Walden 2.0: Hout sprokkelen

walden 2.0 vuur

Het is een woensdagmiddag en ongekend warm. De dochter is bij de vader. De liefde heeft zichzelf afwezig verklaard. De hond heeft op het grote kussen van de bank gezeken. Het natte kussen heeft de hele middag te drogen gelegen in de najaarszon. Het heeft gewerkt. Inmiddels dient het prima als steuntje in mijn rug.
      Van de avonden weet ik inmiddels dat ze zó donker zijn, hier in het bos, dat wil ik ’s avonds nog in de tuin verkeren, ik het vuur moet aansteken voor ik geen hout meer kan vinden. En dus struin ik door mijn achthonderd vierkante meter bos. Een mand in mijn arm, die binnen twee minuten vol is met aanmaakhoutjes. Het vuur brandt gretig. Ik leg mijn cowboylaarsje te rusten op een afgezaagde stronk en trek een biertje open. Mijn leven is lange tijd niet zo eenvoudig geweest. Bij alles wat ik doe, kan ik ook in mijn hoofd verder schrijven. Ik drink bier en schrijf. Ik staar in het vuur en schrijf. Ik wandel en ik schrijf. Het vuur brandt, niet alleen voor mij in de potkachel.
      Toegegeven, ik douche nog niet en ook warm ik mij slechts buíten aan het vuur, aangezien de kachel binnen nog immer pijploos en daarmee doelloos is, maar hoe vaak moet je nou eigenlijk douchen als je een zwembad naast de deur hebt en waarom zou je binnen zijn als het buiten warm is?
      Hier wonen confronteert mij in soms beangstigende mate, met mijn ware leven. Sinds ik hier woon, weet ik pas ècht hoe ik leven wil. Of nee dat is niet waar, ik weet mijn leven lang al wat ik wil. Ik vertrok op mijn zeventiende niet voor niets naar Oostenrijk. Ik kon mij niets fijners voorstellen dan altijd die ruimte om me heen, de stilte, de frisse lucht. Maar het liep anders. Ik woon in een rijtjeshuis, ingeklemd tussen buren met kinderen en honden en cavia’s en slechte muzieksmaak en gillende ruzie’s en boodschappentassen van de supermarkt om de hoek. Iedereen rent, of is van plan te gaan rennen. En ik ren mee. Naar de Appie, naar het werk, naar een les. Als ik niet ren, denk ik dat ik mijn huis moet schoonmaken, de tuin moet omspitten, een hekje moet schilderen.
      Hier in het bos ben ik een andere Heidi, eentje die een week in dezelfde spijkerbroek loopt en vergeet in de spiegel te kijken. Die buiten gaat zitten en een uur voor zit uit staart, die wandelt zonder haar telefoon mee te nemen, die haar tijd verdoet met hout sprokkelen, die met bijlen in stronken ramt, in het vuur staart en de tijd vergeet. Het is zó fijn dat het me week maakt. Mijn lief zou het heerlijk vinden. Maar ja, mijn lief heeft zich weer eens afwezig verklaard.

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie over:
Erik Lindner, Zog

Lees hier de recensie.

Zog Erik Lindner

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

In memoriam Jacques Sicking

J.M.J. Sicking 1 maart 1936 – 18 september 2018

Op 18 september 2018 is Jacques Sicking op tweeëntachtigjarige leeftijd overleden. Hij was als letterkundige aan de universiteit van Groningen verbonden en doceerde daar de literatuurgeschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. Na zijn pensionering in 1999 verhuisde hij terug naar Den Haag waar hij was opgegroeid.

Sicking Van Bruggen

Hij maakte indruk met zijn dissertatie over Carry van Bruggen, en hij zette zijn vakkennis in voor publicaties over literair-historische onderwerpen, waarbij hij een breed terrein bestreek. Hij droeg ook een lange periode bij aan het ‘Lexicon van literaire werken’. Daarnaast verzorgde hij in samenwerking met anderen twee boeken over de Eerste Wereldoorlog. Doordat hij een flinke afkeer had van gewichtigdoenerij, praktiseerde hij een bescheidenheid waarmee hij zijn veelzijdigheid zoveel mogelijk aan de schijnwerpers onttrok.

Jacques toonde een aanstekelijke gedrevenheid bij het overbrengen van zijn inzichten, die hij ook ver na zijn pensionering deelde met wie hij maar tegenover zich had. Hij volgde nieuwe schrijvers, prees ze aan bij anderen en droeg daarbij de overtuiging uit dat het niet aanging klakkeloos te oordelen over een boek. Een lezer hoorde zich naar zijn mening in te spannen om de bedoeling van een schrijver te doorgronden zonder al te gemakzuchtig commentaar.

Al zette hij met veel ernst zijn vakmanschap in op veel terreinen, dat hij ook een heel speelse geest had ondervonden zijn vrienden soms wanneer hij zich bij de opening van een telefoongesprek voordeed als een andere persoon. Daarbij kon hij uitgebreid variëren op de namen van degenen die hij kende, of hij sprak goede bekenden plechtig aan met ‘meneer’ of  ‘mevrouw’.

In 2016 droeg hij bij aan ‘Extaze’ met een essay over Carry van Bruggen. Van het begin af aan heeft hij een abonnement op het tijdschrift gehad. Ook veel andere instellingen en organisaties konden rekenen op zijn loyaliteit.

In het laatste half jaar van zijn leven vertelde hij soms dat hij wat ‘lui’ was geworden. Het zou ongepast geweest zijn om hem bij zo’n gelegenheid al in een terugblik te drijven. Maar dat hij kon terugkijken op een zeer productief leven waarbij hij gul is geweest met zijn kennis en zijn betrokkenheid, mag nu wel voluit worden gezegd.

Christien Kok

Gepost in Home | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Gas

Walden 2.0 Gas

De nieuwe eigenaar van het stuk grond waar de boshut op staat, had begrepen dat de laatste bewoner vier maanden geleden was vertrokken. Wellicht heeft hij slechts met een half oor geluisterd naar de verkopende makelaar. Hij kocht de grond immers om er zijn droomhuis op te gaan bouwen; de boshut zal in januari tegen de vlakte gaan. Toen mijn verzoek kwam om drie maanden in de boshut te verblijven om te schrijven, stemde hij in zonder met zijn ogen te knipperen. Mij leek het uiterst eenvoudig een boshut te betrekken waar slechts enkele maanden geleden nog mensen woonden. Als zij er in hebben geleefd, zou ik dat toch ook moeten kunnen?
      Maar zoals de meeste wendingen in mijn leven, blijkt ook deze weer een verrassende kant uit te gaan. Het is wonderlijk hoe ik dat voor elkaar krijg.
      Al anderhalve week liggen de boeken, kleren en boodschappen in kratten opgestapeld in de gang voor de kleine verhuizing. Ik heb niet veel meer nodig denk ik, voor die drie maanden, want ik ga toch alleen maar schrijven en lezen. Voor ik mijn intrek neem in de boshut moet er warm water zijn en verwarming. Een klusje van niks. Ik fiets even fluitend heen en weer om het te regelen. Maar de gaskachel die midden in de woonkamer staat geeft geen sjoege als ik aan de knop peuter en ook de geiser in de badkamer verkeert in comateuze toestand. Als er een mannetje bijgehaald wordt, constateert deze dat het misschien maar goed is dat ze niet functioneren aangezien de gasleidingen zo lek als een mandje blijken.
      Een kleine tegenslag maar niet getreurd. Ik heb de boshut in de kop en in de boshut zal ik schrijven dus besluiten we het gas af te koppelen en een zoektocht te starten naar een elektrische boiler en een houtkachel. Thuis zit ik alleen maar te wachten want nu ik besloten heb in de boshut te gaan schrijven blijk ik het aan de keukentafel niet meer te kunnen. En dat kan niet want er staan meerdere deadlines in mijn agenda en dus ga ik gewoon. Het wordt mooi weer. Ik neem een dikke pyjama en een wollen trui mee. Mijn moeder zal vast weer sokken voor me breien deze winter.
      Ik zit op een boomstronk in de tuin als de buurman komt aanlopen. De vogels fluiten. Zonlicht valt in schuine banen tussen mijn bomen door. Ik heb een magnetron, een waterkoker, een kruik, een winterjas en een koffieapparaat. Wat meer kan een mens nodig hebben? Hij heeft een diepe frons in zijn voorhoofd. Wat moet dat hier? roept hij me vanaf het hek al toe. Ik kom hier wonen, zeg ik. Op hetzelfde moment glijdt er een dakpan naar beneden. Op het stenen paadje naar de voordeur valt hij met een zachte tik kapot. We kijken er allebei naar. Dan haalt hij zijn schouders op. Mooi zo, zegt hij, heb ik er eindelijk geen omkijken meer naar. Het ding staat al jaren leeg.

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Grenzen, Artien Utrecht

omslag Exit West

Mohsin Hamid, Exit West, Londen 2017 (Hamish Hamilton, Penguin Random House UK).
Mohsin Hamid, Exit West, Amsterdam 2017 (De Bezige Bij), vertaling door Saskia van Lingen.

Exit West lezen

Al eeuwenlang trekken mensen over grenzen heen, en dat zullen ze blijven doen. Grenzen tussen regio’s, tussen stad en land, tussen landen, tussen continenten.  Grenzen worden bedwongen in de vlucht uit een oorlog, armoede en andere ellende, ze worden overgestoken op zoek naar werk, naar geluk, naar iets nieuws, naar verandering. Grenzen oversteken is verandering. Deze bewering klinkt nogal clichématig, maar uitwerking van de betekenis ervan in een fictieve setting hoeft dat niet te zijn. De roman Exit West van de Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid is een goed doorwrocht verhaal dat de lezer uitnodigt na te denken over hoe individuen migratie ondergaan.

In dit fijnzinnige liefdesverhaal vluchten Nadia en Saeed uit hun niet bij naam genoemde land wanneer een geleidelijk oplaaiende burgeroorlog hen letterlijk dreigt in te sluiten. Op zoek naar een veilig heenkomen begint een langdurige vlucht waarin zij achtereenvolgens terechtkomen op het Griekse eiland Mykonos, in Londen en in Californië. Van plek naar plek bewegen de twee hoofdpersonen zich door deuren die openslaan voor vertrek en weer dichtgaan als ze zijn gearriveerd. De bewust gekozen metafoor van deuren zuigt de lezer naar de plekken van aankomst, de ellende van de overtocht wordt hem bespaard. Op die plekken worden dagen, weken van betrekkelijke rust afgewisseld door episoden van grimmig geweld van anti-migranten extremisten. Het lukt Nadia en Saeed om lange tijd bij elkaar te blijven in situaties van voortdurende angst, onzekerheid, hoop en wanhoop. In Londen wordt voor het eerst gewag gemaakt van plaatselijke bewoners – de natives – waarmee het vluchtelingenpaar op verschillende manieren te maken krijgt. Hoezo natives? Ik moet de term even tot me laten doordringen: natives, dat zijn hier dus Londenaren.

Bij het woord natives schieten bij mij allereerst beelden voorbij van gehavende stukken gekapt bos in de Amazone of Borneo, waar een nietsontziende bulldozer de aanleg van een nieuwe mijnbouwlocatie of palmolieplantage aankondigt. Natives zijn de volken die sinds onafzienbare tijd deze contreien hebben bewoond en nu hardhandig van hun cultuur en leefgebied worden beroofd. Natives zijn de in kleurige traditionele kleding gestoken mannen en vrouwen die in de burelen van de Verenigde Naties het recht op hun natuurlijke habitat komen opeisen. Ik moet toegeven dat dit wel een hele specifieke associatie met het woord natives is, een verband dat ongetwijfeld is gevormd door mijn eigen (beroeps)ervaring: jarenlang beheerde ik steunprojecten voor belangenorganisaties van natives in vooral het zuidelijke halfrond. Daardoor kan het woord mij, wanneer ik het in een hele andere context tegenkom, soms vreemd in de oren klinken.  Deze associatie met de oorspronkelijke bevolking van bedreigde tropische oerwouden maakt ook dat ik geneigd ben het woord native te vertalen als ‘inheems’.

Inheemse volken,  zo worden zij ook aangeduid in Nederlandse vertaling van internationale mensenrechtenverdragen. Zo zal het ook wel in het woordenboek staan, denk ik.  Of beter gezegd, dacht ik. Want tot mijn lichte verbazing geeft het woordenboek aan dat de termen ‘inheems’ en ‘uitheems’ toch vooral worden gebruikt voor planten, dieren en taal. Voor de aanduiding van mensen is het woord ‘inheems’ in onbruik geraakt, zo suggereert Van Dale, het werd vroeger gebruikt voor de inwoners van de voormalige koloniën, synoniem aan ‘inlander’ en ‘inboorling’.  Zie daar de directe connotatie van het woord met exotisch, wild en primitief.  Zo bezien is ‘inheems’ een denigrerende term geworden, die niet meer van deze tijd en niet meer politiek correct is.  Nu raak ik toch benieuwd naar hoe de term natives  in de Nederlandse versie van Exit West is vertaald. Ik vind een exemplaar en sla het open, op zoek naar de Londen-episode van het verhaal. Hier worden Nadia en Saïd (Saeed) belaagd door een ‘meute woedende autochtonen’, zo lees ik.  Ach ja natuurlijk,  dat is het.  Met dit woord ontstaat niet het idee van in de grootstedelijke omgeving van Londen misplaatste natives, er lopen geen primitieve inheemsen in de stad rond, maar we hebben te maken met ‘beschaafde’ autochtonen. Aan de termen autochtoon en allochtoon zijn we na zo’n twintig jaar debatteren over migratie immers behoorlijk gewend geraakt, het recent ingevoerde en de nóg politiek correcter geachte term ‘mensen met een migratieachtergrond’ raakt niet gauw ingeburgerd.

De schrijver van Exit West heeft het ook over nativists.  Ik herlees de passages over wat Nadia en Saeed overkwam in Londen, ik lees dat waar in de Nederlandse versie van de roman de ‘meute woedende autochtonen’ in beeld komt, de schrijver het minder vaak over natives heeft maar des te vaker over nativists.   ‘…. when they heard shouting up ahead and saw people running, and they realized that their street was under attack by a nativist mob.’  En verderop, waar de spanning begint te stijgen: ‘…. (they) heard it said that nativist extremists were forming their own legions, with a wink and a nod from the authorities,….’  De aanvallende meute is dus er niet een van natives, maar van nativists.  Zij vormen hun eigen troepen, notabene onder toeziend oog van de politie.  Het onderscheid tussen de twee termen lijkt mij nogal belangrijk. Het ontbreken ervan in de Nederlandse vertaling van de roman – het onontkoombaar ontbreken, denk ik, want de taal biedt dat onderscheid niet – ontneemt de lezer een herkenning van diversiteit binnen de autochtone gemeenschap. Niet alle natives gedragen zich op dezelfde manier, niet alle van hen zijn hetzelfde, niet alle van hen denken op dezelfde manier. Ik wil weten hoe de term nativist  gedefinieerd is en kom in het Oxford Concise Dictionary het daaraan gerelateerde woord nativism tegen. Het woordenboek geeft er drie betekenissen aan, die alle ‘het eigene’ in lokale tradities benadrukken: terugkeer naar ‘het eigene’ en/of bescherming van ‘het eigene’ tegen indringers. Het lijkt me duidelijk. Als we nativism als een soort ideologie zien zijn de nativists als drager ervan verre van ‘neutrale’ natives,  ze zijn per definitie xenofobisch, ze zullen alle wegen bewandelen om wat zij zien als hun lokale tradities te beschermen.

Hoe bezien de hoofdpersonen in de roman de woedende autochtone meute?  Nadia ervaart de meute als een vreemde en gewelddadige volksstam (tribe),  die uit is op vernietiging van alle nieuwkomers, die van haarzelf en Saeed incluis. De autochtonen die furieus roepen om een volledige slachting is wat Nadia het meest raakt, temeer omdat ze hierin de uitzinnige woede van de militanten in haar eigen stad en land herkent. Zittend op hun bed als enige thuisplek dat ze hebben, wisselen Nadia en Saeed hardop hun gedachten hierover.   Saeed wondered aloud once again if the natives would really kill them, and Nadia said once again that the natives were so frightened that they could do anything. ‘I can understand it,’ she said.  ‘Imagine if you lived here. And millions of people from all over the world suddenly arrived’. ‘Millions arrived in our country, ‘ Saeed replied. ‘When there were wars nearby.’ ‘That was different. Our country was poor. We didn’t feel we had much to lose.’ 

Ligt dáár het verschil in gewelddadigheid van de autochtone bewoners, namelijk in de mate waarin zij het gevoel hebben iets te moeten weggeven – ‘iets’ dat misschien te maken heeft met een zekere staat van welzijn? Wordt de woede groter naarmate men het gevoel heeft méér te moeten verliezen?  In de media klagen populisten en populistisch denkende mainstream politici vaak dat met de toevloed van, vooral niet-westerse migranten het verlies van ‘onze westerse identiteit’ voor de deur staat. En ook al zeggen ze met die identiteit allereerst de heersende normen en waarden te bedoelen, omvat dit natuurlijk het geheel aan elementen waar de hedendaagse westerse leefwijze uit bestaat. Denk daarbij aan alle genoegens die bij het bereikte niveau van welvaart en welzijn horen: de aangename koopkracht, de comfortabele woningen, de overvloed aan voor de burger bereikbare consumptieartikelen, de ongecensureerde pers, de vrijheid om te zeggen en doen wat men wil, en ga zo maar door.  De angst dat die grote groepen indringers al deze genoegens van ‘ons beschaafde burgers’ komen afpakken sluimert voortdurend. Het kost weinig moeite om deze voor korte termijn politieke doeleinden tot woede-uitbarstingen op te zwepen.    

Maar angst, doodsangst beheerst ook de nieuwkomers. De hoofdpersonen in Exit West die het oorlogsgeweld in eigen land ontvluchtten geraken in Londen al gauw in een even dodelijke hel waar de oproer van de autochtone menigte wordt gevolgd door de inzet van gewapende soldaten, tanks, helikopters en drones. Rondvliegende kogels houden hen dagenlang gevangen op hun schuilplaats. Het komt hun ter ore dat volledig geoutilleerde militaire en paramilitaire eenheden uit diverse hoeken van het land zijn aangerukt om hun wijk, die inmiddels is uitgegroeid tot een migrantengetto, tot op de laatste steen weg te vegen. De elektriciteit in hun wijk valt uit.  Alleen het telefoonnetwerk doet het, dit dankzij het technisch vernuft van een ondernemende medemigrant die een enkel verbindingspunt wist open te houden. Verkrampt blijft Saeed in het donker turen naar het beeldscherm van zijn mobieltje. Hij smacht naar bericht over zijn vader, zou hij nog in leven zijn? Of is ook hij, net als zijn door een granaat getroffen moeder, inmiddels omgekomen in de alles vernietigende razernij van de rebellen in zijn thuisland?

Toch biedt Exit West niet alleen een opeenstapeling van beproevingen. In het verhaal volgen angst, frustratie, hoop en nieuwe horizonten elkaar op. Het wekenlange straatgeweld in Londen luwt en maakt plaats voor een zich voorzichtig uitrollend leven van werk en voorbereidingen op lokale inburgering. Wel blijft het moeizaam. Totale uitputting door de lange afstompende werkdagen en blijvende onzekerheid drijven Nadia en Saeed tot apathie. Het gebrek aan contact met de burgers van het land en de beklemmende onzichtbare blik van een constant wakend oog op hun doen en laten maken hen volledig murw. Als zij horen dat er nieuwe deuren opengaan, beslissen ze om op te stappen. Dit keer komen zij aan in Marin bij San Francisco. Marin blijkt een onmetelijke shanty town te zijn, tot een bewoonbaar oord gevormd door zijn enorme culturele mix van bewoners. In Marin heerst armoede maar ook een zeker optimisme. In de chaos van Marin ruimen Nadia en Saeed een leefplek in, ieder op eigen wijze. Na enige tijd zien zij in de verte langzaam een lichtpuntje verschijnen.   ‘….. while changes were jarring they were not the end, and life went on, and people found things to do and ways to be and people to be with, and plausible desirable futures began to emerge, unimaginable previously, but not unimaginable now, and the result was something not unlike relief.’          

Optimisme en hoop, ook hiertoe lijkt Exit West de lezer aan te sporen. Niet ter wille van een feel good ervaring maar eerder om te benadrukken dat de geglobaliseerde wereld voortdurend in beweging is. En beweging stemt hoopvol. Door de voortschrijdende technologie gaan die bewegingen wel steeds sneller, waardoor afstanden als het ware krimpen. Misschien kan de metafoor van deuren in de roman ook als symbool van die ingekrompen afstanden worden gezien, immers met slechts één stap door de deur is een afstand van duizenden kilometers overbrugd. Sprekende over versnelde beweging in het tijdperk van globalisering vraag ik me af hoe deze ontwikkeling te rijmen valt met de neiging van velen van ons tot horizonvernauwing. Ontrolt zich hier niet een vreemde paradox? Het lijkt erop dat terwijl we als het even kan er flink op los reizen, de wereld rond, zodra we teruggekeerd zijn in onze woonplaats deze wereld liever versmald zien tot ons eigen huis en tuin. Misschien gaat de bewegingssnelheid om ons heen sneller dan we kunnen bevatten en klampen we ons, als reactie, vast aan strohalmpjes uit het verleden toen de wereld nog zo groot leek dat we ons nog ongestoord baas in eigen huis konden wanen.

Wanneer we naar binnen gekeerd raken lijken we ook te willen vergeten dat die snelle bewegingen om ons heen niet alleen onszelf dreigen te treffen, maar tegelijkertijd op honderden of wel duizenden andere plekken plaatsvinden. Hieraan worden we in Exit West op krachtige wijze herinnerd. Terwijl Nadia en Saeed hun hoop putten uit iedere kleine verandering die hen van dag tot dag tegemoet treedt, vuurt de schrijver korte beelden van taferelen elders in de wereld op de lezer af. Een donkere man in Sydney die op zijn vlucht voor een dodelijk straatgevecht een huis binnendringt waar een vrouw ligt te slapen. Een man in de Tokiose commerciële wijk Sinjuku die twee Filippijnse hoertjes achtervolgt, zijn vingers trommelend op het metalen voorwerp in zijn broekzak. Iemand die door de lens van een veiligheidscamera kijkt gericht op een vader, moeder en twee kinderen, vermoedelijk Tamils, die verdwaald rondlopen in het woestijnzand van een luxe badplaats in Dubai. In deze taferelen lijken haat, angst en verlorenheid te domineren. Maar de auteur schetst ook taferelen waar het geluk overheerst. Zoals die van  een oudere Amsterdammer die een zwervende, even oude en gerimpelde Braziliaan uitnodigt op het achterbalkon van zijn appartement aan de Prinsengracht en daarmee zijn liefde vindt.

Met het laatste voorbeeld lijkt de schrijver te willen suggereren dat bij de tegenwoordig verschrompelde afstanden ook liefde en geluk binnen handbereik liggen. Liefde en geluk, en niet alleen ongewenste confrontaties met de ander. Of erger, onheil. Om het gevreesde onheil van het verlies van de ‘eigen identiteit’ te weren wordt overgegaan tot het versterken van grenzen.  Hiermee is een andere paradox geboren: terwijl grenzen wegens de steeds kleinere afstanden vervagen, wordt alles in het werk gesteld om nieuwe grenzen te trekken. Nieuwe scheidslijnen verschijnen en oude worden opgewaardeerd, zo getuigt de bouw van  muren en hoge hekken in verschillende vormen en van allerlei afschrikwekkende materialen. De in Jordanië geboren kunstenaar Lawrence Abu Hamdan vermeldt in zijn video-installatie Walled Unwalled dat sinds het jaar 2000 het aantal landen met bemuurde grenzen is gestegen van vijftien tot drie-en-zestig. Maar hij laat ook zien dat met de juiste technische apparatuur steeds beter dwars door muren heengekeken en –geluisterd kan worden. Dankzij de voortschrijdende hightech worden fysieke muren steeds meer transparant en geluid-doorlatend.  De vraag rijst dan in hoeverre en voor hoelang deze muren en hekken het dreigende, al dan niet denkbeeldige, onheil buiten de grens kunnen houden. Misschien dat daarom ook andere dan fysieke grenzen in zwang zijn en blijven?  Virtuele muren bijvoorbeeld in de vorm van wetten en regels, die vervolgens moeten worden nageleefd door, ja toch wel weer fysieke elementen: controleposten, patrouillerende troepen politie en leger, lijfelijke straffen bij overtreding.

De hoofdpersonen in de roman Exit West nemen actie, leggen de bouwstenen voor een nieuw leven, werken zich met moed door de tegenslagen heen, reiken uit naar de samenleving waarin ze in zijn beland. Ze proberen de daarmee gepaard gaande veranderingen te sturen en zelf vorm te geven. Want waar beweging is, is hoop.

Geraadpleegde literatuur:
Roos van der Lint, ‘Vogels kijken in het donker, Ontmoeting met Lawrence Abu Hamdan,’ in De Groene Amsterdammer, 17 mei 2018, en  http://www.artdubai.ae/abraaj-group-art-prize-2018/

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost in Essays, Home, Recensies | Getagged , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe dichtbundel Niels Landstra: Entree naar de hemel

Entree naar de hemel (boekomslag)Zaterdag 24 november 2018 van 15.00 tot 18.00 uur zal Niels Landstra’s nieuwe bundel Entree naar de hemel (Uitgeverij Open) worden gepresenteerd in Café het Hijgend Hert der Jacht Ontkomen in Breda (Pasbaan 7). Hieronder een van de zesendertig gedichten uit de bundel.


In de schemer van onze lichaamstaal

Waar jij nu ook bent en met je ogen
misschien gesloten in een veld met
wilde bloemen en jonge rozen ligt

denk je aan mij zoals ik aan jou niet
mag denken, er is te veel gezegd
de averij even afgewend

op een verdwaald moment zullen we
elkaar wel weer ontmoeten, als de
luwte ons gunt van wat ooit in zicht

wie weet voltrekt zich dan het wonder
van het bijna altijd dicht bij elkaar

vergt de tijd van ons geen groter offer
of de zindering van het totaal

in de schemer van onze lichaamstaal
is de stilte in de ban gedaan

Waar je nu ook bent, ik richt mijn blik
niet naar buiten, waar je in het veld
naast mij opeens verdwenen was

de zomer is zijn glans kwijt, onze bloei
ligt achter ons, in het voorjaar, –
dat met zijn bloesems ook die pijn bracht

leg je neer bij je onmacht, en denk
soms aan mij zoals ik jou geheel
eens voor mij alleen heb gedacht

is het misschien toch zo bijzonder
dat ik aan je denk of jij bij mij bleef
en niemand dat in de gaten had

Niels Landstra

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Het begin

Voor de allerlaatste keer maak ik aan het einde van de dag, in de boekwinkel waar ik negen jaar heb gewerkt de kassa op. Ik draai de bonnen uit en stop ze zorgvuldig achter de paperclip. Ik schuif de lade dicht. Ik knip het licht uit. Ik sta even stil in de donkere winkel.

‘Dag boeken,’ fluister ik en draai voor de allerlaatste keer de deur op slot.

Het is precies vier weken geleden dat ik mijzelf ineens tegen mijn baas hoorde zeggen; ‘ik neem ontslag.’ Het baantje in de boekhandel heeft jarenlang gezorgd voor een stabiel inkomen naast het onzekere dat ik inbreng met schrijfopdrachten, blogs, interviews en schrijflessen. En hoewel het onzekere gedeelte nog lang niet voldoende is om van te bestaan, besluit ik ineens in het diepe te springen, ruimte te gaan maken om het wel voldoende te laten zijn.

Thuis drink ik champagne op mijn besluit. Speciaal voor mij staat er nog een mooie nazomerse avond op het programma. Ik blijf tot laat in de tuin zitten.

In de tussentijd wordt een boshut voor mij in gereedheid gebracht. Hij heeft jarenlang leeg gestaan. Er lopen muizen in de keukenkastjes, er zit een gat in het dak en de kachel werkt niet. De tuin is overwoekerd. Ik heb al gezien hoe mijn hangmat past tussen twee grote kastanjes. Waar je hangmat hangt, daar kun je wonen en dus maak ik me geen zorgen. Morgen rijd ik erheen om drie maanden in stilte te kunnen werken aan mijn debuutroman en aan een ondernemingsplan. Maar eerst hang ik mijn hangmat op tussen de twee grote kastanjes in de tuin. Ik zal erin gaan liggen en luisteren naar het ruisen van de wind. Ik wil de tijd voorbij laten tikken en de druk van me af laten waaien. Ik wil eerst komen tot niets om daarna te komen tot iets. Iets nieuws. Iets waarvan ik nu het bestaan nog niet ken. Ik ben benieuwd wie ik blijk te zijn en wat ik blijk te kunnen. 

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe blogserie Heidi Koren: Walden 2.0 – (drie maanden in een boshuisje)

Walden 2.0 Heidi Koren

Heidi Koren heeft het kloeke besluit genomen haar baan op te zeggen en zich drie maanden terug te trekken in een oud boshuisje.
Schrijven wil ze, en daar haar geld mee verdienen, ook al zegt de hele wereld dat dit niet kan.
Eens per week zal er op de website van Extaze een blog verschijnen, waarin Heidi verslag doet van haar verblijf in het boshuisje en van haar pogingen om de rust van de omgeving te benutten voor het schrijven van nieuwe gedichten, nieuwe verhalen, haar maandelijkste Extaze-essay en haar wekelijkse ‘Walden’-blog.

Heidi debuteerde in 2015 met de poëziebundel Gedachten over een mogelijk einde bij uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). In december 2018 zal ze met een roman afstuderen aan de Schrijversvakschool Amsterdam.

Gepost in Geen categorie, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Manuel Kneepkens in de Houtrustkerk

Tijdens de presentatieavond van Extaze 27 in de Houtrustkerk in Den Haag stak Manuel Kneepkens een bevlogen speech af, die perfect aansloot op het thema van de avond, ‘Stad en Ommeland’. We willen hun, die niet bij de presentatie aanwezig konden zijn, dit betoog niet onthouden.

Manuel Kneepkens was docent criminologie aan de Erasmus Universiteit  in Rotterdam en fractievoorzitter van de Rotterdamse Stadspartij, waar actie in zat en verzet uit voortkwam tegen twijfelachtige besluiten van de Gemeente Rotterdam.
Ook is hij tekenaar en dichter. In zijn poëzie zijn uiteenlopende stemmen te horen: ontroerende (lees er zijn gedicht over de onlangs overleden beeldend kunstenaar
Co Westerik op deze zelfde website maar op na), politiek geëngageerde, polemische, humoristische en nonsensicale. Een voorbeeld van het laatste is een reeks tweeregelige versjes over de Haagse vruchtenbuurt.

Perzikstraat

Eet je perzik altijd voorzichtig, want in iedere perzik
Droomt een baby. Peach in our time

Is daar één van.

And now, for something completely different:

 

Houtrustkerkspeech ‘laat het Hout met rust!’

Houtrustkerk, Den Haag, 13 september 2018

bij de presentatie Extaze 27

Ik ben een dichter, die ooit getroffen werd door een uitspraak van Lucebert die luidt:
‘De lyriek is de moeder van de politiek’.
Die regel heb ik aldus verstaan: als ik als dichter in de politiek ga… en dat heb ik gedaan – ik was twaalf jaar fractievoorzitter van de Stadspartij Rotterdam… mijn bijdrage aan het stedennummer van Extaze gaat dan ook over Rotterdam –  dan dien ik mij uiteraard af te vragen: een dichter in de politiek…  heeft dat meerwaarde en zo ja, welke?
Een bekende, hoogst hulpeloze uitspraak van Jacq. Bloem, u weet wel, die dichter van de eeuwige herfst, was deze: ‘Is dit genoeg een stuk of wat gedichten?’  Het gros van de Nederlandse dichters zegt daar tegenwoordig zwijgend ‘ja’ op. Mijn antwoord  luidt: ‘Nee, dat is niet genoeg. Zeker niet in onze tijd, die immers een politieke tijd is. Een tijd, die in veel opzichten op de jaren dertig lijkt, zeker waar het zijn groeiende minachtig van de democratie betreft, zijn rechts populisme. Toen, in de jaren dertig, verklaarde Thomas Mann (zijn broer Heinrich was hem daarin voorgegaan): ‘In een tijd als de onze is het standpunt l’ art pour l’ art  onhoudbaar. Ik kan mij niet langer afzijdig houden.’

Een dichter heeft dus méér te doen dan alleen maar gedichten schrijven. Hij heeft er ook zorg voor te dragen dat wij leven in een samenleving, die ontvankelijk is voor poëzie. Het is zijn (droeve?) lot de huidige samenleving te moeten poëtiseren
Daarbij  neem ik het begrip ‘ dichterschap’  ruim. Beeldende kunst beschouw ik als poëzie, voortgezet met andere middelen. En wat de verhouding  poëzie-muziek betreft, definieer ik dichtkunst als  taalmuziek met betekenis. Hoewel? Oote Oote Oote  Boe dichtte ooit Jan Hanlo. Het kan dus zelfs zonder.

Eigenlijk zou moet ik zeggen: de samenleving moet gecreativiseerd worden. Maar het woord creativisering ‘bekt’ niet. Dus gebruik ik het woord poëtiseren.  Dat is voor mij dus hetzelfde. Zie boven.

En wat houdt dat poëtiseren dan in?

Om te beginnen: de dichter kan en moet de politiek weer lyrisch maken (de lyriek is de moeder van de politiek). Dat moet zijn specifieke bijdrage zijn. Hij moet het begrip ‘creativiteit’ weer als kernbegrip terugbrengen in de politiek. Het is niet to be or not be, zoals Shakespaere zijn personage Hamlet liet filosoferen, het is ‘to be CREATIVE
or not to be’.

Om beter te doen begrijpen wat creativiteit inhoudt, wil ik met u een uitstapje naar het rijk van de mieren maken. Daarin ben ik trouwens niet de eerste. Denk aan de wijze koning Salomon, en hier in Den Haag, aan uw eigen Hans Lodeizen. 

De mieren

Er bestaat inmiddels een hele nijvere tak van wetenschap rond het mierennest: de myrmecologie ( myrmex is het Grieks woord voor mier) en die wetenschap heeft ons veel interessants te melden.

Mierengedrag volgt in wezen een eenvoudig systeem. Hij vindt voedsel en geeft dan een geurspoor af. Daar komen de andere mieren op af en halen het voedsel binnen.
Maar hoe vindt een mier nou voedsel, wanneer hij alleen maar kan reageren op het geurspoor van een andere mier? Welnu, in de mierenhoop heerst zo nu en dan een  functionele verkoudheid. Een verkouden mier gaat naar buiten, ruikt niks, dwaalt wat  rond en… vindt voedsel. Vervolgens geeft hij het geurspoor af
Zou men de verkoudheid in de mierennest genezen, dan betekent dat het einde van het mierennest!

Nu moeten we oppassen dat we de conclusies over de mierenwereld niet zomaar overbrengen naar de mensenwereld. Wel denk ik te weten wie bij ons de verkouden mier is. Dat is de creatieve mens, dat is de positieve afwijkeling… hij of zij die geestelijk voedsel voor ons binnen haalt.
De creatieve mens is dus van levensbelang voor de mensengemeenschap, zeker nu die gemeenschap zich almaar totalitairder – zeg maar mierenennestachtiger – ontwikkelt. Als
Wanneer we onvoorzichtig omgaan met de nieuwe technologie, zullen robotisering en automatisering die ontwikkeling alleen maar versterken,
Laat ik een  woord gebruiken, dat kerkelijk klinkt, we zijn hier tenslotte in een kerk.

In den beginne was het Woord
en op het einde is er  het algoritme

Amen

Niks Amen! Laar ons verkouden mieren zijn!

De vrijplaatsen

Het is dus belangrijk dat wij er zorg voor blijven dragen dat er creatieve mensen onder ons zijn én blijven. En dat er in elke stad vrijplaatsen voor creatieven zijn, plaatsen van pure creativiteit waar die ceatieve mensen zich thuis voelen en aan de slag kunnen. Dat soort broedplaatsen zijn er zowel in Rotterdam als in Den Haag helaas onvoldoende.
Op de gevel van de enige broedplaats die Rotterdam-Zuid ‘rijk’ is, staat niet voor niets een cynische parafrase op Lucebert’s  Alles van waarde is weerloos te lezen: alles is weer waardeloos….
Broedplaatsen zijn plaatsen waar de creativiteit exemplarisch is. Dat is in de eerste plaats dus kunstzinnige creativiteit, en daarmee bedoel ik: creativiteit in zijn puurste vorm.
Maar kunstzinnige creativiteit is niet alleen van intrinsieke waarde. Ze blijkt van groot belang voor de wetenschap, en in het kielzog daarvan voor de technologie..
Laat ik het verband tussen die disciplines, kort door de bocht, zo samenvatten: het was een begaafde violist, een zekere Einstein, die de voor de twintigste eeuw de baanbrekende formule E= Mc² uitvond. Het was Einstein’s streven om een formule zo elegant mogelijk te doen zijn.
Dit als (klein) voorbeeld van het feit dat linkerhelft van ons brein (de rationaliteit, de wetenschap) blijkbaar niet zonder de rechterhelft  kan (de intuïtie, de creativiteit, de kunsten), want elegantie is… een kunstzinnige term.

In het kielzog van kunst, wetenschap en technologie bevinden  zich de creatieve ondernemers. Wondernemers noem ik zulke mensen, dit in tegenstelling tot de geldzakondernemers. Van die laatsten moeten we af zien te komen.
En dan moeten we ons nog inzetten voor de broodnodige terugkeer van sociale en politieke creativiteit.
Steden als Rotterdam en Den Haag hebben zowel een hardnekkig armoede- als een hardnekkig werkeloosheidsprobleem. Of de economie nu is aangetrokken of niet, er is een blijvende sociale achterhoede ontstaan. Het is ongelofelijk hoe weinig creativiteit op dat probleem wordt losgelaten. Hetzelfde geldt voor onze politieke problemen. De  uitspraak ‘politici zijn er niet om problemen te maken, maar om politieke problemen op te lossen’ zou een open deur moeten zijn. In de praktijk blijkt die deur maar al te vaak gesloten. Deels is dat doordat er angst voor creatieve vrijheid bestaat (zie Erich Fromm: Fear of freedom, 1941). Maar vooral ook doordat bij de mens zijn creativiteit is afgenomen, met name zijn zelfbeeld als creatieve mens. Het is hem ontfutseld. De mesen hebben het zich het laten ontfutselen. Zo kan het ook gezegd
Mens zijn betekent creatief  zijn , die notie moet terug in het leven van alledag, maar zeker in de politiek.

De metaforen

Dan is er de zaak van de metaforen.
Ook hierbij is de dichter belangrijk. Want zowel de dichtkunst als de politiek werken met metaforen. Bij politieke strijd is het gebruik van de juiste metaforen allesbehalve een detail. En hier is dan weer dichter nodig, want hij is de metaforengebruiker bij uitstek.
Metaforen kunnen ons inzicht geven. Neem de metafoor ‘het hart is een pomp’ (vergelijk het hart als een waterpomp), bedacht door de medicus Harvey. Zonder twijfel heeft deze metafoor de cardiologie inzichtelijker gemaakt.
Maar metaforen kunnen ook inzicht belemmeren. In bestuurlijk Rotterdam kom je steeds maar weer de metafoor ‘Manhattan aan de Maas’ tegen. Daarmee meet het stadbestuur zich een veel te grote broek aan. Zou er ook maar één iemand in New York te vinden zijn die zijn stad ‘Rotterdam aan de Hudson’ noemt? New York is een miljoenenstad, Rotterdam heeft 640.000 inwoners. Hier vergelijkt een dwerg zich met een reus.
‘Manhattan aan de Maas’ is een aantoonbaar schadelijke metafoor. Hij ligt ten grondslag aan de megalomane plannen voor een nieuw voetbalstadion, ter vervanging  van de fameuze Kuip, die momenteel door de gemeenteraad gejast worden. Het project is vooralsnog begroot op 410 miljoen euro. En die berekening is het werk van een gemeente die aantoonbaar heeft aangetoond niet te kunnen begroten. Zie de metrolijn naar Hoek van Holland.
Maar ja, in Rotterdam zijn de projectontwikkelaars machtig. En achter de schermen blijkt inzake Feijenoord alweer veel geritseld te zijn.
En ja hoor, wanneer je kritiek hebt op de gang van zaken, dan komen ze met de foutste metafoor aller foute metaforen op de proppen: ‘Dat is een gepasseerd station’. Mijn antwoord is dan altijd: ‘Wát gepasseerd station?’
Als je denkt dat je in een trein zit, ja, dan is het station na het fluitje van de stationschef al gepasseerd. Maar als je de fiets neemt, kun je dit station nog wel dertig keer passeren. ‘Het gepasseerd station’ is een gruwelijke metafoor. En een dooddoener bovendien.

De projektontwikkelaars

De projectontwikkelaars zijn dus zeer machtig, maar… eenmaal heb ik toch van ze weten te winnen. Dat was toen er in het Park aan de Maas, het park onder de Euromast, een pretpark moest komen en een woontoren even hoog als de Euromast. Dat zou betekenen dat er van dat hele park niets over bleef.’
Dus toen gold : ‘Verzin een list, Tom Poes!’
Ik heb toen een lid van de Stadspartij, iemand die in de buurt van dat park woonde, voor dat park de status van Rijksmonument laten aanvragen. Het park is namelijk een van de weinige door  de negentiende-eeuwse fameuze tuinarchitect Zocher aangelegde parken, die nog in vrij authentieke vorm over is. En prompt werd die status verleend.
Toen het in de gemeenteraad aan de orde kwam, zei ik: ‘Burgemeester, ik verzoek u ‘Het Park’ van de agenda  te halen, het is een Rijksmonument. Daar gaan wij niet over!’ Een pandemonium brak los. Het was in die dagen dat de metafoor ‘de parken zijn de groene longen van de stad’ nog nauwelijks zeggingskracht had in bestuurlijk Rotterdam.
De raad nam prompt een motie aan, dat B&W er in Den Haag  – het landelijke Den Haag – op aan moest dringen die status van Rijksmonument  weer in te trekken. Dat is natuurlijk niet gebeurd.
Om zo’n verzoek vanuit een gemeente wordt in (landelijk) Den Haag smadelijk  gelachen. Ditmaal terecht.

De Scheveningseweg

En nu kom ik op de Scheveningseweg. Daarvan wordt het nationale belang van ingezien, want zij is een van de mooiste groene stadsplekken van Nederland. De weg heeft niet voor niets de status van rijksbeschermde omgeving.
a) Rijksbeschermd! Dat betekent dat de gemeenteraad van Den Haag daar dus niet over gaat. Het raadsbesluit daarover is vernietigbaar. Hier valt voor het verzet nog veel juridische eer te behalen
b) Een waarlijk creatief verzet moet het van de gemeente kunnen winnen!
Want de gemeente Den Haag is niet creatief. Zij zou het kunnen zijn. Immers, de metafoor Hofstad geeft daartoe alle kansen. Die term houdt immers hoffelijkheid in. Ofwel beschaafde omgang met mens en milieu. En tevens verwijst hij naar de Hof van Eden, het aards paradijs, noem het maar ‘de volmaakte groenvoorziening’. Maar nee, Den Haag gebruikt zijn eigen groene metafoor niet. Laten wij het wel doen. Het is de hoogste tijd.
Laat het hout met rust! Want de Scheveningse weg  is bij uitstek de Laan van de Verkouden Mieren!

Ik heb gezegd!

 

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 27,
de nabeelden

Donderdagavond 13 september werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een wonderschone avond die een aanvulling was op de rode draad van nummer 27: ‘Stad en ommeland’. Creatieve, soms strijdbare, gevoelige, ja zelfs kwetsbare voordrachten en optredens en daardoor uitermate sterk.

De optredenden:
. Hester van Gent: lezing
. Matilde Everaert: inleiding over haar werk met filmbeelden
. Hoodoo Promise: muziek
. Merel van Slobbe: poëzie
. Manuel Kneepkens: voordracht

De volgende Extaze in de Houtrustkerk is op 15 november.

De nabeelden hieronder zijn van fotograaf Eric de Vries.

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Co Westerik, Manuel Kneepkens

Co Westerik Snijden aan grasCo Westerik, Snijden aan gras, 1975

 

Minnaar, je kwetsbaarheid 
slechts overdekt door huid 
zo laat de schilder je

in heldere tempera
over jade landschappen zweven
rugdekking krijg je niet

aan vlijmscherp gras
– voor wiens gerimpelde
voet 

weggemaaid? 

laat hij je je vinger(s) snijden

Pijn 
met open ogen
een andere toekomst is er niet

dus moet je schilderen 
als dansend
op laatmiddeleeuwse schoentjes 

en tekenen… tekenen… tekenen

Pas op dat de Dood het niet ziet…

co westerik
Co Westerik, Afdaling op klaarlichte dag, 1980

westerikCo Westerik, Zelfportret met open mond, 1985

Gepost in Poëzie | Getagged | Plaats een reactie

Een nieuw nummer op 13/9: Stad en ommeland

Op donderdag 13 september werd de nieuwe Extaze: ‘Stad en ommeland’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

Cover Extaze 27: Stad en ommeland

D I R E C T  B E S T E L L E N

Stad en ommeland

ESSAYS
In zijn essay ‘Berlage: de stad als vorm’ betoogt Carel Weeber dat de invloed van
de architect en stedenbouwkundige H.P. Berlage (1856–1934) in onze tijd heeft geleid
tot een door de overheid gestuurde programmering van collectieve woningproductie en
andere stedelijke voorzieningen, waardoor het grid (een veld, opgebouwd uit repeterende
rechthoeken) als handige onderlegger voor een stedelijk patroon op de achtergrond
is geraakt – met alle ongewenste gevolgen van dien.
Hester van Gent stelt in ‘Boomstede’ vast dat stad en ommeland nooit van elkaar
gescheiden waren, maar altijd al met elkaar verweven. Een gewas dat zich nooit iets
van die vermeende scheiding heeft aangetrokken, is de boom, die overal in de stad
te vinden is. Van Gent legt uit waarom stadsbewoners de boom altijd in hun omgeving hebben opgenomen en in het geweer komen wanneer bomen worden gekapt.
In de chaotische, luidruchtige stad Berlijn is de vos binnengekomen,
schrijft Ilona Verhoeven in ‘Ruige straten, wilde buren’. Door de onverschilligheid van
de Berlijners tegenover de vos en de vele andere diersoorten in de stad gedijt
de stadsnatuur. Leven en laten leven.
Jack van der Weide beschrijft in ‘Willem van Genk gaat naar Moskou’ het leven
van deze schizofrene outsiderkunstenaar, en memoreert diens vroeg geuite verlangen
om een reis naar Moskou te maken. Zijn belangrijkste thema, macht en controle,
zal met deze voorkeur te maken hebben gehad.
In ‘Tussenland’ introduceert Jan-Hendrik Bakker het begrip ‘privélandschappen’.
Dat zijn mentale landschapjes die vanuit de ‘echte’ wereld bij ons zijn binnengekomen
en zich genesteld hebben in onze geest. Ze zijn gebonden aan de ervaring van een
individu of hooguit van een paar personen.
Bij het beeld van Rotterdam in een lachspiegel kun je je het Rommeldam van
Marten Toonder voorstellen, vindt Manuel Kneepkens. Het geestelijk leven,
de poëzie, de politiek, de wetenschap en de beeldende kunst zouden zeker geholpen
zijn met de creativiteit (‘de list’) van Tom Poes.
In ‘De nacht maakt alle katten grijs’ herbeleeft Léon Hanssen zijn bezoek in 1987 aan
de historicus Golo Mann in het huis van diens vader, Thomas Mann,
aan het meer van Zürich.

KORTE VERHALEN
Femke Baljet
Annette van ’t Hull
Boudewijn van Houten
Hans Muiderman
Ishana Sayag
Adje Steijn

GEDICHTEN
Carla Bogaards
Aly Freije
Heidi Koren
Lisa Rooijackers
Merel van Slobbe
Bert Struyvé

BEELD
Matilde Everaert

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 Reactie

Nieuwe recensie over:
Cilja Zuyderwyk, De man die zijn moeder miste

Lees hier de recensie

De man die zijn moeder miste

 

 

 

 

 

 

Cilja Zuyderwyk, <em>De man die zijn moeder miste</em>

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Fernando de betonman,
door Christian Oerlemans

In 2008 bouwde ik naar eigen ontwerp en in eigen regie ons huis nabij Moncarapacho. Ik schreef hierover een serie verhalen, die ook nu nog leesbaar zijn, maar tegelijk vertellen dat de tijden de afgelopen 10 jaar zijn veranderd.

Fernando is niet groot, maar wel sterk. Hij is de specialist voor betonwerk waartoe hij een groepje onduidelijke maar gespierde assistenten om zich heen heeft. Fernando belooft dat het betonwerk in drie maanden klaar is. Begin Januari 2008 begint hij, maar omdat het weer niet meezit wordt het iets later. Half januari verschijnt een monstrueuze graafmachine met twee broers die beweren met dezelfde machine na de Golfoorlog de rommel te hebben opgeruimd; volgens hen is dit de grootste graver van Europa. Het is inderdaad een imposante machine die herinneringen oproept aan fantasieën van Spielberg. Heel hoog in een klein glazen hokje zit de bestuurder die de waanzinnige graafarm bedient als een verlengstuk van zijn eigen arm en scheppen, bakken en een soort stalen nagel van een paar meter verwisselt alsof hij een andere handschoen aantrekt. De stalen nagel is overigens wel nodig om stukken rots te verpulveren. Binnen een dag ziet mijn landje er net zo uit als na de Golfoorlog. Woestenij waar eens de bloempjes bloeiden, grote bergen zand en stenen waarin drie afgeknotte Johannesbroodbomen door de graver zijn neergeplompt. Tijdelijk. Twee staan nu nog op die plek en er groeien nieuwe takken uit hun stronkige stammen, de derde heeft de ruwe verplaatsing niet overleefd.
    Fernando rookt en drinkt bier en regisseert. Voor mijn bouw had hij een grote partij prachtige geelhouten schotten aangeschaft om de bekistingen te maken. Die mooie schotten waren het volgende weekend al verdwenen – er wordt in de buurt namelijk erg veel gebouwd en verbouwd door lokale klussers zonder bedrijfsmiddelen. Gereedschap moet beslist elke avond achter slot en grendel. Fernando heeft een week niet gewerkt om deze dure tegenslag te verwerken. We kregen hem weer aan de slag door te beloven dat ik de helft van zijn schade – kleine 2000 euro – zou vergoeden als hij naar mijn volle tevredenheid het werk op tijd zou opleveren. Zo’n belofte kun je in Portugal makkelijk doen; het werk wordt toch niet op tijd opgeleverd. In mijn geval een maand of zes over tijd. Maar goed, de kwaliteit staat als een huis, alles overmaats met meer en dikker ijzer bewapend dan volgens de wet is voorgeschreven (wettelijk aardbeving bestendig bouwen). Fernando beschikt over een oud busje op profielloze banden en het verbaast dus niet dat hij een keer werd aangehouden. Afgezien van de banden, bleken ook zijn werkers geen aanwijsbaar profiel te bezitten, geen papieren, geen vergunningen. Zijn personeel was hij dus in één keer kwijt. Plus een aardig bedrag aan boete. Daarna kwam hij nog drie dagen geheel alleen beton storten en ijzer vlechten, maar hield het toen voor gezien. Ruim een maand geen Fernando. Als je hem mobiel belde verzekerde hij dat hij mórgen zou komen. Maar goed, uiteindelijk op een mooie dag kwam hij toch weer, met een groepje gelijk uitziende assistenten als de voorgaande medewerkers. Kaapverdianen, Brazilianen, Moldaviërs, Oekraïners (hoewel je die voornamelijk in restaurants aantreft en dan met name de vrouwelijke stevige soort). Overigens niets ten nadele van dit soort werkers! Voor een luttel uurtarief van vier euro (meer betaalde Fernando niet) sloven deze mannen zich uit van ’s ochtends acht tot ’s avonds zeven uur. Ik heb een groepje Kaapverdiaanse stratenmakers gehad (voor de calçadas, die mooie kleine keitjes) die hartje zomer onder de brandend hete zon zingend en fluitend onder een strandparasolletje meter na meter in fraaie dessins de wegen aanlegden – maar daarover misschien later. Over wegen gesproken; om de grote betonwagens toegang te verlenen had ik volgens instructies van Fernando op het land een geheel nieuwe weg moeten laten aanleggen met een tweede voor zwaar verkeer toegankelijk toegangshek. Eerder genoemde mammoetgraver kon zich, gezien zijn verbazingwekkende wendbaarheid, nog wel kort door de bocht van de zandweg door de ‘hoofdingang’ wurmen zonder de door mijn echtgenote Willemine zo kunstig ontworpen muren omver te werpen. Maar betonwagens zijn moeilijk manoeuvreerbare logge mastodonten.
    Het blijft bijzonder dat zo’n kleine pezige man met zijn stelletje ongeregelde medewerkers op basis van onze technische tekeningen al die betonconstructies neerzet, bijna foutloos. Er stond maar een keer een betonpaal bijna verkeerd, midden in de woonkamer en, okee, de buitentrap bij het zwembad was een halve meter te smal maar dat lag aan mijn tekening geef ik toe. En denk nou niet dat het bouwplan rechttoe-rechtaan simpel was, want gezien de eventuele schaarsheid aan water hebben we diverse ingenieuze waterloopsystemen en cisternes geconstrueerd, waardoor we een kleine 100.000 liter water kunnen opvangen en bewaren (was in de winter van 2009/2010 in een weekje gepiept) terwijl we door middel van pomp- en leidingsystemen het zwembad verwarmen en tegelijk de terrassen koelen. Het huis is overigens afgezien van elektriciteit (geen eigen generator) volledig duurzaam selfsupporting met bronbemaling, warmtepompen en zonnecollectoren. Fernando heeft een prima job gedaan al duurde het vier keer zo lang als beloofd. Die 2000 Euro kreeg hij dan ook niet, maar hij mocht op zijn verzoek wel alle bonen verzamelen van de Johannesbroodbomen (Alfaroba) en dat levert tien Euro per zak op. Nee, het waren geen 200 zakken…

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , | Plaats een reactie

Recensies: Wim Noordhoek
De gabardine regenjas en de cd van Anne-Tjerk Mante, Vier maten vooraf. Liedjes van eigen boezem – Cor Gout

De recensies zijn hier te lezen

De Garbadine regenjas, Wim NoordhoekAnne-Tjerk Mante

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Het model, door Martien Bos

Net als de eerste keer toen ik op dat adres aankwam, werkt de bel niet.
Natuurlijk, wat had ik verwacht.
Ik ben zenuwachtiger dan een minuut geleden, dan tien seconden geleden. Anders voel ik nooit mijn hart kloppen, nu wel.
De stad lijkt stiller dan normaal.

*

Dat had Stan wel op het opdrachtformulier kunnen vermelden, dat er geklopt moest worden. Ik bekeek dat formulier nog eens. Adres, naam, naam van verhuurder – in dit geval woningbouwvereniging Centrum De Oude Binnenstad – en, in Stans hanenpoten, een omschrijving van de uit te voeren verrichtingen: ‘Vent. Stop.’
Het ontluchten van de verwarming behoort bij de meeste woningbouwverenigingen tot de taken van de huurder, maar hier moest een van de ontluchtingsventielen kennelijk ontstopt worden. Dat kwam wel vaker voor bij oude woningen, al schatte ik deze atelierswoning niet ouder dan vijfendertig jaar. Nu ja, alles wat je maar slecht genoeg onderhoudt, gaat er uiteindelijk aan. Ik had het zelf kunnen bedenken; bij mijn studie kunstgeschiedenis was het net zo gegaan.
          Dit was de laatste klus van de dag. Op de route van de een na laatste klant naar deze was ik zeker vijf keer een bushokje met daarin mijn fotogenieke zus gepasseerd. In dit jaargetijde waren zonvakanties in trek, en Esther was niet zozeer het gezicht als wel het lijf voor SunWeb Holidays. Wél een studie afgemaakt, dus voor haar geen jaar ertussenuit om zaken op orde te stellen, te overdenken wat je in godsnaam wilde doen met je leven, al het gore lef verzamelen om je in te beelden dat je in je leven verder vooruit kunt kijken dan een halfjaar, een paar maanden. Voor mijn zusje lag het dus voor de hand om een paar dagen op alle voorstellen in te gaan die haar agent haar deed, om daarna pas een afstudeerfeest te geven en te gaan overwinteren langs de stranden van Brazilië. Haar nieuwe vriend, Michiel, hoefde niet lang na te denken toen ze vroeg of hij mee wilde. Zul je zien dat hij zo nog op z’n knieën gaat ook. En ik maar tijdens deze winter langs haar zandbeplakte decolleté rijden, tien keer per dag.
          Sneeuw dwarrelde in grote vlokken op de geparkeerde auto’s, fietsen en op het verlaagde stukje stoep voor deze voordeur, en smolt meteen. Het was de laatste week van januari en de wollen muts die mijn lange haar verhulde, voelde inmiddels als een deel van mijn lijf. De oranje gloed van de natrium straatverlichting paste goed bij dit deel van de straat met de studio’s en atelierwoningen onder het verhoogde treinspoor – beter dan de zogenaamd authentieke kroon- en Ritterlantaarnpalen uit de negentiende eeuw die je overal weer zag staan.
          Eigenlijk werken we als we dienst hebben nooit alleen, maar Ferry kon die dag maar tot één uur, had hij gezegd. Hij had nog een particuliere klus. Ik kon hem die niet weigeren: misschien verdiende hij op een middag wel voor een halve week. Hij weigerde mij ook niets. Dat was de deal. Ik kan me niet voorstellen dat dat bij andere installatie- en onderhoudsbedrijven anders is, al ken ik alleen Koperwerk, waar ze volgens Ferry wel vaker gesjeesde studenten aannemen.
          Terwijl ik wachtte tot er opengedaan zou worden, zag ik dat ik mijn toolbox in een halfvolle, net niet helemaal vergane zak patat had gezet. Het had erger gekund, want links van me lagen uitwerpselen, aan de afmetingen te zien afkomstig van een mens, zonder een stuk papier erbij in de buurt met veegsporen erop, terwijl er op het stoepje toch genoeg flarden oude kranten lagen, hele cultuurkaternen zelfs.
Die toolbox had ik niet eens nodig, realiseerde ik me. Een ontluchtingssleuteltje was in dit soort gevallen meestal genoeg, en die droeg ik aan mijn sleutelbos.
          De man die opendeed, vulde met zijn gestalte bijna volledig de deuropening. Hij keek me niet echt aan en zei: ‘Volg me maar,’ en was alweer een halve kamer van me verwijderd. Er was geen gang, de voordeur kwam rechtstreeks uit op een kamer. Daar lag een ontzettende hoeveelheid troep op de vloer. De allesdoordringende geur kon ik eerst niet goed thuisbrengen: een combinatie van het weeiige van nat blikvoer en het ammoniakale van een volle kattenbak die ik niet zo snel zag in dat vertrek, dat niet alleen bezaaid was met oude kranten, beschimmelde tijdschriften en folders, maar ook met sokken, T-shirts, grote boxershorts en een enkele spijkerbroek. Over alles gloorde een zacht, vettig schijnsel.
          Ik hoopte maar dat Ferry veel betaald kreeg voor zijn klus van die middag. Ik haalde een baco uit de toolbox.
          Pas toen zag ik dat er in een hoek een eenpersoons matras op de grond lag. Grote vochtvlekken, een pizzadoos met daarop de overgebleven bleke randen van een big pan pizza. Tegen het hoofdkussen leunde een pak mariakaakjes en daarnaast lag een open pot mayonaise op z’n kant. Aan het voeteneinde van de matras stond een koelkast met de deur open, maar er brandde geen licht. Ik zag halveliterblikken Alfabier. Geen kattenvoer.
          De man liep nog steeds zonder zich om mij te bekommeren voor mij uit. Met zijn grote, massieve lijf kwam hij verrassend vlug vooruit. Hij nam niet de moeite de papieren of kleren op de grond te ontwijken. Ik liep er ook maar gewoon met mijn werkschoenen overheen.
          Er klonk wat gerommel langs de plinten.
          ‘Waar zit de kat?’ vroeg ik.
De man antwoordde dat hij geen kat had. Zijn atelier lag op het noorden, zei hij, en hij opende de deur die naar een schaars verlichte ruimte leidde.
‘Op het noorden, dat is het beste. Vraag maar aan Rembrandt. Altijd indirect licht.’
Maar dan liever wat warmer als het even kon, dacht ik. Onze ademhaling was zichtbaar door de kou. Ik kreeg bijna medelijden met de getekende naakten die bleekjes opgeprikt tegen de lange muur van het atelier hingen.
          ‘Wacht even,’ zei de man, en hij stond stil, een vinger omhoog. Ik wist wat er komen ging, en inderdaad: wat begon als het zachtjes tikken van een theelepeltje tegen een klein metalen buisje, escaleerde in het geluid van rotjes in een metalen vat. Vervolgens werden de knallen in de verwarmingsbuis minder intens, maar het zou minuten duren voor het weer helemaal stil zou zijn, wist ik.
          ‘Dat werkt niet fijn,’ zei de man. ‘Die kou stoort me niet. Maar zo gaat mijn concentratie weg, en mijn concentratie is mijn kapitaal.’

Mijn handen zagen wit en rood van de kou. En kwartier lang had ik met ijskoud water en een staalborstel het ontluchtingsstuk schoon proberen te maken. Er zat een laag harde, bruine smurrie aan vastgekoekt. Eerst dacht ik dat het roest was, maar roest is niet iets wat als begroeiing ergens overheen groeit, dus dat was het niet. Het rook wel als roest, en in contact met water loste een heel klein beetje van die troep op, precies genoeg om de vochtspetters een roodbruine zweem te geven. De man vertelde me dat hij precies op dat gedeelte het stuk ingevroren bloedworst voor zijn hond ontdooide. Die worst kocht hij met korting bij een slager in de Haarlemmerstraat, die het zonde vond om worsten die onverkocht bleven zomaar weg te gooien.
          Het was tijdens mijn geschrob dat hij voor het eerst enige vorm van belangstelling voor me toonde. ‘Wil je wat drinken? Water, thee?’ Zijn enorme grijze wollen trui bedekte vanuit zijn perspectief vast alles, maar liet voor mij genoeg bloot om te zien dat de wilde strook haar van zijn navel naar zijn schaamstreek nog donker was, terwijl de slierten op zijn kop bijna wit waren, net als zijn bakkebaarden. Zijn huid was geel en vlekkerig, de nagels aan zijn vingers waren net wat te lang, en zijn ogen waren op twee manieren verborgen: achter dikke brilleglazen en tussen de plooien en wallen van zijn oogleden. Ik schatte hem een jaar of vijftig. Twintig jaar geleden was hij ongetwijfeld een knappe man geweest: zijn torso had de omvang van die van een rugbyspeler of een olympisch judoka. Zijn rimpels hadden ondanks hun onverzettelijkheid ook iets sympathieks, en zijn kleine, gluiperige ogen zochten weliswaar weinig contact, maar als ze dat deden, sprak er het enthousiasme uit dat je ziet bij kinderen bij wie voor het eerst iets gelukt is.
          Ik hoefde niks te drinken.
Toen hij tien minuten later terugkwam met een kop thee voor hemzelf, had ik de radiator zo goed en kwaad als het ging schoongemaakt, ontstopt en ontlucht. Geruisloos stroomde er weer water door de installatie. Ik stond op en liep naar de lange muur van het atelier om de opgeprikte tekeningen wat beter te bekijken. Het waren er tientallen, misschien meer dan honderd. Allemaal waren het naaktstudies in potlood, houtskool of een sepiakleurig krijt. Een enkele tekening was gemaakt in inkt. De modellen waren zo te zien verschillende vrouwen, wat op te maken viel uit de lijven, want de gezichten had hij leeggelaten. Portrettekenen was een andere tak van sport. De tekeningen waren tegen de muur gemaakt, op precies dezelfde plek waar ze nu hingen, gezien de inktvlekken en het houtskoolresidu op de plinten en de betonnen vloer er recht onder.
          Tussen de kleurloze tekeningen hing één opgespannen doek met daarop een geschilderd naaktportret. Dit werk was een stuk groter, ruim anderhalve meter hoog, en neergezet in felle, slordige kleuren. Het schilderij leek me nog niet voltooid: lege stukken doek waren nog duidelijk te zien. Ook was het werk niet gesigneerd.
          ‘Ja, het is af,’ zei de man alsof hij gedachten kon lezen. Hij stond van me af gedraaid, wreef over zijn borst en veegde met een voet enkele bladen op de vloer bij elkaar.
Hoewel het schilderij me te midden van die andere tekeningen eerst niet direct was opgevallen als iets bijzonders, kon ik het vanaf dat moment niet meer negeren. Ik schuifelde door de rommel op de vloer een paar meter naar achteren, zodat ik het doek in één keer kon overzien. Er klopte iets niet. De vrouw keek neutraal, wat al te neutraal, waardoor ik haar leeftijd niet goed in kon schatten. Ze zat half onderuitgezakt op een chaise longue – tenminste, ik nam aan dat het een chaise longue was, hoewel een berg afval met een doek erover meer voor de hand lag in dit atelier. Ik kon het niet opmaken uit de willekeurige vlakken verf die niet de ambitie leken te hebben iets te willen suggereren, waardoor alle aandacht uitging naar het naakt.
            Hoe oud schatte ik haar? Op gevoel een jaar of zevenendertig, een jaar of twaalf ouder dan ikzelf, en dat leidde ik niet af uit haar uitdrukkingsloze poppengezicht, maar uit haar boezem: volle, grote borsten die ontspannen op haar relatief slanke lijf rustten. Haar houding had iets zelfverzekerds, zonder bewust uitdagend te zijn. Haar buik was vlak.
          ‘Zeker geen kinderen gehad?’
          Bij wijze van antwoord haalde de man zijn neus op, waarna hij een kolossale arm langs zijn gezicht veegde.
Ze had grote voeten, de linker twee keer zo groot als de rechter. Dat was wat er niet klopte. Van Splinteren had het ons aan de hand van treinrails en bielzen geleerd. Hulplijnen naar het verdwijnpunt op de horizon, verwatering van de kleuren die verder weg zijn vanwege het water in de lucht, en zo waren er nog een paar dingen. Grove, mathematische tekeningen van blokkerige flatgebouwen en kaarsrechte wegen leverde die les op – wegen naar de horizon, die oneindig veel dichterbij leek dan het einde van de tekenles van Van Splinteren.
          Toen ik het schilderij weer wat naderde, zag ik kleine rode spetters op de bovenkant van haar benen. Datzelfde doffe rood zat ook op haar handen, waarvan er één aan de binnenkant van haar dij rustte. Alles bij elkaar maakte ze een geschonden indruk op me, niet zonder erotische lading, al kon ik me niet voorstellen dat het met die intentie geschilderd was – daarvoor was het allemaal te indirect, of gewoon te lelijk geschilderd.
          Ik zag dat de man me opnam terwijl ik zijn schilderij bekeek.
          ‘Het klopt niet helemaal, kan dat, of ligt het aan mij?’ vroeg ik.
          ‘Wat klopt niet?’
          ‘Haar voeten. Of in elk geval die voet daar. Die is veel te groot.’
          ‘Juist. En als ik die kleiner had geschilderd?’
          ‘Dan klopt het perspectief beter, denk ik. Kan dat?’
          ‘Het is af. Het is wat het is.’
          ‘Ik had wel willen weten hoe ze er in het echt uit had gezien.’
          ‘Het model lijkt op het schilderij,’ zei de man, kijkend naar het doek. Hij had zijn handen in zijn zakken en wipte op zijn tenen. ‘En dat is de enige juiste relatie. Wil jij dat het schilderij op het model lijkt? Veel mensen willen dat, dat ik iets precies zo naschilder zoals die mensen het zien. In het beste geval voeg ik daar dan mijn handschrift aan toe, mijn “manier van schilderen” zoals men dat noemt, en in het slechtste geval lijkt het schilderij zo goed dat ik net zo goed een foto had kunnen nemen. De schilder als camera. Een waardeloze wegwerproduct, zo’n plastic geval dat je na zevenentwintig foto’s wegflikkert. Dat type schilder bestaat, maar als je het niet erg vindt, leg ik de lat wat hoger. Als het te goed lijkt is het mislukt.’
          Dat was ook een manier om te zeggen dat je niet kon tekenen natuurlijk. Daar was hij bij Van Splinteren nooit mee weggekomen. Ik overwoog om te vragen wat het model er zelf van gevonden had – het was toch een soort portret. Zou Esther zich zo durven laten schilderen? Haar ijdelheid zocht liever de zekerheid van uren durende fotoshoots en opeenvolgende selectierondes.
In plaats daarvan vroeg ik of het model lang had moeten stilzitten. De man zei dat hij meestal in een uurtje klaar was. Dan staat het erop en hoefde hij hooguit nog een paar toetsen wit aan te brengen, maar dat deed hij meestal als het model zich weer aan het aankleden was. Hij vloekte daarna toen hij een nagel afbeet die wat vlees meescheurde.
          Mijn jas hoefde ik niet te zoeken, die had ik nog aan. Het zou nog wel even duren voor het vertrek op normale kamertemperatuur was. Ik was toegekomen aan het papierwerk.
          ‘Centrum De Oude Binenstad betaalt de factuur voor de reparatie nu vanwege een defect aan de verwarming.’
          ‘Mooi,’ zei de man, zuigend aan zijn vingertop.
          ‘Maar als u vanaf nu de boel niet een beetje bijhoudt, vallen alle vormen van schade aan uw cv onder verwaarlozing en dan draait u zelf voor de kosten op.’
De man gaf geen kik, keek me amper aan.
          ‘Inclusief voorrijkosten is dat 125 euro. In het weekend voor zes uur komt daar nog eens zestig bij, en na zessen honderdtwintig.’
          ‘Dan zullen ze het bij me moeten komen halen.’
          ‘Dat doen ze. Ik ga daar verder niet over, maar ze komen voor de kleinste bedragen al terug.’
Dat er niets van waarde aanwezig was in het atelier had ik al lang gezien. De voor de hand liggende vraag of hij van zijn schilderijen kon leven had ik hem maar niet gesteld.

Uiteindelijk vroeg hij het me, toch nog onverwacht, of ik wel eens model had gestaan. En daarna, of ik model wilde staan. Voor hem.
Hij raapte een kwast op van de vloer, trok met zijn andere hand het kruis van zijn broek in de plooi en keek me toen pas aan met zijn kleine, vlezige varkensoogjes achter die jampotglazen.
Ik bond mijn haar bij elkaar, zette mijn muts weer op en wees naar de grote, ongelijke voeten.

*

Ook nu wordt er na aanhoudend bellen niet opengedaan – wacht, die bel doet het niet, da’s waar, in de zenuwen was ik het vergeten. Ik klop op de deur.
Het is precies tien dagen geleden dat ik hier was, en weer sneeuwt het. Kleine vlokken, het is kouder nu. De sneeuw blijft liggen. Esther zit nog in Brazilië, maar haar posters zijn inmiddels uit de bushokjes verwijderd. Iemand met hetzelfde lichaam maakt nu reclame voor een goedkope sportschool, nog geen tientje per maand.
Ik ben gewoon op de fiets gekomen, draag geen overall maar normale kleren en heb ook geen gereedschap meegenomen. Ik vraag me af of hij de boel opgeruimd heeft, of de kattenlucht weg is.
          Voetstappen naar de deur. Zal het hem opvallen dat ik zes centimeter langer ben, dat ik geen werkschoenen draag maar laarzen? Dat ik nu ondanks de kou geen muts op heb en mijn haar los draag?
          Als het schilderij me bevalt, zal ik het kopen, heb ik hem verteld, maar ook dat ik prijs stel op enige mate van gelijkenis. Het moet absoluut niet flatteus worden – dat zou een blijk van onzekerheid zijn en alleen maar het tegenovergestelde effect hebben van wat me voor ogen staat – maar geen opzichtige bewuste fouten, ondanks zijn verhaal over die wegwerpcamera. In redelijke overeenstemming met de werkelijkheid dus, ook met mijn ene borst wat groter dan de andere.
            Om eerlijk te zijn weet ik al dat ik het zal kopen. Mijn eigen lichaam naakt aan de muur: een bewijs dat ik bekeken ben geweest, bekeken door de blik van een mens, een man van vlees en bloed nog wel, die me langer heeft bekeken dan alle milliseconden van een fotoshoot bij elkaar. Ik zal het boven de bank in mijn woonkamer hangen.
          Vanavond nog stuur ik Esther een berichtje. Ik nodig haar en Michiel uit om over een paar weken bij me te komen eten. Wat ik zal maken verzin ik nog wel.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Vier gedichten, Dirk Kroon

 

Ontkenning

Ik had een wereld kunnen winnen
maar ik wilde niet.

Ik had de ogen kunnen sluiten
maar ik kon het niet.

Ik had gelukkig kunnen worden
maar ik werd het niet.

Ik had ook kunnen zwijgen
maar dat wist ik niet.

Ik had dit kunnen schrijven
maar ik deed het niet.

 

Metamorfose

Ik was een droomloos kind
dat luisterde naar wat de wereld was.

Ik werd een oude man
die weggaf wat de wereld was.

Ik was een wezen zonder leeftijd
dat meeging met de vogels.

Ik werd bij hen een schepsel Gods
met menselijke trekken.

 

Constatering

Ja, het zou ‘groots en meeslepend’
en tot slot moest je het doen met
‘een boek en een glas wijn’ –
het is er nooit van gekomen.

Weet je, een gooi naar het grote
zat er gewoonweg niet in,
je kijkt naar wat klein was
en je eindigt met niets.

Je zoekt almaar in verten
de talloze vogels en vlinders
die je toch moeten verlossen.

Op zeker moment, bij een goed glas,
stel je vol weerzin vast
dat alles anders had moeten gaan.

 

Keerpunt

De jaren, ja, de jaren
waarin wij meenden te leven,
ze bloeiden meedogenloos leeg,
lieten niets na, bleken vergeefs
bij het volle besef van een later.

Later dat maar niet aanbrak
als wij ons herinnerden
hoe een immens geliefde
zei dat het zo goed was.

Het daar en dan vertaalt zich
nooit meer in het hier en nu.

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensies:
Jan Herman Brinks, De Vrouw in het Medaillon – Hein van der Hoeven en Chris De Valk, O, die wijze koeien – Felix Monter

Lees hier de recensie

De vrouw in het medaillon

Chris de Valk

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Armando, Manuel Kneepkens

ArmandoArmando de vogel

Wat zal ons (blijvend) herinneren aan Armando?

de term: schuldig landschap; verkoold hout
figuren van kamp Amersfoort
(on)menselijk

én het  Zwarte Water

een bassin van zwart plastic
gevuld
een paar centimeters water
met duizelingwekkende dieptewerking…

Aantekening voor de vijand:

Hoe in 2007 de Elleboogkerk in Amersfoort
(met daarin Armando’s collectie)
fakkelde als de Reichstagbrand

     ‘Wir haben die Kunst, damit wir nicht
       an den Wahrheit zu grunde gehen…’ ¹

Armando’s favoriete Nietzsche-citaat…

Niets Noodlottiger dan dat!

Armando2

 

Gepost in Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Ikea en de Algarvios, door Christian Oerlemans

De zuidelijke strook Portugal,160 kilometer langs de Atlantische oceaan, werd door de Moren Gharb Al Andalus genoemd of kortweg Al Gharb (het westen). De uiterste westpunt, Sagres met kaap São Vicente, werd toen gezien als het einde van de wereld. Hier vestigde Infante Dom Henrique de Avis (O Navegador) begin 15e eeuw een “zeevaartschool” om aan de kapiteins uit te leggen dat de aarde niet plat was. Hij initieerde de eerste Portugese ontdekkingsreizen en ontwierp hiertoe een speciaal latijns getuigd (in tegenstelling tot vierkant getuigd) zeilschip, de Caravela Latina. Dankzij deze schepen, die ook goed aan de wind konden zeilen, plus de navigatielessen van ‘Hendrik de Zeevaarder’, domineerden de Portugezen in de 15e en 16e eeuw het tijdperk van ontdekkingen, waarmee tevens het koloniale tijdperk werd ingeluid. Misschien nog vermeldenswaard dat Lagos de grootste slavenhaven van Europa werd.

Genoeg euforie. Ondanks Hendrik en de rijke handelaren in Lissabon, bleef de Algarve een armoedige strook tussen de bergen en de zee, het landje van de vissers en de kleine boeren met schapen en geiten en wat amandelen en olijven. Vijfentwintig jaar geleden was de ezelwagen nog een populair vervoermiddel. De mensen hier werden (en worden) Algarvios genoemd, een kleine donkere soort, pezig en goedaardig. Oud Moors bloed. Vooral de oudjes zijn soms onwaarschijnlijk klein. In het postkantoor kon een oud vrouwtje nauwelijks bij haar pensioengeld (450 euro) dat voor haar werd uitgeteld op de balie. En bij de cafeetjes en in de parken zitten kleine kromme mannetjes elkaar over vroeger te vertellen. Vroeger, toen iedereen hier klein was. Nu is iedereen van normaal postuur. Hoewel, sinds de instroom van de Zweden, zie je ook veel boomlengten. Oorzaak is de belastingontheffing. Zweden (en ook Fransen en Finnen) mogen hier namelijk van hun pensioen komen genieten zonder belasting te betalen. De ca. 450000 bewoners hier zijn dan ook niet allemaal Algarvios. Meer dan 20% is import. Een grijze golf overspoelt deze prachtige kuststrook, met gevolg dat er veel wordt gebouwd (niet altijd even mooi) en dat de Algarvios protesteren omdat wonen voor hen te duur wordt. Alle goedkope appartementen zijn uitverkocht. Makelaars – en dat zijn er honderden, want iedereen kan makelaar worden – zoeken naarstig naar panden voor hun Portefeuille. Courtage hier is standaard 5%, soms meer. Je kunt je pandje als je wilt bij tien of meer makelaars te koop zetten, In ons dorp was ooit één makelaar, nu zijn er drie kantoren.
Willemine, mijn kunstzinnige echtgenote, komt al jaren als kunstenares bij Casas das Molduras (huis der lijsten) voor inlijstingen. Paar jaar terug werd de winkel een makelaarskantoor en de inlijsteraar zit achter een bureau met foto’s van huisjes terwijl zijn echtgenote het inlijstwerk verzorgt.
Een Nederlander – genaamd Jan – achtervolgde mij per telefoon en email, namens een makelaar, genaamd ‘Goddelijke Eigendommen’ (Divine Properties). Zij willen heel graag, ja heel erg graag ons pand verkopen. En Jan was niet de eerste! Om de haverklap staat er een man of vrouw (laatste vaak niet onaantrekkelijk) aan de poort. Wat komt u doen? Goedemorgen, mag ik uw pand verkopen?
Het gaat ineens erg goed hier in Portugal. Zegt men. Ambachtslieden zijn niet meer verkrijgbaar, ze nemen gewoon hun telefoon niet op. Overal is werk en de dagprijs van voorheen rond 50 euro loopt op naar soms ongekende hoogten voor dit land. Ik had een schilder nodig want zelfs teakhouten deuren worden lelijk in de zon. Niet zo erg als mensen, maar toch… Had ik viavia eindelijk een jong ambitieus startend bedrijfje gevonden. Asjeblieft, die jongens wilden meteen aan de slag Begroting tienduizend euro. Wat?? Voor twintig deuren en vijf ramen? Ja hoor es, ik kom hier al sinds de ezelwagen…
De man die het nu doet – genaamd Vitor Bravo – komt met zijn dagprijs van 70 euro ongeveer uit op ruim 2000 euro. Ook al niet meer zo goedkoop als vroeger.

Ja het trekt aan in de Algarve en zo kwam er ook een enorme Ikea midden in het prachtige landschap ten zuiden van de oude hoofdstad Loulé. Parkeerterrein zo groot al tien voetbalvelden. Rondom Ikea is een shopping mall gebouwd zoals je die alleen in Amerikaanse films ziet. Alle merken voorradig. Niet voor Vitor Bravo en zijn familie maar voor de expats van Vale do Lobo. Voor Vitor Bravo en andere klussers is er een bouwmarkt van Leroy Merlin waar ze richting kassa’s doolhofhekken hebben zoals op de luchthaven.
Uiteindelijk waren ook wij naar het winkelparadijs rondom Ikea gegaan, want dat moet je gezien hebben. Kwam goed uit want mijn echtgenote had dankzij de nieuwe privacy wetgeving geen whatsapp meer op haar telefoon. En dat is lastig, zeker omdat kleinkinderen in de App-wereld leven. Whatsapp eiste een update, maar die werkte niet. Gelukkig is er in dat gigantische winkelcentrum ook een Phonehouse. Drie mobiele mannen en geen klanten. Beleefd vraagt Willemine eerst of ze een batterij hebben voor haar Samsung. Want: als je iets wilt kopen ben je klant. Een batterij hebben ze niet, hadden wij ook niet verwacht, maar nu kan zij liefjes vragen of de gekwalificeerde telefoonverkoper even naar haar Whatsapp kan kijken. Wat nu volgt kan alleen hier: de jongeman stort zich erop met hart en ziel en is ruim een halfuur bezig om haar telefoon van álle updates te voorzien.
Ja, de mensen zijn hier aardig en behulpzaam, dat is de aard van de Algarvios. Enige nadeel bleek dat zij nadien niet meer gewoon kon bellen, dus heb ik een half uur met een Nederlandse Vodafone-assistent aan de lijn gezeten, via mijn mobiele abonnement. Ach, die was ook erg aardig hoor. Je moet het leven met de elektronica blijmoedig ondergaan.

 

Liberta, onze hulp, wilde strijken. Hiertoe hebben wij zo’n modern stoomapparaat. Kwam geen stoom meer uit. Gelukkig hebben we nog twee strijkijzers die zij ooit had afgekeurd, maar die nu van pas kwamen. Omdat er inmiddels ook een stofzuiger was stilgevallen, ging ik met beide artikelen naar het reparatiebedrijf voor elektrische huishoudelijke apparaten, genaamd Ricafre, maar door Willemine hardnekkig Biafra genoemd. Zij had natuurlijk inmiddels al een nieuwe stofzuiger gekocht in die nieuwe megalomane shopping mall, bij de firma Worten, een hectare vol elektrische apparatuur. Ook een heel gedoe trouwens, want de oude Rowenta vermeldt op zijn schild 2100 Watt. Dus wilde zij 2100 Watt. Haha, bestaat niet mevrouw! De max is 750 watt, Europese regelgeving. Maar dan wel drie keer A. Alweer wat geleerd. Goed, ik dus naar Ricafre omdat die ook al twee keer onze vaatwasser van AEG hebben gerepareerd. De installateur die toen kwam legde uit dat reparatie niet de bedoeling is. Het is de bedoeling is dat men een nieuwe koopt. Daar is de printplaat op berekend. Is er dan geen nieuwe printplaat te koop? Nee meneer, want het model is verouderd. Ditzelfde verhaal hoorde ik toen onze airco installatie ermee ophield. Sja, ácht jaar meneer. Nee, reparatie kan niet. Moet een nieuwe komen… (Kostte me 5000 euro).

Terug naar Ricafre. Of liever gezegd op weg met stofzuiger en strijkijzer. Kom ik via achteraf straatjes in een armzalig buurtje van Faro terecht. Ik had een bedrijf verwacht met uithangbord en lichtreclame, maar het is een onderstuk van een oud flatgebouw. Het ouderwetse Nederlandse ‘stofzuigerhuis’ is hiermee vergeleken een geacheveerd technologiepaleis. Maar wat een menselijke aardigheid. De huisvrouw achter een soort balie doet haar best Engels te spreken. Jazeker, stofzuigers en strijkbouten kunnen hier gerepareerd worden. Het zal wel even gaan duren, want ze hebben het druk. Wat wil je, met al die snel verouderende apparaten. Ricafre zit middenin het gat in de markt. Op een doorslagbloknoot schrijft zij alles op. Ik krijg de nauwelijks leesbare kopie. Inmiddels is er een mevrouw binnengekomen. Zij komt haar magnetron ophalen. Terzijde probeert een oudere meneer een groot bakijzer op de toonbank te tillen. Een jeugdig en snel meisje rent in en uit. Allemaal wensen zij mij op een toon van vriendschap en verbondenheid een mooie dag toe.

Algarvios. Als ze je langer kennen dan een half uur, zoenen ze je.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , | Plaats een reactie