Woudestein – de studenten in de UB, Manuel Kneepkens

De Biebelebomse studenten in de Biebelebomse Bieb
zie, hoe zij lezen zij op hun PC
de teksten van de Businessschool van Biebelebom:

Zaken zijn zalig! Zaken zijn Zaken! Greed is good!

Zalig de Rijken, die l o s e r s met geld!

En trippelt Mickey Mouse met zijn Apple uit New York
de Leeszaal in
(soms op zoek naar dit gedicht? )
ziet hij loom over de tafels hangen
de Biebelebomse studenten, uitgeteld…

Op hun beeldschermen
niks broze Biebelebomse folianten
maar Dumbo, het Walt Disney-olifantje
een selfie van hun spiegelbeeld…

O, die studenten aan de Universiteit van Biebelebom
als Laurel & Hardy, eind Jaren Twintig
bollen zij hun Biebelebomse wangen en roepen:

‘Lees ons, gelukkigmakend boek!

Maak ons de Boze Buitenwereld zoek
de Jungle van Wallstreet’…

O, minnaars van de Stomme Film

O, Millennials ,veel succes!

( uit: Gelukkige dagen in Kralingen – work in progress)

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Catharina van Daalen, Tot hij oceaan werd

tot-hij-oceaan-werd-catharina-van-daalenCatharina van Daalen, Tot hij oceaan werd, Amsterdam 2019 (Brave New Books) – Felix Monter

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , | Plaats een reactie

De dansenden, Rob Verschuren

In de tuin van een halfvrijstaande woning in de buitenwijk van een middelgrote stad zitten prof. dr. Jacob van den Akker, emeritus hoogleraar in de vergelijkende literatuurwetenschap, auteur van het standaardwerk  An analysis of form and vision in Chekhov’s major plays in the context of  Fin de Siècle movements in European literature, onlangs gepensioneerd, en Annemarie van den Akker, de laatste in een mouwloos jurkje en een Kruidvat Maxi Plus luier. Afrikaantjes en salvia’s staan als hooligans langs de grasmat en in de schaduw onder de coniferen scharrelt een merelpaartje.Tot zover de mise-en-scène. We kunnen nu overgaan tot een goed gesprek.‘Kaa kaa kaa.’‘Wat, lieverd?’
‘Kaa waa!’
‘Ja, dat is een hond. Nee, je moet er niet naar toe gaan. Een vreemde hond moet je nooit aanhalen. Je weet niet of hij dat leuk vindt. Honden stammen af van de wolven. Dat zijn gevaarlijke wilde dieren. Wolven leiden vanuit de achterhoede, wist je dat? Wanneer een roedel wolven op pad is, lopen de oude en zieke dieren vooraan, want die kunnen gemist worden. Dan komen de jonge mannetjes, gevolgd door de vrouwtjes, en helemaal achteraan loopt de leider. Op een afstandje, zodat hij alles goed in de gaten kan houden.
Luister je wel?’
‘Oe ma.’
‘Dat is een bloem, ja. Pluk hem maar, ik zal het niemand vertellen. Wacht, laat mij het doen.’
De man plukt de bloem en houdt hem het meisje voor. Ze begint er de bloemblaadjes af te trekken. Hij buigt zich over haar hoofdje om haar geur op te vangen. Haar haar ruikt altijd naar babyshampoo, haar adem naar melk en haar handjes ruiken naar wat het ook is waar ze het laatst in heeft zitten wroeten.
‘Slagroomschouder,’ zegt hij met zijn lippen op de ronding van haar schouder.
‘Oema da.’
Hij bedenkt dat hij zijn hele leven naar betekenis heeft gezocht en nooit echt heeft geluisterd naar de dichters en de vogels.
‘Bie toe?’
Ze heeft de bloem laten vallen en kijkt om zich heen.
‘Wat zoek je?’
‘Bie toe wao? Wao muk sjie hoe?’
Ah, haar knuffel. Daar is een hele reeks klanken voor nodig, alsof de eigenschappen van het vod te veel en te wonderlijk zijn om onder één naam te vangen. Hij vist hem op van onder de stoel, een kanariekleurige pinguïn met een uitdrukking van debiele vrolijkheid. Ze pakt hem met twee handjes aan en begraaft haar gezichtje in het dons. Dan gooit ze hem in de struiken en dan danst ze op het gras, en ze lacht omdat ze danst en ze lacht omdat ze valt.
‘Die Tanzenden wurden für verrückt gehalten von denjenigen, die die Musik nicht hören konnten,’ zegt de man. ‘Die is van Nietzsche, mocht je het interessant vinden om dat te weten.’ 
Nog later komen de vader en de moeder van het meisje thuis. Ze vragen of ze braaf is geweest, en in de ogen van de oude man en het meisje proberen ze te lezen wat het is dat hen ontgaat.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

De Boom, Manuel Kneepkens

Je moet je uitkleden. Ja, totaal naakt, lief!
Want je wordt een boom nu
Je wordt een boom!

Daar is het bos. Bel aan!
De bomen zullen gretig open doen
Klaar om je in te lijven
in hun Gemeenschap van Geschorsten

Ze zullen vragen: ‘Ben je zoals wij?
Ben je bereid te leven in stilte?
Doofstom.Voor altijd zonder taal ?’

En jij fluistert: Ja, ik ben als jullie!
Ik weet waarom de bossen eeuwig zingen
in mijn bloed…
Het is je laatste woord

Zij zullen dan je lentebladeren  
tot een hoog, kunstig kapsel friseren
je wortels schminken en je takken
als voor een Debutantenbal.

maar een Avondjurk, nee, die krijg je niet
Jij bent voor altijd naakt
van nu af aan!

Dit najaar al moet je buigen voor de Noorderstormwind
Hij striemt je borsten met stortregens
Hij doet je pijn. Onnoemelijk!

Maar, Liefste, hoe zou je dat moeten uiten?
Je hebt geen mond, geen tong, geen lippen meer…
Je wordt straks in het winters klooster
van de kaalte
tot op het bot ontheiligd
Je bent een boom nu. Je hebt geen verweer!

En ook de Zomer verlost je niet.
Integendeel. Zij zengt je met haar hitte
haar spechten bonken in je hoofd
haar uilen roepen oehoe in je holtes

En al die honden, die op je lichaam urineren
Al die verliefden, die hun voze initialen kerven
in je torso. En harten met een pijl erdoor…

Het voelt alsof je wordt gebrandmerkt!
Je gilt het uit. Maar niemand kan je horen

Want je bent van hout! Van woordeloos hout!

Liefste, je droom was om een boom te zijn
Je bent het nu!

Wel met een doornenkroon

Die zul je dragen tot je dood!

(uit: Gelukkige Dagen in Kralingen, work in progress)

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 31, de nabeelden

Donderdagavond 5 september werd het eenendertigste nummer van Extaze gepresenteerd, met als rode draad ‘De eeuw van Gisèle’, de biografie van Annet Mooij, belicht vanuit verschillende disciplines. Annet Mooij liet haar licht laten schijnen over over het werk en het leven van Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912–2013), en nam het reilen en zeilen binnen Castrum Peregrini onder de loep. Piet Gerbrandy hield een voordracht over ‘pedagogische eros’.
Onno Schilstra besprak de kunst van Gisèle aan de hand van geprojecteerde beelden, Martine van der Reijden droeg enkele van haar gedichten voor en Klaas Trapman sloot de avond af met een piano-uitvoering van Lamentations et Consolations opus 17 van Siergiej Bortkiewicz, waarvan de no. 1-6. Naast de optredens was er een pop-up tentoonstelling te zien van beeldend kunstenaar Florence Marceau-Lafleur.
Haar tekeningen zijn te bewonderen in Extaze 31.
De presentatie was in handen van Cor Gout, licht en geluid: Anton Simonis (Adesign).
Hieronder de ‘nabeelden’ van fotograaf Eric de Vries.

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Willem van Zadelhoff, Een graf in de wolken

Een graf in de wolkenWillem van Zadelhoff, Een graf in de wolken, Kalmthout 2019 (Pelckmans) Chrétien Breukers

Recensie

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk 5/9:
pop-up tentoonstelling van Florence Marceau-Lafleur

Donderdagavond 5 september is de presentatie van
het eenendertigste nummer van Extaze: ‘De eeuw van Gisèle’.
Naast optredens van Annet Mooij, Piet Gerbrandy, Onno Schilstra, Martine van der Reijden en Klaas Trapman, richt beeldend kunstenaar Florence Marceau-Lafleur speciaal voor deze avond een pop-up tentoonstelling in.
Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur.
Entree: € 10,00 met gratis consumptie in de pauze (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl

extaze 1

Ongeveer twee jaar geleden werd mijn aandacht getrokken door een begrip uit de biologie: de zogenaamde Body Surface Area. Deze verwijst naar de precieze afmeting van het oppervlak van een menselijke huid. Het lichaamsoppervlak van een persoon kan worden berekend op basis van zijn of haar lengte en gewicht. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om op een oppervlak te tekenen dat gelijk is aan dat van mijn huid, en zo paste ik de formule op mezelf toe, en sneed een stuk papier in het juiste formaat, dat wil zeggen: 1,6549 vierkante meter. Hoe evenredig ook, het oppervlak voelde groter aan dan ik.

