‘Dagboek’ is het thema van de nieuwe Extaze

Op donderdag 16 mei werd de nieuwe Extaze: ‘Dagboek’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

E X T A Z E  B E S T E L L E N

Cover Extaze nr. 30: DagboekDe nieuwe Extaze is te verkrijgen vanaf 16 mei

Dagboek

ESSAYS
Waarom worden dagboeken geschreven en wat kun je er nu precies in lezen?
Deze vragen stelt Monica Soeting in haar essay ‘Dagboeken’.
In ‘Ik is een ander’ beantwoordt Jaap Goedegebuure de dubbele vraag als volgt:
mensen schrijven dagboeken om zichzelf te doorgronden, de maat te nemen, zichzelf
vermanend toe te spreken. Of ze vullen het boek met aantekeningen die dienen als
geheugensteuntje, die soms worden uitgewerkt tot iets essentieels. Monica Soeting zal het met Goedegebuure eens zijn, maar weet dat dit persoonlijk aspect pas laat in
de geschiedenis van het dagboek tot uitdrukking is gekomen.
Goedegebuure’s overtuiging dat een gepubliceerd dagboek pas de moeite waard is
als het de lezer laat delen in de innerlijke verkenningen van de auteur krijgt bevestiging van het in 1957 uitgegeven dagboek van J. Slauerhoff. In ‘Flarden van een zelfportret’
haalt Hein Aalders de kriticus Johan van der Woude aan, die in dat dagboek een
dynamische verschijning herkent, scherpziend, dromerig, rancuneus en idealistisch.
Een beschrijving die aansluit bij het beeld dat Aalders van de schrijver schetst.
Een citaat uit Harry Haarsma’s korte essay over beeldende dagboeken sluit onbedoeld aan op het essay van Clara Bolle: ‘Het dagboek is een donkere kamer, het licht wordt spaarzaam toegediend want licht vreet aan de waarheid’.
Clara Bolle’s essay, dat verder reikt dan het genre van het dagboek, leidt langs
poëtische wegen naar de moeilijkheid van het wijkende woord: de schrijver geeft woorden aan het bestaan, hij wil de essentie grijpen, maar op het moment dat hij
het wil vastpakken is het verdwenen.

KORTE VERHALEN
Chrétien Breukers
Evelien Flink
Leonie Pas
Lydi Groenewegen
Pieter Drift

GEDICHTEN
Hanz Mirck
Jeanet Kingma
Job Degenaar
Mart van der Sterre
Mattijs Deraedt
Willem van Toorn
Steven Van Der Heyden

BEELD
Arpaïs Du Bois

 

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

In Liefde Knoeyende 4, Tysger Boelens

Vignet-nonsenpoëzie-Omgekeerde wereld Lear Topsyturvy
Columns over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur

Hoe ver kun je gaan met nonsenspoëzie? Pure waanzin blijft meestal niet zo heel lang boeiend, zelfs niet in de vorm van poëzie met een genoeglijk reutelend metrum. Een goed nonsensgedicht is doorgaans een half-om-half mix van zin en onzin. Goede literaire nonsens is een prikkelende evenwichtsoefening tussen twee dingen. Zoals een woordspeling balanceert tussen twee heel verschillende betekenissen, zo balanceert een nonsensgedicht giechelig tussen zin en onzin. Een klassiek voorbeeld van die komische ambiguïteit is de ballade ‘Jabberwocky’ van de Engelse nonsensauteur Lewis Carroll (1832–1898).
    ‘Jaberwocky’ is misschien wel het beroemdste nonsensgedicht uit de hele wereldliteratuur. Het gedicht staat niet in Carroll’s Alice in Wonderland maar in het vervolg daarop, Through the Looking-Glass, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom veel Carrollianen dat tweede boek nog hoger aanslaan dan het eerste. In het boek komt naar voren dat het gedicht een vreemd effect op Alice uitoefent: ‘Somehow it seems to fill my head with ideas – only I don’t exactly know what they are!’ Een herkenbare sensatie voor de liefhebber van nonsenspoëzie.

carroll-jabberwocky

Jabberwocky

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

‘Beware the Jabberwock, my son!
The jaws that bite, the claws that catch!
Beware the Jubjub bird, and shun
The frumious Bandersnatch!’

He took his vorpal sword in hand:
Long time the manxome foe he sought –
So rested he by the Tumtum tree,
And stood awhile in thought.

And, as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came whiffling through the tulgey wood,
And burbled as it came!

One, two! One, two! And through and through
The vorpal blade went snicker-snack!
He left it dead, and with its head
He went galumphing back.

‘And, hast thou slain the Jabberwock?
Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Callooh! Callay!’
He chortled in his joy.

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

Om de verwarring bij de lezer compleet te maken, houdt een nonsensdichter vaak nog iets van de schijn van betekenis op. Zelfs vrij extreme nonsens als ‘Jabberwocky’ respecteert altijd nog de regels van de grammatica en de syntaxis. Bovendien heeft het gedicht een vertrouwde, traditionele vorm en volgt het een behoorlijk solide verhaallijn. Je zou kunnen zeggen: de onzin is er tactisch gedoseerd.
    Als student schreef Carroll een vierregelige parodie op oude Angelsaksische poëzie. Dat wonderlijke kwatrijn werd later de eerste en laatste strofe van ‘Jabberwocky’. Deze nonsensballade bezingt het vellen van de Jabberwock – afgaande op het prentje een draak in een gilet. Een gedicht als dit, dus nonsens met een straf metrum, is zelf eigenlijk ook een soort draak in een vestje: tomeloze inhoud in een strakke pasvorm. Maar er is meer.
    In het Engels is ‘jabberwocky’ inmiddels officieel synoniem geworden aan ‘onzin’, maar we weten uit goede bron dat sommige woorden in het gedicht juist volgepropt zitten met betekenis. Die bron is namelijk een personage uit Carroll’s boek zelf. Daarin legt Humpty Dumpty enkele woorden namelijk uit als een ‘kofferwoord’, als een nieuw woord waarin verschillende bestaande woorden gepakt zitten. Een actueler maar minder komisch kofferwoord is ‘Brexit’. In een brief heeft Carroll zich ten overvloede aangesloten bij Humpty Dumpty. In dat epistel gaf hij ‘uffish’ (in de vierde strofe) als voorbeeld. ‘It seems to suggest a state of mind when the voice is gruffish, the manner roughish, and the temper huffish.’
    Als een woordspeling een duet van betekenissen is, dan zou je een kofferwoord goed een optelsom van betekenissen kunnen noemen. De malle overdaad aan betekenis van die kofferwoorden enerzijds en de duisterheid van de resterende neologismen anderzijds voeren de pesterige ambiguïteit vakkundig op. Je probeert eerst nog wel om ook de rest te decoderen, maar geeft dan de moed al gauw op. De herhaling van de eerste strofe op het eind versterkt het balladegevoel, maar heeft hier ook iets koddigs. Na alle drukte over het vellen van de Jabberwock moet de sullige slotsom zijn dat er niks wezenlijks is veranderd. ’t Is nog steeds brillig, en die arme borogoves zijn nog altijd mimsy.
    Nonsens als ‘Jabberwocky’ lijkt misschien makkelijk opgetekend te zijn na een stevig glas, maar het is toch echt precisiewerk. De schrijver van de bekende serie detectives over Father Brown, G.K. Chesterton, was een groot nonsensconnaisseur. In een essay over Carroll toonde hij zich heel beslist over de spelling van ‘uffish’ in de vierde strofe. Hij schreef zelfs dat de eerste druk van Through the Looking-Glass vrijwel zeker onverkocht was gebleven als de zetter er per ongeluk ‘affish’ van had gemaakt.
    Dat mag dan een tikje overdreven zijn, maar er bestaat in de nonsens zoiets als een absoluut gehoor – en heel weinig dichters hebben dat. De vele mislukte imitaties van Carroll’s ballade vormen daarvan het treurige bewijs. Ten bewijze twee regels uit ‘Gedondillo’, een navolging van ‘Jabberwocky’ door de Amerikaanse plezierdichter Ogden Nash (hij kwam al even voorbij in de vorige column). De titel van zijn imitatie is waarschijnlijk een kofferwoord van ‘armageddon’ en ‘armadillo’.

Appetency lights the corb of the guzzard now,
The ancient beveldric is otley lost.

Het hele gedicht bestaat uit dit soort regels. Nash was een groot bewonderaar van het origineel, maar toch is zijn imitatie ervan niet echt geslaagd. Zijn gedicht maakt de indruk van een nogal lukrake verzameling kofferwoorden en malapropismen – en helemaal niet van tactisch gedoseerde nonsens. De balans zin-onzin is hier onmiskenbaar zoek. De meeste andere imitaties van Carroll’s ballade vertonen ditzelfde euvel: ze zijn veel te bizar. Het bijzondere van ‘Jabberwocky’ is nou net dat het gedicht, ondanks alle wartaal en verwartaal, af en toe bijna plausibel klinkt als specimen van de antieke poëzie die het parodieert.
    Al met al blijkt het nog een hele kunst om bij het schrijven van een nonsensgedicht de juiste zin-onzin-ratio te vinden. Het dunne lijntje dat geslaagde nonsenspoëzie scheidt van vermoeiende wartaal is binnen de literatuurwetenschap dan ook nog steeds een boeiend onderwerp van studie. Natuurlijk is Carroll’s ballade onvertaalbaar, en natuurlijk voelde menige vertaler zich daardoor juist uitgedaagd.
    De diverse vertalingen in het Nederlands vind je verzameld in het leuke en informatieve boekje van Jur Koksma en Joep Stapel: Het nonsensgedicht Jabberwocky van Lewis Carroll. (Lewis Carroll Genootschap, 2018)

 

Lees meer »

In Liefde Knoeyende 2

Nonsens is goed bestand tegen de tand des tijds. Om een antieke grap te snappen hebben we vaak een vracht aan voetnoten nodig, alleen al om te begrijpen waartegen de spot of satire zich richt, maar niet bij nonsens. Het nonsens-genre bevat geen tijdgebonden spot of satire. Het speelt met de wetten van de logica – en die bleven door de eeuwen heen toch wel gelijk. Zo levert een Oud-Griekse tekst over een schip dat wat uit de koers raakt en zodoende op de Maan strandt, nog steeds toegankelijke en leuke lectuur op. Duurzame humor, dus. Niettemin woedt er op dit punt binnen de nonsens een beetje een richtingenstrijd.
    Veel academici zien nonsensliteratuur namelijk liever wel als satire, als een kritisch commentaar op iets of iemand, want wat kun je nu helemaal zeggen over pure nonsens? Genoeg om er een proefschrift mee te vullen? Voor de ware liefhebber daarentegen is het toch echt een principekwestie dat nonsens nergens op slaat.
    Deze richtingenstrijd komt goed tot uiting in de discussie over de parodietjes op de klassieke kinderrijmen in Alice in Wonderland. Veel academici menen dat Carroll daarmee de zoetsappige originelen bekritiseerde. De liefhebber wijst er dan graag op dat de dichter ook zelf zulke sentimentele versjes schreef – en dat het hier gaat om de simpele lol van het op zijn kop zetten van dingen.
    Eigenlijk hebben beide partijen een beetje gelijk. Vaak zal het zijn voorgekomen dat de schrijver aanvankelijk uitging van een satirische opzet, maar dat die in de roes van de humor vaak ook weer uit zicht verdween. In dat geval kon satirische overdrijving uitlopen op nonsensicale hypertrofie. Dat is trouwens meteen de geschiedenis van de nonsensliteratuur in een notendop: satire die uit de bocht vliegt. Het is de geschiedenis van de emancipatie van de humor, van haar bevrijding uit de dienstbaarheid aan een agenda. De literatuurgeschiedenis kent veel mooie momentjes waarop een schrijver het sneren van de satire moe werd – en besloot om humor helemaal de vrije loop te laten. Te beginnen in de eerste eeuw met Lucianus en zijn knotsgekke proza over die Maanreis per boot.
    In de poëzie vormen de impossibilia een goed voorbeeld van satire die werd opgetild naar nonsens. Het is in de poëzie niet ongebruikelijk om iets duidelijk te maken aan de hand van een hyperbool (onmogelijke overdrijving), bijvoorbeeld in een liefdesgedicht: jouw schoonheid straalt als een zon bij nacht…. Dit soort vergelijkende overdrijvingen bleek erg effectief in satiren, met name bij het stevig aanzetten van andermans tekortkomingen. Later werden deze onmogelijkheden – of op zijn Latijns impossibilia – soms weer verlost van elke satirische pertinentie en gepresenteerd als stand-alone nonsens. In die geest schreef de zeventiende-eeuwse Engelse bisschop Richard Corbet zijn beroemde gedicht ‘A Mess of Non-Sense’. Hieronder een gemoderniseerde versie van de eerste strofe:

Like to the thundering tone of unspoke speeches
Or like a lobster clad in logic breeches
Or like the grey fur of a crimson cat
Or like the mooncalf in a slipshod hat
Or like the shadow when the Sun is gone
Or like a thought that never was thought upon
Even such is he who never was begotten
Until his children were both dead & rotten.

Bisschoppen hadden toen heel andere prioriteiten. Bovenop alle impossibilia gaf de geestelijk leidsman zijn gedicht ook nog een tautologisch zweem: iets onmogelijks is als iets onmogelijks.
    Dichter bij huis vinden we een nog mooier voorbeeld van satire die werd verbeterd tot nonsens. Een gedicht van de Amerikaanse plezierdichter Ogden Nash (1902-1971) raakte duidelijk een snaar bij de Nederlandse dichter Han G. Hoekstra (1906-1988). Nash publiceerde rond de Tweede Wereldoorlog in enkele Amerikaanse bladen die destijds zo ongeveer verplichte kost waren voor Nederlandse humoristen als Hoekstra. Op een wat minder speels moment in 1938, dus nog voor Pearl Harbor, schreef Nash dit bittere hekeldicht op de Japanners.

The Japanese

How courteous is the Japanese;
He always says, ‘Excuse it, please.’
He climbs into his neighbor’s garden,
And smiles, and says, ‘I beg your pardon’;
He bows and grins a friendly grin,
And calls his hungry family in;
He grins, and bows a friendly bow;
‘So sorry, this my garden now.’

Naast de goedmoedige humor in zijn overige gedichten krast dit versje van Nash als een nagel op een schoolbord. Gelukkig werd deze schrille satire al snel na de Tweede Wereldoorlog door Hoekstra veredeld tot een inmiddels klassiek geworden kindernonsensgedicht. De geniepige schijnbeleefdheid van imperialistische Japanners is nu veranderd in een komieke slinksheid van vrijpostige nonsenswezens.

De Knispadenzen

De allerkeurigste van alle nette mensen
komen uit Knispadenzië, het zijn de Knispadenzen.

En zet er een zijn kleine voet soms op jouw grote neer,
dan zegt hij dadelijk vol schrik: ‘Pardon’ of: ‘Excuseer.’

Omdat hij zo geschrokken doet neem je hem mee naar huis.
Nog tienmaal zegt hij onderweg: ‘Was waarlijk een abuis!’

Hij pakt meteen de beste stoel, hij drinkt een kopje thee
en zegt voor je het vraagt: ‘Ik eet straks graag een stukje mee.’

Hij glimlacht en vraagt heel beleefd: ‘Waar is de telefoon?’
en nodigt zelf zijn vrouwtje uit, drie dochters en een zoon.

Dan grijpt hij naar je vulpotlood, geheel op zijn gemak,
‘Zeer fraai, zeer fraai,’ zegt hij en steekt hem buigend in zijn zak.

De Knispadenzen eten flink, ze eten alles op.
Dan is er televisie en zíj draaien aan de knop.

Ze lopen door het hele huis, van boven naar beneden,
kloppen hun gastheer op de rug en kijken heel tevreden.

‘Ja prachtig. Is heel mooie tuin. En heerlijke balkons.
Hoe jammer, spijt ons,’ zeggen zij. ‘Nu alles zijn van ons!’

De dichter Willem Wilmink hoorde in deze kindernonsens kennelijk nog een echo van Nash, want in een brief noemde hij het gedicht verontwaardigd een ‘parabel van de Centrum Partij’. De biografen van de dichter, Joke Linders en Janneke van der Veer, zien er evenwel terecht ‘een fraai staaltje Hoekstra-kolder’ in (de link met Nash leggen ze overigens niet). Je kunt spreken van een glijdende schaal tussen de twee, maar in ‘Knispadenzië’ overstijgt de nonsens de satire.
    Alle humor heeft een subversief element, maar in de nonsensliteratuur wordt het niet verspild aan de politieke trivia van de dag. Het richt zich – veel fundamenteler – tegen de ijzerenheinige logica en de hopeloos voorspelbare realiteit.

Han G. Hoekstra: De kikker van Kudelstaart. (Querido, 1983)
Ogden Nash: I’m a Stranger Here Myself. (Little Brown & Co, 1938)

 

In Liefde Knoeyende 2

De eerste officiële nonsenspoëzie die ons onder ogen komt is vaak ‘De blauwbilgorgel’ (zie de vorige column), maar we worden meestal al veel eerder, als baby, aangeraakt door dit wonderlijke genre. Dat gebeurt via het nursery rhyme. Hier is het eerste couplet van een persoonlijke vroege favoriet.

De kop van de kat was jarig,
zijn pootjes vierden feest.
Het staartje kon niet meedoen,
dat was pas ziek geweest.

Betrekkelijk coherente nonsens als dit rijm doet al wonderen voor je humeur. Soms is de hoofdpersoon van zo’n bakerrijm of kinderrijm nog te herleiden tot een historisch personage (Kortjakje was mogelijk een lichtekooi), maar vaak is de kloof tussen rijm en realiteit toch wel onoverbrugbaar. Nonsens werkt gewoonlijk het best in een beknopte vorm als het gedicht, want het is lastig om de verbazing van de lezer pagina’s lang op peil te houden. De gekste kinderrijmen beperken zich ook meestal tot één strofe. De allergekste zelfs tot maar twee regels – zoals deze gezellige wirwar van waanzin.

Ozewiezewoze wiezewalla kristalla
kristoze wiezewoze wiezewieswieswieswies.

Zulke compacte nonsens schrijf je niet eens zo makkelijk op, want zie de lezer maar eens te boeien in zo’n kort bestek zonder plot en frappe. Typisch voor een bakerrijm is de sussende en opmonterende toon, en daarbij is het element van herhaling (alliteratie, rijm, refrein) heel behulpzaam. Zo wiegen bakerrijmen (en veel volwassen nonsensgedichten) onze bijdehante kritische functies in een tevreden monkelende sluimer. Misschien benaderen we dan wel het dichtst de status van een spinnende kat (met een jarige kop).
    Het zoeken naar betekenis, in leven en literatuur, is onze default mode, en ook in deze bakerrijmen is nijver gespeurd naar verborgen betekenissen (historisch, politiek, satirisch). Het standaardwerk The Oxford Dictionary of Nursery Rhymes (1951) stelde echter niet zonder voldoening vast dat veel rijmen toch echt zo gek zijn als ze klinken binnen de context van de wieg. Nu is voor een baby alle taal onzin, dus je zou zeggen dat de extra moeite niet nodig is. Het aardige is evenwel dat de meeste zogenaamde bakerrijmen helemaal niet speciaal voor kinderen zijn geschreven. Ook het volgende vers van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke (1903–1963) staat in die mooie traditie. Het is namelijk een bakerrijm voor volwassenen.

What Footie Does Is Final

Mips and ma the mooly moo,
The likes of him is biting who,
A cow’s a care and who’s a coo? –
What footie does is final.

My dearest dear my fairest fair,
Your father tossed a cat in air,
Though neither you nor I was there, –
What footie does is final.

Be large as an owl, be slick as a frog,
Be good as a goose, be big as a dog,
Be sleek as a heifer, be long as a hog, –
What footie will do will be final.

Als u er niets van snapt hebt u het goed gelezen. Dit rijm van Roethke (spreek uit: rètkie) kom je regelmatig tegen in Engelstalige bloemlezingen, alleen wordt er nooit bij verteld dat het eigenlijk geen zelfstandig gedicht is. Het is een passage uit Praise to the End! (1951), een episch gedicht waarin deze meestal serieuze dichter als een modernistische Walt Whitman de wereld bezingt met de onbevangenheid van een kind. In deze drie strofen wil Roethke de diffuse en sussende sfeer van een nursery rhyme oproepen, en daarbij is het element van herhaling weer heel effectief. Net als in een klassiek nursery rhyme wordt de kinderlijk warrige taal telkens besloten met een kloek en (relatief) eenduidig refrein, en net als in alle kinderpoëzie treffen we er een preoccupatie met ouders en dieren aan.
    Natuurlijk is ook bij deze biologerende regels geprobeerd om er iets van een betekenis in te lezen. Het haast onvermijdelijke fallische symbool is dan ‘footie’, via een optimistische associatie met footlong. Die betekenisdwang is nu juist bij deze strofen uit Praise to the End! niet op zijn plaats. Ze zijn door de dichter typografisch iets apart gezet van de rest en echt bedoeld als nonsens – en het is nonsens op zijn best. Geen willekeurig bijeengeveegd zootje woorden, maar trefzekere en toonvaste onzin. Het gedicht heeft momentum en een melodie, en wie of wat footie ook is, we gunnen hem graag het laatste woord.
    Een nonsensvers als dit is een nog nooit vertoonde ontmoeting van woorden die, blij verrast, in een gezamenlijk lied uitbarsten. Aanvullend bewijs van zijn kwaliteit als nursery rhyme is dat je dit gedicht, ondanks het gebrek aan samenhang, verrassend snel van buiten kent. De ritmewisseling bij de derde strofe leidt ons naar een prettig gedecideerde slotregel, die de kwestie rond footie eens en voor altijd afrondt. En anders dan bij gewone poëzie laat zo’n slotregel je niet achter met het onrustige idee dat je, hier aangekomen, ergens over aan het denken moet zijn gezet. Zoals het een nursery rhyme betaamt, stemt dit wonderlijke vers alleen maar monter en tevreden.

