Nieuwe recensies

Soldaten, Jos van DaanenJos van Daanen, Soldaten, Nijmegen 2019 (Van Groningen)

“Deze bundel bevat vijf paren gedichten waarin telkens twee lyrische ikken in hun eigen taal eenzelfde situatie beschrijven. Alle gedichten zijn afzonderlijk te lezen. Per paar fungeren ze als 1 + 1 =3.” Aldus de toelichting op de titelpagina van deze bundel.

In het eerste paar maakt Van Daanen meteen duidelijk wat hij beoogt:
De Soldaat begint aldus:
‘Ik heb moeten sterven/ voor mijn vaderland/ Onder het licht lag ik/ klaar voor de dood/ onder de bomen/ de bodem was zo zacht’
en tegenhanger De Soldat:
‘Ich mußte schießen/ für mein Vaterland/ Im Dunkeln habe ich gewartet/ eingericht auf den Tod/ zwischen stillen Zeugen/ der Boden löste sich’

Net als in de rest van de bundel is het taalgebruik compact en trefzeker. Over het algemeen zijn de metaforen en anderssoortige beelden goed getroffen.

Het volgende koppel beschrijft Priest en Chorsänger. Terwijl zwalkende hoogwaardigheidsbekleders van organisaties waarin misbruik structureel lijkt te zijn (kerkgenootschappen, sektes, strijdkrachten) steeds dringender ter verantwoording worden geroepen, verdiept van Daanen zich in de daders.
‘For I have suffered, I had my share/ of grief’
‘You took me by my hand, tortured me/ haunted me’
De dader plaatst de schuld voor het verleiden buiten zichzelf, bijna verwijtend.

Naast dit subtiele inleveningsvermogen steekt het bijna karikaturale paar The General en De Hospik magertjes af. The General wordt weggezet als een houwdegen:
‘Thus I lived the art of living, by feeding/ on wars’
tegenover de immer toegewijde hospik:
‘Ik volgde het spoor van het beest/ zonk de zielen af’

Het tweede deel van het slotpaar is geschreven in dialect (‘met dank aan Paul’) dat voor een recensent in de randstedelijke bubbel niet te volgen is:
‘Jevräud han iech miech/ wie vier jinne floep mieë hauwe’

Felix Monter
 

Nafiss_Nia_26_Woorden

Nafiss Nia, 26 woorden voor schoonheid,
Amsterdam 2019 (Orlando)

De omslag vertelt ons dat Nia werd geboren in Isfahan, Iran, en opgroeide in een roerige tijd van revolutie en oorlog. Ze schrijft over haar geboorteland, herinneringen, over familie en identiteit, liefde en verlangen, en het leven van alledag.

Het eerste gedicht, net als alle andere zonder titel, doet meteen denken aan abundante Perzische poëzie: ‘Ik hoor bij aarde en water, bij blauw en geel/ bij het begin van het kersenseizoen. Mijn moeder/ onthoudt de gebeurtenissen in haar leven// door de tekens van de natuur. Mijn zus/ is met het vertrek van de zwaluwen aangekomen/ mijn broer is met de komst van de narcissen/ op de markt vertrokken. Ik ben geboren// aan het begin van het kersenseizoen/ in een groot geel gebied, rustend op de zijderoute/ in het laatste onderdak van de tuinman.’
In een ander gedicht:
‘Verdenk me niet van overdaad/ als ik in de beek van je herinnering/ verdrink. Je leeft geen tweede lente,/ we zijn gebleven maar de dag komt maar nog niet aan.’
en:
‘Als de zon zich hier thuis voelt, zal ze zich/ in onze tuinen nestelen/ tussen de koude barsten van onze/ gedachten glijden en samen met de regen voor veel vergeet-mij-nietjes zorgen’