De tekeningen bevatten elementen van een menselijk lichaam, maar verwijzen ook naar andere schalen, kleiner of groter dan de menselijke maat. Wat werd gedacht als een zelfportret wordt een landschap, wat werd gedacht als een gevonden object wordt een figuur waarmee ik me kan identificeren. Net als in de schilderijen van Gisèle spelen mijn beelden met dubbele betekenissen, evenals de herkenning van de menselijke vorm in
niet-menselijke voorstellingen.

Het grote werk bestaat uit mijn precieze lichaamsoppervlak, gemeten op 14 augustus.
De kleine werken, die in Extaze zijn afgedrukt, maken deel uit van een doorlopende serie. Eenmaal klaar, zal het oppervlak van deze kleine werken samen gelijk zijn aan die van mij.

Gepost in Home | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

De berg, Ishana Sayag

Ik stond beneden. Roy en Daantje waren de helling al aan het beklimmen, niet eens over het officiële wandelpad. Jaloers keek ik hoe ze resoluut voortstapten, steeds verder de heuvel op. Míjn schoenen zonken in het natte riet en de sneeuwresten. Ik zette mijn ene voet voor de andere en gleed bijna weg. Huiverend deed ik nog een stap, en maaide met mijn armen, op zoek naar evenwicht.
    ‘Papa, kijk wat een mooi uitzicht,’ hoorde ik Daantje tegen Roy zeggen. ‘Je kunt bijna over de boomtoppen heen kijken.’
    Ze waren al halverwege de heuvel (‘berg’ heette die, las ik later op een bord), een van de aangelegde natuurkunstwerken in het bos. Dat steekje ergernis over de voorsprong die zij op mij hadden genomen in plaats van samen te lopen, negeerde ik.  
    ‘Mam, dit moet je zien,’ zei Daantje. Roy en zij keken op me neer en glimlachten.
    Een opgewonden klinkende omroeper kondigde de eerste deelnemers van de CrossCup aan die in de verte in het open veld de finish naderden. Dus daartoe dienden de opgeblazen finishboog, de vlaggen en de kramen die we bij aankomst in het bos hadden gezien. In het veld stond nu publiek verzameld, tientallen mensen, langs de hekken holden er nog meer toeschouwers naartoe. Ik keek of er bewakers aanwezig waren, maar zag ze niet. Vijftien jaar in Nederland en nog steeds was ik niet gewend aan het fundamentele gevoel van kalmte dat iedereen hier leek te hebben. Aan hoe vanzelfsprekend veilig zijn was voor Nederlanders.
    Uit de luidsprekers klonk harde muziek, ter huldiging van de winnende jogger. Zo onverwachts dat ik ervan schrok. Toen ik in de ochtend tijdens het ontbijt had voorgesteld in het Cirkelbos te gaan wandelen, had ik er een heel ander beeld bij gehad. In mijn gedachten zag ik ons met zijn drieën zij aan zij een beschut wandelpad volgen tussen de bomen, louterend in de stilte van het bos en het vogelgefluit, en af en toe gezellig met elkaar kletsen. Niet het gedruis van hordes mensen in een drukbezochte hardloopwedstrijd.
    Weer zette ik een bedachtzame stap omhoog, alsof ik op een strakgespannen trapezekoord aan het balanceren was. De grond was glibberig, ik durfde mijn andere voet niet te laten aansluiten.
    ‘Gekke mam, niet zo!’ riep Daantje. ‘Je moet je voeten schuin neerzetten. En duw de hak van je schoen stevig in de grond.’
    Het was een omgekeerde wereld: tien jaar oud en ze wist het al beter dan haar behoedzame moeder. Er was ook weinig over van dat wilde, avontuurlijke meisje dat ík ooit was geweest. Zij had, net als Daantje nu, alles aangedurfd. Als driejarige al, mijn moeder was maar even uit zicht, en weg was ik, naar mijn zus in het kinderdagverblijf drie straten verderop. Als tiener was ik net zo onbesuisd, in weerwil van mijn vader die het leven an sich al als onveilig had bestempeld. ‘Mijn huis is mijn fort’ nam hij letterlijk, bij elke onderneming buitenshuis voorzag hij risico’s. Wandelen in het Yarkon park? Doe maar niet. Je weet niet wat voor een predator je achter de bomen opwacht. Naar het winkelcentrum na school? Doe maar niet, er kan zomaar een bom in de autobus zijn geplaatst. Naar de bioscoop met vrienden? Doe maar niet, straks zit  er een terrorist in de zaal. En waarom zou je? Het klokje tikt thuis toch het best? Ik deed het toch, de vrijheid opzoeken, de ruimte, de drukte (want wat wist mijn vader nou?), en had om de haverklap ruzie met hem.     Boven me legde Roy zijn arm om Daantje’s schouders. Een knus onderonsje. Ik ving flarden van hun gesprek op: ‘…kijk hoe mooi de zonnestralen op de takken vallen… Zoveel verschillende bomen.’
    Ik richtte mijn blik strak op mijn sneakers, zette een volgende stap en drukte direct mijn hak in de natte aarde. Mijn voet gleed naar beneden en kwam tot stilstand tegen een uitstekende steen.
    Pas op drie meter hoogte, maar voor mijn gevoel hangend tussen hemel en aarde, keek ik berekenend naar de top. De zolen van mijn sneakers waren duidelijk te glad voor dit avontuur. Stom. Wie trok nou dit soort schoenen aan voor een winterse boswandeling? De blessures die ik recentelijk had gehad flitsten door mijn hoofd, allemaal gebeurd omdat ik niet geluisterd had naar mijn intuïtie, naar de stem van mijn angst: de gekneusde rib in de zomer toen ik in navolging van Roy en Daantje in de onstuimige zee geprobeerd had de golven te pakken, mijn rechterknie vorige winter, toen ik tegen beter weten in, met ze meefietste in de sneeuw, langzaam en gespannen, en van de fiets was gevallen, en de linkerknie de zomer daarvoor, toen ik na aansporen van Daantje van de steiger het kanaal in spong. De herinneringen verstarden me, ik snakte naar een seizoen zonder onheil.
    Het was niet anders. Met mijn nederlaag onder de arm, daalde ik voorzichtig tot ik weer aan de voet van de heuvel stond, en sloeg de officiële wandelroute in, het pad dat als een spiraal de heuvel omhelsde. Voor me liepen twee vrouwen met een kind, als een bevestiging dat ik toch normaal was, dat het helemaal aanvaardbaar was de bestemming te bereiken via de gewone weg.
    Na een paar minuten bespeurde ik het ineens: er naderde een dreiging. Zoals ik het vaker had gevoeld, stonden de haren in mijn nek op post, mijn hart verhaastte zich, mijn benen spanden zich aan, klaar om te vluchten. Het was of ik weer terug was in Tel-Aviv, zeventien jaar oud, en met mijn vader in het stadscentrum (een zeldzame gebeurtenis) om spullen te kopen voor het nieuwe schooljaar. Hij had net naast me gestaan maar nu was hij weg. Ik draaide me om en zag hem praten met iemand, pal naast de ijskraam, zo’n vijftien meter terug. Mmm, een ijsje, dacht ik, en kijkend naar de lange ijsrij overwoog ik of ik me erachter in wilde aansluiten. Een jonge man die in de rij stond, trok mijn aandacht. Iets in zijn uiterlijk klopte niet. Hij had een jas aan, terwijl het hartje zomer was. Ik zag mijn vader ook naar hem kijken, ik zag de paniek verspreiden op zijn gezicht toen hij naar me riep: ‘Leah, rennen!’ Ik gehoorzaamde direct en sloeg op de vlucht. De zelfmoordterrorist blies zich op nog voordat ik de volgende winkel bereikte, een oorverdovende explosie, gevolgd door vuur en rook. Door een regen van steen, glas en metaal, rende ik naar veiligheid, denkend dat mijn vader vlak achter me was.
    Terug op het heuvelpad dwong ik mezelf om te kijken, en draaide me langzaam om. Het was een groep kinderen die op het pad jogde, elkaar ophitsend om als eerste boven aan te komen. Bij eentje danste het deels losgekomen startnummer met zijn bewegingen mee. Ik haalde weer adem, de frisse winterlucht ontspande me. Terwijl ik opzij schuifelde om ruimte voor ze te maken, luidde de omroeper aan de overkant de prijsuitreiking van het jeugdcircuit in. ‘Mooie medailles. En natuurlijk troostprijzen voor de overige deelnemers!’ riep hij door de microfoon.
    Ik verdiende niet eens een poedelprijs. Ik had Israël verlaten om me hier te vestigen, het land van de tulp en de tolerantie waar ik gaan kon waar ik maar wilde. Waar het slaan van de kerkklokken de enige terreur vormde, elk halfuur, maar als je de tijd in de gaten hield, was je ze voor. En toch bleef de angst in me aanhoudend groeien, kreeg er zelfs extra lagen bij: de angst dat Daantje iets zou overkomen, de angst dat ik onbewust mijn eigen angst aan haar zou doorgeven.
    Ach, dit is Nederland, zei ik tegen mezelf, geen reden tot zorgen. Kijk maar naar de menigte in het veld, die is er het bewijs van – samenscholend zonder beveiliging, zonder vrees. Daantje was ook zo, alles pakte ze vol vertrouwen aan, vol enthousiasme. Angst was voor haar een uitzondering op de regel; een natuurlijke, nuttige emotie die ter bescherming werd ingezet wanneer de situatie erom vroeg. De situatie hier vroeg er niet zo vaak om.
    ‘Kijk papa,’ Daantje’s stem klonk opgewonden, ‘je kunt het water zien.’ Roy en zij stonden al op de top. Ikzelf was tweederde op weg en had nog zo’n tien meter te stijgen.
    ‘Dat is het Weerwater. En kijk daar.’ Roy wees met zijn vinger naar iets in de verte. ‘Dat is het onafgemaakte kasteel, en daarachter is de schouwburg.’
    Ik volgde zijn vinger, maar zag alleen maar kale boomstammen. Wat duurde het lang via de officiële route. Maar gezond verstand redt mensenlevens, verzekerde ik mezelf, daar was niets mis mee.
    En toen kruiste een hondje me rakelings op het pad. Hij werd gevolgd door een jongetje van een jaar of zeven dat met één hand de riem vasthield, terwijl hij langs de helling naar boven klom. Weer of geen weer, het leek hem geen moeite te kosten, en twee tellen later waren ook het hondje en hij boven. Met mijn ogen klom ik mee, appeltje-eitje.
    Dit kon ik toch ook? Dat wilde meisje was er nog, bang maar smachtend naar avontuur. Kom uit je schuilkelder, sprak ik haar stilletjes toe. Laat de oude ervaringen los, het in stress ondergedompelde land. Laat de stem van je vader los. Beoordeel het hier en nu zelf. Ik zuchtte en bekeek de helling als voor het eerst: aan deze kant van de heuvel was de grond hard, geen begroeiing, weinig sneeuw. Een hóndje kon de berg op. En voor ik me kon bedenken begon ik te klimmen. Achter het jongetje aan. Gewoon doen. Kijken, inschatten, kiezen en direct een stap zetten. En weer. Stap twee, stap drie, stap vier. Niet achteruit kijken, alleen vooruit. Mijn voeten zochten steeds een steen die grip gaf, een kei waar ik me tegen af kon zetten. Mijn lichaam nam het voortouw, mijn hoofd mocht zich er niet mee bemoeien. Ik was een lift met onzichtbare kabels, ik was ruimte die zich omhoog verplaatste. Ik was dat ondernemende meisje weer van voordat de stem van haar vader bij haar introk, één met de heuvel, de bomen, de wind.
    ‘Schat, doe alsjeblieft maar niet…’ Roy. Van bovenop de heuvel keek hij me aan. ‘Je wilt toch niet vallen?’
    Direct zag ik het gebeuren, ik liggend op de grond, onder het puin, arm gebroken, onderbeen afgerukt, bomscherven steken uit mijn bovenbeen. Ik voelde al mijn wangen branden van de diepe wonden, ik proefde de metaalsmaak van bloed in mijn mond.
    Ik wankelde. Naar beneden, naar beneden, terug naar veiligheid. Maar hoe? Ik durfde niet meer rechtop te blijven staan. Heel langzaam zakte ik door mijn knieën, tot mijn handen de grond bereikten en ernaar grepen. Traag draaide ik me om tot mijn billen de grond vonden. Vergeet het uitzicht op het onafgemaakte kasteel maar, dacht ik. Een hedendaagse ruïne, dat was ik zelf al.
    Zittend daalde ik af. Het vocht uit de koude grond trok in mijn broek. Ik bleef glijden tot mijn verlangen naar veiligheid werd ingelost.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Naar een ecologisch decoratiestelsel, Manuel Kneepkens

