Waarheen, Theo van der Wacht

There will be nonsense in it
Lewis Carroll

W A A R H E E N

sea

De valreep. Houd je vast! Dit hier bungelt aan geen touw, raakt schip nog wal. Ben ik degene die naar houvast taalt, zijn raasdonders linkt aan.. plankenkoorts? Waarop loopt dit uit? – Buikloop? S.O.S? Zwemvest? Reddingboot?

De tremor van de zee verdicht op een onzichtbare gitaar.
Decor: een schip dat oprijst uit een golfdal. Het alarm loeit aan. Het voetlicht pint een
losgeslagen boei of mijn, het spookbeeld van de kapitein. Wij delen het gevaar. En staan
wij even stil bij een drenkeling of een cycloon, stoplap en rijm houden koers en de vaart er prozaisch in.
De kapitein bedient zich van de affuit.
– Attentie regissseur!
De scheepskapel schiet in postuur. De dirigent kondigt Watermuziek aan. Zeetjes belagen
het toneel. Lichtmatrozen zoeken been om op te staan. Spitzen van karton. Zuidwesters
van papier. Onze prima donna danst de pirouette van de eeuw. Ons kompas totaal van
streek, tolt in de rondte als een vaan. Waarheen kompaan? Oost Noord West Zuid?
De Vliegende Hollander achterna?
Langszij meert de fluisterboot van de souffleur, en ook de dramaturg schuift bij ons aan.

Windstilte als tussenspel. De uitkijk meldt Land In zicht. Stuurman en ik turen over de
oceaan, zijn het gauw eens, de berg die daar opdoemt is Bibelebonts, ofwel we liggen
pal op koers. De choreografie vergast ons op een potvis, eentje die echt spuit. Dansers
beelden tritons en dolfijnen uit. Applaus. De zaal gaat volledig uit zijn dak, stamt
terloops zijn voeten droog. Waarom vertrouw ik mijn oren niet?

De decorateur verrast ons met een antiek tafereel.
Een panfluit begeleidt een centurio op het toneel.
De zaal muistil. Maar de Romein is niet te verstaan.
Iemand fluistert: – Die is vast van het andere Latijn.
Wie meent dat dit overwaait, koestert ijdele hoop.
Wat te verwachten was, er gaan mensen op de loop.
Gevloek, gestruikel, en gedoe. De regisseur verbluft:
– Vrienden, dit staat niet in de script. Pan? die is al tijden dood.
Maar stel dat iemand God verstond.
– Techniek! Doek en pauzelichten alsjeblieft!

Let go!, terwijl het anker valt voor een volgestroomde zaal, wissel ik die Romein om
voor een Kelt, en is Gaelic nu de taal die men op het eiland dat we aandoen spreekt.
Als gepland staat er een banneling als gids voor ons gereed. Het orkest speelt Music in
a while
. Een haag van prikkeldraad, hoe zet je die geloofwaardig op de planken neer?
Zo’n strafkolonie van het laatste uur.. Als de bliksem gaat onze paukenist nu als een
donderstraal te keer…. Nee, geen pastorale van weleer, geen Orpheus tokkelend op
zijn lier. Resteert ons nog de vraag: waarheen, met al die bombarie van vandaag –

Wij die flanerend als toeristen verveeld een stad bezoeken. Het gemengd Matrozenkoor
rept van een basiliek in nood. Zon weerkaatst in het glas- in- lood, en zie, het kruisbeeld
voedt de P van penitent, die de gevoelens brandend houdt.
Ballet: de zonde gaat in rook gekleed.
– Godlief wat dwaal ik af. Souffleur help me op het goede pad, om selfies zit geen mens verlegen, behalve zij die wij het maar vergeven, om zo onbevreesd de dingen af te wachten die niet komen willen, als het hek dat voor geen wandelende Jood te hoog is, dat sprankje hoop voor wie nu leeft. O, deze ongelovige die brood en wijn doorziet als aalmoes en azijn, waar onze bas de Jezus opeist, de hoofdrol in dit lekenspel. Mes op de keel, en luister goed, de hagenpreek stormt ons uit het verre duister tegemoet. Geen nieuw geluid, geen eens of toen. Een roos werd immers nooit een zoen. Ongeloof wist het bovenaardse van dit ogenblik, een decoratieve regenboog.
De schrijver dezes zit verbijsterd toe te kijken en te luisteren in de zaal. Zijn dat mijn woorden, mijn beelden, mijn muziek, is dat mijn taal? En die houten klaas van een acteur? Waar bleef de zeebonk, de kaperkapitein, de man van V.O.C en zessen klaar? En die mijlpaal? Geen touw aan vast te knopen, geen Gordiaan om te vertrouwen, ons droomschip dreigt zelfs op een zandbak vast te lopen, een raadsel hoe dat kan. Maar soms weet jij het ook als auteur niet meer, speel je uit bittere nood leentjebuur bij de antieke literatuur. Hoop je dat je in dat labyrinth de draad niet uit het oog verliest, en zo een schrijversblok ontloopt.

Laten we ons nu niets inbeelden, sust de regisseur. Ik bied je wieken aan, een helikoperblik over het totale schouwtoneel. En subiet daagt er een café. Dit dranklokaal geurt naar bier van deur tot hier. Het zit er vol met schuim van nabije zee en verre oceanen. Zuipen op het geluk. Prut. Skol. Prosit. Uit de jukebox kreunt een bandoneon. Mijn lichtmatroos wordt bij de arm genomen door een travestiet. Rosa is de naam, wie kent haar niet.
– Zij maken ongekende passen. Ze dansen onmogelijke figuren. Ze besturen de tango van vandaag.
De tango die ik nooit zal leren.
Rosa Rosae Rosam.

De kapitein: wie heeft er zin om naar de schouwburg te gaan? Nou? Okay, zullen we dan maar, want wie is er nu niet benieuwd naar het spektakelstuk, dat als Gesamtkunstwerk een Oscar won? Blijft onze zorg, hoe krijgen we de begroting straks weer rond. Het grote publiek verkiest nu eenmaal voetbal boven Brahms, een parenclub in plaats van het toneel, Pink Pop boven Kind of Blue. Maar weet, wij als bestuur laken de bonuscultuur,
een subsidietje prima, maar concessies, nee!, geen deal met de gouddelvers van de reclame en tv.
– Bingo! Wij voeren Koning Midas ten tonele, en gunnen onze gastacteur en de grimeur de vrije hand, ten faveure van de regisseur en Pennewip van een auteur.

Als decor een spiegelgalerij. De kapitein geïrriteerd tot mij: – Kijk! Die twee daar, dat zijn wij. Een verborgen camera? Worden we life gefilmd?
– Zeg cineast, waar leidt dit allemaal toe? Dus bezoeken we nu een plantentuin. De bijtjes zoemen af en aan, een violist vertolkt de bumble bee, de bloemetjes raken in the mood, verzinnen zelfs een kolibri… Daar oogt onze prima donna een strijkplank bij, die aapt spagaat een vlinder na, en balt onder een open doekje de vuist die voor mij is bedoeld.

Een luchtgeest? Nee, dat moet verbeelding zijn geweest. Maar misschien is er storm op
komst. Ik laat de anderen even in hun waan, neem poolshoogte aan boord of alles zeevast
is gesjord. Er ontbreekt werkelijk geen steek, en dus is er nog tijd genoeg voor een douche.
Die afwisseling van koud en heet, dat swingt:

Ik ben de muze van de pure jazz
Ondanks country, soul en rock
ging mijn be-bop nooit op de fles
De blues zing ik immer nog in bes
Ik ben oud maar niet de jaren zat
Draai al zestig jaar swing op vinyl
Mijn platen tonen almaar fraaier
hun schorre klank, als fan weet ik
De pure jazz houdt eeuwig stand…

Pauze. In de foyer slurpt het publiek de koffie inclusief. De troep en het ballet
bekomen van de mise-en-scène. Uit het kabelgat klinkt hoongelach.
– Ach, kennelijk zijn die artiesten weinig gewend. Geen zeebenen als wij, en als het
even tegenzit, weten ze geen raad, zaait men al paniek. Maar wat als de smaak
verandert en jij niet? Trouw publiek is langzaamaan vergrijsd. Kijk om je heen.
De zaal stroomt aardig vol. Jeugd? Die bekijkt /bereist de wereld digitaal, YouTube
brengt hem/haar in a minute nergens en overal naar toe. – Homerus en Shakespeare?
Kunnen beiden makkelijk op A4, onberijmd een klus van hooguit een kwartier, en
waarom niet, al die sterren van weleer verbleken bij die van vandaag, nu is koning
voetbal baas op de Olympus, stroomt het geld als water naar de slimste plaatsen,
staan bouwmagnaten cool te dringen bij ruïnes, is Jezus Christus heel ver van gisteren,
je bent voor Ronaldo of voor Messi, en de wapenindustrie moet roken, anders
verdampen de pensioenen. Bankiers, bestuurders, artsen en advocaten, in farmacie
en bier is het vorstelijk beleggen, en sport en oorlog prima te fuseren tot een lucratief
verzetje. Mensen? Dat onkruid plant zich sneller voort dan menig god kan wensen.

Decor de aardbol, die zich heeft vermomd als platte kaart. De tenor zingt: je komt er
nooit vanaf, geen lijn wijst ons de weg, geen kromme die ons redt.
– Protest. Het orkest steekt vuurwerk af, en het ballet stuurt zigzag door een mijnenveld.
De sopraan in zwijm. Een voetnoot tegen dit kunstgeweld. De robot op mijn smartphone
staat voortdurend op stand by. Op Twitter wordt toevallig net een scheepsarts afgemaakt.
Wee de allesziende blik, die zelfs onze dromen binnendringt. Krochten waarin verlangens
smeulen, stille onuitgesproken woorden, wapens tegen het verdringen. Robot spreekt als
hij op dreef is, mij bij elke leugen tegen, kijkt ook niet weg als ik het privaat bestijg of
anderszins.., wat door de censor werd gewist.
– Van slag?
– Nee.
Soms geloof je zelf niet wat je schreef. Robot heeft aan geveins een broertje dood, voor mij als schrijver is dat beleg op het dagelijks brood, ik die het gekoer op mijn balkon al als orakel duid:
Roekoekoe, Amabilis Columba, mijn geliefde duif.

Tip: vermijd als auteur het voetlicht. Praalhans staat niet in het manuscript. Ergernissen?
– De toneelknecht die kortsluiting alarmeert, waaruit Stokebrand (Satan?) een brandje sticht, hooligans oproept, het toneelveld met zwaar vuurwerk bestookt.
Heavy Metal wakkert de vlammen aan. Witheet hardstaal.
– Kalmte kan u redden, predikt onze dirigent.
– Waarheen?, brult de decorateur.

Lichten dimmen, terwijl het gaat stormen op de planken. De spanten kraken. Het ballet
zeilt mee. De haren van de regisseur verwaaien. Koor zet ad libitum een strijdlied in: hoogbejaarden sluit de rijen. De zaal veert op, zingt mee in vele talen. Het decor kleurt
roze. Sirenes loeien. Jongeren zetten het op een lopen. Vertrapte rollators en prothesen.
Ouderen doen het langzaamaan.
– Een stervende zwaan?
– Nee! Onze prima donna kan op geen been meer staan.

Die bergen daar, dat zijn geen bergen, enkel deze grot is waar. Onze gids heeft zich als Kelt verkleed. Het meeste van wat hij ons vertelt, gaat langs mij heen hier in het duister, een
‘hemel zonder sterren’, een overbekende. Dante A. dichtte er schone bange verzen over,
streng als wij ze niet meer schrijven. Onze gids oogt sjofel, heeft weinig weg van een
geleerde. Men tapt uitsluitend Irish coffee in het veerhuis, het is ook inbegrepen. Na een
plas wacht ons het pikkedonker, geen schim voor ogen. En stap voor stap, of is het woord
voor woord, neemt het ballet nu resoluut het voortouw over. De tenor paniekt:
– Schiet toch een beetje op. We moeten terug zijn voor de avond valt.
– Pauze, verbetert hem de dirigent, die zelf nog worstelt met zijn partituur. Hij is duidelijk een tikkeltje overstuur.
– Orpheus in de Onderwereld, suggereert de eerste violist.

– Waarheen? Is voor mij nog steeds de vraag. Er staat niets over in het draaiboek. Wie hiervan schrikt, haakt nu maar beter af.
– Kijk voor je!, sist de souffleur.
– Dat dit geen snoepreisje is, staat onder de hand wel vast.
Onze gids wisselt soms van idioom, hopeloos, het lijkt wel of ik het allemaal droom. Die
vrouw daar, haar ken ik ergens van, uit de krant of van het toneel. Zij overleed zover ik weet,
begin dit jaar. En hoor ik daar nu Cockney Engels? Maar wat ik al dacht, ze zien me gewoon niet staan. Gids gebaart Trek het je niet aan, het is echt geen kwade wil, en onderwijl licht hij een sluier op, van droomstof, neem ik aan.
– Speciaal voor jou, een handige vertaalmasjien.

Een afslag, en er is vlooienmarkt. De bas zingt: Komt dat zien. De bariton speelt voor marktkoopman. Een kraam vol spullen zonder naam. In een spiegelruit zie ik mijzelf niet staan.
Op een selfie staart een schaap mij aan. Yolo. De maten wankelen. De harpiste slaat hoog en laag accoorden aan. Ballerina’s doen trippelduifjes na. De gids vraagt: wil je mistletoe, wat mijn oortje vertaalt als maretak. Ik knik instemmend naar die man daar in zijn regenpak. Hij, plagend:
– Die Bibelebontse berg aan zee zo-even, op mijn eiland reiken wij niet hoger dan een heuvel met wat lammetjes ertegen. Ik, opzij:
– Zijn we hier dan toch in Ierland aanbeland?
– De gids, zich richtend tot het publiek:
– Let op, reiziger in spe, een regenhoed is op dit schone eiland zo goed als wettelijk verplicht. En geef ik nu dan, schrikt u niet, de complete Onderwereld kado voor een helder Ogenblik.

– Berg op, berg af, kreunt onze bas.
– Hier zijn geen bergen, antwoordt het koor.
Ballerina’s staan te trappelen. Sopraan volgt op haar tandvlees.
– Berg op, berg af.
– Hier zijn geen bergen.
It keeps you going, gniffelt de kapitein.
Anyhow, val ik hem bij.
De zon gaat onder. Sterren stralen. Venus baadt in het avondrood, en Mars is in de wolken.
Wauw! De dansers vliegen af en aan, ons podium een duiventil.
– Het zijn geen bergen, het zijn de golven.. schuimend als Brugs kant.
Vlokken zigzaggen over het basalt, verankerd in drijfzand.
Everywhere.

De kapitein (ijsberend over het toneel):
– Ik heb even genoeg van dat gesjoemel met tijd en plaats. Ik leef vandaag, geniet van
wat te binnen schiet, en dat is veel. Neem nu de mollige heupen van de zee, of deze
morgenstond, smakelijk opgediend met bacon and eggs.
– Een pruimpje?
– Nee, doe mij maar zware shag. De Weduwe Van Nelle is mijn favoriet.
– Koffie?
– Yes, zwart please, en liefst zo heet, dat mijn gehemelte het me niet vergeeft. Ja, soms
ben ik een rare, vooral tegen de avond, als sluikreclame voor ouwe klare. Maar als de
zon straks hoog staat, en het goud blinkt op mijn mouwen, dan neurie ik aangedaan:
Een zeeman houdt van een zeemanslied, hojo hojo hojo.
Hij zingt van een meisje dat varen gaat en een jongen die op de kade staat.
– Of over een matroos die schipbreuk leed, en de witte walvis die hem redt.
Ofwel over hoop. En over redding in de nood.

Een gestalte komt overeind, wrijft zich de ogen uit, en gaapt:
– Stuurman, het lijkt wel of ik heb gedroomd. Wat doen die al flessen hier in mijn kajuit? – Kapitein, die vormen geen probleem. We zijn zeeklaar. Tij en weer zijn optimaal, dus
zegt u het maar, waar gaan we heen?
– Stuur, ik ben lang nog niet zover. We nodigen eerst de crew uit voor een laatste samenzijn.
– Pikheet! Pikheet! De hele troep schuift in een oogwenk aan.
– Disgenoten, we proosten op de toekomst, waar die ons ook brengen moge.
(Techniek: – Satelietverbinding linea recta met den hoge).
De kapitein vervolgt zijn speech in wereldtaal, abracadabra voor de mensen in de zaal.
Wij verorberen woorden, en het publiek schranst mee. Zeekraal en zeespinazie
worden goed ontvangen. Pils, die uilenzeik van protestanten, hebben we clandestien
door eigen gebrouwen bier vervangen. Verse oesters? Nee, die lust lang niet iedereen.
Rucola? Ja, die verjoeg laatst eindelijk de slappe jonge sla als ondermaats poëem uit
de eetcanon. Ook muziek draagt bij aan dit festijn. La Mer, de zee voor wie het Frans
niet beheerst, wordt op mijn pick-up bij weer en wind, z(st)eevast dansend stukgedraaid.

Anker òp. Het ballet staat op de kaai. We worden hartelijk uitgezwaaid. Het nachtelijk
decor onthult de Melkweg. Pijl wijst naar stip, onze eigen zon. Een knikje van de
dirigent, en het orkest gaat uit zijn dak als een ultramoderne drietrapsraket.
The Planets, ook dat nog, verzucht de dramaturg. Wie maakt een eind aan dit Latijn.
– Nog een paar maten, kerel, en we zijn er weer vanaf, troost hem onze kapitein.
Een sterrenwacht begeleidt ons hogerop. Een heerbaan die met symbolen en getallen
is geplaveid. Star Wars verbleekt met lichtsnelheid tot ver verleden tijd. We vliegen onze
afkomst tegemoet, verliezen kilo’s, maar winnen aan gewicht. Ik draag Robot op mijn
hart, voor je het weet zijn we al bij Mars, een astronomisch afstandje van niks.
De scheepsfluit snerpt, het is onze trompettist, die zat er even lelijk naast, en bracht mij
weer bij de tijd.
– Kies ik nu voor toneel, of vaar ik strakjes weer op zee, doe ik mijn geliefde havens aan?

Komt een mens in beeld. Het is geen vrouw, het is geen man, het is een recensent. Onze
sopraan slaakt gilletjes. De bas verslikt zich in een noot. Het orkest houdt zich de oren vast. Prima donna grijpt naar een bonenstaak. Ballet loopt spaak. Verlichting radeloos. En het decor vat vlammetjes…

De zaal doodstil. De regisseur in coma. Wie neemt het over?
– Treurmars aanheffen?
– Nee!
– Ballet in rouwkostuum?
– Nee! Wij willen rozen als decor.
De tenor (valt uit zijn rol):
– Zo’n vals stuk criticaster
– We weten waar hij woont, roept iemand uit de zaal.
– Zijn kop eraf. Zijn kop eraf!
Onze koningin tegen haar piekenier:
– Wat een pit, Wil. Dat zijn tenminste nog eens jongens van De Wit!

De aarde heeft niets te stellen met de mensheid. Zij draait zich op Haar andere zij en
sluimert. Meteoriet en mijnbouw kunnen Haar niet verontrusten. Mensenrechten Haar
gemoedsrust niet verstoren. Zij vertrouwt blindelings op Haar cohorten, bestaande uit
94 korpsen ontelbare soldaten, die Haar terrein bewaken en waar nodig rücksichtslos
verdedigen.
– De aarde, nee, Die heeft totaal niets met de mens te stellen.
– Waarheen? –
Voor ons de vraag, voor Haar een weet, die in Haar anders Zijn besloten ligt.

– Bootsman, dat bungelende touw daar bij de valreep, is dat nu nergens vast te knopen?
– Stuur, ik zou zo gauw niet weten waar.

 

Gepost in Gedichten | Getagged , | Plaats een reactie

«In dit type verhaal kan Verschuren zich meten met Jorge Luis Borges.» – Jan Hendrik Bakker

Over ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren
in Den Haag Centraal, 23 februari 2017:

Lees hier de recensie

DHC23-2-2017Verschuren

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan, Theo van der Wacht: Degas op zijn Nederlands

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 

 


Cornelia Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   

                                                                                                                    

Lees meer »

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

2 maart presentatie Extaze 21: ‘Literatuur die het podium betreedt’

ExtazeinHoutrustkerk21.indd

Literatuur komt niet alleen tot ons in geschrifte. We horen literatuur op uiteenlopende podia: waar revues of musicals worden uitgevoerd, waar muziektheater te zien en te horen is, waar cabaretiers en podiumdichters hun zegje doen, waar zangers teksten zingen die bedoeld zijn om er goed naar te luisteren. Dick Brongers en Cor Gout spreken met elkaar over de revue in de Tweede Wereldoorlog, onderbroken door tekstschrijver-pianist Hans Steijger die ‘goede’ en ‘foute’ liedjes uit die tijd ten gehore brengt. De politiek geëngageerde schrijver/teksdichter Nico van Apeldoorn draagt voor de pauze, begeleid door gitarist Dolf Planteijdt, voor uit eigen werk en verstaat zich na de pauze met het werk van de in 2002 overleden tekstdichter Lennaert Nijgh. Naomi Duveen leest gedichten voor die zijn gebaseerd op haar (te) vroeg afgebroken danscarrière. Beelden van de clown Buziau (1877–1958) worden van begeleidende tekst voorzien door cabaretier Fred Florusse, bekend van Don Quichocking. De zaal van de Houtrustkerk zal zijn opgesierd met panelen van de expositie ‘Variété aan Zee’, de geschiedenis van het variété in Den Haag in beeld, die eerder in het Atrium te bezichtigen was. Cor Gout (presentatie) en
Hans Steijger (met een toegift) sluiten de avond af.

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Harold Verra / Bigfatzo Productions

Gepost in Home | Plaats een reactie

Gratis ‘instap-rondleiding’ in het Louis Couperus Museum

Wegens succes verlengd
Iedere zondag om 14.00 uur
Gratis instap-rondleiding

Iedere zondag t/m 26 maart 2017, 14.00-15.00 uur

pier panderAlba, Pier Pander

Tot en met eind maart bieden wij u iedere zondag om 14.00 uur een gratis
‘instap-rondleiding’
door de tentoonstelling Schilderen met woorden in het Louis Couperus Museum.

Frans van der Linden, gastconservator van de expositie, of de Neerlandici Marianne Hezemans of Margriet Rutgers vertellen u alles over de achtergronden van de poëzie van Couperus. Zij reizen met u naar het Italië van Petrarca, het Engeland van de Arthurlegenden en het Egypte van de Hellenistische tijd. Topstuk van de expositie is het beeld Alba van Pier Pander, waar Couperus een sonnet aan wijdde.

De rondleiding duurt ca. een uur.

Welkom!

Gepost in Home | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Nieuw verschenen recensies

Het stinkende goudHans van Cuijlenborg – Het stinkende goud. Een liefde aan Goud-, Tand- en Slavenkust. Historische roman, De Bilt 2016 (HaEs Producties)

Lees hier de recensie

 
 
 
 
 
 
 
 

Felix Salbambitem. Bambi. Een leven in het bos,
2e druk, Den Haag 2016 (vertaald door Jet Quadekker)

Lees hier de recensie

Gepost in Geen categorie, Home | Plaats een reactie

De Trappist, door John Toxopeus

E-mails die niet beantwoord worden, het is een van mijn grootste ergernissen. Vooral als ouderen zich er schuldig aan maken. Van jongeren begrijp ik het wel. De snelheid waarmee ontwikkelingen zich aandienen is voor hen niet bij te houden. Wij senioren zijn daar aan gewend. E-mail is alweer ouderwets en ingehaald door de WhatsApp en zal nog voor mijn overlijden plaats hebben gemaakt voor de bril die alleen een oog nodig heeft om een boodschap over te brengen. Mobieltjes, tablets, de kinderen van onze kleinkinderen zullen zich eraan vergapen en zich afvragen of wij werkelijk zo achterlijk waren daar je vingers voor te gebruiken.
Niet reageren ken ik ook niet van vroeger. Tijdens mijn arbeidzaam leven was e-mail een fijn communicatiemiddel. Je hoefde nooit lang te wachten op een reactie, hooguit een dag. Dat is nu anders.
Ik bevind me in een wereld van nonchalance, van hooghartig stilzwijgen, van respectloos negeren. Ik bevind me in een wereld van schrijvers en uitgevers.
Van schrijvers waar ik mee omga zijn er twee soorten. Degenen die menen je vele tientallen pagina’s ruwe, ongecorrigeerde tekst toe te kunnen sturen, met het verzoek om commentaar. Wanneer je opmerkt dat dit in geen verhouding staat tot de zorgvuldig geredigeerde korte verhalen die je zelf inlevert, trap je op hun tere ziel en volgen er niet zelden tranen. De andere soort heeft niemand nodig, tenzij er iets te halen valt. Bij mij valt zelden iets te halen.
Als het gaat om communicatie zijn uitgeverijen zo mogelijk nog erger. Communiceren doet men alleen als er materiële belangen mee zijn gemoeid. Uitgevers werken met standaardberichten, maar zelfs dat is meestal teveel gevraagd. Een auteur wordt beschouwd als een melkkoe en uitgevers weten dat er duizenden schrijvers staan te dringen om tot de veestapel toegelaten te worden.

Uitgevers behoren tot een onbetrouwbaar volk, een enkele uitzondering daargelaten. Soms probeert iemand zich aan dat milieu te onttrekken. Een van hen is Henry Fles die ik kortgeleden tegenkwam. Ik herkende hem eerst niet in zijn monnikspij. De zekerheid dat hij het was, groeide toen ik zag dat zijn hand beefde bij het inschenken van de kostelijke Trappist die ik zojuist had besteld.
‘Henry, ben jij het?’
‘Henricus,’ zei Henry, ‘broeder Henricus.’
‘Kom ik je toch nog een keer tegen,’ zei ik, ‘terwijl dat het laatste is wat ik wilde.’
‘Dat had niet gehoeven,’ zei de monnik, ‘jij hebt de stekker eruit getrokken.’
‘Daar heb je het natuurlijk wel naar gemaakt. Ik was je productiefste en actiefste auteur. Je had me in de boter en de suiker moeten rollen.’
‘Waarom dacht je dat ik hier zat? Ik wil met mijn geweten in het reine komen.’
‘Daar zit een mooi verhaal in,’ zei ik.

Bij mijn derde glas, dat wij dronken in de refter waar eigenlijk alleen monniken mochten komen, vroeg Henry Fles of ik nu op wilde houden met al die ellende, mijn opgehoopte frustraties over hem uit te storten. Hij wist zelf ook wel dat hij slinks en onbetrouwbaar was geweest. Dat hij honderden euro’s had achtergehouden en belachelijke rekeningen voor waardeloze promotieactiviteiten had rondgestuurd.
‘Ik heb het grondig overdacht,’ zei hij, ‘eerst tijdens een wekenlange wandeltocht langs het Pieterpad van Pieterburen bij de Waddenzee tot de Sint-Pietersberg bij Maastricht. En nu hier.’
‘En je agressieve manier van communiceren?’ vroeg ik, ‘waarvoor al je andere auteurs, als angstige wezels, zijn gezwicht? Bang dat je anders hun boekjes niet meer uit zou geven?’
‘Wat moet ik dan doen om het goed te maken?’ fluisterde Fles. Hij had tranen in zijn ogen.
Ik wist dat ik nu door moest pakken. ‘Eerst nog zo’n roodkoperen godsgeschenk,’ zei ik en wees op de bierpomp achter hem.
Over de schuimkraag keek ik hem aan. Dat maakte indruk. Dat wist ik omdat ik zelf dikwijls zo was geïntimideerd, maar dan vanachter een kop koffie bij werkgevers en zelfs collega’s die vonden dat ik op moest stappen.
‘Henry,’ zei ik, ‘of broeder Henricus, als je dat wilt, je loopt weg voor je verantwoordelijkheid. Je moet naar de mensen toe, persoonlijk, praten over je gedrag, vragen hoe je het goed kan maken. Wat je nu doet, dat is laf.’
Hij stond op, knoopte het koord van zijn pij opnieuw vast en liep naar het raam. Ik zag dat hij was afgevallen.
‘Waar denk je dan aan?’ vroeg hij met zijn rug naar me toe. ‘Wat moet ik doen om schoon schip te maken? Van onze vier soorten Trappist elk twaalf flesjes? Is dat genoeg?’
Net toen ik wilde zeggen dat ik dat prima vond, draaide hij zich om en ik zag weer die blik, zelfgenoegzaam, hooghartig, de halve glimlach, een grimas die hoorde bij het zogenaamde onderhandelen, waarbij er maar een uitkomst mogelijk was. Die van hem.
‘We staan op het punt twee nieuwe soorten op de markt te brengen,’ zei hij. ‘Een van acht en een van negen-en-een-half procent. Die doe ik er bij.’
‘Eerst proeven,’ zei ik.
‘Dat kan niet. Er is nog geen etiket. Binnenkort neem ik een beslissing over de namen. Ze beschouwen mij hier als deskundig als het gaat om taalgebruik. Ik laat ze eind volgende week bij je bezorgen.’
‘En je andere voormalige auteurs?’ vroeg ik.
‘Geen denken aan. Niemand weet dat ik hier zit.’
‘Daar kan ik natuurlijk verandering in brengen.’
Ik hoorde iets wat leek op een vloek .
‘Als ik er nou één naar jou vernoem? De Goede Johannes. Zoiets was ik toch al van plan.’
‘Misschien krijg ik nog wel een beter idee,’ zei ik. ‘Ik mail je, en wee je gebeente als je niet reageert.’

Mijn vrouw moest erg lachen toen ik het haar laat die avond vertelde. ‘Wat dacht je van TrapTox of Toxpist,’ zei ze.
Ik zei dat ik haar reactie niet leuk vond. ‘Ik ga hier echt serieus over nadenken. Ik wil dat het pijn doet, iedere keer weer als die nepmonnik de naam tegenkomt op de tap of op het etiket van een flesje.’
‘Je hebt teveel gedronken, jongen,’ zei mijn vrouw. ‘Ik dacht dat je dat allemaal nou wel achter je had gelaten. Je moet weer genieten van het schrijven. Dat ging de laatste tijd net zo goed.’ Ze gaf me een zoen en ging naar bed.
Ik nam mijn glas mee naar mijn kamer en maakte een halve liter bockbier open. Vanuit mijn luie stoel keek ik naar mijn boeken, schitterende boeken uitgegeven door Henry Fles. Boeken waarvan de opbrengsten gingen naar de uitgever en boekhandel. Boeken waaraan ik alleen verdiende als ik ze zelf verkocht. Een paar euro per boek was voor mij, en dat voor honderden uren schrijfarbeid. Boeken waarvoor de contracten door mijn strot waren gedrukt. De strot van een professionele onderhandelaar, een vakbondsman die gedurende vijfentwintig jaar meer dan honderd cao’s had afgesloten. Was dat het? De oorzaak van mijn wrok die zich niet liet verdringen?
Soms vergat ik iets weer wat ik zojuist had bedacht. Daarom schreef ik ze op, de namen voor de twee nieuwe soorten Trappistenbier.

‘Die andere Trappisten hoef ik niet,’ mailde ik Henry Fles. ‘Alleen van de twee nieuwe soorten: vierentwintig flesjes ‘Niks aan de hand’ van acht procent en dezelfde hoeveelheid van ‘Met harde hand’ van negen-en-een-half procent. Mijn adres heb je ongetwijfeld nog.’

Toen ik de dozen in huis had, nodigde ik alle auteurs van Henry Fles uit om het bier te komen proeven.

John Toxopeus (Utrecht, 1946) is gepensioneerd en was daarvoor vakbondsbestuurder. Hij studeerde psychologie. Hij publiceerde in Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften. Er verschenen vier verhalenbundels van zijn hand, waarvan ‘Zo zien de mensen het graag’, satirische verhalen over BN’ers, de meest recente is. ‘De Trappist’ maakt deel uit van een volgende bundel die najaar 2017 verschijnt. Thema en werktitel: ‘Conflicten’. johntoxopeus.nl

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

Vrije tijd, door Christian Oerlemans

Iedereen heeft het druk tegenwoordig. Vraag je hoe gaat het? Drukdruk. Dat schijnt te moeten. Als je het niet druk hebt ben je een sukkel. Is dit een nieuw fenomeen? Ik herinner me dat Toon Hermans een lied zong over moeheid: ‘pa is moe, moe is moe..’ enfin, iedereen was moe. ‘We leven in het tijdperk van vrouw Holle ‘ – concludeerde hij.
Toen dus ook al. Toon zou opkijken als hij het hedendaagse mobiele telefoonleven zag. Volwassen mensen op zoek naar een niet bestaand Pokemonpoppetje, daarover hoef je geen grap meer te maken, dat is al om te lachen.
We hebben het druk, ja, maar vooral ook met de vrijetijdsbesteding. Vrije tijd: ooit is er voor gestreden. En hiermee groeide een nieuwe industrie: de vrijetijdsindustrie. Pretparken, recreatieve supermarkten, coffieshops. Inmiddels is er gelukkig ook Facebook en Twitter voor de vrijetijdsbesteding. Kun je met je laptop of je telefoon lekker bezig zijn, zeggen wat je ervan vindt, dingetjes delen, je vrienden feliciteren en een goed gevoel over jezelf krijgen. Vertel de wereld wat je eet, hoe je slaapt en wat je leuk vindt. Er komt soms ellende uit voort. Jonge meiden geven zich bloot, want Patricia Paay doet het ook. Goh wat interessant allemaal en wat heb ik veel vrienden. En sinds Trump de twitterkoning is geworden gaan de beurskoersen van dit wat kwakkelende communicatiebedrijf weer omhoog.
Om terug te komen op Toon: bekijk op Youtube een stukje van zijn show waarvoor vroeger de zaal plat ging en je ziet hoe de wereld is veranderd. Het moet allemaal heftiger, sneller en harder. Omdat vrije tijd besteed moet worden, hebben we het drukker dan ooit. Als ik bijvoorbeeld zie wat kinderen allemaal moeten, afgezien van de schoolgang. Een doodvermoeiend vrijetijdsprogramma, waarin uiteraard de ouders worden meegesleurd. En gepensioneerden gaan niet rustig dood achter de geraniums zoals vroeger, maar beginnen een nieuw leven, soms met iemand die veertig jaar jonger is. Het verrast me elke keer weer als ik in Portugal, waar ik vaak ben, mensen mijmerend op een plastic stoel zie zitten terwijl het onkruid aan hun voeten groeit. Ze hebben tijd om naar de groei te kijken. Tijd om koffie te drinken op onooglijke terrasjes, tijd om zomaar wat te zitten in de zon.
Zomaar zitten in de zon
Een parasol boven je bol
Je zou wensen dat ’t altijd kon
Zomaar zitten voor de lol
(Nee, niet van Toon).
Ogenschijnlijk hebben mensen in Portugal meer tijd. Voor zichzelf en voor elkaar. In de winkel moet je vaak wachten totdat je eindelijk aan de beurt bent, niet omdat het druk is, maar omdat de voorgaande klant er een gezellig dagje van maakt. Heb je – als voorbeeld – zelf een bijzonder schroefje nodig, dan is de helper in de ‘drogaria’ (uitgebreide ijzerwarenwinkel waar je ook prima wijn kunt kopen) een kwartiertje bereid om alle bakjes en doosjes om te keren in de stoffigste hoekjes van het magazijn. Kosten schroefje 20 cent.
Tijd is hier nog niet zo heftig gekoppeld aan geld. Aan de andere kant is er de heilige vrije tijd, afgezien van de kerkgang. Kom niet aan de lunchtijd. Bij de eenvoudige restaurants langs provinciale wegen staan rond één uur de auto’s rijen dik geparkeerd, veel bestel- en vrachtwagentjes, weinig dure hybrides. De lunch is het toppunt van vrije tijd. Kosten rond 7 euro, inclusief de wijn die eigenlijk niet mag want er is zero tolerance. Na de lunch zie je op de rotondes dan ook veel strenge politiemannen op de been.
In de paleisachtige shopping malls (met teveel failliete winkels) zitten honderden mensen ’s middags te lunchen. Elke zichzelf respecterende fastfoodketen is aanwezig, plus tientallen lokale uitgifte-restaurantjes, zoals een soepzaak of een gezondheidskeuken of een fruitdrankjes specialist. Israëlisch, Turks, Grieks, Italiaans, noem maar een land en de keuken is aanwezig. Doordeweek is het druk, ’s zondags is er geen stoel meer te krijgen. De hele familie gaat lunchen op Zondag, vaak de hele middag. En neem gerust je baby mee, want tussen de restaurants is een podium voor gratis Baby Care.

Naamloos2
Elke plaats heeft tenminste één shopping mall, met palmen en tuintjes en watervallen en al die restaurantjes. Je kunt er natuurlijk ook shoppen, erg voordelig, want er is altijd uitverkoop en de bekende merken zijn hier sowieso goedkoper dan elders in Europa (op de prijskaart van bijvoorbeeld Zara staan de prijzen per land vermeld, weliswaar achter een sticker, maar die kun je eraf pulken. De prijsverschillen zijn vaak schokkend groot).
In de shopping malls werken veel jonge mensen. Hun minimumloon is door de nieuwe linkse regering met 5% verhoogd tot bijna 650 euro in de maand (altijd nog minder dan in Griekenland). Voor dat geld spreken de meesten nog Engels ook. Vrije tijd? Hebben ze weinig want in Portugal moet je minstens twee banen hebben om te (over)leven.
Als je vraagt hoe het gaat… Drukdrukdruk.

Naamloos

 

 

 
Shopping mall Forum Algarve in Faro.

 

Gepost in Column Oerlemans | Plaats een reactie

«Het verlangen elders te zijn» – Reinier van Houwelingen: ‘Stromen die de zee niet vinden’

Cover StromenOver ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren op Literair nederland, 23 januari 2017:
Het creëren van een ‘perfect bevroren moment’, dat is het doel van de Amerikaanse fotograaf Gregory Crewson. Hij is een van de bekendste exponenten van de geënsceneerde fotografie. Dagenlang kan hij, samen met een grote crew en met behulp van een opgebouwde set, aan één foto werken. Het resultaat wordt vaak filmisch genoemd, vanwege de combinatie van narratieve en visuele elementen: in een enkel beeld vertelt het werk van Crewson een heel verhaal. (Overigens beschouwde de grote cineast Andrei Tarkovsky ritme juist als de essentie van filmkunst. Hij noemde het verstrijken van tijd binnen een frame ‘sculpting in time‘. (…)

Lees hier de recensie
Meer over Rob Verschuren

Gepost in Extaze-reeks, Home | Plaats een reactie

Laurens ten Kate en Extaze op tv

In het programma ‘Het vermoeden’ heeft Laurens ten Kate het o.a. over Extaze nr. 20:
‘De magie van het verlies’. Bekijk hier het programma.

Gepost in Home | Plaats een reactie