De ervaringen als vluchteling klinken onder andere door in:
‘Je komt hem op een verjaardagsfeestje tegen,/ vraag niet wanneer hij gevlucht is of hij/ heimwee heeft en zijn familie mist/ … Jouw nieuwsgierigheid,/ die je oprechte interesse noemt, duurt even/ maar neemt hem keer op keer mee naar/ de zweepslagen, lichtloze dagen in/ zijn isoleercel, naar het bloedige eelt/ op zijn voeten, de kreten van zijn dochter/ … Vraag hem gewoon hoe het nu met hem/ gaat, en of hij ooit verliefd is geweest.’
in:
‘Ik heb me verarmd toen ik/ tussen vliegen en leven/ voor overleven koos … O, vrijheid wat heb je me/ mooi verloochend, wat/ heb je me fijntjes voorgelogen// wat heb ik prachtige bossen/ van je gemaakt, verse lucht/ gekleurd, van liefde gedroomd.// Wat ben ik bedonderd.’
en in:
‘Ik kreeg staande ovaties omdat ik/ mijn moeder en onze vijgenboom miste/ werd getroost omdat ik om mijn verre/ vader rouwde, geprezen omdat/ ik moedig tegen de tirannie opstond … En vooral omdat ik dankbaar was/ mijn wenkbrauwen niet fronste’

In veel gedichten is sprake van een verdwenen geliefde. Aan de lezer om te kiezen of het om een partner gaat dan wel een nabij familielid.
‘jij komt niet en/ al is de lente geen lente meer,/ laten we niet in de winter blijven/ ik met jouw herinnering/ jij in mijn gedachten.’

Ook alledaagse zaken komen aan de orde. Een sterk voorbeeld is dat ze in de bus niet opstaat voor een oudere vrouw, wetend dat die er na twee haltes uit zal gaan terwijl zijzelf tot het eindpunt mee wil rijden, want ‘eenmaal opgestaan in deze drukke/ bus kun je moeilijk andere/ semi-oude vrouwen verslaan die/ met vriendelijke doch dwingende/ ogen het op je plek hebben gemunt’

De bundel is verdeeld in vier hoofdstukken Winter, Herfst, Zomer en Lente. In de gedichten is een onderscheid naar onderwerpkeuze of sfeer niet te ontwaren. De taalbeheersing is perfect, Nia trekt moeiteloos velerlei registers open. In het twee-na-laatste gedicht staat de zin: ‘Ik kom uit een taal waar schoonheid/ zesentwintig synoniemen heeft,/ waarin het bijvoeglijk naamwoord/ de ongekende* koningin van grammatica is.’ Meer komt de lezer niet te weten over de titel van de bundel.

* sic

Felix Monter

 

Doryn de Vilder

Dorien De Vylder, Vertraagd stilleven, Antwerpen 2017 (Uitgeverij Vrijdag)

Dorien De Vylder is een naam die je zo vaak tegenkomt in tijdschriften en op aankondigingen van podiaoptredens allerhande, dat je bij een debuutbundel opkijkt dat die er nu pas is. Ze was lang redacteur bij Kluger Hans en viel onder meer in de prijzen bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd en bij Write Now!, de grootste schrijfwedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen.
Vertraagd stilleven schreef ze op rondreis door Andalusië en het Atlasgebergte, respectievelijk in 2015 en 2016. Het is een een bundel vol eenvoud die op je onderhuid mikt.
Constant krijg je het gevoel dat De Vylder je met één-op-éénverzen om de tuin wil leiden. Dat ze hint naar een wereld die je niet kent en wil leren kennen, waarbij ze je met dat verlangen achterlaat en daar genoegen in schept. Het voelt bijna wreed, alsof ze je een raam voorhoudt maar dan met een taal waar je niet doorheen kan kijken.

Het komt niet in je op met zwerfkeien
salaam te leggen, een pad, een oversteekplaats.
Je laat de stenen stenen.

Daardoor is dit een bundel die je twee keer moet lezen. Een keer om op zoek te gaan naar wat achter de verzen wacht. Een tweede keer om te beseffen dat net die verzen, dat net die schijnbare eenduidigheid in de woorden, hetgeen is wat je raakt.
Je verwondert je over de finesse
waarmee, alsof je ervoor gemaakt bent, de wenteling
al altijd in je lag

Hoewel De Vylder’s beelden raak lijken en ze duidelijk weet waarover ze spreekt, krijg je bij momenten het gevoel dat aan de taal nog kan gevijld worden. Niet dat het vrijblijvend of ongepolijst aanvoelt. Maar misschien was ze gebaat met een iets strengere redactie. Haar verzen lijken net dat duwtje nodig te hebben en balanceren nog te veel om echt te staan.

De kleine mensen stormen erop af, duwen het,
duwen het kind eraf. Een man zet het naast zich
op de bank. Fijne korrels glijden van hand tot hand.

Dat neemt niet weg dat Vertraagd stilleven een verdienstelijk debuut is van iemand die de kunst van het beelden scheppen onder de knie heeft en de kunst van het observeren mogelijks nog meer.
De bundel geeft je het gevoel alsof je op een tocht bent. Je vertrekt, slentert loom en bepakt door een woestijn, voelt het zand tussen alle spleten en kieren van je lichaam, waant je in een zweterige stad, staat een lange tijd stil bij een rivier, en wast uiteindelijk alle stof en zout van je af.

Als ik in de rivier glijdt, wijkt het water
telkens ik, in gedachten verzonken, beweeg
past het stante pede zijn vorm weer aan.

Water is er altijd voor de ander, maar verliest nooit
zichzelf. Het zal niet antwoorden
maar wordt de vragen nooit moe

en als ik jou hier bij me uitnodig, zal het willoos
plaatsmaken, zich tot een mal gieten
waarin jij je dan neerlegt;

Alsof het altijd zo geweest is.

Dorien De Vyder’s stillevens gedijen in het op maat ontworpen frame. Lettertype, zetting, papiersoort, alles lijkt met zorg geselecteerd en uitgedacht. Net als de teksten straalt het eenvoud en zachtheid uit. De titel ligt verzonken in dezelfde kleuren als het omslag. Alsof De Vylder je uitnodigt om het lezen over te slaan en meteen met het voelen te beginnen. Want daar draait het toch om?

(Jonas Bruyneel)

 

Zwijgplicht

Theo Stokkink, Zwijgplicht, Haarlem 2017
(Uitgeverij In de Knipscheer)

Een leven lang op zoek

Met Zwijgplicht heeft Theo Stokkink een interessant en veelomvattende familiekroniek geschreven. Hij zet hiermee het werk voort van de Vlaamse schrijfster Elisabeth Marain die in 1994 was begonnen aan een trilogie over de Eerste Wereldoorlog, getiteld De vluchtelingen. Het derde deel is er echter nooit van gekomen en met haar toestemming heeft Theo Stokkink drie decennia later het laatste deel geschreven. Een belangrijke motivering daartoe was dat zijn moeder, Hélène Borret, de hoofdpersoon is van het grotendeels op historische feiten gebaseerde verhaal.

In een soort dagboekvorm – boven de hoofdstukken staat steeds een datum en een plaats – wordt aan de lezer het verhaal over het leven van Hélène uit de doeken gedaan. Na een korte introductie, handelend over een arm boerengezin ergens in Vlaanderen, verschuift het beeld naar het mondaine Amsterdam tegen het eind van het fin de siècle. Theo Borret is van goede komaf, jurist en vermaakt zich in de hoofdstad met zijn vriendengroep de Cercle. Hij is heimelijk verliefd op een Duitse arts die dienst heeft genomen in het. Ze corresponderen, maar op afstand is het moeilijk een relatie te onderhouden. Eenzaam in zijn verlangens laat hij zich door zijn vriend Willem verleiden een duister en illegaal mannenbordeel te bezoeken. Ze worden door de politie betrapt en alleen doordat ze de juiste contacten hebben, wordt het proces-verbaal tenietgedaan. Dergelijke uitstapjes maken ze vaker, maar steeds weten ze onder de nieuwe zedelijksheidwet uit te komen.

Naast zijn rijke leventje in Amsterdam heeft Theo te maken met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog die het neutrale Nederland zijdelings raken, al was het maar vanwege de vluchtelingen die vanuit Vlaanderen naar Nederland komen. Op het notariskantoor waar hij werkt, vindt de registratie en herplaatsing van kinderen plaats die zonder ouders in Amsterdam aankomen. Theo maakt zich er niet erg druk om en is vooral bezig zijn leven op orde te krijgen. Om toch te voldoen aan de maatschappelijke druk die op homosexuelen rust om als getrouwde man door het leven te gaan, huwt hij zijn huishoudster, een gewezen prostituee. Wat nog ontbreekt is een kind om het gezinsleven te vervolmaken. Door zijn voorkeur voor mannen is het uitgesloten dat Theo ook maar enige lichamelijke toenadering zoekt tot zijn vrouw. Daarbij komt dat zij een abortus heeft ondergaan en kan zij geen kinderen meer kan krijgen. De lezer voelt al aankomen hoe het echtpaar aan een kind kan komen. Het gezin zal worden aangevuld met een vondelinge, waarschijnlijk een wees, die met de vluchtelingenstroom is meegekomen. Hier komt Hélène het verhaal binnen.