Al sinds decennia geschiedt in Nederland het eren van verdienstelijke burgers precies op dezelfde wijze. Hij of zij wordt geëerd met een straatnaam, plaquette, een buste of een full size-standbeeld. Dit alles na zijn of haar dood (leden van de Koninklijke familie uitgezonderd. Die mogen eerder).
    Bij leven eert men de verdienstelijke burger met de Orde van Oranje Nassau, de Orde van de Nederlandse Leeuw of de Militaire Willemsorde.

In Rotterdam is het eerbewijs, oplopend in gewichtigheid, de Erasmuspenning, de Wolf van Borselenpenning en de Van Oldenbarneveltpenning. En dan hebben we nog de Johan van der Veekenpenning voor personen in een leidinggevende functie. Dat zijn mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de economische ontwikkeling van Rotterdam (en de ecologische ontwikkeling, hoe zit het daarmee? Het is maar een vraag…).

Wij leven inmiddels op de drempel van het Ecologische Tijdperk, daar helpt geen moedertje lief aan. Recent verscheen de  spraakmakende publicatie van het IPCC, waarin dringend  op (her)bebossing van de planeet word aangedrongen. Méér bomen!
    Zwitserse wetenschappers hebben in het gerenommeerde wetenschapsblad Science berekend hoeveel er bij moeten komen om de CO2-concentratie terug te brengen tot ongeveer het niveau van honderd jaar geleden. Één biljoen! In de Verenigde Staten, Canada, Australië, China, Rusland en Brazilië is daartoe voldoende braakliggend terrein voorhanden, lezen we in het artikel.
    Wel is het zo dat we ons over herbebossing, met name in Brazilië, ernstig zorgen moeten maken. Onder Bolsanaro gaat het in dat land namelijk precies andersom. Er wordt daar alleen maar meer en meer bos gekapt, vooral in het Amazonegebied.
    Ook het dichtbevolkte Nederland zal wat die (her)bebossing betreft naar rato een bijdrage moeten leveren.

Ik zal hieronder een voorstel doen tot bebossing van ons land. Het aardige van dit voorstel is dat het niets extra’s hoeft te kosten.

Wordt het niet langzamerhand zaak dat de verdienstelijke burger, die op het punt staat geridderd te worden, een keuzemogelijkheid wordt geboden? Dat hij of zij kan zeggen: ‘Nee, ik hoef geen lintje, burgemeester, plant voor mij maar een (linde)boom!’ En dat die boom dan in het bijzijn van de geridderde en zijn familie en vrienden plechtig wordt geplant in het Nederlandse Ridderordenbos
    Het zou wel eens zo kunnen zijn dat een behoorlijk aantal van de te ridderen personen voor het planten van een boom zal kiezen. Want het gaat hier om verdienstelijke burgers, die vast en zeker nòg verdienstelijker willen zijn! En door hun boomplanting leveren zij een substantiële bijdrage aan het milieu. Zijn of haar ecologische voetafdruk zal door deze boomplanting immers gelijk een stuk kleiner zijn!
    De lintjesregen van 2019 leverde achttienhonderd tweeëntachtig geridderden op. Bij elkaar dus een behoorlijk bos.
    Aan een ridderorde heeft alleen de gefêteerde zelf iets. Maar van het Ridderorderbos profiteren we allemaal…
    De te planten boom – voorzien van een koperen plaatje met de naam van de geridderde erop – mag natuurlijk ook een plataan, beuk of populier zijn. De eik wil ik afraden. Al was het maar omdat de eikenprocessierups in Nederland al biotoop genoeg heeft…

Gepost in Columns | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Vladimir Sorokin, De dag van de Opritsjnik

Sorokin voorplatVladimir Sorokin, De dag van de Opritsjnik, Rotterdam 2019 (Uitgeverij Douane) Chrétien Breukers

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Gedichten van Carla Boogaards

De uitkomst

Ik heb altijd al een zigeuner willen zijn, toen ik een kind was zei ik  tegen mijn ouders, ik ben uw kind niet, ik ben van de zigeuners en op een dag komt de zigeunerkoning mij halen. Niemand sprak mij tegen of beweerde dat zoiets gewoon niet kon en dat soort dingen, de hele familie knikte, er werd nooit meer over gesproken. Dat hoefde ook niet, ik wist het stond in hun geheugen gegrift. Ikzelf werd warm

van liefde voor mijn vader die ik nog niet kende, mijn ogen straalden, misschien hield ik vanaf die dag wel meer van familie. Ze streken zachtjes door mijn haar, en mijn vader noemde mij het poppetje van zijn ogen.

