Moedermelk, door Renske van den Broek

Als het oude wijf de trap op stommelt, doe ik snel het haakje op de badkamerdeur.
‘Doe open, je bent hier niet de enige in huis!’ krijst ze.
Ik kijk in de spiegel en zie twee versies van mezelf, met in het midden een grote barst, die over het glas zigzagt. Heeft een van de nieuwe jongens gedaan, denk ik. Het wijf bonkt met haar stok op de deur. Heeft ze niks beters te doen? Ik weet het antwoord al, toch vraag ik of ik het mag gaan kopen.
‘Waar heb jij in jezusnaam een scheermes voor nodig, jongen? Om je polsen door te snijden?’ Ze lacht als een schorre geit. Dan begint ze te hoesten. Het oude wijf is compleet verrot van binnen. Zelfs als ze in die eeuwige pan bonen van d’r staat te roeren, heeft ze een peuk in haar mondhoek, zoals die cowboy van de sigarettenreclame.
Het klinkt alsof ze doodgaat, dus ik doe de deur open. Ze steunt met haar hand tegen de muur en rochelt. Na een tijdje kan ze weer praten. ‘Twintig monden moet ik voeden. Waarvan? Van de lucht! Voor dat plukje dons op je bovenlip heb jij geen scheermes nodig.’ Ze draait zich om. ‘Kom, jongen, help me even.’
Een klein duwtje maar, denk ik, terwijl ik haar een arm geef en naar beneden help. Ze ruikt naar uien. De snor op haar bovenlip is niet van dons, zoals de mijne. Op het loshangende vel groeiden dikke, zwarte stekels. Daar kan ze het vuil mee van de borden schuren. Dan maar een scheermesje jatten bij de supermercado op de hoek, makkelijk zat.
Had ik maar zo’n volle baard als Fernandez. Als hij zich een dag niet scheert, heeft hij al stoppels, en ziet hij eruit als een gangster. Door het scheren gaat mijn baard vanzelf groeien, zegt hij. Tot nu toe krijg ik er alleen uitslag van.
De jongens hangen voor de tv. Sinds de ventilator kapot is, kom ik niet meer in de woonkamer. Het is er heet en alles plakt. Iets van voetbal, hoor ik. Geen idee welke club er speelt, ik haat voetbal.
‘Ga je weer achter de vrouwtjes aan, bolle,’ roept de nieuwe met z’n grote bek. Ik ben niet dik, hooguit stevig, terwijl ik alleen maar rijst en bonen eet, en soms kip. Het is niet mijn schuld dat het hier te heet is om van je reet te komen. Douchen doe ik wel, twee of drie keer per dag. Stiekem, anders merkt het wijf het en krijg ik weer een badkamerverbod.
Fernandez staat in de deuropening. Hij verspert me de weg. ‘Heb je geen zin om voetbal met ons te kijken, Arlan?’
Ik schud mijn hoofd en kijk naar de klok, tien over drie. Ik moet opschieten.
Ze is er vast al.
‘Een potje tafelvoetbal dan?’
Ik haal mijn schouders op en wurm me langs hem. ‘Even een stukje wandelen.’
Fernandez is de enige in het weeshuis die me ziet. Hij maakt zich zorgen. Ik zie het aan de frons in zijn voorhoofd. Maar dat is niet nodig.
De stad trilt in de zon. Ik loop van schaduw naar schaduw. De straten zijn stoffig en leeg. Ik zie haar al van ver. Ze zit op het bankje onder de grote boom bij de Iglesia la Recolección. Haar hand ligt op de kinderwagen. Er hangt een witte doek over de kap. Ze is verdiept in een boek, zoals altijd. Snel dep ik mijn oksels met een papieren zakdoekje en ruik er even aan. Niets aan de hand. Zo nonchalant mogelijk slenter ik op haar af. ‘Vindt u het goed als ik hier even kom zitten?’
Ze kijkt op uit haar boek en glimlacht. ‘Natuurlijk,’ zegt ze zachtjes. ‘Wat een hitte, hè?’
Ik knik.
‘In de zon brand je gewoon weg.’ Ze maakt plaats voor me en leest verder. Ik snuif haar geur op. Zonnebrandcrême en iets van bloemen. Ze is zo blond dat het haast wit is.
Uit de bak komen kleine kreetjes. Ze kijkt bezorgd. Vorige maand zat ze hier nog met een buik als een ballon die elk moment kon knappen. De baby is nu echt wakker en zet het op een krijsen. Het geluid werkt op m’n zenuwen. Ook op die van haar volgens mij, ze lacht zenuwachtig naar me en kijkt op haar horloge. ‘Sorry hoor, maar de baby moet eten.’ Ze pakt het kind uit de wagen, neemt het op schoot en trekt haar shirt en bh in één beweging omhoog. Hier wachtte ik op. Haar dikke borst zakt als een pudding op haar buik. De roze tepel staat omhoog als een speen. Ze duwt de baby ertegenaan. Die hapt toe en begint als een gek te zuigen.
‘Wat een schatje,’ zeg ik. Haar borst deint op en neer terwijl de baby drinkt. Ik hoor het geklok. Mijn wangen gloeien, maar ze heeft alleen oog voor het mormel.
‘Mijn kleine wondertje. Hoe heet je?’
‘Arlan.’
‘Wat een mooie naam. Moet je niet naar school vandaag, Arlan?’ vraagt ze. Ze kriebelt de baby onder zijn voetje. Hij was even gestopt, maar begint nu weer te sabbelen.
‘Ik heb geen school vandaag.’ Het is Día de los Muertos, maar dat weet ze misschien niet. Ze komt hier niet vandaan. Misschien is ze wel Duits.
‘Lekker, een dagje vrij.’ Moet je niet zwemmen met je vriendjes?’ Ze lacht lief naar me.
‘Ik hou niet echt van zwemmen.’ Ik haat zwemmen, wil ik zeggen. Schreeuwende jongens en sprietige meisjes die zich gillend van de duikplank af laten duwen interesseren me niet. Ik zit liever op een bankje met een vrouw, een echte vrouw met blauwe ogen en zware borsten van de melk.
De baby is klaar met drinken en ligt knock-out in haar armen. Er loopt melk uit zijn mondhoek. Haar tepel is groot en roze en nat van de melk.
‘Belofte, betekent het.’ Ze heeft geen idee waar ik het over heb. ‘Mijn naam,’ zeg ik erachteraan.
‘Arlan, de belofte.’ Ze kijkt in de verte. ‘Wat mooi.’ Haar bh is nog steeds omhoog. Ze is het vergeten, denk ik. De beugel zit halverwege het witte vlees, er lopen blauwe aderen doorheen. Ik mag er gewoon naar kijken.
‘Mijn moeder is dood,’ zeg ik. Al weet ik dat strikt genomen niet helemaal zeker. Het klinkt in ieder geval beter dan: ‘Mijn moeder was waarschijnlijk een hoer die me op de stoep van het weeshuis heeft gedumpt.’ Ze kijkt me aan met die grote, blauwe ogen. Net een engel.
Ik doe er nog een schepje bovenop. ‘Mijn moeder is dood en mijn vader bestaat niet, dus als ik al een belofte was, dan heb ik die in elk geval niet waargemaakt.’
‘Ach, jongen toch.’ De tranen staan in haar ogen. Ze raakt mijn arm even aan. De baby hangt slap in haar armen, ze legt hem terug in de wagen en dekt hem toe.
‘Heeft-ie het niet te warm zo?’
‘Het is een meisje. Drie weken oud. Pasgeboren baby’s kunnen zichzelf nog niet warm houden.’
‘Maar dadelijk stikt-ie.’
Ze kijkt bezorgd. ‘Misschien heb je gelijk, het is wel erg warm ja.’ Ze haalt de doek er weer vanaf. Ik buig en kijk in de wagen. De baby beweegt niet, hij zou even goed dood kunnen zijn. Ik gloei. De borst is zo dichtbij nu, dat ik me maar een klein stukje naar haar toe hoef te buigen om de roze speen in mijn mond te nemen. Hij schreeuwt erom. Mijn broek knelt, ik ben hard. Een onzichtbare hand duwt me naar voren. Ik kan er niets aan doen. Over haar tepel lopen kleine straatjes, kriskras over het oppervlak. Ik sluit mijn lippen er omheen en zuig. De moedermelk spuit mijn mond in, zoet en warm. Ik explodeer haast als ik haar hand in mijn haren voel. Zie je, zij wil dit ook.
Dan een harde, koude klets tegen mijn wang. Als ik mijn ogen open, kijk ik recht in het gezicht van het oude wijf. Ze slaat me met de geplukte kip, die ze aan de poten vasthoudt. De gerimpelde kop zit er nog aan. Het is een haan, dat zie ik aan het rode lelletje.
Opnieuw een klets. Hard en raak. Nog één. De snavel van het beest haalt mijn gezicht open. Bloed loopt langs mijn wang naar beneden.
Iemand grijpt me bij de arm en trekt me omhoog. Fernandez’ pikzwarte ogen fonkelen. ‘Arlan,’ sist hij in mijn oor. Hij knijpt, het doet pijn. ‘Waarom doe je nou zoiets, jochie?’ fluistert hij.
Ik probeer me los te wurmen, maar ik maak geen schijn van kans. Achter Fernandez staat het wijf nog steeds met de kip te zwaaien. Ze roept dingen, maar ik hoor niet wat. Ze mag dood vallen. Daarnaast staat zij, haar dikke borsten stevig vastgeklemd, alsof ze van haar lichaam kunnen vallen.
Fernandez sleurt me mee. Uit mijn ooghoeken kijk ik naar hem. Huilt hij nou?
De zon brandt en de baby jankt. Ik kijk niet om.

Graag delen!
Dit bericht is geplaatst in Columns, Proza. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.