Nieuwe recensies:
Jan Herman Brinks, De Vrouw in het Medaillon – Hein van der Hoeven en Chris De Valk, O, die wijze koeien – Felix Monter

Lees hier de recensie

De vrouw in het medaillon

Chris de Valk

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Armando, Manuel Kneepkens

ArmandoArmando de vogel

Wat zal ons (blijvend) herinneren aan Armando?

de term: schuldig landschap; verkoold hout
figuren van kamp Amersfoort
(on)menselijk

én het  Zwarte Water

een bassin van zwart plastic
gevuld
een paar centimeters water
met duizelingwekkende dieptewerking…

Aantekening voor de vijand:

Hoe in 2007 de Elleboogkerk in Amersfoort
(met daarin Armando’s collectie)
fakkelde als de Reichstagbrand

     ‘Wir haben die Kunst, damit wir nicht
       an den Wahrheit zu grunde gehen…’ ¹

Armando’s favoriete Nietzsche-citaat…

Niets Noodlottiger dan dat!

Armando2

 

Gepost in Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Ikea en de Algarvios, door Christian Oerlemans

De zuidelijke strook Portugal,160 kilometer langs de Atlantische oceaan, werd door de Moren Gharb Al Andalus genoemd of kortweg Al Gharb (het westen). De uiterste westpunt, Sagres met kaap São Vicente, werd toen gezien als het einde van de wereld. Hier vestigde Infante Dom Henrique de Avis (O Navegador) begin 15e eeuw een “zeevaartschool” om aan de kapiteins uit te leggen dat de aarde niet plat was. Hij initieerde de eerste Portugese ontdekkingsreizen en ontwierp hiertoe een speciaal latijns getuigd (in tegenstelling tot vierkant getuigd) zeilschip, de Caravela Latina. Dankzij deze schepen, die ook goed aan de wind konden zeilen, plus de navigatielessen van ‘Hendrik de Zeevaarder’, domineerden de Portugezen in de 15e en 16e eeuw het tijdperk van ontdekkingen, waarmee tevens het koloniale tijdperk werd ingeluid. Misschien nog vermeldenswaard dat Lagos de grootste slavenhaven van Europa werd.

Genoeg euforie. Ondanks Hendrik en de rijke handelaren in Lissabon, bleef de Algarve een armoedige strook tussen de bergen en de zee, het landje van de vissers en de kleine boeren met schapen en geiten en wat amandelen en olijven. Vijfentwintig jaar geleden was de ezelwagen nog een populair vervoermiddel. De mensen hier werden (en worden) Algarvios genoemd, een kleine donkere soort, pezig en goedaardig. Oud Moors bloed. Vooral de oudjes zijn soms onwaarschijnlijk klein. In het postkantoor kon een oud vrouwtje nauwelijks bij haar pensioengeld (450 euro) dat voor haar werd uitgeteld op de balie. En bij de cafeetjes en in de parken zitten kleine kromme mannetjes elkaar over vroeger te vertellen. Vroeger, toen iedereen hier klein was. Nu is iedereen van normaal postuur. Hoewel, sinds de instroom van de Zweden, zie je ook veel boomlengten. Oorzaak is de belastingontheffing. Zweden (en ook Fransen en Finnen) mogen hier namelijk van hun pensioen komen genieten zonder belasting te betalen. De ca. 450000 bewoners hier zijn dan ook niet allemaal Algarvios. Meer dan 20% is import. Een grijze golf overspoelt deze prachtige kuststrook, met gevolg dat er veel wordt gebouwd (niet altijd even mooi) en dat de Algarvios protesteren omdat wonen voor hen te duur wordt. Alle goedkope appartementen zijn uitverkocht. Makelaars – en dat zijn er honderden, want iedereen kan makelaar worden – zoeken naarstig naar panden voor hun Portefeuille. Courtage hier is standaard 5%, soms meer. Je kunt je pandje als je wilt bij tien of meer makelaars te koop zetten, In ons dorp was ooit één makelaar, nu zijn er drie kantoren.
Willemine, mijn kunstzinnige echtgenote, komt al jaren als kunstenares bij Casas das Molduras (huis der lijsten) voor inlijstingen. Paar jaar terug werd de winkel een makelaarskantoor en de inlijsteraar zit achter een bureau met foto’s van huisjes terwijl zijn echtgenote het inlijstwerk verzorgt.
Een Nederlander – genaamd Jan – achtervolgde mij per telefoon en email, namens een makelaar, genaamd ‘Goddelijke Eigendommen’ (Divine Properties). Zij willen heel graag, ja heel erg graag ons pand verkopen. En Jan was niet de eerste! Om de haverklap staat er een man of vrouw (laatste vaak niet onaantrekkelijk) aan de poort. Wat komt u doen? Goedemorgen, mag ik uw pand verkopen?
Het gaat ineens erg goed hier in Portugal. Zegt men. Ambachtslieden zijn niet meer verkrijgbaar, ze nemen gewoon hun telefoon niet op. Overal is werk en de dagprijs van voorheen rond 50 euro loopt op naar soms ongekende hoogten voor dit land. Ik had een schilder nodig want zelfs teakhouten deuren worden lelijk in de zon. Niet zo erg als mensen, maar toch… Had ik viavia eindelijk een jong ambitieus startend bedrijfje gevonden. Asjeblieft, die jongens wilden meteen aan de slag Begroting tienduizend euro. Wat?? Voor twintig deuren en vijf ramen? Ja hoor es, ik kom hier al sinds de ezelwagen…
De man die het nu doet – genaamd Vitor Bravo – komt met zijn dagprijs van 70 euro ongeveer uit op ruim 2000 euro. Ook al niet meer zo goedkoop als vroeger.

Ja het trekt aan in de Algarve en zo kwam er ook een enorme Ikea midden in het prachtige landschap ten zuiden van de oude hoofdstad Loulé. Parkeerterrein zo groot al tien voetbalvelden. Rondom Ikea is een shopping mall gebouwd zoals je die alleen in Amerikaanse films ziet. Alle merken voorradig. Niet voor Vitor Bravo en zijn familie maar voor de expats van Vale do Lobo. Voor Vitor Bravo en andere klussers is er een bouwmarkt van Leroy Merlin waar ze richting kassa’s doolhofhekken hebben zoals op de luchthaven.
Uiteindelijk waren ook wij naar het winkelparadijs rondom Ikea gegaan, want dat moet je gezien hebben. Kwam goed uit want mijn echtgenote had dankzij de nieuwe privacy wetgeving geen whatsapp meer op haar telefoon. En dat is lastig, zeker omdat kleinkinderen in de App-wereld leven. Whatsapp eiste een update, maar die werkte niet. Gelukkig is er in dat gigantische winkelcentrum ook een Phonehouse. Drie mobiele mannen en geen klanten. Beleefd vraagt Willemine eerst of ze een batterij hebben voor haar Samsung. Want: als je iets wilt kopen ben je klant. Een batterij hebben ze niet, hadden wij ook niet verwacht, maar nu kan zij liefjes vragen of de gekwalificeerde telefoonverkoper even naar haar Whatsapp kan kijken. Wat nu volgt kan alleen hier: de jongeman stort zich erop met hart en ziel en is ruim een halfuur bezig om haar telefoon van álle updates te voorzien.
Ja, de mensen zijn hier aardig en behulpzaam, dat is de aard van de Algarvios. Enige nadeel bleek dat zij nadien niet meer gewoon kon bellen, dus heb ik een half uur met een Nederlandse Vodafone-assistent aan de lijn gezeten, via mijn mobiele abonnement. Ach, die was ook erg aardig hoor. Je moet het leven met de elektronica blijmoedig ondergaan.

 

Liberta, onze hulp, wilde strijken. Hiertoe hebben wij zo’n modern stoomapparaat. Kwam geen stoom meer uit. Gelukkig hebben we nog twee strijkijzers die zij ooit had afgekeurd, maar die nu van pas kwamen. Omdat er inmiddels ook een stofzuiger was stilgevallen, ging ik met beide artikelen naar het reparatiebedrijf voor elektrische huishoudelijke apparaten, genaamd Ricafre, maar door Willemine hardnekkig Biafra genoemd. Zij had natuurlijk inmiddels al een nieuwe stofzuiger gekocht in die nieuwe megalomane shopping mall, bij de firma Worten, een hectare vol elektrische apparatuur. Ook een heel gedoe trouwens, want de oude Rowenta vermeldt op zijn schild 2100 Watt. Dus wilde zij 2100 Watt. Haha, bestaat niet mevrouw! De max is 750 watt, Europese regelgeving. Maar dan wel drie keer A. Alweer wat geleerd. Goed, ik dus naar Ricafre omdat die ook al twee keer onze vaatwasser van AEG hebben gerepareerd. De installateur die toen kwam legde uit dat reparatie niet de bedoeling is. Het is de bedoeling is dat men een nieuwe koopt. Daar is de printplaat op berekend. Is er dan geen nieuwe printplaat te koop? Nee meneer, want het model is verouderd. Ditzelfde verhaal hoorde ik toen onze airco installatie ermee ophield. Sja, ácht jaar meneer. Nee, reparatie kan niet. Moet een nieuwe komen… (Kostte me 5000 euro).

Terug naar Ricafre. Of liever gezegd op weg met stofzuiger en strijkijzer. Kom ik via achteraf straatjes in een armzalig buurtje van Faro terecht. Ik had een bedrijf verwacht met uithangbord en lichtreclame, maar het is een onderstuk van een oud flatgebouw. Het ouderwetse Nederlandse ‘stofzuigerhuis’ is hiermee vergeleken een geacheveerd technologiepaleis. Maar wat een menselijke aardigheid. De huisvrouw achter een soort balie doet haar best Engels te spreken. Jazeker, stofzuigers en strijkbouten kunnen hier gerepareerd worden. Het zal wel even gaan duren, want ze hebben het druk. Wat wil je, met al die snel verouderende apparaten. Ricafre zit middenin het gat in de markt. Op een doorslagbloknoot schrijft zij alles op. Ik krijg de nauwelijks leesbare kopie. Inmiddels is er een mevrouw binnengekomen. Zij komt haar magnetron ophalen. Terzijde probeert een oudere meneer een groot bakijzer op de toonbank te tillen. Een jeugdig en snel meisje rent in en uit. Allemaal wensen zij mij op een toon van vriendschap en verbondenheid een mooie dag toe.

