Nieuwe recensies

De Garbadine regenjas, Wim NoordhoekWim Noordhoek, De gabardine regenjas,
Amsterdam 2018 (Avanti)

Met de zin ‘De meeste mensen die ik ken zijn dood’ opent de verhalenbundel De gabardine regenjas van Wim Noordhoek.
        De woorden van God, met wie de schrijver spreekt op een oude bruinleren bank –  ‘Zo ben ik nu eenmaal, u zult het wel verkeerd begrijpen, maar zo is het’ – moeten de schrijver als een uitdaging zijn voorgekomen, want zijn scherpe geheugen, de foto’s in zwart-wit die hij bezit en de plekken uit zijn verleden die hij hervindt, helpen hem om de mannen en vooral de vrouwen, de plaatsen en objecten uit zijn jeugd en adolescentie tot leven te wekken en als wedergeboren jongen of jonge man met hen te verkeren.

De huizen, de huisnummers, ze hebben een klank, ze beginnen te ademen. De objecten worden voelbaar.
Naast hem op school zit Erik Schotman. In de fabriek van zijn vader heeft Erik hem de ‘papierstraat’ laten zien, waar uit bruine pulp papier ontstaat, gedroogd in brede banen, getransporteerd langs eindeloze rollen.
       ‘Laat je vingers erlangs gaan, dan voel je de statische elektriciteit,’ zegt de voorman.
Het knettert en tintelt.
       Zou je van deze passage zeggen dat de schrijver het ademen en tintelen oproept, dan had je daarmee te weinig gezegd. Je hoort de schrijver (je hoort zijn stem) in een ruimte waarin zijn heden en zijn verleden samen komen en vermengd geraken.
      De stad Zutphen eindigt bij een onbewaakte overgang van het enkelspoor langs het Twenthekanaal. ‘Er is net een treintje voorbij. Het stof dwarrelt neer. Ik kan veilig oversteken. Wat weerhoudt me?’
Ik kan de vraag in de laatste zin niet anders denken dan gesteld door de schrijver, vanuit het heden. De jongen bij de spoorwegovergang droomt of is besluiteloos.  De gedachte in deze korte zin is die van de schrijver. Ergens in het boek staat: een gedachte is een reis.
      Op elfjarige leeftijd wordt de jongen voor een operatie verdoofd. Hij krijgt een rubberen masker op, waaraan een rubberen bal is bevestigd, die bij elke ademhaling opblaast en weer inkrimpt. Hij leert dat hij op de vraag ‘hoe gaat het nu met je?’ niet ‘slecht’, maar ‘goed’ moet antwoorden. Een mensenleven later gaat het nog steeds ‘goed’ met hem. Hij wordt wakker in een ander ziekenhuis en kijkt omhoog naar de gezichten van mensen die om het bed staat. De meesten zijn in het wit, sommigen in het blauw.

God mag dan zijn zoals hij nu eenmaal is, de schrijver is dat niet minder: hij is een schrijver die dode mannen en (vooral) vrouwen weet te vinden op plaatsen waar het dodenrijk toegankelijker is dan op andere.
      De mannen doet hij herleven in hun stugheid en ongenaakbaarheid.
      De vader is terug uit Indië. Een man in een uniform gaat het huis binnen. De jongen wordt vroeg naar bed gestuurd. De volgende dagen gaat hij op onderzoek uit, en vindt in de bureaula een revolver met kartonnen doosjes patronen. Op zolder ligt een ijzeren geweer. Zijn vader staat laat op en draagt geen uniform meer. Hij is nu ‘in burger’. Zijn moeder zegt dat zijn vader erg moe is, hij mag hem niet storen. Hij eet alleen, terwijl zij op en neer loopt, hij krijgt een bordje in de keuken.
      Het ontwijkend gedrag van de vader trekt door tot in de ingelijste foto van een stenen beeld, voorstellend een vrouw die je aankijkt van achter de kraag van haar mantel. Een blik die elke keer dat je naar haar kijkt anders is. Of ze je ontwijkt. De ingelijste foto behoort toe aan de vader.

De vrouwen mogen van de schrijver door de hoofdstukken dwarrelen, zoals juffrouw Overman doet, de juf van de eerste klas, op wie aller ogen gericht zijn, waar ze ook gaat. Fietst ze voorbij, dan weten jongens en mannen zich geen raad met hun houding. Sommige jongens klimmen in een boom tot ze voorbij is en staren haar na. De bloemen op haar rok, haar lichte blouse, de kleine deining van het haar.
      Zo ook juffrouw Lieske, die de plattelandsvrouwen leert kleien en pottenbakken in het handwerkatelier boven het koetshuis. Daar gaat ze rond, juffrouw Lieske, die zo doorschijnend is dat de jongen niet durft te kijken.
      Het spannendst herleven in de verhalen de meisjes of vrouwen die ‘onaf’ zijn. Zoals het zusje van zijn vroegere klasgenoot René. Twee kinderen uit een spijtoptantengezin. Hij ziet haar voor het eerst wanneer hij bij René uit spelen gaat. Het zusje hinkelt over de planken vloer in de keuken in haar petticoat alsof ze op ballet zit. Vijf jaar later op het gymnasium ziet hij haar terug, moeiteloos de mooiste van de school. Bij latere ontmoetingen laat haar achteloze aantrekkelijkheid de jonge man niet los. Ze trekt aan, houdt af. Vertelt over haar talloze veroveringen, doet verslag van haar middernachtelijke entrees in cafés, haar voorliefde voor randfiguren. De verliefdheid, lang verscholen in wachten, komt weer tevoorschijn wanneer het object van verlangen ziek is en de jonge man besluit haar een bloem te brengen. Ze neemt de bloem aan, maar verspert hem de toegang tot haar woning. Het raadsel waarmee ze hem liet gaan blijft tot vandaag: waarom deed ze hem dan toch open?
      Het levendst van alle vrouwen waarover de schrijver schrijft, is zijn moeder. Hij ziet haar op een dijkje staan in haar lichtgrijze gabardine regenjas en met een vermiljoenrode zijden sjaal die hij niet kent, mooi, als op de vooroorlogse foto’s: de eerste vrouw die hij kende en bekeek, die eens een mooi meisje was. Ze draagt een licht parfum, anders dan de Boldoot 4711 die hij zo goed kent.
      De eerste keer dat hij met behagen aan stof voelde, moet geweest zijn bij de lichtgrijze regenjas. De naam van de stof was net zo vreemd als de sensatie die langs zijn vingertoppen zijn vijfjarig lijf binnendrong. Gabardine.
Uit de herinnering en de oude foto’s komen kleuren, geuren en het gevoel van de aanraking voort.
      Draai je niet om, schrijvertje. Ga voort en leef ermee verder.

(cg)

 

Anne-Tjerk Mante

Anne-Tjerk Mante, Vier maten vooraf. Liedjes van eigen boezem, Molton Cheese Records-cd 2017 (amante@amante.nl)

Hoe zit het met de aandacht voor songteksten na de uitreiking van de Nobelprijs aan Bob Dylan? Toegenomen? In Nederland in ieder geval niet. Verhandelingen over muziek? Legio. Maar over teksten? Stiefmoederlijk.
      Ik schreef eerder op de Extaze-website over de bijzondere teksten van Bert Vissers, de leidsman van de Haarlemse band Bender. Hij had een literair blad op zijn verzendlijst geplaatst omdat hij vond dat zijn cd daar hoorde. En zo viel Broos in de brievenbus van ons redactieadres.
      Beeldend kunstenaar, dichter, tekstschrijver en muzikant Anne-Tjerk Mante deed hetzelfde en ook zijn teksten passen in een literair kader, waarbij ik wel het misverstand uit de weg wil ruimen als zouden songteksten op dezelfde wijze beschouwd en beoordeeld kunnen worden als gedichten. Songteksten sluiten aan bij muziek, moeten de muzikaliteit van ritme en klank al in zich hebben voordat de liedjes gecomponeerd zijn, en moeten bij beluistering direct aanspreken.

De liedjes van Anne-Tjerk Mante beantwoorden aan deze eisen.
      In het eerste nummer van de cd, Idealen bij benadering, is de gedesillusioneerde idealist ‘onderuit gegaan / openbaar frontaal’. Zo laconiek als dit klinkt, klinkt het hele nummer, tekst en muziek.
      In Wereldbeeld loopt de tekst rond mee met de wentelende, rollende muziek: ‘De wereld draait in rappe vaart / en weet van oudsher wat en hoe / binnen brandt de magmahaard / het geheim blijft goed bewaard / alleen de wereld weet waartoe…’
      Dichter en beeldend kunstenaar komen samen in Naakte meisjes, waarin de zanger zingt dat hij als jongetje van dertien naakte meisjes tekende in de boeken die hij leende in de bieb: ‘Of het boek nou van Von Däniken was / of getiteld “Tekenen van leven na de Dood”/ ik deed het / heel stiekem / met potlood…’
      Minette, muzikaal uitgevoerd op een hoempa-ritme, zou je vanwege de combinatie van tekst en muziek als ‘Brel light’ kunnen bestempelen: ‘Minette is zo prachtig / als de zon op de zee / zij is schilderachtig / en iedereen schildert mee…’
      De klanken in de titel Meisjes van textiel infiltreren de woorden van de totale tekst en geven signalen aan de muzikanten, die in alle nummers adequaat zijn, maar in de frivole teksten op hun best.
      Een anderssoortige associatie met Brel vinden we in de eerste regel van Op weg: het vlakke land / in vogelvlucht / waar donderwolken grommen…
      Hilarisch is het speelse Boswandeling (honden aan de lijn), waarbij op een arrangement dat doet denken aan Ian Dury and The Blockheads, rapachtig woordspel wordt bedreven in het verlengde van de subtitel ‘honden aan de lijn’:  ik doe aan de lijn / jij doet aan de lijn / hij doet, zij doet / wij doen, jullie doen / zij doen aan de lijn…’
      In Wandelgangen, de meest politiek geëngageerde tekst op de cd, wordt bekokstoofd, gefluisterd, en gelaveerd rond een kuil vol slangen: wandelgangen, wandelgangen…
      Marco’s bloes is een blues pur sang, want ergens is het misgegaan met Marco en zijn bloes (‘zo’n aardig ding’): tussen twee ondeelbare momenten / was het met de bloes gedaan / geen bloes, geen vrouw, geen centen…’
‘Vandaag ben ik stomdronken / door de hartenlust met prik’, versregels uit een liefdeslied (Vergeten), dat moge duidelijk zijn, net zoals Jij bent van mijn part er een is, een liedje dat vroeg-Boudewijn de Groots aandoet en een refrein heeft waarmee ik deze bespreking met een warm gevoel kan afsluiten: ‘ik zie je / ben er voor je / ik ga door je / jij bent van mijn part / ik ruik je voel je / ik bedoel je / ik heleboel je / vastgebonden aan mijn hart…’

(cg)
 

De vrouw in het medaillon

Jan Herman Brinks, De Vrouw in het Medaillon, Soesterberg 2018 (Aspekt)

De aantrekkelijk vormgegeven novelle bevat geen informatie over de auteur, behalve een foto die duidt op een ongeveer zestigjarige man. Dat is verfrissend. Zonder vooroordeel (is het een debuut? Wat is de achtergrond van de auteur?) ga je het verhaal lezen.
Het is een mooi en ingetogen geschreven novelle, met krachtige beelden als: ‘zijn (studenten)kamer zag er niet echt uit als een oefenterrein voor de liefde’; ‘bruiden, allemaal in het wit, alsof ze zo van de taart waren gestapt’; en: ‘hij glimlachte naar haar terwijl hij eigenlijk haar nek had willen omdraaien’.
De karakters van hoofdpersoon Steijn Verkerke (een oudere journalist op de kunstredactie van een ongenoemde krant) en zijn Duitse echtgenote Elke worden goed beschreven. Sprekende voorbeelden laten zien wat hen tot elkaar aantrekt en wat tot een onderling conflict leidt. Sint-Petersburg wordt sfeervol opgeroepen. De novelle wordt beschreven vanuit het perspectief van Steijn, de man die in korte tijd veel meemaakt en daarbij geconfronteerd wordt met heftige geschiedenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Het levert een spannend verhaal op dat ik in één avond uitlas.
Twee aspecten bevallen mij minder goed.

De Vrouw in het Medaillon hangt aan elkaar van toevalligheden. Ik loop de informatie op de achterflap door. Steijn ontdekt op een begraafplaats in Nederland een grafsteen met een medaillon waarop een jonge vrouw is afgebeeld die hem fascineert. Kort daarop (toeval) gaat hij voor de krant naar Sint-Petersburg waar hij in contact komt met een oude vrouw wier in de oorlog naar Duitsland afgevoerde en nooit teruggekeerde dochter dezelfde is als het meisje op de medaillon (toeval). Thuisgekomen ontdekt hij in de dozen van zijn pas overleden moeder stukken over het verborgen gebleven verleden van zijn grootvader. Die was in de oorlog in Duitse krijgsdienst getreden en in Duitsland verliefd geworden op een jonge Russische dwangarbeidster. Steijn krijgt sterk de indruk dat dit meisje wel eens de vrouw in het medaillon kan zijn. Dat dat wel heel toevallig zou zijn, komt niet in hem op.
Toevallig is ook dat Steijn in Sint-Petersburg een priester tegenkomt die vloeiend Nederlands spreekt en in de oorlog iets heeft meegemaakt wat Steijn later maar al te bekend zal voorkomen. Toevallig ontbreekt in het dagboek van zijn grootvader juist de bladzijde die duidelijk moet maken of zijn liefje dezelfde is als de vrouw in het medaillon. Natuurlijk, in het echte leven en ook in een roman speelt het toeval vaak een grote rol: maar dit is mij teveel van het goede.
Een middel om mij als lezer te verzoenen met al die toevalligheden, zou de introductie van een bovennatuurlijk element kunnen zijn. In de zin van: toeval bestaat niet, alles is voorbestemd. Even lijkt het erop dat de schrijver die kant opgaat. Want bij het tweede bezoek aan de begraafplaats kan Steijn de grafsteen niet terugvinden. Het opent de deur voor speculaties dat ook andere als werkelijk gebeurd beschreven gebeurtenissen (geleide) fantasie zijn. Ook krijgt Steijn een kort moment de indruk dat de priester na zijn lange verhaal in het niets oplost. Maar bij die passages blijft het.

Wat ik verder jammer vind, is een relatief groot aantal ongeloofwaardigheden en tegenstrijdige informatie. Op de medaille staat een foto van de vrouw, zo valt in het begin van het verhaal te lezen. Aan het slot blijkt het portret gegraveerd te zijn. Bij zijn tweede bezoek aan de begraafplaats kan Steijn, zoals gezegd, het bewuste graf niet vinden. In de slotscène duikt het medaillon plotseling, zonder uitleg, op. De politie is zo dom het portret op het medaillon uit 1943 aan een vrouw van nu te koppelen en trekt dan natuurlijk een verkeerde conclusie. Steijn wordt op een ochtend wakker en merkt dan niet op dat zijn Elke niet naast hem ligt.

(Hein van der Hoeven)