Waarheen, Theo van der Wacht

There will be nonsense in it
Lewis Carroll

W A A R H E E N

sea

De valreep. Houd je vast! Dit hier bungelt aan geen touw, raakt schip nog wal. Ben ik degene die naar houvast taalt, zijn raasdonders linkt aan.. plankenkoorts? Waarop loopt dit uit? – Buikloop? S.O.S? Zwemvest? Reddingboot?

De tremor van de zee verdicht op een onzichtbare gitaar.
Decor: een schip dat oprijst uit een golfdal. Het alarm loeit aan. Het voetlicht pint een
losgeslagen boei of mijn, het spookbeeld van de kapitein. Wij delen het gevaar. En staan
wij even stil bij een drenkeling of een cycloon, stoplap en rijm houden koers en de vaart er prozaisch in.
De kapitein bedient zich van de affuit.
– Attentie regissseur!
De scheepskapel schiet in postuur. De dirigent kondigt Watermuziek aan. Zeetjes belagen
het toneel. Lichtmatrozen zoeken been om op te staan. Spitzen van karton. Zuidwesters
van papier. Onze prima donna danst de pirouette van de eeuw. Ons kompas totaal van
streek, tolt in de rondte als een vaan. Waarheen kompaan? Oost Noord West Zuid?
De Vliegende Hollander achterna?
Langszij meert de fluisterboot van de souffleur, en ook de dramaturg schuift bij ons aan.

Windstilte als tussenspel. De uitkijk meldt Land In zicht. Stuurman en ik turen over de
oceaan, zijn het gauw eens, de berg die daar opdoemt is Bibelebonts, ofwel we liggen
pal op koers. De choreografie vergast ons op een potvis, eentje die echt spuit. Dansers
beelden tritons en dolfijnen uit. Applaus. De zaal gaat volledig uit zijn dak, stamt
terloops zijn voeten droog. Waarom vertrouw ik mijn oren niet?

De decorateur verrast ons met een antiek tafereel.
Een panfluit begeleidt een centurio op het toneel.
De zaal muistil. Maar de Romein is niet te verstaan.
Iemand fluistert: – Die is vast van het andere Latijn.
Wie meent dat dit overwaait, koestert ijdele hoop.
Wat te verwachten was, er gaan mensen op de loop.
Gevloek, gestruikel, en gedoe. De regisseur verbluft:
– Vrienden, dit staat niet in de script. Pan? die is al tijden dood.
Maar stel dat iemand God verstond.
– Techniek! Doek en pauzelichten alsjeblieft!

Let go!, terwijl het anker valt voor een volgestroomde zaal, wissel ik die Romein om
voor een Kelt, en is Gaelic nu de taal die men op het eiland dat we aandoen spreekt.
Als gepland staat er een banneling als gids voor ons gereed. Het orkest speelt Music in
a while
. Een haag van prikkeldraad, hoe zet je die geloofwaardig op de planken neer?
Zo’n strafkolonie van het laatste uur.. Als de bliksem gaat onze paukenist nu als een
donderstraal te keer…. Nee, geen pastorale van weleer, geen Orpheus tokkelend op
zijn lier. Resteert ons nog de vraag: waarheen, met al die bombarie van vandaag –

