Kras, Meliza de Vries

Vissen kennen parameters. Wij vangen
zij happen naar lucht in water
terwijl wij denken dat zuurstof in bomen zit,
al die liefde in boomschorsen gekrast.

Het duurt jaren tot bomen zich herstellen
langer dan relaties duren.
Liever het ijzeren slot aan de brug geklikt:
het uitzicht wordt minder het inzicht des te beter.

Vissen geloven in ankers bij het zinken vertragen wij
elkaar tot we de bodem van onszelf raken
weer geloven in de afgrond van een ander

een moeder kust het opengebarsten vel
een vader belooft de harde korst.

Waterhoogtes verschillen. Wij zwemmen
boven ons hoofd onder ons groeit een kind
dat een boom aait tot hij krassen kan.

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Er ploffen rode raven neer op ons terras, Geert Viaene

zij krassen en dan mogen wij nog van geluk spreken
dat het nacht is, zij krassen zacht, midden in de lucht

verleren zij het vliegen, er zweeft een onzichtbare sliert
speekseldraden in de lucht waaraan zij zich ophangen

zij staan voor de doden die weigeren om voorgoed weg
te wiegen, zij krassen, wij hebben dit nog nooit gehoord

desondanks herkennen wij dit geluid, zij krassen zacht
zo weten wij, zonder slag of stoot, nu is het onze beurt

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

leegstand, Bert Struyvé

zij leeft in de kern van een glazen bol
haar eigen atrium

‘ik ga even’ zegt hij ‘de wind is gaan liggen’
en drukt geroutineerd een volle hand rond haar glas
zijn stem klinkt neutraal
als een blokje om met de hond

haar mond spreekt hem zwijgend toe
hij grijpt met zorg zijn behaagzieke jas
steeds maar weer omkeren vermoeit

zij zit onzichtbaar na

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Het leven van een kever, Marcel Ozymantra

November dobberde aan het eind van de vorige eeuw in een donker en koud decennium toen Mathieu zijn sleutels verloor. Stefan en hij hadden drie flessen rode wijn en een fles port gevonden. Tot hun grote plezier bleken de kruipruimtes onder Mathieu’s gebouw met elkaar verbonden. De flessen lagen te koelen onder het huis van de buren. Natuurlijk was het een ordinaire diefstal, maar ze waren nogal in hun nopjes met de mazzel. De wijn had de kleur van geronnen bloed en een gedistingeerde smaak die deed denken aan middeleeuwse gravures. De port bewaarden ze voor een andere keer.
Toen het gebied nog opgespoten zand was, bevond Stefan zich in een ander deel van het land. Sinds de cultivatie van het gebied liep er een kanaal tussen hen van het Gooimeer naar de zeilhaven. Een witte opklapbrug verbond de twee. Als je heel hard gooide woonden ze een steenworp van elkaar. In de winter schuifelden ze over het ijs om elkaar te bezoeken. Het gebeurde niet vaak dat Stefan naar Mathieu kwam.
Het was als altijd muf en riekte naar oud zweet, sigaretten en nat zand in Stefans kelder. Hij zag de viezigheid allang niet meer. Het zou nog vele jaren duren voor hij de geur van een bloembed kon waarderen. In de hoek stond een schots en scheve stapel Playboys. De nummers met beroemd Nederlands naakt lagen bovenop.
De flessen wijn deelden het bureau met een Amiga-computer en bakken met papier. Ze speelden tijdens het drinken een racespel. De kleurige pixels stormden in grote kleurblokken op ze af. De monitor was zeker dertig centimeter diep en besloeg bijna de helft van het bureau. Stefan mopperde:
‘Kijk toch eens uit wat je doet!’
Mathieu reageerde geërgerd.
‘Man!’
‘Zie je dat dan niet, joh!’
‘Hou toch eens … shit! Shit shit SHIT!’
Mathieu smeet de muis bijna door het scherm.‘Godver, hou toch eens op met zeiken als ik speel!’
‘Ach, je kan er ook niks van. Mijn beurt!’
Mathieu was stil tijdens Stefans run. Een glorieuze run, natuurlijk. Dat sprak voor zich.
‘Ik heb geen zin meer,’ zei Mathieu. ‘Laten we iets anders doen.’
Hij pielde een Playboy vanuit het midden van de stapel, met de Amerikaanse playmate Suzy Scott. Die had hij thuis ook. Alle stoelen in Stefan’s kamer waren klef en stonken naar rot, maar degene schuin tegenover Stefan’s vaste stoel was Mathieus vaste stoel.
‘Wanneer ga je het weer eens schoonmaken?’
‘Dat doet mijn moeder,’ zei Stefan.
‘Komt ze hier wel eens?’
‘Ik wil haar beneden niet zien.’
Stefans antennes trilden nerveus, terwijl hij met zijn klauwen moeizaam een sjekkie draaide. De ene helft van zijn facetogen was gericht op de Playboy op zijn schoot en de andere helft bezag zijn nicotinetaak. Mathieus elytrum bibberde een beetje, maar ze deden hun best geen opwinding te tonen. Ze zouden nooit aan elkaar toegeven dat ze regelmatig masturbeerden.
‘Man, wat een geil wijf,’ zei Mathieu.
‘Oh?’
Na een paar minuten waggelde Mathieu naar het toilet op de begane grond.
‘Ik ga even pissen, hoor.’
‘Geniet ervan.’
Toen hij eindelijk comfortabel was realiseerde Stefan zich dat hij beter had kunnen zeggen dat hij ging poepen. In het kleine hokje zijn geslachtsdeel bespelen was een trage en onhandige bezigheid.
Tijdens het afspoelen van klauwen en tarsus keek zijn spiegelbeeld hem aan. De clypeus en mandibula glansden alsof ze net waren opgepoetst. Zijn flagella waren wat dof, maar dat kwam doordat hij steeds de planken in Stefan’s ruimte aftastte. Die waren vettig en lagen vol stof. Het leven van een kever ging niet over rozen.
‘Man, man, wanneer mag ik eindelijk tot het menselijk ras behoren?’
Bij terugkomst kon hij Guns ’n Roses al horen. Het akelige gekweel van de zanger deed zijn chitine trillen. De grot hing weer vol dikke rook. Stefan’s mandibula stonden in wat op een onschuldige grijns moest lijken.
‘Nog een spelletje?’
‘Je hebt weer die kutplaat opgezet,’ gromde Mathieu.

