Bad Schweinstein, door Mischa van den Brandhof

Van onze correspondent

In de Sollingse Thermen ontstond vorig jaar commotie toen er een wild zwijn opdook in het zwembad. Het wellnessbad is sindsdien één dag in de maand open voor everzwijnen. Onze correspondent Edwin Varrekke ging op onderzoek uit.

U kreeg onverwacht bezoek van een everzwijn?
‘Ja, dat klopt. Vermoedelijk was hij de rivier overgestoken en via de ligweide bij het buitenbad beland. Daar glipte hij naar binnen en plonste tussen de verschrikte badgasten het water in. Nadat hij wat rondgezwommen had, klom hij het bassin uit en rende regelrecht naar de gastronomie. Er moesten drie medewerkers aan te pas komen om hem via de dienstuitgang weer naar buiten te krijgen.’

Toen dacht u, dat moeten we vaker doen?
(Lachend) ‘Nee, dat niet. Maar het zette ons wel aan het denken: is het niet tijd voor nieuwe clientèle? En zo ging het balletje rollen.’

Een spa voor everzwijnen?
‘Veel wilde zwijnen kampen door hun borstelvacht met huidproblemen. Onze heilzame zoutwaterbaden doen wonderen. Daarnaast hebben we het traditionele modderbad in een nieuw jasje gestoken. Ook is er een special dagmenu, met gepofte kastanjes voor de kleintjes.’

Is het waar dat alle prijzen in natura zijn?
‘Ja, we accepteren eikels, beukennootjes, en dennenappels. Maar het is ook mogelijk om hand- en spandiensten te verlenen, denk bijvoorbeeld aan het omwroeten van de perkjes.’

Wat heeft u het meest verrast?
‘De enorme belangstelling voor de edelsteengrot. Doorgaans wordt deze slechts matig bezocht, maar nu staan ze in de rij om de kleurrijke lichtjes te bewonderen. We kunnen de ligstoelen haast niet aanslepen.’

What’s next?
‘Op termijn overwegen we poedeldagen voor wasberen, maar voorlopig hebben we onze handen vol.’

Een gat in de markt?
‘Absoluut.’

Het wildbad is elke laatste zondag van de maand geopend. Let wel: een zwembroekje is verplicht!

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Het kleine vergeten, door Marcel Ozymantra

Het stelletje in de auto die pardoes voor haar remde keek verbaasd naar hoe ze overstak. Elyse liep naar de andere kant van de straat als een loper in een schaakspel. Diagonaal en telkens als ze corrigeerde weer diagonaal. Het was beter door te gaan dan stil te staan. De wijsheid van een gebroken tegeltje.
In een portiek met een statige groene deur bleef ze hijgend van de angst staan. Haar oksels waren nat en met moeite wurmde ze een hand met een busje deo onder trui en bloes. De duif op de vuilnisbak naast haar wist niks van zweet, enkel van honger.
De kerkklok sloeg twee bronzen slagen. Alles boven haar, de lucht gespannen van horizon naar horizon, was als een aluminium helm. Iets kabbelde vlakbij haar. Ze was niet in de buurt van een rivier of beek. Elyse propte haar bloes moeizaam in de broek en nam een slokje bronwater. Ze wist niet dat je kon vergeten hoe je rechtdoor moest lopen.
Lusteloos knabbelde ze op een stengel selderij. Zo’n dieet kon zwaar wegen.

Drie vrouwen op een rij kregen een wasbeurt. Kranen sputterden. Haar kapper keek verwachtingsvol door zijn wimpers.
‘Zeg het maar, schatje.’
‘Ik wil een afspraak maken voor… ehm… Jean-Marc, ik schaam me, maar welke maand is het ook alweer?’ De kapper glimlachte.
‘Het is juli, schatje. Ju-li.’ Een lok haar verborg haar hoge voorhoofd. ‘Wat is er aan de hand, Elie? Is het gisteren laat geworden?’
‘Eh, Ja, het was gezellig, ja…’ Was ze nou echt vergeten hoe je een datum voor een nieuwe afspraak prikte? Welke dag was het vandaag eigenlijk? Je kon zoiets niet vragen. Zelfs niet aan Jean-Marc die al jaren haar coup van stijl en uitstraling voorzag. Het gaf haar een oncomfortabel gevoel dat ze het belangrijk vond wat mensen van haar dachten. Maar ze was net als ieder ander, dacht ze. Net als ieder ander!
‘Ik weet niet eens meer waarom ik hier ben!’ De lach klonk zelfs haar een beetje hysterisch in de oren en ze kon zien dat Jean-Marc alleen voor de vorm meedeed.
‘Kan ik misschien nú?’
‘Maar natuurlijk, Elie, ga daar maar vast zitten.’
Ze nam plaats aan de vierde douchebak, naast een oude vrouw waarvan het haar snel weer in het juiste staalwolmodel zou terugspringen. ‘Wat wil je drinken?’ vroeg Jean-Marc toen hij terugkwam.
Na een slokje van de koffie wist ze weer welke dag het was. Ze moest Dion van school halen! Elyse stond abrupt op, sloeg de handdoek verwilderd van haar schouders, liep Jean-Marc bijna om die net shampoo in zijn handen had gespoten en maakte vluchtige excuses.
‘Volgende week dan maar, Elie?’ zei hij lachend.