Wij die flanerend als toeristen verveeld een stad bezoeken. Het gemengd Matrozenkoor
rept van een basiliek in nood. Zon weerkaatst in het glas- in- lood, en zie, het kruisbeeld
voedt de P van penitent, die de gevoelens brandend houdt.
Ballet: de zonde gaat in rook gekleed.
– Godlief wat dwaal ik af. Souffleur help me op het goede pad, om selfies zit geen mens verlegen, behalve zij die wij het maar vergeven, om zo onbevreesd de dingen af te wachten die niet komen willen, als het hek dat voor geen wandelende Jood te hoog is, dat sprankje hoop voor wie nu leeft. O, deze ongelovige die brood en wijn doorziet als aalmoes en azijn, waar onze bas de Jezus opeist, de hoofdrol in dit lekenspel. Mes op de keel, en luister goed, de hagenpreek stormt ons uit het verre duister tegemoet. Geen nieuw geluid, geen eens of toen. Een roos werd immers nooit een zoen. Ongeloof wist het bovenaardse van dit ogenblik, een decoratieve regenboog.
De schrijver dezes zit verbijsterd toe te kijken en te luisteren in de zaal. Zijn dat mijn woorden, mijn beelden, mijn muziek, is dat mijn taal? En die houten klaas van een acteur? Waar bleef de zeebonk, de kaperkapitein, de man van V.O.C en zessen klaar? En die mijlpaal? Geen touw aan vast te knopen, geen Gordiaan om te vertrouwen, ons droomschip dreigt zelfs op een zandbak vast te lopen, een raadsel hoe dat kan. Maar soms weet jij het ook als auteur niet meer, speel je uit bittere nood leentjebuur bij de antieke literatuur. Hoop je dat je in dat labyrinth de draad niet uit het oog verliest, en zo een schrijversblok ontloopt.

Laten we ons nu niets inbeelden, sust de regisseur. Ik bied je wieken aan, een helikoperblik over het totale schouwtoneel. En subiet daagt er een café. Dit dranklokaal geurt naar bier van deur tot hier. Het zit er vol met schuim van nabije zee en verre oceanen. Zuipen op het geluk. Prut. Skol. Prosit. Uit de jukebox kreunt een bandoneon. Mijn lichtmatroos wordt bij de arm genomen door een travestiet. Rosa is de naam, wie kent haar niet.
– Zij maken ongekende passen. Ze dansen onmogelijke figuren. Ze besturen de tango van vandaag.
De tango die ik nooit zal leren.
Rosa Rosae Rosam.

De kapitein: wie heeft er zin om naar de schouwburg te gaan? Nou? Okay, zullen we dan maar, want wie is er nu niet benieuwd naar het spektakelstuk, dat als Gesamtkunstwerk een Oscar won? Blijft onze zorg, hoe krijgen we de begroting straks weer rond. Het grote publiek verkiest nu eenmaal voetbal boven Brahms, een parenclub in plaats van het toneel, Pink Pop boven Kind of Blue. Maar weet, wij als bestuur laken de bonuscultuur,
een subsidietje prima, maar concessies, nee!, geen deal met de gouddelvers van de reclame en tv.
– Bingo! Wij voeren Koning Midas ten tonele, en gunnen onze gastacteur en de grimeur de vrije hand, ten faveure van de regisseur en Pennewip van een auteur.

Als decor een spiegelgalerij. De kapitein geïrriteerd tot mij: – Kijk! Die twee daar, dat zijn wij. Een verborgen camera? Worden we life gefilmd?
– Zeg cineast, waar leidt dit allemaal toe? Dus bezoeken we nu een plantentuin. De bijtjes zoemen af en aan, een violist vertolkt de bumble bee, de bloemetjes raken in the mood, verzinnen zelfs een kolibri… Daar oogt onze prima donna een strijkplank bij, die aapt spagaat een vlinder na, en balt onder een open doekje de vuist die voor mij is bedoeld.

Een luchtgeest? Nee, dat moet verbeelding zijn geweest. Maar misschien is er storm op
komst. Ik laat de anderen even in hun waan, neem poolshoogte aan boord of alles zeevast
is gesjord. Er ontbreekt werkelijk geen steek, en dus is er nog tijd genoeg voor een douche.
Die afwisseling van koud en heet, dat swingt:

Ik ben de muze van de pure jazz
Ondanks country, soul en rock
ging mijn be-bop nooit op de fles
De blues zing ik immer nog in bes
Ik ben oud maar niet de jaren zat
Draai al zestig jaar swing op vinyl
Mijn platen tonen almaar fraaier
hun schorre klank, als fan weet ik
De pure jazz houdt eeuwig stand…

Pauze. In de foyer slurpt het publiek de koffie inclusief. De troep en het ballet
bekomen van de mise-en-scène. Uit het kabelgat klinkt hoongelach.
– Ach, kennelijk zijn die artiesten weinig gewend. Geen zeebenen als wij, en als het
even tegenzit, weten ze geen raad, zaait men al paniek. Maar wat als de smaak
verandert en jij niet? Trouw publiek is langzaamaan vergrijsd. Kijk om je heen.
De zaal stroomt aardig vol. Jeugd? Die bekijkt /bereist de wereld digitaal, YouTube
brengt hem/haar in a minute nergens en overal naar toe. – Homerus en Shakespeare?
Kunnen beiden makkelijk op A4, onberijmd een klus van hooguit een kwartier, en
waarom niet, al die sterren van weleer verbleken bij die van vandaag, nu is koning
voetbal baas op de Olympus, stroomt het geld als water naar de slimste plaatsen,
staan bouwmagnaten cool te dringen bij ruïnes, is Jezus Christus heel ver van gisteren,
je bent voor Ronaldo of voor Messi, en de wapenindustrie moet roken, anders
verdampen de pensioenen. Bankiers, bestuurders, artsen en advocaten, in farmacie
en bier is het vorstelijk beleggen, en sport en oorlog prima te fuseren tot een lucratief
verzetje. Mensen? Dat onkruid plant zich sneller voort dan menig god kan wensen.

Decor de aardbol, die zich heeft vermomd als platte kaart. De tenor zingt: je komt er
nooit vanaf, geen lijn wijst ons de weg, geen kromme die ons redt.
– Protest. Het orkest steekt vuurwerk af, en het ballet stuurt zigzag door een mijnenveld.
De sopraan in zwijm. Een voetnoot tegen dit kunstgeweld. De robot op mijn smartphone
staat voortdurend op stand by. Op Twitter wordt toevallig net een scheepsarts afgemaakt.
Wee de allesziende blik, die zelfs onze dromen binnendringt. Krochten waarin verlangens
smeulen, stille onuitgesproken woorden, wapens tegen het verdringen. Robot spreekt als
hij op dreef is, mij bij elke leugen tegen, kijkt ook niet weg als ik het privaat bestijg of
anderszins.., wat door de censor werd gewist.
– Van slag?
– Nee.
Soms geloof je zelf niet wat je schreef. Robot heeft aan geveins een broertje dood, voor mij als schrijver is dat beleg op het dagelijks brood, ik die het gekoer op mijn balkon al als orakel duid:
Roekoekoe, Amabilis Columba, mijn geliefde duif.

Tip: vermijd als auteur het voetlicht. Praalhans staat niet in het manuscript. Ergernissen?
– De toneelknecht die kortsluiting alarmeert, waaruit Stokebrand (Satan?) een brandje sticht, hooligans oproept, het toneelveld met zwaar vuurwerk bestookt.
Heavy Metal wakkert de vlammen aan. Witheet hardstaal.
– Kalmte kan u redden, predikt onze dirigent.
– Waarheen?, brult de decorateur.

Lichten dimmen, terwijl het gaat stormen op de planken. De spanten kraken. Het ballet
zeilt mee. De haren van de regisseur verwaaien. Koor zet ad libitum een strijdlied in: hoogbejaarden sluit de rijen. De zaal veert op, zingt mee in vele talen. Het decor kleurt
roze. Sirenes loeien. Jongeren zetten het op een lopen. Vertrapte rollators en prothesen.
Ouderen doen het langzaamaan.
– Een stervende zwaan?
– Nee! Onze prima donna kan op geen been meer staan.

Die bergen daar, dat zijn geen bergen, enkel deze grot is waar. Onze gids heeft zich als Kelt verkleed. Het meeste van wat hij ons vertelt, gaat langs mij heen hier in het duister, een
‘hemel zonder sterren’, een overbekende. Dante A. dichtte er schone bange verzen over,
streng als wij ze niet meer schrijven. Onze gids oogt sjofel, heeft weinig weg van een
geleerde. Men tapt uitsluitend Irish coffee in het veerhuis, het is ook inbegrepen. Na een
plas wacht ons het pikkedonker, geen schim voor ogen. En stap voor stap, of is het woord
voor woord, neemt het ballet nu resoluut het voortouw over. De tenor paniekt:
– Schiet toch een beetje op. We moeten terug zijn voor de avond valt.
– Pauze, verbetert hem de dirigent, die zelf nog worstelt met zijn partituur. Hij is duidelijk een tikkeltje overstuur.
– Orpheus in de Onderwereld, suggereert de eerste violist.

– Waarheen? Is voor mij nog steeds de vraag. Er staat niets over in het draaiboek. Wie hiervan schrikt, haakt nu maar beter af.
– Kijk voor je!, sist de souffleur.
– Dat dit geen snoepreisje is, staat onder de hand wel vast.
Onze gids wisselt soms van idioom, hopeloos, het lijkt wel of ik het allemaal droom. Die
vrouw daar, haar ken ik ergens van, uit de krant of van het toneel. Zij overleed zover ik weet,
begin dit jaar. En hoor ik daar nu Cockney Engels? Maar wat ik al dacht, ze zien me gewoon niet staan. Gids gebaart Trek het je niet aan, het is echt geen kwade wil, en onderwijl licht hij een sluier op, van droomstof, neem ik aan.
– Speciaal voor jou, een handige vertaalmasjien.

Een afslag, en er is vlooienmarkt. De bas zingt: Komt dat zien. De bariton speelt voor marktkoopman. Een kraam vol spullen zonder naam. In een spiegelruit zie ik mijzelf niet staan.
Op een selfie staart een schaap mij aan. Yolo. De maten wankelen. De harpiste slaat hoog en laag accoorden aan. Ballerina’s doen trippelduifjes na. De gids vraagt: wil je mistletoe, wat mijn oortje vertaalt als maretak. Ik knik instemmend naar die man daar in zijn regenpak. Hij, plagend:
– Die Bibelebontse berg aan zee zo-even, op mijn eiland reiken wij niet hoger dan een heuvel met wat lammetjes ertegen. Ik, opzij:
– Zijn we hier dan toch in Ierland aanbeland?
– De gids, zich richtend tot het publiek:
– Let op, reiziger in spe, een regenhoed is op dit schone eiland zo goed als wettelijk verplicht. En geef ik nu dan, schrikt u niet, de complete Onderwereld kado voor een helder Ogenblik.

– Berg op, berg af, kreunt onze bas.
– Hier zijn geen bergen, antwoordt het koor.
Ballerina’s staan te trappelen. Sopraan volgt op haar tandvlees.
– Berg op, berg af.
– Hier zijn geen bergen.
It keeps you going, gniffelt de kapitein.
Anyhow, val ik hem bij.
De zon gaat onder. Sterren stralen. Venus baadt in het avondrood, en Mars is in de wolken.
Wauw! De dansers vliegen af en aan, ons podium een duiventil.
– Het zijn geen bergen, het zijn de golven.. schuimend als Brugs kant.
Vlokken zigzaggen over het basalt, verankerd in drijfzand.
Everywhere.

De kapitein (ijsberend over het toneel):
– Ik heb even genoeg van dat gesjoemel met tijd en plaats. Ik leef vandaag, geniet van
wat te binnen schiet, en dat is veel. Neem nu de mollige heupen van de zee, of deze
morgenstond, smakelijk opgediend met bacon and eggs.
– Een pruimpje?
– Nee, doe mij maar zware shag. De Weduwe Van Nelle is mijn favoriet.
– Koffie?
– Yes, zwart please, en liefst zo heet, dat mijn gehemelte het me niet vergeeft. Ja, soms
ben ik een rare, vooral tegen de avond, als sluikreclame voor ouwe klare. Maar als de
zon straks hoog staat, en het goud blinkt op mijn mouwen, dan neurie ik aangedaan:
Een zeeman houdt van een zeemanslied, hojo hojo hojo.
Hij zingt van een meisje dat varen gaat en een jongen die op de kade staat.
– Of over een matroos die schipbreuk leed, en de witte walvis die hem redt.
Ofwel over hoop. En over redding in de nood.

Een gestalte komt overeind, wrijft zich de ogen uit, en gaapt:
– Stuurman, het lijkt wel of ik heb gedroomd. Wat doen die al flessen hier in mijn kajuit? – Kapitein, die vormen geen probleem. We zijn zeeklaar. Tij en weer zijn optimaal, dus
zegt u het maar, waar gaan we heen?
– Stuur, ik ben lang nog niet zover. We nodigen eerst de crew uit voor een laatste samenzijn.
– Pikheet! Pikheet! De hele troep schuift in een oogwenk aan.
– Disgenoten, we proosten op de toekomst, waar die ons ook brengen moge.
(Techniek: – Satelietverbinding linea recta met den hoge).
De kapitein vervolgt zijn speech in wereldtaal, abracadabra voor de mensen in de zaal.
Wij verorberen woorden, en het publiek schranst mee. Zeekraal en zeespinazie
worden goed ontvangen. Pils, die uilenzeik van protestanten, hebben we clandestien
door eigen gebrouwen bier vervangen. Verse oesters? Nee, die lust lang niet iedereen.
Rucola? Ja, die verjoeg laatst eindelijk de slappe jonge sla als ondermaats poëem uit
de eetcanon. Ook muziek draagt bij aan dit festijn. La Mer, de zee voor wie het Frans
niet beheerst, wordt op mijn pick-up bij weer en wind, z(st)eevast dansend stukgedraaid.

Anker òp. Het ballet staat op de kaai. We worden hartelijk uitgezwaaid. Het nachtelijk
decor onthult de Melkweg. Pijl wijst naar stip, onze eigen zon. Een knikje van de
dirigent, en het orkest gaat uit zijn dak als een ultramoderne drietrapsraket.
The Planets, ook dat nog, verzucht de dramaturg. Wie maakt een eind aan dit Latijn.
– Nog een paar maten, kerel, en we zijn er weer vanaf, troost hem onze kapitein.
Een sterrenwacht begeleidt ons hogerop. Een heerbaan die met symbolen en getallen
is geplaveid. Star Wars verbleekt met lichtsnelheid tot ver verleden tijd. We vliegen onze
afkomst tegemoet, verliezen kilo’s, maar winnen aan gewicht. Ik draag Robot op mijn
hart, voor je het weet zijn we al bij Mars, een astronomisch afstandje van niks.
De scheepsfluit snerpt, het is onze trompettist, die zat er even lelijk naast, en bracht mij
weer bij de tijd.
– Kies ik nu voor toneel, of vaar ik strakjes weer op zee, doe ik mijn geliefde havens aan?

Komt een mens in beeld. Het is geen vrouw, het is geen man, het is een recensent. Onze
sopraan slaakt gilletjes. De bas verslikt zich in een noot. Het orkest houdt zich de oren vast. Prima donna grijpt naar een bonenstaak. Ballet loopt spaak. Verlichting radeloos. En het decor vat vlammetjes…

De zaal doodstil. De regisseur in coma. Wie neemt het over?
– Treurmars aanheffen?
– Nee!
– Ballet in rouwkostuum?
– Nee! Wij willen rozen als decor.
De tenor (valt uit zijn rol):
– Zo’n vals stuk criticaster
– We weten waar hij woont, roept iemand uit de zaal.
– Zijn kop eraf. Zijn kop eraf!
Onze koningin tegen haar piekenier:
– Wat een pit, Wil. Dat zijn tenminste nog eens jongens van De Wit!

De aarde heeft niets te stellen met de mensheid. Zij draait zich op Haar andere zij en
sluimert. Meteoriet en mijnbouw kunnen Haar niet verontrusten. Mensenrechten Haar
gemoedsrust niet verstoren. Zij vertrouwt blindelings op Haar cohorten, bestaande uit
94 korpsen ontelbare soldaten, die Haar terrein bewaken en waar nodig rücksichtslos
verdedigen.
– De aarde, nee, Die heeft totaal niets met de mens te stellen.
– Waarheen? –
Voor ons de vraag, voor Haar een weet, die in Haar anders Zijn besloten ligt.

– Bootsman, dat bungelende touw daar bij de valreep, is dat nu nergens vast te knopen?
– Stuur, ik zou zo gauw niet weten waar.

 

Dit bericht is geplaatst in Gedichten en getagd, . Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.