Theodore Roethke: Collected Poems. (Faber & Faber, 1985.)

 

In Liefde Knoeyende 1

Dit is de eerste column van een reeks over enkele van de beste nonsensgedichten uit de wereldliteratuur. De bedoeling is niet alleen om het leesplezier van de nonsens nog iets te vergroten, maar daarnaast ook kwesties aan de orde te stellen als: is nonsenspoëzie de religie van de toekomst? Dat zou namelijk zomaar kunnen, volgens een van de hier te bespreken dichters. Het goede nieuws is dat nonsenspoëzie van alle tijden en continenten is. En daarbij slaat de nonsenspoëzie die onze rechtlijnige delta opfleurt helemaal geen gek figuur. Wel werd deze Nedernonsens vaak geïnspireerd door een vreemdtalig voorbeeld. Niet dat onze nonsensdichters minder begaafd zijn (het voorbeeld wordt vaak overtroffen), maar ze kennen hun talen nu eenmaal beter dan de buitenlandse broeders in de nonsens. Ook het bekendste Nederlandstalige nonsensgedicht, ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ (1918–1985), is een geval van navolging, want heel duidelijk treedt hij hier in de voetsporen van de Duitse nonsensklassieker Christian Morgenstern (1871–1914). Sterker nog: ook de naam van het blad waarin dat gedicht voor het eerst gepubliceerd werd is ontleend aan diens werk.

De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
    Raban! Raban! Raban!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
    Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
    Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
    Ga heen! Ga heen! Ga heen!

Een attente vriendin wees Buddingh’ in de grauwe oorlogsjaren op de gekke naam van een blauwsnavelig vogeltje in een Engels kinderboek: bluebillgurgle wat de dichter koddig verhollandste tot ‘blauwbilgorgel’. Het gedicht dat hij vervolgens over dit beestje maakte is een duidelijke navolging van de verzen van Morgenstern over imaginaire diersoorten. Bij de Duitse dichter wemelt het van dieren die helemaal niet in de biologieboeken staan. In 1943 publiceerde Buddingh’ dit gedicht, samen met onder meer ‘De bozbezbozzel’, in het tijdschrift De schone zakdoek. De impact was in eerste instantie beperkt, want dat blad had voorzichtigheidshalve, vanwege de bezetting, een discrete oplage van één exemplaar. Het gedicht suggereerde niettemin meteen ook de verzamelnaam ‘gorgelrijmen’ voor de verzen over ruim zeventig andere nonsensdieren die nog zouden volgen.
    In het Duits krijgen behalve namen ook substantieven een hoofdletter, zodat we bij de namen van nonsensdieren in Morgenstern niet altijd zeker weten of het een soortnaam of een eigennaam betreft. Ook bij de blauwbilgorgel is er reden tot twijfel. Het ontbreken van een hoofdletter suggereert weliswaar een soortnaam, maar de eerste regel, ‘Ik ben de blauwbilgorgel’, lijkt dat weer tegen te spreken. Misschien is deze gorgel het unieke resultaat van een eenmalige kruising tussen een porgel en een porulan. Bijna alle andere gorgelrijmen staan niet in de ik-vorm; als er dan gesproken wordt over bijvoorbeeld het wiffelklaasje gaat het kennelijk om een biologisch prototype.
    Waarom is nou juist dit gedicht van Buddingh’ zo populair geworden? Hij schreef in diezelfde periode tenslotte wel veel gekkere verzen – met een droogkomisch soort surrealisme, zonder de kelderdamp van het onderbewuste. Je zou kunnen aanvoeren dat ‘blauwbilgorgel’ zo lekker bekt, maar geldt dat eigenlijk niet nog meer voor de contemporaine ‘bozbezbozzel’? Misschien is het gedicht wel zo populair omdat het zulke glasheldere nonsens is. Dit gorgelrijm is immers een heel correct en puntig cv-tje.
    We krijgen eerst, zoals het hoort, info over de burgerlijke stand van de gorgel. In het tweede couplet volgt een handig resumé van zijn dieet. Het derde noemt zijn bezigheden en hobby’s. En het vierde schetst, altijd nog volgens de regels, zijn toekomstverwachting. Het is bijna of een balorige sollicitant hier in een officiële brief de sleutelwoorden heeft vervangen door onzin. Zo’n vertrouwde en doorzichtige opbouw maakt een nonsensgedicht heel licht verteerbaar. Ze maakt ook dat het gedicht makkelijk in je herinnering blijft hangen. Daarbij vergeleken zijn de meeste andere gorgelrijmen wat losser en grilliger – en daardoor minder memorabel.
    Er komt nog bij dat zich in het laatste couplet een navrante ondertoon bij de humor voegt. Buddingh’ schreef het gedicht namelijk toen hij met tbc in een sanatorium lag (de link tussen dat laatste couplet en zijn ziekte legde hij ook zelf). Het gevolg is een pakkende emotionele dubbeltonigheid: een mix van speelsheid en een wolkje melancholie die herinnert aan de nonsense songs van Edward Lear (1812–1888) – van wie de dichter trouwens werk vertaalde. (Ook het vignetje boven deze column is overigens van Lear.) Buddingh’ droeg zijn gedicht zelf niet lichtvoetig of cabaretesk voor, maar altijd op zijn karakteristiek slepende toon, met tussen de refreinwoorden dramatische pauzes. Van die mooie dubbeltonigheid vinden we soms nog iets terug in andere gorgelrijmen, want niet voor elk gorgelbeest is het leven een feest: ‘Ik ben een arme drommeldaris, / wat zelden leuk en meestal naar is.’
    ‘De blauwbilgorgel’ is door de jaren heen heel wat keren geïmiteerd. Zo bestaat er inmiddels natuurlijk ook een roodbilgorgel. Aan die imitaties lees je goed af hoe perfect het origineel in elkaar zit. De navolgingen zijn vaak eerder light verse dan nonsenspoëzie, dat wil zeggen: een grap op rijm met een daverende clou. Een andere veelgemaakte fout is dat ze te buitenissig willen zijn. Goede nonsenspoëzie bewaart altijd een precair en prikkelend evenwicht tussen de zin en de onzin – in dit geval tussen het schema van een broodnuchter invulformulier en de bolle waanzin van de invullingen. Als je imiteert, doe het dan goed, zoals Buddingh’ zelf…

1. Buddingh’: Alle gorgelrijmen. (De Bezige Bij, 2003)

Gepost in Column nonsensgedichten Tysger Boelens, Home | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Recensie: Lucas Hirsch, De Weinigen. Of de bankier in de buik van het beest

In de Extaze-rubriek Nieuwe recensies:

Voorplat De WeinigenLucas Hirsch, De Weinigen. Of de bankier in de buik van het beest, Haarlem 2019 (In de Knipscheer) – Cor Gout

 

 

 

 
Recensie

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , | 1 Reactie

Een nieuwe recensie: Wiel Kusters, In opdracht, gedichten

In de Extaze-rubriek Nieuwe recensies:

in-opdrachtWiel Kusters, In opdracht, Zaandam 2019
(Uitgeverij Leon van Dorp) –  Rutger H. Cornets de Groot

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Kristien De Wolf, Ava Miller en ik, roman

In de Extaze-rubriek Nieuwe recensies:

Ava Miller, Kristien De WolfKristien De Wolf, Ava Miller en ik, Haarlem 2019 (In de Knipscheer) – Cor Gout

 

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: A.H.J. Dautzenberg, Niet het krassen van de kraai, gedichten

In de Extaze-rubriek Nieuwe recensies:

Niet het krassen van de kraai

A.H.J. Dautzenberg, Niet het krassen van de kraai, Amsterdam 2019 (Uitgeverij Pluim)
– Rutger H. Cornets de Groot

 

 

 

 

recensie

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Eerste blog, Chrétien Breukers

30 mei 2019
Vandaag liep ik door het centrum van Praag. Ik kom daar bijna nooit, omdat ik in een buitenwijk woon en in weer een andere buitenwijk werk. Het was er heel erg druk. Ik hoorde onderweg van de Metro naar mijn bestemming Tsjechisch, Russisch, Japans, Chinees, Nederlands, Frans en Duits, en een taal die Zweeds zou kunnen zijn, of Deens. Ik zag groepen dagjesmensen, groepen onder leiding van een gids (al dan niet met een vlaggetje), echtparen die om zich heen keken en alleengaanden. Al die mensen deden, in meer of mindere mate, aan toerisme.

Mooie, oude steden met een rijke geschiedenis vallen daar vroeg of laat aan ten prooi, aan dat toerisme. Het is iets waar je niet voor of tegen kunt zijn, je kunt je net zo goed beklagen over het weer of over de periodieke verhuizing van EU-personeel van Brussel naar Straatsburg. Er verandert niks. Je wordt op zijn best voortijdig zuur. Steden worden gebouwd, groeien, hebben een bloeiperiode, takelen af, worden vernietigd en worden herbouwd, floreren en verpauperen. Dit alles verloopt met een ijzeren wetmatigheid. En aan de eind van de rit is daar: het toerisme.

Een deel van je schrijverschap op dat toerisme funderen is een beetje kinderachtig, en het is precies daarom dat Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer kinderachtig is. Helaas. De auteur eigent zich het ‘oude Europa’ toe en zegt vervolgens dingen als:

Het moet gaan over Europa, de Europese identiteit, die verstrikt is in het verleden, en over de uitverkoop van dat verleden op een geglobaliseerde markt bij gebrek aan geloofwaardige alternatieven. Het moet een liefdesverklaring worden aan Europa vanwege wat het ooit was, dat op dit moment vanwege wat het ooit was onder de voet wordt gelopen door de laatste en definitieve barbaarse invasie. Het wordt een triest boek over het einde van een cultuur.

Net als steden hebben culturen de neiging te sterven, al is, in tegenstelling tot een ‘dode’ stad, een gestorven cultuur nooit helemaal ‘weg’. Resten ervan leven voort in de nieuw-ontstane cultuur. Het niet kunnen laten sterven van een cultuur (of een stad) getuigt van een regressieve inslag. Je beroepen op een cultuur die er niet meer is, getuigt van een onproductieve heimwee, van zinloze melancholie. De cultuur wordt een fetisj, het beertje dat mee naar bed moet omdat je anders niet kan slapen. Het in leven houden van een stad die op sterven na dood is getuigt van behoudzucht. Niet van conservatisme in de productieve zin van het woord (behoud het goede en gooi de rest weg), maar van anaal gefixeerde behoudzucht.

29 mei 2019
Hoe de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek (de CPNB), de organisatie die verantwoordelijk is voor de Boekenweek en daarmee ook voor het Boekenweekessay voor 2020 een thema als ‘rebellen en dwarsdenkers’ heeft kunnen bedenken, is mij een raadsel. Ergens, tijdens een van de vele vergaderingen die er worden gehouden, moet in het hoofd van een (of meer?) van de medewerkers een tornado zijn ontstaan. Met catastrofale gevolgen.

Waarom diezelfde medewerkers vervolgens Annejet van der Zijl uitkozen als schrijfster van het Boekenweekgeschenk 2020 en Özcan Akyol als schrijver van het Boekenweekessay 2020 lijkt me een vorm van ironie. Waarschijnlijk hoopte de CPNB dat iedereen direct zou begrijpen dat het thema maar een beetje een grapje is. De boeken en de opvattingen van Van der Zijl en Akyol zijn zo mainstream dat echt niemand zich er een bult aan kan vallen. Rebels of dwarsdenkerig zijn ze geen van beiden.

Özcan Akyol lijkt me een leuke jongen. Ik heb zijn boeken nooit gelezen. Wel was ik bij de presentatie van zijn tweede roman. Tijdens die bijeenkomst werden frikandellen geserveerd. Ik heb Anna Enquist recht voor mijn neus een frikandel-speciaal zien eten. Uit het handje. Zonder servet. Soms droom ik daarover. Na het ontwaken voel ik me dan onzeker, een beetje huilerig, alsof iemand iets onder mijn bestaan heeft weggetrokken (ongeveer zoals sommige mensen een tafellaken onder een volledig opgesteld servies kunnen wegtrekken: alles staat nog overeind, alleen ontbreekt er iets aan de originele opstelling, en het suikerpotje wiebelt heel even).

Soms lees ik Akyol’s columns in het Algemeen Dagblad. Die beginnen dan bijvoorbeeld zo:

Het was trekken en sleuren om aandacht, alles werd ingezet om de Europese verkiezingen aantrekkelijker te maken voor het gewone volk, dat deze democratische verworvenheid, volgens analyses en vastgeroeste opvattingen, vooral een ver-van-mijn-bedshow zou vinden.

Bij het lezen van dit soort zinnen denk je aan van alles – ‘heb ik het gas wel uitgedraaid voor ik wegging, waar ligt mijn horloge, waarom ben ik mijn bril altijd kwijt?’ – behalve aan een rebel of aan een dwarsdenker.

Volgend jaar wordt ‘de lezer’ weer een week lang getreiterd met twee boekjes die niets met boeken te maken hebben. Ze zijn gedrukt en daarna in het rond gepompt en dat is dat. De inhoud had door iedereen geschreven kunnen zijn. Ik weet niet of dit een geruststellend idee is.

31 mei 2019
Literatuur is oorlog. Polemiek is liefde. Die liefde is lang niet altijd wederzijds. Sterker, meestal is de ontvangende partij binnen een polemiek niet blij en wordt de liefde, voor zover nog aanwezig, verbroken. Ik had niet over Pfeijffer, Akyol, Van der Zijl en de CPNB geschreven als ik me deze week niet in Het horrortheater van de Nederlandse literatuur van Arie Storm had verdiept.

In deze bundeling polemieken (en daarmee dus ook, deels, liefdesverklaringen) maakt Storm op kalme wijze korte metten met alles wat hij onzin en flauwekul vindt. De lijst is niet kort. De koketterie van Adriaan van Dis, het altijd in woest masturberen eindigende damesschrijfcursusje van Jan van Mersbergen, de stijl en de persoon van Tommy Wieringa, Ilja Leonard Pfeijffer, Anna Enquist, – enfin, er kunnen nog aardig wat namen worden toegevoegd, maar het is misschien beter om het boek zelf even te lezen.

De hedendaagse literatuur ligt er braaf en netjes geknipt bij. Als een dodelijk saai gazon in een voorstad van Londen (ik weet soms ook niet waar ik zo’n beeld vandaan haal en waarom ik het gebruik). Storm legt zich niet bij die saaie braafheid neer. Alleen daarom is hij al te prijzen. Maar er zijn meer redenen om dat te doen. Bijvoorbeeld om zijn liefdevolle beschouwing over Kellendonk en zijn venijnige uithalen naar mensen in ‘de literaire wereld’ die het achter de ellebogen hebben. Soms is er iemand nodig die even het laken onder alles vandaan trekt en het servies in één moeite meeneemt.

Bovendien heb je na lezing van Storms boek zin om allerlei boeken zelf te gaan lezen. Binnenkort worden The year of reading dangerously, How to be a public author en The Swimming-Pool Library bij mij bezorgd. The Unpunished Vice moet ik nog ergens zien te vinden. Vier boeken willen kopen na lezing van een bundel polemieken. Het kon minder.

In stilte lezen, alleen, is – als het boek goed is – de beste vorm van converseren: het is een gesprek tussen schrijver en lezer. Dat is beter dan al die literaire avondjes die overal en vooral ook in boekhandels worden georganiseerd. De neiging om overal een spektakel van te maken heeft het horrortheater van de Nederlandse literatuur opgeleverd. De prijzen, de openbare leesclubs, de debatavonden, de literaire voorstellingen, de boekhandelaren die boeken tippen, de activiteiten van de CPNB – ze voeren alle weg van het boek. Ze openen de weg voor ijdeltuiten en exhibitionisten als Ilja Leonard Pfeijffer, Murat Isik, Tommy Wieringa, Pieter Waterdrinker en Arthur Japin om hun show op te voeren.

Arie Storm, Het horrortheater van de Nederlandse literatuur, Amsterdam 2019 (Prometheus)

 

BLOGSERIE ROB VERSCHUREN

Lees meer »

Een mooie zin, Rob Verschuren

‘Door vriendschap wordt vreugde verdubbeld en verdriet gedeelt.’

Is dit een mooie zin? Misschien wel. Zoals een beeldje van een herderinnetje waar een stukje af is mooi kan zijn. Het is de eerste zin die ik tegenkom wanneer ik op Google ‘mooie zinnen’ intik. De Wattpad- (Hallo! Wij zijn Wattpad. ’s Werelds populairste platform voor verhalen) pagina Mooie zinnen ♡ heeft er honderden in de aanbieding.

Over mooie zinnen wil ik het dit keer hebben, want mooie zinnen zijn belangrijk voor me, als lezer en als schrijver.

Tommy Wieringa in een interview uit 1997: ‘Ik geef niets om diepe gedachten, alleen om mooie zinnen.’ Dat is natuurlijk een beetje stoere jongetjespraat, maar ik kan wel meegaan met Tommy Wieringa. In mijn simplistische denkwereld komt het schrijven van een boek erop neer de ene zin na de andere te zetten tot je er genoeg hebt. En als dat allemaal mooie zinnen zijn, heb je een mooi boek.

Anne Frank hield in het achterhuis een schriftje bij waarin ze mooie zinnen optekende uit de boeken die ze las. Het is in 2004 door Bert Bakker uitgegeven als Mooie-zinnenboek.

Wat is een mooie zin? Dat zal voor iedereen anders zijn. Voor veel mensen gaat het waarschijnlijk om de boodschap. Een mooie zin is affirmerend, troostend, of bevat een waarheid als een koe. Het heeft ook te maken met verwachtingen. Voor kleindochtertje Ca Rot is de allermooiste zin: ‘Đi chơi.’ Woorden die vooraf gaan aan een brommerritje, en dat mag overal heengaan, naar de dokter, naar de supermarkt, naar het eendenstalletje van tante Van. Dan duikt ze de kleerkast in voor haar mooiste jurkje en komt weer tevoorschijn als een soort wandelende theemuts. Voor mij vrouw Lan is het misschien wel het prozaïsche sms-je van Vietcombank, dat laat weten dat er weer eens wat op onze rekening staat. Ik denk eigenlijk dat het maar een klein, elitair gezelschap is dat mooie zinnen in boeken zoekt.

Wat is een mooie zin niet? Wat ze er bij het Groningse weblog Tzum van maken met de Tzumprijs. Dat hele idee van een mooiste zinwedstrijd is natuurlijk loeiende onzin. Je kunt van mooie zinnen genieten en ze delen, maar er een competitie van maken… wat een flauwekul. Behalve uit marketingoogpunt natuurlijk, want voor die paar tientjes prijzengeld levert het Tzum een hoop publiciteit op. In content marketing, een werkterrein waarop ik mij dagelijks begeef, zijn het de bedrijven die het met de kwaliteit niet zo nauw nemen die hun schrijvers per woord betalen.

Wat de Tzumprijs óók oplevert, is ieder jaar weer een berg inzendingen met een tenenkrommend kijk-eens-hoe-knap-ik-ben gehalte. Geconstrueerd dat ze zijn, die zinnen van Tzum. En volgepropt dat ze zijn, die zinnen van Tzum. En lang dat ze zijn, die zinnen van Tzum! Mag ook wel, voor die één (1) euro prijzengeld per woord. Jeroen Brouwers bijvoorbeeld, die heeft zijn zakken weer eens goed gevuld: 52 euro in 2007. Ik heb ergens gelezen dat hij dit fabelachtige bedrag ter plekke heeft omgezet in sigaretten of jenever, een van de twee, ik wil ervan af zijn, maar in ieder geval nuttig besteed.

In een artikel voor Genootschap Onze Taal komt Raymond Noë op gemiddeld 41 woorden voor de winnaars van de Tzumprijs tussen 2002 en 2010. En ze zijn er sindsdien niet korter op geworden. Die van afgelopen jaar spant de kroon: Pieter Waterdrinker scoorde 95 woorden. Een héél mooie prestatie, Pieter, waar háál je het vandaan! Naar verwachting wordt in 2019 de 100 woordenbarrière doorbroken, en zal Tzum serieus moeten overwegen subsidie aan te vragen.

Wat een flauwekul. Een prijs voor de mooiste penseelstreek in een schilderij? Voor de mooiste noot in een symfonie? Ja, maar dat is iets anders, zeg je? No, sir. Ook een zin kun je niet zomaar losrukken uit zijn omgeving. Ook in de literatuur gaat het om de context, de functie binnen het geheel. In kleiner verband is dat het samenspel met de omringende zinnen. In groter verband het oeuvre van een schrijver.

Wat is, vanuit deze bredere optiek, dan wel een mooie zin? Laat ik eens een paar pogingen wagen.

Voor de mooiste zin uit een Nederlandstalige roman nomineer ik ‘Tom Poes, verzin een list.’ Kernachtiger had Marten Toonder de essentie van de Bommelreeks niet kunnen verwoorden.

De mooiste dichtregel? Ik vermoed dat mensen die wel eens een bundeltje uit de kast trekken worden verwend met mooie zinnen, maar ik weet te weinig van poëzie om een suggestie te durven doen.

Songteksten dan. Natuurlijk denkt iedereen direct aan Bob Dylan, die tenslotte de Nobelprijs op zak heeft (een nog dommere instelling dan de Tzumprijs, ik hoop dat ik dat in dit gezelschap niet hoef toe te lichten). Nu ben ik een Dylan-fan van het eerste uur, maar ik zie hem eerder als een dichter die zijn teksten op muziek zet dan als een songwriter, een subtiel onderscheid. Ook in de muziek gaat het om de context. Songteksten hebben een dienende functie. Klank, ritme en rijm, daar gaat het om. Betekenis komt op de tweede plaats. Mijn suggestie voor de mooiste: ‘Go Johnny go go’ van Chuck Berry.

Een categorie apart zijn beginzinnen. Daar zweten schrijvers gewoonlijk niet weinig op, en ze hebben een aura van bijzondere belangrijkheid. De mooiste heb ik zo gauw niet bij de hand, wel de waarschijnlijk meest geciteerde uit de westerse literatuur: ‘Call me Ishmael.’ Het mooie aan dit zinnetje is dat het tot op de dag van vandaag lezers en literatuurwetenschappers laat speculeren en discussiëren over wat Herman Melville ermee bedoeld kan hebben.

De mooiste slotzin komt voor mij uit weer een ander literair genre, het essay. Met ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux’ vat Albert Camus de filosofie van het absurdisme samen in een prachtige literaire metafoor. En daar heeft hij maar vijf woorden voor nodig.

Terug naar de dingen van alledag. Nu Ca Rot in zinnen begint te praten – half Vietnamees, half YouTube Engels, met als bindmiddel haar fascinerende belevingswereld – vang ik van haar ook wel eens een mooie op. Gisteren nog: ‘Bà ơi, mua kẹo zombie cho Cà Rốt.’*

Hoe vind je die dan!

En tot slot, nergens wordt zoveel aandacht aan één enkele zin besteed als in mijn oude vak, de reclame. Die drie woordjes van Nike: ‘Just Do It’, neem maar van mij aan dat daar vele honderden manuren aan onderzoek, creatie en testen in zijn geïnvesteerd. Voor heel aardige uurtarieven. Als je het vertaalt in goed Nederlands: ‘Gewoon Doen’, blijft er overigens weinig van over.

Awel, dit was het weer voor vandaag. Niet allemaal even zinnig misschien, maar zin was geloof ik ook niet direct een voorwaarde van de redactie.

*Oma, koop zombiesnoep voor Ca Rot.

 

De onzichtbare schrijver, Rob Verschuren

Laten we het vandaag eens over de onzichtbare schrijver hebben. Nee, niet Murat Isik. Die is niet direct onzichtbaar – en volgens sommigen ook niet direct een schrijver.

Wanneer deze term valt, gaat het geloof ik meestal over stijl. Of de schrijver ‘aanwezig is’ in het verhaal of niet. Of hij zich bedient van een proza dat de aandacht op zichzelf vestigt, of dat hij het verhaal het verhaal laat vertellen.
In een bespreking op Literair Nederland van mijn roman Tyfoon (In de Knipscheer € 17,50) haalt Olivier Rieter Arnon Grunberg aan. Volgens hem is goed proza dat proza waarvan het lijkt dat iedereen het zou kunnen schrijven, dat niet toont dat de schrijver iets moois of geleerds heeft willen bijdragen. 
Daartegenover staat proza dat de aandacht op zichzelf vestigt en dat door Grunberg bekritiseerd zal worden omdat er stilistische ambitie uit spreekt. Van Olivier Rieter mag het allebei, krijg ik de indruk, zolang het maar goed wordt gedaan.

Maar stijl is niet het enige. Er zijn meer manieren waarop een schrijver onzichtbaar kan zijn. De Amerikaanse auteur Thomas Pynchon leidt een zeer teruggetrokken leven en vormt al meer dan veertig jaar een bron van speculaties. Hij zou ergens in Mexico wonen, hij zou de UNA bomber zijn en meer van dit soort geruchten. In de media wordt hem steevast het predikaat ‘kluizenaar’ opgeplakt. Pynchon trekt het principe ‘laat mijn werk voor zichzelf spreken’, tot in extremis door. Al beweren kwade tongen dat het vooral een complex over zijn konijnentanden is dat hem de publiciteit doet schuwen.

Ook Cormac McCarthy geeft nooit interviews, houdt geen lezingen, treedt niet op, mengt zich niet in discussies en verklaart zichzelf niet nader. Hij bewaakt zijn privacy minder obsessief dan Pynchon, maar al dat soort dingen interesseert hem gewoon voor geen meter. Hij is een romanschrijver en een romanschrijver moet romans schrijven. Punt. McCarthy is iemand die respect afdwingt en hij wordt met rust gelaten. Het enige schandaaltje dat ik op het internet ben tegengekomen, betrof zijn ex-vrouw Jennifer, van wie hij al acht jaar gescheiden was. Ze was gearresteerd nadat ze haar vriend tijdens een discussie over buitenaardse wezens had bedreigd met een pistool dat ze uit haar vagina tevoorschijn trok. Boeiend nieuws, geserveerd met een mugshot.

Het soort onzichtbaarheid van beide heren ligt mij wel. Ik vind dat ik mijn werk heb gedaan wanneer het manuscript naar de drukker gaat, en dat de lezer het verder zelf mag uitzoeken. Een schrijver is er niet voor antwoorden, hij is er voor de vragen. Het heeft natuurlijk ook met karakter te maken. Ik ben op mijn privacy gesteld en gesloten. Ik kijk het allemaal liever aan dan dat ik me erin meng, mensen incluis. Maar ik heb natuurlijk makkelijk praten omdat ik in Vietnam woon en omdat het niemand wat aan de reet zal roesten of Rob Verschuren, auteur van twee dunne boekjes, zichtbaar is of niet.

Bladerend door mijn aantekeningen kom ik de volgende halfhartige affirmatie tegen: Rare zin, hè? Maar als Verschuren zoiets schrijft, is het bewust gedaan. Geef ik je garantie op. Daarom hoeft het nog niet meteen geslaagd te zijn.        

Er zijn verschillen in onzichtbaarheid. Onzichtbaar als in van de aardbodem verdwenen of onzichtbaar invloed blijven uitoefenen. Achter de schermen, als het ware. Er zijn dode auteurs die dat doen. En soms wordt een lang onzichtbare auteur opeens weer zichtbaar. Dan heb ik het niet over verkoopaantallen, maar over de sluiers van afstand en tijd, die wegvallen voor dat ene paar ogen, voor dat ene hart.

Zichtbaarheid – en nu komen we terug op zichtbaarheid in het werk – wordt ook bepaald door de onderwerpkeuze. Geloof het of niet, maar veel schrijvers schrijven vooral over schrijven. Nu begrijp ik dat wel. Egoschrijfsels verkopen en je schrijft het beste over wat je kent etc. Maar een bakker lult je toch ook niet de oren van de kop over zijn gezwoeg en gezweet aan de oven zo gauw je zijn winkel binnenstapt.
Ik vind dat soort proza alleen interessant als het heel goed geschreven is. Reve kon dat. Een schoolvoorbeeld van een zichtbare auteur, zowel in zijn werk als daarbuiten.
Omdat ook voor mij het creatieve denkproces een boeiend thema vormt, heb ik er een truc op bedacht. Ik maak schilders en ontwerpers van mijn protagonisten in plaats van schrijvers. Levert me meteen een visuele schrijfstijl op. Schrijven over schrijven doe ik alleen hier, op deze blog. Met plezier, maar voor mij is het geen voer voor verhalen.

En dan heb je ook nog metafictie, waar ik een instinctieve afkeer van heb en dus verder over zal zwijgen.
Van alle vormen van onzichtbaarheid is misschien de meest interessante wat ik ‘ongewilde zichtbaarheid’ zou willen noemen. De manieren waarop de persoon van de schrijver doorklinkt in zijn werk, hoewel hij dit niet bewust laat gebeuren en soms zelfs nadrukkelijk probeert te vermijden. Veelal uit schaamte of uit angst.

Onzichtbaar = onkwetsbaar. Vraag het maar aan een wandelende tak.

Heb je weleens van El Intocable gehoord? Dat was de bijnaam van de Argentijnse bokser Nicolino Locche, die zijn wedstrijden won door ervoor te zorgen dat hij niet geraakt werd. Hij is er wereldkampioen mee geworden, in 1968. Een favoriete vechthouding van deze lichtweltergewicht was met de handen op de rug, waarbij hij met de kleinst mogelijke hoofdbewegingen stoten ontweek en zijn tegenstander lucht liet meppen tot hij uitgeput was. Tik de naam maar eens in op YouTube. Lachen, die paar krakkemikkige oude filmpjes. De ‘Untouchable’ had trouwens nog meer eigenaardigheden. Zo mocht hij tussen de ronden in zijn hoek graag een sigaretje roken. De trainer hield er dan een handdoek voor, want zelfs in die dagen werd daar raar tegen aangekeken.

Als je het weet, vind je John Cheever’s verdrongen homoseksualiteit op veel plaatsen in zijn werk terug.  En sinds de publicatie van Blake Bailey’s schitterende biografie weet iedereen het. Dat was wat in die dagen. De Amerikaanse entertainer en proto-showbizznicht Liberace (‘I cried all the way to the bank’) heeft geloof ik tot zijn dood volgehouden dat hij geen homo was. Een man die als geen ander zichtbaar wilde zijn en tegelijk krampachtig probeerde onzichtbaar te blijven.

Tussen Old Shatterhand en zijn schepper Karl May bestaan op het eerste gezicht weinig overeenkomsten. De een een onverschrokken held, een mannetjesputter met hoge morele normen, de ander een leraar aan de fabrieksschool in Altchemnitz, die regelmatig het tuchthuis in ging voor kleine diefstallen. Maar onverschrokkenheid en geestelijke adeldom moeten, in een of andere vorm, ook deel hebben uitgemaakt van de persoonlijke make-up van Karl May, waar haalt hij ze anders vandaan. F. Scott Fitzgerald: ‘It was in my mind that if you weren’t able to function in action you might at least be able to tell about it, because you felt the same intensity.’

En Elsschot, die zijn gevoeligheid graag maskeerde met cynisme. Dat werkt natuurlijk niet, want cynisme is geen sarcasme. Het was dan ook meer een schrijftruc die hij goed beheerste, vermoed ik. Zoiets kun je van Tsjechov niet zeggen.

Tsjechov is een schrijver die zichzelf buiten schot houdt in zijn verhalen. Een afstandelijke toeschouwer, sober, ingetogen, bescheiden, zonder oordeel. Een vakman die zijn materiaal vormt naar de eisen van authenticiteit en precisie. Maar naarmate hij ouder en zieker wordt, worden die verhalen melancholieker en bespiegelender. Persoonlijker, zou je kunnen zeggen.

Zowel wijsheid als waanzin zijn een schatkamer voor een schrijver. Zowel een scherpe geest als een modderig gevoelsleven. En niet zelden put hij uit dat laatste zonder het te willen laten weten.

Weinig schrijvers zullen in eigen huis zo onzichtbaar zijn als ik. De hele familie kan me zien schrijven, de deur staat open, maar wat ik schrijf, daarvan weten ze alleen dat het een enkele keer wel eens wat geld binnenbrengt. Niet dat ik daar moeite mee heb, of dat dit nieuw voor me is. Ik ben mijn hele werkzame leven al een onzichtbare schrijver.
Je kunt je vast wel een paar reclameslagzinnen herinneren. Omdat je ze zo vaak gehoord hebt, omdat je ze leuk vond. Niemand kent de schrijver. Die schrijver was ik. Tegenwoordig doe ik content.
‘Met je boormachine kun je meer doen dan je denkt.’ Dat ben ik.
‘15 leuke tips voor honden- en kattenliefhebbers.’ Dat ben ik.
De schoorsteen moet blijven roken en Lan moet elke dag naar de markt kunnen. Meer wil ik er niet over zeggen.

Zit ik toch al mooi op 1.391 woorden. Time to say goodbye. Om nog even terug te komen op die ongewilde zichtbaarheid: hoe zit dat dan bij jou zelf, Rob? Ik volg het pad van Tsjechov, denk ik, zij het niet ziek en al een stuk ouder dan hij ooit is geworden. En ik probeer me zo min mogelijk bloot te geven. Wat heb jij daarmee te maken?

Heel soms denk ik: als ik toch eens mijn leven kon vertellen zoals het geweest is en nog steeds is, dat zou me nog eens een boek worden! Een megalomane gedachte, ik geef het direct toe, maar af en toe heb je die ook nodig. Zolang het daar maar bij blijft. En nee, het zal er niet van komen. Primo omdat ik het niet durf en secundo omdat er daarna niets meer te schrijven over zou zijn. Scherfjes ervan komen in mijn verhalen terecht, waar ze goed werk doen. En iets minder verhuld in deze blogstukjes. Maar daar wordt morgen de vis weer in verpakt. 

 

De Zee van Ochotsk, Rob Verschuren

Toen ik voor een tijdje naar The Priory ging om van wat dingen af te komen, belandde ik in een writer’s gold mine, maar ik was het noorden te ver kwijt om ervan te kunnen profiteren, die vijf, of mogelijk zes weken in het najaar van 2005.
The Priory is een nogal sjiek afkickcentrum annex mental hospital in de Londense buitenwijk Roehampton. Rocksterren en andere snuivende, spuitende, slikkende en gulpende beroemdheden zijn mij voorgegaan en gevolgd. Ronnie Wood is er geweest, Kate Moss, Pete Doherty, Robbie Williams, Paula Yates, Eric Clapton, George Best, Ronnie O’Sullivan.

Wat een verhalen.

Daar was de tenniscoach die zich tussen de trainingen door te buiten ging aan Guinness. Een knappe verschijning, zij het aan de harige kant. ‘You are the hairiest man I’ve ever seen,’ is een van de weinige opmerkingen die me van mijn peers, zoals we werden aangeduid, zijn bijgebleven. Deze coach had een vriendin die me sterk deed denken aan ‘Moeder Soep’, een dorpsfenomeen uit mijn jeugd. Omdat ze geen bezoekuur oversloeg, was, zelfs in mijn toestand, aardig te volgen hoe deze relatie steeds verder ontrafelde naarmate zijn nuchterheid vorderde.
Dan had je de undercover agent die, al infiltrerend in het drugsmilieu, zelf verslaafd was geraakt aan zo’n beetje elk soort pil dat op straat wordt verhandeld.  
De depressieve 70-jarige J. die hier was omdat ze in haar leven nooit een grote liefde had gekend. Ik heb vaak met haar op de stoep zitten roken. Geen woord herinner ik me van onze gesprekken, behalve dat. En haar naam.
De twee hoofdzielenkijkers mochten er ook zijn, een graatmagere Italiaan en een gemoedelijke very, very British dikzak met de uitstraling van dokter Watson, onveranderlijk gekleed in driedelig kostuum, compleet met horlogeketting.
En de Madonna van het rookhok. Een serieverslaafde, als zo’n term bestaat. Winkeldiefstal, cocaïne, fitness, diëten, nicotine, speed, wat niet meer. Psychiaters ook, geloof ik. Een intense meid met wild zwart haar en ogen als vingers die aan je ziel plukten.  Die mij eens vroeg: ‘Are you famous? You look like someone famous.’

Wat een verhalen. Maar mijn herinneringen zijn niet meer dan flarden. Anekdotes. Ik keek niet, ik luisterde niet, ik voelde niet in die tijd. En dat is wel nodig voor een verhaal dat sterk put uit je eigen ervaringen.

Een wat lange inleiding om tot het onderwerp van dit stukje te komen: waar haalt een schrijver de inspiratie vandaan?

Uit zijn vroegere leven dus, voor zover de herinneringen nieuw leven kan worden ingeblazen. Dit is iets wat ik gemeen heb met de Sade. Het uitzicht op de muren van zijn kerker zal de markies weinig geholpen hebben bij het proza dat hij in de Bastille produceerde. Ik zit dan wel niet achter de tralies, maar ik leid, na een best wel rusteloos leven, een huiselijk en alledaags bestaan: a family man after all these years.

Niet dat zo’n bestaan geen inspiratie biedt. De achternaam van mijn vrouw Lan is Nguyen, zoals van 40% van alle Vietnamezen. Soms denk ik dat die allemaal familie zijn. Hij is in ieder geval onvoorstelbaar uitgebreid, die familie van haar, en bruiloften zijn er endemisch. Ook het schrijven van dit stukje werd onderbroken door een trouwpartij, dit keer in een dorp aan de Cambodjaanse grens. We kwamen laat in de middag aan temidden van een tornado aan voorbereidingen. Overal in huis en op het erf zaten vrouwen te hakken, te snijden, te stampen, te roeren en te kakelen tussen ketels spetterende olie, kniehoge bergen kokosnoten en stapels dampende kippenkarkassen.
De feestelijkheden braken de volgende ochtend om half vijf los met de bruiloftsmis, gecelebreerd door een pastoor die van aanpakken wist, want er werden vier stelletjes tegelijk in de echt verbonden. Ik deed wat ik altijd doe in het godshuis, rondkijken of er nog leuk jong spul was. Dat was er. Ook de bruidsparen boden weer eens een interessant schouwspel, de mannen in slecht passende huurpakken en de jeugdige frisheid van de bruidjes vakkundig weg geplamuurd onder tsunamibestendige make-up.
Na de onontkoombare fotosessies in het eerste daglicht op het kerkplein ging het in klein comité naar het kerkhof om een gebed op te zeggen voor Nguyen Thi Dai, doopnaam Anna, een oudtante van Lan, die daar in de jaren ’70  te rusten was gelegd. Bij haar lag, zoals de inscriptie op de grafsteen vermeldde, de kleine Kim, geboren en gestorven 16-09-1964. Ik heb mijn wierookstokje voor haar aangestoken, maar voor een gebed vond ik geen woorden.
Op het erf was het bij onze terugkomst een groot gedrang van mannen, onwennig in zelden gedragen kostuums, en vrouwen in strakke traditionele gewaden, die alles bedekten maar niets verborgen en veelkleurig afstaken tegen het bleke roze van de tafelkleden. Op het podium stond een vierkoppige band te roken en te kletsen achter zware apparatuur, en de ceremoniemeester/zanger, een zelfrijzend strottenhoofd waar wijlen Theo Koomen een punt aan had kunnen zuigen, tikte driftig op zijn microfoon.
Mij was een plaats toebedeeld naast de 92-jarige stamvader van al het gekrioel, een levendige man met een Ho Chi Minh sik, die me liet weten dat hij geen alcohol dronk, wel vlees at, maar geen vis, twaalf kinderen had en zeventig kleinkinderen en achterkleinkinderen. Wat een verhalen kan hij zijn nakomelingenschaar vertellen, een opa die de marionettenregering van de laatste koning Bao Dai bewust heeft meegemaakt, lang voordat de Franse koloniale macht serieus werd uitgedaagd.
Wat viel er nog te beleven? De magnetische ogen van het meisje met de hazenlip een tafeltje verderop. Het optreden van de zingende priestertweeling, en dat van de matrone met een stem als een grindbreker, die ondermaatse anjertjes kreeg aangeboden, door de plaatselijke grappenmakers uit de vaasjes op de tafels geplukt.
Het tapijt van Tigerblikjes, waartussen drie schichtige, vuilbruine bastaards naar botten zochten. En hoe, onder de rand van het tentdoek door, in de loodgrijze hemel lang een vreemde streep licht te zien was, half groen, half blauw, alsof iets groots ons vermaak door een kijkspleet gadesloeg…

Uit zijn duim. Ook wanneer je niet aan buitenaardse wezens, ruimtekrommingen of Atlantis doet, heb je voor fictie fantasie nodig. Zelfs voor egoschrijverij heb je fantasie nodig, want er zijn altijd gaten in het verhaal die moeten worden opgevuld, bruggetjes die moeten worden geslagen, waarvoor je geen bruikbare feiten bij de hand hebt. Connie Palmen heeft geloof ik eens gezegd dat ze over bestaande personen en ervaringen schrijft omdat ze geen fantasie heeft, maar natuurlijk is er ook in haar werk van alles aan te wijzen dat aan de verbeelding is ontsproten. Fantasie hoef je ook niet te ‘hebben’. In mijn ervaring is vaak het een gevolg van inleving. Wanneer je diep in het verhaal en de personages zit, dient de noodzakelijke fantasie zich vanzelf aan.

Inspiratie vind je ook bij de collega’s. Cormac McCarthy: ‘The ugly fact is books are made out of books, the novel depends for its life on the novels that have been written.’ Zo is het maar net. En je hoeft er Nietzsche niet eens voor te lezen, een kijkje op een citatenwebsite is genoeg. Ik herken een mooie zin wanneer ik hem zie. En dan jat ik hem. Niet ongewijzigd natuurlijk, maar zo’n zin kan me inspireren tot een zin met hetzelfde ritme of dezelfde sfeer, of met dezelfde betekenis, en soms gelardeerd met woorden uit het origineel. En het aardige is, wanneer je aan een verhaal schrijft, kom je allemaal mooie zinnen tegen die erin passen. En nog aardiger: een mooie zin kan je verhaal een nieuwe richting geven. Dus McCarthy’s ugly fact heeft ook een keerzijde.

Uit een nieuwe omgeving. Mijn hoofdsponsor Het Nederlands Letterenfonds verstrekt reisbeurzen. Misschien moest ik ook maar eens zo’n subsidie aanvragen, en mijn schrijfhorizon gaan verbreden in een ver & vreemd land om van het etiket ‘Vietnamschrijver’ af te komen. Wat voor weer is het nu bij jullie?