Tijdens het rennen kon ze op de kerktoren zien dat er nog tijd genoeg was. Elyse vertraagde haar pas en pakte een stengel selderij uit haar handtas. Na de scheiding was ze gaan diëten. Niet dat ze het nodig had, maar ze voelde zich er gewoon beter bij. Ze dacht dat Hector een ander had. Hij zou toch niet alleen maar bij haar weggaan omdat het niet meer goed ging? Het ging al zo lang niet lekker! Maar ze dacht dat ze het hadden uitgepraat. Daar zou hij Dion toch niet voor in de steek laten? Al was het niet zijn kind. Ze beet hard een stukje selderij af.
Volgens de schoolbel kwam ze precies op tijd. Op het schoolplein stonden nog meer moeders met hun fiets en een enkele vader. Elyse begon een gesprekje met de moeder van een vriendje van Dion. Ze hadden het vermoeden dat hun zoons elkaar hadden leren kennen omdat ze dezelfde naam hadden.
Haar zoon rende niet harder of langzamer dan de andere kinderen. Allemaal blonde en peperkleurige kopjes in felle kleding gillend omdat ze vrij waren. Hier en daar was een gekleurd gezichtje te zien, net zo opgelaten. De grotere kinderen volgden bedaard, maar hun blijdschap was ook te zien. Ze vond het heerlijk dat haar zoon ongegeneerd kon genieten, maar ze maakte zich zorgen dat hij zou struikelen.
Hij sprong naar haar armen, maar ze kon hem met geen mogelijkheid oppakken en knuffelen. Ze was vergeten hoe ze voorover moest buigen! De andere ouders deden het moeiteloos. Hij sprong weer op, te enthousiast om haar aarzeling te merken of zich te schamen. Hij lachte er zelfs bij alsof het een nieuw spelletje betrof. Een van de ouders keek haar vragend aan. Ze voelde een harde knobbel van spanning longen en hart in elkaar drukken. Weer koud zweet, weer zware adem en pijn in de nek.
‘Kom, Dion, geef me een hand, dan lopen we het stukje.’ Hij keek haar met grote ogen aan en strekte toen zijn armpje uit. Ze voelde tranen opkomen, terwijl ze naast elkaar liepen.
Wat was er aan de hand? Wat als ze haar kind nooit meer in haar armen kon nemen? Ze probeerde een doos die bij de vuilnis stond te pakken. Dat was geen probleem. ‘Zullen we wat leuks doen, Dion? Stap hier eens in?’ Hij keek verrast op en klom erin. Ze pakte de doos op en zo liepen ze verder, op weg naar de supermarkt. Giechelend zette ze hem in het winkelwagentje. Zijn giechelen schetterde door de drukke winkel. Een aantal klanten keek vertederd toe.
Ze wilde Hector bellen, haar ex, maar ze hadden alleen contact over zakelijke dingen. Het huis, de alimentatie. Of hij begon over zijn werk. Ze kon even geen historische betoog over de oude Grieken aanhoren. Het was vreemd niet meer die vertrouwdheid met hem te voelen. Ze hadden het vroeger over alles en ze miste zijn steun.
Gelukkig was haar nieuwe appartement niet ver van school. Ze kende ook ouders die de hele stad moesten doorfietsen. Het was te lastig om hem in de doos de trap op te krijgen. Lenig als een chimpansee klauterde hij helemaal alleen tegen het donkerrode tapijt op. Misschien had ze hem te beschermend opgevoed. Haar moeder was voor haar gevoel te vrij geweest. Die nam haar en haar broer altijd overal heen en vergat hen soms een beetje op een feestje. Maar wat was dan de beste manier om een kind op te voeden? Ze wilde er een boek over kopen, maar realiseerde zich dat het misschien te laat was.
Elyse zette thee, terwijl de kat op het aanrecht de boodschappentas kopjes gaf. Dion opende de laptop. Toen ze met een hete mok op de barkruk zat wist ze weer hoe het moest. Ze pakte haar zoon op alsof het jaren geleden was. Hij kraaide vrolijk naar haar, maar met een handje greep hij kansloos naar de muis. Ze dansten door de ruimte, bijna struikelend over het voetenbankje. Het was moeilijk Hector gelijk te geven, maar ze begreep het wel. Er waren zoveel dingen waar ze het niet over eens konden worden. Op vakantie wilde hij het liefst naar steden en zij naar stranden. Uiteindelijk kwamen ze steeds op het platteland terecht.
Het was allemaal niet zo makkelijk, dacht Elyse, terwijl ze haar zelfgemaakte tzatziki at. Ze raakte gefixeerd door de wandklok met grote zwarte cijfers. De wijzers trokken haar oog tergend langzaam mee. De secondewijzer haperde telkens voor de abrupte overgang naar het volgende streepje. De grote wijzer trilde aarzelend om de overstap te maken, als passagiers voorop een pontje bij het aanleggen. Elk beeld dat haar iris bereikte raakte los van het vorige.
De grote wijzer aarzelde, van drie naar vier, opgejaagd door de kleine, ingehaald en overgenomen en weer ingehaald door de secondewijzer. Ze vroeg zich af wat voor spel Dion speelde. Ze geloofde niet dat videogames aanzetten tot geweld, maar toch, iets in zijn ogen als hij zo geconcentreerd bezig was riep haar beschermzucht op. Ze moest Hector bellen, hem uitleggen, vragen… De wijzer, de wijzer, ze kon niet stoppen met kijken. Altijd maar binnen spelen. Wilde hij dan niet aan een sport doen? De wijzer. De wijzer… Dorst maakte haar duizelig. Ze kon niet opstaan, zo geobsedeerd als ze was door het verlopen van de tijd.
‘Lieverd, zou je voor mama een glaasje water kunnen pakken?’
‘Maar ik ben net op een nieuw level!’
Daar zat ze, uitgedroogd als een banaan in de woestijn, geplakt aan de goedkoopste klok van het warenhuis. Ze bracht haar pols omhoog tot het horloge voor haar neus hing. Haar ogen sprongen over van de wandklok naar de armklok. Nu kon ze zich naar de koelkast draaien door haar arm te verplaatsen. Het bleek toch nog een hele toer om de melk te pakken. Haar ogen kwamen losser van de klok met elk slokje dat ze nam. Vocht maakte de herinneringen vrij, maar wat maakte dat ze vergat hoe ze niet naar de klok hoefde te kijken? Wat als ze vergat om te ademen?