Absurd, is uw mening, zigeuners zijn paardendieven, ze roven kinderen ze zijn heel onbetrouwbaar. Okay, is dat zo, wie is wel betrouwbaar, zeg op klootzak wie het wel is.

De vrouwen met een kind op de arm en hun  aangerimpelde lange rokken met oker en rode en zwarte en roze stralende geheime motieven erin geweven, een wijde broek eronder van zwart satijn met roze strepen, je ziet nog net hun dikke enkeltjes. Mijn man was de zoon van de zigeunerkoning, het was voorbestemd, hij was zo mooi ik moest hem wel doden. Mijn man pakte het mes van me af en droeg me naar bed en schortte mijn rok op. Mijn man leek op Federico Garcia Lorca, toen hij jong was dat zwarte en fijne en ogen vol licht

dat meegesleurd wordt in de jonge god die hij is. Ik was altijd een maagd als hij me beetjes gaf in mijn hals.

 

Sugar Ray Robinson de bokser is dood

Sugar Ray Robinson de bokser is dood, schrijf ik in een gedicht, op de dag
dat hij sterft in een ziekenhuis in Los Angeles, ik schrijf, deze solide neger,
een van mijn fonkelende bastaardvaders, en ik hoorde het geluid van gillend huilen in een storm,
totdat de wind ging liggen om de bokser te laten sterven,
zo stil is het ook als pappa sterft, zijn ogen maken kleine geluidjes die niemand kan horen.
Dan ga ik heel zacht tegen hem praten, ga maar slapen god laat hem stilletjes inslapen,
als iemand nog maar een klein beetje ademt moet je naar hem glimlachen.

Over Sugar Ray Robinson wordt verteld dat hij zachtaardig was, de vrouwen noemden hem  Duifje,
toen hij in de hemel was gearriveerd
keek hij naar beneden en spoog eens flink, zijn duifjes koerden in de bomen,
Pappa je hield van sierduiven, ik heb het op foto’s gezien, je staat in een grote volière met een duif
op je hoofd, daalde de heilige geest op je neer in de vorm van een duif
dat gebeurde toch toen Jezus gedoopt werd door Johannes, en je lacht naar de camera,
naar mij al was ik er niet bij, maar ik denk niet dat je ooit van boven naar beneden hebt gespuugd, dat zou mamma absoluut niet hilarisch hebben gevonden.

 

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Ventieltjes, proza om het gemoed te luchten, door Ruud Minnee

APPEL

‘Het staat hier toch echt’

– Vezels

– Vitamine A, B1, B2, B6, B12, en itamin C

– Natrium

– Kalium

– Calcium

– Magnesium

– Fosfor

– Ijzer

– Koper

– Zink…

‘Dat kan wel zijn Eva,

maar ik hoef geen appel.’

 

DURF

Werd besprongen door een diepe durf. Liep zonder dralen door het rode licht, en niemand, niemand hield me tegen. Ik was mijn angst overgestoken en knipte alle weerstand door met iets dat soepel en scherp was en makkelijk in de geest ligt. Kocht voor het statiegeld van mijn dromen iets tastbaars om ze uit te laten komen. Belandde hiermee volgenoten aan de overkant, maar toen ik achteromkeek stond ik nog op dezelfde plek, wachtend op het groene licht. Heb zelfs de oversteek niet overwogen, want thuisgekomen lag ik nog op bed, starend naar een zwijgzaam plafond.

 

BUCKET LIST

Boven de Gooi en Vechtstreek bungelt Ronald-Jan van Scheepspenning aan een parachute, gehuld in een hagelwitte smoking. Terwijl hij langzaam naar beneden wiegt, geniet hij van wat Strottarga bianco kaviaar. Deze actie stond al een tijdje op zijn bucket list. Op datzelfde moment, ergens op de Middellandse zee, is Ananda Abasi uit Ghana bezig met zijn ‘bucket list’. Dat wil zeggen, hij is koortsachtig aan het bedenken hoe hij met een emmertje zo snel mogelijk kan voorkomen dat zijn gammele bootje zinkt….

 

ONBEGRIJPELIJkHEID

Op het ‘Bureau ter Bevordering van de Onbegrijpelijkheid’ hangt een nerveuze sfeer. ‘Elke willekeurige opsomming van twee of meer letters uit het alfabet levert een afkorting van een bestaande organisatie, syndroom, ziekte of wet op. Is dat niet verontrustend?’ denkt Johan Jobsik hardop. ‘We zijn door onze lettercombinaties heen!’
    ’Gelukkig hebben we het AVG nog (Algemene Verordening Gegevensbescherming),’ gaat zijn collega hierop in. ‘Een ingenieuze warboel aan toestemmingsverklaringen, gegevensbescherming, privacy regulering, datalek-protocollen en ga zo maar door. Dat moet genoeg zijn om ook deze keer voldoende stresskippen met een enkeltje naar het hiernamaals te sturen. Nee, m’n beste Johan, Ik denk dat we ons geen zorgen hoeven te maken. Wij halen ons quota wel weer dit jaar.’

 

MUSICAL

Ben uit het Circustheater gevlucht
Het gejammer werd me echt te veel
Die eindeloze brij van jij, mij, blij 
Zij aan zij en samen zijn we vrij

Ik rende langs het Scheveningse strand
Maar tussen het krijsen van de meeuwen
Hoorde ik mijn achtervolger schreeuwen

De woede achter mij won snel terrein
Het werd een ongelijke strijd, ik kon niet meer
En mijn lichaam zakte bij de vloedlijn neer

De belager greep me bij de keel
En vlak, voor ‘t bewustzijn mij verliet
Zag ik een gezicht dat ik direct herkende
Het was Joop… Joop van den Ende
 

DELEN

‘Een halve ton per maand Trudy! Mijn werknemers komen niet eens aan de vijftienhonderd. Ik moet het compenseren. Het is gewoon niet eerlijk.’
    Zijn vrouw kijkt hem stralend aan: ‘Oh, Govert-Jan, ik had zo gehoopt dat je geweten zou gaan spreken. Wat heerlijk. Je bent een schat!’
    Met een schok wordt Govert–Jan wakker, het zweet parelt op zijn voorhoofd. 
    ‘G-J, wat is er in hemelsnaam…?!’ Zijn vrouw kijkt hem verschrikt aan. 
    ‘Ik had een afschuwlijkje nachtmerrie Trudy. 
    ‘Waarover dan? 
    ‘Delen Trudy, het ging over delen.’
    ‘Delen?!’ roept Trudy uit. ‘Oh mijn god, wat afschuwelijk! Ach, arme, arme jongen.’

*

[tag]PAPAE NERVOUS

In 2066 kon de wereld zich verheugen op de tweede Nederlandse paus in de geschiedenis. De eerste, Adrianus Vl, mag overigens nauwelijks naam hebben. Hij bekleedde de functie slechts een jaar (1522–1523). Zijn ‘opvolger’, de uit Heerlen afkomstige Johannes, Hendrikus, Andrea Bernardus was vast van plan dit zielige record royaal te breken. Los van de intentie het legendarische Bedankt voor de bloemen voor het eerst accentloos over het Sint-Pietersplein te doen laten schallen, had hij de aanhef van zijn eerste Urbi et orbi volledig in het Latijn opgesteld. Een bombastisch intro dat bol stond van metaforen: over de wil van mensen, het ego, de vele aspecten van lucht en water, de kracht van amfibieën, die in beide elementen kunnen voortbestaan en de verraderlijke schoonheid van de vrouw. Maar de zenuwen speelden hem dusdanig parten, dat eenmaal op het balkon verschenen, er niet veel meer over zijn trillende lippen kwam dan de zinsnede seis quid volo inflatable crocodilus ad inde expellam inter decoras mulieres. Wat zoiets betekent als: weet je wat ik wil, een opblaaskrokodil om daar mee te drijven tussen de lekkere wijven….
 