Algarvios. Als ze je langer kennen dan een half uur, zoenen ze je.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie over: Helge Bonset, Nijlpaard op Loosdrecht

Lees hier de recensie

5tn0nijlpaard-op-loosdrecht-cover-n-2kl

 

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Schrijven, Heidi Koren

Ik werk aan de laatste fase van mijn roman. Dat zeg ik al een aantal maanden. Het manuscript is al drie keer van mij naar de redacteur gegaan en weer teruggekomen. Het komt iedere keer terug met een hoop gekriebel in de kantlijn. Er staat vaker: kan dit ook anders? Of; waarom doet ze dit? Dan bijvoorbeeld: Mooi! Of Prachtig!

Meestal krijg ik het binnen een week of twee terug van de redacteur. Nu duurde het vier weken. Hoewel ik me iedere dag opnieuw afvroeg wat daarvan de reden kon zijn (was het zó slecht dat hij er niet doorheen kwam?) waren het ook vier heerlijke weken waarin ik er niet aan kón werken. Ik hoefde me dus ook niet voortdurend af te vragen of ik er niet eigenlijk aan zou móeten werken, terwijl ik god-weet-wat-anders aan het doen was. Iets anders dat hoogstwaarschijnlijk minder prioriteit zou moeten hebben dan het afmaken van het boek. wat is wat ik graag wil. Sterker nog, er is niets op de wereld dat ik líever wil dan dat: het boek afmaken, en toch gaat intern in eerste instantie alles in mij in de totale-zucht-stand, zodra ik het manuscript inclusief commentaar zie verschijnen in mijn mail. Oooohh myyyy gooood, ik moet het boek afmaken.

Het duurt dit keer vier dagen voor ik weer in de schrijfmodus verkeer. In die vier dagen zit ik alleen in mijn boshut, de werkplek voor de komende drie maanden. Er is geen internet, geen verwarming, geen douche. Wel een radio, een krant, een stapel boeken en nu dus ook het on-affe-manuscript. Ik draai er dagen omheen. Zit in de bostuin. Kijk naar de lucht. Rook een sigaret. Na een dag begint het manuscript me zachtjes te roepen vanaf de keukentafel. Het wil worden opgepakt, uitgeprint, herlezen en herschreven, dat snap ik zelf ook wel, maar ik ben er nog niet klaar voor. Ik wandel eerst een rondje linksom door het bos en dan een rondje rechtsom, de hond is blij. Ik check mijn telefoon nog een keer. Waarom is mijn lief zo stil? Ik hang de hangmat op tussen twee bomen en ga erin liggen. Ik ga links en recht. Ik rook een sigaret. Het roepen vanaf de keukentafel wordt met de minuut luider. Ja ja ik kom er aan.

Een boek schrijven is eigenlijk helemaal niet leuk. Het is noodzakelijk kwaad. Er is een verhaal dat verteld moet worden. In mijn hoofd weet ik exact hoe het eruit moet zien, wie de personages zijn, hoe ze kijken, hoe ze ruiken, wat ze doen. Ik weet waar de tijd verandert en wat het perspectief is. Ik weet hoe het vordert, zich ontwikkelt en ontvouwt. Ik weet hoe het eindigt.

In het echt zijn het echter slechts een hoop woorden in een bestand. Woorden waarvan ik soms ineens de bedoeling niet meer begrijp. Zinnen die elkaar de ene dag logischerwijs lijken op te volgen maar de volgende totaal op de verkeerde plaats blijken te staan. Het is een wereld die zo ver afstaat van mijn eigen dat ik moeite moet doen er iedere keer opnieuw in te kruipen. Ik moet er letterlijk instappen en me laten meenemen, maar mijn eigen leven trekt me vaak bij de ellenbogen weer omhoog. Ik spartel voor ik me overgeef.

En dan, als het eindelijk zo ver is, dat de sigaret kan worden gedoofd, de telefoon uit kan en de deur dicht. Dat ik me bij mijn voeten het verhaal in laat zakken, is een boek schrijven het fijnste dat er is. Ik wil niet gestoord worden. Ik moet een boek schrijven.

 

The times they are a-changin’, Heidi Koren

Met flinke regelmaat voer ik mijn kinderen klassiekers. Dat begon met Jip en Janneke. Langzaam gingen we van Schmidt naar Lindgren en van Irving naar Burgess, Lynch, Tarentino, Coen, Salinger, Presley en whatever.

Vanavond keek ik met mijn dochter naar Grease.

Lang geleden mocht ik de film huren voor mijn veertiende verjaardag. Een stuk of wat meiden zaten in onze bruin behangen woonkamer. We hadden er chips en cola bij. Ik had erom gezeurd. Met appelsap en kaakjes was het echt minder leuk. Mijn moeder streek over haar biologisch dynamische hart. Het huren van de film kostte vijf gulden. Het was een korte huur, hij moest de volgende dag weer terug.

We bekeken hem aan één stuk. Niemand hoefde te plassen. Niemand hoefde eerder naar huis. Na afloop meden we mijn ouders. Mijn beste vriendin en ik trokken ons nog even terug op mijn meisjeskamer waar we spraken over wat we met onze vriendjes wilden doen, al gedaan hadden, nog zouden gaan doen en zeker nóóit zouden gaan doen! Ik kan me niet herinneren dat we iets aan te merken hadden op de film. Hij was gewoon fantastisch. We zongen de liedjes na, hopelessly devoted als we waren.

Mijn dochter van veertien valt nu, anno 2018, bij het zien van diezelfde film na nog geen tien minuten al bijna van de bank van verbazing en ergernis. Kan die idioot niet een beetje líef doen? vraagt ze zich af. Jeeeezus, wat is die Sandy een doos. Zoek een hobby! En bij het liedje Beauty School Dropout weet ze al helemaal niet meer wat ze hoort. Waarom zit ze die gast zo verliefd aan te kijken mam, verstaat ze wel wat hij zingt?

Ik zit stilletjes naast haar op de bank en graaf in mijn herinneringen of er in een gesprek tussen mij en mijn vriendinnen iets was gebleken van ontevredenheid over de ongelijkheid tussen jongens en meisjes in Grease, maar niks. In mijn beleving was het gewoon heel ok dat Danny zich zo achter zijn vrienden schaarde en vond ik het heel slim van die Sandy dat ze zich uiteindelijk zo wist te transformeren dat ze hem toch nog voor zich won. Zo ok vond ik dat alles, dat ik me niet eens herinnerde dat die dingen speelden. Nu zit ik met ongeloof naast mijn dochter te kijken. Mijn enthousiaste beweegredenen om de film samen te kijken galmen nog voortdurend na in de woonkamer. Ik schaam me een beetje. Ze heeft onlangs haar haar gemillimeterd, omdat ze dat leuk vond. Ze heeft een vriendje en is verliefd, maar zegt hem rustig wanneer hij naar huis moet gaan als ze er geen zin meer in heeft. Ze komt net terug van een week speelkamp waar ze een groep verstandelijk beperkten begeleidde. Ze is al vier jaar overtuigd vegetariër. Zaken waar ik allemaal pas ver na mijn twintigste over na begon te denken, als überhaupt. The times they are a changin’. Thank god they are! Lang leve de jeugd van tegenwoordig. De volgende keer kijken we gewoon weer Tarentino.


Pleidooi voor het korte verhaal, Heidi Koren

Wat ik haar nu écht zou willen aanraden, vroeg ze. Het was warm in de winkel en kwart voor zes. Ik was me al aan het voorbereiden op het sluiten van de zaak en verheugde me op de duik in de rivier die ik zou gaan nemen op mijn weg naar huis, toen de laatste klant binnenkwam. Ze had zichtbaar de tijd. Ik hoefde niet na te denken over haar vraag want was eerder die week naar huis gegaan met de nieuwe bundel van A.M. Homes in mijn rugzak. ’s Avonds in de tuin had ik hem opengeslagen, ondanks het feit dat ik al bezig was in twee romans, die met deze zet duidelijk het onderspit zouden gaan delven. Homes is scherp, geestig, origineel, alles wat je wilt zijn als schrijver. Geen zin is lelijk of zinloos of zoals je ze leest in de Viva, iets wat ik niet kon zeggen van een Boek van een maand van DWDD dat ik eerder na twee hoofdstukken al had weggelegd, maar goed.

Ik drukte ‘Dagen van inkeer’ van Homes in haar handen. Dit moet je lezen, zei ik.

De dame is belezen, slim, ze zal de humor en scherpte van Homes weten te waarderen, ik weet het zeker. Geïnteresseerd bekijkt ze de kaft. De uitgever heeft niet vermeld dat het een verhalenbundel betreft, wat ik kan begrijpen. Ze verkopen niet in Nederland, korte verhalen. Ik voel me toch verplicht het haar te zeggen, maar het is mijn strot nog niet uit of ze geeft me het boek terug. Nee geen verhalen, zegt ze.

Het pleidooi dat ik dan afsteek, steek ik minstens een maal per week tegen klanten in de boekhandel waar ik werk af, regelmatig met succes maar ik word er wel een beetje moe van. De meeste Nederlandse lezers beschouwen bundels (verhalen of gedichten) als niet voldoende waar voor hun geld. Daarom pleit ik er nu hier maar een keer voor, met de boodschap: lees dit allemaal, knoop het in je oren, probeer het uit en koop goddomme gewoon goede literatuur! Alles: proza, poëzie, essays. Stap eens uit je patroon. Een bundel korte verhalen is níet zonde van het geld en wel hierom:

Je leest de bundel als een boek, dat is het namelijk ook. Na ieder verhaal krijg je zelfs de gelegenheid even op adem te komen. In die tijd kun je gerust iets anders doen, zoals een glaasje wijn inschenken of een vakantie boeken. Dat is erg aardig van de schrijver

De schrijver verveelt je niet met zinloze opvulling van de bladzijden waarin hij eindeloos beschrijft hoe de blaadjes ritselen in het dicht begroeide bos waar tussen het sterretjesmos ook nog werkelijk zo nu en dan een lelie te vinden is waar je tussen zou kunnen knielen om je gewoon even prinses te voelen, iets waar iedereen wel eens behoefte aan heeft maar meestal niet toe komt. De schrijver van het korte verhaal vertelt je gewoon wat je moet weten. Geen woord te veel. Bijzonder knap.

Het korte verhaal is vaak zo goed gelaagd dat het de moeite van het hérlezen verdient. Een boek dat herlezen wordt is zeker zijn twee tientjes waard. Hoe vaak hérlees je nu eigenlijk een roman?

Een kort verhaal leent zich goed om voor te lezen. Hoe fijn is dat? Lees je lief eens voor voor het slapen gaan. De schrijver heeft er dus rekening mee gehouden dat je niet eerst helemaal hoeft uit te leggen waar het over gaat en de weken daarna je partner op de hoogte moet houden hoe het is gesteld met je personages wat uiteindelijk ongetwijfeld tot ruzie zal leiden (lees dat boek goddomme zelf!). Nee je leest gewoon een goed verhaal voor- welterusten lief doei.

Je kunt het ook influisteren/ inspreken/ of appen nou ja dat laatste niet vaak maar toch. In het geval van Lydia Davis behoort het tot de mogelijkheden.

A.M. Homes dus, die moet je hebben. Zo ook Lydia Davis, Lucia Berlin, Tobias Wolff. Maar ook dichter bij huis worden prachtige verhalen geschreven die veelal worden gepubliceerd in mooie literaire tijdschriften.

Het korte verhaal gaat me aan het hart. Niet in de laatste plaats omdat ik ze zelf schrijf, ook omdat het zo razend heerlijk is even een wereld ingedonderd te worden om er, een tikkeltje door elkaar geschud, weer uit te komen. Na tien minuten bekijk je alles toch weer een beetje anders. Een gemiddelde nieuwe roman kost in Nederland twee tientjes. Twee tientjes voor een goed verhaal is niks. Het verhaal gaat een leven lang mee. In een bundel staan er wel acht, soms wel twintig. Tel uit je winst. Lees dat genre, en betaal ervoor!

 

Vrouwen, Heidi Koren

Gelijkwaardigheid

Er is een nieuwe uitgeverij geboren, Chaos genaamd.

Chaos profileert zich als de enige feministische uitgeverij van Nederland en wordt geleid door drie dames. Hun eerste uitgave is een nieuwe vertaling van Virginia Woolf’s Een kamer voor jezelf. Prima keuze, lijkt me zo. Het boek wordt mooi ingeleid door een briefwisseling tussen Simone van Saarloos en Gloria Wekker. Ik zit ermee in mijn eigen gebouwde tuinkamertje, waar ik nu ook een lampje heb opgehangen zodat ik ’s avonds langer buiten kan lezen. Ik heb tegenwoordig meer dan één kamer voor mijzelf en heb daar bij tijd en wijle ambivalente gevoelens over, maar nooit over de tuinkamer. Die is van mij.

Er was een tijd dat ik met een heel gezin in één huis woonde. De man en ik waren beiden zelfstandig ondernemer, maar hij iets meer dan ik. Dat moet de reden zijn geweest dat, onbesproken, de enige vrije kamer in ons huis, zíjn werkkamer werd. Of het feit dat hij meer rommel om zich heen verzamelde dan ik, dat kan ook. Ik maakte er geen punt van, maar voegde me naar de omstandigheden, nam mijn laptop op schoot en zocht naar een vrije plek in huis om te kunnen werken. Totdat ik er ineens wél een punt van begon te maken, toen was de boot aan.

Op zeker moment ben ik begonnen mij af te vragen waarom hij de werkkamer had en ik de laptop op schoot. Waarom hij een nieuwe winterjas aanschafte als hij die nodig had en ik nog wel een jaartje langer kon met die van mij. Waarom hij.… De lijst bleek langer dan me lief was, en ineens zaten al die dingen me dwars. Het antwoord op de vragen was simpel. Hij handelde gewoon naar zijn behoeften terwijl ik vooral afstemde, aanpaste, aanvoelde en me voegde naar de mensen en de omstandigheden om me heen. Niet omdat ik mijzelf minder waard vond dan de rest van het gezin, niet omdat ik mijzelf niet serieus nam of mijn carrière van minder groot belang vond dan die van hem. Misschien wel omdat mij geleerd is rekening te houden met mijn medemens. De kans is aanwezig dat mij, als vrouw, geleerd is iets meer rekening te houden met mijn medemens, dan dat het mijn broers is geleerd. Aannemelijk is dat ik ben beïnvloed door de generaties vrouwen die mij voorgingen. Zeker is dat ik mij niet bewust ben geweest van het feit dat ik speelde ik een klein afgebakend veld van keuzeruimte, mij niet realiserend dat mijn werkelijke keuzevrijheid immens veel groter was dan dat waarvan ik gebruik maakte. Ik dacht volkomen vrij te kiezen, te beslissen, mij uit te spreken, maar realiseer mij nu pas dat ik begrensd ben zonder te weten waar de hekken staan.

We hadden de vraag welke plek zijn werkkamer zou gaan worden op honderd verschillende manieren kunnen benaderen. Te beginnen bij: wat hebben we allemaal nodig? Hoe kan een ruimte worden ingedeeld? Waaraan hebben we individueel behoefte? Het zou hebben geleid tot een andere inrichting van het huis dan gebeurd was na het stellen van de vraag: welke kamer wordt zijn werkkamer? Maar zelden nog geven we onszelf de ruimte om de situatie weer op nul te zetten bij het nemen van een beslissing. We borduren voort op het voorgaande. En als het grootste probleem in het vorige huis is geweest dat de man geen werkkamer had, zal het eerste dat wordt ingericht in het nieuwe huis een werkkamer voor de man worden. Is de vrouw het daarmee eens? Ja hoor. Wordt er nu voorbij gegaan aan andere behoeften? Jazeker en we zullen ze op deze manier niet eens ontdekken, want ze worden niet onderzocht.

Ik snap ineens waar de dames hun naam vandaan hebben. Soms is er chaos nodig om het tij te doen keren. Dat begreep Virginia  Woolf al toen ze nog rond draalde in de tuinen van Oxbridge. Ze wil de bibliotheek in maar wordt bij de deur tegengehouden door een ‘kleinerende, zilvergrijze, beminnelijke heer, die aangeeft dat dames alleen in gezelschap van een universiteitsdocent de bibliotheek mogen betreden’. Het is honderd jaar geleden. Het zou niet hebben uitgemaakt als Virginia was gaan stampvoeten of de man op zijn snuit had getimmerd. Ze zou de strijd hoe dan ook hebben verloren, maar ze heeft evengoed haar best gedaan.

De afgelopen week maakte het CPNB bekend dat het Boekenweekgeschenk zal worden geschreven door Jan Siebeling en het Essay door Murat Isik. Twee mannen gaan schrijven over het thema ‘de moeder, de vrouw’. Een slordige telling leert me dat sinds de komst van het Boekenweekgeschenk achttien vrouwen het cadeauboek van de CPNB hebben mogen schrijven tegenover zevenenzestig mannen. Voor het schrijven van het essay werden zes vrouwen uitgekozen tegenover vierentwintig mannen. Het is zowel een hooghartig als kortzichtige beslissing. Bij het nemen van deze beslissing is namelijk niets anders gedaan dan voortborduren op waar we al waren. Niemand is op het idee gekomen de lijn weer op nul te leggen, eens om zich heen te kijken, de wereld met frisse blik te aanschouwen en zich vers af te vragen: goh, het thema ‘de moeder, de vrouw’, wie zal dát boek nou eens moeten gaan schrijven?

 

Lief, Heidi Koren

De minnaar en ik spelen een potje Wordfeud. Ik vanaf mijn tuinbank, blote voeten op het krukje, glas witte wijn binnen handbereik. Het is eind april en al langer licht, zodat ik na mijn werk op deze plek nog net even het laatste stukje zon kan meepikken. Hoe de minnaar er 85 kilometer Noordwaarts bij zit, weet ik niet. Als ik het hem vraag, zegt hij ongetwijfeld; met mijn blote kont op de bank. Dat zegt hij altijd.

Als één van ons de moeite zou nemen naar de ander toe te rijden, zouden we écht kunnen scrabbelen. Het bord tussen ons in, mijn voeten op zijn benen. Ondertussen zouden we de dag doornemen, wat hij gedaan heeft, wat ik gedaan heb bla bla bla. We zouden voor het slapen gaan de hond nog even uitlaten, hand in hand misschien, thuiskomen en twee bekers thee mee naar boven nemen, ons uitkleden in de slaapkamer en naakt onder het dekbed kruipen. We zouden lieve woorden fluisteren in het pikdonker. Woorden die klinken als zacht, of fijn en jij. Korte woordjes. Wie weet wat daar allemaal weer uit voort zal komen?

In plaats daarvan, schuif ik het woord klootzak het digitale spelbord op. Ik pak daarmee zowel de twee-keer- als ook de drie-keer-woordwaarde en win er bijna zeker het potje mee. Ik stuur er meteen een berichtje achteraan; het is niet persoonlijk, maar het blijft stil.

Een bruine merel op mijn schutting fluit uitgebreid naar een zwarte merel op mijn schuurdak. Een lange zin is het. Het klinkt als; goddomme waar heb jij de hele dag uitgehangen? Hij begrijpt de boodschap en windt er geen doekjes om, vliegt op en landt naast haar. Nadat ze wat korte kwetteringen uitwisselen, vliegen ze op en verdwijnen achter de hoge conifeer van de buren.

De minnaar moet zeker tien minuten bijkomen van mijn honderzeventien punten. In de tussentijd nestelt dat woord klootzak zich in mijn hoofd. Ik vind de minnaar zeker geen klootzak, nog voor geen honderdzeventien punten. Ik vraag me af of ik geen ander woord van die letters had kunnen maken. Dan legt hij lief, voor vijf punten en dat is genoeg om mij op te doen springen. Ik zit binnen twee minuten in de auto en rijd Noordwaarts. Ik heb een uur de tijd om heel veel lieve woorden te bedenken.

 

‘Literatuur als avontuur’
Zo hebben wij de blog genoemd die maandelijks op onze website zal verschijnen. De door ons uitgekozen blogschrijvers zullen zes maanden lang hun ervaringen met de literatuur in Nederland en België onder woorden brengen. Het kan gaan over hun eigen schrijverschap, over boeken die iets bij hen teweeg hebben gebracht, over personen en gebeurtenissen in boekenland, over ontwikkelingen binnen de literatuur die ze hebben waargenomen, over stijl, over taal, over ideeën. Maar laten we het vooral aan de schrijvers zelf overlaten waarover hun blogs zullen gaan. Een avontuur moet het ook voor ons lezers blijven. De eerste in de reeks is Heidi Koren. Zij debuteerde in 2015 met de bundel Gedachten over een mogelijk einde bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Ze doceert creatief schrijven aan jong en oud, werkt in een boekhandel en schrijft momenteel haar afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam.

Gepost in Extazeblog: Literatuur als avontuur, Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensies over:
Anouk Smies, Onbeschoft zo wit en
Wim Hazeu, Lucebert. Biografie

Lees hier de recensies

9200000091916904 plaatje Hazeu_Lucebert

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Een vreemde snuiter, door Mischa van den Brandhof

Afwijzingsbrief

Beste Miguel,

Bedankt voor je manuscript In het Licht van de Maan.

Wat interessant om te lezen dat je het getypt hebt op de portable Olivetti van je grootvader, zo te zien met een 8pt Veronese.

De plot is bijzonder en meeslepend. Je hoort niet vaak van een snuitkever die zijn geboortegrond in het amazoneregenwoud moet verlaten als blijkt dat hij magische krachten heeft en al reizende door de Selva vele avonturen beleeft en uiteindelijk in Bahia belandt, waar hij zich aansluit bij een groep hoornaarwespen die hem inwijden in de vecht- en danscultuur van capoeira en waar hij zijn nieuwe thuis vindt. Het is invoelzaam en toch levendig geschreven. Je beschrijft de betovering van de Afro-Braziliaanse wereld, zonder dat je de historische realiteit uit het oog verliest. Heel knap dat je dit weet te bereiken ondanks het feit dat je, zoals je bekent, nog nooit in Brazilië bent geweest.

Het staat buiten kijf dat het uitstekend in ons fonds past, tussen titels als Ons Soort Beren: de gebundelde verhalen van E. Tardigras; Van Boomschors tot Acai Bowls: originele recepten voor de hippe capibara; Verliefd op een Flamingo: als roze je teveel wordt en Voetjes op het Water: een Jesushagedis vertelt.

We zouden heel graag een stem geven aan iemand die door velen toch gezien wordt als een woekerdiertje. We denken echter niet dat er een markt is voor deze roman, mede gezien de huidige wereldvoedselproblematiek. Hopelijk komt er wel een tijd waarin het publiek klaar is voor een protagonist als de jouwe.

Blijf vooral schrijven!

Met vriendelijke groet,

Luiza
Uitgeverij Evenaar

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 26,
de nabeelden

Donderdagavond 7 juni werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een avond met alleen maar hoogtepunten: scherpe voordrachten, Jazzy muziek, fijnzinnige gedichten met veel ruimte voorgedragen, Noise, en de ‘punktijd’ was voor even weer terug.
De optredenden:
. Rutger H. Cornets de Groot (voordracht);


. Voordracht Cor Gout (tekst: Dick Brongers): ‘de stem van Max Blokzijl’;
. RED, light: Ellister van der Molen, Bob Wijnen (muziek);
. Maria van Oorsouw (gedichten);
. Sebastiaan Schlicher: fragment van de opnames met noise-collectief Amerikan Teenager in het Luceberthuis (film);
. Leonor Faber-Jonker over Ton Lebbink (woord, beeld, geluid).
De volgende Extaze in de Houtrustkerk is op 13 september.

De mooie foto’s hieronder zijn van Eric de Vries.

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Wat is er gebeurd, oude M.?, Helge Bonset

1.
Wat is er gebeurd, oude M.? Wat is er toch met je gebeurd?                                                      
Op een avond ga je naar boven en val je van de trap. Je wordt naar het ziekenhuis vervoerd en daar overlijd je de volgende dag. Je bent dan drieënzeventig jaar. Je was altijd gezond. Tot zover de feiten.

2.
Je bent in je woonkamer, alleen. Het is laat op de avond, je vrouw ligt al lang in bed. Straks ga je de trap op, naar je eigen slaapkamer.
Je zit op de bank waarop overdag meestal je vrouw ligt. Er tegenover staat een tweede bank: die voor het bezoek, waar ik altijd op zat in de jaren dat ik bij jullie thuis kwam. Achter je leunstoel bij het raam brandt nog de staande schemerlamp. Kennelijk heb je daar eerst zitten lezen. Maar nu heb je je boek uit, of weggelegd.
De hangklok tikt. Het licht van de schemerlamp weerkaatst in de glazenkasten, één gevuld met serviesgoed, één met boeken.
Er is geen tv in de kamer. Aan de muur hangt nog het kastje van de voormalige draadomroep.
Op de eikenhouten tafel bij je bank staan je glas en de whiskyfles. Je zit voorover, je ellebogen rusten op je knieën, je handen houden je hoofd vast. Je kijkt naar de grond. Af en toe richt je je op en schenk je je glas vol.
Ik probeer je gezicht te zien, maar steeds als je je glas in één slok leeg hebt gedronken, verberg je je hoofd weer in je handen. Ik zie alleen je stevige grijze haardos, met die mooie slag erin. Je bril ligt voor je op tafel.
Waar denk je aan, oude M.? Wat denk je?
Je kijkt op de hangklok en staat op. Terwijl je houvast zoekt aan meubels en muren, knip je alle lichten uit. De bijna lege whiskyfles en je glas heb je al in een gesloten kastje van het dressoir gezet.
De kamerdeur piept, dus je opent en sluit hem heel voorzichtig om je vrouw niet wakker te maken. Dan ga je de trap op naar boven.
De trap maakt een bocht naar rechts. Duizenden malen heb je op die trap gelopen en die bocht gemaakt. Zo lang wonen jullie hier al.
Maar dit keer glijdt eerst je ene been weg en dan je andere. Je handen grijpen in de lucht, je valt achterover met je hoofd tegen de muur, en dan nog eens voorover alle traptreden af. Als een levenloos, gebutst omhulsel lig je onderaan de trap.
Nu wordt je vrouw toch nog wakker.

3.
Van je zoon, de jonge M., hoorde ik wat er gebeurd was. Ik ging naar het rouwcentrum waar je lag opgebaard. Het centrum had zijn best gedaan om al je blauwe plekken en builen weg te schminken, maar echt gelukt was dat niet. Je ogen hadden ze gesloten.
Wat was je eigenlijk klein en dun in die kist!
Ik keek een tijd naar het raadsel van de dood. Jouw persoonlijke raadsel hield me pas later bezig.
Ik zocht je vrouw op. Ze zat in jouw leunstoel en huilde. Hoe had het kunnen gebeuren? Hoe had ze het kunnen voorkomen?
Ze had spijt, berouw, dat ze al zoveel jaren geleden tegen je had gezegd dat jullie maar apart moesten gaan slapen. ‘Ach, die oude lichamen…,’ had ze als verklaring gegeven, en toen was er een tweede slaapkamer voor je ingericht.
Had ze je de laatste jaren niet teveel alleen gelaten? Had ze zich genoeg afgevraagd wat er in je omging?
Daar wist ik ook geen antwoord op. Dus ik humde alleen af en toe instemmend, ten teken dat ik je vrouw begreep, dat ik met haar meeleefde zelfs. Dat ook ik het erg vond dat er op jullie bovenverdieping voortaan een slaapkamer leeg zou staan.

Op je begrafenis sprak de jonge M. Hij sprak je rechtstreeks toe, zoals ik dat nu ook doe. Ik hoorde dat toen voor het eerst op een begrafenis.
In onze jeugd vroeg hij mij ooit of ik ouders kende die nog stommer lulden dan de zijne. Maar nu sprak hij liefdevol. Hij was ouder geworden en besefte dat hij van je hield.
‘Ja Pa,’ zei hij, nadat hij al je goede kanten had belicht. ‘Nu komen we toch onherroepelijk bij wat níet jouw sterkste punt was. Dat was praten, over wat je dacht of wat je voelde. Over jezelf.’
Het werd niet opeens muisstil in de zaal. Dat was het al. Maar het golfje van herkenning dat door de mensen ging die gekomen waren om jou te herdenken, was onmiskenbaar.

4.
Dat ik zo weinig weet over jouw laatste uren, dagen, maanden, jaren ligt natuurlijk niet alleen aan jou. Ik had ook zelf vragen kunnen stellen. Aan jou, toen je nog leefde, en later aan je vrouw of je zoon.
Maar je vrouw praatte tijdens mijn sporadische bezoeken al gauw niet meer over jou, maar over Indië, en de mooie tijd die jullie op de onderneming gehad hadden. Ze vroeg me soms om Indonesische woorden in te vullen die ze vergeten was (‘Ach, help me even….’), wat mij nooit lukte omdat ik alleen pedis en goedang had onthouden uit de tijd dat ik bij jullie kwam eten.
Later moest ik ook Nederlandse woorden voor haar gaan invullen. En toen je vrouw me een keer opgetogen begroette met ‘Peter!’, de naam van jouw intussen ook overleden broer, wist ik dat ik geen antwoord meer zou krijgen op de vragen die ik niet had durven stellen.
Je vrouw viel op een dag en brak haar heup. Toen die geheeld was, werd ze vanuit het ziekenhuis rechtstreeks vervoerd naar een tehuis waar ze nog tien jaar lachend en knikkend doorbracht in haar rolstoel, zonder ooit een woord te zeggen.

En je zoon? Terwijl ik dit schrijf, is de verleiding groot om hem alsnog te vragen wat er met jou is gebeurd. Maar ik spreek de jonge M. niet meer dan een of twee keer per jaar, en alleen door de telefoon. Elk jaar belt hij mij op de dag van mijn verjaardag, die toevallig ook de jouwe is. Misschien houdt hij zo ook de herinnering levend aan jou. Een paar maanden later bel ik hem op zijn verjaardag terug, als ik dat niet vergeet.
En daar komt bij: de jonge M. is niet jong meer. Hij is nu vijfenzeventig. Twee jaar ouder dan jij bent geworden, twee jaar ouder dan ik nu ben. Kort geleden had hij een herseninfarct, waarvan hij nog aan het herstellen is. Hij kon op tijd zijn zoon bellen die om de hoek woont. Hij heeft geluk gehad. Maar je kunt je misschien voorstellen, oude M., dat ik er nu niet zo makkelijk toe kom om telefonisch bij hem naar jouw einde te informeren.
Terwijl ik schrijf over wat er met je gebeurd is, moet ik dus mijn fantasie aan het werk zetten. En mijn herinneringen aan jou ophalen.
Je zit weer (of nog) in je woonkamer, laat op de avond, hoofd in je handen, whiskyfles en glas op tafel. Waar denk je aan?
Misschien aan je jaren als planter in Indonesië, door jou en je vrouw de rest van jullie leven als Indië aangeduid. Het paradijselijke land waar Soekarno jullie in de jaren vijftig zo onverwacht en onverdiend uit verdreef. En misschien ook aan de garage van je broer, waar je bij jullie terugkeer aan de slag kon, of beter gezegd moest. De rest van je werkzame leven heb je daar de klanten geholpen alsof het verkopen van auto’s je eerste keuze in het leven was.
Eén keer maar heb ik je teleurstelling gezien, op een avond toen ik als jonge student, geheel in de geest van die tijd, betoogde dat werken eigenlijk helemaal niet belangrijk was in het leven. Dat het er vooral om ging dat je jezelf ontplooide, dat dat op allerlei manieren kon, en dat het dus prima was als mensen niet werkten.
Jij kreeg tranen in je ogen, oude M., je verhief je stem, je vroeg mij om me eens voor te stellen hoe het was als je plotseling midden in je leven alles verloor, al het werk dat je met zoveel moeite had opgebouwd. Ik schrok en krabbelde haastig terug. Zo had ik het niet bedoeld, en zo wilde ik jou liever niet zien.
Misschien denk je aan je kinderen: twee al gescheiden, de derde op komst. Je begrijpt daar niets van. Waarom kan het bij hun niet gewoon zo gaan als bij jullie? Jullie hebben toch het goede voorbeeld gegeven?
Ja, je vrouw en jij waren een twee-eenheid, in woord en in daad. Al was het zo dat haar spottende, scherpe tong en grillige temperament altijd de boventoon voerden. Jij lachte op de achtergrond gul mee, je viel haar niet af, hoe onwaar of absurd het ook was wat ze zei. Ook als het gesprek ging over de exen van jullie kinderen waren jullie even solidair als genadeloos.
Misschien denk je aan je afnemende krachten. Aan hoe je vrouw honderden meters voorop loopt als jullie samen wandelen. ‘Lopen jullie maar door, hoor!’ zei je tegen mij en haar, toen ik jullie een keer tegenkwam en aanstalten maakte om een stukje mee te wandelen. Dat deden we. Ik kon haar bijhouden, ik was nog jong. Na een tijdje keek ik om en zag ik jou in de verte achter ons aan strompelen. ’Zijn knie,’ zei je vrouw terloops. ’Maar hij komt wel, hoor.’ Ze hield onze pas er stevig in tot we in het dichtstbijzijnde dorp waren.
Of je denkt aan de laatste keer dat je met je vrouw ging zeilen, vanouds je lust en je leven. Er stak een onverwachte wind op, je raakte de greep kwijt op het grootzeil, de fok, alles wat je vroeger zo moeiteloos bediende. Je wilde de motor aanzetten om terug naar de haven te gaan, maar die sloeg pas na een kwartier aan. Ongeduldig schoof je vrouw heen en weer op de hoge kant van de boot. Zij was nooit de schipper geweest, dat was jij, en toen die nog thuis woonden af en toe je kinderen. ‘Waar zijn die kinderen,’ zei ze, ‘als je ze eindelijk eens nodig hebt? Met jou alleen ga ik echt de plas niet meer op.’
Toen ze me dit verhaal vertelde, lachte ze hartelijk, en op de achtergrond lachte jij dapper mee.

Maar misschien heb je helemaal niet zulke vastomlijnde gedachten. Misschien gaat het juist om wat je niét onder ogen ziet, oude M., om waar je je niet bewust van bent.
Dat onbestemde ongenoegen dat niet valt weg te lachen, dat gapende gat van de ouderdom dat je vergeefs met whisky probeert te vullen.
Het onomkeerbare van het verleden, het uitzichtloze van de toekomst.

6.
Het kan je zo langzamerhand niet ontgaan zijn, oude M., dat ik een meer dan gemiddelde belangstelling voor je aan de dag leg. Misschien vraag je je af waarom.

Laat ik bij het begin beginnen. Toen jullie mij opvingen, was ik een stuurloze student op een kamer bij jullie om de hoek. In die kamer bevonden zich een tafel, twee stoelen, een wastafel, een eenpersoonsbed, een butagaskachel en een kastje met studieboeken. Mijn keukengerei bestond uit een bord, een mes, een vork en een glas. Ruim voldoende, want ik had geen keuken.
Geen wonder dat ik, als ik laat op de ochtend wakker werd, bij jullie koffie ging drinken, in de hoop tegen lunchtijd ook nog een boterhammetje te krijgen. Jij en je kinderen waren naar werk en studie, je vrouw lag ontspannen op haar bank te lezen als ik door de achterdeur binnenkwam. Ze liet mij de koffie malen en zetten, zodat ze zelf niet op hoefde te staan. Als ik de kopjes binnenbracht, begon ze meteen enthousiast te praten: over het boek dat ze aan het lezen was en de boeken die ze daarvoor had gelezen, over de mensen in de buurt en bizarre nieuwtjes die ze over hen te weten was gekomen, over jullie tijd in Indië, soms over mijn vriend de jonge M. en wat ze met hem aan moest, hij was vaak zo onaardig.
Maar ze praatte niet alleen, ze stelde ook vragen. Ze was zeer geïnteresseerd in het leven van een adolescent in de net losgebarsten jaren zestig en vond in mij iemand die daar, anders dan haar eigen zonen, wel iets over los wilde laten. Dat ik vooral vertelde over mijn snel opeenvolgende en tot niets leidende liefdesavonturen ontmoedigde haar niet. De hoeveelheid ervan vond ze ronduit indrukwekkend, en door haar luchtige, lacherige reacties wist ze mijn tamelijk depressieve bestaan te framen tot een bron van spanning en amusement, zelfs voor mijzelf.
Ze was bepaald niet burgerlijk, het ergste dat oudere mensen konden zijn in mijn ogen. En ze luisterde naar me. Dat was ik niet gewend.
Tussen de middag kwam jij thuis van de garage, oude M., en meestal was ik er dan nog. Je begroette me altijd even hartelijk, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat ik nu alweer bij jullie op de bank zat. Je ging naar de keuken, je maakte boterhammen voor je vrouw, voor mij en tenslotte voor jezelf. Je vroeg of ik nog koffie wilde.

Het duurde niet lang tot ik ook ’s avonds bij jullie mee at, maximaal vier keer per week en tegen betaling van twee gulden per keer. Niet jij, maar je vrouw zelf vond het nodig om aan haar genereuze aanbod tegelijk ook paal en perk te stellen. Bij jullie mee-eten leverde me niet alleen een betere gezondheid op (het snackbarvoedsel begon zijn tol te eisen), ik kreeg ook een goede inkijk in jullie gezinsleven.
Als jij om half zes thuiskwam van de garage, ging je meteen door naar de keuken om de (meestal Indonesische) maaltijd te bereiden. Je vrouw adviseerde je vanaf de bank over ingrediënten en bereidingswijze, riep dat het voor mij niet te pedis moest worden, en vroeg haar kinderen of mij om bier en andere benodigdheden uit de goedang te halen. Na een tijd bracht jij, meestal samen met de jonge M., het eten naar binnen; de overige kinderen en ik hadden dan de tafel al gedekt.
Tijdens de maaltijd was vooral je vrouw aan het woord. Ze vertelde monter wat zij die dag allemaal gelezen, gehoord en gedacht had, hooguit soms onderbroken door de jonge M. Maar ook mijn invloed aan tafel nam snel toe. Na een maand vroeg ik waarom er eigenlijk nog gebeden werd voor het eten als er toch niemand meer naar de kerk ging – dat had je vrouw me verteld. Ze keek me stomverbaasd aan en barstte toen in lachen uit. Jij lachte mee. Van je kinderen kwam uiteraard geen protest, en het bidden werd met onmiddellijke ingang afgeschaft.
Mijn trekpleister was aanvankelijk je vrouw, dat is duidelijk. Maar later begon jij me steeds meer te fascineren, oude M. Jij was de stille kracht. Je deed en regelde alles op de achtergrond, je was de man die het geld verdiende en met vaste hand de auto en de zeilboot bestuurde, je had altijd goede zin en een gulle lach, maar wie was je?
Je toenmalige schoondochter zei eens tegen me: ’Pa (zo noemde ze jou, ze was gek op je) praat eigenlijk alleen maar over dingen.’ Dat bracht mij in verwarring. Dingen zag ik als de natuurlijke vijand van de mens, en ik kon me niet voorstellen dat ik sympathie kon hebben voor iemand die alleen maar over dingen praatte. Ze had dan ook geen gelijk, je praatte ook graag over mensen die je had gekend en avonturen die je had beleefd, vooral in Indonesië en daarvoor tijdens je studie Tropische Landbouw.
Waarschijnlijk bedoelde ze dat zij niet wist wat jij dacht en voelde, wie jij eigenlijk was. En dus ook niet waarom ze gek op je was.

Terwijl ik over je schrijf, besef ik hoezeer ik al mijn hele leven geboeid ben door mensen zoals jij, van wie alleen de oppervlakte zichtbaar is, bijfiguren in hun eigen verhaal. Bij zulke mensen blijf ik onvermoeibaar speuren naar de scheuren en barsten die toegang zouden kunnen geven tot hun diepte.
Ik maak me intussen levendige voorstellingen van die diepte, ik probeer hoofdfiguren van ze te maken, ik vul hun diepte in zoals ik dat nu doe bij jou.
Maar in de loop van de tijd ben ik me af gaan vragen of er wel bij ieder mens een diepte is.

7.
Het kan ook heel anders gegaan zijn.
Je zit in je leunstoel in de woonkamer; achter je brandt de staande schemerlamp. Je bent verdiept in je boek, je maakt een vergenoegde indruk.
Voor je op tafel staat een glas whisky, waaruit je af en toe een klein slokje drinkt. Je bent voorzichtig met alcoholgebruik, want aan je jongste M. heb je gezien waar dat toe leiden kan.
Je kijkt naar de hangklok. Het is twaalf uur, tijd om naar bed te gaan. Je legt je boek neer, zet je bril af, wrijft in je ogen, kijkt even voor je uit. Je denkt aan weinig, aan niets in het bijzonder. Dan sta je op en knip je alle lichten uit.
De kamerdeur piept, dus je opent en sluit hem heel voorzichtig, om je vrouw niet wakker te maken. Dan ga je de trap op naar boven.
Precies op het moment dat je de bocht neemt naar rechts, knapt er iets in je bedrading, iets vitaals. Zomaar. Er is geen enkele reden voor die dieper gaat dan materiaalmoeheid.
Deze vorm van pech onderweg hoort bij het leven, en vooral bij de dood. Ze maakt deel uit van de stompzinnige tombola van het menselijk bestaan.
Eerst glijdt je ene been weg en dan je andere. Je handen grijpen in de lucht, je valt achterover met je hoofd tegen de muur, en dan nog eens voorover alle traptreden af. Als een levenloos, gebutst omhulsel lig je onderaan de trap.
Je vrouw wordt wakker van het kabaal. Ze ziet je liggen, blijft kalm. Dan belt ze de ambulance, die je naar het ziekenhuis vervoert zodat je nog een extra dag kunt leven.

Er zijn mensen die bij een dood als de jouwe spreken van een mooie dood. En toegegeven, veel blijft je bespaard, oude M. De chemokuur, de dialyse, de pacemaker, de stoma, de kunstknieën en -heupen, de prothese, het looprek, de rollator, de invalidenwagen, ik doe maar een greep. De traplift, niet te vergeten.
Maar de mensen die zo spreken hebben jou niet opgebaard gezien. Daar was echt weinig moois aan. Ook zijn ze niet je nabestaanden, die zich, net als ik, blijven afvragen wat er toch met je gebeurd is.
En drieënzeventig jaar is echt te jong. Daar zijn we het waarschijnlijk over eens.

8.
Ik denk aan wat Marcus Aurelius schreef: ‘Degene die herinnert en degene die herinnerd wordt, zij allen leven kort.’ Ik heb jou herinnerd, oude M., ik heb je herdacht. Nu wijst mijn klok twaalf uur aan en is het genoeg.
Ik leg mijn pen in het pennenbakje en berg mijn papier op in een bureaula. Nadat ik mijn lamp heb uitgeknipt, schuif ik mijn stoel onder het bureau. Mijn whiskyglas zet ik op een plank van de boekenkast, naast de bijna lege karaf.
Ik kijk nog een laatste keer de kamer rond, een ingesleten gewoonte.
Dan ga ik de trap op naar boven.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe podcast: Not just Hemingway, te gast: Cor Gout

Not just Hemingway Podcast is een nieuwe serie podcasts over het korte verhaal.
Een interview met Cor Gout, o.a. over korte verhalen schrijven.
Het korte verhaal van Cor’s keuze is: ‘Zwavelmans’ uit de verhalenbundel
Rotgeluk van Kristien De Wolf.

‘Not just Hemingway is dedicated to giving stage to the Short Story
from all corners of the world.’

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , | 1 Reactie

Lief, Heidi Koren

De minnaar en ik spelen een potje Wordfeud. Ik vanaf mijn tuinbank, blote voeten op het krukje, glas witte wijn binnen handbereik. Het is eind april en al langer licht, zodat ik na mijn werk op deze plek nog net even het laatste stukje zon kan meepikken. Hoe de minnaar er 85 kilometer Noordwaarts bij zit, weet ik niet. Als ik het hem vraag, zegt hij ongetwijfeld; met mijn blote kont op de bank. Dat zegt hij altijd.

Als één van ons de moeite zou nemen naar de ander toe te rijden, zouden we écht kunnen scrabbelen. Het bord tussen ons in, mijn voeten op zijn benen. Ondertussen zouden we de dag doornemen, wat hij gedaan heeft, wat ik gedaan heb bla bla bla. We zouden voor het slapen gaan de hond nog even uitlaten, hand in hand misschien, thuiskomen en twee bekers thee mee naar boven nemen, ons uitkleden in de slaapkamer en naakt onder het dekbed kruipen. We zouden lieve woorden fluisteren in het pikdonker. Woorden die klinken als zacht, of fijn en jij. Korte woordjes. Wie weet wat daar allemaal weer uit voort zal komen?

In plaats daarvan, schuif ik het woord klootzak het digitale spelbord op. Ik pak daarmee zowel de twee-keer- als ook de drie-keer-woordwaarde en win er bijna zeker het potje mee. Ik stuur er meteen een berichtje achteraan; het is niet persoonlijk, maar het blijft stil.

Een bruine merel op mijn schutting fluit uitgebreid naar een zwarte merel op mijn schuurdak. Een lange zin is het. Het klinkt als; goddomme waar heb jij de hele dag uitgehangen? Hij begrijpt de boodschap en windt er geen doekjes om, vliegt op en landt naast haar. Nadat ze wat korte kwetteringen uitwisselen, vliegen ze op en verdwijnen achter de hoge conifeer van de buren.

De minnaar moet zeker tien minuten bijkomen van mijn honderzeventien punten. In de tussentijd nestelt dat woord klootzak zich in mijn hoofd. Ik vind de minnaar zeker geen klootzak, nog voor geen honderdzeventien punten. Ik vraag me af of ik geen ander woord van die letters had kunnen maken. Dan legt hij lief, voor vijf punten en dat is genoeg om mij op te doen springen. Ik zit binnen twee minuten in de auto en rijd Noordwaarts. Ik heb een uur de tijd om heel veel lieve woorden te bedenken.

 

‘Literatuur als avontuur’
Zo hebben wij de blog genoemd die maandelijks op onze website zal verschijnen. De door ons uitgekozen blogschrijvers zullen zes maanden lang hun ervaringen met de literatuur in Nederland en België onder woorden brengen. Het kan gaan over hun eigen schrijverschap, over boeken die iets bij hen teweeg hebben gebracht, over personen en gebeurtenissen in boekenland, over ontwikkelingen binnen de literatuur die ze hebben waargenomen, over stijl, over taal, over ideeën. Maar laten we het vooral aan de schrijvers zelf overlaten waarover hun blogs zullen gaan. Een avontuur moet het ook voor ons lezers blijven. De eerste in de reeks is Heidi Koren. Zij debuteerde in 2015 met de bundel Gedachten over een mogelijk einde bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Ze doceert creatief schrijven aan jong en oud, werkt in een boekhandel en schrijft momenteel haar afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam.

Gepost in Extazeblog: Literatuur als avontuur, Home | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensies over:
Hans Muiderman, HANZE! en
Aly Freije, De vloeivelden in

Lees hier de recensies

HANZE!Aly Freije De vloeivelden in

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Zeer Korte Verhalen, Pieter van Cauwenbergh

Sjofel-chique

Op zoek naar de ultieme openingszin waarmee ik het onderscheid kan maken als prozaschrijver, zie ik in gedachten mezelf al zitten schrijven aan een veel te klein houten tafeltje met een veel te grote iMac erop. Het interieur van mijn appartement in spe is minimalistisch en hip: een sanseveria op het raamkozijn, een bibliotheek van op elkaar gestapelde houten kratten, de salontafel niets meer dan een Europallet op krakkemikkige Gamma-wieltjes. Kortom, sjofel-chique met hier en daar een Scandinavische toets. Ik zie het zo voor me. Nu die eerste zin nog.


0032

Om haar schrijfsels bij de Nederlandstalige uitgevers bekend te maken, gebruikte Marijke Van Assche steevast twee e-mailadressen. Het eerste was gekoppeld aan d’r website (www.marijkevanassche.be) en had ze hello@marijke.be genoemd. Met het andere adres solliciteerde ze dan in Nederland. Onder marije@gmail.com. En haar naam veranderde ze stiekem in Marije van As. Om het allemaal echt te laten lijken, vatte ze aan met ‘Hoipiepeloi’, mengde ze een stuk of wat ‘nou’s’ en ‘sjonge jonges’ erdoor en maakte ze van confituur jam en van croque-monsieur tosti. Afsluiten deed ze met ‘Ajuus’ of ‘Doeg’. Na jaren van tevergeefs proberen, besloot Marije van As dat het voorzeker aan de prefix 0032 lag. Of aan de website.

Concorde

Schrijfwedstrijd Sweek 2018, kernwoord ‘vlucht’

Mohammed Van Compernolle, de grote Vlaamse dichter met Nederlandse roots, zocht die broeierige julidag naar een verse insteek voor een nieuw gedicht, dat alvast de werktitel ‘Vlucht’ had meegekregen. Het zou een compositie worden over de grillige parabool van het leven, met zijn ups en zijn downs, en waarom dit allemaal eigenlijk zin had. Over de zin ervan zou Van Compernolle enkele suggesties aanreiken, waarmee de lezer het maar moest doen: laag na laag, sluier achter sluier. Het liedje op de radio klonk links-libertijns, flirtend met de grens van hip en kosmopolitisch. Comp had een bloedhekel aan hip. En eigenlijk aan alles wat Westers aanvoelde. Wat omhoog gaat, komt later onvermijdelijk weer naar beneden. Omgekeerd gaat het net zo. De vlucht van de Concorde boort haar baan door het bestaan en verzandt in de brand weer tot as, voor zij die haat in het hart toestaan. Te klef. Van Compernolle had een bloedhekel aan klef.

 

 

 

Gepost in Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Drie gedichten, Arne Deprez

bijna niets

zullen wij onaf blijven?
maar dan niet
afhankelijk

misschien kan onbeholpen
op de foto wel
en te klein ook

zelfs als wij straks allen met dubbele mobiele data
en wifi op de trein
en onze Brother 3D-print, ook thuis
in kleur

misschien zelfs als wij met een omgekeerde voedingsdriehoek
en naast de bewegingsdriehoek
ook een welzijnsdriehoek, een kwestie
van onze mentaliteit
maar ernstig dan

bijvoorbeeld in combinatie
met een suikertaks
en liefst zonder fiscaal voordeel dan ook

misschien dat wij zo
wel ietske

 

de tere plek

wat zullen wij?

misschien willen wij
onvermurwbaar gewoon
ademen

misschien verlangen wij
naar waar alle verschil wegvalt
maar dan als een andere soort
onverschilligheid

misschien naar waar zij niet springen
naar het veel te zilte van een stuk brood
in de branding

misschien willen wij gewoon
modern zijn, maar dan echt
het zuchten voorbij

dus hulde brengen aan strakke lege lijnen
en hun sacrale ruimte, de opwaartsheid
en de mooie verhoudingen
die kloppen

het zal een andere tijd

 

#genoeg

zullen wij genoeg kunnen taggen?
om alles…

of toch zoveel #mogelijk
om toch maar, al was het maar…

omdat #wij niet herhalen
dát kunnen wij aanbrengen
omdat #wij willen hernemen om
dan #verder te gaan
maar of dat #vergenoeg?

toch willen #wij dit zo #effenvechten
dat zo optillen, elkaar dusdanig
pogend te verheffen
trachtend te
volhoudend
en elkaar een #gelukkigeverjaardag
blijven wensen ook

wij zullen ons klaarmaken

maar of #wijgenoegzullen?

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Het nieuwe nummer bijt:

Donderdag 7 juni werd de nieuwe Extaze: ‘Bijtende teksten’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

Cover Extaze 26: Bijtende teksten

B E S T E L L E N

Bijtende teksten

ESSAYS
Sander Bax en Eline Peeters beschrijven hoe W.F. Hermans, ‘de venijnigste pennen-
strijder die we in Nederland gehad hebben’, zijn polemieken vanuit het autonome literaire veld (gericht op literaire critici en schrijvers) uitbreidde met debatten die hij voerde
in de publieke media, maar daarbij vasthield aan zijn positionering als autonoom auteur en de wetten van de massamedia aan zijn laars lapte: ‘Nee, het is een vertelgesprek
van mijn kant’.
In zijn essay over Lucebert plaatst Wim Hazeu kanttekeningen bij diens pro-nationaalsocialistische uitspraken die hij in particuliere brieven uitte, en bij zijn aanmelding bij de Arbeitseinsatz. Hij wijst dan op zijn huiselijke situatie, zijn avontuurzucht, zijn beïnvloedbaarheid, zijn liefde voor de Duitse literatuur.
Het begrip dat Hazeu voor de jongeman opbrengt kent zijn grenzen, maar wel stelt hij vast dat Lucebert met zijn werk geantwoord heeft op die episode in de oorlog. Enigszins aansluitend op het bovenstaande is de passsage in
Rutger H. Cornets de Groot’s essay ‘Dat niet zou mogen deren’, waarin hij Lucebert
als voorbeeld noemt van een dichter die zich in zijn kritische gedichten niet verschuilt achter een gehekeld persoon (door middel van pastiche, parodie of karikatuur),
maar aan de literatuur de oneigenlijke eis stelt een middel te zijn tot een buiten
de literatuur gelegen doel.
Dick Brongers analyseert in ‘Mefisto op de radio. Max Blokzijl, de verleider der wankelmoedigen’ de demagogische, opruiende taal in de wekelijkse praatjes van Max Blokzijl voor de radio: ‘Het nationaalsocialisme zit in de lucht. Deze leer is gekomen op het ogenblik, waarop de menschelijke samenleving er overrijp voor was.’
Leonor Faber-Jonker herinnert zich anekdotes, woordgrapjes, associaties en uitspraken, vaak over taal (‘eenvoud is macht’) van popdichter, punkdrummer en iconoclast Ton Lebbink, en herinnert zich haar eigen ‘bekering’ tot de punk: ‘De venijnige teksten van de Vibrators, The Stranglers en de Buzzcocks gaven me hetzelfde bevrijdende gevoel als de humor van de VPRO, het dragen van wijde zilveren broeken
en verboden sigaretjes.’
Nico van Apeldoorn vertaalde politieke teksten van Boris Vian (1929–1959), oorlogspoëzie van Siegfried Sassoon (1886–1977) en gedichten tegen de slavenhandel van Robert Southey (1774–1843) en voorzag hun gedichten van een inleiding.

KORTE VERHALEN
Flip Filz
Rutger Heringa
Jochem F. Melis
Ward Mertens
Dirk Rodenburg

GEDICHTEN
Liesbeth Aerts
Job Degenaar
Maria van Oorsouw
Margriet Westervaarder

BEELD
Sebastiaan Schlicher

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 26: ‘Bijtende teksten’

Extaze in de Houtrustkerk 26

Op 7 juni a.s. om kwart over acht gaan de tanden erin. Doet dat pijn?
Dat kan, maar het kan je ook bij de les houden, je wakker schudden,
je op gedachten brengen, je prikkelen. Over bijtende teksten gaat het die avond.
Maar ook muziek zonder tekst kan bijten. Luister maar naar de honkin’en boppin’ jazz
van de groep RED, waarvan twee leden (Ellister van der Molen en Bob Wijnen)
de avond opluisteren met hun ‘mean’ maar niet kwaadaardige muziek.
Hoe klonken de bijtende teksten van Max Blokzijl, die met zijn radiopraatjes
van 1942–1945 hoop bracht bij de Duitsgezinden en wrevel wekte bij de luisteraars
die niets met Mussert en zijn NSB te maken wilden hebben? Dick Brongers
laat die teksten in de kerkzaal weerklinken.
Wie kent de teksten van popdichter Ton Lebbink (†), knabbelend
aan de burgerlijke moraal? Leonor Faber-Jonker kent ze. En ze kende Ton Lebbink.
Als hij haar ‘mormel’ noemde, wist ze dat het goed zat.
Rutger H. Cornets de Groot weet dat de ene polemische tekst de andere niet is.
Bijten doet niet iedere strijdende tekst, hij kan ook een bede,
een wens of een stellingname uitdrukken.
Hoe zit het met de scherpe randjes aan de gedichten van Maria van Oorsouw?
Ze zijn er, maar Sebastiaan Schlicher kan ze in zijn fragment van de opnames
met noise-collectief Amerikan Teenager desgewenst aanscherpen.
Al met al: gedeerd zult u de zaal niet verlaten. Gestaald wel!

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

 

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 Reactie

Alternatief, door Christiaan Oerlemans

Lang geleden toen ik nog hard liep, knalde ik met mijn voorhoofd in volle vaart tegen de kopse kant van een stalen balk. Het was de balk van een zonnescherm dat op voorhoofdshoogte was neergelaten. Voordien nimmer neergelaten geweest, leerde ik later, toen ik bijkwam. Het hing ineens in mijn traject; poortje onderdoor, scherp de hoek linksom langs het rozenperk en bwahmm. Aardige mensen van een gelijkvloers kantoor, kwamen mij optillen, gaven mij een glaasje water. Enfin, voor de zekerheid naar de 1e hulp, ja hoor zware hersenschudding. Daarmee moet je geduld hebben, heb ik ondervonden. Na een paar dagen weer aan het werk, en weer een paar dagen later volledig uitgeteld, als een dweil drie weken op de bank. Dat je het maar weet, denk niet te licht over het schudden van je hersens. Maar ik wil het daarover niet hebben. Interessanter is dat ik erna mezelf niet meer okee voelde. Neurologische onderzoeken en ga maar even door. Niks te vinden. Volgens mijn buurman, de fysiotherapeut gespecialiseerd in rug- en nekproblemen, had ik een whiplash…ha, dat is een kwetsuur die niet meetelt in de medische wereld. Wat nu te doen? Massage, natuurlijk en het spierstelsel onderwerpen aan prikkelende zwak elektrische stroompjes. Je moet het lichaam helpen zichzelf te genezen. Zenuwbanen voelen zich gekwetst, vandaar. Ter oriëntatie bezocht ik een bijeenkomst van verenigde whiplashlijders(sters). Wow…nooit zou ik meer beter worden. Zelden zulk georganiseerd doemdenken meegemaakt. Ik kreeg de indruk dat sommigen hun whiplash koesteren. Daarna elke week naar een dure kliniek, aan het infuus. Reiki behandelingen ook. Canadese massage die verrekte pijn deed. Heel bijzonder waren ook mijn visites aan een man (garagemonteur) met genezende handen. Had zijn gave ontdekt toen de hond van de buurman ziek was. Hij had die hond beter gemaakt. Erg lieve man, deed het uit hulpvaardigheid, vroeg slechts een tientje voor een uur magnetisme. Helaas hielp het niet. Ook nog op advies – je krijgt veel advies, ongevraagd ook – naar Zuid Limburg geweest waar een fantastische aura-lezer mijn energiebanen ging rechtzetten. Hielp ook niet. Mensendieck gedaan, wekelijks trainingen op de mat en thuis oefenen, ja hielp wel, dit helpt volgens mij iedereen. Mijn buurman, voornoemde fysiotherapeut, had een vriend die arts was en deskundig kon kraken. Heb ik één keer laten doen, als volgt: mijn hoofd onder zijn arm, ‘nu even volledig ontspannen, wees niet bang, laat maar gaan…’ En toch nog onverwacht rukte hij zowat mijn hoofd van de romp. Misschien heeft het geholpen, maar ik durfde geen tweede keer.

Hoe kom ik op deze verhalen? Omdat ik vijf jaar gesukkeld heb en in stad en land het alternatieve circuit heb leren kennen. Als de dokter zegt dat je niks mankeert, terwijl je zelf het tegendeel voelt, dan kun je twee dingen doen: dagelijks met een neksteun somber naar het weer gaan zitten kijken, ofwel op pad. Omdat dit inmiddels mijn vierde hersenschudding was – ja ik loop nog wel eens met mijn kop ergens tegen aan, teveel in gedachten denk ik, of te haastig – had ik wat inmiddels Post-Concussion Syndrome genoemd wordt. Rust helpt zegt men en vooral weinig stress haha, je nek staat stijf van de stress. Maar goed, ik ben er uiteindelijk overheen gegroeid zoals dat heet, beetje nekpijn went wel. Het meest irritante was uiteindelijk ‘oorsuizen’ (tinnitus) maar daar kan ik inmiddels ook mee leven.

Even tussendoor: in het tijdschrift voor slechthorenden schreef ik een artikel getiteld ‘krekels in mijn hoofd”. Het was bedoeld als opbeurend verhaal, een beetje zoals ik ook een opbeurend boekje heb geschreven over prostaatkanker, en ik kreeg mooie reacties. De mooiste was een lange brief van een non. Zij woonde met nog een paar nonnen in een klooster. Haar tinnitus klonk als een zware dieselmotor schreef zij. Zij was altijd blij als zij aan de beurt was voor het gebruik van de ‘Walkman’, dan lag zij in haar cel met muziek op de oren. Er waren meen ik tien nonnen, dus eens in de tien dagen was zij enigszins bevrijd van die bonkende motor in haar hoofd. Mijn god dacht ik – dacht zij waarschijnlijk ook – wat kost zo’n walkman nou helemaal. Dus gekocht en toegestuurd en kreeg een heel lieve bedankbrief. Nee zij hoefde haar eigen walkman niet te delen met de andere zusters…

Ja er schuilt veel triestheid onder de mensen. De auteur die hierover aangrijpend schrijft is Griet Op de Beeck. Ik noem haar omdat ik net haar laatste boek heb gelezen: ‘Het beste wat we hebben’. Een goede gezondheid is wellicht het beste wat je kunt hebben, afgezien van liefde. Omdat ik op mijn leeftijd veel mankementen ervaar, krijg ik veel tips. Goed bedoeld natuurlijk. Zo werd mij laatst door een nogal spirituele vriendin een genezer aangeraden hier in Portugal, waar ik veelal verblijf.

De weg erheen was omslachtig en lang. Ik mocht om 20:30 komen omdat er iemand was uitgevallen. Een half uur over de snelweg, dan twintig minuten het achterland in en uiteindelijk nog een heel eind doorsukkelen over een zandweg. ‘U herkent het huis wel’, zei de assistente. ‘Het heeft een etage (inmiddels verboden hier in de campo) en er staan veel auto’s’. Toen ik uiteindelijk maar wel precies op tijd arriveerde stonden er inderdaad langs de zandweg veel auto’s. In the middle of nowhere, zoals dat heet. Het hek stond open en ik werd tussen twee touwen naar een achteringang geleid. Hier waren handgeschreven instructies op de marmeren stoeptreden geplakt: geen mobiele telefoons hier in huis, laat je telefoon in je auto!. Deur was half open.Via een rommelige hal moest ik een roze marmeren trap omhoog. Op de trap stonden mensen. Op de overloop nog meer mensen en rechts in een kleine kamer nog meer mensen. Boven aan de trap linksaf was het heel erg druk. Verontschuldigingen mompelend drong ik verder totdat ik de assistente zag. Oudere mevrouw met hoornen bril in donkergrijze japon op een plastic stoel achter een soort balie waarop merkwaardige voorwerpen, zoals een groot roze pluchen spaarvarken. Rechts een kamerscherm uit betere tijden, beplakt met krantenknipsels en handgeschreven opwekkingen, alsook de prijslijst: 10 euro voor een consult, 20 euro voor een behandeling. ‘Wat zijn uw klachten?’ vroeg zij. Ik noemde er een paar. ‘Ja, dat is wel genoeg’ zei ze. ‘Druk hier’ merkte ik op. ‘Ja, de mensen komen hier omdat ze geholpen worden’. Ik telde minstens dertig klanten, voornamelijk Portugezen, maar ook enkele Nederlanders, een Engelsman en twee Duitse dames. Regelmatig kwam iemand 10 of 20 euro afrekenen. Ik mocht tegen de wand zitten naast een man met wonderlijke sensors op zijn oren. Hij zat aan een paar draden bevestigd. Tegenover mij twee mannen op blauwplastic stoelen voor een televisie, met voor de borst op een standaard een soort metaaldetector, of stofzuigermotor, dat kan ook. Er stonden apparaten met digitale cijfers en knipperlichten. Na drie kwartier was ik nog niet aan de beurt. Achter het kamerscherm werden mensen geholpen en achter een deur links van mij verdween nu en dan iemand, die daar kennelijk ook werd geholpen. Een oosters uitziende vrouw hielp met de apparaten waaraan mensen werden gekoppeld. Een niet onaardige blonde vrouw liep nu en dan voorbij. Ook zag ik een kalende man naar het gangetje gaan. De genezer? Het rommelige vertrek met oude posters en slordig gestapelde tijdschriften werd verlicht door een kaal peertje aan een draad, plus de leeslamp van de assistente. Het werd buiten aardedonker. Ik maakte me zorgen want slechte ogen vormen een van mijn mankementen. Als ik nog maar terug kon over dat smalle zandpad…

Post-Concussion Syndrome: vooral weinig stress, dat helpt, zegt men. Hoezeer ik ook kennis had willen maken met deze genezer die voor weinig geld zoveel mensen helpt en ongetwijfeld onbaatzuchtige bedoelingen heeft, ik kon het niet langer uithouden op die plastic stoel in dat overvolle kamertje.

‘Ach’ zei de assistente ‘wat jammer nou, wilt u een andere afspraak maken?’

Ik denk er nog over na.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , , | Plaats een reactie

Kerstversiering, Lucia van den Brink

Ik herinner me
jouw gezicht
nog goed

van toen je me
zo hard duwde
dat we allebei schrokken
van het gekraak
dat mijn schedel maakte
toen ik de muur raakte

en ik
ik was zo sterk
dat ik de blauwe plekken
altijd liet verdwijnen
en de wonden
liet genezen

maar hoe ik ook
probeerde
de herinneringen
bleven als littekens
die niemand zag
en die verborgen
onder een laag kleding
mijn gedachten
ontsieren

maar jou siert het
net als de slinger
die om de kerstboom zat
dat jij het je niet
herinnert
lieve mama

Lucia van den Brink (26 jaar) studeerde Japans en Journalistiek aan de Universiteit Leiden. Ze werd genomineerd voor de ECI Editio Debutantenschrijfwedstrijd, publiceerde bij De Optimist en TheTittyMag. Ook is ze (mede)hoofdredacteur van het boekenblog Readalicious.nl

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Hein van der Hoeven, Jongen met rood vest door Arjen van Meijgaard

Hein van der Hoeven rood vest

Hein van der Hoeven, Jongen met rood vest,
Haarlem 2018 (In de Knipscheer)

Lees hier de recensie.

Gepost in Home | 1 Reactie

Het doktersbezoek, door Hester van Gent

Vandaag kijk ik niet in het water als ik langs de singel loop. Meestal werp ik er even een blik in. Maar nu niet. Vluchtig scheren mijn ogen over het wateroppervlak en laten dan meteen weer los. Vandaag kijk ik liever naar de tekenen van lente: de krokussen in het plantsoen, wat aarzelende katjes aan de wilg en de geparkeerde auto’s van de buurtbewoners die op de fiets naar hun werk zijn gegaan.
Ik loop naar museum Boijmans van Beuningen voor de tentoonstelling Kunst van formaat, met grote werken vanaf de jaren vijftig.

Vanuit de garderobe van het museum snel ik, om niet te worden afgeleid van dat wat ik graag wil zien, voorbij alle werken die ik onderweg tegenkom, in de richting van de tentoonstelling. Ik wil zelf mijn blik sturen. Maar aan de schilderijen in het trappenhuis kan ik niet voorbijlopen. Daarvoor zijn het er te veel. Dicht boven elkaar, pal naast elkaar, in diverse stijlen en uit verschillende tijden. Ik stoor mij aan de kakafonie van lijn, beeld en kleur en wil snel doorlopen. Maar om de een of andere reden vertraag ik toch mijn pas. Vlug scan ik de schilderijen, alsof ik van mijzelf eerst een ordening moet aanbrengen in wat ik zie alvorens ik door kan lopen.
Mijn blik blijft hangen aan een werk dat mij de rest van de kunstwerken doet vergeten: een schilderij met, centraal op het doek, een rood huis. Het doktersbezoek (Het huisje van Kafka) heet het, geschilderd door Hendrik Werkman. Het lukt mij niet om mijn blik van het werk af te halen en door te lopen. Door de centrale positie en de rode kleur springt het huis in het oog. Achter de ramen brandt geel licht, zo lijkt het. Maar als ik wat preciezer kijk, blijkt dat niet juist. Nee, het geel is de kleur van de luiken die het huis verduisteren. Maar één gevelopening is niet afgedekt. Dat is de deuropening. Daarin staat een man. Jas aan, hoed op. Het zwarte silhouet moet dat van de dokter zijn uit de titel van het schilderij. Ik neem de omgeving van het huis in mij op. Rechts staat de koets van de dokter, met een paard dat zijn hoofd laat hangen. In de lucht zwermen vogels, en op de voorgrond zie ik een vijver, omlijst door een hek. Waar bevindt zich de zieke? Daar kan ik niet achterkomen. De luiken sluiten de ramen af en langs het silhouet van de dokter kan ik niet verder het huis in kijken.

Onbevredigd loop ik verder naar de exposite Kunst van formaat, waarvoor ik immers ben gekomen. Maar mijn gedachten zijn nog bij Het doktersbezoek. Ik bekijk de expositie zonder de werken in mij op te nemen en loop terug naar het trappenhuis. Weer trekt het schilderij met het rode huis mijn aandacht. En weer zie ik de dokter. Hij kijkt niet het huis in, zoals ik aanvankelijk dacht, maar richt zijn blik naar buiten. Hij kijkt naar mij. Ik zoom uit en blik voor het eerst in de vijver. In de donkere vlekken van het water zie ik twee figuren die bezorgd vooroverhangen. Over het ziekbed van de toeschouwer. Over mijn eigen ziekbed.

Het doktersbezoek – Werkman

Gepost in Columns, Home | Getagged , , | 1 Reactie