Een uurtje later zaten ze naar het jeugdjournaal te kijken. Een aardbeving in het zuiden van de wereld, een afgezette regeringsleider in het oosten, hongerige kinderen in een ander zuiden, de mogelijkheid dat het wereldkampioenschap voetballen naar België en Nederland kwam. Het was prettig dat ze het nieuws zo makkelijk en lief brachten. Zo zag ze de wereld graag: als door de ogen van haar kind.
In Griekenland hadden bergbeklimmers de bron van de Lethe ontdekt, een mythische rivier die vergeetachtigheid zou veroorzaken. Ze moest grinniken, aangezien zij juist door water ging herinneren. De rivierbedding zelf was al eeuwen in gebruik als akkergrond, bevochtigd door de bron zelf. Sinds een paar jaar werd er ook uit de regio geëxporteerd, maar niemand had geklaagd. Misschien kwam dat doordat men het toch vergat, grapte de verslaggever.
Het was alsof ze zich herinnerde in de douche te hebben gepoept na een nacht drinken. Elyse rende de keuken in en keek op de verpakking van de dille: made in Greece. De komkommer: made in Greece. De selderij! Ze aarzelde niet en gooide het allemaal in de vuilnisbak. Na een korte pauze waarin ze nadacht, haalde ze de groente uit de bak en spoelde het weg in het toilet. Al dat gezonde voedsel… Vergetelheid.
Ze moest Hector bellen. Ze ging Hector bellen! Ze pakte haar mobiel en drukte de sneltoets in.

Gepost in Columns, Geen categorie, Proza | Getagged , , , , | Plaats een reactie

1 juni presentatie Extaze 22: ‘Beeldende kunst’

Extaze in Houtrustkerk 22

Kunstenaar Ton Mars opent de avond met een lezing die is gebaseerd
op het werk van de Duitse kunstenaar Hanne Darboven. Aan de hand van beelden zal hij laten zien hoe de nevenschikking van de zestienhonderd culturele vormen en beelden in haar Kulturgeschichte 1880–1984 een equivalent van de werkelijkheid vormt, een bloemlezing daaruit, die de bezoeker vrijlaat wat hij ziet naar eigen inzicht te beschouwen en een actualiteit te geven.
De grotendeels geïmproviseerde muziek van het duo Motabar-Roessler roept beelden op die Carmen van Haren in haar deel van het concert zal benoemen. Carmen van Haren is dichter, zangeres, multi-instrumentalist en componist.
Motabar-Roessler, inmiddels ook graag geziene gasten in het buitenland,
hebben hun roots in het Instituut voor Sonologie in Den Haag.
Sohrab Motabar (Iran) is een magiër met geluid en Leonie Roessler (Duitsland/USA)
voegt daar intuïtief, vakkundig gitaarspel aan toe.

Motabar-Roessler Duo en Carmen van Haren
Renée van Riessen kijkt als filosofe en dichter in beide disciplines ‘terug en vooruit’,
zoals de titel van een van haar gedichten luidt.
Els Kort regisseerde en monteerde de film ‘De kunst is geen wedstrijd’ over het project
van vijf studenten van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag
die in opdracht van Extaze werk maakten/selecteerden voor Extaze 22
en het werk/werkproces ook filmden.
Het werk van het vijftal Sam Andrea, Lucas van Eeden, Angie Korst,
Gerolamo en Freerk Wilbers zal in de kerk te zien zijn vanaf donderdagavond
1 juni t/m zondag 4 juni.
Aan het begin en het eind van de avond zal de naam van Pierre Janssen
enkele malen vallen.

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Aankondiging op de website van de KABK: Royal Academy of Art The Hague

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Voorproeven: Extaze 22: ‘Beeldende kunst’

Verkrijgbaar vanaf 1 juni:

cover Extaze 22

Beeldende kunst

Essays
De naam van de in januari 2017 overleden beeldend kunstenaar Daan van Golden
duikt regelmatig op in de essays die in dit nummer zijn opgenomen.
Lucette ter Borg memoreert zijn talent om te zien, om de klok stil te zetten en
geconcentreerd, als in trance, dat ene perfecte schilderij van een theedoek met
geometrische patronen te tekenen. Geert Mul, die zich in het toenmalige doen
en denken van Van Golden verplaatst, laat ‘hem’ zeggen dat Kwaliteit = Liefde +
Aandacht. Wat je niet in je werk stopt, komt er ook niet uit. Onno Schilstra neemt
waar dat Van Golden kon verdwijnen in precisie. Maar wat was het dat hij maakte?
De aandacht van de beschouwer die zich die vraag stelt, gaat dan allereerst uit naar
de verf en hoe hij die behandelde. In haar essay De plank misslaan citeert
Iris van der Graaf Job Koelewijn’s uitspraak: ‘Kunst gaat om het intensiveren van
de werkelijkheid’. Dat kunnen, schrijft Ine Boermans, ook de rauwe randjes van
het leven zijn. Zij spiegelt zich aan kunstenaars die de esthetiek van rouw en dood
tot de hunne maken. Harry Haarsma vindt kunst een ongehoorzaam woord, dat niet
verschilt van woorden als liefde, tijd en dood. Ton Mars ziet hoe de nevenschikking
van de zestienhonderd culturele vormen en beelden in Hanne Daboven’s kunstwerk Kulturgeschichte 1880–1984 een equivalent van de werkelijkheid vormt,
een bloemlezing daaruit, die de bezoeker vrijlaat om datgene wat hij ziet naar
eigen inzicht te beschouwen en een actualiteit te geven.