Gedetailleerd schetst Theo Stokkink het leven van de bovenklasse aan het begin van de twintigste eeuw. Voor zijn familie houdt hij zijn geaardheid niet geheim en problemen levert dat niet op, maar naar de buitenwereld houdt hij zo goed mogelijk de schijn op. Door de beschrijvende manier van vertellen is het voor de lezer niet moeilijk mee te gaan in de ideeën en gedachtes van de hoofdpersonen. Wanneer Theo komt te overlijden, het gezin naar het Breda verhuist en Hélène er langzaam achter komt wat haar achtergrond is, wordt het verhaal spannender. De biologische vader en zussen van Hélène gaan naar haar op zoek. Er ontstaat een soort kat-en-muisspel, de een zoekt en de ander wil niet gevonden worden.

Hier en daar is het verhaal iets te veel uitgesponnen en daardoor soms wat voorspelbaar. Hoewel een schrijver van een historische familieroman, zoals het boek op de achterflap genoemd wordt, veel feiten in een zo krachtig mogelijk fictief verhaal moet mengen, is het voor de lezer uitdagender als er soms wat leegtes worden gelaten. Die kan hij of zij zelf invullen en later blijkt dan wel of de lezer het bij het juiste eind had. Maar los van dit bezwaar is Zwijgplicht een mooi tijdsdocument waarbij het leven van Hélène van vondeling tot volwassen vrouw in een prettige en heldere stijl verteld wordt.

De exodus van vluchtelingen uit Vlaanderen tijdens de Eerste Wereldoorlog is waarschijnlijk niet bij veel mensen bekend. Evenmin de gevolgen daarvan, zoals verscheurde gezinnen, zoektochten naar familieleden, de onzekerheden over zijn of haar eigen afkomst. Dit verhaal brengt al deze aspecten op een boeiende wijze naar voren en de schrijver illustreert de gebeurtenissen met foto’s, brieven en andere documenten.

Het is niet moeilijk de verbinding te leggen met onze tijd, waarin vluchtelingen huis en haard verlaten om elders een nieuw leven op te bouwen. Volwassenen maken die keuze bewust, wat de achterliggende drijfveer ook moge zijn, maar kinderen overkomt het en die hebben de consequenties te accepteren. Samen met deze tragiek en de worsteling van Theo over zijn geaardheid kan het centrale thema het best samengevat worden met het begrip ‘identiteit’. In hoeverre wordt je identiteit bepaald door je geboorte, je opvoeding en je eigen keuzes? Daarover zwijgen is klaarblijkelijk niet de juiste oplossing, zeker niet als het zwijgen opgelegd wordt.

Arjen van Meijgaard

 

In het licht, Ilona verhoevenIlona Verhoeven, In het licht, Haarlem 2019 (In de Knipscheer)

