen aan voor een winterse boswandeling? De blessures die ik recentelijk had gehad flitsten door mijn hoofd, allemaal gebeurd omdat ik niet geluisterd had naar mijn intuïtie, naar de stem van mijn angst: de gekneusde rib in de zomer toen ik in navolging van Roy en Daantje in de onstuimige zee geprobeerd had de golven te pakken, mijn rechterknie vorige winter, toen ik tegen beter weten in, met ze meefietste in de sneeuw, langzaam en gespannen, en van de fiets was gevallen, en de linkerknie de zomer daarvoor, toen ik na aansporen van Daantje van de steiger het kanaal in spong. De herinneringen verstarden me, ik snakte naar een seizoen zonder onheil.
    Het was niet anders. Met mijn nederlaag onder de arm, daalde ik voorzichtig tot ik weer aan de voet van de heuvel stond, en sloeg de officiële wandelroute in, het pad dat als een spiraal de heuvel omhelsde. Voor me liepen twee vrouwen met een kind, als een bevestiging dat ik toch normaal was, dat het helemaal aanvaardbaar was de bestemming te bereiken via de gewone weg.
    Na een paar minuten bespeurde ik het ineens: er naderde een dreiging. Zoals ik het vaker had gevoeld, stonden de haren in mijn nek op post, mijn hart verhaastte zich, mijn benen spanden zich aan, klaar om te vluchten. Het was of ik weer terug was in Tel-Aviv, zeventien jaar oud, en met mijn vader in het stadscentrum (een zeldzame gebeurtenis) om spullen te kopen voor het nieuwe schooljaar. Hij had net naast me gestaan maar nu was hij weg. Ik draaide me om en zag hem praten met iemand, pal naast de ijskraam, zo’n vijftien meter terug. Mmm, een ijsje, dacht ik, en kijkend naar de lange ijsrij overwoog ik of ik me erachter in wilde aansluiten. Een jonge man die in de rij stond, trok mijn aandacht. Iets in zijn uiterlijk klopte niet. Hij had een jas aan, terwijl het hartje zomer was. Ik zag mijn vader ook naar hem kijken, ik zag de paniek verspreiden op zijn gezicht toen hij naar me riep: ‘Leah, rennen!’ Ik gehoorzaamde direct en sloeg op de vlucht. De zelfmoordterrorist blies zich op nog voordat ik de volgende winkel bereikte, een oorverdovende explosie, gevolgd door vuur en rook. Door een regen van steen, glas en metaal, rende ik naar veiligheid, denkend dat mijn vader vlak achter me was.
    Terug op het heuvelpad dwong ik mezelf om te kijken, en draaide me langzaam om. Het was een groep kinderen die op het pad jogde, elkaar ophitsend om als eerste boven aan te komen. Bij eentje danste het deels losgekomen startnummer met zijn bewegingen mee. Ik haalde weer adem, de frisse winterlucht ontspande me. Terwijl ik opzij schuifelde om ruimte voor ze te maken, luidde de omroeper aan de overkant de prijsuitreiking van het jeugdcircuit in. ‘Mooie medailles. En natuurlijk troostprijzen voor de overige deelnemers!’ riep hij door de microfoon.
    Ik verdiende niet eens een poedelprijs. Ik had Israël verlaten om me hier te vestigen, het land van de tulp en de tolerantie waar ik gaan kon waar ik maar wilde. Waar het slaan van de kerkklokken de enige terreur vormde, elk halfuur, maar als je de tijd in de gaten hield, was je ze voor. En toch bleef de angst in me aanhoudend groeien, kreeg er zelfs extra lagen bij: de angst dat Daantje iets zou overkomen, de angst dat ik onbewust mijn eigen angst aan haar zou doorgeven.
    Ach, dit is Nederland, zei ik tegen mezelf, geen reden tot zorgen. Kijk maar naar de menigte in het veld, die is er het bewijs van – samenscholend zonder beveiliging, zonder vrees. Daantje was ook zo, alles pakte ze vol vertrouwen aan, vol enthousiasme. Angst was voor haar een uitzondering op de regel; een natuurlijke, nuttige emotie die ter bescherming werd ingezet wanneer de situatie erom vroeg. De situatie hier vroeg er niet zo vaak om.
    ‘Kijk papa,’ Daantje’s stem klonk opgewonden, ‘je kunt het water zien.’ Roy en zij stonden al op de top. Ikzelf was tweederde op weg en had nog zo’n tien meter te stijgen.
    ‘Dat is het Weerwater. En kijk daar.’ Roy wees met zijn vinger naar iets in de verte. ‘Dat is het onafgemaakte kasteel, en daarachter is de schouwburg.’
    Ik volgde zijn vinger, maar zag alleen maar kale boomstammen. Wat duurde het lang via de officiële route. Maar gezond verstand redt mensenlevens, verzekerde ik mezelf, daar was niets mis mee.
    En toen kruiste een hondje me rakelings op het pad. Hij werd gevolgd door een jongetje van een jaar of zeven dat met één hand de riem vasthield, terwijl hij langs de helling naar boven klom. Weer of geen weer, het leek hem geen moeite te kosten, en twee tellen later waren ook het hondje en hij boven. Met mijn ogen klom ik mee, appeltje-eitje.
    Dit kon ik toch ook? Dat wilde meisje was er nog, bang maar smachtend naar avontuur. Kom uit je schuilkelder, sprak ik haar stilletjes toe. Laat de oude ervaringen los, het in stress ondergedompelde land. Laat de stem van je vader los. Beoordeel het hier en nu zelf. Ik zuchtte en bekeek de helling als voor het eerst: aan deze kant van de heuvel was de grond hard, geen begroeiing, weinig sneeuw. Een hóndje kon de berg op. En voor ik me kon bedenken begon ik te klimmen. Achter het jongetje aan. Gewoon doen. Kijken, inschatten, kiezen en direct een stap zetten. En weer. Stap twee, stap drie, stap vier. Niet achteruit kijken, alleen vooruit. Mijn voeten zochten steeds een steen die grip gaf, een kei waar ik me tegen af kon zetten. Mijn lichaam nam het voortouw, mijn hoofd mocht zich er niet mee bemoeien. Ik was een lift met onzichtbare kabels, ik was ruimte die zich omhoog verplaatste. Ik was dat ondernemende meisje weer van voordat de stem van haar vader bij haar introk, één met de heuvel, de bomen, de wind.
    ‘Schat, doe alsjeblieft maar niet…’ Roy. Van bovenop de heuvel keek hij me aan. ‘Je wilt toch niet vallen?’
    Direct zag ik het gebeuren, ik liggend op de grond, onder het puin, arm gebroken, onderbeen afgerukt, bomscherven steken uit mijn bovenbeen. Ik voelde al mijn wangen branden van de diepe wonden, ik proefde de metaalsmaak van bloed in mijn mond.
    Ik wankelde. Naar beneden, naar beneden, terug naar veiligheid. Maar hoe? Ik durfde niet meer rechtop te blijven staan. Heel langzaam zakte ik door mijn knieën, tot mijn handen de grond bereikten en ernaar grepen. Traag draaide ik me om tot mijn billen de grond vonden. Vergeet het uitzicht op het onafgemaakte kasteel maar, dacht ik. Een hedendaagse ruïne, dat was ik zelf al.
    Zittend daalde ik af. Het vocht uit de koude grond trok in mijn broek. Ik bleef glijden tot mijn verlangen naar veiligheid werd ingelost.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Naar een ecologisch decoratiestelsel, Manuel Kneepkens