Korte verhalen
Pim Cornelussen
Kristien De Wolf
Marc Poorter
Adje Steijn
Rob Verschuren

Gedichten
Hester van Beers
Carmen van Haren
Renée van Riessen

Beeld
Sam Andrea
Lucas van Eeden
Angie Korst
Gerolamo
Freerk Wilbers

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze 22: beeldende kunst, Daan van Golden, Rob Van de Zande

Rob Van de Zande laat zich in zijn poëzie inspireren door beeldende kunst.
Kunst, niet gebonden aan een stijl, kunst die iets in hem losmaakt.
Een galerij van zijn ‘beeldgedichten’ zijn te vinden op: robvandezande.blogspot.nl
Toen de redacteuren van Extaze zich voorbereidden op het themanummer over beeldende kunst (Extaze 22) en zochten naar een invalshoek, sprong hun een passage uit een necrologie van de in januari overleden Daan van Golden in het oog: ‘Door alledaagse dingen uit de consumptiemaatschappij te schilderen (…) werd Van Goldens werk wel gezien als popart. Tegelijk zijn de schilderijen conceptueel, omdat hij met zijn werk essentiële vragen stelde over de aard van kunst.’ Van Golden en de vragen die hij stelde, lopen als een dunne maar stevige draad door het BK-nummer van Extaze.
Ter aankondiging van dit nummer vroegen wij Rob Van de Zande een beeld van
Van Golden uit te kiezen en dat te illustreren met een gedicht.
Met dank aan de dichter, hierbij:

Daan van GoldenDaan van Golden, Roses for Willem and Verena, c.a. 1975, papier, 51 x 41 cm.

Als uit Victoriaanse tijden
Heeft hij ons thans geschapen:
Ranke blommen die verglijden
In timbres van woudknapen,
Leggen zij hun adem vast –
Waar wolk en vloed minnekozen
Blaas ik door m’n eedle kwast
Een tafereel vol blauwige rozen.

Gepost in Home | Plaats een reactie

Jean-Philippe Salabreuil, Zuster-overste (‘La Paroissiènne’)*

Inleiding en vertaling uit het Frans door Jordy Jouby

De Franse dichter Jean-Philippe Salabreuil (pseudoniem van Jean-Pierre Steinbach) werd op 25 mei 1940 geboren in Neuilly-sur-Seine en overleed op 27 februari 1970 in Parijs. Over de doodsoorzaak gaat het gerucht dat hij zichzelf van het leven zou hebben beroofd, maar daarover is feitelijk niets bekend. Salabreuil’s werk (gedichten in vaste versvorm, poèmes en prose, kort proza en korte kunst- en poëziebeschouwingen) geniet ook in Frankrijk nauwelijks bekendheid. Slechts drie bundels zagen het daglicht: La Liberté des feuilles (1964), Juste retour d’abîme (1965) en L’inespéré (1969). Zijn proza heeft alle kenmerken van het werk van een poète maudit, een gedoemde dichter.

 

Zuster-overste

Geen zwartere vogel dan zuster-overste. Zelfs de raaf, zeg ik u, is ’s ochtends blauw,
’s avonds rood, en kijk, ’s middags tegen een witte hemel misschien zwart, maar dan wel zo zwart als de bliksem, zo zwart dat er een veer van haar afvalt en het gras eromheen verschroeit, gevolgd door een fel gekras zoals van een ijzeren pook in het smidsvuur.

Het zwart van zuster-overste is bespannen door vier blikken spelden, het is als een regenachtige nacht, dof en geurloos. De regenachtige nacht zoekt de maan, maar vindt hem niet. Zuster-overste zoekt God, maar niet te ver. Hij zit zeker achter al die wolken in het hart, samen met de sterren. Maar of zij, zuster-overste, nu God heeft gevonden?
’s Middags daalt mevrouw Sapijais de heuvel af. De munt ruikt lekker, zoals de snoepjes van de pastoor uit het bonbondoosje, die in groene wikkeltjes met rode lieveheersbeestjes erop en op de lieveheersbeestjes zwarte stippen: duivenoogjes, vlierbesjes: gitzwart. Er zitten vlekken op de zon. Dat zegt Thor de koeienherder. Wat is het toch warm!
Mevrouw Sapijais is tweede zuster-overste van Chambeugle, ze heeft zes rokken in de notenhouten kast hangen, drie bruids- en drie rouwhoeden, haar lijkwade ligt klaar en is genaaid met zwart garen. Op de begraafplaats, onder de derde cipres, ligt haar graf half open, ze heeft een moestuin met vooral sla – maar ja, de slakken –, in juni de mooiste lelies – maar ja, de slakken – en ze is, anders dan Fornie, de eerste zuster-overste van Chambeugle, bevriend met de pastoor.
Ik sta in de volle zon tegenover de kalkstenen muur van de Othe boomgaard. Tussen ons in ligt het pad der herinneringen, dat rechtstreeks naar het hart van de parochie leidt. Voorbij de heuvel volgt ze de weg, want mevrouw Sapijais heeft zo haar gewoontes. Ik sta wat lager dan de ’s zomers koele, leistenen kapel. Straks speel ik met mijn pervers grote dominosteen. Dit is nou het toppunt van zwart en wit: mevrouw Sapijais die staand in het zwart stilhoudt voor de grote witte muur.
Dag mijnheer pastoor, hoog daarboven. Zeer laag daarbeneden: Ik weet niets over kantwerken en kapmantels. En nog lager: Wie liefkoosde nu wie in de wijngaard van de Crabeau, ik weet het niet. Pastoor, je leent je oor, van dichtbij, in het pikkedonker. Waarom denk ik dan aan het gloeien dat opstijgt uit de winterkachel vanonder het nog koude houtskool?
Kijk ze nou, ze draaien met hun donkere hakken in het krijtachtige stof. Het portaal van de kapel is romaans, de middelste steunpilaar is als de stam van een eik met mooie biddende mensen, en de timpaan vormt het gebladerte, met engelen die als kreupele vogels druk in de weer zijn. Maar het ziet er helemaal niet uit alsof ze luisteren naar wat de mensen daarbeneden zeggen. En dan is er de kilte en het duister van het schip. Mevrouw Sapijais en de pastoor volgen elkaar’s schaduw naar de kapel. En ik zeg u dat op dat moment, tijdens een roddeluurtje, hun schaduwen elkaar omhelsden op de kalkstenen muur.

* Uit: La nouvelle Revue Française nr. 128, Parijs 1963 (Gallimard), pp 355–356.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Monddood (fragment), door Niels Landstra

De twee medewerkers van het straatteam waren keurig op tijd. Het was tien uur in de ochtend. Regen sloeg tegen de ramen van het gemeentegebouw. Ik schudde de hand van Toos, die mij vriendelijk toelachte. Ze had blonde speelse krullen, die bungelden om een getekend gezicht met grote blauwe ogen.
Sjaak, ook een vijftiger, type muzikant, met lange rossige haren en een schrale baard van een dag of vijf, schakelde meteen over tot de orde van de dag.
In de spreekkamer zou ik ontvangen worden door iemand van Centraal Onthaal. Deze persoon zou mij doorverwijzen naar de daklozenopvang aan de Kasseienweg. Het was noodzakelijk dat ik de ambtenaar in kwestie het medisch attest toeschoof dat ik had gekregen van mijn huisarts. Dit attest zou de procedure wellicht een andere wending geven.
Een beveiliger schaarde zich bij ons en wisselde in het voorbijgaan handdrukken uit met het straatteam. Hij lachte een beetje om Sjaak in wie hij een gelijkenis zag met George Baker. Sjaak vond dat zelf minder amusant, maar bedekte zijn ergernis met de schijn van een grimas. Toos liep bellend weg met haar oude Nokia. Sprak bemoedigende woorden tegen de persoon aan de andere kant van de lijn. Iedereen had urgent aandacht nodig, iedereen wilde verder in zijn leven, maar soms zijn er te veel praktische bezwaren en valt men terug op overleven.
Mijn volgnummer verscheen op het display.
Twee kogelronde meisjes verlieten, klaarblijkelijk verdrietig, Kamer 1a aan de linkerzijde. Ze droogden hun tranen met gemeentetissues. Ik voelde geen medelijden, wilde dat ik zo’n emotie nog kon opbrengen.
Sjaak en ik namen plaats tegenover de ambtenaar die zich weinig hartelijk aan ons voorstelde.
De stoel voelde warm aan.
‘Wat kom je doen?’ vroeg de ambtenaar, die Gerard heette.
‘Ik kom me uitschrijven. Ik heb vanaf heden geen woonadres meer.’
‘Dat wordt dan Doorstroom,’ zei de ambtenaar.
‘Wat houdt dat in?’
‘Je moet vanaf heden naar de daklozenopvang en daar gaan slapen.’
Ik zag beelden voor mij van de Kasseienweg. Deze straat slingerde door een industrieterrein en veranderde ter hoogte van de opvang in een tafereel dat als een eiland van verderf in een zee van commercialiteit dreef. Blank en zwart staarde high voor zich uit, in groepjes opgesteld, dralend in de eeuwigheid. Een enkeling zat lamlendig op een stoeprand, de capuchon over het hoofd getrokken. Van de vrouwen die er verlept en bleek uitzagen, viel licht te raden hoe ze hun dope konden bekostigen.
‘Fijn,’ zei ik. ‘Maar ik heb een medisch attest van de huisarts.’
Gerard las het attest onverschillig door.
‘U moet zich gewoon melden bij Doorstroom. Als u daar verblijft, krijgt u zeventig euro per week met aftrek van vijfendertig euro verblijfskosten.’
‘Op het attest staat dat dit niet raadzaam zou zijn vanwege mijn gezondheid. Dat ik in een ruimte met veertig personen een bacteriële infectie kan oplopen, of erger.’
‘Uw huisarts moet een indicatie afgeven dat u hulpbehoevend bent, anders wordt het de normale procedure.’
‘Dat ik op een zaal moet gaan liggen met veertig daklozen?’
‘Inderdaad.’
‘Ik ben al niet gezond,’ legde ik uit. ‘Wilt u dat ik nog zieker word? Levensbedreigend zelfs?’
‘Uw huisarts kan mij bellen,’ antwoordde Gerard. Hij schoof het attest naar mij terug.
‘Waarom heeft u niet eerder een uitkering aangevraagd?’
‘Een jaar geleden werd ik door het UWV ontslagen uit de Ziektewet, terwijl ik nog onder behandeling bij een psycholoog was. Die heeft een diagnose gesteld. Zijn rapport is aangevraagd en betaald door het UWV, maar dat is vervolgens verdwenen.’
Gerard keek mij recht aan, mijn woorden schijnbaar nauwlettend volgend. Toch leken zijn gedachten elders. Hij was even onpersoonlijk als de spreekkamer zelf: een doodse ruimte met kale wanden en een laaghangende tl-lamp die een glans legde op zijn dunne grijze haren, op de huid van zijn schedel die erdoorheen schemerde.
‘U had meteen een uitkering kunnen aanvragen,’ zei de beoordelaar, terwijl hij zijn armen kruiste.
‘Dat klopt, maar uw collega adviseerde mij destijds een keuze te maken: of meteen de bijstand in of de strijd aanbinden tegen het UWV. Volgens mijn verzekeraar en hun bedrijfsarts had ik reële kansen om een gerechtelijke procedure te winnen. Het UWV had verzuimd de diagnose van mijn psycholoog mee te nemen in de procedure, waardoor ik 0,9 procent tekort kwam om te worden afgekeurd.’
Gerard zweeg.
‘En ik heb een koopwoning waar vermogen in zit,’ ging ik verder.
‘Die nog niet in de verkoop is,’ vulde Sjaak aan, ‘en dan krijg je te maken met de zogenaamde vermogenstoets. Wie vermogen heeft, krijgt geen bijstand.’
‘Dat maakte het lastig voor mij, werd mij destijds verteld door uw collega,’nam ik mijn verhaal weer op. ‘En aangezien ik toen ziek was, besloot ik mijn ontslag uit de Ziektewet aan te vechten.’
Ik rook de walm van sigarettenrook aan de leren jas van Sjaak. Ik vermoedde dat hij intussen wel zin had in een sjekkie. Intussen keek Gerard verveeld voor zich uit, alsof hij in een file stond of zijn trein had gemist.
‘De rechter vonniste in mijn nadeel,’ vatte ik samen, ‘en nu heb ik schulden bij familie en vrienden en sta ik op straat.’
Sjaak stond op. Net als ik was hij zich bewust van deze zinloze missie.
De Kasseienweg stevende als een onafwendbaar lot op mij af, met als eindpunt een bestaan in een aula waarin mensen slapen en roken en waar camera’s eenieders gangen volgen. ‘s Nachts zou ik omringd zijn door armoede en het gesnurk en de stank van mijn kamergenoten op hun stapelbedden.

Een week later ondernam ik een nieuwe poging om hoe dan de Doorstroom te vermijden. Daartoe bezocht ik, op aanraden van het straatteam, de GGD. Daar werd de medische kant van mijn verhaal bekeken.
Bij de balie werd ik ontvangen door de verpleegkundige met wie ik een afspraak had. Floortje was een oplettend luisterende vrouw, die elk woord dat ik op weg naar haar kantoortje met haar wisselde, bijna letterlijk verwerkte in een verslag. Haar lange haren vielen zijwaarts over haar hoofd, zodat haar ene oor volledig zichtbaar was en er aan de andere zijde een blonde lok bungelde.
Na het lezen van het attest dat de huisarts had uitgeschreven, riep ze de GGD-arts erbij. Er verscheen een grote zware kerel met het voorkomen van een beul, die zich aan mij voorstelde met een air van de geëngageerde intellectueel. Hij toonde begrip voor mijn situatie, maar concludeerde dat een broze gezondheid op zich onvoldoende was om aan de Doorstroom te kunnen ontkomen. Hij had bewijzen nodig: eerdere virusinfecties, ziekenhuisopnames met longontstekingen, griepaanvallen.
‘Daarbij komt dat u eerst naar de bijstand moet om een vermogenstoets te laten doen,’ liet de arts mij weten. ‘Als uw aanvraag wordt afgewezen, komt u zelfs niet in aanmerking voor een daklozenvergoeding.’ Hij stond op en wendde zich tot Floortje. ‘Hoe zit het met de inspectie bij de opvang?’ vroeg hij.
‘Niemand die het weet, er wordt maar niets beslist.’
‘MRSA?’
‘Met zekerheid op een vestiging,’ antwoordde de verpleegkundige.
‘De laatste anderhalf jaar zijn we niet meer op de Kasseienweg geweest,’ zei de arts. ‘En dan te bedenken dat daar de openbare ruimte het grootst is van alle vestigingen.’
Ik stapte op mijn fiets en reed naar huis. De auto van Diana was weg, ze werkte vandaag. Er was commotie in de keuken, mijn dochters verschenen voor het raam. Ze wisten zich geen raad met mijn komst. Maar toen ik de woning binnen wilde gaan, bleek de voordeur aan de binnenkant vergrendeld. Ik riep door de brievenbus dat ze open moesten doen, maar er volgde geen reactie.ik wilde achterom lopen om via de tuin binnen te komen, maar de poort was voorzien van een hangslot. Eroverheen klimmen ging niet, intrappen wel, maar dat zou me geld kosten. Moedeloos liep ik langs de dichtbegroeide ligusterhaag die weinig zicht liet op het leven dat zich daarachter afspeelde en vond bij toeval een dorre plek in de wirwar van takken. Met mijn rug naar de haag toegekeerd, baande ik mij een weg door het groen. Ik bevond mij als een inbreker op mijn eigen terrein.
In een hoek van de tuin zwierf het oude speelgoed van de kinderen, van toen ze klein waren: een plastic afvalhoop van poppen, waterpistolen en een groene jongenstractor met Supermanstickers die bij de meisjesvoorwerpen detoneerde. Het lommer van mijn geliefde berk deinde zonnevlekken op het gazon. De boom groeide boven de huizen uit en tilde in de voortuin van de buren het plaveisel omhoog. De dag was aanstaande dat hij zou worden gerooid.
Door de glazen pui in de achterzijde van de woning zag ik dat mijn dochters wegdoken achter het meubilair en mij angstig aanstaarden alsof ik een vreemde was. Toen ik op het raam klopte bleef iedere reactie uit. Aan de binnenkant van de achterdeur hingen de sleutels in het slot, zodat ik het slot van buiten niet kon opendraaien. Ik moest toegeven dat Diana de barricade handig in elkaar had gezet. Ik had geen toegang tot mijn eigen woning en behoorde nu tot het vijandelijke kamp.
Er zat voor mij niet anders op dan naar het UWV te gaan om me tegenover een bezwaarcommissie moest te verweren tegen mijn ontslag uit de Ziektewet. Intussen wist ik me voor dat andere probleem gesteld: Diana die me trachtte te vernietigen, ten koste van alles.

Voor het gebouw waarin het UWV de ‘intensieve menshouderij’ ten uitvoer bracht, zette ik mijn fiets in een rek. Afgelopen zomer was ik hier ook al geweest. De arbeidsdeskundige die me toen ontving was een boomlange vijftiger met een gezicht vol groeven. Formeel schudde hij mijn hand en stelde zich voor als Adrie Jongeneel. Ik volgde de wat slungelige man naar een kamer waar het meubilair bestond uit één tafel en twee stoelen. Hij legde mijn dossier open op tafel en kwam meteen ter zake.
‘Hoe bent u naar het UWV toe gekomen?’ vroeg hij.
‘Gewoon, op de fiets,’ antwoordde ik.
De man keek mij onheilspellend aan en concludeerde: ‘Wie kan fietsen, kan ook werken.’
Er zijn van die momenten dat je gewoon je verlies moet nemen, dacht ik, en stond op.
‘Komt u nou vanavond zielsgelukkig thuis van uw werk,’ begon ik, ‘en vertelt u bij de dis aan uw vrouw en kinderen dat u er vandaag weer in geslaagd bent om een persoon tot de bedelstaf te veroordelen?’
‘Ik doe gewoon wat de arts mij opdraagt,’ reageerde hij.
‘En de arts zegt hetzelfde over u.’
‘Dat kan niet.’
‘U volgt feilloos instructies van hogerhand. Dat deden ze in de Tweede Wereldoorlog ook.’ Ik opende de deur. ‘Het kost u beiden hoe dan ook geen enkele moeite om mensen terzijde te schuiven alsof ze ongedierte zijn. Ik zou het mijn kinderen niet kunnen uitleggen dat ik mijn geld verdiende aan het failliet van de medemenselijkheid.’

