Nieuwe recensies

Dirk KroonDirk Kroon, Op de hoogte van de vogels. Verzamelde gedichten, Dordrecht 2017 (Liverse)

Een imposante verzamelbundel is het, Op de hoogte van de vogels van Dirk Kroons, een keuze uit zijn gedichten van 1968 tot 2016. Het is een lijvig boekwerk met een grote variatie aan gedichten uit een groot aantal verschillende bundels die eerder onder andere verschenen bij Meulenhoff, Bosch&Keuning en Nijgh&Van Ditmar. Ook publiceerde hij door de jaren heen veel in allerlei tijdschriften. De bundels hebben treffende titels als ‘Materiaal voor morgen’, ‘In de huid van de tijd’ en ‘vergeefs verweer’.
In het lovende voorwoord geeft Leo van de Wetering, boekhandelaar bij Donner en op die manier een bekende van Kroon, de overkoepelende thematiek aan: liefde en dood. Maar een thema is ook, zoals op de site van de dbnl staat: ‘het losraken van het aardse bestaan en het opgaan in het hogere.’ En dan met als voornaamste motief die van de vogel die het symbool vormt ‘voor de vlucht uit het gekooide bestaan’.
De titel van deze verzamelbundel sluit daar mooi op aan. Eenmaal vrij, kiest de vogel voor grote hoogtes om niet weer gevangen te worden én om een panoramisch overzicht te hebben van de wereld onder hem. Deze bundel kan gezien worden als die wereld, bevolkt met gedichten die op allerlei manieren dood, vlucht en liefde uitbeelden.

Bladerend door de bundel vallen van tijd tot tijd treffende zinnen en mooie gedachtes op. Neem ‘Therapie’, opgedragen aan Arie Gelderblom.

‘Je loopt met de dood te praten
bij gebrek aan beter.

Je moet ook niet vluchten
al geven ze bij thuiskomst
pijn en medicijnen.’

Het deed me in de verte denken aan ‘De Tuinman en de Dood’ van P.J. van Eyck. De tuinman vluchtte wel, terwijl zijn landheer een gemoedelijk en nieuwsgierig gesprek begint met de dood. In de hierboven geciteerde regels laat Dirk Kroon juist de onmacht zien van iemand in therapie, het uitzichtloze vooruitzicht en de raad om niet te vluchten. De tuinman had die raad misschien ook moeten krijgen, dan was hij de dood immers ontsprongen.

In de cyclus ‘Een jaar in kaart’ (1986) schetst hij aan de hand van korte gedichten de seizoenen. Bij ‘Maart’ staan duidelijke assonanties en alliteraties:

Maart – traag en laat
komt alles tot leven.
(…)

Is maart laat, juni is meer een tussengeschoven kindje, de aankondiging van de zomer, waarin de dagen lengen.

Juni – zomaar een maand,
gerekt verhaal van de dagen.
(…)

Aan de ene kant krijgen de maanden herkenbare trekken, maar aan de andere kant zijn het toch de maanden van dat jaar, 1986. Maart is immers niet altijd laat en de ‘windstille mist’ van april neemt niet elk jaar maar ‘geen beslissing.’ In dit geval neigen de gedichten naar simpele boerenwijsheden, waar niemand iets tegenin zal brengen, maar die de schoonheid en diepgang missen van een raak gedicht. Helaas komt dit vaker voor bij de poëzie uit deze verzamelbundel. De vraag rijst dan ook waarom hij voor dit grote aantal gedichten gekozen heeft en waarom precies voor deze? Een nawoord waarin de dichter zijn keuze toelicht zou soelaas kunnen bieden, maar dat ontbreekt. Uiteindelijk is Dirk Kroon ons natuurlijk ook op geen enkele manier uitleg verschuldigd. Het is zijn bundel en zijn keuze.
Gelukkig zitten er met grote regelmaat onmiskenbaar prachtige vondsten in, zoals ‘Ik word de wereld om mij heen.’ uit het gedicht Identiteit waarin de schilder Westerik wordt aangehaald om de ‘ik’ te karakteriseren:

Kijk jij nou eens,
ik kan het niet beoordelen,
ben ik nu oud en moe?

Of ben ik toch zo’n mannetje
van Westerik en teken ik
een bloem naar een bloem?

Ik word de wereld om mij heen.

De dood komt bij Dirk Kroon in allerlei vormen terug. Als gesprekspartner, zoals in ‘Therapie’, als ‘nooit onderbroken slaap’ waarnaar verlangd wordt. De dood is eerder een situatie, een vooruitzicht, een verwoord verlangen. Soms geeft hij de dood weer in een te makkelijke metaforen, zoals ‘donker’ of ‘stilte’, maar vaak genoeg is het een gedachte die boven het gedicht zweeft.

Het thema liefde wordt juist weer in de vorm van een jij-persoon gegoten, een geliefde. Een ‘jij’ die aangeraakt wordt, naar wie gezocht wordt, naar wie ook verlangd wordt. Soms is de geliefde een ‘haar’ zoals in ‘Bereik’.

Soms in de wolken
zie je haar gaan
grijp dan de kijker
die verten verkent.

De geliefde op de vlucht? De angst om haar te verliezen en dan de poging haar vast te houden met een kijker? Of wordt de kijker gebruikt om vast op zoek te gaan naar een andere geliefde? Poëzie moet ruimte bieden aan de lezer om zijn eigen gedachten de vrije loop te laten. Een beetje aan de hand van de dichter die met klanken en beelden de lezer stuurt, maar een gedicht hoeft niet maar voor één interpretatie vatbaar te zijn. Herkenning kan op verschillende niveaus plaatsvinden. En hoewel de herkenning er in mijn ogen soms te dik bovenop ligt, zal het voor anderen juist weer prettig zijn en geeft die herkenbaarheid houvast.

Dirk Kroon dicht niet alleen, hij schreef ook veel over poëzie: diepgravende analyses waarover in Extaze al eerder een recensie verscheen. Een alleskunner dus, die schrijft en beschrijft, dicht en analyseert, denkt en doet. Deze uitgebreide verzameling is ondanks zijn omvang daarom een mooie dwarsdoorsnede van zijn dichterschap. De keuze toont dan Dirk Kroon niet afdwaalt van zijn thematiek en het vrije vers in een vaste vorm verkiest: puntige gedachtes van ééns strofe worden afgewisseld met langere gedichten die bestaan uit enkele strofes. Nauwelijks eindrijm, wel halfrijm en ritme.
Zijn overgave aan de poëzie, van binnenuit en van buitenaf, verdient respect, zoals hij in de bundel Vergeefs verweer uit 2016 zelf ook aangeeft in het lange gedicht ‘Thema met variaties’:

24a

Als dit het einde moet zijn,
herinner mij dan met respect
voor wat toch werkelijk was,
hoe alles in vrijheid begon.

Als dit het afscheid is,
noem dan alle namen
– vergeet die van de dingen niet –
en houd ze mij langdurig voor.

(Arjen van Meijgaard)

 

Het Siamees moment

Peter WJ Brouwer, Het Siamees moment, Haarlem 2017 (In de Knipscheer)

De Siamese tweeling had dertien maanden aan elkaar vastgezeten. Nadat ze operatief van elkaar waren losgemaakt konden ze elkaar voor het eerst in de ogen kijken.

Eva is neerlandica en tolk-vertaalster. Ze houdt van poëzie omdat die alles om ons heen een nieuwe betekenis geeft. Een klok die niet meer vanzelfsprekend is, maar het moment aangeeft waarop de tijd voor ons verstrijkt en begint.
Thomas is muzikant en arrangeur. Een ondergeschikte rol als begeleider schuwt hij niet. Integendeel. Daarmee leer je de verhoudingen kennen en accepteren, vindt hij. Het is zijn manier om dienstbaar te zijn.
Brouwer’s boek gaat over poëzie, fotografie, muziek, hartstocht en gemis.

Thomas en Eva onderhouden naast hun huwelijk (Thomas) en relaties met anderen (Eva) een onstuimige maar onvolmaakte verhouding. Voor beiden ontbreekt er iets.

Voor haar afstuderen krijgt Eva van haar vader een oude Leica. In beelden dácht ze al, nu kan ze die ook vastleggen. Het liefst met behoud van de poëzie die de werkelijkheid kan bieden: een kort moment waarop verlangen en vervulling, herinnering en herkenning, vraag en antwoord samenvallen.
Het beeld dat Eva van Thomas heeft, vertoont witte vlekken alsof de zon zich in het negatief van de foto heeft ingevreten.

Het brievenboek dat ze samen schrijven, het wederzijds inspireren, de epistolaire actie die een reactie verlangt… het brievenboek dat later rafels zal vertonen, doordat Thomas zijn aandeel uit het boek heeft verwijderd.
De vluchtige ontmoetingen in winkels, straatjes, musea en later, iets minder vluchtig, in hotelkamers. Alles gepland, nooit een verrassing.

‘Wanneer de liefde ophoudt te bestaan plakken de plaatjes nog een tijd op je netvlies. Daarna drogen ze op en vallen ze af.’
Zo denkt Eva over haar verbleekte liefde voor Thomas. Ze kan de beelden altijd oproepen, maar er komt niets bij.
En ze waren al niet volledig.

