Nieuwe recensie: Kasper van Hoek, Geen sinecure door Hein van der Hoeven

Lees hier de recensie.

geen sinecure

 

 

 

 

 

 

 

recensie

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan,
Theo van der Wacht: Over (h)eerlijk òverdrijven gesproken…

Bubbels en bellen

Zowel aangewaaid als aangelokt,
het horen en aanzien van bellen en
bubbels, van prullen als proppen op
de kermis verschoten, glans van niets
zeggende dingen, plastic roos van de
troostprijs, de nasmaak van zoetstof,
die verzaligde, smoezelige glimlach.

Lot
Soms als het lukt
opstijgende lucht,
de haren ten berge,
de pijn van geluk.

Geluk?

Een handkom zee te wijden aan de zon.
Het woord is aan de temperatuur: verhit
ontdoet het zoet zich van het zout – Eerst
nog geen wolkje aan de lucht. Tot kunst
het geloof de hand reikt, en omgekeerd.

(H)Eerlijk overdrijven

Gouden roos. Oude doos. Waar komen die antikiteiten zo gauw vandaan?
Paard op stal. – O, zit dat zo! Maar wees wel voorzichtig: infectiegevaar.
Van een zwaar hoofd langzaam bij te komen. Het brein op halve sterkte,
dat kan mijn robot moeiteloos aan, want hoe ernstig kan het zijn? Angst
achter een glimlach te verbergen, grijns om te verbijten, grimas aan een
paljas op te hangen? Wat is er nu tegen een (h)eerlijk potje overdrijven?

——

Lees meer »

..that willing suspension of disbelief for the moment,…
T.S.Coleridge, Biographia Literaria

KUNST EN (ON)GELOOF

Extase
Kunst en geloof spannen een uiterste
seconde een eeuwigheid samen.

Met al die verschillende meningen over
kunst, wordt het ongeloof zwaar beproefd.

Geloofwaardig of niet, een altijd weer
terugkerende vraag.
– Waarheid? Zandkorreltjes eeuwigheid.
– Kunst? De schaduw van de verloren tijd.

Heilig geloof heeft ook de kunst
een strijd op leven en dood bezorgd.

Geloof. Bijgeloof. Ongeloof.
De kunst er mee om te gaan.

Van kunst dromen om
niet te hoeven geloven.

Blind geloof in kunst,
wedijvert met brodeloos.

Kunst versus werkelijkheid.
Geloof versus tijdelijkheid.

Een kunst die het uitschreeuwt – gauw, vlug,
anders is de kans voorbij, triomfeert opnieuw
het geloofswoord, dat zich slim verbindt met
een verpakking, die de houdbaarheid verhult.

Geloof is bedwelmend,
kunst overstelpend,
en v.v.

Avant garde
Nieuw geloof
De mens wikt
God slikt

Het geloof als vraagstuk.
De kunst als waagstuk.

Schepping. Kunst. Ontwerp.
In tijden dat de chaos droomt.

In tweestrijd door het geloof,
wendt de leer zich tot de kunst,
lonkende plank in het drijfzand.

Toen ik er net in begon te geloven,
stak er een writersbloc op.

Uit ongeloof de schepen achter je verbranden,
in de hoop dat je zinnen eindelijk gaan vlammen.

tabula rasa
In het niets geloven
om met een schone lei te overwinnen.

Geloof in een hiernamaals.
Lees dit bij twijfel als een
gebiedende wijs.

Het geloof verdoezelen,
het laten ontaarden in kunst.

Waag je niet aan kunst wanneer je
geen geloofscrisis hebt doorleefd.

Als kunst niet stinkt, er zelfs geen luchtje
aan kleeft, toont het zich ongeloofwaardig.

Teleurgesteld in de wijsbegeerte, sloeg ik Dante maar weer eens op,
diens Goddelijke Komedie, blader door het Voorportaal, laat de Hel
nu maar eens de Hel, om me stap voor stap te verdiepen in het boeten
en louteren, in oprecht vernederen, in het hardop slaken van zuchten.
Om dan eindelijk het kwaad te boven, mij te verblinden aan het licht,
mij te vergapen aan het spektakel, en nu hardop te lezen wat er staat:
‘Uit mijzelf reik ik niet zo hoog, lijk door een bliksemschicht geraakt’,
O Hoogmis, met veelstemmige Engelenkoren en Bach zelf op de bok,
– Hosanna. Hossana. Etcetera.

Niemand heeft aan de kunst
zoveel te danken als god.

Welke hulp kan de kunst bieden aan een
gelovige die zijn onschuld heeft verspeeld.

Geloof zetelt in het hoofd,
kunst in de bloedsomloop, en omgekeerd.

Die vinger van God.
Niet te geloven!

Bach op het orgel
Geloven maar…

Kunst, de grootste plunderaar
van mythen, geloof en bijgeloof.

 

Promenade

Op Scheveningen, strandtheater aan de haven.
Viool speelt de Bumblebee, het ballet zwermt
uit over het toneel, als honingbijen om de korf.
Prima donna neemt open doekjes in ontvangst.

In de pauze pierenwaaien met Neptunus, sushi
en biertje inclusief. Een knalvuurwerk de sfeer
verhit, de natuur op tilt. Grimmig boven zee op
een Olympisch onweer afgestemd, in F majeur.

In de orkestbak barst de hel los: ‘Donderslagen
op muziek’. Slagwerk.Toeters. Een symfonische
kanonnade, bominslagen. Publiek in alle staten.

Zeekant. Een brandje hier en daar. Voorportaal.
Een Dantesk bacchanaal van bedwelmde darren.
De partituur? Die ontkomt niet aan dit vagevuur.


Dichter in zee

Om het niet alleen bij woorden te
laten, in Adamskostuum de zee te
beproeven, onbedekt de branding
te tarten. Kopjes onder. Prikogen.

Ziltproeverij annex kwallenbuffet.
Wat steekt is de jeuk, de natuur die
sart en bevleugelt. Regenbooglicht.
Schuim.Venus op de lippen. Glitter.
Trek naar het diepe. Langere deining.
Lome golven. Briesje. Drijfvermogen. 

 

Stapvoets

Vraag is of dit vers zich ervoor leent.
Probeer daarom eerst maar een paard.
Borstel de huid, poets het tuig, baad
in het zweet, ben òp voor ik het weet.

Maar wees alert, wat er briest, komt
stapvoets werkelijk op ons af. Koets,
kraaien en hoefslag doen hun beroep.
Wat is erger, een trap of een stomp.

Breken wij ons gedwee de nek over
de bloemen, de snacks, de toespraak.
Hoe er te komen, te voet of te paard.

Bevleugeld rouwen, afloop onzeker.
Niet te beteugelen anderhalve regel
er vandaan. Stampvoet. Snik. Zegel.
 

Klein geluk

Bal, een balletje hooghouden,
mooier en langer dan het jouwe,
erop vertrouwend dat het mij eens lukt,
vermijd ik haast, onderlijn ik mijn geduld.


Tweedracht

Zo-even bij mijn brein aangekaart waar wij ons
komende tijd mee verstaan. Een samenstel van
taal, hersenspinsels, goede zin brengt ons waar

wij moeten zijn, hier-nu, socratisch in duel met
elkaar. Op gevaar af voor pretentieus te worden
aangezien, ogen wij tot hoe ver we kunnen gaan,

nemen wij zwart en wit als absolute grenzen aan,
regenboog als decor, koppelen we darm aan rede,
omarmen wij de tweedracht blij maar ontevreden.

 

Winters

Zo goed zo kwaad ingezoemd op de
plaats waar ik winters naar reikhals,
de symbiose van laagland, sloot, ijs.

Schaatsen uit het vet, dus toerrijders
opgelet: ‘t kan vriezen, kan dooien,
laat je niet foppen door mooipraat.

Nat pak te riskant? Wacht dan nog
een nachtje af. Waaghals bij hoog
en laag? Bewijs het in mijn plaats.

 

Op tilt

Een naar zuidwest krimpende wind. Storm
in de maak. Voorspellende woorden, tekst
slaat op tilt, zwalkende zinnen haken naar
een houvast – een bolder, touw op de tast.

 

Catche a falling starre.
John Donne

Climax

Me afgevraagd wat mij vandaag op de been
houdt. Onzinnige gedachten voeren mij naar
een riskante plek, een rondschouw die opgaat
in een climax: van een zon die kakelbont  uit het
zicht verdwijnt, waar men op de kim scènes uit de
hel uitbeeldt, en ikzelf, in het licht van die vuurstorm,
nu het kan, die nog onbekende, vallende staartster vang.

 

Passage Achterberg

Wie doet er nu nog Dante aan? Diens voorportaal
bestormde ooit als een visioen van Jeroen Bosch
mijn puberale brein – O schilderij, o schilderij.

Een Haagse rode maan verft een gevaar: Twee
mensen hand in hand, de Passage vliegt in brand,
de ijssalon in vlam en vuur en Francesca biedt mij
naast de cassata ook haar vingers aan, geniet een
voorjaarlang van mijn gesmul, meeliftend op mijn
tong…maar glimlacht telkens net iets te jong – O!
schilderij van Hel en Hemel en Voorbij.- Het is
nu donker in dat land, gehangen aan de wand.

Naamloos

 

 

Foto: Carel Steijn, schilderij: C. Troost

Buiten beeld

Het kunststuk volbracht, handmerk gezet.
Met zand aan de kwast, stofjes op de lens.

Kom vooral dichterbij, plek genoeg op dit
strand. Markant, zelfs de ezel hier is echt.

Voel mee, het doek is nog nat van de verf,                     |
mix van blauw, grijs en licht. En de stoel?

Schilder zelf blijft buiten beeld, – doel ìs en
blijft het zeezicht, en wat kijker ervan vindt.

Troost

 

 

 

 

C. Troost

Het zich legen
tot de laatste letter

Overvolle
luchtspiegeling

Zwanenstal

 

Gebeeldbraakt

Op een ongemakkelijke plaats verzeild
geraakt, grensvlak van beeld en spraak.

Waar deze locatie mee correspondeert
of naar verwijst.- Een verholen zin? Een
code die moet worden gekraakt?- Klank?
Geur? Pijn? De godsonmogelijkheid van?

Wat blijft is de hoop die nooit opgeeft,
een kompaan die de eindeloze afstand
te lijf gaat, al inpratend op het graniet,
waaraan elk zieleroersel zijn kop stoot.

 

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 


C. Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   
                                                                                                                    

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Festival Poetry in the Park 2019

Kom 28 en 29 mei naar het Huijgenspark!
Het park is open, dicht mee!

Festival Poetry in the Park 2019
Huijgenspark, Den Haag
28 en 29 mei 2019
van 19 tot 22 uur
gratis toegang
Meer informatie: huisvangedichten.nl 

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Jos van Daanen, Soldaten door Felix Monter

Lees hier de recensie.

Soldaten, Jos van Daanen

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Nafiss Nia, 26 woorden voor schoonheid door Felix Monter

Lees hier de recensie.

Nafiss_Nia_26_Woorden

 

 

 

 

 

 

 

recensie

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie:
Dorien De Vylder, Vertraagd stilleven door Jonas Bruyneel

Lees hier de recensie.

Doryn de Vilder

 

 

 

 

 

 

 

Recensie

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Lezing Stalker, Artien Utrecht

Lezing voor de presentatie van Extaze 29, 7 februari 2019.

De film Stalker uit 1979 van de Russische cineast Andrej Tarkovsky is in mijn beleving in de eerste plaats een dystopie.  Het is een aanklacht tegen de grondbeginselen en praktijk van de Sovjetmaatschappij in zijn nadagen. Een verborgen aanklacht, dat wel. Eentje waarover een deken van mysterie gedrapeerd ligt, waardoor de inhoud ervan voor vele interpretaties vatbaar is. Onder een totalitair regime waar maatschappijkritiek verboden is,  kan kunst een uitweg bieden. Kunst kan kritiek vertalen naar tijdloze allegorieën. Met de kracht van zijn poëtische beeld- en geluidstaal beheerste Tarkovsky deze kunst als geen ander. Maar niet slechts daardoor werden zijn films getolereerd en gefinancieerd. Dankzij zijn ongeëvenaard meesterschap en internationale faam genoot Tarkovsky een zekere artistieke vrijheid. Dit was een groot privilege in een land waar alleen de machtige staats-gedirigeerde filmindustrie besliste welke films het volk te zien kreeg en welke niet.  

Middelpunt van Stalker is De Zone, een door prikkeldraad omheind, militair bewaakt en strikt verboden gebied. Op overtreding staan zware straffen. Een gids, net als de titel van de film de Stalker geheten, smokkelt twee mannen De Zone in. Dit zijn de Schrijver en de Professor. Het doel van de reis is de wenskamer, een kamer waar eenieder die het hachelijke traject er naar toe heeft doorstaan zijn of haar meest innerlijke wens mag uitspreken. De twee reisgenoten van de Stalker hebben elk hun eigen motief om De Zone te willen bezoeken. De Schrijver is het nut van het schrijven kwijtgeraakt – misschien kampt hij wel met een writer’s block ; de Professor zegt als wetenschapper alles van het gebied te willen weten.

En voor de Stalker zelf, wat betekent De Zone voor hem? Waarom heeft hij zich toegelegd op deze ronduit gevaarlijke job als reisgids naar dit vreemde oord? Hij heeft uitoefening van dit beroep nota bene reeds eerder moeten bekopen met een gevangenisstraf. Van waar die hardnekkigheid om deze onderneming toch weer op te pakken?  De film licht langzaam een tipje van de sluier op over wat de Stalker bezielt. 

Voor de Stalker is De Zone een gebied van hoop. De Zone is immers alles wat de bewoonde wereld niet is. De Zone is niet de wereld van de afstompende industriële slavernij – het is niet de wereld waarin kunst alleen mag bestaan in dienst van het collectief beleden vooruitgangsgeloof . De Zone is niet de wereld waar  menselijke dromen en verlangens als nutteloze hersenspinsels worden weggehoond, omdat ze buiten de officieel verklaarde waarheid vallen – het is niet de troosteloze omgeving van rokende fabriekspijpen, kale huizen en het zware gedender van voorbijrijdende treinen.  De Zone is niet sepia bruin, De Zone is bladgroen, stil en tegelijkertijd spannend, het prikkelt de ziel en wekt diepliggende aspiraties van de mens tot leven.     

>> FILMFRAGMENT: reis in karretje op rails, aankomst in De Zone met MUZIEK van Mensimonis

De Zone, groen en sereen. Maar … is dat wat we ook zien? Het land glooit, overdekt met weelderige struiken, groepen bladrijke bomen staren de bezoekers minzaam aan. Vogels tsjilpen, uit de verte is het geroep van een koekoek te horen. Een hond huilt. Maar verder is het stil. Op de voorgrond steken scheve elektriciteitspalen uit het groen omhoog. Met iedere stap dieper De Zone in openbaart zich een nieuw element dat verbaast en bevreemdt. Onder het woekerende struikgewas doemen vormen op die herkenbaar zijn als overgebleven wanden van een gebouw, een legertank, een berg oud ijzer, resten van een uitgebrande auto. Overal liggen grote plassen water. Het is een post-apocalyptisch landschap, ontwricht door een ongenoemde ramp; sommigen beweren dat het de inslag van een meteoriet moet zijn geweest. Het landschap is ook fluïde, het lijkt voortdurend te veranderen. Wat de camera op het ene moment registreert als een ruïne is het volgende ogenblik verdwenen achter een dikke laag mist. Een enkele keer steekt er op de voorgrond een fikse wind op, maar de takken van de bomen verder weg blijven roerloos. Er lijkt een constant geluid van stromend, soms druppelend water te zijn, maar het kolkend geraas van een waterval horen de mannen niet aankomen.  De wilde watermassa overvalt hen, en de kijker. Als de camera over het oppervlak van zacht stromend water heen beweegt zien we op de bodem vreemde voorwerpen liggen: een koperen huls, een injectienaald, nog een injectienaald, een beeld van Jezus. Er hangt een waas van verraderlijkheid over De Zone. Hoe paden lopen is niet duidelijk, soms lossen ze in het niets op. Volgens de Stalker mag de wenskamer niet langs een direct pad worden genaderd. En, zegt hij, de wetten van De Zone bepalen dat er nooit naar een plek langs dezelfde weg teruggekeerd mag worden. De wetten van De Zone..? Alleen hij, de Stalker, kent de nukken van dit gevaarlijke oord. Voordat een pad wordt bewandeld, wordt de veiligheid ervan getest door het vooruitwerpen van een metalen gewicht: drie ijzeren moertjes elk gewikkeld in een stoffen band.   

Verontrusting tekent het gelaat van de Stalker.  Maar het is niet de onheilspellende omgeving die hem zorgen baart. Het zijn de reacties van zijn reisgenoten op zijn bespiegelingen over de zin en mysteries van het leven. ‘Niet alles wat we zien en ons diep in het hart raakt is verklaarbaar’, daar gaat het hem om. De Professor doet zijn overpeinzingen af als stom bijgeloof; de Schrijver geeft met zijn eindeloos geratel blijk van een uiterst nihilistische levensvisie. Geloven deze mannen nog wel ergens in?

Wanneer de drie reizigers zich door een manshoge betonnen pijp of tunnel bewegen doen ze dat sluipend, halthoudend bij iedere bocht, erop beducht plotseling te worden overvallen door iets dodelijks. Het volgende ogenblik waden ze tot borsthoogte door water dat oogt als chemisch of radioactief afval.