INFILTRANT

Het wezen bevindt zich in een kale, helverlichte ruimte. Zijn tentakels maken hoekige gebaren en uit het knokige lichaam komt een doordringend, schel geluid. Het doet verslag aan zijn soortgenoten, die tevreden zoemen. Deze infiltrant bleek het ultieme wapen om de aarde beetje bij beetje te vernietigen. Even later loopt het nu volledig getransformeerde wezen, door de gangen van het Witte Huis. Een passant groet hem beleefd: ’Goodmorning Mister President.’
 

ERICA

Erica kromde haar rug, deed haar gebit uit en zette een raar stemmetje op. Toen ze ook nog wist te melden dat de Tsarina theedronk uit een samovaar, was de waarheidscommissie overtuigd. De dames maakte een reverence, de heren salueerden. Het onderwerp van hun diepe devotie probeerde ondertussen haar gebit weer in te doen, uitroepend: ‘Na zdorovje! Na zdorovje!’
Haar zakwoordenboekje, Russisch voor beginners, viel uit haar Jumbo-boodschappentas. Voor de commissieleden was er echter geen twijfel meer mogelijk. Ze stonden oog in oog met de legendarische, dood gewaande jongste dochter van Tsaar Nicolaas de ll… Anastasia Nikolajevna Romanova.
 

DE BUURTMANAGER

‘Goedemorgen, de buurtmanager.’
‘De buurtmanager?’
‘Ja, heeft u geen bericht ontvangen?’
‘Nee, we waren met vakantie en…’
‘De buurtmanager herstelt de sociale contacten in uw wijk. Eens even kijken… u kunt deze week kiezen uit: A: een bezoekje aan mevrouw Veenstra, hier aan de overkant; B: wandelen met meneer De Goey op nummer 43; of C: het organiseren van een buurtbarbecue.’
‘Oh, nee, daar begin ik echt niet aan…’
‘Dan kunt u kiezen uit de volgende sancties: A: uw gas wordt twee weken afgesloten; B: een parkeerverbod; C: uw vuilnis wordt de komen drie maanden niet opgehaald.’
 

TEKENING

‘Ik heb wolkenkrabbers gebouwd in New York, Tokio en Abu Dhabi,’ verzuchtte de befaamde en gelauwerde architect en emeritus-hoogleraar aan de TU Delft, Jan-Jaap Geuzehoepel – Bakschnabel. ‘Kilometerslange bruggen in Alaska en alles daartussenin. Ik heb alle prijzen gewonnen die er op dit gebied te winnen zijn, maar ik zou het allemaal inruilen als mijn vader eindelijk iets zou zeggen over mijn tekening van Barbapapa…’
 

*

DA’S PAS KRAS

Een paar honderd meter van de bus vonden ze de macabere resten van het reisgezelschap: schedels, botten, een aantal kunstgebitten en een paar heupprotheses. De deelnemers aan de seniorenreis van KRAS, de ‘Bonusai Bush Tour’, werden overrompeld door de laatste nog praktiserende kannibalenstam, de Hakabouri. Een slachtpartij was het gevolg. De twee hartsvriendinnen uit Boskoop, die als enigen de nachtmerrie hebben overleefd, zijn zwaar getraumatiseerd. Niet eens door de verschrikkingen die ze hebben meegemaakt maar meer door het feit dat de Hakabouri de twee vriendinnen zo onsmakelijk vonden dat ze van het menu werden geschrapt
 

VRIENDIN

De licht dementerende mevrouw Van Beveren was maar wat blij met haar vriendin. Ze praatte met haar over koetjes en kalfjes en samen keken ze naar omroep Max. Op een zonnige middag trakteerde mevrouw Van Beveren  zichzelf en haar vriendin op een advocaatje. ‘Lekker hè?’ kraaide ze het uit. Maar in plaats van een instemmende reactie kwam er rook uit haar vriendin. Vol ontzetting greep mevrouw Van Beveren haar vast, maar werd hierbij getroffen door een enorme schok. Een kortsluiting had haar pacemaker volledig ontregeld. En zo werden ze gevonden, naast elkaar liggend op de grond. Een zorgrobot kan slecht tegen advocaat…
 

TEGENVALLER

Ben nu een week of zes dood, maar het valt bitter tegen, had er meer van verwacht: iets lichter dan licht, zachter dan zacht, schoner dan schoon. Dacht mijn geliefden weer te zien, excuses aan te bieden en te krijgen. Voorbijgelopen geluk aan te spreken en gepasseerde wegen in te slaan. Maar ik zit hier alleen in een huisje, tussen talloze andere huisjes. Het enige vermaak komt van een animatieteam, gevuld met B-artiesten die door moord, vliegtuigcrash of overdosis tot dit bizarre oord zijn veroordeeld. Het is eigenlijk niets meer dan een bungalowpark. Met een subtropisch zwemparadijs, dat dan weer wel.
 

BBE

Johan had de leeftijd bereikt waarop testosteron de lichaamssappen doorgaans begint om te zetten in lava. Er ging geen dag voorbij of zijn puberbrein was goeddeels gevuld met het voluptueuze figuur van de buurvrouw. Toen deze haar adembenemende lichaam letterlijk wilde blootstellen aan het zonlicht, klom Johan op de schutting, maar voor hij zijn ogen de kost kon geven waar ze zo naar verlangden, gleed hij uit en stortte met een ijle, nog baardloze kreet ter aarde. De buurvrouw kreeg de schrik van haar leven. Johan een bijna-blootervaring.
 

GFT

De bel! Mijn god, alles is verloren, denkt Gerard… Hevig transpirerend opent hij de deur. In de opening staren twee agenten hem fronsend aan. ‘Goedemorgen,’ zegt een van hen. ‘Wij hebben dit gevonden in uw afvalcontainer,’ en uit een vuilniszak trekt hij een stuk been waar nog een naaldhak aan bungelt. Gerard zinkt snikkend op de grond. ‘Ik beken, ik …ik…’ Hij voelt een hevige druk op zijn borst. ‘Wilt u dit organische materiaal voortaan in uw GFT bak doen,’ zegt de agent. ‘Prettige dag nog,’ zegt zijn collega. Gerard voelt zijn hart onregelmatig bonken, dan stopt het.[/tag]

Gepost in Columns, Proza | Getagged | Plaats een reactie

5 september, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 31:
‘De eeuw van Gisèle’

Extaze in de Houtrustkerk 31

Het onderwerp van Extaze 31 zijn de thema’s die voorkomen in Annet Mooij’s bijzondere boek ‘De eeuw van Gisèle. Mythe en werkelijkheid van een kunstenares’, waarin de omstreden literaire kring Castrum Peregrini een belangrijke plaats inneemt.
In Gisèle van Waterschoot en de kunst van het leven beschrijft Annet Mooij hoe Gisèle van haar leven een kunstwerk maakte waarbij ze fictie en verfraaiing niet schuwde. Vooral haar relatie met Castrum zag ze graag gecorrigeerd. Want, hoewel zij de pelgrims (peregrini) onderdak bood, werd het haar verboden bij vriendenfeesten en leesavonden aanwezig te zijn. Onno Schilstra herkent deze situatie in een kleine gouache, getiteld
De Aspirant (tevens de titel van zijn essay), die hij aantrof in Gisèle’s atelier: drie personen staan, dicht bij elkaar, te smoezen, terwijl een vierde schuchter en nieuwsgierig toekijkt. Castrum Peregrini was het geesteskind van Wolfgang Frommel. Van de Duitse dichter Stefan George had hij een opvatting van pedagogie overgenomen die inhield dat oudere mannen jongens moesten uitkiezen om ze in te wijden in de geheimen van de poëzie en het leven. Plato’s Symposion diende als een van de voorbeelden van deze relatie.
Piet Gerbrandy belicht in zijn bespreking van deze dialoog hoe Sokrates de priesteres Diotema volgt in haar opvatting dat erotiek, mits op de juiste wijze bedreven, tot diepe filosofische inzichten leidt. Maar, als het hier gaat om het contact tussen een oudere leraar en een jonge leerling, wie leert er dan meer? De eerste, zo interpreteert Gerbrandy Sokrates’ voortgaand betoog. Hij zal ondervinden dat innerlijke schoonheid waardevoller is dan de vergankelijke fysieke aantrekkelijkheid (Pedagogische eros). Het is een visie die dicht bij Arjen Mulder’s interpretatie van het tweede deel van Stefan George’s gedicht
In der Stern des Bundes komt. Niet de jongen is hier degeen die in de liefdesinitiatie getraumatiseerd raakt (dus: een ander mens wordt), het is de dichter zelf die door
de overgave aan zijn godheid voorgoed is veranderd
(Het eeuwige ogenblik van Stefan George).

Los van de ‘Gisèle-thema’s staat Hans Muiderman’s essay over de filmische schrijfstijl van Marguerite Duras (De verbeelding van Duras): de pen is als een camera.
In dit nummer voorts korte verhalen van Annika van Bodegraven, Guido Eekhaut, Judith de Graaf, Ines Nijs en Inge Schollen. De gedichten zijn van Jonas Bruyneel, Maria van Oorsouw en Martine van der Reijden en het beeldend werk
is van Florence Marceau-Lafleur.

Tijdens de presentatie van Extaze 31 zal Annet Mooij haar licht laten schijnen over over het werk en het leven van Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912–2013), en het reilen en zeilen binnen Castrum Peregrini onder de loep nemen. Oprichter van deze kring, Wolfgang Frommel, had van de Duitse dichter Stefan George een opvatting van pedagogie overgenomen die hierboven al beschreven staat. Piet Gerbrandy houdt een voordracht over deze ‘pedagogische eros’. Onno Schilstra bespreekt de kunst van Gisèle aan de hand van geprojecteerde beelden, Martine van der Reijden draagt enkele van haar gedichten voor en Klaas Trapman sluit de avond af met een piano-uitvoering van Lamentations et Consolations opus 17 van Siergiej Bortkiewicz, waarvan de no. 1-6.
 
Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 met gratis consumptie in de pauze (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

cover Extaze 31

De nieuwe Extaze is verkrijgbaar vanaf 5 september
(Alle nummers zijn direct hier te bestellen) 
Vormgeving binnenwerk, omslag en afbeelding omslag: Els Kort

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Leo, door Tijl Nuyts

1

er woont een boze koning
in mijn borst

ik sla geen mea culpa
maar voed hem vogelzaad
omdat iedereen dat doet

wanneer we ’s morgens
rond de tafel zitten
gezichten naar de muur

ziet men onze baarden oplichten
als brandschone rechthoeken

we gloeien
maar enkel in het donker

 

2

Leo’s buste van vogelzaad
biedt voeding voor het nest

nestbevuilers zegt men
nestbeveiligers zegt men

een duif voelt zich belangrijk
omdat hij voor duizend toeschouwers
op Leo’s schouders heeft gescheten
misschien is de duif inderdaad belangrijk
maar kakken kan iedereen

wanneer de avond valt
wordt op het witte vlak onder Leo’s kin
een diavoorstelling afgespeeld

 

3

Leo geeft ruiterlijk toe
dat hij fouten heeft gemaakt
dat doet hij vanop zijn stenen paard
starend in een zon die ondergaat

’s nachts klonteren meningen
samen tot een krijtwitte maan
die minzaam glimlachend
boven de hoofden van de
bezoekers hangt

Leo opent zijn armen
en omhelst de bekentenissen
die wij niet over onze lippen krijgen
als dartele veulens draven we met hem
van witte vlek naar witte vlek

daarna gaan we douchen

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Peter Veen, Valwind. Zeer korte verhalen.

valwind-omslag-voorkant
<<
De ingezette dood>> – Chrétien Breukers

Peter Veen, Valwind. Zeer korte verhalen. Nieuw-Schoonebeek 2019 (Uitgeverij Dizzend)

 

 

 

Recensie

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , | Plaats een reactie

Leo’s begrafenis, Ries Roowaan

Vandaag was mijn begrafenis. Eerlijk gezegd heb ik daar de laatste dagen nauwelijks aan gedacht. Zo vreemd als dat wellicht klinkt. Natuurlijk zag ik het aankomen maar evengoed ging ik er telkens weer snel aan voorbij, alsof het niets met mij te maken had. Pas vanochtend drong volledig tot me door, wat er stond te gebeuren, toen pas ging het licht aan.
    De hele tijd waren mijn gedachten heen en weer gegaan, heen en weer, telkens weer dacht ik terug aan het moment dat ik in een smalle, peperdure, volgens sommigen ook licht ordinaire hoofdstedelijke winkelstraat wandelde en de wereld helemaal in orde leek. Er was nauwelijks verkeer, slechts af en toe een auto, een enkele fietser en verder alleen maar wandelaars. Elk geluid klonk gedempt, alsof er een plaid over het trottoir lag en de echo van mijn voetstappen zachtjes van de gevels klotste. Ik keek naar de andere kant van de straat, die al in de schaduw lag. Werkelijk alles gaf mij een diep gevoel van rust. Het was zo’n zeldzame dag dat alles klopt, precies op het kantelpunt tussen zomer en herfst.
    Dat was dus het ene moment. Het volgende moment was van een heel andere orde, van een volledig onvergelijkbare orde. In mijn ooghoeken zag ik een lichtflits die nog in dezelfde fractie van een seconde tot monsterachtige proporties uitgroeide. Met een razende snelheid, veel te snel om het te registreren, laat staan te kunnen reageren, kwam een moordende drukgolf en een withete vuurzee recht op mij af. Voordat ik met mijn ogen kon knipperen, was ik dood. Sindsdien zweef ik door de straten van Amsterdam. Tamelijk doelloos, mag ik wel zeggen.

*

Een week na die onfortuinlijke septembermiddag was het tijd voor mijn teraardebestelling. Overigens moet ik bekennen niet eens te willen gaan. Die begrafenis kan ook wel zonder mij plaatsvinden, dacht ik. Wat moest ik daar? Ik heb niets meer met mijn oude lichaam, dat is voorbij, het is kapot, niet meer te repareren. Vanaf nu zal ik het zonder moeten doen. Opeens, kort voordat het zou beginnen, dacht ik er evenwel anders over: het ging niet om mijn lichaam, dat was van ondergeschikt belang. Tijdens de plechtigheid zou afscheid worden genomen van mij als persoon – van Leo Hogeler, bij leven en welzijn pianoleraar. Weten zij veel dat je ook zonder lichaam kunt bestaan. Toen ik nog leefde, meende ik net als het merendeel van mijn landgenoten dat met het lijf alles zou verdwijnen. Dood is dood, het Grote Niets, dacht ook ik. Blijkt het niet het Grote Niets, maar de Grote Verveling te zijn. Want daar was ik al snel achter: het bestaan in mijn huidige toestand is niet bijzonder enerverend. Om het zachtjes uit te drukken.
    Mijn broer heeft de begrafenis geregeld. Wie anders? Mijn vader en moeder zijn al enkele jaren geleden overleden en naast Johan had ik niemand. Achteraf bezien is het triest dat we het nooit met elkaar hebben kunnen vinden. Met de in totaal zeven neven en nichten had ik evenmin veel contact. Afgezien van mijn broer waren zij mijn enige verwanten. Van de zes ooms en tantes is alleen nog een zuster van mijn vader over en zij is al jaren volledig dement.
De uitvaart werd niet bijster goed bezocht. Het was karig, erg karig. Uiteraard was Johan aanwezig, samen met zijn vrouw, daarnaast een goede vriendin, nog een vriendin, een vage vriend, tot mijn verbazing was ook Maurice, een nog veel vagere vriend, gekomen en tot slot had mijn voormalige buurvrouw zich bij het gezelschap gevoegd. Bovendien was er een man van middelbare leeftijd die ik niet kende. Geen idee, wat hij kwam doen. Zijn kleding viel in ieder geval behoorlijk uit de toon: hij had een hoed op en droeg een regenjas, ondanks de warmte. Al die tijd hield hij zich een beetje afzijdig en leek iedereen nauwlettend in de gaten te houden.
    Wie er allemaal niet waren? Om te beginnen was geen enkele leerling gekomen. Blijkbaar bestond ik zonder piano eenvoudigweg niet. Evenmin gaf een van hun moeders acte de présence, ook niet degenen die mij goed hadden leren kennen. Ik bedoel: echt goed hadden leren kennen. Ja, waar waren al die minnaressen? Waren ze te beroerd om zelfs maar een paar uur vrij te maken voor mijn begrafenis? Te druk met shoppen, bezoekjes aan de nagelstudio, lunchen met een vriendin? Je zou verwachten dat ze afscheid zouden willen nemen van het lichaam dat nu weliswaar kapot is, maar hun tot voor kort toch veel plezier had bezorgd. Want daar was Leo wel goed voor, maar een laatste keer langskomen was blijkbaar teveel moeite. Ze moeten toch hebben gemerkt dat ik tijdens de pianoles niet op was komen dagen en ook de telefoon niet opnam. Als ze al de moeite hebben genomen om te bellen.
    Er was één troost: het prachtige weer. De wereld was een en al zonlicht. Ook de lucht schitterde: volkomen wolkeloos, helemaal blauw, alsof iemand de moeite had genomen om zelfs het kleinste spoortje wit weg te retoucheren. Het was glorieus. En overal zag ik lieveheersbeestjes. Op elke muur, op elke deur zaten tientallen kleine rode kevers met zwarte stippen. Nooit eerder had ik ze in zulke aantallen gezien. Waren het insecten van een andere soort geweest, dan had iedereen van een plaag gesproken, maar dit was een ander verhaal. De honderden, duizenden Pieternelletjes – in fraai Engels Lady Beetles of in even mooi Duits Marienkäfer – herinnerden me aan het behang van mijn kinderkamer. Mijn bed stond tegen een muur vol lieveheersbeestjes met veel te grote gezichtjes, sommige haast menselijk, andere eerder karikaturaal. Het maakte de cirkel rond, alsof de natuur zelf, in de gedaante van die roodzwarte kevertjes, afscheid kwam nemen.

