Nieuwe recensies

Jana Arns, Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn, Leuven 2019
(Uitgeverij P)

Naast het losstaande openingsgedicht Dochter heeft deze bundel zes afdelingen. De eerste heet A. Nervosa, de tweede Vitale Disfuncties. Terwijl de lezer nog bezig is om de titel van de bundel zelf tot zich door te laten dringen, wordt hij* abrupt de les ingesleurd.
‘Ons kind is bang voor suikerspinnen./ Het spiegelpaleis in haar hoofd is beslagen./ Zij is de schim binnen dit spookhuis.// Eten is hier hogere wiskunde/ met rijstkorrels na de komma,/ tafels gedekt met grote breuken …’
Hier is een dichter het woord die weet waar ze het over heeft en die niet aarzelt om dat met krachtige taal en rijke beelden te beschrijven. Vanaf de eerste regel neemt ze de lezer bij de lurven en blijft hem bestoken. Zes gedichten over een invaliderende eetstoornis die als alle psychische ziekten meedogenloos inbreekt in de levens der naasten.
‘De keuken als operatiekwartier./ De tafel, een open wonde.// Wij amputeren het vlees van haar bord./ De aardappel ondergaat een figuurcorrectie.// Toe, fluisteren we in het oor van haar mok,/ maar die is hardhorig.// Zij kluift op een blonde visgraat,/ trekt bouillon uit steeds dunnere botten.// We verstoppen de weegschaal in de snoepkast./ Perforeren nieuwe gaatjes in haar broeksriem.’

Geen melodrama, geen valse sentimenten of overdrijving, de beschrijvingen zijn gortdroog en compact. En juist daardoor des te beklemmender.
Veruit de meeste strofen bevatten twee regels, sommige drie, en sporadisch vallen er vijf of zes te tellen. Rijm of enjambement zouden afbreuk doen aan de kernachtige formuleringen. De volzinnen zijn royaal dooraderd met vindingrijke metaforen.

Na een doorwaakt etmaal in de derde afdeling – ‘Iemand heeft het leven laten slingeren’ – verbaast het niet om de serie ‘Nachtbrakers’ tegen te komen, veertien gedichten gewijd aan schilderijen van Edward Hopper. Nighthawks zelf (u hoeft de ogen maar te sluiten om het beeld voor u te zien) rondt af met: ‘Na sluitingstijd spelen stoelen/ dood op tafel.’

Een vreemde eend in de bijt vormen de vier in ‘De reisgedichten’, qua thema dan. De sfeer blijft consequent donker als gal, zoals in Zuid-Spanje:
‘Hoe we elk jaar verder weg moeten/ om tot elkaar te komen:// daar waar lege koffers/ minder zwaar zijn om te dragen … In de loopgraven van het strand/ vecht men tien dagen om een plek.// Het is thuis dat we sneuvelen.’

Het afsluitende hoofdstuk draagt dezelfde titel als de bundel en beschrijft in negen gedichten de teloorgang van een eens vurige liefde. De universele smart van een in de steek gelatene wordt klemmend vorm gegeven.
‘In de slaapkamer knip ik het donker aan./ Onder dakpannen, geen vuur./ De nacht serveert koud.// Je dunt uit. Latten steken uit de bodem./ Ik scan de streepjescode op je pyjama./ Je zwijgt het al maanden uit.’
De laatste regel van de bundel komt met de finesse van een drone-aanval.
‘… Wanneer ik je telefoneer hou jij het instrumentaal./ Na de biep geef ik de planten water,/ zelfs de dode, vind nog een verdwaalde sok// en hoest ietwat theatraal./ Verder gaat alles goed met mij./ Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn.’

* Voor het leesgemak worden ‘de lezer’ en ‘hij’ gebruikt waar ook ‘zij’ of ‘het’ mogelijk zijn.

(Felix Monter)

 

gruis-rozenAnna Malibran, Gruis & Rozen, Berchem 2018 (EPO)

Gruis & Rozen is de vierde roman van de Vlaamse schrijfster Anna Malibran (schrijversnaam van Paula Loeckx). Hoofdpersoon is Sabine, een oudere journalist van een regionaal dagblad, getrouwd met de Leuvense hoogleraar Fredrik en moeder van volwassen kinderen. In de kloeke roman (342 pagina’s) komen drie tijdsperioden aan bod. Het heden (waarin Sabine haar man vergezelt tijdens een project van twee maanden aan de universiteit van Cuenca, Ecuador), een periode die een tien jaar eerder ligt (beginnende bij de plotselinge aankondiging van Sabine’s vader dat haar moeder en hij besloten hebben vanuit Brussel te verhuizen naar de plaats waar Sabine en haar man wonen en eindigende bij het overlijden van eerst de moeder en dan de vader) en ten slotte de jeugdherinneringen van Sabine (met inbegrip van informatie over de jeugd van haar ouders). Wat Sabine meemaakt wordt realistisch en in de ik-vorm beschreven. Op de lezer maakt het daardoor de indruk van een autobiografie. Maar dat is het niet. Het is grotendeels fictie, zo geeft de auteur voor in het boek aan.
Het thema van de roman is de verhouding die Sabine heeft met haar vader. Vaders wil is wet. Voor zijn echtgenote en voor de tien kinderen. Vader heeft Sabine als kind iets aangedaan. Wat dat precies was, blijft aanvankelijk ongenoemd. De lezer moet zich tevreden stellen met een omschrijving als: ‘De gestalte die op me afkwam, een arm geheven – Ik gilde in stilte.’ Moeder kon geen tegenspel bieden. Integendeel. Die had haar eigen droevige verleden als meisje dat op haar zesde naar het internaat ging en pas na drie maanden bezoek van haar ouders kreeg. Als vader al lang en breed overleden is, worstelt Sabine nog met complexen die ze aan hem toeschrijft. Een interessant gegeven is dat niet elke herinnering aan de vader negatief en slecht is. ‘Veel gedrag (…) van Papa is zo verdomd dubbel’, en: ‘Ik genoot volop van die vakanties. Ook omdat Pa zonder de stress van zijn baan een ander mens werd. Een leuker man.’
De auteur geeft een goed beeld van heden en verleden. Zo krijgt de lezer op onnadrukkelijke wijze iets mee van de politieke en sociaaleconomische structuur van Ecuador, een land dat zelden of nooit als decor van een Nederlandstalige roman fungeert. Het Vlaanderen van de jaren zestig met een machtige kerk, grote gezinnen, de komst van televisie en het niet-praten over seks, kleurt een ander deel van de roman. Misschien verwacht je als lezer dat het in die sfeer van internaten, een autoritaire vader, een invloedrijke kerk, een hedendaagse vrouw met jeugdtrauma’s op een onthulling over ongeoorloofd seksueel gedrag uitdraait. Maar nee, de roman heeft een heel ander slot.
Volgens het briefje waarmee Paula Loeckx haar roman aan Extaze ter recensie opstuurt, beoogt ze een heldere stijl, een beeldende taal en een strak opgebouwd verhaal. Is ze in die opzet geslaagd?
Ja, ze heeft een heldere stijl. Beschrijvingen en dialogen staan dichtbij de werkelijkheid of vallen daarmee samen. Deze dialoog tussen Sabine en Fredrik als voorbeeld:
– Nog iets?
– Waarom zeg je dat nu op die toon, ik vraag je toch niets abnormaals?
– Sabine, je bent bitsig. Ik begrijp dat het gesprek met je ouders je zenuwachtig maakt, maar leef het niet op mij uit, wil je.
Het lijkt de transcriptie van een bandopname.

Anna Malibran schrijft beeldend proza. Vlaamse schrijvers blinken toch al uit in beeldende taal, constateer ik, nadat ik eerder deze zomer een andere Vlaamse roman, Ava Miller en ik van Extaze-ontdekking Kristien De Wolf, heb gelezen. Ik citeer twee beeldende zinnen. ‘Maar dat er niet een lovend woordje over zijn lippen kwam schaafde de glans weg van het genoegen dat ik bij publicatie had gevoeld.’ ‘Pa zweeg eveneens, in de goddelijke overtuiging dat hij de sterkste partij had gezongen.’
En dan de structuur. De roman is, zoals gezegd, opgebouwd aan de hand van drie tijdfasen. Elke fase wordt in fragmenten geknipt, waarbij de fase van het heden en de fase van de dreigende verhuizing van de ouders hun daadwerkelijke tijdsvolgorde behouden. De jeugdherinneringen jojo-en tussen babytijd en puberteit, gaan van het ene naar het andere zusje, zonder het logische verloop van de jaren in acht te nemen. Vervolgens worden de fragmenten geplakt in zes hoofdstukken die onderverdeeld zijn in zesendertig delen. Als ik de drie fasen A, B en C noem, is deel 14 (hoofdstuk III) als volgt opgebouwd: A, C, B, A, B, A. Is dat wat de schrijfster ‘een strak opgebouwd verhaal‘ noemt? Op het eerste gezicht niet. Maar al lezende, stoort het niet. Ik heb de neiging te zeggen dat de schrijfster ook in dit opzicht in haar opzet is geslaagd.
Veel te verbeteren valt er aan Gruis & Rozen niet. Eén keer slechts las ik iets wat mij stoorde. De moeder van Sabine heeft het over een ‘beregoed idee’. Dat hoor ik een volwassene in de jaren zestig niet zeggen.

(Hein van der Hoeven)

 

Niets kan blijvenMichiel Hanon, Niets kan blijven, Den Haag 2019 (Michiel Hanon Boeken)

ISBN 9789082996333 NUR 306

Bomvol boodschappen. Ondanks veel dichterlijk taalgebruik laat Hanon weinig aan de lezer over, hij lijkt vooral goed begrepen te willen worden. Geen beelden of zinnen die zich voor meerdere uitleg lenen. Beschrijven en verklaren hebben voorrang boven meeslepen en laten verdwalen.
WONDER
als het regent vind ik het ook fijn dat je er bent/ in alles wat je doet broeit ik hou van jou/ ik weet nog goed/ hoe je mij – waarom weet ik niet/ toen naar je toe hebt geharkt/ en me jouw bos vol kleuren gaf// ja, ik toonde je mijn gedichten/ maar dat kan mijn tijdelijke verlichtheid/ toch niet verklaren/ wat een wonder is een vrouw

De vrouw als onbegrijpelijk wezen, ongrijpbaar ook, passante die vertrekt, verdwijnt, verlaten wordt en opgevolgd, is een thema dat regelmatig opduikt. De honderd acht gedichten in deze bundel lijken niet naar thema of onderwerp geordend. Naast de vrouw vallen weemoed, fatalisme, depressie te herkennen als terugkerende onderwerpen. Een enkel gedicht is gewijd aan het schrijverschap
ONDER WOORDEN
jou ten langen leste geprobeerd/ onder zoveel mogelijk woorden te brengen// woorden die zich rijgen tot zoveel zinnen/ tot stapels onvolmaakt papier// schotsend opgehoopt in de hoeken van de kamer/ onontwarbaar voor elk ander persoon// geleidelijk gemodelleerd tot benaderd beeld/ dat onbegrepen aankijkt// tot ik ga verhuizen, want/ tijd om ons verwarde huis af te sluiten

Behoudens een spaarzame tekst in parlando dat geen regeleindes heeft, zijn de meeste gedichten opgebouwd in strofes van veelal twee tot vier regels. Metrum of rijm zijn zeldzaam. Af en toe een vergelijking, zoals in
TRANSITIE I
na het inslapen trekt de tijd hardloopschoenen aan/ om verlost van drukte van de dag/ na een poos over te lopen// zijn pas geslepen zeis snijdt dunne plakken nacht/ uitgelaten als een jonge panter/ rent hij rond in de ruimte// de haan kraait de verdwaasde om te keren/ maar bij aankomst laat hij steevast na/ te verhalen over later
en in
UITEINDELIJK
uiteindelijk resteert beleving/ beleving van het moment/ als enig doel in dit leven// zonder verwachtingen/ of zorgen, voorbereiding voor morgen/ zonder zielepijn, bezit of herinnering// als een dier bijvoorbeeld/ een hond die je wachtend naast de bal/ intens verwachtingsvol aanstaart// als het verwonderd geheel opgaan/ van een orchidee

Een van de weinige gedichten waarin vorm belangrijk is staat bijna in het midden van de bundel MANISCH DEPRESSIEF
ik/ ben/ blij/ vrolijk/ verrukt/ verheugd/ uitgelaten/ opgewekt/ vreugdevol/ opgetogen/ opgewonden/ levensblij lustig/ fleurig. happy. lach. lyrisch/ dartel. dronken. stralend. welgemoed/ wat. reusachtig. en. paradijselijk. is. het. leven/ waarom. kan. ik. maar. de. helft. van. de. tijd. hierom. lachen/
is. het. leven. wel. paradijselijk. en. reusachtig/ glunderend. fideel. maar. mistroostig/ genotvol. ook. triest. en. tobberig/ humeurig. somber. nijdig/ bedrukt. melancholisch/ zwaarmoedig/ neerslachtig/ depressief/ chagrijnig/ bedroefd/ bedrukt/ depri/ bang/ ben/ ik

Helemaal uitgeschreven heeft het de vorm van een accolade, opbouwend naar climax die weer afneemt. Het wekt de indruk de kern van de poedel, van de dichter en van dit werk te zijn.