Het Siamees moment van Eva en Thomas vindt plaats op de begraafplaats waar Eva’s vriendin en geliefde Silke zojuist ter aarde is besteld.
‘We zijn dood, Thomas. Met Silke zijn we doodgegaan.’
Wanneer Thomas haar aankijkt ziet hij het. Van de liefde is niets over. Geen schroeiplek, geen as. In die leegte ziet hij dat wat er ontbreekt.

Hoe Thomas mettertijd zal terugdenken aan Eva vervat de schrijver in een beeld.
‘Ze hadden niet alle seizoenen met elkaar meegemaakt. In zijn herinnering zal het altijd de vroege zomer blijven, het najaar en de eerste zachte winterdagen. Hij weet niet hoe Eva’s huid afsteekt tegen de sneeuw.’

(cg)

 

De valkunstenaar Coen Peppelenbos, De valkunstenaar, Groningen 2017 (Uitgeverij kleine Uil)

In het boek De valkunstenaar is alles variété.
Zo beleef je het als lezer. Je pendelt tussen de uitersten kunst en slapstick, hoge en lage cultuur. Je gniffelt, grijnst, glimlacht en buldert het uit.
Het hoofdpersonage Bas Jan bekwaamt zich als valkunstenaar nadat hij gemerkt heeft dat hij met kunstig vallen en opstaan zijn treiteraars op school de mond kan snoeren. ‘Hij zit zonder moe-der,’ had hij iets te vaak uit hun monden gehoord. Zijn moeder, assistente bij de goochelact van zijn vader, ‘De Grote Fratelli’, had al gauw het leven met haar man en de goochelkunst voor gezien gehouden en was haar eigen weg gegaan.
Variété zijn niet alleen het aanlopen tegen een glazen deur, een act die Bas Jan als eerste perfectioneert, zijn vallen over een drempel, gevolgd door een koprol, zijn tuimelen van de trap op zijn school met Willem Alexander en Maxima als verbijsterde toeschouwers of zijn salto vanaf het hellend dak van een verbouwde boerderij, maar ook het onvakkundig aan elkaar lassen van een dubbele tandem aan een bakje, waarop zijn dementerende vader en zijn hond Leo vervoerd kunnen worden (en waarvan de ondeugdelijkheid pijnlijk zal komen vast te staan), de sexscène met een Hindoestaanse man op een naaktstrand en zijn auditie voor toelating aan de Kunstacademie in Den Haag.
Bas Jan’s hang naar spektakel en de gespannen aandacht van een publiek komt van nabij, van zijn vader, De Grote Fratelli. Diens act bestond uit een aantal perfect uitgevoerde trucs die hij zelf bedacht had, aangevuld met een paar gekochte trucs en enkele klassiekers, zoals het konijn (in zijn geval een witte kip) uit de hoed. De act waarmee hij zich zou onderscheiden van het merendeel van zijn collega’s, de ‘zout-act’, was geïnspireerd op een onhandigheid van zijn vader (Bas Jan’s grootvader dus) die bij het losdraaien van het dopje van een zoutvaatje de volledige inhoud over de tafel verspreidde. De Grote Fratelli maakte daar een nummer van waarbij hij het zout schier eindeloos uit zijn hand liet stromen.
Met het inmiddels professioneel gerepareerde voertuig, bestaande uit dubbele tandem en aanhangwagentje, fietsen Bas Jan en zijn elfjarige zusje Sasja van hun dorp Oud-Heeten, gemeente Raalte (Overijssel), met vader en Leo in de bak naar Den Haag, de stad van hun vaders jeugd. Daar kunnen ze logeren bij Oom Vincent, de broer van hun vader, die een groot huis aan de Prins Mauritslaan (35) bewoont. Voor vader is dat een reis naar het begin en, als het aan hem zou liggen, naar het einde. ‘Je moet me helpen,’ had hij vele malen aan zijn zoon gevraagd, doelend op dat gewenste einde.
Het huis van Oom Vincent is ook weer variété. Om het huis geschikt te maken voor verkoop, heeft hij al wat traditioneel en klassiek was uit de kamers verwijderd. In de woonkamer staat nu een kingsize wit leren bank, de ramen zijn ’s avonds afgedekt door beige gordijnen die afhangen tot aan de vloer en op het parket ligt een bordeaurood tapijt. Het interieur contrasteert sterk met het ouderwetse pak van oom Vincent: een acteur uit de jaren zestig die speelt in het verkeerde filmdecor.
Hoe Bas Jan’s vader in een boot te water raakt, vergezeld van Sasja’s barbi’s (die door de handenarbeid van Sasja, waarmee ze de ogen van de poppen groter heeft gemaakt dan ze waren, ook alweer variété zijn) en hoe dat avontuur afloopt, bewaar ik voor de lezer. Poëtisch aansluitend op deze tocht is een herinnering van Bas Jan aan het laatste optreden van De Grote Fratelli. Wanneer de zout-act ten einde loopt, komen twee niet bij het nummer behorende komieken het toneel op. Beiden gekleed in een stofjas, beginnen ze het zout van de vloer op te vegen. De jonge Bas Jan ziet de paniek in zijn vaders ogen. Maar snel herstelt de goochelaar zich…klapt in zijn handen en laat een grote wolk zout over de hoofden van de komieken neerdalen.
De auditie voor de Academie bestaat uit een geblinddoekte kleine fietstocht door de stad, die uitkomt bij de school. Daar moet de valkunstenaar van de fiets de gracht in duiken. Op zijn rijwiel heeft Bas Jan een mobieltje bevestigd, dat in contact komt te staan met iemand van de toelatingscommissie. Die krijgt dan de opdracht de fietser de school binnen te loodsen. De act is opgezet als een videogame, maar dan in de werkelijkheid.
Bas Jan wordt aangenomen. Een van de beoordelaars karakteriseert zijn project als ‘de zwaarte van de verantwoordelijkheid’.
Of deze uitspraak van toepassing is op de act? In ieder geval wel op de diepere inhoud van het boek, op al wat onder het variété schuilgaat: de zorg voor de vader, de zorg voor het métier dat de vader uitoefende en de zoon praktiseert, de verantwoordelijkheid van Bas Jan en Sasja voor het welzijn van hun dementerende vader, het dilemma van het ‘helpen’ van de vader bij zijn verlangen naar het einde.
Met de mondhoeken gekruld las ik nogmaals de passage over het laatste optreden van De Grote Fratelli. Die glimlach leek mij geoorloofd.

(cg)
Paul Meeuws-De geluiden

Paul Meeuws, De geluiden, Amsterdam 2016 (Wereldbibliotheek)

Een gedichtenbundel doortrokken van muziek. Er komen ook andere vormen van geluid aan de orde, maar muziek, en de onmiskenbare liefde van de dichter ervoor, vormt de hoofdmoot. De bundel is opgedeeld in vijf series: De geluiden, Nocturnes, Lied, Werkplek en U.
Een paar voorbeelden uit de serie ‘De geluiden’. ‘Op zolder, bij het geruis van zo zacht mogelijk/afgestelde geluidsboxjes, klopt een beat in je ader,/haarfijn vertakt als in de nachtzenders.’
En de passage waarnaar de illustratie op de omslag [een

schilderij van Co Westerik] verwijst: ‘De mooiste muziek/wordt uit hoezen geschoven, tussen vingertoppen op een/draaitafel gelegd. ’t Gezin eromheen, bang voor een kras.’
Veel referenties aan klassieke muziek, helaas ben ik daar te weinig in onderlegd om de verwijzingen en beelden ten volle te kunnen savoureren. Soms is de liefde zo heftig dat Meeuws zijn vakmanschap verliest: ‘Er klinkt routinebarok. Strijkers likken je oor,/op zoek naar jouw snaar, gesprongen bedrading naar haar,/teruggekruld naar een wereld van voor de muziek.’
Nocturnes beschrijft de nachten van een echtpaar. Met het verstrijken der jaren blijkt in het duister dat de lust verdwenen is, de aandacht verschoven naar het uitgaansleven van een dochter. ‘Je draait je om maar voelt/de vreemde pasvorm van een onbeslapen bed.’
In de afdeling ‘Lied’ takelt een zangstem af. ‘Haar vibrato, aan beven tenslotte gelijk, dun/als het porselein van een theekopje maar even hard, desnoods/even scherp als een scherf van haar stukgeschoten servies…’
In ‘Werkplek’ wordt boerenland beschreven, nu eens in de herinnering van een jonge man, dan weer in het heden. Omdat nergens enige vorm van arbeid wordt beschreven, valt hier veel te gissen. ‘In dit uitzicht vergeet ik mijzelf/zoals het drinkende vee niets weet van Narcissus.’
De laatste serie, ‘U’, is duidelijk een eerbetoon aan een vader die kennelijk heel oud is, en wellicht dementerend. Hier reikt de dichter ons diverse parels toe. ‘In u stond Gods woord geprent/als een vloermat in een knie.’ Het is bijna gênant om de lezer erop te wijzen dat er niet alleen een vergelijking wordt gemaakt, maar dat er tegelijk een parallel loopt: een ware gelovige knielt voor zijn opperwezen.
‘God is allang in u gevaren, heeft u gekraakt/als een uitgewoond pand, ramen en deuren opengezet,/alle spinsels geruimd.’ De gebruikelijke hoofdpersoon van ‘in iemand varen’ is de duivel, met meestal liederlijke effecten. ‘Allang’ impliceert dat God is gekomen ver vóór het tijdstip waarop hij werd verwacht, het overlijden. ‘Heeft u gekraakt’: er is weinig over van de oorspronkelijke persoon, en inderdaad, die wordt vergeleken met een uitgewoond pand. ‘alle spinsels geruimd’: de dementie heeft weinig overgelaten van de gedachtenwereld die er ooit is geweest.
Poëzie om van te genieten.

(Felix Monter)

 

Antoinette-SistoAntoinette Sisto, Hoe een zee een woord werd, Oosterbeek 2017 (Kontrast)

Deze dichtbundel is opgedeeld in zes hoofdstukken.
Het eerste deel, ‘Retro’, bevat jeugdherinneringen, gelardeerd met de melancholie van het ouder worden. In het gedicht waaraan het hoofdstuk zijn naam ontleent wordt gebak gegeten: ‘Maar onze rondingen van vandaag/zeggen stop waar vroeger/plaats was/voor een ongestraft bis’. Kinderspel, beschreven door een strammer wordende volwassene die beseft dat zeeën van tijd sneller verdampen dan haar lief is: ‘hoe wij sprongen/met lenige benen/verdiept in de zomer van ons hinkelspel./We schoven de tijd voor ons uit’.
Het hoofdstuk ‘Tussen de wijzers’ gaat over ouder worden, verval en afscheid. Vader takelt af, nichten zien elkaar na lange tijd terug op uitvaarten. ‘Er waren heren in hoge spreekkamers/geweest en foto’s die er niet om logen’. ‘Langzaam maar zeker bekroop mij een ander/naar wie jij niet terugverlangen kon’.
In ‘Het zoete nietsdoen’ staat het bereiden en savoureren van verfijnde gerechten centraal. ‘Neem een bovengemiddeld slimme man/kies een bekoorlijke vrouw/geef de vrouw dat beetje koketterie/dat ruim door de beugel kan…’ ‘blijf dan star als een hagedis/bedenk wat je met die zee van minuten/ogenblikken, blauwe golfslagen/allemaal nog meer niet hoeft te doen’.
Een afdeling met dezelfde naam als de bundel, ‘Hoe een zee een woord werd’, beschrijft een ontluikende liefde, hartstocht, en het aftasten en ontdekken van elkaar. ‘In mijn vuist omklemde ik zacht/de eerste kus/die jij me gaf voor mijn verjaardag.’ Wanneer Sisto een lichamelijke versmelting beschrijft, blijft ze op gepaste afstand van de echt groten: ‘omgekeerd vielen onze lijven/langdurig/die andere hemel in.’ De grote liefde komt tot een tragisch einde, de partners worden onbereikbaar voor elkaar: ‘Balkons van de toekomst zag ik nergens/ik vond geen kaart of naam/geen helder boograam met nieuw uitzicht/of kijk op een ander leven.’ ‘Overal en nergens zocht ik je/in stegen waar ik niet geweest ben/geen foto van jou nam’.
In de serie ‘Foto van een piloot’ slaat het noodlot toe. Levens lopen uit de rails, komen tot een abrupt einde, er zijn ernstige ongevallen, natuurrampen. ‘voor het defecte stoplicht/wacht de halte van de eenentwintigste eeuw/de plek waar een tram knarsend stopt/net voorbij de laatste bocht’.
In ‘Speelduur 05.12’ wordt een apparaat voor geluidsopnames bediend, met start- en stopknoppen. Diverse scènes uit een bewogen leven worden vastgelegd: ‘een kreet van vroege diagnose/toen iemand het huis verliet/de stilte afsloeg’ stil gezet, opnieuw waargenomen: ‘Met één klik valt het heden/in een zaal vol ogen voor ons stil’.
Een bundel met inhoudelijke diepgang en technisch niveau. Plezierig om te lezen.

(Felix Monter)

 

WAAR IS DE VLO?

20170828-001-1

20170828-002-1

Een snoepje van een boekje

Van Hans Muiderman (teksen)
Erik Cox (vormgeving):

De ROETEKAVLOEMSAMIEP
(uitgegeven door x-editions.com te Den Haag)

(cg)