De wenskamer is niet ver meer. De mannen staan al discussiërend in een ruimte waar een gloeilamp brandt. Kennelijk is er elektriciteit op deze plek in de onbewoonde Zone. En dan begint plotseling een telefoon te rinkelen.  Is Big Brother watching?

Op de drassige drempel van de wenskamer wordt de dialoog tussen de mannen stekeliger, soms ronduit agressief.  De Stalker somt nogmaals de zegeningen van de wenskamer op. Wie gaat als eerste naar binnen? De Schrijver weigert pertinent, schreeuwend dat er niets te wensen valt. Intussen blijkt de Professor geen geheimen te hebben. Hij draait een nummer op de telefoon – het apparaat dat we eerder hoorden rinkelen – en roept in de hoorn iets over een bunker, bunker nummer 4. Uit zijn rugzak haalt hij een metalen buis die op een bom lijkt. Heeft de Professor soms instructies gekregen om de wenskamer op te blazen? Gelukkig laat hij het afschuwelijke wapen, een twistwoordenwisseling verder, het water in zakken. De Schrijver duwt in grote woede de Stalker de waterplas in. Die richt zich proestend uit de plas op en vervalt in een lange hartverscheurende jammerklacht.

De beelden in Stalker zijn niet in een keer zien te bevatten. Evenals De Zone voor de drie mannen steeds verandert, lijkt de film bij iedere kijkbeurt weer anders te zijn. Enkele scenes die zich bij de eerste keer kijken op mijn netvlies hadden gebrand waren bij de volgende keer verdwenen. Waar is het houten kruis op de bodem van de vijver gebleven? En omgekeerd, ontdekte ik bij de volgende keer scènes die mij eerst helemaal niet waren opgevallen. Zoals een roodgloeiend houtskoolvuurtje waarlangs de mannen lopen; en de vrouwelijke stem aan de andere kant in het telefoongesprek die de Professor voert.    

De dystopie die Stalker is werpt zijn blik naar het heden van de film. Maar soms blikt het ook terug naar het verleden. De Schrijver zegt dat de betonnen tunnel waar ze doorheen lopen hem doet denken aan de beruchte ‘gehaktmolen’, ongetwijfeld een martelwerktuig uit de tijden van de goelag. Herinnering aan dat gewelddadige verleden leeft voort in het heden, waar de realiteit van alledag kennelijk geen mysteries meer toelaat.  Gebroken door zijn mislukte missie naar de wenskamer, huilt de Stalker – koortsig op bed – zijn schrijnende desillusie uit bij zijn liefhebbende vrouw. De wenskamer is voor hem het ultieme bewijs dat God bestaat. Maar hij lijkt de enige overgebleven gelovige te zijn. Als zelfs zij die de gevaarlijke tocht door De Zone hebben getrotseerd weigeren de wenskamer te betreden, wat blijft er dan nog over aan menselijke spiritualiteit  in deze harde wereld waar de geest gedwongen wordt te dolen in pure rationaliteit?  

Tot slot. Stalker gaat ook over de donkere zijde van ongeremde technologische vooruitgang. Want wat kunnen we zeggen over de post-catastrofale aanblik van De Zone? Wat als de ramp die de menselijke habitat in De Zone verwoestte nou geen meteorietinslag was geweest, maar een nucleaire ramp? Ook de Professor betwijfelt of het werkelijk een meteoriet was. Mensen werden geëvacueerd, velen werden ziek en gingen vroegtijdig dood, zo weet hij. En, vertelt hij aan de Schrijver op het moment dat de gids zich een ogenblikje van hen heeft afgezonderd, er wordt gefluisterd dat de dochter van de Stalker slachtoffer is van diezelfde ramp – ze is kreupel, ze kan niet lopen.

Toen de film werd gemaakt was het publiek geheim dat al in de jaren vijftig een verafgelegen industriestad werd getroffen door een explosie van dodelijke gassen. Het is de stad Ozyorsk, die onmiddellijk moest worden verlaten en sindsdien van alle beschikbare landkaarten is gewist.

De dystopie Stalker werpt ook zijn blik vooruit. De Zone prijkt op de eerste pagina van een recent boek over Chernobyl, de kernramp die zeven jaar na de productie van de film plaatsvond. Op die pagina beschrijft  de auteur van het boek, een zekere Serhii Plokhy, zijn bezoek aan het gewezen rampgebied. Hoe dit gebied er ligt, in 2016, doet de auteur onmiddellijk aan De Zone uit Stalker denken: een bijna verstild stuk land, onwerkelijk, dreigend en mysterieus.  

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Een nieuwe Extaze op 7 februari 2019: ‘Blokken’

Op donderdag 7 februari werd de nieuwe Extaze: ‘Blokken’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

cover Extaze 29: Blokken

B E S T E L L E N

Blokken

ESSAYS
In haar essay ‘Verboden zones’ associeert Artien Utrecht ‘de verboden zone’ in
Andrei Tarkowsky’s film Stalker met de totalitaire staat die F. Bordewijk beschrijft in zijn korte roman Blokken (1931). De rode draad in beide kunstwerken betreft fundamentele sociale botsingen die door de geschiedenis heen onopgelost zijn gebleven, zoals daar zijn: sociale ongelijkheid, de spanning tussen individualiteit en collectiviteit en die tussen
secularisme en godsdienst.
Net als in Paul van Ostaijen’s toekomstgroteske ‘De stad der opbouwers’ (1932) zien we
in Blokken hoe architectuur en ideologie met elkaar kunnen versmelten en hoe
bouwcomplexen bepaalde denksystemen kunnen weerspiegelen, betoogt
Thomas Pierrart in ‘Van Blokken tot brokken’.
Bij Herman van Bergeijk vinden we deze visie terug: door de scherpe staccato-achtige schrijfstijl wordt Blokken wel gezien als een novelle die de nieuwe zakelijkheid verbeeldde in de bouwkunst (sinds 1925 vanuit Duitsland tot in Nederland doorgedrongen).
Maar, vervolgt hij, de afstandelijkheid van de reportage ontbreekt. De auteur
neemt een standpunt in dat je anti-utopisch, sciencefictionachtig en romantisch-
expressionistisch kunt noemen.
Leo Oorschot bevindt zich niet ver van deze visie waar hij schrijft dat Bordewijk zich
lijkt te mengen in een architectenstrijd die in 1928 werd gevoerd tussen voorstanders van de collectivisatiebouw (bij Bordewijk: discipline, tucht, geschiedenisloosheid,
individuloosheid en collectivisatiedrift) en esthetici die geen afstand wensten te nemen van de waarden van het fin de siècle.
Blokken, zo begint Boris van Meurs zijn verhandeling ‘Systeem, mens, ding’,
is een boek over systemen en de rol van het individu daarin. In deze relatie lijken de
dingen te worden teruggedrongen tot de ruimte van strikte functionaliteit. Maar kan
het ding hier niet centraal gesteld worden? Is hun werking werkelijk altijd te voorspellen?

KORTE VERHALEN
Helge Bonset
J.I. Clément
Guido Eekhaut
Mark de Haan
Boudewijn van Houten
Rob Verschuren

GEDICHTEN
Jeanet Kingma
Bert Struyvé

BEELD
Viktor Hachmang

Vormgeving binnenwerk, omslag en omslagafbeelding: Els Kort

 

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Manuel Kneepkens, De eerste leeservaring…

…en de latere ervaringen: Karl May, Ovidius Naso en Bordewijk

Lezen leerde ik in de eerste klas van de RK lagere school Maria onbevlekt ontvangen in Terwinselen, het ‘kolendorp’, behorend bij de Staatsmijn Wilhelmina.
Een zwarte jeugd is een ‘writers goldmine’ …
     Mijn jeugd was zelfs tweemaal zwart. Behalve het zwart van de Mijnstreek ook nog eens het zwart van het (dogmatisch) Rooms-Katholicisme van de jaren vijftig in Limburg.
     En wat blijkt? Ik ben wel uit de Mijnstreek vertrokken, maar daarmee is de Mijnstreek nog niet uit mij vertrokken. Integendeel. De Mijnstreek ‘achtervolgt’ me, zelfs tot in het hartje van Rotterdam

Want ook Sjarel Ex, de huidige directeur van het Ex-Boymans van Beuningen, stamt uit dat ‘kolendorp’ Terwinselen. En dat is te merken. Wie het museum bezoekt – bezocht moet ik zeggen, want het is zojuist voor zeven jaar gesloten – diende zijn jas precies zo op te hangen als de kompels van de Staatsmijn Wilhelmina dat in de jaren vijftig deden: hun plunje met een ketting optrekkend tot aan het plafond.
     Het kunstwerk de ‘Merry-go-round coat track’  van Studio Wieki Somers deed in het museum dienst als ‘de garderobe’. Maar ik weet wel beter. Ex is net als ik een Terwinselaar, een Winseler Boy. Directeur van het Winseler Boymans.