In het verhaal ‘De abstracte werkelijkheid’ roert Ilona Verhoeven het verschijnsel aan van schrijvers die altijd hetzelfde boek schrijven. ‘Niet in de zin van exact dezelfde regels, geen overschrijven, maar een overnieuw schrijven’. Dan veralgemeniseert ze dit fenomeen naar kunstenaars die hetzelfde maken, elke dag, elke week opnieuw – terugkerende motieven, vormen en kleuren, elke keer weer. Als voorbeeld noemt ze Giorgio Morandi’s vage, in pastelkleuren opgezette stillevens. Kaarsrecht opgestelde potjes, kannetjes en vaasjes op een rij. Voor Ilona valt de naam Morandi samen met ‘stilleven’: schilderijen waarop je stilte als het ware kunt zien. De dingen als de verwezenlijking van een prachtige onhoorbaarheid.
    Ook van Ilona Verhoeven zou je kunnen zeggen dat ze altijd dezelfde verhalen schrijft. Niet in exact dezelfde regels, maar in veel gevallen uitgaand van een foto, een moment van stilte dat voor het oog een abstractie is.  Maar de abstractie wordt weer concreet wanneer die teruggaat naar de het centrum dat deze ervaring mogelijk heeft gemaakt: de hersenen. Het beeld doorbreekt zijn stilte en spreekt. Vertelt verhalen. De man die zich liet fotograferen tegen de achtergrond van de Eiffeltoren in Parijs verontschuldigt zich dat zijn gezicht niet helemaal staat zoals het moet. Maar ach, het ging om deze ene momentopname. Het ultieme bewijs dat hij hier was geweest had slechts deze ene foto nodig. (‘Bewijs van Parijs’)
    Soms spreken de foto’s in tongen. Een vrouw in een gewaagd negligé kruipt op handen en knieën naar de lens van de camera. Op haar nek rust een disproportioneel grote poezenkop met uitpuilende helblauwe ogen. Op haar billen rust een huiskat. Het verhaal dat deze foto vertelt gaat over een clubje graatmagere jonge vrouwen in een steeg. Ze doen wat nerveus. Hun kleren kloppen niet helemaal, ze zien eruit alsof ze de inhoud van een verkleedkoffer onderling hebben verdeeld. Een van de vrouwen doet denken aan Zwarte Magica uit Donald Duck of aan Gudrun, de hoofdfiguur uit het Middeleeuwse Gudrunlied, maar toch ook weer niet. Daarvoor kijkt ze te lodderig voor zich uit en is haar schoeisel te schamel: stiletto’s die ongeveer vijf maten te groot zijn. Er gebeuren dingen in de steeg, die je denkt te kunnen begrijpen, maar waar je uiteindelijk geen greep op krijgt.
    Het komt ook voor dat de foto’s in een metataal over zichzelf praten,  als vergankelijke materie bijvoorbeeld. Een man in een wit overhemd met een rode stropdas als curieuze toevoeging danst disco met een brunette in een framboosrode jurk. De man achteroverleunend, diep in de knieën, de vrouw in staande houding, soepel de rug naar achteren buigend. De kleuren op de foto zijn al gebruind, maar zullen nog verder verkleuren. ‘In de loop van de tijd zijn de handen bruin geworden, bruiner dan ze werkelijk waren. Het zal niet lang meer duren tot de dansers arriveren in een andere, roze dimensie. Via broek en jurk lossen ze op in het vloerkleed. Het zal geleidelijk gaan. Zoals alles mettertijd gaat.’ (‘Durf te dansen’)
    Het komt voor dat een beeld aan de praat komt met de lezer. Als dat gebeurt is dat vaak bij fotoloze verhalen. In die gevallen zal de lezer zich een beeld moeten inbeelden. In het verhaal ‘Herinnering voor de toekomst’ stelt Ilona de volgende feiten vast:. ‘Sinds de opkomst van de social media “leven” gestorven mensen vaak verder op internet. In dat verband is het ook interessant te zien hoe uitvaartorganisaties zich aanpassen aan de beeldcultuur. Omdat iedere aula over een beamer beschikt, is een slideshow van persoonlijke foto’s een steeds vaker voorkomend onderdeel van de afscheidsceremonie.’
    Ik las dit verhaal op 20 januari 2019. Een dag eerder was ik aanwezig bij een uitvaartplechtigheid in Kijkduin. Ik kende de overledene van lang geleden en zag nu, op de witte wand boven de doodskist, zijn leven in beelden aan mij voorbijgaan. Toen overkwam mij iets vreemds. De emoties die de diverse sprekers op mij overbrachten werden geneutraliseerd door een beeldverhaal dat mijn nieuwsgierigheid naar dat leven prikkelde tot aan een vorm van voyeurisme toe, en dat mij door de poses en de aanwezigheid van mensen die ik kende zelfs amuseerde.
    Welk een toeval dat Ilona in ’Herinnering voor de toekomst’ mijn gewaarwordig van de 19e januari doortrekt naar een onvoorziene conclusie. In de slotpassage van dat verhaal merkt ze op dat in de slideshows  een extra bezieling wordt meegegeven aan de foto’s van de overledene. ‘Foto’s die eerst alleen gezien waren door naaste familieleden, komen onder ogen van verre familie, collega’s en vrienden. Bij een uitvaartplechtigheid zijn foto’s algauw niet alleen plaatjes. De context waarin nog levende personen eveneens kunnen figureren in de geprojecteerde beelden, maakt dat er ongemerkt perspectiefwisselingen plaatsvinden. Mogelijk is er zowaar hoop op “zien en gezien worden”.’
    Het beeld dat ik mij bij het lezen van deze passage inbeeldde was dat van de overledene als kleuter, met zijn ouders en iets oudere zusje op bezoek bij ons in Scheveningen. Klein en onwennig op het gazon, terwijl ik naar hem kijk. Een foto met een frommel links in de bovenhoek.
    De passage in Ilona Verhoeven’s boek, het beeld dat hij oproept, heeft me gesnapt.

cg
 

Reacties zijn gesloten.