Schrijvers zijn naar de wonderlijkste uithoeken van de aarde getrokken om inspiratie op te doen, niet zelden met gevaar voor eigen lijf en leden.
In 1890 ondernam de 30-jarige Anton Tsjechov, die sinds kort wist dat hij aan tuberculose leed, de ijzingwekkende, elf weken durende reis vanuit Moskou, dwars door Siberië, naar de strafkolonie op het eiland Sachalin in de Zee van Ochotsk. De bestemming was erger dan de reis.
Vanaf de nauwe zeestraat die Sachalin scheidt van Japan, strekt het eiland zich bijna 1.000 km naar het noorden uit, een lange, smalle reep langs de oostkust van Siberië. Van Sachalin wordt wel gezegd dat het geen klimaat heeft, alleen slecht weer. Als het er niet sneeuwt, regent het. De gemiddelde wintertemperatuur in het noorden is – 24 °C, en zelfs hoogzomer is er drijfijs te zien in de rauwe, subarctische Zee van Ochotsk.
Ten tijde van Tsjechovs bezoek leefden er zo’n 10.000 veroordeelden en bannelingen, naast de inheemse Aino, Oroken en Nivchen en de bruine Sachalin beren.
Om toestemming voor een bezoek te krijgen, moest Tsjechov een list verzinnen. De officiële reden voor zijn expeditie was het uitvoeren van een volkstelling ten behoeve van een proefschrift waarmee hij zijn medische studie aan de Universiteit van Moskou wilde afronden. Een taak waarvan hij zich met grote toewijding kweet. In zijn eigen woorden: ‘Ik bezocht elke nederzetting en ging elke hut binnen. Ik weet niet wat er van zal komen, maar ik heb veel gedaan. Genoeg voor drie proefschriften. Ik stond elke ochtend om vijf uur op en ging laat in de nacht naar bed, en de hele dag werd ik gedreven door de gedachte dat ik niet genoeg deed. . .’
Terug in Moskou, begon hij te werken aan Sachalin Eiland, een verslag dat in 1895 in boekvorm werd gepubliceerd, en dat door The New Yorker 120 jaar later werd uitgeroepen tot het beste journalistieke werk van de negentiende eeuw. Een academische titel kreeg hij er niet voor. De examinatoren konden weinig waardering opbrengen voor de vele literaire details. Wel beïnvloedde Sachalin Eiland de publieke opinie en resulteerde tijdelijk in een verbetering van de levensomstandigheden in de strafkoloniën. Tot Stalins goelags Sachalin op een soort Priory deden lijken (ik heb het nog niet gehad over de ruime eenpersoonskamers, de gratis koffieautomaten op praktisch elke hoek van het gangenstelsel, de yogaklassen en de bloesemtherapie). Het blijvend resultaat van Tsjechovs studiereis is de invloed die het had op zijn latere werk.

Speelde voor Tsjechov zijn sociale bewogenheid zeker een even grote rol als een zucht naar nieuwe ervaringen, voor Isaak Babel ging het vooral om het verbreden van zijn literaire horizon, toen hij in 1920, op aanraden van zijn vriend en mentor Maxim Gorki, als oorlogsverslaggever met het Rode Leger onder generaal Budyonny naar Polen trok.
Naast het schrijven van artikelen voor het persbureau Rosta, was het Babels taak de ongeletterde Kozakken te leren lezen, rekruten politiek te indoctrineren en gevangenen te ondervragen. Hij liet zijn nieuwe bruid achter in Odessa en moest leren paardrijden, een kunst die hij nooit fatsoenlijk onder de knie zou krijgen.  
Zover bekend zijn er slechts vier van zijn artikelen over de Sovjet-Poolse oorlog verschenen, onder het pseudoniem K. Lyutov. Terug in Odessa, overdekt met luizen en lijdend aan astma, begon hij de vierendertig verhalen te schrijven die in 1926 gepubliceerd zouden worden als De Rode Ruiterij. In de editie van 1932 voegde hij er nog één aan toe.
De gruwelen van de oorlog beschrijven is één ding, de gruwelen van de oorlog prachtig mooi beschrijven een ander. De Amerikaanse literatuurcriticus Lionel Trilling omschreef Babels stijl als: ‘Lyrisch plezier te midden van geweld.’
Wat een verhalen!
‘Ik had dromen, ik droomde van vrouwen, en alleen mijn hart, karmozijnrood van moord, krijste en bloedde,’ staat er te lezen in Mijn eerste gans. Ondanks zijn naam (Lyutov betekent ‘woest’) kan hij geen Kozak onder de Kozakken zijn. Hij blijft Isaak Babel, de gebrilde joodse pennenlikker, die de schoonheid van de wereld – ja, ook te midden van de gruwelijkste oorlogswaanzin – vangt in de schoonheid van de zin.

Ach, we zijn allemaal bannelingen in de Zee van Ochotsk, maar terwijl de korte zomer onherroepelijk ten einde spoedt en het drijfijs ons insluit, valt er van alles te beleven. Als je er nog bent: bedankt voor je volharding en tot het volgende literair avontuur.

 

Babylon revisited, Rob Verschuren

Ei, ei, welk een beuzelpraat. Ik begin te geloven dat ge toch een student zijt.
Professor Sickbock

IK?
was mijn eerste gedachte toen de redactie mij vroeg het stokje over te nemen van Heidi Koren en een half jaar lang maandelijks een stukje te schrijven voor de Extazeblog. Hoezo ik?

Ik weet weinig over literatuur en al helemaal niets over Nederlandse en Belgische literatuur. Te lang weg uit het Moederland, teveel heisa om aan die boeken te komen. En ik heb Elsschot en Slauerhoff in Epub formaat op mijn laptop, dus waar zou ik me druk om maken? Maar het mocht ook over andere dingen gaan. ‘Over stijl, over taal, over ideeën’. Genereus van de redactie. Laten we het dan maar over taal hebben, daar denk ik wel eens over na.

Door mijn zwerversbestaan met alle linguïstische grensoverschrijdingen is taal een belangrijk thema in mijn leven geworden, en daarmee in mijn verhalen. Vooral het hebben of ontberen van een gemeenschappelijke taal. Het is een laag in mijn roman Tyfoon en sluipt ook binnen in de roman waar ik nu aan ploeter. Wanneer ik mijn aantekeningen voor dit project doorloop, kom ik allerlei notities en citaten tegen die te maken hebben met taal.

“Use language what you will, you can never say anything but what you are.” Die is van Ralph Waldo Emerson.

De Ayapaneco taal wordt al eeuwen gesproken in het land dat tegenwoordig bekend staat als Mexico. Maar nu loopt Ayapaneco het gevaar uit te sterven.
Er zijn nog maar twee mensen over die het vloeiend kunnen spreken, maar ze weigeren met elkaar te praten.

“… the mixture of idiocy and cultural arrogance which leads some turn-of-the-millennium Englishmen abroad to believe that, if spoken very slowly, English functions as a form of intuitive Esperanto – miraculously comprehensible to all from Novosibirsk to Timbuktu.”

De Australische aboriginals die zichzelf ‘li-antha wirriyara’ of ‘mensen van het zoute water’ noemen, spreken Yanyuwa, een nogal ongebruikelijke taal, omdat mannen en vrouwen verschillende dialecten gebruiken.

Er staan tientallen van dit soort taal snippets in mijn 77 pagina’s aantekeningen voor Het Witte Land, en sommige daarvan zullen in een of andere vorm in het verhaal terechtkomen.

Dit brengt ons naadloos op een andere invalshoek: taal in de literatuur. Wat is de functie van taal in literaire geschriften? Is dat vooral iets overbrengen? Of gaat het er meer om HOE je het zegt? Ik neig naar de laatste opvatting. En wat is het belangrijkst? Begrijpelijkheid? Dacht het niet. Dan kunnen een hoop poëziebundels ongelezen de versnipperaar in.
Wat dan? Authenticiteit, ritme, meeslependheid? Ik denk het wel, maar ik ben niet schoolgegaan.

Laten we dus voor de veiligheid weer even teruggrijpen naar het begrip ‘gemeenschappelijke taal’. Daar ben ik ervaringsdeskundige in. Bestaat er wel zoiets als een gemeenschappelijke taal? Wat heeft een tweet van Donald Trump in godallejezusnaam gemeen met een songtekst van Leonard Cohen? Een aforisme van Nietzsche met een handleiding bij een Bosch schroefboormachine?

En wat zegt een gemeenschappelijke taal over de mensen die hem spreken? Is het een verbindende factor, een mogelijkheid om iets over de volksaard te weten te komen? Dan ben ik benieuwd naar een proefschrift dat zich bezig houdt met de vraag waarom Duitsers zich voor hun scheldwoorden bij voorkeur inspireren op uitscheidingsorganen (Arsloch), terwijl Amerikanen voor seksuele connotaties gaan (Motherfucker).

En is het ontbreken van een gemeenschappelijke taal dan werkelijk zo’n hindernis? Ik woon al bijna 10 jaar in een land waarvan ik de taal uiterst gebrekkig spreek. Dat is luiheid en gemakzucht van mijn kant, maar ook te wijten aan een speciaal aspect van het Vietnamees: de tonaliteit. De toonhoogte waarop je een klank uitspreekt (hoog, laag, dalend, stijgend) geeft het woord zijn betekenis. Dat kan aardig ingewikkeld worden. Een voorbeeld: het woordje ma heeft, afhankelijk van het accentteken boven of onder de a, de betekenis van moeder, geest, maar, verguldsel of jong rijstplantje, terwijl ca staat voor vis, lied, tomaat en nog een paar dingen.

Ik zal dit nooit leren, maar vind ik het erg? Uitspraak, grammatica en vocabularium verliezen hun belang door nabijheid. Tussen mijn vrouw Lan – die alleen Vietnamees spreekt – en mij is een soort mengtaal gegroeid, die voor anderen ondoorgrondelijk is, maar waarin wij elkaar volledig begrijpen. Ze kan even bekwaam vitten als jouw vrouw, en mijn binnensmonds gemopper is even irritant als dat van jouw man. En we lachen om dezelfde dingen. Humor en een gezonde dosis zelfspot zijn sowieso onmisbare attributen voor een leven in den vreemde, geloof me. Nee, we kunnen niet discussiëren over literatuur, Lan en ik, maar wanneer me daartoe de behoefte bespringt, heb ik daar andere contacten voor.

Taal is een stempel. Of je Osho nu een Verlichte Meester of een sexgoeroe noemt, je drukt een stempel op de man en op jezelf. Pas maar op. Straks stoppen ze zo’n uitspraak in de computer en dan rolt er een big data bulk aan psychodemografische gegevens over jou uit. Dan kom je op allerlei lijsten met verdachte profielen. Persoonlijk ben ik overigens van mening dat beide kwalificaties elkaar allerminst uitsluiten, maar dit terzijde.

En dan heb je nog taal als een economische asset. Dat leeft hier heel sterk. Beheersing van het Engels is een manier om vooruit te komen in de wereld, en ik schat dat er in mijn woonplaats Nha Trang minstens 50 taleninstituten zijn. Op een paar daarvan heb ik les gegeven. Met gemengde gevoelens. Ik hield van die prachtige, enthousiaste kids – meest universiteitsstudenten – maar mijn voornemen om ze vrijuit te laten praten, met een uitspraak die min of meer voor Engels door kon gaan en zonder midden in een zin terug te deinzen voor een afgrond van uitspraak of grammatica, viel niet goed bij de leiding. Ik heb mijn eenmansrevolutie op moeten geven, als gevolg waarvan hier nu allerlei jonge mensen rondlopen die de godganse dag grammaticaal correcte, volkomen onverstaanbare boekenzinnen spuien.

Zelfs ons kleindochtertje krijgt Engelse les bij de nonnen op de kleuterschool. Ze heet Thao Nguyen, maar haar koosnaampje is Ca Rot (een Frans leenwoord). Ze was traag met praten. Geluid had ze genoeg in zich. De eerste volledige zin die ik haar heb horen uitspreken was: ‘Mama, geef me de borst,’ dit op een leeftijd van drie jaar en twee maanden. Maar daarna ging het snel. Nu zijn we een half jaar verder en ze verbaast me elke dag met nieuwe taalvaardigheden. Ondertussen is haar Engelse woordenschat al jaren het uitgebreidst van de familie. Niet mijn invloed, die van YouTube. Nu Engels een lesvak voor haar is, zal ze, vrees ik, binnenkort het prachtige, in potentie wereldreddende idee loslaten dat er maar één taal bestaat.

Dit is een nogal meanderend betoog geworden, zonder premisse, opbouw of conclusie. Maar houdt Tsjechov ons niet voor dat het geenszins de taak van de schrijver is om antwoorden te geven, maar om de juiste vragen te stellen? Vragen over taal amuseren me en soms leveren ze inspiratie op voor mijn verhalen. Ça suffit largement.

Ca Rot springt op mijn bed, waar ik met de laptop op schoot zit te werken.
‘Opa?’
‘Wat schat?’
‘Johnny, Johnny.’
Ah, het is weer tijd voor een van onze rituelen.
‘Johnny, Johnny.’
‘Yes papa.’
‘Eating cookies?’
‘No papa.’
‘Telling lies?’
‘No papa.’
‘Open your mouth.’
‘Ha ha ha!’

 

BLOGSERIE HEIDI KOREN

Lees meer »

Schrijven, Heidi Koren

Ik werk aan de laatste fase van mijn roman. Dat zeg ik al een aantal maanden. Het manuscript is al drie keer van mij naar de redacteur gegaan en weer teruggekomen. Het komt iedere keer terug met een hoop gekriebel in de kantlijn. Er staat vaker: kan dit ook anders? Of; waarom doet ze dit? Dan bijvoorbeeld: Mooi! Of Prachtig!

Meestal krijg ik het binnen een week of twee terug van de redacteur. Nu duurde het vier weken. Hoewel ik me iedere dag opnieuw afvroeg wat daarvan de reden kon zijn (was het zó slecht dat hij er niet doorheen kwam?) waren het ook vier heerlijke weken waarin ik er niet aan kón werken. Ik hoefde me dus ook niet voortdurend af te vragen of ik er niet eigenlijk aan zou móeten werken, terwijl ik god-weet-wat-anders aan het doen was. Iets anders dat hoogstwaarschijnlijk minder prioriteit zou moeten hebben dan het afmaken van het boek. wat is wat ik graag wil. Sterker nog, er is niets op de wereld dat ik líever wil dan dat: het boek afmaken, en toch gaat intern in eerste instantie alles in mij in de totale-zucht-stand, zodra ik het manuscript inclusief commentaar zie verschijnen in mijn mail. Oooohh myyyy gooood, ik moet het boek afmaken.

Het duurt dit keer vier dagen voor ik weer in de schrijfmodus verkeer. In die vier dagen zit ik alleen in mijn boshut, de werkplek voor de komende drie maanden. Er is geen internet, geen verwarming, geen douche. Wel een radio, een krant, een stapel boeken en nu dus ook het on-affe-manuscript. Ik draai er dagen omheen. Zit in de bostuin. Kijk naar de lucht. Rook een sigaret. Na een dag begint het manuscript me zachtjes te roepen vanaf de keukentafel. Het wil worden opgepakt, uitgeprint, herlezen en herschreven, dat snap ik zelf ook wel, maar ik ben er nog niet klaar voor. Ik wandel eerst een rondje linksom door het bos en dan een rondje rechtsom, de hond is blij. Ik check mijn telefoon nog een keer. Waarom is mijn lief zo stil? Ik hang de hangmat op tussen twee bomen en ga erin liggen. Ik ga links en recht. Ik rook een sigaret. Het roepen vanaf de keukentafel wordt met de minuut luider. Ja ja ik kom er aan.

Een boek schrijven is eigenlijk helemaal niet leuk. Het is noodzakelijk kwaad. Er is een verhaal dat verteld moet worden. In mijn hoofd weet ik exact hoe het eruit moet zien, wie de personages zijn, hoe ze kijken, hoe ze ruiken, wat ze doen. Ik weet waar de tijd verandert en wat het perspectief is. Ik weet hoe het vordert, zich ontwikkelt en ontvouwt. Ik weet hoe het eindigt.

In het echt zijn het echter slechts een hoop woorden in een bestand. Woorden waarvan ik soms ineens de bedoeling niet meer begrijp. Zinnen die elkaar de ene dag logischerwijs lijken op te volgen maar de volgende totaal op de verkeerde plaats blijken te staan. Het is een wereld die zo ver afstaat van mijn eigen dat ik moeite moet doen er iedere keer opnieuw in te kruipen. Ik moet er letterlijk instappen en me laten meenemen, maar mijn eigen leven trekt me vaak bij de ellenbogen weer omhoog. Ik spartel voor ik me overgeef.

En dan, als het eindelijk zo ver is, dat de sigaret kan worden gedoofd, de telefoon uit kan en de deur dicht. Dat ik me bij mijn voeten het verhaal in laat zakken, is een boek schrijven het fijnste dat er is. Ik wil niet gestoord worden. Ik moet een boek schrijven.

 

The times they are a-changin’, Heidi Koren

Met flinke regelmaat voer ik mijn kinderen klassiekers. Dat begon met Jip en Janneke. Langzaam gingen we van Schmidt naar Lindgren en van Irving naar Burgess, Lynch, Tarentino, Coen, Salinger, Presley en whatever.

Vanavond keek ik met mijn dochter naar Grease.

Lang geleden mocht ik de film huren voor mijn veertiende verjaardag. Een stuk of wat meiden zaten in onze bruin behangen woonkamer. We hadden er chips en cola bij. Ik had erom gezeurd. Met appelsap en kaakjes was het echt minder leuk. Mijn moeder streek over haar biologisch dynamische hart. Het huren van de film kostte vijf gulden. Het was een korte huur, hij moest de volgende dag weer terug.

We bekeken hem aan één stuk. Niemand hoefde te plassen. Niemand hoefde eerder naar huis. Na afloop meden we mijn ouders. Mijn beste vriendin en ik trokken ons nog even terug op mijn meisjeskamer waar we spraken over wat we met onze vriendjes wilden doen, al gedaan hadden, nog zouden gaan doen en zeker nóóit zouden gaan doen! Ik kan me niet herinneren dat we iets aan te merken hadden op de film. Hij was gewoon fantastisch. We zongen de liedjes na, hopelessly devoted als we waren.

Mijn dochter van veertien valt nu, anno 2018, bij het zien van diezelfde film na nog geen tien minuten al bijna van de bank van verbazing en ergernis. Kan die idioot niet een beetje líef doen? vraagt ze zich af. Jeeeezus, wat is die Sandy een doos. Zoek een hobby! En bij het liedje Beauty School Dropout weet ze al helemaal niet meer wat ze hoort. Waarom zit ze die gast zo verliefd aan te kijken mam, verstaat ze wel wat hij zingt?

Ik zit stilletjes naast haar op de bank en graaf in mijn herinneringen of er in een gesprek tussen mij en mijn vriendinnen iets was gebleken van ontevredenheid over de ongelijkheid tussen jongens en meisjes in Grease, maar niks. In mijn beleving was het gewoon heel ok dat Danny zich zo achter zijn vrienden schaarde en vond ik het heel slim van die Sandy dat ze zich uiteindelijk zo wist te transformeren dat ze hem toch nog voor zich won. Zo ok vond ik dat alles, dat ik me niet eens herinnerde dat die dingen speelden. Nu zit ik met ongeloof naast mijn dochter te kijken. Mijn enthousiaste beweegredenen om de film samen te kijken galmen nog voortdurend na in de woonkamer. Ik schaam me een beetje. Ze heeft onlangs haar haar gemillimeterd, omdat ze dat leuk vond. Ze heeft een vriendje en is verliefd, maar zegt hem rustig wanneer hij naar huis moet gaan als ze er geen zin meer in heeft. Ze komt net terug van een week speelkamp waar ze een groep verstandelijk beperkten begeleidde. Ze is al vier jaar overtuigd vegetariër. Zaken waar ik allemaal pas ver na mijn twintigste over na begon te denken, als überhaupt. The times they are a changin’. Thank god they are! Lang leve de jeugd van tegenwoordig. De volgende keer kijken we gewoon weer Tarentino.


Pleidooi voor het korte verhaal, Heidi Koren

Wat ik haar nu écht zou willen aanraden, vroeg ze. Het was warm in de winkel en kwart voor zes. Ik was me al aan het voorbereiden op het sluiten van de zaak en verheugde me op de duik in de rivier die ik zou gaan nemen op mijn weg naar huis, toen de laatste klant binnenkwam. Ze had zichtbaar de tijd. Ik hoefde niet na te denken over haar vraag want was eerder die week naar huis gegaan met de nieuwe bundel van A.M. Homes in mijn rugzak. ’s Avonds in de tuin had ik hem opengeslagen, ondanks het feit dat ik al bezig was in twee romans, die met deze zet duidelijk het onderspit zouden gaan delven. Homes is scherp, geestig, origineel, alles wat je wilt zijn als schrijver. Geen zin is lelijk of zinloos of zoals je ze leest in de Viva, iets wat ik niet kon zeggen van een Boek van een maand van DWDD dat ik eerder na twee hoofdstukken al had weggelegd, maar goed.

Ik drukte ‘Dagen van inkeer’ van Homes in haar handen. Dit moet je lezen, zei ik.

De dame is belezen, slim, ze zal de humor en scherpte van Homes weten te waarderen, ik weet het zeker. Geïnteresseerd bekijkt ze de kaft. De uitgever heeft niet vermeld dat het een verhalenbundel betreft, wat ik kan begrijpen. Ze verkopen niet in Nederland, korte verhalen. Ik voel me toch verplicht het haar te zeggen, maar het is mijn strot nog niet uit of ze geeft me het boek terug. Nee geen verhalen, zegt ze.

Het pleidooi dat ik dan afsteek, steek ik minstens een maal per week tegen klanten in de boekhandel waar ik werk af, regelmatig met succes maar ik word er wel een beetje moe van. De meeste Nederlandse lezers beschouwen bundels (verhalen of gedichten) als niet voldoende waar voor hun geld. Daarom pleit ik er nu hier maar een keer voor, met de boodschap: lees dit allemaal, knoop het in je oren, probeer het uit en koop goddomme gewoon goede literatuur! Alles: proza, poëzie, essays. Stap eens uit je patroon. Een bundel korte verhalen is níet zonde van het geld en wel hierom:

Je leest de bundel als een boek, dat is het namelijk ook. Na ieder verhaal krijg je zelfs de gelegenheid even op adem te komen. In die tijd kun je gerust iets anders doen, zoals een glaasje wijn inschenken of een vakantie boeken. Dat is erg aardig van de schrijver

De schrijver verveelt je niet met zinloze opvulling van de bladzijden waarin hij eindeloos beschrijft hoe de blaadjes ritselen in het dicht begroeide bos waar tussen het sterretjesmos ook nog werkelijk zo nu en dan een lelie te vinden is waar je tussen zou kunnen knielen om je gewoon even prinses te voelen, iets waar iedereen wel eens behoefte aan heeft maar meestal niet toe komt. De schrijver van het korte verhaal vertelt je gewoon wat je moet weten. Geen woord te veel. Bijzonder knap.

Het korte verhaal is vaak zo goed gelaagd dat het de moeite van het hérlezen verdient. Een boek dat herlezen wordt is zeker zijn twee tientjes waard. Hoe vaak hérlees je nu eigenlijk een roman?

Een kort verhaal leent zich goed om voor te lezen. Hoe fijn is dat? Lees je lief eens voor voor het slapen gaan. De schrijver heeft er dus rekening mee gehouden dat je niet eerst helemaal hoeft uit te leggen waar het over gaat en de weken daarna je partner op de hoogte moet houden hoe het is gesteld met je personages wat uiteindelijk ongetwijfeld tot ruzie zal leiden (lees dat boek goddomme zelf!). Nee je leest gewoon een goed verhaal voor- welterusten lief doei.

Je kunt het ook influisteren/ inspreken/ of appen nou ja dat laatste niet vaak maar toch. In het geval van Lydia Davis behoort het tot de mogelijkheden.

A.M. Homes dus, die moet je hebben. Zo ook Lydia Davis, Lucia Berlin, Tobias Wolff. Maar ook dichter bij huis worden prachtige verhalen geschreven die veelal worden gepubliceerd in mooie literaire tijdschriften.

Het korte verhaal gaat me aan het hart. Niet in de laatste plaats omdat ik ze zelf schrijf, ook omdat het zo razend heerlijk is even een wereld ingedonderd te worden om er, een tikkeltje door elkaar geschud, weer uit te komen. Na tien minuten bekijk je alles toch weer een beetje anders. Een gemiddelde nieuwe roman kost in Nederland twee tientjes. Twee tientjes voor een goed verhaal is niks. Het verhaal gaat een leven lang mee. In een bundel staan er wel acht, soms wel twintig. Tel uit je winst. Lees dat genre, en betaal ervoor!

 

Vrouwen, Heidi Koren

Gelijkwaardigheid

Er is een nieuwe uitgeverij geboren, Chaos genaamd.

Chaos profileert zich als de enige feministische uitgeverij van Nederland en wordt geleid door drie dames. Hun eerste uitgave is een nieuwe vertaling van Virginia Woolf’s Een kamer voor jezelf. Prima keuze, lijkt me zo. Het boek wordt mooi ingeleid door een briefwisseling tussen Simone van Saarloos en Gloria Wekker. Ik zit ermee in mijn eigen gebouwde tuinkamertje, waar ik nu ook een lampje heb opgehangen zodat ik ’s avonds langer buiten kan lezen. Ik heb tegenwoordig meer dan één kamer voor mijzelf en heb daar bij tijd en wijle ambivalente gevoelens over, maar nooit over de tuinkamer. Die is van mij.

Er was een tijd dat ik met een heel gezin in één huis woonde. De man en ik waren beiden zelfstandig ondernemer, maar hij iets meer dan ik. Dat moet de reden zijn geweest dat, onbesproken, de enige vrije kamer in ons huis, zíjn werkkamer werd. Of het feit dat hij meer rommel om zich heen verzamelde dan ik, dat kan ook. Ik maakte er geen punt van, maar voegde me naar de omstandigheden, nam mijn laptop op schoot en zocht naar een vrije plek in huis om te kunnen werken. Totdat ik er ineens wél een punt van begon te maken, toen was de boot aan.

Op zeker moment ben ik begonnen mij af te vragen waarom hij de werkkamer had en ik de laptop op schoot. Waarom hij een nieuwe winterjas aanschafte als hij die nodig had en ik nog wel een jaartje langer kon met die van mij. Waarom hij.… De lijst bleek langer dan me lief was, en ineens zaten al die dingen me dwars. Het antwoord op de vragen was simpel. Hij handelde gewoon naar zijn behoeften terwijl ik vooral afstemde, aanpaste, aanvoelde en me voegde naar de mensen en de omstandigheden om me heen. Niet omdat ik mijzelf minder waard vond dan de rest van het gezin, niet omdat ik mijzelf niet serieus nam of mijn carrière van minder groot belang vond dan die van hem. Misschien wel omdat mij geleerd is rekening te houden met mijn medemens. De kans is aanwezig dat mij, als vrouw, geleerd is iets meer rekening te houden met mijn medemens, dan dat het mijn broers is geleerd. Aannemelijk is dat ik ben beïnvloed door de generaties vrouwen die mij voorgingen. Zeker is dat ik mij niet bewust ben geweest van het feit dat ik speelde ik een klein afgebakend veld van keuzeruimte, mij niet realiserend dat mijn werkelijke keuzevrijheid immens veel groter was dan dat waarvan ik gebruik maakte. Ik dacht volkomen vrij te kiezen, te beslissen, mij uit te spreken, maar realiseer mij nu pas dat ik begrensd ben zonder te weten waar de hekken staan.

We hadden de vraag welke plek zijn werkkamer zou gaan worden op honderd verschillende manieren kunnen benaderen. Te beginnen bij: wat hebben we allemaal nodig? Hoe kan een ruimte worden ingedeeld? Waaraan hebben we individueel behoefte? Het zou hebben geleid tot een andere inrichting van het huis dan gebeurd was na het stellen van de vraag: welke kamer wordt zijn werkkamer? Maar zelden nog geven we onszelf de ruimte om de situatie weer op nul te zetten bij het nemen van een beslissing. We borduren voort op het voorgaande. En als het grootste probleem in het vorige huis is geweest dat de man geen werkkamer had, zal het eerste dat wordt ingericht in het nieuwe huis een werkkamer voor de man worden. Is de vrouw het daarmee eens? Ja hoor. Wordt er nu voorbij gegaan aan andere behoeften? Jazeker en we zullen ze op deze manier niet eens ontdekken, want ze worden niet onderzocht.

Ik snap ineens waar de dames hun naam vandaan hebben. Soms is er chaos nodig om het tij te doen keren. Dat begreep Virginia  Woolf al toen ze nog rond draalde in de tuinen van Oxbridge. Ze wil de bibliotheek in maar wordt bij de deur tegengehouden door een ‘kleinerende, zilvergrijze, beminnelijke heer, die aangeeft dat dames alleen in gezelschap van een universiteitsdocent de bibliotheek mogen betreden’. Het is honderd jaar geleden. Het zou niet hebben uitgemaakt als Virginia was gaan stampvoeten of de man op zijn snuit had getimmerd. Ze zou de strijd hoe dan ook hebben verloren, maar ze heeft evengoed haar best gedaan.

De afgelopen week maakte het CPNB bekend dat het Boekenweekgeschenk zal worden geschreven door Jan Siebeling en het Essay door Murat Isik. Twee mannen gaan schrijven over het thema ‘de moeder, de vrouw’. Een slordige telling leert me dat sinds de komst van het Boekenweekgeschenk achttien vrouwen het cadeauboek van de CPNB hebben mogen schrijven tegenover zevenenzestig mannen. Voor het schrijven van het essay werden zes vrouwen uitgekozen tegenover vierentwintig mannen. Het is zowel een hooghartig als kortzichtige beslissing. Bij het nemen van deze beslissing is namelijk niets anders gedaan dan voortborduren op waar we al waren. Niemand is op het idee gekomen de lijn weer op nul te leggen, eens om zich heen te kijken, de wereld met frisse blik te aanschouwen en zich vers af te vragen: goh, het thema ‘de moeder, de vrouw’, wie zal dát boek nou eens moeten gaan schrijven?

 

Lief, Heidi Koren

De minnaar en ik spelen een potje Wordfeud. Ik vanaf mijn tuinbank, blote voeten op het krukje, glas witte wijn binnen handbereik. Het is eind april en al langer licht, zodat ik na mijn werk op deze plek nog net even het laatste stukje zon kan meepikken. Hoe de minnaar er 85 kilometer Noordwaarts bij zit, weet ik niet. Als ik het hem vraag, zegt hij ongetwijfeld; met mijn blote kont op de bank. Dat zegt hij altijd.

Als één van ons de moeite zou nemen naar de ander toe te rijden, zouden we écht kunnen scrabbelen. Het bord tussen ons in, mijn voeten op zijn benen. Ondertussen zouden we de dag doornemen, wat hij gedaan heeft, wat ik gedaan heb bla bla bla. We zouden voor het slapen gaan de hond nog even uitlaten, hand in hand misschien, thuiskomen en twee bekers thee mee naar boven nemen, ons uitkleden in de slaapkamer en naakt onder het dekbed kruipen. We zouden lieve woorden fluisteren in het pikdonker. Woorden die klinken als zacht, of fijn en jij. Korte woordjes. Wie weet wat daar allemaal weer uit voort zal komen?

In plaats daarvan, schuif ik het woord klootzak het digitale spelbord op. Ik pak daarmee zowel de twee-keer- als ook de drie-keer-woordwaarde en win er bijna zeker het potje mee. Ik stuur er meteen een berichtje achteraan; het is niet persoonlijk, maar het blijft stil.

Een bruine merel op mijn schutting fluit uitgebreid naar een zwarte merel op mijn schuurdak. Een lange zin is het. Het klinkt als; goddomme waar heb jij de hele dag uitgehangen? Hij begrijpt de boodschap en windt er geen doekjes om, vliegt op en landt naast haar. Nadat ze wat korte kwetteringen uitwisselen, vliegen ze op en verdwijnen achter de hoge conifeer van de buren.

De minnaar moet zeker tien minuten bijkomen van mijn honderzeventien punten. In de tussentijd nestelt dat woord klootzak zich in mijn hoofd. Ik vind de minnaar zeker geen klootzak, nog voor geen honderdzeventien punten. Ik vraag me af of ik geen ander woord van die letters had kunnen maken. Dan legt hij lief, voor vijf punten en dat is genoeg om mij op te doen springen. Ik zit binnen twee minuten in de auto en rijd Noordwaarts. Ik heb een uur de tijd om heel veel lieve woorden te bedenken.

 

‘Literatuur als avontuur’
Zo hebben wij de blog genoemd die maandelijks op onze website zal verschijnen. De door ons uitgekozen blogschrijvers zullen zes maanden lang hun ervaringen met de literatuur in Nederland en België onder woorden brengen. Het kan gaan over hun eigen schrijverschap, over boeken die iets bij hen teweeg hebben gebracht, over personen en gebeurtenissen in boekenland, over ontwikkelingen binnen de literatuur die ze hebben waargenomen, over stijl, over taal, over ideeën. Maar laten we het vooral aan de schrijvers zelf overlaten waarover hun blogs zullen gaan. Een avontuur moet het ook voor ons lezers blijven.
   De eerste in de reeks is Heidi Koren. Zij debuteerde in 2015 met de bundel Gedachten over een mogelijk einde bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Ze doceert creatief schrijven aan jong en oud, werkt in een boekhandel en schrijft momenteel haar afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam.
   Rob Verschuren is de tweede in deze reeks. Hij is auteur en copywriter en publiceert regelmatig in literaire tijdschriften, waaronder Extaze. In 2016 verscheen zijn verhalenbundel Stromen die de zee niet vinden, als derde uitgave in de Extaze-reeks bij uitgeverij in de Knipscheer. Zijn romandebuut Tyfoon verscheen in 2018 (uitgeverij In de Knipscheer).
   De derde blogserie is van Chrétien Breukers. Hij is schrijver en woont en werkt in Praag. Komende publicaties: Het wonderjaar (een memoir) en En in de nacht een riem (roman).

 

 

Gepost in Extazeblog: Literatuur als avontuur, Home | Getagged , , , , , , , , , , | 1 Reactie

De spuigaten uit, Nieuws en achtergrond, door Mischa van den Brandhof

Beroepsvereniging MARAN, voor beloega’s werkzaam bij de marine, herkent zich niet in de karakterisering die vorige week in de media werd geschetst als zouden witte dolfijnen niet professioneel zijn.

Dat meldt de beroepsvereniging donderdag in een persbericht.

In de media verscheen vorige week het bericht dat de witte dolfijn die voor de Noorse kust is gespot mogelijk een spion is. De Russen zouden een militair trainingsprogramma hebben voor zeezoogdieren als beloega’s, zeehonden en tuimelaars. Diverse kranten verwezen daarbij naar het onderzoek van het Murmansk Marine Biological Institute, waarin geconcludeerd werd dat beloega’s de ‘hoge professionaliteit’ van zeehonden missen: ze zouden te gevoelig zijn voor kou en slecht mondelinge bevelen kunnen onthouden.
Delphina Sashenka, voorzitter van MARAN, herkent zich niet in dit beeld: ‘Wij zijn verbaasd en teleurgesteld door deze berichtgeving.’
    Sashenka gaf aan dat de onderzoekers ten onrechte de indruk wekken dat het aan de beloega’s ligt, terwijl de Russen ook de hand in eigen boezem moeten steken. ‘MARAN pleit al jaren voor een verbetering van de arbeidsomstandigheden. Wij menen dat goed werkgeverschap een fatsoenlijke beloning inhoudt en niet alleen onderdak en zo nu en dan een extra visje of een zeeworm. Daar hoort in onze optiek bijvoorbeeld ook een pensioen bij. Anders is het liefdewerk oud papier.’
    Youri Yaroslav Belaya van de oorlogsdolfijnenbrigade verklaarde tegenover Omroep Noordwest dat hij het gevoel heeft dat de beloega wordt weggezet als een tere zeekanarie.
    Hij lichtte toe: ‘Je moet je voorstellen dat het niet altijd duidelijk is wat Majoor Hobbelduif nou precies naar je staat te schreeuwen vanaf de kant. In het water is dat gewoon heel moeilijk. En ik moet erbij zeggen dat de vertalers ook echt belabberd zijn. Dan is het toch logisch dat het niet altijd lekker loopt in de chain of command. En soms krijg je gewoon een opdracht waar je echt niks mee kunt. Ik heb een keertje meegemaakt dat ik oude munitie moest opduiken van de oceaanbodem, maar ja, dan kom je daar en dan blijkt een zeegarnaal het gebruikt te hebben om een stukje ingevallen koraal mee te stutten. Ja, wat ga je dan doen hè? Dat is niet moreel. En soms moet ik bijvoorbeeld gereedschap voor diepzeeduikers dragen. Maar hoezó, denk ik dan? Je hebt zelf toch ook armen? Neem die hamer lekker zelf mee. Als ze dat onprofessioneel willen noemen, tja… Kijk, dat je een doejong (red.: zeekoe) niet professioneel noemt, daar kan ik nog wel bij komen. Ik bedoel, die doen echt niks de hele dag behalve een beetje ronddrijven onder het wateroppervlak. Maar wat wij doen, als beveiligers van een marinebasis, dat’s geen kattepis. Je moet altijd paraat zijn voor de vijand, en als het nodig is moet je ze, boem, in één klap doodslaan. En heb je enig idee hoe koud dat poolwater is? Je hoort mij niet zeggen dat niemand daar nooit eens over geklaagd heeft, de hele dag in ijskoud water op honderden meters diep, brrr… En wat krijg je voor al dat gesnorkel? Soms niet meer dan een halve vissekop.’

Volgens Belaya breekt maar langzaam het besef door dat witte walvissen geen flierefluiters zijn, maar een vlijmscherpe blik hebben en een uitstekend geheugen. ‘Veel mensen denken dat beloega’s een soort schattige dolfijntjes zijn. En dat klopt niet.’

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Vijf ventieltjes, door Ruud Minnee

DA’S PAS KRAS

Een paar honderd meter van de bus vonden ze de macabere resten van het reisgezelschap: schedels, botten, een aantal kunstgebitten en een paar heupprotheses. De deelnemers aan de seniorenreis van KRAS, de ‘Bonusai Bush Tour’, werden overrompeld door de laatste nog praktiserende kannibalenstam, de Hakabouri. Een slachtpartij was het gevolg. De twee hartsvriendinnen uit Boskoop, die als enigen de nachtmerrie hebben overleefd, zijn zwaar getraumatiseerd. Niet eens door de verschrikkingen die ze hebben meegemaakt maar meer door het feit dat de Hakabouri de twee vriendinnen zo onsmakelijk vonden dat ze van het menu werden geschrapt

 

VRIENDIN

De licht dementerende mevrouw Van Beveren was maar wat blij met haar vriendin. Ze praatte met haar over koetjes en kalfjes en samen keken ze naar omroep Max. Op een zonnige middag trakteerde mevrouw Van Beveren  zichzelf en haar vriendin op een advocaatje. ‘Lekker hè?’ kraaide ze het uit. Maar in plaats van een instemmende reactie kwam er rook uit haar vriendin. Vol ontzetting greep mevrouw Van Beveren haar vast, maar werd hierbij getroffen door een enorme schok. Een kortsluiting had haar pacemaker volledig ontregeld. En zo werden ze gevonden, naast elkaar liggend op de grond. Een zorgrobot kan slecht tegen advocaat…

 

TEGENVALLER

Ben nu een week of zes dood, maar het valt bitter tegen, had er meer van verwacht: iets lichter dan licht, zachter dan zacht, schoner dan schoon. Dacht mijn geliefden weer te zien, excuses aan te bieden en te krijgen. Voorbijgelopen geluk aan te spreken en gepasseerde wegen in te slaan. Maar ik zit hier alleen in een huisje, tussen talloze andere huisjes. Het enige vermaak komt van een animatieteam, gevuld met B-artiesten die door moord, vliegtuigcrash of overdosis tot dit bizarre oord zijn veroordeeld. Het is eigenlijk niets meer dan een bungalowpark. Met een subtropisch zwemparadijs, dat dan weer wel.

 

BBE

Johan had de leeftijd bereikt waarop testosteron de lichaamssappen doorgaans begint om te zetten in lava. Er ging geen dag voorbij of zijn puberbrein was goeddeels gevuld met het voluptueuze figuur van de buurvrouw. Toen deze haar adembenemende lichaam letterlijk wilde blootstellen aan het zonlicht, klom Johan op de schutting, maar voor hij zijn ogen de kost kon geven waar ze zo naar verlangden, gleed hij uit en stortte met een ijle, nog baardloze kreet ter aarde. De buurvrouw kreeg de schrik van haar leven. Johan een bijna-blootervaring.

 

GFT

De bel! Mijn god, alles is verloren, denkt Gerard… Hevig transpirerend opent hij de deur. In de opening staren twee agenten hem fronsend aan. ‘Goedemorgen,’ zegt een van hen. ‘Wij hebben dit gevonden in uw afvalcontainer,’ en uit een vuilniszak trekt hij een stuk been waar nog een naaldhak aan bungelt. Gerard zinkt snikkend op de grond. ‘Ik beken, ik …ik…’ Hij voelt een hevige druk op zijn borst. ‘Wilt u dit organische materiaal voortaan in uw GFT bak doen,’ zegt de agent. ‘Prettige dag nog,’ zegt zijn collega. Gerard voelt zijn hart onregelmatig bonken, dan stopt het.

 

 

Gepost in Columns, Proza | Getagged | Plaats een reactie

«Een aanrader, deze bundel.» – Hans Puper (Meander Magazine) over de poëziebundel 10 voor 10

Recensie over ‘10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien’,
Cor Gout (samenstelling) op Meander Magazine, 22 mei 2019, lees meer.

‘1 0  V O O R  1 0’  B E S T E L L E N

cover 10 voor 10

Gepost in Home, Poëzie, Poëziebundel '10 voor 10' | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 30,
de nabeelden

Donderdagavond 16 mei werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een avond rondom het thema ‘Dagboek’, belicht vanuit verschillende disciplines. Neem ook eens een kijkje op de website van het Nederlands Dagboekarchief, opgericht door Mirjam Nieboer en Monica Soeting.
Hieronder de ‘nabeelden’ van fotograaf Eric de Vries en de mooie film over de dagboek-cahiers van Arpaïs du Bois, de beeldend kunstenaar van Extaze nr. 30.

Arpaïs Du Bois, dagboek-cahiers from Literair tijdschrift Extaze on Vimeo.
Film gemaakt voor Literair tijdschrift Extaze nr. 30: Dagboek

De nabeelden van fotograaf Eric de Vries:

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensies: Jonas Bruyneel, Vijd. Het verdriet van het Lam Gods; Mischa Andriessen, Winterlaken

Twee nieuwe recensies in de Extaze-rubriek Nieuwe recensies

Vijd-voorplatJonas Bruyneel, Vijd. Het verdriet van het Lam Gods, Tielt, 2019 (Lannoo) – Cor Gout

 

 

 

 

 

 

Winterlaken-voorplatMischa Andriessen, Winterlaken, Amsterdam 2019 (De Bezige Bij) – Felix Monter

 

 

 

 

 

 

Recensies

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

De Theorie van Achronie, Emanuel Claessens

Op een ochtend in de lente werd ik wakker van het gedreun van zware machines. De potten en pannen in mijn keuken rammelden en de fotolijstjes vielen van het dressoir. Toen ik de gordijnen openschoof zag ik dat werklieden bezig waren om, precies tussen mijn huis en de bosrand, een enorme studentenflat te bouwen. Elke dag zag ik die galerijflat hoger en hoger worden en geleidelijk begon mijn prachtige uitzicht op het bos te verdwijnen, tot het in de herfst plaats zou maken voor een grijze muur met ramen.
    Al vrij snel na de oplevering merkte ik dat de flat uitsluitend was bestemd voor bewoning door vrouwelijke studenten. Overdag spiegelde de zon in het glas, maar ´s avonds kwam de flat tot leven: dan knipten de studentes een voor een hun lichtjes aan. Tot mijn genoegen zag ik dat de meeste meisjes een druk en woelig leven leidden en al snel merkte ik dat de schoonheid in de flat mij meer was gaan bekoren dan het bos ooit had gedaan.
    Zo maakte op een dinsdagavond een van de meisjes haar knotje los en liet een wervelende bos donkerrode lokken op haar schouders vallen. Ze schudde het lange haar achterover en begon het aandachtig te borstelen. Met delicate strelingen betoverde ze zichzelf als een prinses voor een magische spiegel. Toen ze klaar was met borstelen leek ze langzaam uit een roes te ontwaken. Ze keek even in mijn richting en trok toen nijdig de gordijnen dicht.
    Ik liet mijn verrekijker zakken en legde hem naast een halfleeg doosje tissues op het bijzettafeltje. Ik zat in een gemakkelijke stoel aan het raam, half verscholen achter een paar flinke kamerplanten. Naast mij, op het tafeltje, lag een schrijfblok, waarop ik in een schema de bijzonderheden van de meisjes noteerde en dan vooral de momenten waarop ze hun haren borstelden. Om ze uit elkaar te houden had ik elk van hen een eigen naam gegeven. Ik was begonnen met de A van Alice en aangezien ik na Roodkapje nu bij de S was aangekomen en het roodharige meisje voor een spiegel stond, noteerde ik: Sneeuwwitje.
    Ik keek op van mijn aantekeningen. Een blauw zwaailicht scheen op de galerijen en er liep politie in de bosjes onderaan de flat. Op de balkons stonden plukjes studentes, ze keken allemaal omlaag. Ik dacht direct aan het ergste: Was het moord of was het zelfmoord? Was het soms een ongeluk? Was ze geduwd, gesprongen of gevallen?

De onrust buiten verstoorde mijn observatie van de meisjes. Of anders gezegd: ik werd er boos en zenuwachtig van. Tegen dat ellendige gevoel hielp altijd maar één ding: het hoofd leegmaken door middel van frisse buitenlucht en sport. De avond was dan wel gevallen, maar de duisternis had mij er nooit van weerhouden een eind te gaan joggen. Ik trok daarom mijn hardloopschoenen aan en draafde naar het bos.
    Achter de flat was ik nog niet geweest en tot mijn verbazing merkte ik dat de werklieden niet alleen maar aan dat gebouw hadden gewerkt. Ze bleken tevens in het bos allerlei paden, routes en bewegwijzering veranderd te hebben zodat ik al snel de weg kwijtraakte.
    Bij een scheefgezakte paddenstoel volgde ik op goed geluk de pijl naar een pannenkoekenhuis en kwam zo op een slingerend ruiterspoor dat door een veld met hoge varens liep. Tussen de bomen schemerde het donkergroene water van een plas en vanuit een boomtop klonk het gekrijs van een verwilderde parkiet. Een wit konijntje schoot de dichte begroeiing in maar verder kon ik weinig zien. Het was alsof het bos voortdurend van vorm en vegetatie veranderde en opzettelijk dingen voor me verborgen hield. Dat kon van alles zijn: een zevenslaper in een holle boom, een kudde schapen zonder herder of desnoods een verloren trouwring in een haastig gedolven meisjesgraf.
    De echo van mijn stappen klonk als een gedempt geroffel toen bij mijn gedachte aan een meisjesgraf een donkere gestalte uit een schaduw stapte en me zo de pas afsneed.

‘Draaf jij altijd zonder paard op het ruiterpad?’ Haar stem was prettig, licht bekakt en helder. De vraag zat listig in elkaar: hij was een beschuldiging en veroordeling ineen. Wat zij zei kon ik niet betwisten: zonder paard zou natuurlijk iedereen die in een bos hardliep voor een jogger gehouden worden.
    Ik verbaasde mij erover dat zij zo laat op de avond nog in het bos rondreed op een paard. Zij zat hoog op een donkere hengst en had een zwarte cap op het hoofd. Een dikke lichtblonde vlecht rustte op haar rug en schitterde in het licht van de maan. Haar zwarte laarzen glansden van het vet, de stalen sporen waren glimmend gepoetst. Het paard schudde zijn hoofd en rolde met zijn ogen, ik zag de dooraderde witte oogbol van het beest.
    Toen vroeg ze me of ik toevallig nog een kudde schapen had gezien. Ze keek mij aan met felblauwe ogen die vroegen om opheldering, net zolang tot ik mijn vermogen tot logisch denken met een lichte tinteling aan de slapen voelde wegvloeien.
    ‘Ja,’ loog ik. ‘Ik heb de schapen gezien. Gisteren, vlak nadat de zon achter de galerijflat was gezakt, zag ik zomaar ineens hun witte wollen vachtjes. Het was prachtig.’
    ‘Mmm, zomaar ineens? En de geur van schapenmest dan? Die ruik je lang voordat je de kudde ziet. Je antwoord is niet erg gestructureerd. Ik betwijfel daarom of het allemaal wel waar is wat je zegt.’
    ‘Er was geen herder bij,’ hield ik vol. ‘De hond was alleen.’
    ‘Klopt!’ zei ze. ‘Het kost de gemeente geld om een herder bij de kudde te plaatsen. Dus laat ze werklozen op de schapen passen, maar die mensen kunnen niks. Zó sad wanneer het vermogen om te lummelen je belangrijkste feature is. Daarom loopt er nu alleen een bordercollie.’ Ze glimlachte. ‘Die hond maakt je verhaal wel weer geloofwaardig. Leuk detail.’
    ‘Woon je…,’ ik keek naar haar op. Zwart jasje, een wit bloesje met open knoopje, zij was zeker geen flatbewoner. ‘Ben je student?’ vroeg ik.
    ‘Ja, ik studeer psychologie. Ik ben bezig met mijn Masters over Jung´s duiding van synchroniciteit en de non-structuur van achronie. En jij?’
Ze wees met haar zweepje naar mijn versleten hardloopschoenen. ‘Ben jij er zo eentje die nog steeds op Asics loopt? Supermarktsneakers. Standaard inlegzooltjes kopen. Overpronatie is gevaarlijk,’ zei ze staccato.
    ‘Weet jij misschien hoe ik het bos weer uitkom?’ vroeg ik.
    ‘Wil je eruit? Dan moet je eerst weten hoe je er in bent geraakt,’ zei ze. ‘Wat zoek je hier eigenlijk in de laagst gelegen delen van het bos? Heb je het al gevonden?’
    ‘Ik heb bij de paddenstoel de pijl naar een of ander pannenkoekenhuis gevolgd. Toen liep het pad tussen varens door en kwam ik in een heel donker laantje dat ik nog niet kende en daar hoorde ik het paard.’
    ‘Je chronologische opsomming van je hardlooprondje is doodsaai,’ zei ze. ‘Je praat als een kleuter. Zwakke analyse. Maar heb je werkelijk gedaan wat de paddestoel zei? Dat je het pannenkoekenhuis moest zoeken? Dan wordt het toch nog interessant. Geen wonder dat je niet meer weet waar je bent. Dat pannenkoekenhuis ligt overal en nergens. Loop maar achter me aan, dan help ik je het te vinden.’
    Het paard begon rustig te stappen en ik slofte er als een gevangengenomen spion achteraan. De studente zat kaarsrecht, ze hield de teugels losjes vast, haar heupen veerden soepel in het ritme van de stappen mee. Onder het lopen lichtte het beest de staart en ontlastte zich met vochtige, ploppende geluiden. Vol ontzag keek ik ernaar, als iemand die getuige was van de geboorte van een geweldig nieuw inzicht.

Na een korte wandeling kwamen we bij pannenkoekenhuis ‘De Zevenslaper’. Door de bomen schemerden de contouren van de flat, het zwaailicht van politieauto´s wierp een blauwachtig schijnsel op de galerijen in de verte.
    Het terras van het pannenkoekenhuis was natgeregend, de ramen beslagen. Zo te zien was het sluitingstijd, sommige stoelen waren al op de tafels gezet. Ik pakte er eentje beet en zette hem met een zwierige zwaai voor de studente op de grond.
‘Vies,’ zei ze maar ging er toch op zitten. Ik pakte ook een stoel voor mijzelf en schoof aan bij haar tafeltje.
    Vanuit de keuken klonken ruziënde stemmen en naderden sloffende stappen. De serveerster had vette krullen die ze met een elastiekje in een blonde paardenstaart had gebonden. Ze keek eerst naar de laarzen van de psychologiestudente en daarna naar mijn afgetrapte sneakers.
    ‘Zijn jullie een stelletje?’ vroeg ze. ‘Bizar. Zelfs jullie schoenen passen niet bij elkaar.’
    Ze gaf ons twee kleverige menukaarten. Uw pannenkoek met liefde bereid, stond op de voorkant.
    ‘En maar knoeien,’ klonk het uit de keuken. ‘Opruimen ho maar.’
    Ik keek naar de klok aan de muur. Er stonden geen cijfers op de wijzerplaat. De klok hing kaarsrecht aan de spijker, waaruit ik kon opmaken dat het nu negen uur was. Maar als hij op zijn kop hing was het klokslag half drie. Kwart over twaalf of kwartslag zes kon natuurlijk ook. Het mechaniek maakte een opdringerig, metalig, tikkend geluid.
    ‘Hoe laat is het? vroeg ik aan de serveerster.
‘Weet ik veel,’ zei ze. ‘Je kunt beter vragen hoe de klok hangt. Bij dit uurwerk draait de wijzerplaat onder de wijzers door. Een klok is wel de slechtste plek om tijd waar te nemen. Zodra je naar een seconde kijkt is-ie alweer gevlogen met fladderende wijzers. Soms vliegt-ie naar de bomen en gaat er dan zitten krijsen als een verwilderde parkiet. Twee maal naturel dan maar?’ Ze nam de ongelezen menu’s weer aan.
    ´Ma! Twee naturel,’ schreeuwde ze in de richting van de keuken. Het antwoord bestond uit een verschrikkelijke vloek.
    ‘Afschuwelijk,’ zei ik. ‘Wat is dit voor tent? Laten we weggaan. Dadelijk spugen ze op onze pannenkoeken. Of nog erger.’
    ‘Ze kunnen er niks aan doen,’ zei de studente. ‘Ze zitten al zo lang vast in dit moment dat bijna al hun woorden op zijn. Ze hebben praktisch gezien alleen nog een paar scheldwoorden overgehouden.’
    ‘Op? Hoe kunnen woorden nou op raken?’
    ‘Als je iets maar lang genoeg gebruikt raakt het op. Dat geldt voor alle woorden maar vooral voor de bepalingen van tijd. Die raken helemaal ontregeld vlak voordat ze op raken.’ Ze beet op een velletje van haar duim. ‘Elke schrijver weet dat.’
    ‘Godverdetering,’ klonk het uit de keuken.
    ‘Fuck je reet, ma!’
We waren allebei even stil. Tik-tak deed de klok.
    ‘In dit pannenkoekenhuis heerst totale achronie,’ hervatte de studente, terwijl ze een klont vastgekoekte poedersuiker met haar halflange nagels van ons tafeltje probeerde te krabben.
    ‘Achronie is een afwijking van het normale chronologische verloop van de gebeurtenissen. Je kunt hier bij wijze van spreken een pannenkoek bestellen en gewoon weglopen. Ze zullen nooit merken dat je weg bent, want ze blijven eeuwig bezig met het bakken van jouw pannenkoek tot het moment dat je hier weer terugkomt en het verhaal verder gaat. Dit komt omdat je tijd achroon of lineair kunt ervaren. In mijn scriptie maak ik veel gebruik van storytelling en daar heb ik dit verduidelijkt met een metafoor. Wil je die horen?’
    ‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ben benieuwd.’
    ‘Lineaire tijd is als een wild paard dat vanuit het verleden op je af komt draven in een donker bos. Als hij vlakbij komt kun je heel even zijn vurige ogen zien maar uiteindelijk moet je toekijken hoe hij als een donkere gestalte tussen de bomen in de toekomst verdwijnt, terwijl jij vast blijft zitten in het heden. Achronie is een gezadeld paard, het is getemde tijd die luistert naar jouw wil. Je kunt ermee heen en weer springen tussen scènes, vooruit of achteruit. In mijn scriptie zeg ik dat die achronie een uiterste consequentie heeft.’
    ‘Welke dan?’
    ‘Dat je in een flashback iemand kunt begraven voordat je hem in een flashforward hebt vermoord.’
    ‘Of haar,’ flapte ik er uit.
    ‘Of haar? Haha! O ja, natuurlijk dat is interessant! Heb jij al eens iemand vermoord?’
    ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei ik haastig. ‘Ik moest alleen daarnet, vlak voordat je me op het ruiterpad aansprak, toevallig denken aan het delven van een meisjesgraf en dat je daarbij maar beter niet je trouwring kunt verliezen.’
    ‘Niemand denkt toevallig aan een meisjesgraf,’ zei ze ernstig. ‘Jung noemt dit synchroniciteit. Een meisje wordt niet vermoord omdat je aan haar graf denkt, maar het is ook niet toevallig dat je aan haar graf denkt vlak nadat zij wordt vermoord. Er is een verband tussen die dingen, maar het is niet oorzakelijk. Het graf is niet de oorzaak van haar dood en jouw gedachte niet het gevolg van de moord. Dat inzicht koppel ik in mijn scriptie aan achronie. Ik zoek eigenlijk nog een proefpersoon die me helpt mijn stelling te bewijzen.’
    De serveerster had ondertussen twee borden neergezet. Ze pakte een lepeltje uit een vies theekopje, likte het langzaam af en smeerde er wat stroop mee op mijn pannenkoek.
    ‘Stroop met een snufje zout,´ zei ze tegen me. ‘We weten allemaal dat je dat stiekem lekker vindt. Anders zou je hier niet helemaal naar toe gekomen zijn. We noemen het meisjestranen. Veel plezier samen.’ Ze rolde mijn pannenkoek losjes op en schoof het bord uitnodigend wat dichter naar mij toe. Hierna slofte ze terug naar de keuken.
    We keken samen naar de warme opening van de pannenkoek waar de stroop, vermengd met boter, uit lekte.
    ‘Wow, zie je dat?’ zei de studente.
    ‘Ja,’ zei ik. ‘Zo warm en zoet.’
We probeerden elkaars blikken te ontwijken. Ik merkte dat ze sneller was gaan ademen.
    ‘Welk archetype denk je dat ik ben?’ vroeg ze. Ze friemelde aan haar vlecht.
    Ik herinnerde me het blauwe zwaailicht onder de flat. Met bonkend hart dacht ik aan Sneeuwwitje, het roodharige buurmeisje dat telkens de gordijnen sloot wanneer ze merkte dat ik naar haar borstelsessies gluurde.
    ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Ik moet er even over nadenken.´
    Ze stond op en plukte met haar vingertoppen wat pluisjes van haar ruiterjasje. Haar melkwitte borsten trokken de stof van haar dure bloesje superstrak.
    ‘Ik zou het wel eens willen proberen,’ zei ik.
    ‘Wat proberen?’
    ‘Een dood meisje begraven voordat ik haar vermoord. Haar bedekken met koude aarde tot alleen een wit en opgetrokken been nog tussen de kluiten doorschemert. Alleen maar om jou te helpen je hypothese over achronie in je scriptie te bewijzen natuurlijk.’
    In een ondeelbaar moment keken we elkaar aan. Haar irissen waren hard als staal.
    ‘Je hebt een kille blik,’ zei ze. ‘Mooi.’ Ze pulkte wat aangekoekte poedersuiker onder haar nagels vandaan. ‘Kom, we gaan naar buiten.’
    ‘Nu al?’ zei ik. ‘Maar de pannenkoeken dan?’
    ‘Mijn scriptie gaat nu eenmaal vòòr pannenkoeken, duh. Heb je trouwens al een proefpersoon op het oog?’

Buiten liep ze naar de hengst. Met de zwierigheid van een gymnaste die een voltigepaard bestijgt, zette ze haar linkerlaars op de stijgbeugel en zwaaide haar rechterbeen over het zadel. Het beest snoof toen het haar warme dijen voelde klemmen en liet zijn enorme lid uit de schacht zakken.
    ‘Je hoeft er niet al te diep voor te graven,’ zei ze. ‘Het mag ook een ondiepe kuil zijn, afgedekt met dode blaadjes.’ Ze klemde haar laarzen nog wat strakker om de flanken van het paard. Het deed daardoor een wild stapje in mijn richting, liep me bijna omver en begon toen in de richting van de bosrand te draven. Ik zag haar harde studentenbillen ritmisch op het zadel ketsen. Haar paardenborstel was op de grond gevallen, ik raapte hem op en drukte mijn lippen teder tegen de haren.

Vandaag heb ik de spiegel van Sneeuwwitje voor het laatst gezien. Die stond bij de vuilcontainer aan de overkant, met haar verschrikte spiegelbeeld er nog in. Op mijn vensterbank ligt de scriptie over ‘Theorie van Achronie’ – 13 Case Studies over Veranderd Tijdsbesef tijdens Psychose.’ Ik blader erin, het kaftje plakt en wanneer ik mijn vingers aflik proef ik poedersuiker. De studente schreef me dat ze is geslaagd. Ik ben blij voor haar. De theorie is bewezen hoewel haar docent liet aantekenen dat hij er niets van begrijpen kon. ‘Een onaantastbare waarheid, vervat in riskante proposities,’ had hij gemopperd.
    Zijn commentaar verbaast me niets. Misschien is de theorie van achronie wel net zo vreemd als die ene ontmoeting in het bos, een mysterie dat je niet kunt ontrafelen zonder er zelf een deel van te zijn. Ik heb veel moeite gedaan om het bewijs voor de theorie te verzamelen en daarna om het te verdoezelen. Er zit een zachtrode klit in mijn paardenborstel en de rouwranden onder mijn nagels stinken naar bladafval en schapenmest.
De politie heeft een rood-wit lint gespannen rond de flat. Agenten zoeken in de bosjes naar mogelijke slachtoffers van oorzaak en gevolg, een verband waarvan bewezen is dat het niet bestaat.
    Ik staar naar het schema dat ik met uiterste precisie van de meisjes in de flat heb bijgehouden. Ik heb Sneeuwwitje zorgvuldig uitgegumd, maar hierdoor is er in mijn notitieblok een hinderlijke leegte ontstaan.

De flat heeft de laatste stralen van de zon gevangen en werpt een lange schaduw op het bos. Met een scherpgeslepen potlood schrijf ik de naam Tinkelbel met sierlijke krullen onder de T in mijn notitieblok.

Gepost in Columns, Geen categorie, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Het verbeelde thuis, Artien Utrecht

1

Een boeiende taxirit brengt ons naar de andere kant van de stad met steeds weer in- en uitstappende nieuwe passagiers op de voorbank. Een taxi doet hier meestal dienst als openbare bus. Op de achterbank gezeten kijken mijn partner en ik onze ogen uit naar het voorbijschietende panorama van stoffige en druk bevolkte straten met aan weerskanten rijen huisjes onder zinderende golfplaten. Wij zijn in Havana anno 2008, op weg naar de Indonesische banneling Wirjo . Ergens op de bodem van mijn rugzak zit een pakje chocolade hagelslag; Wirjo’s nicht vroeg mij dit door vele Indonesiërs zo felbegeerde oer-Hollands product voor hem mee te nemen. Deze nicht behoort tot de groep van enkele tientallen Indonesische bannelingen in Nederland, een groep waarmee ik nauw contact heb.
     De taxirit eindigt in Nautico, een verrassend ruim opgezette wijk met losstaande gezinswoningen die voor Cubaanse begrippen redelijk groot ogen, een elitewijk. Maar Wirjo’s huis is klein, precies passend voor een alleenstaande als hij. Als wij de ingang naderen valt ons de gelijkenis op met vele gebouwen in de stad: het afgebrokkelde cement dat de buitenmuren een haveloze aanblik geeft. ‘Het is de agressieve zeelucht,’ zo legt Wirjo later uit. Afgestudeerd in Moskou als metallurgisch expert werkt Wirjo al tientallen jaren bij het staatsinstituut voor metaalonderzoek in Havana. Hij werkt er nog steeds ondanks zijn pensioengerechtigde leeftijd – hij is zevenenzestig – omdat het staatsinstituut zijn deskundigheid nog hard nodig heeft.
      Na zijn verhaal over hoe hij op Cuba terecht is gekomen, stappen wij naar buiten voor een wandeling door de wijk. Via zijn nabijgelegen volkstuintje waar hij fruitbomen en cassave teelt, slenteren we naar de kust van de Golf van Mexico. We staan langs een kade en turen naar de uitgestreken witte waas van wolken aan de horizon. Van hieruit vertrokken enkele jaren geleden vele bootjes met migranten naar Miami, memoreert Wirjo. ‘Ze vertrokken meestal in de nacht, want het was illegaal en daarom niet ongevaarlijk.’ Hij schudt meewarig zijn hoofd. De vlucht van deze dissidenten naar het zogenaamde vrije Amerika stuit bij hem op onbegrip. Alle persoonlijke opofferingen en zijn relatief armetierig bestaan ten spijt gelooft Wirjo in de juistheid van het Cubaans socialisme, zo maak ik uit zijn verhalen op. Niet zonder trots vertelt hij over zijn actieve verenigingsleven, zijn voorzitterschap van het wijkcommittee, en vraagt ons de volgende dag mee te komen naar de 1 Mei-viering op het grootse Plaza de la Revolución. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk. Zou hij ondanks het harde bestaan zich hier op dit eiland thuis voelen?

‘Thuis is niet waar je bent, maar waar je vandaan komt’, zo luidt een Liberiaans gezegde. Dit vertelde de Afro-Nederlandse schrijver Vamba Sherif in een lezing in Den Haag enkele maanden geleden. Het is een gezegde uit voorbije tijden, de vraag is wat het betekent in het hier en nu. In ons huidige tijdsgewricht waar ongekende aantallen mensen zich over de aardbol bewegen op zoek naar een (nieuw) thuis, dringt zich de vraag op waar het gevoel van thuis-zijn uit bestaat.
      In een van zijn essays in de bundel And Our Faces, My Heart, Brief as Photos probeert de schrijver en kunstcriticus John Berger de essentie van het begrip ‘thuis’ te doorgronden. Hij haalt de Roemeense filosoof Mircea Eliade aan wanneer hij schrijft dat thuis zich bevindt in het hart van de werkelijkheid. In een traditionele gemeenschap is alles wat het leven zin geeft reëel. Daaromheen ligt chaos, die een bedreiging vormt omdat hij onwerkelijk is. Zonder een thuis is iemand niet alleen dakloos maar ook verloren in een soort niet-zijn, levend buiten de werkelijkheid. In de gemeenschap waar Eliade aan refereert staat ‘thuis’ op het kruispunt van twee lijnen: een verticale lijn die de goden in de hemel verbindt met de doden in de onderwereld, en een horizontale lijn die het verkeer en de verbinding met de rest van de wereld symboliseert. Berger vraagt zich vervolgens af hoe dit zou hebben gewerkt in de denkwereld van nomadische volken. Hij stelt zich voor dat de verticale lijn door deze volken als een lange stok van plek naar plek werd meegedragen, als ware het de mast van een tent. En, schrijft hij, misschien ligt dit idee nog steeds besloten in het onbewuste van de miljoenen ontwortelde gemeenschappen van vandaag.
      De voorstelling van een kruispunt dat van plek tot plek wordt meegedragen lijkt mij een geschikte metafoor om het gevoel van thuis-zijn te onderzoeken. Thuis-zijn als menselijke conditie die losgetrokken kan worden van een gefixeerde plek. Na iedere ruimtelijke verplaatsing wordt opnieuw een thuis geschapen. Zich ergens vestigen staat gelijk aan het herstellen van de kosmos, het imiteren van de het werk van de goden, aldus Eliade. Berger probeert deze notie te vertalen in seculiere termen. De plek waar de migrant of vluchteling zich ‘horizontaal’ naartoe beweegt is daar waar hij door werk in zijn eerste levensbehoeften kan voorzien, of gedwongen wordt zich voor langere of kortere tijd te vestigen. Op deze nieuwe bestaansplek moet een nieuw kruispunt als het ware de grond in worden geslagen, hier moet een nieuw onderkomen worden geïmproviseerd. Uit welk materiaal? Uit gewoonten, uit zich opeenstapelende praktijken, dagelijkse bewegingen en handelingen, oppert Berger.
      Méér dan uit louter vier muren en een dak boven het hoofd bestaat het nieuwe verblijf uit opgehoopte ervaringen en herinneringen die tezamen de biografie van de migrant vormen. Dit geheel moet de nieuwe plek betekenis als een nieuw thuis en de bewoner zijn ‘identiteit’ verschaffen. Maar hiermee zijn we nog niet beland bij een gevoel van thuis-zijn of thuishoren. Berger rept over een verticale lijn die is verdraaid in een zichzelf insluitende, individuele biografische cirkel, en een horizontale lijn waaruit de vaste ondersteuningspunten zijn weggevallen, een lijn die is vervaagd tot een grote vlakte van pure afstand. Het nieuwe kruispunt is nog wankel, het ontbeert voldoende basis voor de migrant om zich te wortelen.


2

Voor de jonge Curaçaose kunstenaar Quently Barbara vormt de band met zijn familie een belangrijk anker in zijn bestaan. Hij woont met zijn ouders, broer en zus al langere tijd in Nederland, zijn andere familieleden wonen op Curaçao. Van deze kunstenaar zag ik onlangs in het Migratiemuseum in Den Haag de installatie The Foreigners, die deel uitmaakte van de tentoonstelling The Bricks that Build a Home. Het kunstwerk bestaat uit een opstelling van reusachtige hoofden van de voor hem dierbare familieleden. Deze hoofden, die zeker vijfmaal hun levensechte omvang hebben, zijn gemaakt van kartonnen dozen beplakt met grijs plakband.
      ‘Ik gebruikte geselecteerde foto’s van mijn familieleden als model in het knip- en plakwerk,’ zo legt Barbara uit na een publieke discussie met hem en andere kunstenaars in het museum. Meer nog dan het resultaat was voor hem het maakproces een nogal emotioneel gebeuren. Door beeldend kunstenaar te worden en niet te kiezen voor een beroep dat hoger aanzien geniet, zoals ingenieur, heeft Barbara zich de afkeuring van de meeste leden van zijn familie op de hals gehaald. Hij voelt zich anders, een buitenbeentje van de familie. Tegelijkertijd koestert hij een diepe affiniteit met zijn ouders, broer, zus, oom en opa. Zijn kunstwerk is geboren uit het verlangen om aan deze affiniteit vorm te geven.

The ForeignersQuently Barbara, The Foreigners, Migratiemuseum Den Haag, februari 2019

Met het gebruik van karton koos Barbara bewust voor wegwerpmateriaal dat op Curaçao, anders dan in Nederland, meestal wordt hergebruikt. De boodschap hier is dat je niet voor iets nieuws kiest als het oude nog bruikbaar is of te repareren valt. Bij mij als toeschouwer komt nog een andere interpretatie van het materiaalgebruik op. Karton is relatief kwetsbaar: het knakt wanneer je het te ver doorbuigt, het kan scheuren. Plakband dient om kartonstukken aan elkaar te plakken en ook om scheuren te dichten. Bovendien gaat het afbreken van de opstelling gepaard met het terugbrengen van de hoofden tot onherkenbare platte stukken karton, die vervolgens bij de opbouw weer nauwkeurig aan elkaar moeten worden geplakt. Familiebanden zijn even kwetsbaar, kunnen door ruzies afbrokkelen en moeten dan weer worden hersteld. Wanneer deze banden het gevoel van thuis-zijn medebepalen, is een regelmatig repareren van deze banden vereist om dat gevoel op peil te houden.


3

De woonkamer van de Indonesische Wirjo is eenvoudig ingericht. Ik tel drie kleine fauteuils rond een laag tafeltje, een eettafel met een aantal stoelen, een kamerplant en een middelhoge kast waarop een stapeltje papier ligt. De wanden zijn kaal, op een klein schilderij en een kalender na. Een bruin-groen batikkleed bedekt de salontafel, over de leuningen van de fauteuils hangen antimakassars, eveneens van batik.
      Wirjo behoort tot de duizenden Indonesiërs die in het buitenland verbleven tijdens de bloedige machtsgreep in 1965 door generaal Suharto en daardoor niet meer naar hun geboorteland konden terugkeren. Hij had kort voor die coup een studiebeurs gekregen voor Moskou, maakte daar zijn studie af en werd begin jaren zeventig in het kader van een vriendschappelijk Sovjet-Cuba uitwisselingsprogramma naar Havana gezonden. Tot aan de eeuwwisseling bleef hij verstoken van enig contact met familie en vrienden in Indonesië. Officieel was hij stateloos en kon hij geen stap buiten de grenzen van zijn nieuwe thuisland zetten. Het was voor hem een deprimerende en verwarrende periode, waarin de onzekerheid over hoe lang de ballingschap zou gaan duren nog het pijnlijkst was. Enige troost vond hij in de spaarzame brieven van zijn in Nederland gestrande nicht. Maar ook bij de vijf andere op Cuba wonende Indonesiërs die hetzelfde lot als dat van hem was beschoren.
      Voor Wirjo en zijn medeballingen kwam de grote verandering aan het eind van de vorige eeuw tijdens de minder dan twee jaar durende regeerperiode van de Indonesische president Abdurrachman Wahid. Door toedoen van deze aimabele leider kregen alle ballingen uit het Suharto-tijdperk de nationaliteit van hun geboorteland terug. Met een brede grijns haalt Wirjo zijn nieuwe paspoort tevoorschijn, dat hij inmiddels bijna twee jaar in bezit heeft. ‘Nu ben ik eindelijk weer Indonesiër, nu kan ik de schoonheid van mijn geboorteland weer proeven en mijn familie weer zien.’ Later in dat jaar reisde hij inderdaad naar Indonesië en zocht daar zijn zieke vader op.


4

Vertrek uit eigen land wordt ingegeven door hoop of wanhoop, meestal een mengeling van beide. Het is frustratie of wanhoop over de situatie in eigen land, en de hoop op iets beters elders. Of hier wel of geen sprake is van een eigen keus is niet zo relevant. Van een eigen keus is in elk geval geen sprake wanneer iemand vlucht voor oorlog en geweld, of om vervolging te voorkomen. Ik keer terug naar de beeldspraak van de elkaar kruisende lijnen die de migrant in de grond van het land van aankomst moet verankeren.
      We waren gebleven bij het incomplete kruis van Berger: de naar binnen cirkelende verticale, biografische lijn rondom de handelingen en herinneringen van de migrant, en de compleet weggevaagde horizontale lijn. Er moet veel gebeuren om het wankele bouwwerk te verstevigen. Voortbordurend op Bergers metaforische kruis zie ik dat de verdwenen horizontale lijn weer tevoorschijn moet worden gehaald, opgediept uit een oneindige lege vlakte, en worden hersteld tot een gereedschap waarmee de migrant kan navigeren in zijn omgeving. Navigeren betekent hier dat de migrant geleidelijk aan leert omgaan met de voor hem vooralsnog onwerkelijk aandoende realiteit, of dat de migrant – in de terminologie van de Nederlandse integratiepolitiek – kan aanvangen met zijn inburgering.
      De tocht die de migrant aflegt is vaak kronkelig en voert langs vele omwegen. Onderweg stuit hij op vele hindernissen, zoals langdurige en ingewikkelde procedures die moeten worden doorlopen om aan een baan of woning te komen, kwetsende bejegening, discriminatie en onbegrip voor zijn anders-zijn. Pogingen van de migrant om een thuisgevoel te creëren kunnen alleen slagen als zijn omgeving meehelpt door op zijn minst een toeschietelijke houding te tonen.
      In zijn lezing in Den Haag vertelt Vamba Sherif over de jarenlange omzwervingen die hij met zijn familie, waaronder zijn ouders, broer en zus, vanuit zijn geboorteland Liberia via Kuwait, Jordanië en Syrië, naar Nederland heeft gemaakt. Zijn vader haakte in Kuwait al af, terwijl zijn broer die zich toch door de zware jaren van onrust en onzekerheid heen had geslagen, zijn pogingen tot nestelen in juist de beoogde eindbestemming Nederland moest opgeven. Het lukte hem niet het labyrint van uitdagingen waaruit het proces van inburgering alhier bestaat, te trotseren, zo verwoordt Sherif het.

Is er zoiets als een eindbestemming of kunnen we beter spreken van een tussenbestemming? Voor de migrant kan er reden zijn om terug te keren als de levensvoorwaarden in zijn geboorteland zijn veranderd of als zijn zoektocht naar een nieuw thuis is mislukt. Maar is terugkeer wel zo eenvoudig? Voor iemand die langdurig in een ander land heeft vertoefd is vaak geen weg meer terug zonder een gevoel van misplaatstheid in zijn land van herkomst te riskeren. Door zijn ervaring elders is de migrant veranderd, net zoals het oorspronkelijke thuisland veranderd is. De teruggekeerde zal de elkaar kruisende lijnen waarmee hij aan de grond van zijn oude Heimat zat vastgepind niet meer terugvinden. Bovendien, hoe zouden de mensen in zijn land van herkomst naar hem kijken? Zouden ze hem herkennen, en omarmen als een van hen? Dat lijkt een illusie.
      Sherif reisde eens terug naar Liberia om vervolgens te ontdekken dat hij zich niet meer herkende in het doen en laten van de mensen in zijn geboorteland. De mentaliteit was er verhard, de onderlinge compassie van vroeger verdwenen. Des te meer drong het besef tot hem door dat het vinden van een thuisgevoel in Nederland zijn enige optie was.
      Van de Indonesische ballingen op Cuba heeft intussen niemand zich blijvend in Indonesië gevestigd, ondanks hun glanzende groene paspoorten. Dat schrijft de Indonesische historicus Vanessa Hearman in haar artikel The last men in Havana: Indonesian exiles in Cuba. De enkelen die terug zijn geweest hadden het gevoel in een volstrekt vreemde wereld rond te lopen. ‘Alsof ik een land bezocht waar ik alleen de taal kende,’ zei er een in een interview met Hearman. Een ander sprak van een meedogenloze maatschappij waarin burgers helemaal op zichzelf zijn aangewezen, doelend op de erbarmelijke sociale voorzieningen en geprivatiseerde overheidsdiensten.
Nee, in het Indonesië van nu aarden, dat zal niet meer gaan. Dan hebben ze toch liever het sobere leven op Cuba, waar ze tenminste kunnen rekenen op basale gezondheidszorg en de solidariteit van buren, vrienden en de staat.


5

De bagage van opgehoopte ervaringen en herinneringen van de migrant bestaat uit lagen die zich met elkaar vermengen en soms met elkaar in botsing komen. Het zijn herinneringen uit de landen van herkomst en aankomst, die zich samenvoegen tot iets nieuws waaraan de migrant zijn identiteit ontleent. In zijn bekende boek Imagined communities, waarin de oorsprong en betekenis van het nationalisme in de afgelopen tweehonderd jaar wordt onderzocht, wijst de Amerikaanse politicoloog en historicus Benedict Anderson op het ontstaan en voortbestaan van verbeelde gemeenschappen van mensen die dezelfde taal, cultuur en geschiedenis delen. In de kern snijdt hij hiermee de kwestie aan van een persoonlijk en cultureel gevoel van behoren tot een bepaalde nationaliteit. De verbeelde gemeenschap is een soort ‘horizontaal kameraadschap’ die hardnekkig gedijt over grote afstanden, het overbrugt soms ook verschillen van politieke overtuiging of sociale status. De kameraadschap houdt zich levend in een groeiend web van contacten, voortgestuwd door de zich alsmaar verder ontwikkelende communicatietechnologie. Leden van de verbeelde gemeenschap herkennen in dit web een belangrijk deel van hun identiteit, aan dit web laven zij zich.

Voor Wirjo en zijn lotgenoten op Cuba verdiepte zich, mede door hun paspoorten – erkenning van hun nationale identiteit – hun onderdompeling in de imaginaire Indonesische gemeenschap. Van een definitieve terugkeer naar hun geboorteland is het niet gekomen, maar des te geestdriftiger hebben zij zich geworpen op het web van contacten dat deze gemeenschap vormt.
      De moeizame communicatie per post had al eerder plaatsgemaakt voor contact per email. Dat internettoegang op Cuba beperkter is dan elders zit betekenisvolle communicatie niet in de weg. In hun sociale verkeer worden de ballingen geholpen door een ambassade, die in deze zaken actiever is dan ooit sinds de consolidatie van socialistisch Cuba het geval was. Die verandering is een gevolg van de volledig herstelde diplomatieke relaties tussen beide landen na de val van Suharto. De ambassade faciliteert culturele uitwisseling en introduceert Indonesische kunst op het eiland. Er worden Indonesische dans- en muzieklessen voor geïnteresseerde Cubaanse jongeren georganiseerd. Deze nieuwe lifeline heeft de ballingen omgevormd tot ambassadeurs van hun eigen cultuur, zij dragen hiermee hun identiteit met verve uit. Het is niet moeilijk te zien dat Sherif en Barbara in hun nieuwe thuisland Nederland hetzelfde doen, de een met zijn schrijverschap, de ander met zijn kunstwerken.

De verbeelde gemeenschap blijft aantrekkingskracht uitoefenen op haar leden. Ze blijft de liefde van haar leden opzuigen, ook wanneer er sprake is van ambivalentie, bijvoorbeeld wanneer een lid zich tegelijkertijd vernederd of verstoten voelt door zijn natie. Hearman schrijft in haar artikel onder meer over het overlijden van Gunar, een van de Indonesische ballingen in Havana. Op verzoek van de overledene werd op zijn doodskist een rood-wit kleed gedrapeerd: de kleur van de Indonesische vlag. Op de begrafenis van zijn vriend en landgenoot sprak Wirjo de volgende woorden: ‘Ook al werd Gun gedurende veertig jaar niet erkend als Indonesische burger, zijn liefde voor zijn geboorteland is nooit verbleekt.’
      Hoe werkt de verbeelde gemeenschap op het gevoel van thuis-zijn in het land van aankomst? Ook hier komt een opmerkelijke tegenstrijdigheid aan het licht. Wanneer de migrant zich gesterkt voelt in het koesteren en uitdragen van zijn eigen culturele identiteit voelt hij zich ook sterker om banden aan te gaan in zijn nieuwe omgeving. Hij zal zich er meer thuis gaan voelen. Maar het kan evengoed andersom werken. De verbeelde gemeenschap kan ook een vluchtoord uit de dagelijkse werkelijkheid worden. Misschien kan je dan spreken van een imaginair thuisgevoel.
      Proberen je ergens thuis te voelen, het is als balanceren op een wipplank. Bovendien vraag ik me af of in de losgeslagen wereld van nu niet velen van ons, met of zonder migratieachtergrond, geneigd zijn te vluchten in onze eigen ‘imaginaire gemeenschap’. Misschien voelen velen van ons zich gevangen in een tijdperk van verbanning, voortdurend op zoek naar een gevoel van thuis-zijn.

Gepost in Essays | Getagged , , | Plaats een reactie

Vandaag kom ik Adriaan tegen, door Willemien de Rooy

Ik weet niet of hij Adriaan heet, maar ik herken hem van verre aan zijn gitaar en zijn dichtgeknepen ogen, een zwerver denken de mensen, zo eentje die ’s morgens al vroeg aan de drank gaat.
Zeiden we elkaar al jaren geen gedag in liefhebbende herkenning? In een koud zonnetje in de Hortus, soms samen met een vrouw en een kinderwagentje.
Nooit, nooit vrolijk.
Wij wel, mijn man en ik, altijd vrolijk, blij om de bomen te kunnen zien in de Hortus, de bloesems, de latijnse namen, de vijver, moeiteloos onderwerpen vindend om met elkaar te praten.
Eens kreeg ik een stroopwafel van Adriaan. En precies zoals hij die stroopwafel zodra hij mij zag voor mijn mond hield, zo omarmden wij elkaar vandaag in de Donkersteeg, plotseling in de sneeuw.
‘Jaja,’ zegt Adriaan, ‘jaja. Jaja, jaja.’ Weinig anders dan jaja. Met plotseling wijd open ogen, verbaasd en toch eigenlijk ook helemaal niet. Jaja.
En dan: ‘Hoe heet je?’
‘Willemien,’ zeg ik, ‘en jij?’
‘Adriaan’.
‘Adriaan,’ zeg ik, maar met een andere klank dan die hij gebruikte. Ik voel dat hij warmte nodig heeft en geef hem die.
Adriaan zegt: ‘Wat ben jij lief.’
Hij lijkt te schrikken van wat hij zegt, maar even later zegt hij weer: ‘Jaja.’
Wanneer ik denk dat hij zijn rust heeft hervonden steekt hij onverwacht zijn tong in mijn mond, een vette hondetong. Ik vind het niet lekker en wijk wat terug, mijn mond doe ik dicht.
‘Heb je het koud?’ vraag ik, ‘hier is wat warmte.’
‘Jaja,’ zegt Adriaan en steekt zijn tong weer uit. Ik wijk wat verder terug, maar streel hem wel om het goed te maken. Hij lacht.
We trekken de aandacht van de mensen die voorbij lopen, maar nog meer van de mensen die bij Simon de Wit en in een daarnaast gelegen schoenenwinkel werken.
Ze gaan bij elkaar staan, wat lacherig pratend, in afwachting ook. Alsof een omarming al om te lachen is, denk ik.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

De columns en gedichten van Michiel Hanon

Vanaf het prille begin van Extaze tot aan de dag waarop u dit leest heeft Michiel Hanon met gedichten en columns bijgedragen aan onze website geleverd. De hieronder geplaatste column ‘Uitzicht’ is de meest recente in die reeks.
Inmiddels heeft Hanon zijn gedichten1 en zijn columns en korte verhalen2 in twee afzonderlijke delen uitgegeven.
De gedichten zijn anekdotisch en doordrongen van een nu eens opwekkende, dan weer weemoedig stemmende humor:

Verloren

Dingen die je niet kunt Googlen zijn waardevol
De ongewone voorkeurwoorden van mijn overleden vader.

Probeer ze met mijn innerlijke google terug te vinden.
Een paar kwamen op: ‘sapperloot’, ‘sodeju’, kwast’.

Ik lach er samen met mijn broer om.
Zijn werktuig zoekt anders, hij vult nog wat aan.

Maar het is vast niet alles.
Fuck you Google, hier zal iets verloren zijn gegaan.

De korte verhalen doen dagboekachtig aan. Ze beschrijven zonder omhaal van woorden de dingen die de schrijver van dag tot dag meemaakt, bizar, ergerlijk, pijnlijk, komisch, hilarisch, al naargelang de gebeurtenissen.
Een beter voorbeeld hiervan dan het hieronder geplaatste verhaal kunnen wij niet geven.


Uitzicht

I

De verstedelijking neemt verder toe. Noodgedwongen moeten er steeds hogere woontorens worden gebouwd. Als je hoog woont is het uitzicht vaak erg mooi. Hoe hoger, hoe verder je kunt kijken, naar een groot deel van de stad, naar mogelijk aangrenzende weilanden, naar de zee. Als je rijk bent kun je – in plaats van een groot penthouse te kopen – een oude watertoren laten verbouwen, en bovenin van het uitzicht rondom genieten.

Je kunt ook gebruik maken van moderne technieken, en het omgekeerde doen. Je kunt ondergronds gaan wonen, bijvoorbeeld als je niet het geld hebt om een mooi en hoog appartement te kopen of te huren. Dit kan een oplossing voor de woningnood zijn. In plaats van een raam kun je elders in huis (bijvoorbeeld boven, waar er wel een is) een camera voor dat raam plaatsen, en het beeld projecteren op een raamvervangend scherm. Een beetje zoals een aquarium of een brandend haardvuur als versiering van tv-schermen.

Als je nergens een raam hebt, kun je een camera op je huis plaatsen en binnen een ‘uitzicht’ creëren. Je kunt de camera laten draaien, waardoor dat uitzicht wisselt. Iets dergelijks zie ik op het Belgische CANVAS-televisiekanaal wanneer er geen middaguitzending is: de ‘rolkrant’. Je zou een camera kunnen plaatsen op een gehuurde plek met een mooi uitzicht dat niet vanuit je huis te zien is. Je zou via zo’n beeldverbinding een blik in de mooie tuin van een ander kunnen huren (zonder je om het onderhoud ervan te hoeven bekommeren). Of je zou een schijnbare werkelijkheid kunnen creëren waarmee je iedere dag op een andere verdieping van een woontoren woont. Wellicht is het mogelijk je op camerabeelden van ver weg (een Afrikaanse jungle, een Mongoolse toendra) te abonneren, zodat je voor weinig kosten thuis je vacantie kunt vieren, met – genomen vanuit een auto, boot of drone – bewegende camerabeelden van mooie vacantieoorden, zonder de rompslomp en vermoeienissen van het reizen. Voor sommigen een uitkomst.


II

Er was een man die had gehoord van deze moderne technieken. De ramen in zijn huis waren klein, er was weinig zonlicht en hij had geen fraai uitzicht. Hij beschikte echter over een grote, droge kelder. De man besloot een camera op zijn huis te plaatsen, een die kon draaien. Het scherm en de camerabediening plaatste hij in de kelder. Hij vond het leuk om de camera op de ramen van zijn overbuurman te richten. Zo kon hij zien waar deze zich zoal mee bezighield. Hij voelde zich wel een beetje een voyeur, maar ja, wat niet weet, wat niet deert.

Na enige tijd bespeurde de man iets nieuws aan het huis van de buurman. Hij zoemde er met de camera op in. Ongeveer op dezelfde plek waar op zijn huis een camera stond, had de buurman exact eenzelfde apparaat geplaatst waarmee hij de vertrekken van zijn huis kon filmen. Had de buurman zijn camera ontdekt en volgde hij op zijn beurt zijn doen en laten? De buurman had tenslotte net zo’n huis als hij, met weinig zonlicht en uitzicht. Had de buurman dezelfde voyeur neigingen? Of gebruikte hij de camera alleen als bewaking? De man onderhield geen contact met zijn buurman en schrok ervoor terug hem over de pijnlijke kwestie aan te spreken. Moest hij nu maar voltijds in de kelder gaan leven, opdat de buurman hem niet zou kunnen volgen? Het zou makkelijker zijn om vitrage of gordijnen in zijn huis op te hangen. Privacy ging voor hem boven alles.

De man besloot zijn camera weg te halen, hij hoefde tenslotte niet in de kelder te leven. Zijn woonkamer had dan wel kleine ramen en weinig uitzicht, maar hij zou het daar wel gezelliger kunnen maken. Een paar mooie vitrages zouden de sfeer ongetwijfeld verhogen. Na verloop van enige tijd zag hij dat zijn overbuurman zijn camera ook had verwijderd. De reden kon niet zijn dat hij was verhuisd, want hij zag hem nog regelmatig lopen. Was de buurman op dezelfde gedachte gekomen en wilde hij ook zijn goede wil tonen? Of werd de camerabewaking bij nader inzien niet nodig bevonden? Dat laatste was toch minder voor de hand liggend, dacht de man. Waarom had de buurman geen gordijnen opgehangen, als hij zich bespied voelde?

Het leven zonder gerichte camera’s gaf de man een prettig gevoel. Het was alsof de staatshoofden van twee machtige mogendheden een voortgaande bewapening hadden afgewend. Maar in die wereld gaat dat wel gepaard met topbesprekingen en het nodige voorafgaand diplomatiek overleg. Machtige mensen moeten met elkaar in gesprek blijven, anders wordt het vijandbeeld steeds groter. De man moest ook denken aan de camera’s en verrekijkers waarmee de grensbewakers van Noord- en Zuid-Korea naar elkaar tuurden. En aan de satellieten waarmee de grote mogendheden elkaar bespiedden om op de hoogte te blijven van elkaars reilen en zeilen. Hij bedacht dat het goed zou zijn eens bij zijn buurman langs te gaan. Elkaar wat beter leren kennen had immers alleen maar voordelen.

De man twijfelde of hij de moed zou kunnen opbrengen om zijn buurman aan te spreken. Natuurlijk had hij dit moeten doen voordat hij de camera op zijn huis had geplaatst. Dan had hij zijn buurman tegelijkertijd kunnen garanderen dat zijn privacy gerespecteerd zou worden. Ze hadden toch goede afspraken kunnen maken? De man dook zijn kelder in en bekeek het scherm dat daar nog altijd stond. Hij had een vakantieabonnement genomen, en het scherm toonde nu het beeld van een zonnig San Remo. Hij kreeg er inderdaad een vakantiegevoel van. Toch was de man – nu voornamelijk boven de grond wonend – blij het directe contact met de buitenwereld te hebben hervonden, al was het maar weinig afwisselend en slechts door een klein raam. Hij sloot niet uit dat hij op niet te lange termijn zou verhuizen naar een andere woning. Naar een huis met een groot raam en mooi uitzicht. Dat in ieder geval.

Michiel Hanon

1 Michiel Hanon, Niets kan blijven. Gedichten, Den Haag 2019 (Michiel Hanon Boeken
ISBN9789082996333 NUR 306
2 Michiel Hanon, De milde monarch. Columns, korte verhalen, Den Haag 2019 (Michiel Hanon Boeken)
ISBN 9789082996319 NUR 325, 303
w.hollenberg@kpnmail.nl

Gepost in Columns, Poëzie | Getagged , , , | Plaats een reactie

Kralingen – de Patissier, Manuel Kneepkens

Wie snoept er daar van het Heelal
hoog boven de Avenue Concordia?

Wie strooit daar fondanten sterren
op de borsten van zijn Liefste
elk van haar tepels liefkozend
als een gekonfijte
framboos?

Het is de dichter met zijn zinnelijk alfabet
van chocolade-
letters

Het is de marsepeinen vrouw in hem
het is de echtgenoot van karamel
in hem
de coole minnaar van Pralines de Bruxelles

die zich verlustigt in het Jaren Vijftig-kind 
dat ooit  in de snoepwinkel van Jamin
(heimelijk) graaide in de dropflessen

want de dichter is een patissier hors concours

Hij suikert zijn duistere kant

(uit: Gelukkige dagen in Kralingen, work in progress)

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensies! E. de Haan, De Zwijguren; Trudy van Rooij-van Mil, Zo heb je mij genoemd en Marcel de Roos, De tijd van ons leven

Maar liefst drie nieuwe recensies zijn er te lezen in de Extaze-rubriek Nieuwe recensies

E. de Haan, De Zwijguren. Vijftien literaire reisverhalen en een zeeslag,
Haarlem 2019 (In de Knipscheer).

Recensie: Cor Gout

De zwijguren

 

 

 

 

 

 


Trudy van Rooij-van Mil, Zo heb je mij genoemd,
2019 (Theseus’ Ship Publishers)
Recensie: Hein van der Hoeven

Omslag Zo heb je mij genoemd.indd

 

 

 

 

 

 

 

Marcel de Roos, De tijd van ons leven,
Woerden 2018 (Tresoor)

Recensie: Felix Monter

De tijd van ons leven, Marcel de Roos

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

16 mei, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 30: ‘Dagboek’

Extaze in de Houtrustkerk 30

Voor deze alweer 31e presentatie van een nieuwe Extaze (laten we het 0-nummer niet vergeten!) staat het publiek weer een gevarieerd programma te wachten met voordracht, film, beeldende kunst, poëzie en muziek. Het thema van de avond is ‘dagboek’.
De eerste vragen die je hoogstwaarschijnlijk over dit genre zult stellen, zijn: waarom worden dagboeken geschreven en wat kun je er nu precies in lezen? Monica Soeting (samen met Mirjam Nieboer oprichtster van het Nederlands Dagboekarchief)
zal deze vragen in haar lezing beantwoorden.
Hein Aalders, hoofdredacteur van het literair-historisch tijdschrift De Parelduiker en met Menno Voskuil bezorger van de nieuwe editie van J. Slauerhoff Verzamelde Gedichten, zal spreken over de dagboekschrijver Slauerhoff en niet nalaten dit onderwerp op te nemen in het bredere kader van de ‘Slauerhoff-kunde’.
Jonas Bruyneel, dichter en schrijver, treedt voor de tweede maal op tijdens een Extaze-avond. Zijn eerdere performance met Peter Depelchin (samen optredend als ‘Boonyi’) oogstte veel succes. Ditmaal zal hij voor de pauze gedichten en na de pauze fragmenten uit zijn roman Vijd declameren, hierbij begeleid door Klaas Tomme (gitaar) en Esther Coorevits (altviool), tesamen vormend het ensemble ‘Vijd’.
De in Brussel woonachtige dichter Mattijs Deraedt zal gedichten voordagen op de van hem bekende wijze: melodisch en indringend.
De beeldend kunstenaar van Extaze 30 is de Belgische Arpaïs Du Bois. Zij maakte voor deze avond een film over haar werk.
Haar Nederlandse collega Harry Haarsma schreef een kort essay over beeldende dagboeken. Dit genre beoefent hij ook zelf, soms van dag tot dag, dan weer van onderwerp tot onderwerp en vaak ook van gedachte naar gedachte of van emotie naar emotie. Op een kort filmpje zie je hem bezig met het uitknippen van teksten en beelden voor een collage. Achter op het toneel zal hij een vitrine met enkele beeldende dagboeken plaatsen en tegen de muur een ‘dagboek-leporello’.

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Het grootste orgaan,
Werner de Valk

Het is vijf uur geweest dus alles wat we nu nog doen is vrijwillig. Ik verzamel mijn papieren, doe ze in mijn map en klap mijn laptop dicht. Maar de mensen aan mijn tafel kijken mij aan.
‘Waar ga je heen?’ vragen ze.
‘Ik ga even douchen.’
Ja, dat is wel nodig.’ Ze lachen. ‘Maar daarna kom je nog terug, toch?’
Ik haal mijn schouders op.
‘Dat is toch gezellig… Drink nog een biertje!’
‘Misschien,’ zeg ik.
‘Een wijntje is ook goed. Als dat meer bij je past,’ zegt er een, en de anderen gniffelen. ‘Wat is er verder nog te doen in dit hotel?’
Ik doe mijn tas dicht en mompel iets wat ik zelf ook niet kan verstaan. Ze kijken me vragend aan, allemaal.
‘Er hangen interessante schilderijen in de gangen,’ zeg ik, nu hardop.
‘Interessant?’
‘Natuurlijk niet allemaal,’ zeg ik. ‘Maar er paar wel.’
‘Dat geklieder,’ zeggen ze. ‘Dat kan ik zelf ook.’
Ze lachen, en eentje zegt: ‘Dat kan mijn vrouw zelfs.’ Weer lachen ze, nog harder, en een ander zegt: ‘Ja, je vrouw kan inderdaad lekker kliederen,’ en dan brullen ze en ik sta op.
‘Ik ben zo terug,’ zeg ik.

Ik neem niet de kortste route. Die zou me langs het restaurant voeren en daar zitten zeker nog een paar collega’s. Ik kijk snel op een plattegrond en stippel uit hoe ik moet lopen. Plots passeer ik een schilderij dat me doet stilstaan. Ongelofelijk dat het hier hangt. Ik zou zo graag langer willen kijken, het verdriet dat uit de ingetogen strepen spreekt is zo subtiel, zo klein, dat ik er eigenlijk alleen met echte aandacht naar wil kijken. Maar ik hoor ze verderop in de gang al lachen.
Ik ga de hoek om, dit zou mijn gang moeten zijn. De gang is lang, aan het einde een deur met gewapend glas die naar buiten leidt. De nooduitgang. Ik kan niet door het glas kijken, het is al donker buiten. In de weerspiegeling zie ik de gang met daarin een gedaante, mijn gedaante, die steeds dichterbij komt. De nummers kloppen niet. Het komt niet uit, ik moet een verdieping hoger zijn. Toch loop ik door, de uitgang zal vast naar een trappenhuis leiden. Als ik de deur nader zie ik in de weerspiegeling nieuwe gedaantes verschijnen, enkele figuren achter mij. Ze zijn ver weg, maar toch kan ik ze verstaan.
Ze roepen mijn naam. ‘Ben jij dat?’ vragen ze.
Ik open de deur en stap de avond in. Het regent. Ik haal opgelucht adem.

Weer terug in mijn kamer lees ik een brochure over het hotel. Er is een sauna. Ik ga erheen. Ik zit er in mijn eentje en ik denk aan niets.

Het zweet op mijn huid spoel ik weg met koude stralen. Ik kijk naar mijn vel, mijn grootste orgaan, de beschermlaag tussen mezelf en de wereld, en ik besluit om extra lang te gaan zwemmen. Honderd baantjes in een verlaten bad. Ik wil opgenomen worden door verkoelend water, één worden met het bad, ik wil dat mijn huid helemaal zacht wordt en het onduidelijk is waar ik ophoud en het water begint. (En dan de huidschilvers en het zweet dat in het water drijft even vergeten.)
Het bad wordt bezet gehouden door een groep bejaarden die aan het aquajoggen is. Een vrouw met microfoon doet voor hoe ze zich moeten bewegen. Haar stem en de beukende muziek galmen koud door de ruimte.
Ik ga op een zwembadstoel liggen. Ik kijk naar de mensen, staar naar de glinsteringen op het plafond, lichtscherven van het water. In mijn buik en in heel mijn lichaam is een grijs moeras dat almaar zwaarder wordt. Nee, geen moeras. Want dat leeft, zelfs een grijs moeras leeft. Ik ben een kinderspelletje dat verkeerd gaat. Een kubus waarin vormen geduwd moeten worden, de driehoeken in de driehoeken en de cirkels in de cirkels, maar de verkeerde vorm wordt in het verkeerde gat geduwd. Het plastic geeft niet mee en het duwen gaat maar door, al past het niet, al is het fout, helemaal fout. En als het wel een moeras is, dan is dat maar om erin te kunnen vallen, om jezelf in te verzuipen.

De vrouw met de microfoon zegt dat de mensen dit nog een minuut moeten volhouden, ze is zo terug. Ze komt naar mij toe gelopen.
Hoewel dat echt niet hoeft, houdt ze haar buik in als ze naast me komt zitten. Het zitten vormt bij haar geen vetrollen, eerder rimpels. Dit is een vrouw die op jongere mannen valt. Haar nieuwe borsten passen nog niet in hun huid, spannen die op.
‘Wat doe jij hier, helemaal alleen?’ vraagt ze.
‘Ik wilde zwemmen,’ zeg ik. ‘Maar dat kan niet meer.’
‘Wil je meedoen? Van mij krijg je een gratis lesje, voor jou wil ik wel een uitzondering maken.’
‘Dat is aardig van je,’ zeg ik. ‘Maar dat hoeft echt niet.’

Ik wilde dat ik een onzichtbaarheidsmantel had zodat ik ongemerkt de gangen in kon glippen om rustig naar de schilderijen te kijken. En ik wilde dat ik zo jong was dat ik nog over onzichtbaarheidsmantels mocht dromen. Dat ik iemand had om mee te praten, echt te praten, en dat ik nooit meer naar teambuildingweekenden hoefde.

Onderweg naar mijn hotelkamer zie ik Frank lopen, mijn potentiële metgezel. Frank is nieuw. Hij lacht zacht en alleen als het de bedoeling is om te lachen. Maar het is geen echte lach, geen Duchenne-lach, zijn ogen doen niet mee.
Hij ziet me nog niet, lijkt in gedachten verzonken, kijkt naar de schilderijen. De gang om hem heen lijkt groter te zijn geworden. Hij loopt wat ineengedoken en langzaam, en ik denk dat hij zo zal blijven lopen totdat hij mensen ontmoet die zijn ogen wel laten meedoen als hij lacht. Hij blijft stilstaan bij een schilderij, dus ik loop naar hem toe en vraag: ‘Wat vind je ervan?’
‘He! Jij hier! Ik had je niet gezien.’
‘Vind je het mooi?’
‘Ja,’ zegt hij. Het schilderij is donker, erg donker. Dikke, slordige strepen die een vaag bos laten zien waarin een figuur wandelt. En verder niemand.
‘Ken je Nighthawks, van Hopper?’
‘Niet meteen. Misschien als ik het zie,’ zegt hij. ‘Hoezo?’
‘Het deed me eraan denken.’
We kijken in stilte naar het schilderij, en het kalmeert me meer dan de sauna, alsof we samen door dat bos sjokken. Twee puzzelstukjes weggenomen uit een puzzel waar ze toch niet in pasten – maar in dat bos wel. We wandelen en we praten, echt praten, we leren elkaar kennen en dan maak ik hem aan het lachen. Een vriendschappelijke mop, niet eens zo goed, een beetje flauw eigenlijk en vooral zwartgallig. Maar hij vindt het wel lollig en als hij dan eindelijk lacht, glinsteren zijn ogen.
Ik vraag: ‘Zin om een biertje te drinken?’
‘Gezellig,’ zegt hij. ‘Ik was net onderweg terug naar de zaal.’
‘Ik zag een café aan de overkant van de straat, dat zag er veel gezelliger uit.’
‘Je wilt de groep ontvluchten op een teambuildingweekend?’
Ik glimlach naar hem, sla hem op zijn schouder. ‘Grapje. Ga maar naar de zaal. Ik kom er zo aan,’ zeg ik. ‘Ik ga eerst nog even douchen.’

Weer terug in mijn hotelkamer bel ik mijn beste vriend. Hij neemt niet op.

Ik pak een flesje water uit de koelkast en wil geen tv kijken, want dat doen mijn collega’s ook als ze in hun hotelkamers komen, omdat ze niets anders kunnen bedenken.
Dan bel ik mijn ouders. Mijn moeder, ze zegt: ‘Is het goed als ik je morgen terugbel? We zijn net een spannende film aan het kijken.’
Ik wil zeggen dat het morgen niet meer nodig is, dat ik nú wil bellen omdat het niet langer gaat, dat mijn huid met de minuut dikker en verstikkender en nog meer ondoordringbaar lijkt te worden, maar ik zeg: ‘Dat is goed.’

De tv laat ik uit. Ik lees de brochure nog een keer. Ik heb geen berichtjes op mijn telefoon. Ik kijk naar het flesje water dat ik uit de koelkast heb gepakt, blijkbaar heb ik het nog niet geopend. Het water, gevangen in een huid van plastic, verliest zijn koelte door het contact met mijn eigen huid. Ik probeer het open te draaien, maar de dop klemt.

Mijn beste vriend belt terug.
‘Hé!’ zegt hij. ‘En, is het zo beroerd als je dacht?’
‘Fijn dat je belt,’ zeg ik. ‘Het is niet geweldig, nee.’
Eindelijk krijg ik het flesje open. Ik zet het aan mijn mond en het water stroomt en stroomt alsof het dat altijd al wilde.
‘Jammer dat je er gisteren niet was,’ zegt hij. ‘Het was echt een leuk feestje. Fijne mensen. De helft was stoned, supergrappig. Van die vrije types, weet je wel? Artistiek gedoe, echt iets voor jou. Fucking jammer dat je er niet was, ik had je graag aan hen voorgesteld.’
‘Klinkt leuk.’
Hij zegt iets, maar ik kan hem niet verstaan.
‘Sorry,’ roept hij. ‘Het waait hier een beetje.’
‘Waar ben je?’
‘Ik ben onderweg naar Sandra. Die is jarig. Ik wilde je eerder bellen, maar het kwam er niet van,’ zegt hij, en dan hoor ik weer een enorme windvlaag. ‘Jezus, het stormt hier! Maar vertel, zo beroerd kan het daar toch niet zijn?’
Ik vertel hem over mijn collega’s, over Frank. Ik wil iets over het grijze moeras zeggen maar dat gaat niet, dus beschrijf ik de situatie in het zwembad. Hij zegt: ‘Vet! En, ben je het bad nog ingedoken?’
Nee,’ zeg ik, en ik wil het uitleggen, wil alles uitleggen, maar er buldert een nieuwe windvlaag uit mijn telefoon, harder nog dan hiervoor.
‘Sorry, wat zei je? Ik hoor niets, door deze wind. Misschien kan ik je beter op een ander moment bellen,’ zegt hij. ‘Ga een biertje met ze drinken!’
En tegen de bulderende wind zeg ik: ‘Ja, misschien doe ik dat wel,’ en we hangen op. Ja, misschien doe ik dat wel.
Maar ik eerst ga nog even douchen.

 

Gepost in Columns, Proza | Plaats een reactie