(Felix Monter)
 

tot-hij-oceaan-werd-catharina-van-daalenCatharina van Daalen, Tot hij oceaan werd, Amsterdam 2019 (Brave New Books)

Een eilandengroep tussen Noorwegen en IJsland waarvan de ruigheid meteen al op de topografische kaart valt af te lezen. Je voelt de aantrekkingskracht zonder er geweest te zijn. Schapen en visvangst (collectief gereguleerde jacht op grienden), een rijke geschiedenis met mythen en sagen die pas vanaf de 19e eeuw schriftelijk werd vastgelegd. Een miniem gebiedje dat vanuit Ierland werd gekoloniseerd door de Vikingen, later veroverd en gekerstend door Noren die op de vlucht waren voor de tirannieke Harald I. Eeuwenlang een wingewest van Denemarken. In de winter gemiddeld 6 uur zon per maand.
Zo’n overvloed aan materiaal is bijna verstikkend. Van Daalen weet er beheerst en scherp gebruik van te maken. Ze mengt impressies van het ongenaakbare landschap moeiteloos met mythen en persoonlijke ontmoetingen.

Tinghella 1
Het zout dat alles wegroest/ vormt kristallen in zijn baard/ hij legt zijn hand op mijn schouder/ als we samen over de rand kijken/ in plaats van te zien hoe de golven een platte rots spoelen/ wil ik de rimpels naast zijn oog kussen …

Sigmundur Brestisson I 2
Sterk kwam hij/ goud schitterend om zijn arm/ Hij die nieuwe woorden geleerd had/ ze meenam naar het oude land/ waar niemand ze wilde horen/ Zijn haardvuur brandde/ toen ze voor hem kwamen, in de nacht/ Gedreven door het geluid van ijzer/ vielen twee mannen van de klif/ Ik zag de derde zwemmen/ tot hij oceaan werd

Een opbouw in strofen van uiteenlopende lengte is de enige vormvastheid die valt waar te nemen. Rijm, metrum en enjambementen zijn afwezig. Geen hoogdravende beeldspraak, wel lyrische beschrijvingen.

Van Saksun naar Tjørnuvik 3
Als je het pad van de herder en zijn hond loopt/ naar de stenen die de grens markeren/ verdwijnen de schimmen in het mos/ kom je onderweg twee mannen tegen/ die ’s nachts de stenen van het baken/ af- en opstapelen// In de baai onderaan de waterscheiding/ de enige plaats waar de golven het zand bereiken/ ligt een Spaans galjoen met averij …

Týr 4
… Wat wordt er gezegd als alle ogen gesloten zijn/ als hij rondwoelt in het donker/ zijn hand biedt om de woede te binden/ tegen het schudden van de aarde …

 Op de omslag en tussen de negen gedichten staan vijf foto’s van bemoste of begraste fjordachtige rotspartijen, door de dichter genomen.

1 Tinghella is de zuidelijke punt van het eiland Eysturoy.

2 De Noor Sigmundur Brestisson (961-1005) ontvluchtte de knoet van Harald I en bracht het christendom naar de Faeröer.

3 De wandeltocht van Saksun naar Tjørnuvik op het grootste eiland, Streymoy, staat te boek als de mooiste op de Faeröer.

4 Týr was de Noorse god van de oorlog, en is naamgever van een Faeröerse folk metal band.

(Felix Monter)
 

Een graf in de wolkenWillem van Zadelhoff, Een graf in de wolken, Kalmthout 2019 (Pelckmans)

Proza waarin Jan Siebelink gekruist is met Giorgio Bassani: zo zou je Een graf in de wolken, de nieuwe roman van Willem van Zadelhoff, kunnen typeren. Van beide auteurs heeft hij het melancholische, maar van Bassani heeft hij het afstandelijk-melancholische, dat je het idee geeft dat het verhaal zich voor je ogen ontrolt. Nooit krijg je het idee dat hier iemand aan het werk is om je een verhaal in de maag te splitsen, nergens wordt het verhaal – hoe ‘klein’ het ook gebracht wordt – te dramatisch of hysterisch, terwijl de dramatiek toch niet bepaald ontbreekt.

We maken kennis met drie hoofdpersonen: Leonard Keller, Daniël Morgenstern en Dora Kats. De plaats van handeling: Arnhem. Enter Siebelink. Leonard is de zoon van een gemeenteambtenaar, Daniël is jood en erfgenaam van een wijngoed. Dora is de dochter van een wijnhandelaar die de familie van Daniël onderdak verleende toen die Amerika niet in kon komen. Het voorspel tot de Tweede Wereldoorlog brengt ze samen, en zal hun levens voor altijd met elkaar verbonden houden. Enter Bassani.

Leonard heeft verkering met Dora, maar is verliefd op Daniël. Dora heeft dat door, maar ze houdt het voor zich. Ze is de intermediair in deze liefde, soms letterlijk, want behalve met Leonard vrijt ze ook met Daniël. Nadat Daniël met zijn familie is opgepakt en naar Westerbork wordt gedeporteerd valt de driehoek uit elkaar. De verkering tussen Dora en Leonard door Dora wordt verbroken: zij weet dat Daniël altijd tussen hen in zal blijven staan, en kan zo niet leven.

Dit is nog lang niet alles, wat er in Een graf in de wolken gebeurt. We zijn na de hierboven geschetste strubbelingen nog niet op de helft. Van Zadelhoff maakt in de rest van zijn boek aannemelijk dat de verdere levens van de Dora en Leonard (Daniël is vermoord door de Duitsers) door deze gebeurtenissen worden bepaald en geregisseerd. Ze zijn als het ware in een rol gedwongen waar ze de rest van hun dagen niet meer uit kunnen ontsnappen. Dora papt aan met een Duitser, Leonard probeert na de oorlog liefde te voelen voor een nichtje van zijn schoonzus.

Beiden zijn slachtoffers van de geschiedenis, een kracht die niemand kan weerstaan of bevechten. Hoewel: als ik het einde van de roman goed heb gelezen, ontsnappen zowel Dora als Leonard aan hun lot. Dat gebeurt wanneer het er echt op aankomt en pas twintig jaar na de oorlog. Misschien is het dan lang genoeg geleden allemaal. Het graf in de wolken uit de titel (en uit het gedicht van Paul Celan, een oorsprong die in het hele boek ongenoemd blijft) is niet langer een bedreiging voor Dora en Leonard. Misschien hebben ze aanvaard dat Daniël altijd tussen hen in zal staan.

Hierbij dien ik wel aan te tekenen dat je het einde ook radicaal anders kunt lezen.

Ik vind deze roman van Van Zadelhoff niet alleen mooi geschreven en zorgvuldig gecomponeerd, ik zie er ook een geslaagde poging in om via een oorlogsvertelling (een onderwerp dat we nu toch wel gehad leken te hebben) een universeel verhaal over mensen en hun verhouding tot elkaar te schrijven. Dat Van Zadelhoff daar zo goed in is geslaagd, bewijst dat hij kan schrijven en dat hij greep heeft op zijn personages. Die laat hij, liefdevol, geen moment met rust. Van Zadelhoff combineert het goede van Siebelink (die mooi en vol sfeer over herinneringen kan schrijven) en het goede van Bassani (het ‘klassieke’) en maakt er een eigen stijl van.

Die stijl zorgt voor de magie in Een graf in de wolken. De magie zorgt ervoor dat het motto van Armando dat Van Zadelhoff aan deze roman meegaf (‘Waar is dit jaar, ik ken het niet. / Gisteren heerst in alle dagen.’) op elke bladzijde tot leven komt.

(Chrétien Breukers)
 

Sorokin voorplatVladimir Sorokin, De dag van de Opritsjnik, Rotterdam 2019 (Uitgeverij Douane)

Op de achterflap van De dag van de Opritsjnik schrijft de uitgever dat het boek ‘een rollercoaster door het Rusland van de nabije toekomst’ is. Jammer van het woord ‘rollercoaster’, en wat dat ‘nabije toekomst’ betreft: boeken die zich in de toekomst afspelen willen meestal iets over het heden vertellen, zonder in een actualiteitsdebat te vervallen. Ik vind dat niet erg, maar de toekomsttruc werkt niet altijd.
     Vladimir Sorokin publiceerde ooit De rij, een boek waarin hij de ziel van de gewone Rus wist te vangen. Die ziel is één in de rij die op zijn beurt staat te wachten om iets te mogen kopen en ondertussen met min of meer verwante zielen praat en (liefdevol) redetwist.  De dag van de Opritsjnik brengt de ziel van de uitoefenaar en toezichthouder van de macht naar de oppervlakte. Een figuur die op een heel andere plek staat dan de gewone Rus, die er letterlijk boven verheven is.
    De hoofdpersoon van deze roman heet Andrej Danilovitsj, een Opritsjnik die de orde in het ‘nieuwe Rusland’, van de nabije toekomst dus, voor de almachtige leider handhaaft. Dit gebeurt niet met zachte hand, dit gaat met de middelen die tevoorschijn worden gehaald als de macht in stand moet worden gehouden: intimidatie, geweld, seks en retorische blufpoker.
    Misschien is het wel zo dat macht zich met die middelen handhaaft, maar toch lijkt De dag van de Opritsjnik me inmiddels ook een beetje een anachronisme. In een tijd van totale internetcontrole heb je bijna geen geweld meer nodig om iemand voorgoed uit te schakelen. Iemand vermoorden kan binnenkort aan een robot worden uitbesteed, of aan een applicatie. Iemand met een pistool is in dat verband net zo achterhaald als een textielarbeider in Twente na 1976.

Ik hou wel van de manier waarop Sorokin zijn boeken neerzet. Dus ik hoef me bij het lezen van De dag van de Opritsjnik niet in te spannen. Sorokin schrijft grappig, puntig, ziet de dingen goed, en is niet verlegen om een verhaal.
    Anders dan in De rij, waar de vorm bijna dwong tot een experimentele aanpak – een constante stroom dialogen nodigt daartoe uit – is het in dit boek eerder zo dat het experimentele karakter van het verhaal, de maatschappijkritiek die Sorokin wil leveren, tot een traditionele stilistische aanpak leidt, waarschijnlijk tegen de opzet van de auteur in. De dag van de Opritsjnik zou met een paar aanpassingen ook een boek uit het begin van de twintigste eeuw kunnen zijn.
    Wat Sorokin’s boek oproept, is de vraag: ‘In hoeverre kan literatuur geëngageerd zijn en literatuur blijven?’ Ik vat geëngageerd dan op in de traditionele, maatschappijkritische zin van het woord. In hoeverre kan een schrijver, via zijn roman, zijn betrokkenheid uitdrukken bij de tijd waarin we leven (of over de gevaren die we lopen, als we doorleven zoals we nu doen), zonder aan literaire kwaliteit in te boeten? Verdraagt literatuur engagement?
    Wanneer is de krtitiek die wordt geuit draaglijk en wanneer wordt die opdringerig? Ik vind dat een interessante vraag, waar ik nooit het antwoord op weet. En ook na lezing van dit boek ben ik er niet uit. Ik heb me ermee geamuseerd, maar ik denk niet dat dit het enige was waar Sorokin op mikte.
    Ik voel geen huiver bij het idee dat de Opritsjnik ook in Nederland zou kunnen gaan huishouden. Daarvoor is hij te veel een figuur uit een stripverhaal – en verdomd, dat is dit boek van Sorokin: een goed weglezend prettig stripboek, vol plaatjes van een boef voor wie je, ondanks alles, enige sympathie moet koesteren.
    Sorokin schreef een literair amusementsboek. Een paradox. Dus alles bij elkaar is het toch een kunststuk.

(Chrétien Breukers)
 

valwind-omslag-voorkantPeter Veen, Valwind. Zeer korte verhalen. Nieuw-Schoonebeek 2019 (Uitgeverij Dizzend)

De ingezette dood

Het is heel eenvoudig om zelf een professioneel ogend boek te maken. Vormgeving, redactie en drukwerk: alles is tegenwoordig gemakkelijk in te kopen, tegen niet al te hoge prijzen. De productietijd van een boek, in vroeger tijden niet zelden een half jaar of langer, is nu op zijn langst een maand. Wie zich op de boekenmarkt wil begeven, hoeft daarvoor niet per se een grote investering te doen.
   Dit heeft voordelen. ‘Kleine uitgeverijen’ kunnen de markt zonder al te veel moeite voorzien van mooie, kwalitatief hoogstaande boeken. Alle titels die ‘grote uitgeverijen’ laten liggen, krijgen op die manier tóch een kans, wat de diversiteit van het aanbod ten goede komt. Dit heeft helaas ook nadelen. Elke brekebeen met goede bedoeling kan een boek produceren dat lijkt op een echt boek – tot je erin begint te lezen.

Ik lees Peter Veen’s bundeltje ultrakorte verhalen Valwind. Hij schreef ze voor zijn Facebookpagina, maar nu heeft hij ze gebundeld in een schitterend ogend bundeltje, gezet uit een prettig lettertype, het geheel wekt de begeerte tot lezing op.
   Na een paar regels in het eerste verhaaltje begint het echter al: ‘Ik bevries mijn pas.’ Een vreemde zin. Hiermee bedoelt Veen dat hij stilstaat, denk ik, niet dat hij zijn paspoort in de vriezer legt.
   Ik weet nog niet of het nu holle pretentie is, of een slip of the pen. Tot ik op bladzijde 9 voor de tweede keer opschrik: ‘Ik wring me in mijn schoenen, klaar om weg te gaan.’ Op zijn Facebookfoto lijkt Veen me een flinke kerel, dus ik ben benieuwd hoe hij zich helemaal in zijn schoenen weet te wringen, voordat hij weggaat.
   Het is niet helemaal eerlijk, maar voor mij hoeft het na deze zinnen niet meer. Veen blijkt een soort observator te zijn, eeuwig verwonderd over het dagelijkse leven – iemand die alle onspectaculaire gebeurtenissen die hem overkomen in van die zinnen giet waar mensen die niet vaak boeken lezen van houden.
   Soms heeft Veen last van poëtische aanvechtingen. Ik citeer het verhaal ‘Ingezet’ dat op bladzijde 14 staat:

De dood is ingezet. Dat is een koele constatering, geen drama, geen paniek, geen huilebalken en nee, zeker ook geen graf. De dood is ingezet, zoals de zomer aangeeft dat het herfst gaat worden met natte dauw aan het einde van een warme dag en de herfst gevolgd wordt door de winter die een soms koele najaarsdag omarmt en uitbreidt tot een huiveringwekkende reeks ijzige dagen van sneeuw en vorst, zo zeg ik, de dood is ingezet, onontkoombaar ingezet.

Sommige mensen hebben weinig woorden nodig. Sommige mensen nemen de ruimte. Wat Veen precies doet, is me een raadsel: ik snap dit verhaal niet, omdat het bewust vaag (‘poëtisch’) is. Het is geen literatuur, al zou ik ook niet weten wat het dan wel is: het lijkt me vooral helemaal niets.
   Ik klap het boekje dicht en leg het weg. Nog een bladzijde of honderd. Zal ik? Ik pak het boekje weer op en lees verder. Een vloedgolf van verwondering en ‘vervreemding’. Mensen en hun levens. Peter Veen en zijn verhalen.
   Ik ben zelf ook wel eens verwonderd, maar als je die verwondering neerschrijft, is het wel zo aardig (voor een eventuele lezer) dat je er iets mee doet. Aan één A.L. Snijders heeft de wereld genoeg, en ik vrees dat Peter Veen zich in de toekomst niet in diens schoenen zal weten te wringen.

(Chrétien Breukers)
 

Heloïse en het inwonenMonika Sauwer, Héloïse en het Inwonen 1947-1952, Amsterdam 2019 (Avanti)

Subtiele laagjes onder het alledaagse

In Héloïse en het Inwonen 1947-1952 beschrijft Monika Sauwer (pseudoniem van Yolande Nusselder) op nuchtere en heldere toon de levenswandel van een jong en artistiek koppel dat zich staande probeert te houden in de naoorlogse jaren.

Het boek is een vervolg op Een liefde in 1945 ( Avanti, 2014). Het gaat dan om de liefde tussen Wies, een meisje van goede komaf (haar vader is huisarts in Maassluis) en Simon die bij zijn moeder in Bussum woont en kunstacademie gedaan heeft. Uit de liefde in deel 1 is klaarblijkelijk een kind voortgekomen: Celia.

We volgen vooral de bezigheden en gedachten van Wies (Héloïse) die haar leven steeds meer schikt naar de grillen van het kleine meisje en de drukke werkdagen van haar man Simon. Met z’n drieën wonen ze in bij de moeder van Simon, waar ook nog een zus en een oude oma woont. Het valt Wies niet mee, daarom vlucht ze soms naar haar ouders in Maassluis. Maar zodra ze daar is, schrijft ze Simon dat ze hem mist en graag bij hem zou zijn.

‘En nu lig ik hier alleen in mijn oude opklapbed. En jij alleen in ons grote bed, dat is nog erger. Middernacht, volle maan, geen motorboten meer in de vliet. Die beginnen morgenochtend vroeg van de veiling naar de Maas te tuffen.’

Een reisje van Bussum naar Maassluis was niet zomaar gedaan, dus weer even terug naar huis was geen optie. Wies bleef een paar dagen bij haar ouders en vooral haar moeder was bezorgd om Wies als jonge moeder met een man die niet voor vaste inkomsten kon zorgen. Simon probeert opdrachten binnen te krijgen als reclameontwerper. Soms lukt het, soms gaat hij de boot in als de opdrachtgever niet kan betalen of zomaar verdwenen is. Het is sappelen, al wonen ze dan goedkoop. Daarbij komt dat Simon nauwelijks tijd heeft om te schilderen, en dat is wat hij eigenlijk wil doen. Heels soms komt het ervan om zijn geliefde en hun kind te portretteren, al is dat lastig met een klein bewegelijk meisje.

De beschrijvingen van het leven van Wies zijn sober maar treffend. De lezer krijgt een mooi tijdsbeeld met aan de ene kant de mogelijkheden en kansen die in de wederopbouw geboden werden, en aan de andere kant de nog heersende armoede en zuinigheid, zoals het eindeloos verstellen van kleding en lakens. Om uit die armoede te ontsnappen overweegt het stel naar Zuid-Afrika te emigreren. Ze kennen er mensen van wie ze uit brieven weten dat ze het daar goed hebben. Er wordt zelfs een contract voor Simon geregeld, maar dan slaat de twijfel toe. Vooral bij hem. Hij blijkt te zeer gehecht te zijn aan zijn moeder. Wies is teleurgesteld maar geeft toe dat ook zij haar ouders zal missen. Als een reisje naar Maassluis al een hele onderneming is, dan is emigreren zo goed als een definitief afscheid.

Zonder pretenties en dikdoenerij, maar ook zonder dat het verhaal verzandt in nietszeggend gekabbel, laveren we met Wies mee in haar onrustige bestaan van jonge moeder en huisvouw. Ook zij had ooit andere plannen toen ze op de kunstacademie begon, maar als zoveel vrouwen in die tijd, wordt ze een bepaalde kant op geduwd, die van het huishouden runnen en een kind opvoeden. Ze klaagt niet, maar tussen de regels door blijft een bepaalde wrijving hangen en dat is waardoor het verhaal interessant wordt. Is dit wat het leven haar te bieden heeft? In hoeverre kun je echt kiezen en hoe maak je die keuzes? Vragen die van alle tijden zijn, die jongvolwassen ook nu nog hebben. Ook Simon had liever een ander pad bewandeld, inwonen met je gezin bij je moeder stimuleert je niet echt bij het opbouwen van een eigen bestaan. En al die klussen die hij maar bij elkaar moet schrapen. Daarnaast worstelen ze beiden met de opvoeding van Celia, een eigenwijs meisje dat graag tegendraads is. Maar zijn niet alle peuters dat? En worstelt niet elke beginnende moeder en vader? Sinterklaas wordt er nog bijgehaald als opvoedkundige dreiging en dat helpt. Even.

Als oma overlijdt komt er meer ruimte in huis en als Simon een vast contract krijgt, komt er ook financieel wat meer zekerheid. Het gaat de goede kant op. En met de rijke ouders van Wies op de achtergrond dreigt nooit echte armoede, dat ziet de lezer en Wies beseft dat misschien heel ver weg in haar achterhoofd. Ook dat is weer een mooi contrast. Het zit hem bij Monika Sauwer in de subtiele laagjes die onder het alledaagse voor onrust en spanning kunnen zorgen. Herkenbaar, in welke vorm dan ook.

Héloïse en het inwonen 1947-1952 is een geslaagde roman die een plaats verdient tussen de zogenaamde grote literatuur die zo graag allesomvattend, turbulent en indrukwekkend wil zijn. Van mij mag er een deel drie komen, er zit genoeg in het leven van Wies en Simon en kleine Celia om het te willen blijven volgen.

(Arjen van Meijgaard)

Reacties zijn gesloten.