Voor de deur van het UWV-gebouw deed ik mijn fiets op slot en probeerde rustig te blijven. Er was geen verschil met de afgelopen zomer, de draaideur van die me binnenliet was dezelfde, de inrichting van de hal nog in de stijl van de vorige eeuw. Ik, daarentegen, was wel veranderd. De moedeloosheid was mij eigen geworden.
Ik meldde mij bij de receptie en werd kort erna opgehaald door ene Jacques Vriezenveen, arbeidsdeskundige, die mij in de lift naar boven begeleidde.
Tussen ons zinderde een onplezierig zwijgen. Hij wist dat hij mij naar de spreekwoordelijke slachtbank bracht en hij wist dat ik dat ook wist. Toch ontving ik, toen onze blikken elkaar kruisten, een bemoedigende glimlach. Het knipperen van zijn oogleden deden vermoeden dat daaronder een steelse knipoog schuilde.
De verzekeringsarts, Josias Swijnenberg, liet ons binnen in een klein vertrek met een formica tafel en vier stoelen. Hij instrueerde zijn collega om koffie voor ons te halen en hoffelijk bood mij een stoel aan.
In mijn dossier, zo begon het gesprek, had hij gelezen dat ik privé en zakelijk in zwaar weer verkeerde. Een niet te benijden situatie, concludeerde hij, terwijl hij zijn leesbril afzette. Met een bezorgde, haast medelijdende, blik informeerde de oudere arts naar mijn gezondheid. Of er zicht was op verbetering.
Toen de deur open zwaaide en Vriezenveen de koffie op tafel zette, vroeg de verzekeringsarts of ik er geen bezwaar tegen had dat zijn collega tijdens het gesprek notuleerde.
Na mijn instemming opende Swijnenberg mijn dossier. Aan de hand van een uitgedraaide A4, vatte hij samen dat ik voor 34,1 % was afgekeurd door lichamelijke beperkingen. Het UWV ging uit van een percentage van 35 % om te worden afgekeurd.
Mijn bezwaar werd dientengevolge ongegrond geacht.
‘Ik begrijp uw standpunt,’ zei ik kalm. ‘Toch mis ik een stuk.’
‘O, ja?’ vroeg de arts, terwijl zijn collega driftig notuleerde op het A4’tje dat voor hem op tafel lag.
‘Ja, ik mis de diagnose van de psycholoog.’
‘Diagnose?’ echode Swijnenberg. ‘Ik zie geen diagnose. Jij, Jacques?’
De notulist deed het voorkomen alsof hij uitgebreid maar vruchteloos door mijn dossier ploeterde. Een rapport van de zielendokter ontbrak. Buiten de nieuwe beperkingen van de laatste beoordeling was er niets in de papieren te vinden.

Gepost in Columns, Proza | Plaats een reactie

Het wordt tijd dat vrouwen opstaan, door Christian Oerlemans

Wie mij kent weet dat ik de vrouw bijzonder vind. Niet zozeer als moederfiguur of geliefde of lust voor ’t oog, nee als fenomeen. Ik denk dat de vrouw de wereld kan redden. Het wordt dus hoog tijd dat vrouwen elke vorm van onderdrukking rigoureus van zich afschudden en de leiding in handen nemen. Let wel, en dan niet op de mannelijke manier, dus niet als surrogaatman in een broekpak, maar met de volle ontplooiing van intrinsieke vrouwelijke eigenschappen. Dit hoef ik niet verder uit te leggen, nietwaar?

Natuurlijk is er al veel bereikt vergeleken met de middeleeuwen of nog eerder. Maar aan de andere kant zijn vrouwen-studentenverenigingen pas samengegaan met de mannelijke corpora in de jaren zeventig van de vorige eeuw. En moest mijn schoonmoeder nog bidden terwijl zij bij de nonnen, gekleed in haar hemdje, haar onderbuikje waste. Hoe ongaarne je het ook toegeeft, in de geschiedenis van de mensheid zijn de vrouwen de pineut. “Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te spreken.”

Ik haal voor de discussie maar even een stukje uit de bijbel aan. Maar er zijn heilige boeken die nog explicieter de vrouw de grond in boren. Wie echt wil schrikken verwijs ik naar de website ‘waaromislam.nl’. Daar is bijvoorbeeld een vrouw te zien (niét te zien dat zij vrouw is) die in een video uitlegt hoe mooi het is om moslima te zijn. Genoeg hierover, waar ik naar toe wil is dat sinds mensenheugenis de man de baas is en dat dit geautoriseerd wordt door Goden te creëren die ook man en dus de baas zijn. Met uitzondering wellicht van de zonnegodin Amaterasu, maar haar nakomelingen waren de goddelijke Japanse keizers, dus toch weer mannen aan de leiding.

De eerste mens op aarde was Adam, een man dus. Of vanuit een andere visie: Gayomard. Volgens de leer van Zarathustra (Zoroastrisme, nu voornamelijk de godsdienst van de Parsi’s in India) schiep Ahura Mazda, de god van het goede, de wereld en alle wezens. Als zesde taak schiep hij Gayomard. Daarna gaf Ahriman, de god van het kwade (ofwel de duivel) de mens ziekte en een beperkt bestaan.

Alles begon dus met één man. Wij weten dat Adam geboetseerd werd uit aards stof en dat later Eva – terwijl hij sliep – geboetseerd werd uit zijn rib. Dat maakt natuurlijk de vrouw meteen al onderdanig aan de man. In de drie belangrijke godsdiensten, Christendom, Islam en Jodendom, is dit beginverhaal hetzelfde. Later als vrouwen een rol gaan spelen wordt het gecompliceerd. Begint al bij JHWH die twee vrouwen had, Ohola en Oholiba. En met Eva natuurlijk die voor de zondeval zorgde, uit het paradijs. Alle aardse ellende de schuld van de vrouw. Als een vrouw belangrijk werd geacht, was het omdat zij nageslacht baarde. Denk aan Sara, die op oude leeftijd nog met behulp van God Isaak (Jitschak, Ishaq) ter wereld moest brengen om het voortbestaan van hun volk te waarborgen. En dan moeder Maria natuurlijk, die zonder seks een kind ter wereld bracht, een jongen natuurlijk. De meest geëmancipeerde vrouw in de oudheid was wellicht Kadija. Zij was een rijke goed opgeleide vrouw van hoogstaande familie, met een eigen handelsonderneming. Op haar veertigste trouwde zij met Mohammed die toen 25 was. Zij zorgde voor hem als een moeder, met name omdat hij zoekende was en zich vaak terugtrok in een grot, waar hij uiteindelijk het visioen kreeg en de boodschapper werd van God. Kadija was zijn eerste bekeerling en zij sprak de gedenkwaardige woorden: ‘er is geen andere God dan Allah en Mohammed is zijn profeet’.

Alle profeten zijn mannen. Met mannen er omheen, Jezus met zijn discipelen, Mohammed met zijn volgelingen, Elia met zijn profetenzonen, de paus met zijn kardinalen, kortom, predikers, priesters, pastoors, paters en profeten, voor vrouwen begint veel pijn met de p van Papa, een woord overigens dat volgens Franse onderzoekers meer dan 50.000 jaar oud is. En Mama dan? Daar kom ik zo op terug.

Terwijl al dit soort gedachten en meer door mijn hoofd spoken tijdens slapeloze nachten, lees ik dat de Salafisten oprukken en dat er studenten worden opgeleid op de universiteit van Medina om fundamentalistisch Imam te worden. Universiteit. Hierin zit het begrip universeel, alsook universum. Dan zie je ruimte, gemeenschappelijkheid, breedheid, maar in Medina leert de Universiteit engte en benauwing. Hier worden Imams geheel gratis opgeleid om overal ter wereld het enig ware geloof te prediken – desnoods met geweld – gesponsord door Saoudie Arabië. Terug naar de 7e eeuw is hun devies. Docenten, zoals professor Abdullah al-Adani vinden dat vrouwen niet moeten zeuren als ze geslagen worden en als hun man meerdere vrouwen heeft moeten ze ook niet zeuren, want God heeft polygamie voor de man toegestaan (tot 4 vrouwen). Docent Abdurahman Muhiddin zegt dat de plek van de vrouw thuis is en dat zij alleen naar buiten mag als het strikt noodzakelijk is en dat zij zich dan ‘schaamtevol’ dient te gedragen.

Alsjeblieft mevrouw denk nu niet dat religie de enige boosdoener is. Misschien wel de aanstichter. Omdat mannen in alle religies de hoofdrol spelen. Dominantie door mannen overal ter wereld. In films en games worden mannelijk geweld en intimidatie voorgesteld als aanvaardbaar gedrag. In veel culturen worden vrouwen gezien als minderwaardige wezens. In hindoefamilies bijvoorbeeld ligt de vrouw aan de voeten van haar man. Onze feministische golf van de jaren zeventig is gebroken door een glazen plafond. De actuele situatie is dat meisjes in het zwembad het advies krijgen om zich degelijk te kleden.

Oude beschavingen kennen vaak de Moedergodin. Zoals Ishtar in Mesopotamië, Bastet in Egypte of onze eigen Germaanse Freya. En als we nog verder teruggaan, zou je kunnen zeggen dat er een belangrijke omwenteling plaats vond toen de mens zich vestigde als boer. In de mythologie van het Mesolithicum, ruim 10.000 jaar voor Christus is Mama (Mami, Mamu) de Schepster van al wat bestaat. Mama was de baas. De Goddess Movement gelooft dat de mensheid oorspronkelijk leefde in een vredelievend matriarchaat met een Moedergodin. Pas in de bronstijd werd dit verdrongen door een androcentrische cultuur met een mannelijke god. Bij androcentrisme is het mannelijke de norm en het vrouwelijke hiervan afwijkend en ondergeschikt. Het is de oervorm van seksisme. Interessant om een parallel te vinden in het boedhisme. Ook daar zie je in de oudheid die omwenteling. Noem het de strijd tussen weten en voelen, tussen hoofd en hart als zetel van Wijsheid. Strijd en expansiedrang passen niet bij een vredelievend matriarchaat. Zo werd ook boedhisme mannelijk, hoewel Tara, de moeder van alle boedha’s, hoop blijft geven. Haar naam betekent “zij die bevrijdt”.

Omdat voor volledige gelijkheid en evenwichtigheid, voor het redden van onze wereld zowel het vrouwelijke als het mannelijke nodig is, roep ik de vrouw op om op te staan. Niet zoals Margareth Thatcher die oorlog maakte en bereid was haar eigen zoon te offeren, ook niet als Hillary of Theresa of Marine, maar als Tara, zij die in alle culturen de vrouwen die als minderwaardig worden beschouwd wil helpen om mannen te tonen dat vrouwelijkheid niet minderwaardig is, maar dat integendeel vrouwelijke energie tot Verlichting leidt.

 

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , | Plaats een reactie

Recensie: Peter WJ Brouwer, Brief aan wie niet bestaat

Lees hier de recensie.

VoorplatBriefNietBestaat-75-245x300

Gepost in Geen categorie, Home | 1 Reactie

Nieuwe recensies!

Lees hier de laatst verschenen recensie:

Ferdinand en Johanna

declineandfall

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie