Geen Cava, geen light, Kristien De Wolf

(Uittreksel uit het boek Stof)

Jaren gingen voorbij, snel en geruisloos. Dag na dag hadden wij de tijd gedood, efficiënt en zonder tastbaar resultaat. We hadden geen kinderen, geen fotoalbums om in terug te kijken, alleen een huis. De zon bleef rond de aarde koersen, onverstoorbaar meer van het zelfde brengend, verraderlijk vretend aan ons welzijn en onze dromen. Zelf had ik er maar één, en die gold Ava’s geluk, maar ook die droom leek elke dag minder te zullen uitkomen.

We vierden Nieuwjaar gewoon thuis, voor de televisie, met eten van de Blauwe Poort. Inmiddels hadden we een ander exemplaar dan vroeger, met een groter, vlakker scherm. Ik keek naar Ava op wier gelaat de jaren en haar levenswandel uitgetekend stonden. Ze was nog steeds knap op sommige momenten, zoals nu, maar droefheid had onmiskenbare sporen op haar gezicht nagelaten. Toch was onze stemming tamelijk vrolijk. We spraken al weken over de millenniumbug en hoopten luidop op een grote sensatie, op het einde van de wereld. Ze zou er niet om geven, zei ze. Een algemeen onontkoombaar einde van alles en iedereen.
‘Een elegantere exit bestaat er niet, Sieg. Als ik me mijzelf voorstel terwijl ik in mijn doodskist lig, dan moet ik zeggen dat dat er vredig uitziet.’
‘Je gaat niet dood wanneer je wilt hoor,’ antwoordde ik.
‘Zo erg zou dat toch niet zijn, Sieg. Ik ben tevreden. Er is niets waar ik spijt van heb. Nu is net zo goed als ieder ander moment.’
Voor Ava zou het een bevrijding zijn om onder de vermoeidheid uit te komen en alles te vergeten, als ze maar kon weggaan zonder schuldgevoel. Ik had mijn eigen redenen om hierin mee te gaan en stiekem te hopen dat het er inderdaad mee gedaan zou zijn, zo dadelijk. Mijn verzuchting lag echter helemaal anders dan die van Ava. Ik hoorde hier immers hoe dan ook niet thuis. Op deze aarde was ik een zonevreemd voorwerp. Het leven had mij niet verwoest zoals het dat met Ava had gedaan, ik was er zelfs nooit aan begonnen. Ik had hier nooit moeten zijn. Dat was het gevoel dat ik steeds meer had. Mijn materiële leven was vanaf de start een misrekening geweest, een miscast, slechte timing, het verkeerde toneelstuk.
Er gebeurde echter helemaal niets. De millenniumbug werd niet ontketend. De wereld verging niet. We hadden allebei laptops en klapten die om vijf over twaalf open om te zien of ze nog leefden. De toestellen startten op zonder de minste moeite. We keken elkaar aan met zekere spijt. Toen moesten we lachen. Zoals in de mooie oude dagen sloeg er een vonk over, en we vonden elkaar in een enorme ontlading van spanning. We lachten en lachten.

De volgende dag namen we een laat ontbijt met alles erop en eraan. In de keuken was het aangenaam warm, wat extra gezellig is met regenachtig en grijs weer. Het leek alsof we een besluit genomen hadden. De hoop op een ex machina-verlossing was vervlogen, en dus maakten we er maar het beste van met gekookte eieren, gerookte zalm, witte toast en echte roomboter, geen light, allemaal die ochtend pas gehaald. Ik voelde me nog fris van de korte ochtendwandeling door de slaperige stad. Onze stadsgenoten lagen nog bij te komen van de zware feestnacht, maar wij waren al op en buiten geweest, en dat gaf mij een wonderlijk gevoel van plotse vitaliteit. Ik zag er ook iets van weerspiegeld bij Ava, die drie zachtgekookte eieren en vier toast met zalm en peterselie opat. We dronken een goede fles champagne bij het eten, geen Cava.

Dit bericht is geplaatst in Essays, Proza en getagd, , , . Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.