Al sinds decennia geschiedt in Nederland het eren van verdienstelijke burgers precies op dezelfde wijze. Hij of zij wordt geëerd met een straatnaam, plaquette, een buste of een full size-standbeeld. Dit alles na zijn of haar dood (leden van de Koninklijke familie uitgezonderd. Die mogen eerder).
    Bij leven eert men de verdienstelijke burger met de Orde van Oranje Nassau, de Orde van de Nederlandse Leeuw of de Militaire Willemsorde.

In Rotterdam is het eerbewijs, oplopend in gewichtigheid, de Erasmuspenning, de Wolf van Borselenpenning en de Van Oldenbarneveltpenning. En dan hebben we nog de Johan van der Veekenpenning voor personen in een leidinggevende functie. Dat zijn mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de economische ontwikkeling van Rotterdam (en de ecologische ontwikkeling, hoe zit het daarmee? Het is maar een vraag…).

Wij leven inmiddels op de drempel van het Ecologische Tijdperk, daar helpt geen moedertje lief aan. Recent verscheen de  spraakmakende publicatie van het IPCC, waarin dringend  op (her)bebossing van de planeet word aangedrongen. Méér bomen!
    Zwitserse wetenschappers hebben in het gerenommeerde wetenschapsblad Science berekend hoeveel er bij moeten komen om de CO2-concentratie terug te brengen tot ongeveer het niveau van honderd jaar geleden. Één biljoen! In de Verenigde Staten, Canada, Australië, China, Rusland en Brazilië is daartoe voldoende braakliggend terrein voorhanden, lezen we in het artikel.
    Wel is het zo dat we ons over herbebossing, met name in Brazilië, ernstig zorgen moeten maken. Onder Bolsanaro gaat het in dat land namelijk precies andersom. Er wordt daar alleen maar meer en meer bos gekapt, vooral in het Amazonegebied.
    Ook het dichtbevolkte Nederland zal wat die (her)bebossing betreft naar rato een bijdrage moeten leveren.

Ik zal hieronder een voorstel doen tot bebossing van ons land. Het aardige van dit voorstel is dat het niets extra’s hoeft te kosten.

Wordt het niet langzamerhand zaak dat de verdienstelijke burger, die op het punt staat geridderd te worden, een keuzemogelijkheid wordt geboden? Dat hij of zij kan zeggen: ‘Nee, ik hoef geen lintje, burgemeester, plant voor mij maar een (linde)boom!’ En dat die boom dan in het bijzijn van de geridderde en zijn familie en vrienden plechtig wordt geplant in het Nederlandse Ridderordenbos
    Het zou wel eens zo kunnen zijn dat een behoorlijk aantal van de te ridderen personen voor het planten van een boom zal kiezen. Want het gaat hier om verdienstelijke burgers, die vast en zeker nòg verdienstelijker willen zijn! En door hun boomplanting leveren zij een substantiële bijdrage aan het milieu. Zijn of haar ecologische voetafdruk zal door deze boomplanting immers gelijk een stuk kleiner zijn!
    De lintjesregen van 2019 leverde achttienhonderd tweeëntachtig geridderden op. Bij elkaar dus een behoorlijk bos.
    Aan een ridderorde heeft alleen de gefêteerde zelf iets. Maar van het Ridderorderbos profiteren we allemaal…
    De te planten boom – voorzien van een koperen plaatje met de naam van de geridderde erop – mag natuurlijk ook een plataan, beuk of populier zijn. De eik wil ik afraden. Al was het maar omdat de eikenprocessierups in Nederland al biotoop genoeg heeft…

Gepost in Columns | Getagged , , , | Plaats een reactie