Het was zo’n avond dat het Nederlandse voetbalteam weer de wereldcup ging winnen. De tijd van opgeblazen oranjeliefde was nog niet aangebroken, dus was er op de straten nauwelijks een vlaggetje in de Koninklijke kleur te zien. Mathieu en Stefan hielden zich liever bezig met strips, computerspelletjes en sciencefiction. Stefan mopperde:
‘Man, man, hoe kunnen ze fanatiek over zoiets zijn? Beetje rennen achter een bal en dan wegschoppen!’
Ze lachten hard. De kast van een televisie die prominent in Stefan’s grot stond ging niet aan zonder een hevige kreun en inwendig protest.
Toen de twee flessen op waren strompelden ze naar buiten. Mathieu veroorzaakte een akelig geluid door de tarsus van zijn achterpoot tegen zijn tergiet te schuren. Stefan maakte met zijn voorpoten de antennes schoon.
‘Wat gaan we doen?’ Mathieu klikte zijn clypeus.
‘Naar Hilversum?’
Ze wilden niet tussen de tombes van de nieuwbouw blijven hangen.
‘Woehoe, we gaan naar Hilversum!’
‘Woehoe!’
Ze dachten dat ze huilden als wolven, maar het klonk eerder als het tsjirpen van krekels. Ze schuifelden naar de bushalte en discussieerden over of op een dag reizen naar de sterren mogelijk zou zijn.
‘Hij kan schrijven wat hij wil, maar sneller dan het licht zal niks ooit gaan,’ tsjirpte Mathieu.
‘Nou, het zal me anders niet verbazen als er toch een manier blijkt.’
‘De enige manier is misschien als er net zoveel energie wordt gebruikt als … wat schreef die andere ook alweer, als er in het universum aanwezig is. Dat zou toch niet werken?’
‘Ik weet het niet zo zeker.’
En zo ging de discussie verder die ze al sinds hun derde ontmoeting voerde.

Er bleken geen bussen meer te rijden, iets wat ze eigenlijk al wisten.
Mathieu tsjirpte: ‘Dan maar op de fiets?’
‘Overal beter dan hier!’
Dwaas als dronken meeltorren hingen ze tegen elkaar, half struikelend over hun poten. Ze wilden zoveel, maar wisten niet waar ze voorrang aan moesten geven. Hun ouders waren nog steeds in de greep van de Tweede Wereldoorlog. Het motiveerde hun daden en idealen, maar voor Stefan en Mathieu was de oorlog een avontuur op televisie, een wereld van woorden waarin hun ouders waren verdwaald. Dat terwijl het universum eeuwig zou blijven uitdijen, zonder einde, zonder punt.
Mathieu sprong vrolijk op zijn fiets. Zijn achterste poot vloog ongemakkelijk over bagagedrager en zadel heen. Even balanceerde hij op zijn abdomen om vervolgens door te glijden. Hij miste het andere pedaal volledig. Zijn antennes zwierden hulpeloos door de lucht om aan de andere kant het asfalt te raken. Stefan’s harde lach schudde zijn thorax. Als een slecht getekend stripfiguur sloeg hij zijn middelste poten tegen zich aan. Hij stak geen klauw uit om te helpen. Verbouwereerd kroop Mathieu moeizaam onder het ijzer uit. Hij pakte de fiets op en wierp er weer een poot overheen. Weer miste hij en ditmaal viel hij met een doffe klap op zijn elytrum en pronotum. Nu moest ook hij zo gieren van de lach dat het pijn deed aan zijn chitine.
‘Wat ben je toch een klungel,’ tsjirpte Stefan. ‘Misschien moeten we maar lopen. Gaat het nog?’
Mathieu voelde aan zijn pronotum.
‘Enigszins.’
Stefan hielp hem omhoog, want een kever op zijn rug had het altijd moeilijk.

Buiten de bebouwde kom stond een rij kale lantaarnpalen langs het fietspad. Hun bleke licht schuurde hees tegen het donker aan. Achter hen kwam luid geschreeuw. Mathieu en Stefan keken elkaar aan. Plotseling was er gejuich aan de kant van het donker, waar een rij zwarte bomen en struiken de grens vormden. Het viel hen op dat het gejoel zich door de wijken heen verplaatste. Ze konden met geen mogelijkheid bepalen wat de reden van deze jolijt was. Of was het wel jolijt, want het klonk alsof een indianenstam had gemerkt dat iemand hun gebied was binnengedrongen. Hun chitine voelden klam aan.
Mathieu tsjirpte: ‘We gaan Hilversum niet meer halen, hè?’
‘Nee, dat wordt niks meer,’ antwoordde Stefan.
Enkele honderden meters verder hoorden ze gerinkel dat door doffe stemmen en voetstappen werd gevolgd. In het duister straalden de lantaarnpalen als ijspegels. Ze zagen dat tientallen meters voor hen de lichtpoelen werden onderbroken door schaduwen.
Mathieu fluisterde: ‘Shit, wat is dat nou?’
‘Eh, man, vast niks om bang voor te zijn. Hier gebeurt toch nooit iets? Ik bedoel, ken je onze buren?’ Mathieu lachte magertjes. ‘Maar misschien kunnen we beter aan de andere kant van het pad lopen.’
‘Dat is niet eens zo’n gek idee’
Het rood in hun gezicht van hun tegenliggers lichtte scherp op onder de lantaarnpalen. Ze spraken luid, droegen flesjes bier en kettingsloten en keken minachtend naar Stefan en Mathieu die vriendelijk tsjirpend groetten. De groep mompelde iets onduidelijks terug. Toen ze elkaar waren gepasseerd kon Mathieu het niet laten te schreeuwen: ‘Groeten we elkaar tegenwoordig niet meer?’
De groep bleef doorlopen, maar het was alsof ze met een elastiekje aan Mathieu en Stefan vastzaten. Onder opgewonden geroep trokken ze langzaam naar achteren, naar de twee toe. De kettingsloten rinkelden harder.
‘We gaan jullie pakken, vieze kevers!’
Mathieu en Stefan keken elkaar aan.
‘Misschien is het een goed idee om spoed te maken?’
Mathieu achtte de woorden van zijn vriend verstandig, al had hij niets met rennen op, want daar werd hij zo moe van.
Na een tijdje wisten ze niet meer waar ze waren. In de nacht zag alles er anders uit. De ene hoek die ze omgingen leek net zoveel op de volgende, net als dat het ene slootje dat ze oversprongen leek op de gracht die ze daarna ontweken. Het slootjespringen leverde Stefan wel natte poten op.
‘Dan moet je ook maar eens afvallen,’ smaalde Mathieu.
‘Man, ik heb een hekel aan sport, dat weet je.’
Hij had er meer plezier aan een doos bevroren frikadellen te bakken en te verorberen met een giftig mengsel van ketchup en mayonaise. Mathieu was er ook niet vies van.
Zwaar steunend tegen een hek draaide Stefan onhandig een sjekkie. Hij trilde in al zijn ganglionen van de inspanning. Achter het hek lag een grasveld dat was omsingeld door struiken en bomen. Zoals veel velden in de buitenwijk was het bedoeld voor spelende kinderen en poepende honden. De natuur rónd de wijk en het dorp was daar niet goed genoeg voor.
‘Ik moet effe zitten, hoor,’ tsjirpte Mathieu.
Stefan deelde dat gevoel. Ze gingen op een afstandje van elkaar liggen.
Mathieu riep: ‘Man, wat was die wijn lekker!’
‘Die idioten waren natuurlijk voetbalfans!’
‘God, ja! Mijn reet bevriest hier.’
Mathieu liet zich bedwelmen door de heldere hemel waaraan de Melkweg nooit te zien was omdat er teveel lucht- en lichtvervuiling was. Hij dacht aan Suzy en een klasgenote, aan Sigourney Weaver in Ghostbusters en hij deed wat hij altijd deed als de kans er voor was. Het idee om betrapt te worden door zijn vriend was op een vreemde manier opwindend. Hij had geen benul waaraan Stefan aan lag te denken. Misschien aan zijn nieuwe baan in Bussum of aan zijn nogal aparte familie.
Terwijl hij bezig was keek Mathieu soms even op, maar zo te zien was er niets aan Stefan’s houding veranderd.
Deze riep: ‘Volgens mij gaat George Lucas nooit meer een vervolg maken!’
‘Ik zie dat ook niet meer gebeuren. Vreselijk jammer.’
Als Stefan echt had geluisterd, had hij geweten waar zijn vriend mee bezig was.
‘Ja, ik ben hartstikke benieuwd.’
Mathieu was nog steeds maagd. Altijd als hij een leuk meisje probeerde aan te spreken begon hij te stamelen en voelde zich een lelijke kever in haar aanwezigheid. Stefan had ook geen vriendin.
Het vinden van zijn hoogtepunt duurde nooit lang. Klaarkomen moest gecontroleerd gebeuren. Hij wilde niet onder het sperma raken en kneep zijn voorhuid af. Het bleef lastig het vervolgens weg te krijgen. Hij gebruikte gras.
Stefan had al een tijdje niks meer gezegd. Mathieu zag niet of de ander ook masturbeerde. Misschien was hij in slaap gevallen. Mathieu voelde zich ontspannen. Hij merkte hoe klam en koud zijn schild was geworden. De nutteloze vleugels onder zijn elytrum voelden hard aan en rammelden als roeispanen in een kano. Een torretje trippelde over zijn vertax.
Hij staarde naar de hemel en realiseerde zich voor het eerst dat hij op een immens groot object lag dat door een eindeloze ruimte bewoog: een bol van rots met een omtrek van iets groter dan veertigduizend kilometer die in het luchtledige hing. Onder de stenen huid welde lava en in het centrum zat een kern van vloeibaar ijzer die bijna onmetelijk grote magnetische velden veroorzaakte. Hij bedacht zich hoe massief de fragiele lichtjes in de lucht waren. Sommige waren wel tientallen malen groter dan de zon, die al honderden malen groter was dan de Aarde. Al die sterren zouden op een dag stuk voor stuk uitdoven en zich terugtrekken in donkere schimmen van zichzelf.
Zijn geest reisde door het sterrenstelsel. Hij passeerde panorama’s van planetoïden en manen. Hij raakte voorbij de Oortwolk de kou van de interstellaire ruimte aan, daar waar het vele lichtjaren zou kosten om een nieuw hemellichaam te bereiken. Hij schrok ervan terug. Het voelde alsof zijn wezen zou oplossen.
Hij zette een stap verder en ‘hij’ verdween inderdaad. Zijn ‘Mathieu’ was niet meer, met al zijn seksuele frustratie en keverproblemen. Viel hij vervolgens samen met het universum en voelde hij de krachten die alles bij elkaar hielden? Werd hij een bindende factor waaruit de werkelijkheid was samengesteld? Hij wist het niet, want er was geen ‘hij’ meer.
Naarmate zijn lichaam weer samentrok kwam hij dichter bij de aarde, om uiteindelijk deel te worden van het koude veld in de dode vinexwijk. Hij voelde de behoefte om met Stefan te praten en stond op.
‘Hé, man, hoe gaat het?’
‘Ik ben zo moe, zeg.’
‘Jezus, ja, man, wat ik nou heb meegemaakt, zeg, man, wauw, alsof ik drugs heb geslikt!’
‘Ja ja, help me even omhoog, wil je?’
Een kever op zijn rug had het zelden makkelijk met de zwaartekracht.
‘Hoe laat is het eigenlijk?’
Ze hadden geen van beiden een horloge en liepen vermoeid naar huis terug. Het bleek niet zo ver als ze dachten. Stefan woonde natuurlijk het dichtst bij, aangezien ze aan zijn kant van de brug waren gaan dwalen. Hij groette mat zijn strompelende vriend.
‘Truste, Stefan.’
Bij de voordeur kon Mathieu zijn sleutels niet meer vinden. Hij wilde zijn moeder niet wakker maken en strompelde terug.

De lege schil van chitine waar hij een uur eerder zonder noemenswaardig probleem was uitgestapt lag er nog. Het voelde vreemd om het slijmerige object dat zoveel jaren zijn huis was geweest zo aan te raken. Wie was de jongeman die zich had verscholen in dat harde schild? En waarvoor had hij zich verscholen?
Nu hij er zo bij stilstond merkte hij ook het ongewone van rechtop staan. Dus dat was het om mens te zijn, zo met je hoofd in de wolken en met zo’n overzicht. Zijn huid was zo zacht dat alles hem pijn kon doen. Het beeld van de wereld was niet meer verdeeld in talloze vakjes, maar rond en omvattend. Gelukkig had hij nog steeds iets om zich mee te krabben. Was het niet handiger geweest om de middelste poten te laten zitten?
Mathieu maakte een dansje. Zo leuk was dat voorheen nooit, dacht hij. Nee. O, hij danste het hele veld rond op een onhoorbare muziek en sprong een gat in de lucht toen hij weer bij de schil kwam. Leven, ja, dit is het leven! Maar wacht, hoe zat het met de sleutels? Op de hoogte van zijn voormalige middelste linkerpoot zaten ze in het slijm vast. Het kostte hem moeite, maar toen ze met een klik loslieten, gleed zijn innerlijke spanning weg.
De sleutelbos was ongezien in zijn broekzak gegleden als de rossige gloeiing van het metaal zijn oog niet had gevangen. Hij hield de sleutels in het maanlicht en zag dat er een nieuwe aan zat. Een kronkelige, van een metaal dat hij nooit eerder had gezien. Het leek wel van zichzelf licht te geven. Wat zou daar nou mee open te maken zijn?
Hij keek vol verwondering op naar de hemel. Het was nog steeds dezelfde kosmos die hij kende van zijn dromende reis een uur geleden, maar nu verschoven de sterren om sporen van rood en blauw op zijn netvlies achter te laten. Ze bewogen niet kriskras, maar de ene groep trok naar ergens achter de halve maan en de andere schoof in tegenovergestelde richting.
Voor hem verscheen een sleutelgat in het niets van de lucht. Hij boog zich voorover om er doorheen te kijken. Zag hij daar nou een naakte vrouw? En dat, was dat muziek van … Wat voor muziek was dat? En daar, bankrekeningen, toch? Nee, iets anders. Een beeldscherm. Maar zo’n dunne monitor had hij nog nooit gezien. Alsof het door een sciencefictionschrijver was bedacht. Kijk, daar, iemand met een draagbare telefoon. Maar wat een gek object. Was dat echt een telefoon?
Enthousiast stopte Mathieu de sleutel in het gat en ging door de deur.

Gepost in Columns, Proza | Plaats een reactie

Chaos, door Christian Oerlemans

Het is weer verwarring en chaos in mijn hoofd. Zondagochtend, al die kranten, al die informatie die ik niet aan mekaar kan knopen. Lees ik hoe Jesse niet wilde springen toen Mark zei: “spring Jesse spring.” Jesse wilde niet 500 vluchtelingen opnemen per jaar zoals nu, maar 5000 of liever nog 50.000 op termijn. Daar is het op afgesprongen, begrijp ik. Ondertussen zit ik in een verhuizing. Waar naar toe? Weet ik nog niet, alles gaat in de opslag en tot mijn verrassing wordt dat honderd kuub (100 m3). Eén kuub van mij en 99 van mijn geliefde die alles bewaart, omdat zij kunstenaar is en het zeker nog eens nodig heeft. Belangrijke zaken.
Wat is belangrijk? Een vriend van ons kreeg ineens te horen dat hij ziek is; ALS ofwel Amyotrofische Laterale Sclerose. De beroemdste zieke op dit gebied is Simon Hawking, tevens de meest intelligente. Al zijn spieren hebben het inmiddels opgegeven, maar zijn hoofd werkt nog briljant. Dat was anders bij de arme baby Charlie, daar werkten ook de hersens niet. Natuurlijk wilden de ouders het kind in leven houden, daarvoor zijn het ouders. En natuurlijk waren de artsen geen onmensen die doodsbedreigingen verdienden. De hersens zeiden: kind is kansloos. De harten huilden. Een hart kan niet denken. Moet ik toch weer even denken aan van der Staay die onze artsen vergelijkt met moordenaars. Hoe ziek kun je zijn in het hoofd? Terug naar de vriend met ALS. Hij zit diep in de put. Altijd gezond geweest, nooit een dokter gezien, vader 95, moeder ook bijna, zusters, broers allemaal blakend. Typisch geval van ‘waarom ik’? Hij krijgt het (nog) niet voor elkaar om te accepteren, mooi leven gehad, jammer het einde komt misschien eerder dan verwacht. Het is een rotziekte.
Ik las het zomeravondgesprek tussen Vincent Bijlo en Rob Aarsman. “Hoop is iets voor losers, begin er niet aan”. Makkelijker gezegd dan gelaten, hopen doen we sinds we kunnen denken. Je kunt het ook bidden noemen. Mooie mannen die Bijlo en Aarsman. Ze hadden het ook over het ‘waarom ik’ gejammer. Dat doen mensen wel als het tegenzit maar nooit als ze de loterij hebben gewonnen haha. Aarsman had twee keer darmkanker, Bijlo is blind geboren, lijdt aan oorsuizingen (Tinnitus) en groeiende doofheid. Zijn beroep? Cabaretier. Met veel humor en relativering hebben ze het over de hoofd/hart relatie. Zegt Bijlo: ‘het hoofd is een fantastisch ding, je hebt het altijd bij je en je kunt het overal voor gebruiken. Het is altijd online, als het offline is ben je dood.’ Vraagt Aarsman: ‘als je zou terugkomen op de wereld wat zou je dan doen?’ Zegt Bijlo: ‘precies hetzelfde’ ‘Zou je dan ook weer blind willen zijn?’ ‘Waarom niet, dis is voor mij een compleet leven.’
Dit is mij uit het hart gegrepen. Teveel mensen die zeuren dat ze kansen hebben gemist of nooit gekregen, dat ze fouten hebben gemaakt, dat ze alles anders zouden willen doen, schoongewassen en opnieuw geboren, hou toch op. Spijt is net zoiets als hoop, je schiet er geen donder mee op. Als ik het even over mezelf mag hebben; ik heb nergens spijt van en inderdaad ik zou alles precies hetzelfde willen doen, net zo rommelig, ongepland en intuïtief. Mijn vader overleed toen ik achttien was. Ik had geologie willen studeren. Er was geen geld, mijn moeder moest kamers verhuren en in het warenhuis werken. Een renteloos voorschot bracht mij in het internaat van de ‘Kweekschool voor de zeevaart’. Voor piloot was ik al afgekeurd, maar varen leek me ook avontuurlijk. Werd ik dus Stuurman op de Grote Handelsvaart Vreselijk. Hier tellen alleen de strepen waarop wordt gestaan, net als in het leger, waarvoor ik gelukkig later bij een herkeuring werd afgekeurd. (S5 hetgeen zoveel wil zeggen als niet goed bij het hoofd). U kunt geen ambtenaar meer worden, zei de psychiater. Was ik ook niet van plan..Op zee werd ik ziek, niet alleen zeeziek maar ziek van de dommigheid om me heen. De spijsvertering stopte. Darmen denken met je mee, dat vergeten we wel eens. Een Duitse arts in Itajaí Brazilië haalde mijn gezonde blinde darm eruit, hij was denk ik geen arts. Liep trouwens mank, vertrouwde die man meteen al niet. Nonnen deden daar de verpleging, alleen boven de gordel. Moest met een open wond zelf op de gang een douche zoeken. De wond bleef nog maanden open. Ik zei al: de Duitse snijder was denk ik geen arts. Later had ik amoebe dysenterie in Dar es Salaam, lag ik daar met een verkeerde diagnose in een ziekenhuis om daarna terecht te komen in een kliniek in Abadan (Iran), een oude stad met raffinaderijen in de hoek van wat toen nog de Perzische Golf heette. Ook lag ik eens een week in Hamburg in het ziekenhuis. Enfin, ik heb ervaring met ziekenhuizen. Veel in gelegen, maar nooit met tegenzin. Je wordt over ’t algemeen goed verzorgd en je kunt je concentreren op jezelf. Zoals Vincent Bijlo zei; je hebt je hoofd altijd bij je en dat komt dan goed van pas. Die oorsuizingen heb ik trouwens ook al jaren. Ik schreef er eens over in het blad voor slechthorenden, kreeg ik een dramatisch briefje van een non, zij had geen fluiten – zoals ik – maar hameren in haar oren. Het enige dat haar ontspande in haar cel, was een ‘Walkman’ (die had je toen nog). Maar er was maar één Walkman voor alle nonnen in het klooster, dus ze had maar één keer in de week (nonnen sterven ook uit) gezang in plaats van gehamer in haar oren. Heb ik natuurlijk meteen zo’n ding voor haar gekocht en opgestuurd. Zelden zo’n ontroerend lieve bedankbrief gelezen. Goed doen is vaak makkelijk, als je even je hoofd gebruikt. Terug naar mijn depressieve vriend. Hij leeft tenminste nog, terwijl de twee beste vrienden die ik had al lang dood zijn. Evenals mijn vader, mijn moeder, mijn broertje. Heb ik even mazzel. Na mijn zestigste nog een keer erg verliefd geworden en tot heden gebleven op de kunstenares die nu mijn echtgenote is. Ik zei al: weinig planning in mijn leven. Nu ook weer die verhuizing: chaos om mij heen. Leeftijdgenoten – ik ben net tachtig geworden – zitten in rusthuizen of willen kleiner wonen. Wij willen (nog) groter wonen, met atelier en expositieruimten en mogelijkheden tot evenementen. Dat is het hart dat spreekt, het hoofd verklaart mij voor gek. Heb al vijftien jaar een sarcoom (soort kanker) en inmiddels vijf jaar prostaatkanker (lees mijn boekje ‘MANNEN je sluipmoordenaar heet testosteron’). Laatst las ik dat twee derde van de kankerpatiënten in voortdurende angst leeft, angst voor de dood. Ze moeten allemaal dat zomeravondgesprek lezen van Rob Aarsman en Vincent Bijlo (NRC 29 juli). Gelukkig hebben we een hoofd dat we altijd bij ons hebben, een hoofd waarmee je leuke dingen kunt denken, waarmee je kunt dromen zodat je hart opgewekt gaat kloppen. Luister naar je hart en denk: hoera ik leef.

Gepost in Column Oerlemans | Plaats een reactie

11 juli op Den Haag FM: Cor Gout te gast bij Het Woordenrijk

Literatuur op muziek in Het Woordenrijk
Onder deze noemer vallen de artistieke uitspattingen van onze gast deze week.
Hij is muzikant, schrijft gedichten, verhalen, liedjes en nog zoveel meer. Hij produceert literaire bladen en is de laatste jaren vooral zeer actief met het literaire tijdschrift Extaze.
Aan de hand van zijn werk neemt hij ons mee door zijn wereld, onze wereld
Zet dinsdag je radio aan voor de gast van van deze week: Cor Gout.

Dinsdag 11 juli van 21.00 tot 23.00 uur op Den Haag FM

Luister de uitzending hier terug:
Eerste uur
Tweede uur

Gepost in Home | Plaats een reactie

De nieuwe Extaze

B E S T E L L E N

cover Extaze 22

Beeldende kunst

Essays
De naam van de in januari 2017 overleden beeldend kunstenaar Daan van Golden
duikt regelmatig op in de essays die in dit nummer zijn opgenomen.
Lucette ter Borg memoreert zijn talent om te zien, om de klok stil te zetten en
geconcentreerd, als in trance, dat ene perfecte schilderij van een theedoek met
geometrische patronen te tekenen. Geert Mul, die zich in het toenmalige doen
en denken van Van Golden verplaatst, laat ‘hem’ zeggen dat Kwaliteit = Liefde +
Aandacht. Wat je niet in je werk stopt, komt er ook niet uit. Onno Schilstra neemt
waar dat Van Golden kon verdwijnen in precisie. Maar wat was het dat hij maakte?
De aandacht van de beschouwer die zich die vraag stelt, gaat dan allereerst uit naar
de verf en hoe hij die behandelde. In haar essay De plank misslaan citeert
Iris van der Graaf Job Koelewijn’s uitspraak: ‘Kunst gaat om het intensiveren van
de werkelijkheid’. Dat kunnen, schrijft Ine Boermans, ook de rauwe randjes van
het leven zijn. Zij spiegelt zich aan kunstenaars die de esthetiek van rouw en dood
tot de hunne maken. Harry Haarsma vindt kunst een ongehoorzaam woord, dat niet
verschilt van woorden als liefde, tijd en dood. Ton Mars ziet hoe de nevenschikking
van de zestienhonderd culturele vormen en beelden in Hanne Daboven’s kunstwerk Kulturgeschichte 1880–1984 een equivalent van de werkelijkheid vormt,
een bloemlezing daaruit, die de bezoeker vrijlaat om datgene wat hij ziet naar
eigen inzicht te beschouwen en een actualiteit te geven.

Korte verhalen
Pim Cornelussen
Kristien De Wolf
Marc Poorter
Adje Steijn
Rob Verschuren

Gedichten
Hester van Beers
Carmen van Haren
Renée van Riessen

Beeld
Sam Andrea
Lucas van Eeden
Angie Korst
Gerolamo
Freerk Wilbers

 

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Zee, Theo Monkhorst

Toen zij spraken over sterven
zag ik de zee onsterfelijk

onbewogen zwijgend
grijs in zekerheid

en peilloos
blind voor mijn vertrek.

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 22,
de nabeelden

Foto’s: Eric de Vries

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Film: ‘De kunst is geen wedstrijd’

Deel I van de film: 'De kunst is geen wedstrijd', vertoond tijdens de presentatie van Extaze nr. 22: 'Beeldende kunst'

Deel II van de film: 'De kunst is geen wedstrijd', vertoond tijdens de presentatie van Extaze nr. 22: 'Beeldende kunst'

Deel I Tekst (fragmenten uit het essay: ‘Om met stomheid geslagen te worden,
hoef je niets te doen. Dwazen, pubers, ridders en zwanen’) en stem Onno Schilstra
Deel II Filmfragmenten van de KABK studenten: Sam Andrea, Lucas van Eeden,
Freerk Wilbers, Angie Korst en Gerolamo

Regie en montage Els Kort

Gepost in Geen categorie, Home | Plaats een reactie