*

Waarschijnlijk is het voor Johan niet eenvoudig geweest om mijn begrafenis te organiseren. Ik had niets geregeld, niets vastgelegd, zelfs geen testament gemaakt, dat leek me overbodig, alles ging sowieso naar hem. Nooit heb ik willen aangegeven wat mijn voorkeur had: begraven of cremeren. Bij leven en welzijn kon ik voor geen van beide opties enig enthousiasme opbrengen. Of ik nou onder anderhalve meter tuinaarde zou komen te liggen of in een hels vuur van meer dan duizend graden Celsius verstookt zou worden – ik vond het allemaal even angstaanjagend. Ik heb er nooit over willen nadenken.
    Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik altijd nogal zenuwachtig werd van de gedachte aan het verglijden van de tijd. Ik was bang om oud te worden, rimpels te krijgen, voor kleine en grote kwaaltjes, lelijk worden, voor alles dat op den duur in je leven komt en nooit meer verdwijnt. Het punt is namelijk dit: vanaf een zeker moment wordt het niet meer beter, hooguit slechter. De aarde gaat maar door met draaien, om de eigen as, dag na dag, van licht naar donker naar licht, jaar na jaar, rondom de zon, door knisperende voorjaarsochtenden, zomerse hittegolven, novemberstormen en plotselinge sneeuwbuien. Ogenschijnlijk verandert er niets. Maar dat is puur gezichtsbedrog, een illusie, een fata morgana, want elk jaar sta je een stukje dichter bij je graf.

*

Op de keper beschouwd blijft er niet veel over van een mensenleven. Waarschijnlijk gooit Johan straks het grootste deel van mijn meubels op de vuilnisbelt. Hij heeft zich zo vaak minachtend uitgelaten over mijn spullen, mijn oude, licht versleten stoel, de eettafel van onze ouders, mijn antieke kussenkast. Mijn vleugel is veel waard en ik neem aan dat hij die zo snel mogelijk te gelde zal maken. Misschien dat hij een paar boeken onder zijn hoede neemt, wat officiële papieren, diploma’s en dergelijke, enkele foto’s. Maar de rest gaat allemaal weg, ben ik bang.
    Het enige wat blijft, zijn de herinneringen, alledaagse herinneringen: de muziek, de vrouwen, zwemmen tijdens een zomeravond. Dat deed ik altijd graag, nooit in het zwembad, altijd in een meer net buiten de stad, tijdens vakanties soms in een riviertje: het zachte kabbelen van het water in de wind, de zon die al is verdwenen en een grijzig licht achterlaat, bomen op de oever, ruisende bladeren, stemmen van ver, als echo’s uit een vorig leven, een hond die luid blaffend heen en weer rent en zenuwachtig jankt totdat hij eindelijk in het water durft te springen.
    Dat is nu allemaal weg, alleen omdat ik op een doodnormale woensdagmiddag door een Amsterdamse winkelstraat slenterde en van de rust genoot. Totdat een lichtflits en vuurstorm alles veranderde. Een paar tellen later zweefde ik boven mijn eigen stoffelijke resten. Mijn rechterbeen was onder de knie vrijwel geheel afgerukt. De linkerarm was zelfs helemaal verdwenen. Bij mijn schouder zag ik een halfrond wit stuk in een rode en paarse smurrie. De rest van mijn lichaam was in een niet veel betere staat. Dat had ik te danken aan een extremistische organisatie die zich sinds jaar en dag voordoet als een mondiale liefdadigheidsinstelling, maar zich inmiddels uitsluitend nog op aanslagen schijnt te richten.
    Was ik op een andere dag gaan winkelen, dan was er niets gebeurd. Had ik twee straten verderop gelopen, ook dan was er niets gebeurd. Dit was een overduidelijk geval van slechte timing, maar ik neem aan dat iedere dode, uiteraard elk op de eigen manier, tot die conclusie komt. Hoe zou je anders aan deze kant kunnen belanden en de eigen uitvaart meemaken?

*****

(Ries Roowaan (geboren in Utrecht, maar sinds jaar en dag woonachtig in Amsterdam) is historicus, gespecialiseerd in de moderne Europese geschiedenis. Een zo goed als compleet overzicht van zijn academische, journalistieke en literaire publicaties is te vinden op www.roowaan.nl. Op dit moment werkt hij aan een roman die de titel Verloren stad zal dragen.)

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Lusthofstraat, door Manuel Kneepkens

Ik wist niet dat het woord Lust
zo mediterraan van huid was

Ik wist niet dat de Barmhartige (Ar Ramaan)
twee kleine borsten had
alsook een hoffelijke schoot

En ik wist niet, dat zij, de Liefste
hokte
boven de halal slager in de Lusthofstraat

             O, Lof der Zotheid…

Ik, Erasmus’

                       Muze
                          L
                       man

 

Ik wist dat niet!

Ik las de Bello Turcico

                   de Turkenkrijg!

Erasmus, geef mij maar Turks Fruit
met Monique van de Ven & Rutger Hauer †

Gepost in Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Recensie: Monika Sauwer, Héloïse en het Inwonen 1947-1952

Heloïse en het inwonen

<<Subtiele laagjes onder het alledaagse>> – Arjen van Meijgaard

Monika Sauwer, Héloïse en het Inwonen 1947-1952, Amsterdam 2019 (Avanti)

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Het ware verhaal van de slang, Rob Verschuren

Als je denkt dat ik rood ben, met horentjes en bokkenpootjes, dan heb je het mis. Ik kan elke gedaante aannemen die ik wil. Die van jouw vrouw of jouw man bijvoorbeeld. Misschien doe ik dat nog wel eens.
    Ik kwam daar dus aanlopen in de gedaante die ik voor de gelegenheid had gekozen, vuurrood, met horentjes en bokkenpootjes. De vrouw slaakte een kreetje dat klonk als ‘ieeeek.’ De man begon te lachen en zei: ‘Krijg nou een paardenlul.’
    De vrouw, die naar mijn horentjes had gestaard, liet haar blik een stukje zakken en giechelde. Ik zei het al, elke gedaante die ik wil.
    Op gepaste afstand bleef ik staan en plantte mijn drietand in het Aards Paradijs.
‘Pleased to meet you,’ zei ik. ‘Hope you guess my name.’
    ‘Mag ik raden?’ jubelde de vrouw. ‘Wat leuk! Uh… Kareltje?’
    De man haalde zijn schouders op.
   ‘Namen heb ik vele, mevrouw,’ zei ik met een beleefde buiging, ‘maar er is altijd plaats voor meer. Men noemt mij Satan, Lucifer en Beëlzebub, de draak, de oude slang en de prins der duisternis. En Kareltje.’
    ‘Adam,’ zei de man, ‘aangenaam kennismaken.’
    ‘Eva,’ zei de vrouw, ‘blijf je voor de thee?’
    Toen we in de schaduw van een boom – een vijg, dacht ik – thee zaten te drinken, vroeg Adam: ‘Kwam je zomaar langs of was er iets?’
    Er was iets, ja. Maar dat wilde ik nog niet kwijt. Ik moest eerst meer weten over dit nieuwe experiment van God. Even tussendoor, pieker niet langer over de vraag waarom God de mens heeft geschapen. De aap viel hem nogal tegen, meer zit daar niet achter.
   ‘Zomaar,’ zei ik dus. ‘Ik was wat aan het wandelen en ik dacht: wat een mooie tuin. Is die van jullie?’
    ‘Ja,’ zei Eva.
    ‘Het is de tuin van God,’ zei Adam.
    Latere ervaringen met de species mens hebben mij geleerd dat je voor een rechtstreeks antwoord op een vraag bij mannen moet zijn. Voor alle andere antwoorden bij vrouwen. Ik richtte mij tot Adam. ‘Die ken ik wel, God. We zijn nog verre familie. Is het waar, Adam, dat God jullie heeft verboden van de vruchten in deze tuin te eten?’
    Adam schudde zijn hoofd en zei: ‘Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.’
    Ik keek naar de boom in het midden van de tuin. Daaraan hingen de mooiste vruchten van allemaal. Zuiver rond, met een dieprood blosje. Alsof God de verboden vrucht verleidelijker had willen maken dan alle andere. Daar zag ik hem wel voor aan.
    Ik zei op dezelfde overspannen toon als Adam: ‘Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.’
    Adam schudde zijn hoofd alsof hij er vanaf wilde: ‘God heeft gezegd: gij zult daarvan niet eten. Zo gij daarvan eet, zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.’
    ‘Een hapje kan toch geen kwaad,’ probeerde ik. Eva keek naar een bijzonder dikke en sappige vrucht die op plukhoogte hing.
    Nu werd Adam boos. Hij verhief zijn stem, en paradijsvogels vlogen krijsend en kwetterend op toen hij galmde: ‘Ook zal de aarde u doornen en distelen voortbrengen en in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt.’
    Goeiemorgen! Ik had hier te maken met de eerste fundamentalist. En dat zijn moeilijke mensen om te overreden. Ik besloot tot een tactische terugtocht. Er moesten andere manieren zijn. Ik dronk mijn kopje leeg en complimenteerde Eva met de subtiele smaak en het aangename aroma van de thee. Ze bloosde als een verboden vrucht. Terwijl ik wegliep, zwaaide ik lichtzinnig met mijn staart.
    ‘Wat een grappig mannetje,’ hoorde ik Eva zeggen.

Denk niet dat ik uit afgunst God dwars wilde zitten. Dat komt er wel bij natuurlijk, mijn collega-kwaadstichters van andere religies hebben allemaal een goddelijke status. Seth, Pan en Loki. Hades, Mara en Tezcatlipoca de Rokende Spiegel. Alleen ik ben uit de hemel gegooid en sta lager in het pandemonium dan de nederigste hulpengel derde klasse. Ik heb ook de pech dat ik moet opereren binnen een dictatuur. Geloof me, zo’n godenkermis als op de Olympus, dat werkt veel democratischer.
    Nee, ik deed het uit idealisme. Lach niet, ik weet waar je woont.
    Ik heb er op alle mogelijke manieren naar gekeken, maar ik kan niks goeds vinden in Gods verbod. Eerst de hele wereldbevolking lekker maken door te vertellen dat de verboden vrucht kennis verschaft en dan ‘mag niet’ doen met dat vervelende vingertje. Welke goede vader wil niet dat zijn kinderen wijs worden? Ik zie mezelf als een weldoener van de mensheid. De eerste revolutionair. Zonder mij zouden jullie allemaal koeien en ezels zijn en tevreden gras kauwen.

Ik hield de tuin in de gaten en wachtte mijn kans af. Op een ochtend zag ik Adam vertrekken met zijn hengel op de schouder. Ik ging meteen op zoek naar Eva. Ze zat onder de verboden boom haar haar te kammen met een twijgje. Ik kwam in de gedaante van een slang, want het was een mooie dag om te kruipen. In de nacht had het geregend en de aarde was koel en geurig.
    ‘Wie ben jij?’ vroeg Eva en ze wees naar me met het twijgje.
    ‘Kareltje.’
    ‘O. Ik herkende je niet meteen. Adam heeft gezegd dat ik niet meer met je moet praten.’
    Ik hief mijn driehoekige kopje op en keek rond. ‘Ik zie geen Adam.’
    Eva giechelde.
    ‘Eva, nog even over die vrucht.’
    Ze keek omhoog en ik zag haar tong over haar lippen glijden.
    ‘Kunnen slangen praten?’ vroeg ze, niet terzake doende.
    ‘Ja,’ antwoordde ik uit beleefdheid. Dat is trouwens een vraag die de geloofsgemeenschap door de eeuwen heen heeft beziggehouden. Vraag het maar aan Dr. J.G. Geelkerken, predikant te Amsterdam-Zuid. Die was zo onverstandig om te opperen dat de slang niet ‘zintuiglijk waarneembaar had gesproken’ en dat de schrifttekst als een metafoor moest worden opgevat. Hij werd zonder pardon uit de Gereformeerde Kerk gegooid en moest verder preken voor de afgesplitste splintergroep Gereformeerde Kerken Hersteld Verband. Rakkers zijn het, die fundamentalisten.
    Eva bleef naar die dikke, sappige vrucht kijken, zo rijp en zwaar dat het dunne takje waaraan hij hing gevaarlijk ver doorboog.
    ‘Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, met smart zult gij kinderen baren,’ mompelde ze spijtig.
    ‘Eva,’ zei ik, ‘kinderen zijn leuk wanneer ze klein zijn. En jouw kinderen zullen opgroeien met de kennis van goed en kwaad.’
    ‘Zullen mijn kinderen gelukkig zijn?’ vroeg ze. ‘Wat zullen ze doen?
    Ik keek in de toekomst. ‘Het zullen jagers en verzamelaars zijn.’
    ‘En mijn kleinkinderen?’
   ‘Jagers en verzamelaars.’
    ‘En mijn achter-, achter-, achter- …. zover als je kunt kijken?
   ‘Alle mensen zullen jouw nakomelingen zijn, Eva,  en ze doen vele dingen, die zeer verschillend zijn.’
    ‘Vertel me over eentje, Kareltje, zover als je in de toekomst kunt zien.’
    Ik keek zesduizend jaar vooruit en zag een vrouw die als twee druppels water op Eva leek. Alleen had ze tatoeages en siliconenborsten. ‘Ze werkt in een karaoke-bar en zit op kickboksen,’ zei ik. ‘In Vinkeveen.’
    ‘O,’ zei Eva.
    ‘Een heel klein hapje?’
    Eva keek weer omhoog. ‘Dan zal de Heere God voor Adam en mij rokken van vellen maken en die ons aantuigen.’ Haar mondje vertrok alsof ze iets vies proefde.
    ‘Maar Eva, daarmee worden kleren bedoeld en kleren maken elke vrouw nog mooier dan ze al is.’ Ik keek naar haar borsten en naar het donzige vachtje tussen haar benen. Toen keek ik naar haar gezicht en zag dat ze er niets van begreep.
    Ik liet mijn tongetje uit mijn bek flitsen, gevorkt, zoals eerder mijn staart, en siste een doodsimpel toverspreukje. Toen zei ik: ‘Kijk achter je.’
    Eva draaide zich om. ‘O,’ zei ze. Toen: ‘Ooooh!’
    Je kent die stangen op wieltjes die ze in kledingwinkels en boetieks hebben? Zo eentje stond nu achter Eva en er hing van alles aan. Avondjurkjes en topjes en merkjeans en bloesjes en lingeriesetjes met kanten randjes en een kort jasje van sabelbont.
    Verder was het een fluitje van een cent. Ik hoefde alleen nog maar een spiegel te toveren.
    Nadat Eva een flinke hap van de vrucht had genomen, nam ze een tweede hap. Ze opende haar mond voor de derde.
    ‘Hé,’ zei ik, ‘laat wat voor Adam over.’
    Ze liet haar hand zakken. ‘Dat is waar ook,’ zei ze, een beetje beduusd. ‘Maar hoe moet ik hem overhalen om te proeven?’
    Ik bekeek haar eens goed. Ze droeg het bontjasje en een rode string. ‘Dat moet geen probleem zijn. Je vraagt: Adam, hou je van mij? en hij zal antwoorden: van wie anders? Daarna gaat de rest vanzelf.’

En zo ging het.
    Na zesduizend jaar is het ware verhaal van de slang dus eindelijk verteld. Je weet nu waarom er magnetronovens en i-Phones en AbTronic X2 buikspiertrainers bestaan. Was je liever een koe of een ezel gebleven in het Aards Paradijs dan?

Gepost in Columns, Geen categorie, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Bouwstenen, door Erik Brus

Erik Brus leest zijn gedicht ʻBouwstenenʼ, dat gaat over het kunstwerk ʻArchitecture of Artʼ van Rolf Den Dunnen. Dit gedicht is geschreven ter gelegenheid van het ladekastproject (mei-juli 2019) in galerie Phoebus Rotterdam, waarin werk van Den Dunnen en anderen werd geëxposeerd.  Rolf Den Dunnen is een kunstenaar uit Rotterdam wiens reeks ʻArchitecture of Artʼ bestaat uit abstracte tekeningen in zwart en blauw en groen, gemaakt op Olympia typemachines. Dit werk is geïnspireerd op de ZERO-beweging van begin jaren zestig en met name op het werk van Jan Schoonhoven.

Erik Brus is een journalist en redacteur uit Rotterdam die boeken samenstelde over onder anderen Hans Sleutelaar en C.B. Vaandrager. Samen met Fred de Vries schreef hij Gehavende stad – muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu, Amsterdam 2012 (Lebowski). 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , | Plaats een reactie