In de eerste klas van mijn lagere school kreeg ik les van Juffrouw Haenen. Een gemakkelijk baantje was dat niet. Ze had met maar liefst veertig  kinderen te stellen!
     Het was de tijd van de grote gezinnen. De katholieke gelovige was immers voorbehoedmiddelen streng verboden en dat had zo zijn gevolgen.  
     Die klas bestond louter uit jongens! De meisjes hadden hun eigen lagere school.

En wat was nu die eerste leeservaring van mij?  
     Op weg van school naar huis kwam ik langs een duister café dat Heiligers heette, naar de eigenaar. Dat ‘Heiligers’ las ik, gebrekkig spellend scholiertje dat ik was, als ‘Heiligen’. En daarmee had ik als braaf katholiek jongetje meteen een probleem.  Want hoe konden heiligen een café runnen’? Cafés waren ons toch door de kapelaan in de godsdienstles afgeschilderd als ‘poelen des verderfs’?
     Hetzelfde gold trouwens voor bioscopen, in de Duits georiënteerde Mijnstreek Kinos geheten. De angstaanjagende vermaning ‘daar schuilt de duivel achter het doek’ herinner ik mij nog goed.

Het lezen kreeg ik steeds meer onder de knie. Daar hielp het verlangen om de tekst onder de tekeningen van de Tom Poes-strip in de avondkrant te kunnen ontcijferen natuurlijk sterk aan mee. Marten Toonder’s Tom Poes-strip ben ik trouwens heel mijn leven trouw gebleven.
     Het is geen toeval dat hier in Rotterdam, tussen Station Blaak en de Markhal, het  monument ‘Hommage aan Marten Toonder’ staat. Het is er gekomen dankzij een motie van ‘mijn poëtische partij’, de Stadspartij.
     Jaarlijks wordt Marten Toonder daar op 2 Mei herdacht met een kleine voorleesmanifestatie, waarna in de Centrale Bibliotheek aan de Hoogstraat de traditionele  Marten Toonder-lezing wordt gehouden Dit jaar zal Toonder’s biograaf Wim Hazeu zich van die taak kwijten.

Als kind moest ik dagelijks naar de H. Mis. Mijn kindermissaal eindigde met de  onsterfelijke zin: Kinderen, bidt nu eens braafjes voor Piet Worms en Bertus Aafjes …
Piet Worms was de tekenaar en Bertus Aafjes de tekstschrijver van Het Kinderkerstboek waaruit werd voorgelezen èn… de eerste dichter die ik in mijn leven ontmoette.
     Aafjes bewoonde de Ronde Toren van kasteel Hoensbroek. Het kasteel werd namens de Staatsmijnen, de eigenaar, beheerd door een stichting, waarvan mijn vader de penningmeester was. Steevast placht de dichter zich bij ons thuis te beklagen over de ‘middeleeuws barbaarse’ koude van zijn woning, die helaas niet warm te stoken was.

’s Zondagmiddags mocht ik naar de RK dorpsbibliotheek om mijn almaar groeiende leeshonger te bevredigen. Ik koos dan boeken uit waarmee ik me lang kon bezighouden. Dikke boeken dus.
     Favoriet was de Winnetou-serie van Karl May. Goede tweede was, van dezelfde auteur, Kara Ben Nemsi, een boek dat zich geheel en al afspeelt in voorheen het Ottomaanse Rijk. Deze verhalen over de moslimwereld las ik met rooie oortjes, nog geheel onwetend van het feit dat ik jaren later, als raadslid in Rotterdam, nog héél veel met die wereld te maken zou krijgen.

Op het gymnasium, het RK Bernardinuscollege in Heerlen, kwam ik voor het eerst diepgaand in aanraking met poëzie. Als gymnasiast las je immers de klassieken: Homerus’ Ilias en Odyssee, de Metamorfosen van Ovidius.
     Met mijn medeleerlingen Harrie Geelen en Pé Hawinkels vormde ik de redactie  van het schoolblad Binden & Bouwen. Mijn literaire carrière is daar begonnen.
Harrie Geelen is later landelijk bekend geraakt door zijn kinderseries op tv, zoals Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer? en zijn scenario voor de Bommelfilm Als u begrijpt wat ik bedoel.
     Pé Hawinkels maakte in Nijmegen furore als dichter en jazz-en popcriticus en als vertaler van Der Zauberberg van Thomas Mann. De Nijhoffprijs daarvoor werd hem onthouden omdat hij de roman te vrij vertaald zou hebben. Onterecht. Dat vind ik nog steeds.
     Hij is op jeugdige leeftijd (vijfendertig jaar jong) gestorven.

De vakken Engels, Duits en Frans leverden uiteraard nieuwe leeservaringen op.
De Engelse literatuur sprak me het meeste aan. Dat kwam mede doordat mijn vader een serie Penguin- en Bantampockets bezat waar ik gretig gebruik van maakte. Vooral Brideshead Revisited van Evelyn Waugh maakte grote indruk op mij. Die roman is later nog eens subliem verfilmd als BBC tv-serie. Mijn keuze voor Leiden als studiestad heeft met dat boek te maken. Want Leiden lijkt van alle Nederlandse Universiteitssteden het meest op het Oxford van Evelyn Waugh. Ook meer sociaal en politiek geëngageerde schrijvers als Aldous Huxley en George Orwell wist ik te vinden in de boekenkast van mijn vader.
     Met de Franse literatuur ging het wat stroever. Met veel animo las ik La Peste van Albert Camus, maar makkelijk ging dat niet.
     Van de Duitse schrijvers was Stefan Zweig mijn favoriet. Ik kon maar niet begrijpen dat hij zelfmoord gepleegd had, zoals op de achterflap van Die Schachnovelle te lezen stond. Schrijver leek mij het mooiste beroep ter wereld. Hoeveel mensen kon je niet gelukkig maken met een mooi boek? Meer en meer kwam bij mij de gedachte op om schrijver te worden
     Het vak Nederlands is uiteraard ook belangrijk voor mij geweest. Mijn keuze voor de rechtenstudie heeft daar zelfs min of meer mee te maken. Onder de literatoren van die tijd bevonden zich namelijk nog veel juristen, de dichters Marsman, Nijhoff en Bloem en de prozaschrijver Bordewijk, bijvoorbeeld. Van de laatste maakt vooral het boek Apollyon grote indruk op mij.
     Uit dat boek trok ik de conclusie, dat het mogelijk was om zowel jurist te zijn als literator. Die conclusie bleek onjuist. Althans voor onze tijd.
     Als bijvak had ik criminologie gekozen. Ook dat had literaire redenen gehad. Die tak van wetenschap werd in Leiden namelijk gedoceerd door Willem Nagel, die onder de naam J.B. Charles. De roman Volg het spoor terug had geschreven. Op het Criminologisch Instituut werkte ook Ronnie Dessaur, alias Andreas Burnier. En alsof dat nog niet genoeg was, bleek dat het vak ‘criminologie’ in Nederland was opgezet door de literatoren Arnold Aletrino en zijn vriend, de dichter Jacob Israël de Haan. Maar vandaag de dag is er nog maar één jurist, die poëzie schrijft… Eenmaal raden wie.  
     Het is helaas niet anders. Hoe is dat zo gekomen?
Wijlen de criminoloog-schrijver Herman Franke schreef daar het volgende over:
‘Juristen moeten vandaag karrevrachten arresten en vonnissen verwerken.
Processen voeren is in Nederland nu eenmaal een populaire tak van sport. Het Europese Hof met zijn uitgebreide jurisprudentie is daar nog bij gekomen.
Misschien wordt er nu en dan nog door juristen een roman gelezen, maar geschreven… Die tijd is voorbij. Voor criminologen valt ongeveer eenzelfde verhaal te vertellen. Ook veel te druk met hun vak.’
Waarvan akte.

Gepost in Columns, Geen categorie, Home | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Theo Stokkink, Zwijgplicht door Arjen van Meijgaard

Lees hier de recensie.

Zwijgplicht

 

 

 

 

 

 

 

recensie

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 29,
de nabeelden

Donderdagavond 7 februari werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een strakke, hoekige en trefzekere avond, rood en zwart van kleur en aanzwellend tot hard van klank, een aanvulling op de rode draad van nummer 29: ‘Blokken’.

Het programma:
Inleiding
Klaas Trapman (orgel)
Boris van Meurs (lezing)
Jeanet Kingma (poëzie)
Mensimonis: Radboud Mens, Lukas Simonis (muziek/geluid)
Eddie Kagie (monoloog)
Artien Utrecht m.m.v. Mensimonis
(de film ‘Stalker’ in woord, beeld en geluid)
Hier kunt u de lezing nog eens nalezen.
Eddie Kagie/Mensimonis
Beelden: Viktor Hachmang
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Fotografie: Eric de Vries.

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Presentatie poëziebloemlezing 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien in beeld

Het literair tijdschrift Extaze vierde de poëzieweek 2019 met de uitgave van de poëziebloemlezing 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien.
      De presentatie van de dichtbundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien was op zaterdag 2 februari 2019 in Boekhandel Douwes, Herengracht 60, Den Haag.
      Er waren korte optredens van Rutger H. Cornets de Groot (de schrijver van het inleidend essay) en de dichters Estelle Boelsma, Daniel Bras, Dorien Dijkhuis, Arnold Jansen op de Haar, Heidi Koren, Hanz Mirck, Maria van Oorsouw, Lisa Rooijackers en Merel van Slobbe.
      De bundel, op bijzondere wijze vormgegeven en geïllustreerd door Els Kort, is een uitgave van Extaze/Uitgeverij in de Knipscheer en werd mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds. 10 voor 10 is te koop of te bestellen bij de boekhandel.

Fotografie: Eric de Vries

Gepost in Geen categorie, Home, Poëzie, Poëziebundel '10 voor 10' | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Filmpje! presentatie 10 voor 10

De inleiding van Rutger H. Cornets de Groot bij de presentatie van de poëziebloemlezing: 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien, in boekhandel Douwes te Den Haag op 2 februari 2019. Film: Peter Abelsen.

 

cover 10 voor 10

Gepost in Home, Poëzie, Poëziebundel '10 voor 10' | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Ilona Verhoeven, In het licht door Cor Gout

Lees hier de recensie.

In het licht, Ilona verhoeven

 

 

 

 

 

 

 

 

de recensie

 

 

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Josse Kok, Probeert u het later nog eens

Lees hier de recensie.

Josse Kok

 

 

 

 

 

 

 

 

 

recensie.

Gepost in Home | Plaats een reactie

Ondermijning van een fantasie, door Harold Kerkhof

Al minstens tien jaar bezoek ik iedere vrije dag een hipster koffietentje, soms wel drie achter elkaar. Ik probeer uit te stralen dat het me om de ontspanning gaat, een moment voor mezelf als ontsnapping uit een druk en hectisch bestaan: cappuccino, stukje cheesecake, krantje lezen en vol verwondering kijken naar de wereld om mij heen. En het is niet zo dat ik dat gevoel volledig in scène zet, maar stiekem hoop ik telkens op een eenmalige seksuele uitspatting met een onbekende vrouw.
Als ik me bewust word van dit verlangen komt er in gedachten altijd een oude studievriendin op bezoek. Het is niet altijd dezelfde maar wel iemand met wie ik al jaren geen contact meer heb. Ze vindt het nogal van me tegenvallen dat ik me wil verlagen tot een anonieme neukpartij. Met een lach vol harde spot vraagt ze: ‘Wat is daar nou leuk aan?’
Ik oefen een verdediging: ‘ik kan erover fantaseren maar dat betekent nog niet dat ik écht wil dat het gebeurt.’ En om mijn woorden kracht bij te zetten verwijs ik naar de boeken van Nancy Friday waarin de meest extreme seksuele fantasieën van vrouwen worden beschreven zonder dat zij die daadwerkelijk willen beleven. ‘Niks vrouwelijks is mij vreemd,’ vervolg ik in een poging om haar te laten lachen.
Maar ze laat het er niet bij zitten: ‘Hoe stel jij je dat dan voor, die seksuele uitspatting?’
Nu denk ik aan een jonge vrouw die al een zekere geilheid voelt sinds ze vanochtend uit bed is opgestaan. Ze heeft haar azuurblauwe jurk aangedaan en zit in hetzelfde koffietentje als ik wat te scrollen op haar smartphone. Zonder erbij na te denken kijkt ze me aan. Plots is de zelfbeheersing die haar gewoonlijk zo kenmerkt verdwenen. Dat is niet omdat ik zo’n aantrekkelijke man ben, haast ik me om te zeggen, maar het gaat om een onverklaarbare opwinding die bijna op haar hoogtepunt is wanneer ik bij toeval in haar blikveld verschijn. Haar blik beantwoorden door niet weg te kijken is voldoende. Dat heb ik geleerd van een versiervideo op internet: nooit wegkijken als een vrouw naar je kijkt, want dan vindt ze je niet meer waardig.
‘Kijk jij dat soort filmpjes op internet?’ vraagt mijn vriendin. De spot is nog niet uit haar blik verdwenen. Even overweeg ik om mijn excuses aan te bieden, maar ik houd me in en vervolg mijn verhaal.
Terwijl de vrouw naar de wc loopt, wenkt ze mij. Aanvankelijk durf ik geen betekenis in haar gebaar te zien maar ik kijk haar nieuwsgierig toch na. Echt waar, met mij? vraag ik me verbaasd af. Maar als ik haar door een kier van de wc-deur naar me zie kijken, begrijp ik dat het echt is. Even twijfel ik nog: ik wil niet dat ze dadelijk de deur voor mijn ogen dicht gooit en mij hoorbaar lachend belachelijk maakt voor de hele zaak. Maar mijn libido wint het van mijn twijfel. Ik sta op van mijn tafeltje en ben me zo bewust van mezelf dat het lijkt alsof al mijn ledematen een eigen leven leiden. Lijkt alsof, zeg ik tegen mezelf, het is niet echt, en zo krachtig mogelijk beweeg ik mijn benen naar het toilet. Zij houdt de deur voor mij open en doet deze achter mij op slot.
‘Op de wc? Echt waar? Dat is echt smerig.’ Ik negeer de gespeelde walging in de blik van mijn vriendin en vertel door.
Even kijken we elkaar aan: zij omhoog en ik omlaag. Ze heeft lang donkerblond haar, is slank maar heeft onmiskenbaar vrouwelijke vormen. Haar jurk valt tot op haar knieën en daaronder zie ik een paar stoere laarzen. We zijn ons bewust van onze situatie: twee onbekenden in een wc-hok met het duidelijke doel om te neuken. Ik zie haar denken: ik kan nu nog ‘sorry’ zeggen en weglopen. Het is van belang om initiatief te nemen, denk ik op mijn beurt met in mijn achterhoofd een andere video over vrouwen versieren, en ik breng mijn lichaam en gezicht dichter bij haar om haar te zoenen. Nu kan ze zich niet meer beheersen en als een magneet klappen haar lichaam en lippen tegen de mijne.
Het is al snel tijd voor de volgende stap. Ik zou nooit hebben gedacht dat orale bevrediging van de vrouw in zo’n kleine ruimte tot de reële mogelijkheden behoort, maar ik zag recentelijk op Netflix de film Catching feelings waarin een man op zijn knieën gaat voor een vrouw in een lift. Nu is een wc-hok meestal nog iets kleiner dan een lift en staat er ook nog eens een wc-pot in het midden, maar ik zou dus na de eerste zoenen het initiatief kunnen nemen om – terwijl mijn handen haar borsten en middel strelen en kneden – op mijn knieën te zakken, haar jurk omhoog te doen, haar slipje omlaag en met mijn mond haar vagina op te zoeken en daarna met mijn tong haar clitoris. Voor mij is cunnilingus een vanzelfsprekende activiteit voor aanvang van de daadwerkelijke seksuele gemeenschap. Behalve dat het meestal een fijne activiteit is, ontslaat het me ook van schuldgevoelens die ik weleens rond mijn eigen orgasme heb. Als ik (te) snel klaarkom, kan ik mezelf sussen met de gedachte dat ik haar daarvoor gelukkig al oraal heb bevredigd. En als de ejaculatie (te) lang op zich laat wachten of helemaal uitblijft, is de impliciete boodschap dat dit heus niet komt omdat ik haar niet opwindend of leuk genoeg vind: ik heb net immers bewezen niet vies te zijn van haar meest intieme lichaamsdeel.
Desondanks denk ik dat ik die orale route beter niet kan volgen bij zo’n anonieme neukpartij. Het zou een intimiteit suggereren die wellicht als ongewenst zal worden ervaren. Toch beweeg ik uit dankbaarheid voor de overige aan mij geboden mogelijkheden mijn mond voorzichtig in de richting van haar kruis, waarbij ik dus hoop dat zij vol waardering voor mijn bereidwilligheid aangeeft dat ik daar niks te zoeken heb en gewoon weer rechtop kan komen staan. Hoe doet ze dat? We hebben tot dit moment nog geen woord met elkaar gesproken. Ik vind dat wel fijn en ik hoop dat zij dat ook zo ervaart. Is het redelijk om te verwachten dat zij haar beide handen onder mijn kin vouwt en daarmee een opwaartse beweging maakt om zo met mij te communiceren dat ze nu liever niet gebeft wordt? Ik ben dankbaar dat ik van deze taak word ontheven, maar ken mijn verantwoordelijkheid en laat daar verder niks van merken. Misschien speel ik zelfs een beetje teleurstelling.
Een snelle verkenning van de genitaliën met de hand is weliswaar niet noodzakelijk maar ook niet onlogisch. Mijn hoop is dat ze zelf het initiatief neemt om mijn riem en gulp te openen. Dan kan ik onder haar rok met mijn hand op zoek naar haar vagina. Ik heb me ooit laten vertellen dat met name de clitoris een behoorlijk gevoelig lichaamsonderdeel is en dat een droge mannenvinger daarop behoorlijk ruw kan aanvoelen. Mijn gewoonte is om dan eerst mijn vinger te bevochtigen met haar vaginavocht om daarna pas de clitoris te masseren, maar ik moet niet vergeten dat ik hier met een onbekende vrouw te maken heb. Wat doe ik als er geen of onvoldoende vaginavocht is? Nu heb ik op diverse video’s gezien dat mannen dan hun vingers in hun mond stoppen om ze op die manier nat te maken. In die video’s lijken die vrouwen dat gebaar wel te kunnen waarderen, maar ik associeer het inmiddels te veel met gespierde en getatoeëerde pornosterren die hun gezichten zo verkrampen dat ze er tegelijkertijd opgewonden en kwaad uitzien. Ik heb die blik weleens in de spiegel geprobeerd na te doen, inclusief het bevochtigen van mijn vingers in mijn mond, maar ik achtte mezelf geen moment geloofwaardig. Sterker nog, ik ben bang dat deze blik en dat gebaar op de lachspieren van mijn wc-partner zullen werken. Nu denk ik dat humor en seks zeer goed samen zouden kunnen gaan maar daar op de wc zal ik dat toch teveel als uitlachen interpreteren. Misschien realiseert zij zich al lachende dat zij de verkeerde man heeft uitgekozen voor deze wc-sessie. Of iets minder vernietigend: dat zo’n neukpartij op de wc eigenlijk niks is voor haar. Nee, nu moet ik lachen en humor zien te voorkomen. Als zij haar blik afwendt, bijvoorbeeld naar beneden om de anatomie van mijn erectie te bestuderen, steek ik snel twee vingers in mijn mond om ze daarna – vochtiger dan strikt noodzakelijk, zodat ik deze beweging niet nog eens hoef te doen – naar haar clitoris te brengen.
Mijn broek en onderbroek hangen inmiddels op mijn enkels of ergens daarboven en haar jurk is naar boven getrokken tot op haar heupen. Ze blijkt beter voorbereid dan ik en haalt een condoom tevoorschijn. Verstandig! Ik zou er haar dankbaar voor moeten zijn. Maar op dat moment lukt het me maar nauwelijks om mijn teleurstelling te verbergen. Condooms lijken bij mij toch het een en ander af te knellen waardoor ik moeilijker of helemaal niet tot een orgasme kom. En terwijl ik daar zo aan het zoenen, strelen en vingeren ben, maakt zich sowieso al een zekere prestatiedruk van mij meester en vraag ik me al af wat ik moet doen als ik dadelijk niet klaarkom. Maar ik heb geen redelijke argumenten om het pakketje te weigeren.
Mijn oude studievriendin heeft gezelschap gekregen van een paar oude bekenden, allemaal vrouwen uiteraard. Ze kijken me boos aan. Sterker, ze zijn hun woede maar nauwelijks de baas omdat ik niet even zelf heb gezorgd voor een condoom en er ook zo afwijzend op reageer. Eentje roept met instemming van de anderen: ‘Je bent een seksistisch varken met nul verantwoordelijkheidsgevoel.’ Ik voel me ineenkrimpen tot een jongetje van acht jaar, dat met gebroken stem probeert uit te leggen dat zijn volwassen alter-ego al meer dan tien jaar op iedere mogelijke vrije dag koffietentjes bezoekt in de hoop op een vluchtige seksuele ontmoeting. In het begin had hij nog weleens een condoom op zak maar inmiddels hield hij er geen rekening meer mee dat het ooit echt zou gebeuren. Maar de blikken in de kring blijven streng en boos, en het feit dat ik een minderjarige mijn zaak laat bepleiten maakt de situatie er niet beter op.
Deze interventie kan ik er nu niet bij hebben, bedenk ik me terwijl ik aan het klooien ben met het condoom. Het licht is gedempt, dus het is me niet direct duidelijk aan welke kant ik het rubber kan afrollen. Ik blaas er van beide kanten tegenaan maar ben te ongeduldig om het te zien, en mijn erectie begint te verdwijnen.
Maar dan denk ik aan de cursus mindfulness die ik een jaar geleden volgde. Ik nodig mijn trainer ook even uit om erbij te komen staan. Ze zegt: ‘Je gedachten en je angsten zijn geen feiten. (pauze) Het zijn voorbijgaande gebeurtenissen. (pauze) Zie ze als boten die langsvaren terwijl jij ze aandachtig observeert vanaf een bankje langs de oever (pauze), zonder erover te oordelen. (pauze) Ga niet mee in hun verhaal. (pauze) In plaats daarvan breng je je aandacht – vriendelijk maar gedecideerd – bij je ademhaling.’ Ik doe wat zij zegt: ik kijk zo liefdevol mogelijk naar mijn achtjarige ik totdat hij verdwijnt. En ik adem. Dadelijk nog wel even checken of de deur van het wc-hokje wel op slot is. En ik adem. En dan die boze vriendinnen. Ik kijk ze één voor één aan, en adem. Ze zijn al snel verdwenen.
Mijn fantasievrouw is inmiddels een beetje ongeduldig geworden. Gelukkig is mijn penis weer hard en het condoom rolt er soepeltjes op af. Tijd om te penetreren.
Misschien heb ik een gebrekkige fantasie, maar het aantal standjes in een wc-hokje is volgens mij beperkt tot drie. Bij de eerste buigt de vrouw zich naar voren en geeft zo de man die achter haar staat toegang tot haar vagina. Ze leunt met haar handen tegen de muur of de stortbak om niet om te vallen. De grote uitdaging bij dit standje is om penis en vagina op dezelfde hoogte te brengen en dat is met mijn lengte van één meter negentig niet makkelijk. Nu ben ik natuurlijk niet te beroerd om door mijn knieën te gaan, maar naarmate het lengteverschil met de vrouw groter wordt, zal dit een steeds vermoeiender houding zijn die het seksuele genot niet ten goede komt. De vrouw kan dit deels compenseren door op haar tenen te staan, maar dat zie ik als het verleggen van het probleem van de man naar de vrouw. Ik ben van mening dat een vrouw het recht heeft op volledige lichamelijke ontspanning als zij een penis toelaat in haar lichaam. Terwijl ik me dit bedenk, roep ik nog even de boze vriendinnen in gedachten op, in de hoop op wat mededogen.
In het tweede mogelijke standje is de man volledig op de knieën gegaan voor de wc-pot. De vrouw zit achterover op de pot met haar heupen naar voren gebogen om de man toegang te verschaffen tot haar lichaam. Ik zou dit standje nooit bedacht hebben als ik het niet een keer heb gezien in de Duitse film Der bewegte Mann. Zelfs daarna vond ik het standje onwaarschijnlijk, omdat ik me niet kon voorstellen dat mijn penis bij een kniezit op exact de juiste hoogte zou komen. Als veldonderzoek ben ik weleens voor diverse wc-potten op mijn knieën gegaan, waarbij het mij is opgevallen dat de meeste moderne potten precies de juiste hoogte hebben voor mij. Oudere exemplaren zijn steevast te hoog, evenals de hangende. De historische verlaging van de wc-pot is helemaal niet logisch, bedacht ik me nog dikwijls: voor oudere en gebrekkige mensen is het moeilijker om op te staan uit lage potten en er zullen meer spetters over de rand verdwijnen als een man staand plast, wat ondanks talloze smeekbedes van vrouwen nog steeds de mannelijke norm is. ‘Ik plas trouwens zittend,’ zeg ik tegen tegen mijn boze vriendinnen, weer in de hoop op wat mededogen.
We beginnen met standje drie, in mijn beleving de meest logische en natuurlijke, zeker omdat we toch al tegenover elkaar staan. Ik zak lichtjes door mijn knieën en breng mijn penis voor de ingang. Terwijl ik binnenkom ga ik langzaam rechtop staan en til met mijn handen onder haar billen haar lichaam tegen de muur omhoog. Als mijn knieën bijna recht staan (met de nadruk op bijna: het is niet goed om je benen te overstrekken), kunnen mijn heupen de beweging maken waardoor mijn penis heen en weer gaat in haar vagina. Hoewel de muur mij helpt bij het dragen van haar lichaam wordt ze na een poosje wel behoorlijk zwaar, waarschijnlijk te zwaar om dit standje vol te houden tot het orgasme. De vrouw in mijn wc-fantasie is weliswaar niet dik, maar zeker ook niet klein en tenger. Ik hoop dus dat ze ook een beetje rekening met mij houdt en in ieder geval met één hand op zoek gaat naar een plek op de wc waaraan ze zich kan vastklampen om mij te ontlasten. De stortbak? Het randje van de deurpost? De andere hand kan dan om mij heen geslagen blijven, dat vind ik wel fijn.
Terwijl we daar zo bezig zijn, slaat de ejaculatiespanning in alle hevigheid toe. Hoe snel wordt het als redelijk ervaren om een hoogtepunt te bereiken? Eén minuut lijkt me rijkelijk kort. Twee minuten vind ik voor zo’n wc-sessie toch al behoorlijk lang. Zo rond de anderhalve minuut begin ik me al zorgen te maken dat het niet op tijd gaat lukken, en daarbij begint ze toch ook al wat zwaar te worden. Bovendien begin ik bang te worden dat ze het helemaal niet meer zo prettig vindt. En hoe lang zou de barrista van dienst ons onze gang nog laten gaan? Wanneer zou hij boos – en misschien ook een beetje jaloers – op de deur gaan bonken en schreeuwen dat het hier niet het Amsterdamse bos is?
Door het inhouden van mijn adem probeer ik mijn ejaculatie te bespoedigen, een techniek van internet geleerd, maar sterk afgeraden. Dus beëindig ik deze poging al snel. Even overweeg ik om mijn orgasme te faken. Vrouwen hebben daar heus geen monopoly op. Met een condoom is het voor mannen ook mogelijk. Zaak is wel om het rubber daarna ongezien weg te moffelen. Maar ik verwerp deze mogelijkheid.
Ik kies er voor om standje drie te vervangen door standje één. Waarom niet standje twee, vraag je je misschien af. Welnu, mijn fantasievrouw en ik hebben nog geen woord met elkaar gewisseld. Bij dit punt aangekomen ben ik bang geworden dat er een verzwegen verbod op praten geldt en dat woorden de spanning in één keer wegnemen. Dat wil ik natuurlijk niet. Omdat ik sowieso wat terughoudend ben om over mijn verlangens te praten (seksueel of niet) heb ik redelijk goed geleerd om mijn wensen te uiten door middel van subtiele lichaamstaal, maar ik zou niet weten hoe ik mijn wens om standje drie in te ruilen voor standje twee duidelijk kan maken zonder me uit te spreken. De stap naar standje één is veel makkelijker. Ik laat haar voeten langzaam zakken op de grond en zak zelf nog een stukje door, waardoor mijn penis uit haar vagina glijdt. Daarna pak ik haar heupen vriendelijk maar stevig vast en maak een draaiende beweging. Ze laat zich mijn leiding welgevallen. Afhankelijk van de ruimte in het wc-hok draai ik wel of niet mee. Op het moment dat ik achter haar sta, buig ik haar heupen naar achter, zak een stukje door mijn knieën om mijn penis op de juiste hoogte te krijgen en dirigeer hem er weer in.
In de oudevriendinnenkring lijkt de boosheid vervangen door enig begrip. Een paar aanwezigen geeft toe dat ze ook weleens gefantaseerd hebben over een wc-vluggertje en één vertelt het zelfs een keer gedaan te hebben. Maar hun grootste bezwaar is dat ze zich niet kunnen voorstellen dat iemand een wc-vluggertje wil met míj. Ik heb daarvoor het uiterlijk noch de uitstraling. Maar nu ik hier toch sta, willen ze me wel wat advies geven. De algemene teneur is dat ik te veel in mijn hoofd zit, te veel nadenk en dat ik mezelf daarmee tekort doe. Eén van de aanwezigen is mijn voormalige therapeute. Ze kijkt me wijzend naar de anderen aan en zegt: ‘Nu hoor je het ook eens van een ander.’ Ik toon mijn dankbaarheid voor hun advies door er eens goed over na te denken.
Uiteindelijk zeg ik: ‘Het is niet zo dat jullie geen gelijk hebben en dat mijn gedachten mij niet in de weg zitten. Maar ik ben redelijk overtuigd van mijn kwaliteiten als minnaar. Ik kan nu zo twee of drie vrouwen bedenken die – als ze hier bij waren – dat kunnen beamen.’ De aanwezigen blijven vriendelijk kijken, op het meelijwekkende af, want ze kunnen zich er niks bij voorstellen en ze geloven geen snars van het bestaan van die vrouwen. Maar nu word ik een beetje boos en denk zelfs aan nog een vrouw die ik ooit in extase heb gebracht. En nog één. En nog één. ‘En – uh – daar – uh – is – uh – god – uh – ver – uh – dom – muh – geen – uh – woord – uh – van – uh – gelogen.’ Tijdens die laatste bewegingen zijn mijn benen langzaam rechter gaan staan, terwijl mijn fantasievrouw op haar tenen is gaan staan. Het sperma gutst uit mijn plasbuis en bolt het condoom. Daarna sta ik nog even stil met mijn penis zo diep mogelijk in haar. Ik kijk naar het zweet in haar nek en terwijl ze mij over haar schouder aankijkt, zie ik het genot in haar ogen en op haar gekleurde wangen. Als ik mijn penis terugtrek en het condoom afrol, voelt mijn lichaam heerlijk verzadigd aan. Wat zou ik nu graag naast haar liggen en met haar naakte lichaam tegen mij aan dit gevoel koesteren. Maar de realiteit is dat we hier in een wc-hok staan. Het condoom deponeer ik in de pedaalemmer voor het maandverband en ik doe mijn broek weer omhoog. Mijn fantasievrouw verzorgt zich zo goed mogelijk en doet daarna de deur van de wc op een kier om te kijken of de kust veilig is. Voordat ze de deur helemaal opendoet, vraag ik me af of ik nog iets moet zeggen.
‘Dankjewel, het was heel fijn,’ zegt ze. Even wacht ik op de toevoeging ‘voor jou’, maar ze verdwijnt al uit mijn hoofd. Ik zit achter mijn lege kopje, de laatste kruimeltjes op mijn bordje en de ongelezen krant, en kijk vol verdwazing naar de wereld om mij heen.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Gedichten, Joey Anthony Hut

Existentiële twijfels zijn voor watjes
En ik ben me er een

Dus sluit me vooral op in een kamp
Christendom als het moet

Maar ach zolang de luchten blauw zijn
Zien we niks
En zodra de luchten zwart zien
Zijn we niks

Dan een kerktoren die tot twaalf telt
Maar bij elf stopt

Het is die ene seconde die je afmaakt
Waardoor jij niets af kan maken

Voor het einde moet het gedaan zijn dus
Wat het bij God ook is
Weet je misschien op de twaalfde

 
 
 

Wanneer je er niet bent

Niks meer dan een verregende krant
En geen melk in de kast

Net alsof je denkt een ster te zien
Maar het een vliegtuig blijkt te zijn

Het is wachten op verlossing
En wachten en wachten
En wachten

Het is als stank voor dank
Voor je uitgeleende luchtverfrisser

Of als een blik op de klok
Die stil staat

Het zijn oneindig veel seconden
Binnen één minuut
En wachten

 
 
 

Alle begin is moeilijk
Als een startschot zonder kogels

Schiet op schiet op schiet op
We moeten doen wat we moeten doen

Wat dat ook is
Weet de goede God
Die in een fantasietje opgesloten zit

Kijk maar naar de horizon hoor
Je ziet alleen een streep
Waarachter de regenboog verdwijnt

Het is het beginnersgeluk van een doodgeboren baby
Alhoewel hij een stap op je voorliep

 
 
 

Draai een glimlach van je lippen
Doe dan

Even over het moment stappen
Meer vraagt het niet

Tuurlijk werkt de tijd niet mee
Zij tikt gewoon door

Een twee drie oneindig
En dan nog een keer

Moeilijk moeilijk
’T is als het leven van een koe
In de vleesfabriek

Ren door de weide
Vlucht
De regen in en
Drink de zoete vrijheid

Al is het een fantasietje

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Verward, Michiel Hanon

Op een middag liep ik vanaf mijn huis in het Haagse Statenkwartier via de Bleiswijkstraat naar het vlakbij gelegen Gemeentemuseum. Net toen ik een zijstraat overstak, kwam daar een mooie, luxe BMW in draaien. De chauffeur van deze auto ontwaarde mij, stopte, draaide het raampje open, en vroeg of ik Engels sprak. ‘Dat gaat wel lukken,’ was mijn antwoord in het Engels. De man vroeg de weg naar het vliegveld. Ik dacht aan Rotterdam-Den Haag Airport, maar hij liet mij een papier zien met ‘Amsterdam’ erop. ‘Okay, Schiphol?’ Ja, dat was het. Hij verontschuldigde zich voor zijn slechte Engels. Ik vroeg mij even af waarom zo’n luxe auto niet over navigatie beschikte, maar ja, die was misschien buiten werking.

De route naar Schiphol was snel uitgelegd: ‘Eerste kruispunt naar rechts, daarna naar links en wat verderop weer naar links. Dan de borden volgen.’ De man was me erg dankbaar voor de uitleg. Vervolgens vroeg hij hoe lang het rijden was. ‘Op dit uur van de dag misschien een uurtje,’ zei ik. O, dan had hij tijd genoeg. Zijn vliegtuig naar New York zou pas om 19.00 uur vertrekken. Inderdaad, dan had hij nog ruim de tijd.

Mogelijk omdat de man begreep dat hij meer dan genoeg tijd had, of omdat hij dankbaar was dat ik hem de weg zo goed had uitgelegd, begon hij een gesprek met mij, terwijl ik nog steeds naast hem aan de bestuurderskant van de auto stond. Hij vertelde dat hij uit Italië kwam en vroeg of ik wel eens in dat land was geweest. Ik gaf hem daarop een positief antwoord. De Italiaan gaf me zijn visitekaartje. Er stond op: Mr. Antonio Dell’Apiuta, Fashion Designer te Milano en Firenze. Hij was voor een presentatie in de Bijenkorf geweest en ging nu naar een soortgelijke manifestatie in New York. Ik vroeg me even af wat hij dan in het Statenkwartier deed, want de Bijenkorf bevindt zich daar alles behalve om de hoek.

De man, ik schatte hem eind dertig, vroeg wat mijn kledingsmaat was. Hij had iets bij zich wat hij niet kon meenemen in het vliegtuig. Daarom wilde hij het aan mij geven. Wijzend naar mijn kleding, prees de Ialiaan mijn goede smaak. Niet alleen vanwege dit weinig toepasselijke compliment – ik had die dag niet bepaald mijn mooiste pak aan –, wekte zijn gedrag argwaan. De man zag dat, maar besloot zijn strategie te volgen. Hij schatte mijn maat op 50 (wat overigens wel kan kloppen). De Italiaan boog zijn rechterarm naar achter en haalde vandaar een plastic zak de achterbank tevoorschijn. Door het plastic was de omtrek van een zwart kostuum zichtbaar. ‘Dit is een Armani, de laatste mode,’ zei hij. ‘Hele mooie stof.’ Hij kon het niet naar New York meenemen. Een reden daarvoor gaf hij niet op. Ik sloeg het aanbod af. Een wel erg overdreven presentje voor het wijzen van de weg, dacht ik.

Op aandringen van de man liep ik om naar het rechter voorportier van de auto, en opende het. Hij vroeg me op de passagiersstoel plaats te nemen, opdat ik me van de kwaliteit van het pak kon vergewissen. Hij schoof een deel van het kostuum uit het plastic en prees omstandig de verfijnde stof. Dit was het moment waarop ik duidelijk liet merken dat ik zijn pak niet wilde. De Italiaan gaf het op en reed weg.

Na een aarzelend ‘Goede reis’ liep ik verder naar het museum. Ik kan niet ontkennen dat ik in wat verwarde toestand verkeerde. Te verward om even naar het nummerbord van de auto te kijken. Later dacht ik dat dit nummer misschien weinig had gezegd: de BMW had een Nederlandse huurauto kunnen zijn. Was hij nou echt bezig mij zover te krijgen dat ik op straat bij een rondrijdende Italiaan een kostuum ging aanschaffen? Want het kan toch niet anders dan dat ik uiteindelijk een (‘zwaar afgeprijsd’) bedrag had moeten betalen, mogelijk voor een nep-Armani. Ik zal het nooit weten.

 

 

Gepost in Columns, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

7 februari, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 29: ‘Blokken’

Extaze in de Houtrustkerk 29

De Houtrustkerk in Den Haag zal op donderdagavond 7 februari de vormen,
de kleuren en de geluiden van het modernisme aannemen. Een van de definities
van dat begrip luidt: modernisme is een vorm van kritisch en esthetisch
engagement met de moderniteit.
Geen Nederlandse schrijver tussen de twee wereldoorlogen heeft de mogelijkheden van
de technologie, het centralisme, het constructivisme en de manipulatie van een bevolking in zo’n grimmig perspectief geplaatst als F. Bordewijk in zijn korte roman Blokken.
Deze dystopie uit 1932 liep vooruit op het totalitarisme van Italië en Duitsland.
Er zijn weinig romans in de Nederlandse literatuur die de vormen, kleuren en geluiden waar we het in de eerste zin over hadden zo concreet hebben gemaakt en zo doelgericht in de vertelling hebben geplaatst als deze korte roman van Bordewijk.
De presentatie van Extaze 29 draait rondom Blokken. De muziek in de Houtrusthal zal voornamelijk recht zijn, zonder franje. De mens in de vertellingen zal wat meer ding en het ding wat meer mens worden. Dichters en essayisten zullen ons naar verborgen zones brengen, verboden plaatsen waar het ongetemde, de rebellie zijn kansen waagt.
We zien beelden van een kunstenaar die Blokken verhief tot een kijkervaring.
De avond in de Houtrustkerk wordt strak, hoekig en trefzeker, rood en zwart van kleur en aanzwellend tot hard van klank.
Maak het mee.

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

In memoriam John Toxopeus

2 mei 1946 – 15 januari 2019

Toxopeus

Op 4 januari mailde John Toxopeus mij dat hij zijn abonnement op Extaze moest opzeggen. Dat ‘moest’ klonk onheilspellend. In een volgende zin stond de reden daartoe vermeld: een ongeneeslijke longaandoening. In de slotzin, ‘Dank voor het plezierige contact’, vatte hij onze relatie samen. In gesprekken die ik in Den Haag en Amsterdam met hem voerde toonde hij zich telkenmale geïnteresseerd in Extaze en de mensen die dit tijdschrift maken. De mailwisselingen over de eindredactie van zijn bijdragen verliepen zakelijk, maar eindigden steevast met een ‘hartelijk dank voor jullie werk’.

John was een prettig mens in de omgang en een getalenteerd schrijver. In zijn beste boek, de verhalenroman We doen of er niets aan de hand is (2014), vertelt hij over zijn vijfentwintigjarige loopbaan als vakbondsbestuurder. Een beroep dat hij zo serieus nam, dat hij er in zijn vrije uren een studie arbeids- en organisatiepsychologie aan toevoegde.
De situaties en personages in de genoemde roman zijn beschreven met ironie en lichte spot. John’s humor zat hem vooral in de kaalheid van zijn schilderingen, de korte zinnen geladen met droge humor, zijn weldoordachte woordgebruik.
‘Halverwege de middag kwam oom Godfried met tante Sophie, een lieve vrouw met een deftige stem’, staat te lezen in het verhaal ‘Schermutseling’ in Wie de jeugd heeft kan wel janken (2015). Tante Sophie praat niet deftig, haar stem is deftig: de deftigheid omgeeft haar.

Dierbaar is mij de passage in We doen of er niets aan de hand is die verwijst naar een gesprek waarin  de vakbondsman (Toxopeus) wordt ‘weggezet’ (‘kaltgestellt’ eigenlijk) door de directeur van sociale zaken van Philips (Vuursteen).
Later in het verhaal duikt deze man weer op, wanneer de vakbondsman en zijn zoon Jonathan een beurs bezoeken.
‘”Zo leeft u nog?” zei iemand in mijn oor. Ik voelde een hand op mijn rug. Hij gaf mij een hand en kneep Jonathan in zijn schouder. “En, kom jij later bij ons werken?” Hij vroeg wat ik tegenwoordig deed en ik vertelde over de gemoedelijke sfeer in de horeca. Hij glimlachte en zei dat hij volgend jaar met pensioen ging en eindelijk tijd had voor kerkenwerk en zijn tuin. “Luister maar goed naar je vader,” zei hij tegen Jonathan en boog zich voorover. “Je vader is een van de besten.”’
‘[…] Ik at met Jonathan pannenkoeken langs de snelweg. […]’
‘”Dat was een aardige meneer, hè pappa?”
“Nu misschien wel,” zei ik, “maar hij is vroeger heel brutaal tegen mij geweest.”
“Echt?”
“Nou en of. Ik was toen bijna mijn werk kwijt.”
“Echt waar? Dan was je zeker wel heel erg boos.”
“Ja, boos en verdrietig.”
“Moest je ook huilen?”
“Ja, ik moest ook wel een beetje huilen.”
“Dan ga ik daar later niet werken.”‘

‘Een vleugje Elsschot,’ schreef ik in de recensie van Wie de jeugd heeft kan wel janken. Elsschot de schrijver, bedoelde ik daarmee. Niet Elsschot de familieman. Daarin was John hem een paar vleugjes de baas.

(cg)

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie