Alternatief, door Christiaan Oerlemans

Lang geleden toen ik nog hard liep, knalde ik met mijn voorhoofd in volle vaart tegen de kopse kant van een stalen balk. Het was de balk van een zonnescherm dat op voorhoofdshoogte was neergelaten. Voordien nimmer neergelaten geweest, leerde ik later, toen ik bijkwam. Het hing ineens in mijn traject; poortje onderdoor, scherp de hoek linksom langs het rozenperk en bwahmm. Aardige mensen van een gelijkvloers kantoor, kwamen mij optillen, gaven mij een glaasje water. Enfin, voor de zekerheid naar de 1e hulp, ja hoor zware hersenschudding. Daarmee moet je geduld hebben, heb ik ondervonden. Na een paar dagen weer aan het werk, en weer een paar dagen later volledig uitgeteld, als een dweil drie weken op de bank. Dat je het maar weet, denk niet te licht over het schudden van je hersens. Maar ik wil het daarover niet hebben. Interessanter is dat ik erna mezelf niet meer okee voelde. Neurologische onderzoeken en ga maar even door. Niks te vinden. Volgens mijn buurman, de fysiotherapeut gespecialiseerd in rug- en nekproblemen, had ik een whiplash…ha, dat is een kwetsuur die niet meetelt in de medische wereld. Wat nu te doen? Massage, natuurlijk en het spierstelsel onderwerpen aan prikkelende zwak elektrische stroompjes. Je moet het lichaam helpen zichzelf te genezen. Zenuwbanen voelen zich gekwetst, vandaar. Ter oriëntatie bezocht ik een bijeenkomst van verenigde whiplashlijders(sters). Wow…nooit zou ik meer beter worden. Zelden zulk georganiseerd doemdenken meegemaakt. Ik kreeg de indruk dat sommigen hun whiplash koesteren. Daarna elke week naar een dure kliniek, aan het infuus. Reiki behandelingen ook. Canadese massage die verrekte pijn deed. Heel bijzonder waren ook mijn visites aan een man (garagemonteur) met genezende handen. Had zijn gave ontdekt toen de hond van de buurman ziek was. Hij had die hond beter gemaakt. Erg lieve man, deed het uit hulpvaardigheid, vroeg slechts een tientje voor een uur magnetisme. Helaas hielp het niet. Ook nog op advies – je krijgt veel advies, ongevraagd ook – naar Zuid Limburg geweest waar een fantastische aura-lezer mijn energiebanen ging rechtzetten. Hielp ook niet. Mensendieck gedaan, wekelijks trainingen op de mat en thuis oefenen, ja hielp wel, dit helpt volgens mij iedereen. Mijn buurman, voornoemde fysiotherapeut, had een vriend die arts was en deskundig kon kraken. Heb ik één keer laten doen, als volgt: mijn hoofd onder zijn arm, ‘nu even volledig ontspannen, wees niet bang, laat maar gaan…’ En toch nog onverwacht rukte hij zowat mijn hoofd van de romp. Misschien heeft het geholpen, maar ik durfde geen tweede keer.

Hoe kom ik op deze verhalen? Omdat ik vijf jaar gesukkeld heb en in stad en land het alternatieve circuit heb leren kennen. Als de dokter zegt dat je niks mankeert, terwijl je zelf het tegendeel voelt, dan kun je twee dingen doen: dagelijks met een neksteun somber naar het weer gaan zitten kijken, ofwel op pad. Omdat dit inmiddels mijn vierde hersenschudding was – ja ik loop nog wel eens met mijn kop ergens tegen aan, teveel in gedachten denk ik, of te haastig – had ik wat inmiddels Post-Concussion Syndrome genoemd wordt. Rust helpt zegt men en vooral weinig stress haha, je nek staat stijf van de stress. Maar goed, ik ben er uiteindelijk overheen gegroeid zoals dat heet, beetje nekpijn went wel. Het meest irritante was uiteindelijk ‘oorsuizen’ (tinnitus) maar daar kan ik inmiddels ook mee leven.

Even tussendoor: in het tijdschrift voor slechthorenden schreef ik een artikel getiteld ‘krekels in mijn hoofd”. Het was bedoeld als opbeurend verhaal, een beetje zoals ik ook een opbeurend boekje heb geschreven over prostaatkanker, en ik kreeg mooie reacties. De mooiste was een lange brief van een non. Zij woonde met nog een paar nonnen in een klooster. Haar tinnitus klonk als een zware dieselmotor schreef zij. Zij was altijd blij als zij aan de beurt was voor het gebruik van de ‘Walkman’, dan lag zij in haar cel met muziek op de oren. Er waren meen ik tien nonnen, dus eens in de tien dagen was zij enigszins bevrijd van die bonkende motor in haar hoofd. Mijn god dacht ik – dacht zij waarschijnlijk ook – wat kost zo’n walkman nou helemaal. Dus gekocht en toegestuurd en kreeg een heel lieve bedankbrief. Nee zij hoefde haar eigen walkman niet te delen met de andere zusters…

Ja er schuilt veel triestheid onder de mensen. De auteur die hierover aangrijpend schrijft is Griet Op de Beeck. Ik noem haar omdat ik net haar laatste boek heb gelezen: ‘Het beste wat we hebben’. Een goede gezondheid is wellicht het beste wat je kunt hebben, afgezien van liefde. Omdat ik op mijn leeftijd veel mankementen ervaar, krijg ik veel tips. Goed bedoeld natuurlijk. Zo werd mij laatst door een nogal spirituele vriendin een genezer aangeraden hier in Portugal, waar ik veelal verblijf.

De weg erheen was omslachtig en lang. Ik mocht om 20:30 komen omdat er iemand was uitgevallen. Een half uur over de snelweg, dan twintig minuten het achterland in en uiteindelijk nog een heel eind doorsukkelen over een zandweg. ‘U herkent het huis wel’, zei de assistente. ‘Het heeft een etage (inmiddels verboden hier in de campo) en er staan veel auto’s’. Toen ik uiteindelijk maar wel precies op tijd arriveerde stonden er inderdaad langs de zandweg veel auto’s. In the middle of nowhere, zoals dat heet. Het hek stond open en ik werd tussen twee touwen naar een achteringang geleid. Hier waren handgeschreven instructies op de marmeren stoeptreden geplakt: geen mobiele telefoons hier in huis, laat je telefoon in je auto!. Deur was half open.Via een rommelige hal moest ik een roze marmeren trap omhoog. Op de trap stonden mensen. Op de overloop nog meer mensen en rechts in een kleine kamer nog meer mensen. Boven aan de trap linksaf was het heel erg druk. Verontschuldigingen mompelend drong ik verder totdat ik de assistente zag. Oudere mevrouw met hoornen bril in donkergrijze japon op een plastic stoel achter een soort balie waarop merkwaardige voorwerpen, zoals een groot roze pluchen spaarvarken. Rechts een kamerscherm uit betere tijden, beplakt met krantenknipsels en handgeschreven opwekkingen, alsook de prijslijst: 10 euro voor een consult, 20 euro voor een behandeling. ‘Wat zijn uw klachten?’ vroeg zij. Ik noemde er een paar. ‘Ja, dat is wel genoeg’ zei ze. ‘Druk hier’ merkte ik op. ‘Ja, de mensen komen hier omdat ze geholpen worden’. Ik telde minstens dertig klanten, voornamelijk Portugezen, maar ook enkele Nederlanders, een Engelsman en twee Duitse dames. Regelmatig kwam iemand 10 of 20 euro afrekenen. Ik mocht tegen de wand zitten naast een man met wonderlijke sensors op zijn oren. Hij zat aan een paar draden bevestigd. Tegenover mij twee mannen op blauwplastic stoelen voor een televisie, met voor de borst op een standaard een soort metaaldetector, of stofzuigermotor, dat kan ook. Er stonden apparaten met digitale cijfers en knipperlichten. Na drie kwartier was ik nog niet aan de beurt. Achter het kamerscherm werden mensen geholpen en achter een deur links van mij verdween nu en dan iemand, die daar kennelijk ook werd geholpen. Een oosters uitziende vrouw hielp met de apparaten waaraan mensen werden gekoppeld. Een niet onaardige blonde vrouw liep nu en dan voorbij. Ook zag ik een kalende man naar het gangetje gaan. De genezer? Het rommelige vertrek met oude posters en slordig gestapelde tijdschriften werd verlicht door een kaal peertje aan een draad, plus de leeslamp van de assistente. Het werd buiten aardedonker. Ik maakte me zorgen want slechte ogen vormen een van mijn mankementen. Als ik nog maar terug kon over dat smalle zandpad…

Post-Concussion Syndrome: vooral weinig stress, dat helpt, zegt men. Hoezeer ik ook kennis had willen maken met deze genezer die voor weinig geld zoveel mensen helpt en ongetwijfeld onbaatzuchtige bedoelingen heeft, ik kon het niet langer uithouden op die plastic stoel in dat overvolle kamertje.

‘Ach’ zei de assistente ‘wat jammer nou, wilt u een andere afspraak maken?’

Ik denk er nog over na.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , , | Plaats een reactie

Kerstversiering, Lucia van den Brink

Ik herinner me
jouw gezicht
nog goed

van toen je me
zo hard duwde
dat we allebei schrokken
van het gekraak
dat mijn schedel maakte
toen ik de muur raakte

en ik
ik was zo sterk
dat ik de blauwe plekken
altijd liet verdwijnen
en de wonden
liet genezen

maar hoe ik ook
probeerde
de herinneringen
bleven als littekens
die niemand zag
en die verborgen
onder een laag kleding
mijn gedachten
ontsieren

maar jou siert het
net als de slinger
die om de kerstboom zat
dat jij het je niet
herinnert
lieve mama

Lucia van den Brink (26 jaar) studeerde Japans en Journalistiek aan de Universiteit Leiden. Ze werd genomineerd voor de ECI Editio Debutantenschrijfwedstrijd, publiceerde bij De Optimist en TheTittyMag. Ook is ze (mede)hoofdredacteur van het boekenblog Readalicious.nl

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Hein van der Hoeven, Jongen met rood vest door Arjen van Meijgaard

Hein van der Hoeven rood vest

Hein van der Hoeven, Jongen met rood vest,
Haarlem 2018 (In de Knipscheer)

Lees hier de recensie.

Gepost in Home | 1 Reactie

Het doktersbezoek, door Hester van Gent

Vandaag kijk ik niet in het water als ik langs de singel loop. Meestal werp ik er even een blik in. Maar nu niet. Vluchtig scheren mijn ogen over het wateroppervlak en laten dan meteen weer los. Vandaag kijk ik liever naar de tekenen van lente: de krokussen in het plantsoen, wat aarzelende katjes aan de wilg en de geparkeerde auto’s van de buurtbewoners die op de fiets naar hun werk zijn gegaan.
Ik loop naar museum Boijmans van Beuningen voor de tentoonstelling Kunst van formaat, met grote werken vanaf de jaren vijftig.

Vanuit de garderobe van het museum snel ik, om niet te worden afgeleid van dat wat ik graag wil zien, voorbij alle werken die ik onderweg tegenkom, in de richting van de tentoonstelling. Ik wil zelf mijn blik sturen. Maar aan de schilderijen in het trappenhuis kan ik niet voorbijlopen. Daarvoor zijn het er te veel. Dicht boven elkaar, pal naast elkaar, in diverse stijlen en uit verschillende tijden. Ik stoor mij aan de kakafonie van lijn, beeld en kleur en wil snel doorlopen. Maar om de een of andere reden vertraag ik toch mijn pas. Vlug scan ik de schilderijen, alsof ik van mijzelf eerst een ordening moet aanbrengen in wat ik zie alvorens ik door kan lopen.
Mijn blik blijft hangen aan een werk dat mij de rest van de kunstwerken doet vergeten: een schilderij met, centraal op het doek, een rood huis. Het doktersbezoek (Het huisje van Kafka) heet het, geschilderd door Hendrik Werkman. Het lukt mij niet om mijn blik van het werk af te halen en door te lopen. Door de centrale positie en de rode kleur springt het huis in het oog. Achter de ramen brandt geel licht, zo lijkt het. Maar als ik wat preciezer kijk, blijkt dat niet juist. Nee, het geel is de kleur van de luiken die het huis verduisteren. Maar één gevelopening is niet afgedekt. Dat is de deuropening. Daarin staat een man. Jas aan, hoed op. Het zwarte silhouet moet dat van de dokter zijn uit de titel van het schilderij. Ik neem de omgeving van het huis in mij op. Rechts staat de koets van de dokter, met een paard dat zijn hoofd laat hangen. In de lucht zwermen vogels, en op de voorgrond zie ik een vijver, omlijst door een hek. Waar bevindt zich de zieke? Daar kan ik niet achterkomen. De luiken sluiten de ramen af en langs het silhouet van de dokter kan ik niet verder het huis in kijken.

Onbevredigd loop ik verder naar de exposite Kunst van formaat, waarvoor ik immers ben gekomen. Maar mijn gedachten zijn nog bij Het doktersbezoek. Ik bekijk de expositie zonder de werken in mij op te nemen en loop terug naar het trappenhuis. Weer trekt het schilderij met het rode huis mijn aandacht. En weer zie ik de dokter. Hij kijkt niet het huis in, zoals ik aanvankelijk dacht, maar richt zijn blik naar buiten. Hij kijkt naar mij. Ik zoom uit en blik voor het eerst in de vijver. In de donkere vlekken van het water zie ik twee figuren die bezorgd vooroverhangen. Over het ziekbed van de toeschouwer. Over mijn eigen ziekbed.

Het doktersbezoek – Werkman

Gepost in Columns, Home | Getagged , , | 1 Reactie

Mannen en vrouwen, oorlog en vrede, door Christian Oerlemans

De Australische bioloog Jeremy Griffith heeft met zijn boek ‘Freedom’ een beweging in gang gezet die langzamerhand begint door te dringen tot onze hersenen.

Freedom
De boodschap is: wij zijn niet slecht, we gedragen ons slecht en we zijn hiertoe geconditioneerd geraakt over de afgelopen 2 miljoen jaar. De 3 of 4 miljoen jaar daarvoor leefden we in onschuld, in kleine vreedzame groepen waar de moeders het voor het zeggen hadden. Ik ga hier niet het boek bespreken (800 pagina’s), maar wil slechts aangeven dat het een icoon is van ons huidig tijdsgewricht.
Ik vraag mij wel eens af waarom wij het enige dier op aarde zijn met ontwikkelde hersens. En waarom die ontwikkeling? Wat heeft het ons gebracht? Voornamelijk oorlogen. En de ongelijkheid tussen de seksen. (En niet te vergeten plastic soep, sloppenwijken, vluchtelingen, Poetin, Trump, Xi en Kim en nog meer ellende).
De enige dieren, niet toevallig ook primaten, die enigszins kunnen denken zijn de Bonobo’s. Zij komen ongeveer zo ver als een 2 jarig mens. Bonobo’s leven vreedzaam in kleine groepen en de mamma’s zijn de baas. Hier komen we tot een kernpunt in de filosofie van dr. Griffith: ooit in de kindertijd der mensheid leefden wij in kleine groepen in een matriarchaat. De vrouw zorgde voor het indoctrinatieproces van liefde en zij was voldoende assertief om de paringsdriften van concurrerende mannetjes te bezweren. Zodoende stond liefde centraal, liefde en zorg voor de borelingen, het nageslacht. Empathie, saamhorigheid, verbondenheid tussen de mensen was nodig om te overleven en als er iemand leiding gaf, dan was het de vrouw. Immers zij is ons aller Moeder, Gaia, onze oermoeder Aarde die ontstond uit de Chaos aan het begin van alles (Griekse mythologie, Stephen Hawking avant la lettre). Wellicht was dit wat met het Paradijs wordt bedoeld: niet de locatie, maar de sámenleving in de ware zin van het woord, mannen en vrouwen samen.
Volgens de filosofie van wetenschapper Jeremy Griffith (https://www.youtube.com/watch?v=SepGjq4TSM0) is de mens in diepste wezen ‘goed’, maar zijn we dit goede kwijtgeraakt doordat we in onze puberteit (de pubertijd der mensheid) onze bewuste geest ontwikkelden en via ‘nadenken’ onze onderbewuste geest zodanig programmeerden dat al het slechte verklaarbaar en zelfs acceptabel werd. We wijten ons slechte gedrag aan de omstandigheden, die we zelf creëerden. Zo ging de mens zich richten op mijn en dijn, op eigendommen die verdedigd moesten worden, of veroverd natuurlijk. En dat was mannenwerk.
Griffith noemt dit ‘the human condition’. We hebben onszelf geconditioneerd en een van de belangrijkste uitvloeisels hiervan is de ongelijkheid der seksen. In de strijd om het bezit werd de man belangrijker dan de vrouw, stoffelijk prevaleerde boven geestelijk, fysiek boven psyche. Zo ontstonden strubbelingen, kleine gevechten, grote oorlogen. Mannenwerk, mannentaal. Het patriarchaat was (en is) een feit. Dit is natuurlijk geen nieuws. We leven in een mannenwereld, onderbouwd sinds eeuwen door religies en vooroordelen, ofwel de ‘conditions’.

Na Gaia zijn er nog weinig vrouwelijke Goden bedacht, ik denk omdat mannen het heft in handen hadden en dus mannelijke Goden bedachten. De groeiende ongelijkheid der seksen is mede hierdoor veroorzaakt. Wel bijzonder eigenlijk dat een wetenschapper, een bioloog ons probeert terug te brengen naar de basis: alle mensen zijn gelijk. Mannen en vrouwen verschillen in fysiek, zowel als in psyche, maar sámen vormen ze een eenheid. Dit is authentieke gelijkheid. Het egocentrisme van de man, langzamerhand een conditie geworden in de wereld waarin we leven, dwingt vrouwen ofwel tot onderworpenheid, ofwel tot verzet in vormen van feminisme. De tragedie is dat hierbij voorbij wordt gegaan aan de essentiële verschillen, of zo je wilt de intrinsieke waarden van man en vrouw die 50/50 zorgen voor gelijkwaardigheid. Strijd, verzet, streven naar gelijkheid in gedrag, dit soort feminisme is gebaseerd op de leugen die we gecreëerd hebben in onze patriarchale wereld.
Griffith slaagt erin met zijn op wetenschap (evolutie) gebaseerde filosofische werk ons de ogen te openen voor de gelijke waarde, de gelijke goedheid die van oorsprong aanwezig is in alle mensen. Hierdoor kunnen we nu de rollen begrijpen die mannen en vrouwen hebben vervuld tijdens de menselijke reis. En begrip zorgt voor heling. Door diepe empathie voor elkaar te voelen, wordt de kloof gedicht.

De beweging die ik aan het begin noemde heet World Transformation Movement. Hun mening is dat het de hoogste tijd is om de ‘human condition’ aan te pakken, omdat maatschappelijke ontsporingen te heftig worden en het voortbestaan van onze planeet ermee gemoeid is. Meer en meer jongens vallen uit, met name in de leeftijd van bewustwording (vanaf ca. 15 jaar). Misdadig gedrag, overmatige agressiviteit, verslavingen of een totale desinteresse in maatschappelijkheid. Ze trekken zich terug achter hun telefoon met pornografie en video games. Ik citeer één jongen uit een groot onderzoek: “My generation of boys are fucked…Marriage is dead. Divorce means you’re screwed for life. Women have given up on monogamy, which makes them uninteresting to us for any serious relationship or raising a family”…
Het is de man die ten onder gaat aan zijn frustratie, onder het gewicht van een ondraagbare verantwoordelijkheid, de man die vooral de laatste paar honderd jaar gecorrumpeerd is door egocentrisch gedrag en nu tot de bewustwording komt dat zijn management onze planeet geen goed heeft gedaan. Ik schreef het al eerder: ‘Het wordt tijd dat vrouwen opstaan’. Na zoveel honderd jaar mogen we hopen dat vrouwen zichzelf terugvinden in hun authentieke rol: het indoctrinatieproces van liefde. Tenslotte zijn vrouwen de opvoedsters. Mede door wetenschappers als Griffith en hun werk (en de World Transformation Movement) mogen we verwachten dat vrouwen anticiperen op de mogelijkheden die er zijn op meer macht in persoonlijke relaties en op economisch en politiek gebied en dat zij op de vrouwelijke manier de man eindelijk bevrijden van zijn geconditioneerde ego gedrag.

Dank zij Griffith hoeven we niet langer te gelóven dat de mens in wezen goed is. In zijn verklarende tekst wordt de fundamentele goedheid van de mens vanuit wetenschappelijk evolutionair oogpunt onderbouwd. The end of the human condition, einde aan onveiligheid, zelfzucht, agressie en competitief egocentrisch gedrag van de gefrustreerde man die de leiding heeft en het schip ziet stranden. We hebben dit inzicht nodig om de onderliggende psychose van de mensheid te genezen. We moeten dieper gaan, tot diep in ons onderbewustzijn. Niet toevallig dat zowel Nietsche als Jung vaak ter sprake komen in het werk van Griffith, want zoals Jung zei: ”Heelheid van de mens is het vermogen om de eigen schaduw te bezitten”.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Lekker tegen de tijdgeest in met Extaze – Herman Rosenberg, Den Haag Centraal

Over Extaze nr. 25, Onno Schilstra en Wim Hardeman: de beeldend kunstenaars van dit nummer en de jubileumuitgave.

DHC 29-3-2018

Extaze nr. 25 bestellen: http://www.literairetijdschriften.org/vervolg.php?id=56
Jubileumnummer: http://www.indeknipscheer.com/bestellen

Gepost in Geen categorie, Home | Plaats een reactie

Panopticum Berlin, de film

Extaze Panopticum Berlin Maaike Peterse from els kort on Vimeo.

Panopticum Berlin van de beeldend kunstenaars Onno Schilstra en Wim Hardeman, met geïmproviseerde muziek van celliste Maaike Peterse.
Vertoond tijdens de presentatie van Literair tijdschrift Extaze nr. 25: ‘Ontheemd’.

De inleiding bij presentatie op 1 maart 2018, voorgedragen door Cor Gout, kunt u
hieronder lezen.

Lees meer »

Het liefst waren wij hier vanavond aanwezig geweest om u onze tekeningen in het echt te laten zien. Want er gaat niets boven het zien van echte tekeningen. Maar omdat wij niet in het land zijn, hebben we een korte videocompilatie voor u gemaakt van tekeningen uit ons project ‘Panopticum Berlin’. We vinden het geweldig dat Maaike Peterse deze beelden ter plekke wil interpreteren met geïmproviseerde muziek op haar cello.

U weet misschien dat panoptica in de 19e en vroege 20ste eeuw een wijdverbreid fenomeen waren. Het waren attracties waar je zogezegd ‘alles’ kon zien. Ze kwamen vaak voort uit verouderde wetenschappelijke studiecollecties, waarvan dan de meest spectaculaire onderdelen werden doorverkocht aan particuliere exploitanten. Die vertoonden ze op jaarmarkten en kermissen, en soms ook in speciaal daarvoor ingerichte gebouwtjes.

Toen wij het in 2006 in onze kop kregen om zelf de scheppers van een panopticum te worden, wisten we zo goed als niets van deze geschiedenis. We hadden allebei een vaag, romantisch beeld van zielige, vergeten musea vol verstofte diorama’s, stereoscopen, opgezette dieren en wassen beelden. Ons eigen panopticum zou gewijd worden aan allerlei in het oog lopende ‘menstypen’.

Maar al snel vonden we dat een slecht idee. In plaats daarvan raakten we in de ban van de vraag wat mensen ertoe beweegt om zulke collecties bijeen te brengen. Waarom mensen – en wijzelf in het bijzonder – het leuk vinden om naar dat soort uitstallingen te gaan kijken. Wat was de psychologie van het panopticum?

Zo ontdekten we allerlei fascinerende dingen. We leerden, dat het woord ‘panopticum’ voor het eerst werd gebruikt als aanduiding voor een ooit zeer modern gevangenistype: een rond gebouw met een grote koepel, met in het midden een uitkijkpunt waar één bewaker alle gevangenen tegelijk in de gaten kan houden. Gevangenen in een panopticum weten niet zeker of ze worden bekeken, maar het geïnternaliseerde idee dat het zo zou kunnen zijn, zou ze in het gareel houden. We lazen dat de Franse filosoof Michel Foucault de panoptische gevangenis zag als het model voor onze hedendaagse, geseculariseerde maatschappij: nu nog maar weinig mensen geloven dat God alles ziet, is het nodig dat mensen desondanks het idee behouden dat iemand alles kan zien wat zij doen, en vooral misdoen. Foucault beschrijft hoe in navolging van de panoptische gevangenis allerlei gebouwen onstonden, die mensen dankzij hun uitgekiende architectuur disciplineerden. Gebouwen die mensen het gevoel gaven dat ze permanent in de gaten worden gehouden. We ontdekten dat zulke gebouwen hun weerslag hebben op de lichaamshouding, de kleding, de gelaatsuitdrukkingen en het gedrag van de mensen die erin verkeren.

We besloten daar tekeningen van te gaan maken. Wim legde zich toe op portretten van mensen die op een of andere manier onder toezicht staan, Onno op de gebouwen. Wim tekende haar sujetten met wit potlood en witte inkt op een zwarte ondergrond, Onno tekende zijn objecten met zwarte inkt op wit papier. De tekeningen legden we naast elkaar, waardoor dubbelbeelden onstonden, die tezamen een soort onverwachte mentale diepte creëerden. De tekeningen hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken, maar verbinden zich op een vreemde, indringende manier. Door te gaan werken met enkele vaste formaten, konden we steeds complexere, panoramische ensembles samenstellen, al naar gelang de plek en de gelegenheid waar we ons panopticum konden vertonen.

We noemden ons project ‘Panopticum Berlin’. De stad Berlijn, waar wij sinds 2009 zelf ook een deel van het jaar wonen, staat voor ons symbool voor alles wat panopticaal is. Berlijn is de plek waar de Europese cultuur grootse hoogtepunten beleefde, met zijn geweldige musea en beroemde universiteiten, maar ook de plek waar niet zo lang geleden het absolute nulpunt van de beschaving werd bereikt. Maar: de panoptische geest vind je niet alleen in Berlijn. We vonden hem ook in een koffiehuis in Aalsmeer, in een tehuis voor Zeelieden in Amsterdam, op koloniale kiekjes en op oude klassenfoto’s. De beelden in Panopticum Berlin komen overal vandaan, van over de hele wereld en uit heden en verleden.

Het is voor ons altijd onvoorspelbaar hoe een tekening zal gaan werken in combinatie met een andere. We zijn op zoek naar het onverwachte, het veelzeggende, het verbijsterende, dat zich aan de logica van woorden en voorgekookte begrippen onttrekt. Wij dromen van Panopticum Berlin als een alziend oog dat zichzelf observeert. Een klein, reizend museum, waarin we misschien iets te weten kunnen komen over wie wij, mensen, zijn.

Onno Schilstra en Wim Hardeman

Februari 2018

 

 

Gepost in Home | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Intiemer kunnen we niet, John Toxopeus door
Jonas Bruyneel

Toxopeus Intiemer kunnen we nietOver John Toxopeus, Intiemer kunnen we niet – Het jaar 2016, De Bilt 2017
(HaEs producties)

Lees hier de recensie.

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

In memoriam Jurjen de Haan
(13 maart 1936 – 8 maart 2018)

Jurjen de Haan (13 maart 1936- 8 maart 2018)

De besprekingen met Jurjen de Haan over zijn beeldbijdragen aan Extaze 12 (januari 2015) ontwikkelden zich tot geheel verzorgde reizen door de wereld van de beeldende kunst, de fotografie, de kunstinstellingen en de literatuur. De gedichten die hij uit het hoofd citeerde waren minder illustraties van zijn betoog dan aanzetten om de conversatie een wending te geven. Jurjen voerde de regie, hield het gesprek licht en speels, maar liet niet na kritische noten te kraken.
Een sterke man waarin het kind nog altijd huisde.
Tijdens de presentatie van Extaze 12 op 15 januari 2015 was hij de eregast. Het was de avond van de viltjesveiling, bedoeld om Extaze wat financiële armslag te bieden. Negentig bierviltjes, met penseel, pen, stift of potlood door achttien beeldende kunstenaars bewerkt, waren door Jan Hoogervorst in een prachtige houten cassette gerangschikt. Op dit dubbele kunstwerk kon het publiek in Sociëteit De Vereeniging bieden.
Uit geheel eigen beweging had Jurjen een dertigtal door hem op groot formaat beschilderde bierviltjes aangeboden als extra veilingstukken.
Voor het interview dat ik Jurjen zou afnemen, had ik een eindvraag in gedachte. De rest moest maar komen zoals het kwam.
Wetende dat de literatuur de drijvende kracht in zijn artistieke leven was, zou ik vragen welk gedicht zijn kunstenaarschap had doen ontvlammen, om als een smeulend vuur in hem aanwezig te blijven en bij tijd en wijle weer op te laaien.
Maar hij was me voor. Ook nu weer voerde hij de regie. Waar het allemaal mee begonnen was, kon het beste aan het begin van het interview ter sprake komen.
‘Ik was een adept van Cobra en de poëzie van de Vijftigers. Het moet in 1951 zijn geweest dat er in boekhandel Hoonhoud op de Laan van Meerdervoort, waar ik als jongste, nee ik moet zeggen ‘laagste’ bediende werkte, een pak aankwam met een stapeltje exemplaren van een gedichtenbundel die mij alleen al door zijn uiterlijk aansprak. Atonaal-Elf dichters stond op het voorplat. En die elf waren de minsten niet, ik kende ze al van naam en faam, het waren nieuwlichters en experimentelen. Eén van die gedichten greep me bovenmatig aan en deed me duizelen. Wat was het dat me van mijn stuk bracht? De vorm? De inhoud? Het was alles bij elkaar, ik zag kleuren, rook geuren en hoorde geluiden. De titel van het gedicht was ‘Februarizon’, de naam van de dichter was Paul Rodenko.
En mochten mijn geliefde gedichten ooit uit mijn hoofd verdwijnen, deze zal als laatste ontsnappen.’

Februarizon

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verzen aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse neiging
Elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzienbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.

Paul Rodenko

 

E12JurjendeHaan

Tekening: Jurjen de Haan, in de recent verschenen jubileumuitgave: 25 x Extaze.

(cg)

Gepost in Home, Proza | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk in beeld, presentatie Extaze 25: ‘Ontheemd’

De optredenden:
Richard de Brabander, Jaap Goedegebuure (verving Elisabeth Lockhorn), Peek Hijmans, Julie Scott, Maaike Peterse, Brigitte Spiegeler, Panopticum Berlin: Wim Hardeman en Onno Schilstra.
Live muziek, voordrachten, poëzie en beeldende kunst, dit alles was aanwezig op 1 maart 2018.
Foto’s Anneke Ruys

Gepost in Home | Plaats een reactie

Jubileumuitgave: 25 x Extaze

Op 1 maart van dit jaar verschijnt het vijfentwintigste nummer van Extaze,
een zilveren uitgave die vergezeld zal gaan van een kijk- en leesboek: 25 x Extaze,
waarin van alle beeldend kunstenaars die meegewerkt hebben aan de voorgaande Extaze nummers, één werk is opgenomen, voorzien van een prozaschets van Hein van der Hoeven of een gedicht van Felix Monter. Tijdens de presentatie in de Houtrustkerk zullen beide uitgaven te bewonderen (en te verkrijgen) zijn.
De kunstenaars die hebben meegewerkt aan 25 x Extaze:

Philip Akkerman, Sam Andrea, Florette Dijkstra, Lucas van Eeden,
Marcel van Eeden, Diederik Gerlach, Gerolamo, Jurjen de Haan,
Harry Haarsma, Tjibbe Hooghiemstra, Natasja van Kampen,
Angie Korst, Ronnie Krepel, Rens Krikhaar, Erik Pape,
Wim Hardeman en Onno Schilstra, Hélène Penninga, Elisa Pesapane,
Nina Roos, Stefan Serneels, Tanja Smit, Lies Van Gasse,
Anne-Mie Van Kerckhoven, Eric de Vries, 
Wendela de Vries,
Babette Wagenvoort, Freerk Wilbers, Zeloot (Eline van Dam)

25 x Extaze bestellen

JubileumuitgavecoverDef.indd

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Herkenbaar en toch vervreemdend – Arjen van Meijgaard

P.J.van Dijk-De VerhalenOver De verhalen van Peter J. van Dijk,
Amsterdam 2017 (Gopher) .

Lees hier de recensie.

 

 

 

 
Peter J. van Dijk

 

Gepost in Home | Plaats een reactie

Veel, heel veel bijdragen voor Extaze 25: ‘Ontheemd’

Zelden heeft de redactie van Extaze zoveel inzendingen binnengekregen die specifiek op het thema van het aankomende nummer geschreven waren. ‘Ontheemd’, het thema van ons jubileumnummer (25) sprak zozeer aan, dat we de bijdragen hebben moeten verdelen tussen het papieren blad en de website.
De dichters Arnoud Rigter (Eindhoven), Marcel de Roos (Woerden), Bert Struyvé (Assen), de korte verhalenschrijvers Emanuel Claessens (Rotterdam), Keesjan Roeland (Loppersum) en Reinold Widemann (Hengelo), de columnist Niek Bremen (Sittard) en de essayiste Hester van Gent (Rotterdam) zullen zich op de Extaze-website zeker niet ontheemd voelen. Ze zullen zich er thuis voelen en we gaan zeker nog van hen horen.

Gepost in Home | Plaats een reactie

Een gebrekkige nabootsing, Hester van Gent

Als ik op een zondagochtend in juni door NRC Handelsblad blader, valt mijn oog op een kleurenfoto in het economiekatern. Het beeld beslaat twee bladzijden en verlucht het artikel over een conflict tussen Donald Trump en het Ierse graafschap County Clare, waar de Amerikaanse president een golfresort heeft. Ik bekijk de foto met het bijschrift: ‘Het Ierse golfresort van Donald Trump, aan de kust bij Doonbeg.’
Aanvankelijk zie ik in het beeld geen golfresort, maar een gekromde baai met een blauwe zee die naar het zandstrand toe steeds lichter kleurt, en trekt mijn blik naar een groep huizen met donkere zadeldaken op de voorgrond van de foto. Een dorp aan Doughmore Bay. Als mijn ogen verder naar rechts glijden, de curve van de baai volgend, zie ik een grazig heuvellandschap dat overgaat in een duingebied, evenwijdig aan de baai.
Deze indruk duurt maar kort. Al snel heb ik in de grazige heuvels de golfbaan herkend en bedenk ik dat wat vluchtig een dorp leek, het resort moet zijn.

Waarom bootst het resort een dorp na?

De keuze voor de ligging is helder. De gebouwen en de golfbaan bieden zicht op het strand en de zee. Dit kustlandschap moet de reden zijn dat het resort niet méér landinwaarts is gebouwd, met het gezicht op het dorp Doonbeg.
Maar vanwaar die dorpse uitstraling? En heeft het resort nog meer dorpse kenmerken? In het artikel geeft correspondent Melle Garschagen een korte beschrijving van het verblijf. Hij spreekt van een hotel met luxe kamers, brasserie Trumps en een Members Club. En natuurlijk van de golfbaan, die wordt geflankeerd door een ruime parkeerplaats.
Ik probeer te bedenken wat een dorp precies tot dorp maakt: een compact samenspel van mensen, straten, huizen? Ik filter wat kenmerken uit de summiere kenschetsen van het dorp Doonbeg waarmee Garschagen zijn tekst van couleur locale heeft voorzien, en bouw in mijn hoofd een dorp: in Doonbeg wordt bier geschonken en kan je eten in de dorpskroeg, maar bovenal wordt er, op kleine schaal, gewoond.

Het resort heeft bouwstenen van een dorp, maar niet genoeg om een dorp te zijn. In de ruime hotelkamers van het resort zou je met een beetje goede wil ook woningen kunnen zien, zij het voor tijdelijk gebruik. Maar de voorzieningen die zich nestelen in een dorp als Doonbeg, zoals een basisschool, bevat het resort niet. Net zo min als een dorpsslager die moeite heeft het hoofd boven water te houden.
Wie iets of iemand nabootst, neemt niet alle kenmerken over.
Het is, voor zover ik dat kan opmaken, vooral de buitenkant van het resort dat zich voordoet als een dorp, of meer precies: dat verschijnt in de vorm van een dorp. De golfbaan op de foto neemt de vorm aan van zijn omgeving. Het speelveld glooit mee met de nabijgelegen duinen.
De golfbaan is hier op zijn plek, lees ik in de krant. In de vijftiende eeuw sloegen edellieden al steentjes naar gaten in het Schotse duin. Het golfspel komt voort uit de regels van het landschap. Maar als ik wat langer naar de foto kijk, zie ik het omgekeerde. De ontwerper heeft het duingebied bewerkt voor een golfbaan die past in de regels van het spel. Tussen de glooiende duintoppen liggen vlakke grastapijten met hier en daar de plooi van een bunker en de fijne belijning van een padenstructuur. De natuur is gekneed tot een golfbaan – maar niet uit vrije wil. Soms komt ze hier tegen in verweer, als de zee knaagt aan de vorm van enkele holes, de reden dat Trump een muur tussen strand en duin wil plaatsen. De gemeenteraad van County Clare is hierop tegen.

In de natuur heet het nabootsen van organismen door plant of dier mimicry. Sommige zweefvliegen schrikken de vijand af met gele ‘wespenstrepen’, en er zijn bidsprinkhanen die eruitzien als de bloemen waartussen zij zich verstoppen, wachtend op een prooi. De nabootsing zit vaak aan het oppervlak. En wie of wat een levend wezen ook imiteert, het is bedoeld als misleiding van een vijand of een prooi.

Ik probeer mij de schil van Doonbeg voor te stellen en werp in gedachten een blik op het dorp. Ik zie een lieflijke plek in een ruige omgeving, een dorp op een ansichtkaart, met een brug en gedrongen huizen. Aan de rand staat een vervallen loods, die door de roest een eigen bekoring kent.
Ik kijk naar de ingebeelde ansichtkaart en denk niet aan het dorpse leven, met de luchtige grappen in de dorpskroeg, noch aan de tragiek van een vroeg gestorven vrouw. Zolang het bij de huid blijft is het dorpsbeeld comfortabel, zonder conflict of onbetaalde rekening.
Deze huid heeft de architect van het resort gekozen als toonbeeld van gerief. Het resort verleidt met haar mimicry bezoekers die op zoek zijn naar gemoedsrust en comfort.
De lijn tussen verleiding en misleiding is soms dun.

Die verleiding heeft echter niets van de verfijning waarmee de bidsprinkhaan zich toont als orchidee. Bij een nadere blik op de foto van het resort kijk ik dwars door de mimicry heen.
Aan de zeekant staat een hoofdgebouw in bruin natuursteen en met een blauwe kap. Meer landinwaarts vind ik kleinere bouwvolumes. Hier zijn de gevels opgedeeld door donkere regenpijpen, alsof de bouwwerken samengevoegde huizen zijn. Het resort bootst een dorp na dat bestaat uit een landhuis met een reeks bescheiden woningen.
Maar het resort is te eenvormig om het beeld van een dorp in stand te houden. Zo kent het ensemble slechts drie kleuren: het bruine natuursteen van het hoofdgebouw, het blauw van de zadeldaken en het wit van het pleisterwerk op de gevels van de kleinere gebouwen.
De verticale lijnen van de regenpijpen over de witte gevels zijn de enige bouwdelen die de indruk wekken dat een gebouw uit verschillende huizen bestaat. Voor de rest zijn de gevels opgebouwd uit gelijke ramen en deuren die het gevelbeeld weer aaneensmeden tot een hotel.
Er is niets wat uit de toon valt, geen scheve pan, geen ongelijk muurtje. Elk element laat zien dat het deel uitmaakt van één complex, in één keer gebouwd en niet met de tijd gegroeid.
Bovendien kent het resort op de foto geen enkele uiting van persoonlijk gebruik. Als dit ensemble een dorp moet voorstellen, waarom is er dan nergens een rood gordijn waar mijn blik naartoe wordt getrokken? Waar is de scheve parasol, bedrukt met de tekst van een biergigant? Heeft er dan niemand een dakraam gemaakt, een schutting geplaatst, een waslijn buiten gehangen?

Ik vraag mij af waarom de ontwerper niet meer zorg heeft besteed aan de nabootsing. Hoe kan het dat die verleiding slechts is bedoeld voor de vluchtige blik? Het antwoord ligt besloten in de eenvormigheid en de verzorgde staat van het resort. De architect heeft nooit gepoogd het resort tot perfecte nabootsing van een dorp te maken. Nee, het resort moet bij een eerste, vluchtige blik de schijn hebben van een vriendelijk dorp, maar meteen daarop duidelijk maken dat het hier niet om een plaats als Doonbeg gaat, met al het persoonlijk leed en achterstallig onderhoud dat daarbij hoort. Juist door achter het dorpsbeeld al gauw een luxueus resort te zien, wordt de toeschouwer gerustgesteld.
Het is alsof het resort wil zeggen: ‘Ik lijk op een dorp, gemoedelijk, niet? Maar kijk: ik ben vol weelde. Bij mij geen hulpbehoevende slager, maar slechts fruit en jus d’orange, een sauna en uitzicht op duinen en zee. Met mij gaat het altijd goed.’

Het is een ambivalente vorm van mimicry, waarbij het de bedoeling is dat de toeschouwer al bij de tweede blik de nabootsing doorziet. Mij was deze vorm nog niet bekend, maar wie weet komt het vaker voor.
Misschien vraagt de slager met dezelfde vorm van mimicry om hulp. Laat hij zijn uithangbord aan de slagerij nog even hangen en verleidt hij zo de klant door de winkelruit te kijken naar een ruimte zonder waar, als om, via een omweg, te vertellen: ‘Dit is een slagerij. Het lijkt een mooie winkel maar van binnen is het leeg. Wat kan ik hieraan doen?’

 

 

Gepost in Essays | 1 Reactie

Vijf gedichten, Arnoud Rigter

Peuterzondebesef

Ik doe alles na. Vorkheftrucks. Voorbeeldige boter, ik
verroom. Voorbeeldige schenkstroop, ik word traag en
zoet en lach naar alle drachtigen. Ik hecht in alle richtingen.

Zet een mens lang op een plek en ’t hecht. Stoofperen.’
Ik ga in partjes. Soms doe ik sluipmoeders in dakgoten na
en ontwikkel verzonnen zondebesef om m’n ziel uit te lijnen,

dat dwalende ding. Dat qua hechting niet sterk is. Tenminste,
ik heb er geen weet van. Ik doe een boek na en zwijg.
Gekleed in de kleuren van de kinderbijbel ga ik

ongezongen de straat op.
Een alziend oog doorweekt me ook met plu.
Ik zwaai naar alle treinen.

 

Portret van mezelf als leider van de vrije wereld

Poets je tanden. Kom binnen door het deurtje in mijn
voet, schuin onder het eksteroog. Antieke deurklink.
Klim omhoog. De binnenwand biedt grip. Ruimte zat.

Op de plek waar het tweede been invoegt
had inderdaad een dikke plak aardlaag moeten zitten.
Schuur alles daar blank. Laat het glanzen met bootlak.

Rond m’n middenrif treft u niet de bekende schommel
voor buikkriebel en gezwiep. Schuren en lakken graag.
Vooral waar nog restanten herinneren aan de bedstee.

In de hartstreek, door weinig bijzonders omzoomd,
had de bloemschikcursus moeten plaatsvinden.
Ontsmet het met citroensap, schrob voorzichtig.

Hoger treft u de binnenzijde van mijn glimlach,
herkenbaar aan de slijtageplekken. Stevig
scrubben en in bordeauxrode grondverf zetten.

Ter hoogte van waar het geheugen
had moeten zwemmen rust u even uit.
Laat daarna de oorschelpen leeglopen

en lepel de laatste getallen uit mijn kruin.
Ik zal stoppen met bewegen, sokken afrekenen,
grappen maken, wij vallen volledig spik en span

samen waarbij ik geen knieholte van mondholte
kan onderscheiden. Een vrijheidsbeeld is leeg.
Net als god behoor ik tot de ongewervelden.

.

De dood stevig inmasseren tot een rijke schuimvorming.
Enige tijd laten inwerken.
Uw hoofdhuid kan gaan tintelen tijdens de toepassing.

 

Noem me geen pomp

I

Met mij bent u meer dan mondholte. Ik ben een bloskleurig
en hol middenste, pomp de vloeibaren rond: moeders moeder,
een memorabele bruid… ik help uw stembanden wrijven en rillen.

Laat ik me voorstellen. Ik ben uw lievelingslichaamsdeel.
Houd me te vriend, ik kan uw moordenaar zijn. Maar als u neuriet,
leg ik vreemdsoortigheden in uw mond. Neurie houten planken
weer tot bomen. Neurie veren terug tot kraai.
Neurie een zweem hemel in uw keel,
neurie de feiten toe,
verneurie ondertussen alle tijd tot partituur.
Hier spreekt uw bemoeizuchtig lichaamsdeel.

 

II

Materialiseer me niet tot pomp, maar neurie – houd me te vriend.

U heeft pasgewassen haar en nachtzoenen voor onderweg:
wapens voor in kindonvriendelijke dromen
van ma links, van pa rechts, ik hoop dat
iemand na de klap uw kootjes
op de goede volgorde legt.

Neurie een klap
tot souvenir van de oerboem.
Neurie zee tot vreemdsoortig buitenland.
Neurie stof tot vlees, tot individu, tot u.

 

III

U bemerkt nog schuimkoppen op uw gemoed,
noem me dan toch geen pomp. Goed,
daar gaat u. Helemaal los.
Als een kind zonder sprookjesbos.

.

Wat is er nou eigenlijk leuk aan mens zijn?
Nee echt, ik vind het leuk hoor,
maar waarom nou toch? Bramen?
Aardbeien met van die haartjes er op?
Met je mond vol grafsteen staan?
Als een onwettig kind een woestijn nodig hebben
om de sterrenhemel goed te kunnen zien?

Wat is er nou eigenlijk leuk aan mens zijn?
Altijd tandenpoetsen voor het voortplanten.

Een kat die aan je ooglid ruikt.
Godontkennend broodbakken.
De maan Luna noemen.

Ergens heb ik humor opgelopen, mensen, maar waar?
Kerk? School? Planeet?

 

 

Gepost in Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

De Aldi gaat dicht, Niek Bremen

Het stond vanmorgen in de krant.
De Aldi ligt aan de rand van de stad, tegenover een appartementencomplex. De supermarkt is in een oud pand gevestigd en is net zo ‘basic’ als de klanten die er komen. De glazen schuifdeuren gaan steeds uitnodigend open, ook als je er geen boodschappen wilt doen.
Links, bij de inpaktafels, vind je de kassa en een schap met koopjes. Het zijn aanbiedingen die zo voordelig zijn dat niemand belangstelling heeft. Al jaren stap ik opgewekt met mijn boodschappentas naar binnen en ga ik op zoek naar eieren, afwasmiddel en wafels. Goedkoper bestaat niet.
Ik kom steeds dezelfde klanten tegen: een mevrouw met een haarnetje en rollator die tussen de koekjes rommelt, een allochtone man die zijn winkelkarretje met melkpakken vult en een schuwe bewoner van de dagopvang met een lappenpop op de arm. Wij groeten elkaar nooit, want dat is niet gebruikelijk.
Toen ik gisteren tussen de afwasmiddelen naar een flacon met ‘Duftstoffe’ zocht, werd ik op mijn schouder getikt. ‘De Aldi gaat dicht,’ zei het haarnetje en ze kneep verbitterd in een rol chocoladeflikken.
‘Wat erg,’ zei ik en ik liet het afwasmiddel in mijn boodschappenmandje glijden.
‘Ik woon hier tegenover,’ vervolgde ze ‘en nu weet ik het ook niet meer.’
‘Wat weet u niet meer?’ vroeg ik verbaasd.
Ze keek mij nijdig aan. ‘Waar ik mijn boodschappen moet doen.’
Ik dacht even na, in de veronderstelling verkerend dat van mij een oplossing werd verwacht. Ineens wist ik het. ‘In de stad,’ zei ik triomfantelijk.
Ze lachte schamper en liet de rollator een ‘wheelie’ maken.
De allochtone man die zijn winkelkarretje met melkpakken had gevuld, mengde zich in ons gesprek. ‘Geen auto,’ verklaarde hij wanhopig naar de pakken wijzend, ‘hoe nu verder?’
Op het moment dat ik wilde zeggen dat ik wel een auto had, realiseerde ik mij plotseling dat ik niet altijd in de mogelijkheid verkeerde om met die man naar een super te rijden. Wellicht zou de vrouw met rollator ook mee willen gaan. En wie moest dan de afspraken op elkaar afstemmen?
‘Misschien komt er een nieuwe winkel in dit pand,’ liet ik mij ontvallen. Aan de gezichten van de klanten kon ik zien dat ik niet geloofwaardig overkwam.
De bewoner van de dagopvang was nieuwsgierig genaderd. Ze klemde een lappenpop tegen zich aan en ze dronk uit een blikje bier.
Ik staarde naar de versleten winkelvloer en de eenvoudige uitstalling van witlof in kartonnen dozen en doperwten in blik. Ofschoon wij elkaar niet kennen en niet groeten zijn wij in staat om razendsnel een verbond te sluiten wanneer onrecht in het spel is.
‘Misschien kan het personeel ons verder helpen,’ stelde ik voor.

De medewerkers van de Aldi zijn breed inzetbaar. Als de caissière niet hoeft af te rekenen, vult ze de voorraad aan of eet een boterham. Het maakt haar niet uit wat ze doet, als het maar zes uur wordt.
Bij de afdeling textiel en waxinelichtjes trof ik een medewerkster aan die in rap tempo de schappen vulde. Ik schraapte mijn keel en verzamelde moed. ‘Ik spreek namens alle klanten,’ sprak ik ernstig, ‘er gaan grote problemen ontstaan als de Aldi sluit. Meneer daar heeft geen auto en mevrouw kan met haar vervoermiddel het stadscentrum niet bereiken. Bovendien mis ik de koopjes bij de kassa.’ Hoewel ik dit laatste argument minder sterk vond, maakte het, alles bij elkaar opgeteld, misschien het verschil.
‘Ons wordt niets gevraagd,’ zei de winkelbediende zonder haar werk te onderbreken en ze verwijderde een fles azijn die tussen de sportsokken lag.
‘Wat vindt u er nou van?’ hield ik aan.
De vrouw draaide zich om. ‘U begrijpt het niet,’ zei ze, ‘de Aldi gaat dicht.’
Sprakeloos keek ik haar aan. Ik wilde iets zeggen over stakingen, boycot en andere machtsmiddelen die wij in Nederland gebruiken als wij onze zin niet krijgen, echter iedereen was weggelopen en stond bij de kassa, behalve de klant met de lappenpop.
‘Zo gaat dat altijd,’ zei ze en ze nam een slokje bier.
Ik aaide haar knuffel en ik rekende ‘Spülmittel mit Duftstoffe’ af.
De schuifdeuren openden zich vanzelf, voor de laatste keer.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | 1 Reactie

Flokstra en Von Neufeld aan het water, Reinold Widemann

‘Dat ziet er veelbelovend uit.’
‘Jazeker, laat ze maar komen, de knijpers,’ antwoordde Flokstra.
‘Knijpers?’
‘Ja, de zware jongens, deurmatten en rovers… maar waar zit u eigenlijk?’
Verbaasd keek de visser om zich heen. Waar het stemgeluid vandaan kwam was niemand te zien.
‘Ik kom wel even bij u,’ zei de stem.
Uit het water kwam met rustige stappen een groene kikker. Hij waadde door het riet, klom op de wal en nam plaats naast de visser.
‘Goedemiddag,’ klonk het uit het gras.
Flokstra keek om zich heen om te zien welke grapjas hem een poets wilde bakken. Daar zag hij de kikker, een pratende kikker. Zijn half gesloten ogen gingen onderzoekend langs het achterste van de kikker. Ergens zou vast wel een of ander draadje zitten waarmee het beest bestuurd kon worden.
‘Zoekt u iets?’
In de overtuiging dat zich dadelijk wel een bestuurder zou melden, wachtte Flokstra af. Toen het stil bleef, pakte hij de kikker om het van nabij te kunnen bekijken en zo het geheim te kunnen ontsluieren.
‘Hé, wat doet u nu?’
Geschrokken trok de visser zijn hand terug en keek naar het dier met een blik die een lege plaats in zijn hersenen deed vermoeden.
‘Ik ben Adriaan von Neufeld,’ zei de kikker met een brede glimlach, ‘Adje voor mijn vrienden.’
‘Flokstra,’ zei de visser, ‘Kees Jan Flokstra.’ Hij stak zijn hand uit en besefte op hetzelfde moment dat handen schudden niet tot de mogelijkheden behoorde. Adriaan von Neufeld glimlachte nog breder bij het zien van dit gestuntel.
‘Komt u hier wel vaker?’ vroeg de visser om niet onbeleefd te lijken.
‘Natuurlijk, ik woon hier,’ zei de kikker.
‘Hier? Waar hier? Hier vlakbij?’
‘Hier vlakbij ja. U zit op mijn huis.’
Geschrokken keek de visser onder zijn stoeltje en stond op.
‘Ach, blijft u rustig zitten, geen probleem, ik heb verschillende huizen,’ zei Adriaan von Neufeld. De woorden klonken vriendelijk, de uitspraak was accentloos en verzorgd, misschien zelfs iets te bekakt. Zijn stem, een mooie heldere tenor, vertoonde geen spoor van kwaakgeluiden. Zijn ogen keken met de zelfverzekerdheid van pas afgestudeerden.
‘Zozo, nee maar, u bezit meer dan één huis, niet verkeerd. Tja, ikzelf sta op een camping hier vlakbij. Een tweede huis kan ik niet betalen, want ik…’
Hij onderbrak zijn uitleg toen hij besefte tegen wie hij sprak. Wat een onzin, dacht hij, een kikker met verschillende huizen, niet twee maar nog meer, de opschepper.
‘Eh… neemt u mij niet kwalijk, maar heb ik het goed dat u een kikker bent?’ De vraag kwam er zo plompverloren uit, dat de glimlach van Von Neufeld abrupt van zijn gezicht verdween. Zijn wangen bolden op en produceerden een sputterend geluid. ‘Wat bedoelt u?’ snoof hij.
‘Nou ja, ziet u, ja, nou ja, u lijkt toch op een kikker nietwaar?’
‘Niet waar, ik lijk niet op een kikker, ik ben een kikker, heeft u daar iets tegen?’
‘Nee, nee, begrijpt u me niet verkeerd, in het geheel niet,’ haastte Flokstra zich te corrigeren, ‘maar ja, ziet u, ik weet dat er allerlei soorten dieren bestaan en daar reken ik mezelf ook toe, maar mensen kunnen praten en kikkers heb ik tot nu toe alleen nog maar horen kwaken.’
‘U kwaakt zelf,’ hakte Adriaan von Neufeld terug.
‘Nee, dat is niet waar! Zeker niet! Ik praat met woorden en zinnen, maar u…’
‘Hoe kan het dan dat ik u versta?’
‘Omdat u kunt praten.’
‘Omdat u kwaakt!’
Na deze korte hakketakdiscussie viel er een beklemmende stilte, waarin beiden zich afvroegen wie er nu gelijk had.
‘Hier ligt een probleem,’ heropende Von Neufeld na enkele minuten het gesprek. ‘We zullen moeten onderzoeken wat er aan de hand is.’
Flokstra kreeg het warm en stelde zich voor hoe het leven er verder voor hem zou uitzien als zou blijken dat hij werkelijk kwaakte. Maar ook dan lagen er misschien nog wel mogelijkheden voor hem in het verschiet, bijvoorbeeld in de politiek. In de verre omtrek was geen mens te bekennen aan wie hij het probleem kon voorleggen.
‘Beet!’ kwaakte Adriaan Von Neufeld plotseling.
Flokstra greep naar zijn hengel en sloeg zo ongecontroleerd aan dat het tuig achter hem in het gras zwiepte en de terugslag ervoor zorgde dat hij het eerstkomende kwartier in de weer was om de knopen te ontwarren.
‘Slordig, slordig,’ kwaakte de kikker en schudde afkeurend zijn hoofd.
‘U kwaakt! Nu hoor ik toch echt dat u kwaakt!’ riep Flokstra.
‘Natuurlijk kwaak ik, ik kwaak altijd, dat is wat kikkers doen.’
‘Maar daarnet praatte u gewoon.’
‘Praten? Onzin, kikkers praten niet.’
Flokstra kreeg het warm en groene wolkjes bedekten zijn getergde geest. Verstrikt in het snoer hoorde hij de kikker duidelijk verstaanbaar kwaken. Verwoed probeerde hij het tuig los te maken, maar zijn vingers leken aan elkaar te kleven.
‘Fuck!’
‘Pardon?’
‘Het spul zit vast en mijn vingers plakken aan elkaar.’
‘Is dat ongewoon?’
‘Zo kan ik het snoer niet loskrijgen, ik krijg geen vinger achter de lus en…’

Plotseling besefte hij het dwaze van de hele situatie. Praten met een kikker over in de knoop geraakt tuig! Nu pas drong het tot hem door dat zoiets onmogelijk waar kon zijn. Het kon niet anders dan dat hij droomde. En hij vond het een vervelende droom, met die eigenwijze kikker. Als hij in het water sprong, zou hij wel wakker worden. Dat was de oplossing, dat zou hij doen, hij had er schoon genoeg van. Hij gooide zijn hengel neer, nam een korte aanloop en sprong.
Helaas, de verwachting dat hij op hetzelfde moment zijn lakens en dekens om zich heen zou voelen werd ruw geloochenstraft. De aanraking van het water kwam met een schok. Hij voelde de kleffe nattigheid van de vijver door zijn kleren heen. ‘Ik zweet,’ zei hij tegen zichzelf. Het zweet voelde koud aan, overdekte zijn hele lichaam en gutste in zijn mond. Met wilde bewegingen begon hij om zich heen te slaan, snakkend naar adem. Het lukte niet het water uit zijn mond te spugen en lucht te happen. Nog altijd was hij niet wakker.

Adriaan von Neufeld had het gebeuren vanaf de kant met verbazing gevolgd. Hij haalde zijn schouders op en sprong toen ook maar. Met een rustige schoolslag bereikte hij de visser. Doordat zijn mond zich half onder en half boven water bevond, kwaakte hij in bellen: ‘Waarom deed u dat eigenlijk zo ineens?’
Flokstra vertraagde zijn wilde arm- en beenslagen net zo lang tot hij dezelfde rustige slag van zijn metgezel te pakken had. ‘Ik droom dus nog steeds,’ mompelde hij.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Von Neufeld.
Ze lagen nu beiden stil in het water en keken elkaar met lege bolle ogen aan. Toen Flokstra merkte dat zijn vingers nog steeds aan elkaar plakten, werd hij opnieuw onrustig. Detzelfde kleverigheid voelde hij nu ook tussen zijn tenen. ‘Modder,’ stelde hij zichzelf gerust, ‘gewoon modder natuurlijk, ik droom dat ik in de modder lig. En dat ik hier zo rustig in de modder lig, komt doordat ik in bed lig.’ Hij keek naar zijn handen die groenig in het water lagen. Zijn blik verstarde, want wat hij zag, vervulde hem met angst. Tussen zijn vingers ontwaarde hij een lichtgroen doorschijnend vlies. Hij maakte een zwembeweging en schoot een eind vooruit. ‘Zwemvliezen! Ook dat nog, het wordt tijd dat ik wakker word.’
‘Wat praat u toch steeds over dromen en wakker worden?’ vroeg Adriaan von Neufeld. ‘Denkt u dat u slaapt?’
‘Natuurlijk slaap ik,’ zei Flokstra. ‘Kijk maar, ik heb zwemvliezen, dat is toch niet normaal?’
‘Von Neufeld bekeek de handen van de man, maar zag niets ongewoons. Daarna keek hij naar zijn eigen poten en schrok. Aan elke poot hingen vijf magere sprieten, die los van elkaar konden bewegen. Bovendien merkte hij dat hij moeite had met drijven. Met al zijn vier poten begon hij te spartelen om het hoofd boven water te houden.

Zo lagen de twee wezens een tijdlang in het water en zagen vol verbazing elkaars mutaties aan – half in hun natuurlijk element, half kikker, half mens. Ergens tussen het riet dreef een hengel. Halverwege de mutatie zonken ze naar de bodem van het meer, beiden over net genoeg aanpassingsvermogen voor het leven onder water beschikkend om slechts een halve dood te sterven.
De kikkermens zag hoe zijn benen zich ontvouwden en voelde hoe zijn longen zich vulden met water dat hem, als hij niets deed, zou verstikken. Op de rand van de verdrinkingsdood besefte hij dat hij had leren zwemmen. Spartelend en hijgend verscheen hij boven water, tegelijk met een grote groene kikker.

Liggend op zijn rug in het water zag de grote kikker de avondluchten overtrekken. Hij was alleen en volmaakt gelukkig. Zijn kleine metgezel was verdwenen.

Ergens in een groot bed ontwaakte een mannetje van hooguit twintig centimeter, dat eenzaam en angstig vanonder een dekbed opkeek naar een huizenhoog schepsel met gesloten ogen. Hij stond op en begon zenuwachtig heen en weer te kruipen, van het kussen naar de dekens en weer terug.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Verlangen, Keesjan Roeland

Gisteravond kroop je in bed met een kriebelend verlangen naar de dag van morgen. Je dacht aan het lekkere ontbijt en de dampende koffie die haar geuren zouden verspreiden door het geriefelijke huis, en aan het ontluikende licht en de warmte van de zon, en aan de planten en de dieren die net als jij hun ogen zouden openen en zien dat morgen vandaag is geworden.
Je sloot de ogen en maakte een lange reis door de nacht langs de plaatsen waar je in je leven bent geweest en langs de mensen die je hebt gekend, de levenden en de doden, en je zag ze zoals ze toen waren in levende lijve, als in een film, soms versneld afgespeeld, soms vertraagd, al naar gelang de emotie.
De afgelegde afstand en de verstreken tijd waren niet in kilometers of in uren uit te drukken, maar in lichtjaren. De wegen die je hebt begaan, de plaatsen die je hebt bezocht, de mensen die je hebt gekend werden met een vliegensvlug bezoekje vereerd, een bezoekje dat zich precies zo afspeelde zoals het toen is gebeurd, met uitzondering van de negatieve en duistere zaken die door de censuur van het licht uit de herinnering werden verwijderd.
Je ontwaakt en die fantastische reis die je gedurende de nacht hebt gemaakt, de meeslepende film die je hebt gezien werkt nog na. Je ligt in bed. De film is afgelopen. De hoofdpersoon ziet dat alles bij het oude is gebleven. Het koffiezetapparaat staat onbewogen klaar voor gebruik. De koelkast staat zachtjes te zoemen. De kast met ontbijtspulletjes is nog gesloten en wacht zwijgend op wat komen gaat.
Maar er komt niets, want ook jij ligt te wachten op wat komen gaat, zoals in de nachtelijke reis alles kwam en weer ging zonder moeite en zonder vermoeidheid.
En je koestert de herinnering aan het verlangen van gisteren naar vandaag.

 

 

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Speak how you feel,
Emanuel Claessens

Op Utrecht CS ligt een portemonnee op de grond. Die kan daar niets aan doen, dit is nu eenmaal wat portemonnees in verhalen doen. Een gehaaste zakenman schopt er tegenaan, struikelt en valt op de grond. Een jonge vrouw schiet toe om hem overeind te helpen, maar ze is te laat. Hij is al uit zichzelf opgestaan en klopt het stof van zijn jas. Daarna raapt hij de portemonnee op en loopt er langzaam mee weg. In de portemonnee vindt hij honderddertig euro, een vergeelde pasfoto van de jonge vrouw, een foto van een paard en een bonnetje met de tekst önkiszolgáló mosoda. Hij schudt zijn hoofd en glimlacht, hij heeft nog nooit voor geld gebukt, het waaide toch altijd van onder zijn schoenen op. Maar nu loopt hij naar de ticketbalie en vraagt waar hij naar toe kan reizen met honderddertig euro. Met het antwoord van de baliemedewerker koopt hij een treinkaartje naar Budapest.
Voordat hij in de trein stapt, belt hij naar zijn werk en vraagt naar zichzelf. De telefoniste probeert hem eerst door te verbinden, maar zegt dan dat hij niet op zijn plek zit. ‘Wilt u een boodschap voor hem achterlaten?’ vraagt ze. Hij hangt op zonder antwoord te geven.

In de treincoupé zit hij tegenover een reiziger. Die praat over paarden en de koers van de dollar. De zakenman trekt zijn portemonnee en laat de pasfoto van de vrouw aan de reiziger zien. Die zegt dat hij denkt dat de vrouw dood is, omdat ze alleen maar jong was op een oude foto, ja bij nader inzien weet hij dat wel zeker. De reiziger stapt uit op het volgende station en de zakenman geeft hem de foto mee. ‘Niet te dicht langs de gebouwen lopen,’ roept de reiziger hem nog na, terwijl de trein langzaam wegrijdt. De zakenman heeft nu nog alleen het bonnetje en de foto van het paard in zijn portemonnee.

In Budapest zwerft hij een hele dag door de stad. Aan het einde van de middag zit hij ongeschoren op een bankje voor het station. Er komt een lijkkoets voorbij met een paard ervoor en een donkerbruine kist erin. De reiziger uit de trein zit op de bok van de koets. De zakenman springt op, rent naar de koets en geeft de foto van het paard aan de koetsier. De koetsier kijkt naar de foto van het paard en de zakenman kijkt naar het paard dat op de foto staat. Nu heeft hij alleen nog het onbegrijpelijke bonnetje in zijn portemonnee.
Een meisje met een cellokoffer komt naast hem zitten. Haar haar glanst blond als bladgoud, haar glimlach trekt fijne lijntjes langs haar mond. Zij spreekt bedachtzaam Engels met een zwaar accent. Hij laat het bonnetje aan haar zien. Ze glimlacht begrijpend en loopt dan, half sloffend, half dansend, op zachte gympen weg. De cellokoffer laat ze bij het bankje staan.
Hij aarzelt tussen blijven zitten en opstaan, tot zij even omkijkt. Dan pakt hij de koffer op en loopt achter haar aan, de hele stad door. Ze loopt door stegen die leiden naar brede geplaveide straten en uitkomen op winderige boulevards. De stad eindigt aan een geasfalteerde rondweg. Daarachter ligt een witte open vlakte met een grijs en haveloos appartementenblok.
Het meisje loopt door het witte gruis voor hem uit. Ze gaat naar binnen in een donker portiek. Hij volgt haar tot de traliedeur van een lift. Ze kijkt omhoog naar de liftschacht waar een liftkooi nadert. Ze stapt in en sluit de kooi af met de traliedeur. Voor zijn ogen gaat zij omhoog, maar hij blijft staan want de cello past niet in de lift. Hij sjouwt de cello de trap op naar de zesde verdieping.
Zonder dat zij het hem hoeft te vragen gaat hij naar het keukentje. Daar kookt hij een aardappel-koolschotel voor haar. Hij schilt de aardappelen, snijdt de uien, hakt de kool en schept er dikke plakken grove worst doorheen, terwijl zij cello speelt. Ze eten samen zwijgend aan een kleine tafel. Hij vraagt haar of de schotel goed is. Zij zegt: ‘It was good but not the best.’ Hij slaapt in het keukentje en hoort haar tot de ochtend schrijven op een typemachine. Zijn kleding ruikt naar witte kool.
De volgende ochtend ziet hij de typemachine zonder papier op een donkerbruin bureautje in de woonkamer staan. ‘Schrijf je over mij?’ vraagt hij aan het meisje. ‘I write everything,’ zegt ze trots. ‘Can you not?’ Ze trekt haar jas aan en stapt in de lift. Hij draagt de cello voor haar naar beneden en loopt met de koffer achter haar aan. Zij loopt naar een wasserette, waar zij werkt. Boven de deur van de wasserette staat: önkiszolgáló mosoda, net als op het bonnetje. Hij wacht in de wasserette op haar tot zij klaar is. Als zij naar buiten gaat, draagt hij de cello weer achter haar aan, door de stad terug naar haar appartement. Zo gaat het wekenlang in hun kleine wereld: cello, wasserette, appartement, koolschotel en typemachine.
Maar op een dag, net als het eten klaar is, komt een man in een overall met verfvlekken het appartement binnen. De bezoeker gaat zitten, het meisje zet twee borden aardappel-koolschotel op tafel en opent twee flesjes donker bier. Samen beginnen ze zwijgend te eten. Zij kauwt peinzend, kijkt over haar vork naar haar bezoeker. Die eet gulzig, snuivend, heeft alleen aandacht voor zijn bord.
’s Nachts schrikt de zakenman wakker van de stotende kreten van het meisje, als de bezoeker haar in de slaapkamer naast de keuken neukt. Hij vermoedt dat zij hem op dit moment als een cello tussen haar benen geklemd houdt. Hij hoort haar rauw en atonaal klaarkomen, bijna huilend van geluk. Het luisteren naar haar vervoering maakt ook hem gelukkig. Hij stelt zich voor dat dit allemaal dankzij hem gebeurt. Hij streelt zachtjes zijn eigen halfstijve lid, het voelt warm aan, als kneedbaar rubber in zijn hand.

’s Ochtends gaat hij weer met de cellokoffer achter haar aan naar buiten. Het meisje steekt de rondweg over en loopt langs stoepranden en over vluchtheuvels naar het plein voor het station. Daar ligt een portemonnee op de grond. Zij schopt er tegenaan en raapt hem op. Ze trekt een foto uit de portemonnee en laat die aan hem zien. Het is een zwart-wit kinderfoto van hemzelf, lachend, gezeten op een paard. Het meisje zegt: ‘Speak how you feel.’ Hij kijkt naar de foto in haar hand en naar zijn spiegeling in de ramen van het station. Hij zegt: ‘It was not the best, but it was good.’ Ze glimlacht, pakt haar cellokoffer en loopt er zonder om te kijken Budapest mee in.

Hij kijkt haar na tot ze verdwenen is. Dan belt hij naar zijn werk en vraagt naar zichzelf. De telefoniste zegt dat hij niet op zijn plek zit, maar dat zij hem net nog gezien dacht te hebben.
Hij gaat gerustgesteld zitten op het bankje voor het station. Nu hoeft hij alleen nog maar te wachten op de koets en op het paard dat op de foto stond.

 

 

 

Gepost in Columns, Geen categorie, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Voor de rustelozen,
Marcel de Roos

Je hoeft niet zelf te kunnen zingen
om te weten hoe het klinken moet.
Leunstoel, flesje port en laat maar komen.

Melodieën die een volkslied kunnen dragen.
Aangezet als ongeplande revoluties, even
achteloos weer opgegeven voor een ijle
trilling, hoog en schichtig. Dwaaltocht meer
dan uitrolmars van stalen strategieën.

Koortsbevangen zwanenzang. Een schril
verwenste odyssee van moeten, uit op
waarheid, zielsgenade en voldoening.
Aanklacht tegen lot en leugen. Missie van
het groot gemis. Tot credo het verlangen.

Trof niet zo zeker Slauerhoff, voer nooit
de boeg van Branco in op al die argeloze
kusten … op drift nu niet complete volkeren,
geen weet of richting vaag vermoeden,
tolk noch stem ons minst gekende zeer.

Daar zit je in je grachtenpand, de muren
vol met smaak en afbetaald, je wederhelft
verzonken en een platenspeler op herhalen.

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie