Een beetje over schrijven ook, door Bas Tuurder

Vergeef me.
Ik denk: ik kan het altijd vragen. En als vragen kan, kan zeggen ook: ‘vergeef me’. De punten van mijn schoenen lijken het niet te weten, of ik wel bevelen heb te geven, en ze verwarren me, die punten, want ik dacht niet dat ik na ‘vergeef me’ een uitroepteken liet doorklinken.
Er is geen beginnen aan, en maar goed ook, ze moesten maar eens weten waaraan, die punten moesten het maar eens weten.
Ik zwijg.
Ik volg het ritme van het gesprek, ik voel het en de punten lijken het met me eens te zijn, tappen mee, en stoppen wanneer het weer tijd is om te zeggen ‘vergeef me’.
Niet dat het koppel er ook maar enige aandacht aan schenkt. Heeft het de punten van mijn schoenen wel bekeken: het raast maar door, ik hoor de passie wel in hun stemmen, vind die bij vlagen mooi, bij vlagen beangstigend, misschien zeg ik daarom ‘vergeef me’ en vervolgens nog eens ‘vergeef me’.
Ik sta er wat bij, als een Vestdijkiaanse ziener: grote ogen, vlezige lippen, verkeerd begrepen door de punten van mijn schoenen. Hun ongeduldig tappen op de vloer valt nu samen met het zeggen ‘vergeef me’, het geluid overstemt de stem die ik uitprobeer.
‘Luider,’ lijken ze te zeggen, ‘luider en meer vragend.’ De punten van mijn schoenen lijken vraagtekens te willen zetten achter elk woord dat mijn mond ontvalt.
De jongen en het meisje, ze hebben me al eerder bekeken, mijn verkeerdheid in zich opgenomen en weggesloten achter het slot van een van de vluchtigste gedachten die er zijn: nu niet. Nu niet dat ‘vergeef me.’
‘Nu wel,’ lijken de punten van mijn schoenen te zeggen terwijl ze een stugge maat zoeken te houden bij wat ze zeggen, die brave jongen, dat mooie meisje. Het is niet dat ze me niet zien staan. Ik sta recht voor ze. Maar zien ze me wel? Ik stel me, voor nu, alleen maar beschikbaar op, ik ben de be-zichtbare man, ik sta in het midden van een ruimte. Ik denk dat de punten van mijn schoenen de beschrijving van de straat al lang vergeten zijn. In Valide Straat, het zou evengoed een veld kunnen zijn, en ik er middenin, als een vogelschrik geprikt in het wegdek…

… tussen twee witte stippellijnen in. Woorden als wagens zoeven uit de monden van het stel, ze zoeven aan mijn oren voorbij. Toeterend, tierend, lachend, het raam op een kier, het is vreemd luisteren naar misschien wel je lievelingslied. Hun bewegingen, hun gesticuleren, druk, als gras wuivend in de wind, meewarig soms, parmantig ook, en astrant als dronken mensen die tot dansen dwingen.

‘Vergeef me.’
Misschien zeg ik het nu omdat ik mensen niet wil vergelijken met grashalmen, misschien onthoud ik daarom toch dat de straat ‘In Valide Straat’ heet. Wat win ik, wat verlies ik wanneer ik dat ‘In’ in mijn gedachten laat staan? Twijfel tapt hier aarzelend over mijn woorden heen en komt dan besluiteloos tot stilstand, de punten van mijn schoenen staan alleen maar voorlopig op die jongen en dat meisje gericht.
Tap…tap.
En ik vraag me af wat het is, precies, wat mijn stilstaande schoenen hier onder hun zolen pletten.

Het is allemaal eender, straat, veld, wagens, woorden, jongen, meisje, dansen. Dansen op het lied dat me om sentimentele redenen zo lief is, maar mijn voeten vertraagden. Ik miste het ritme, viel uit de maat. Ik mis nu het ritme, ben ongeduldig.
Tap Tap.
En mijn woorden hangen als twee vogels, ondersteboven aan de armen van een vogelschrik, en ze fluiten in mijn oren wat zij denken te zien.
Het kan niemand wat schelen, zegt de ene, en omdat ik door mijn wimpers heen naar de punten van mijn schoenen staar, kan ik niet zien, maar wel horen welke van de twee dat zegt.
Tap Tap.

De ene van de twee zegt: het kan niemand wat schelen. Sterf maar, sterf maar aan de onverschilligheid, die van jezelf, die van anderen, die van het leven dat zegt: er zit betekenis in. In sterven. Dood laat iedereen zich kennen.
Het betekent iets, het moet iets betekenen, dit leven, dit ik, dit ademen. Het is een grijpen naar iets, mijn grip, onze greep die het bloed uit de vingers lijkt weg te nemen, zwetende palmen, wij houden elkaar toch vast, gaan toch hand in hand, stappen samen het leven in, wij laten ons kennen, toch? Dat doen we… toch?
Tap Tap.
De andere van de twee zegt: het kan iedereen wat schelen. Sterf maar, sterf maar aan de bemoeienis die zegt: er zit geen betekenis in. In leven. Levend laat niemand zich kennen.
Het betekent niets, het moet niets betekenen, dit sterven, dit ik, dit ademen. We openen toch weer de hand die grijpt, de jouwe, onze greep met wit wegtrekkende knokkels, drogende palmen, wij laten elkaar toch los, gaan toch hand uit hand, stappen alleen het leven uit, jij en ik laten zich niet kennen, toch?
Tap Tap.
Raakt het me of raakt het me totaal niet? Het is maar precies wat ik zelf kies, wat ik toelaat, raakt het me of geef ik er geen moer om? Want wie zijn zij? Wie ben ik? Wie zijn wij? Niemand toch? Geen god die het ons zegt, geen 2-D personage die het weet, geen username die het wist, niemand zal weten dat wij niemand zijn geweest.
Tap Tap.
Dus ik doe maar, wat maakt het me uit. Negeer iedereen die nooit eerder een woord met me sprak, vlieg uit naar iedereen die ik nooit eerder zag, ik heb geen raad nodig, ik weet wel beter, ik weet hoe het afloopt. En hoe ik leef, ik kan er mee leven, en wat doet er dan nog toe. Ik ben toch de enige die oordeelt, over mezelf, over anderen, ik heb er stiltes voor ingebouwd die van rouw zouden moeten spreken. Ze lijken toch te overtuigen, en ik heb er woorden voor uitgevonden die van correctheid moeten getuigen, ze lijken toch oren te vinden, er wordt toch naar je geluisterd, al word ik genegeerd, iedereen doet toch maar zoals ik. Ik ben net als iedereen, iedereen is net als ik, wie zou me wat kwalijk kunnen nemen. Niemand. Toch?
Tap Tap.
Ik ben alleen maar wie ik ben, dat is niet mijn schuld, en alles is mijn schuld. Hoe wil ik me anders verdedigen, ik ben de held, de antiheld, de villain, all rolled up into one, ik ben spiegels al zo lang beu, ik ben beelden moe, archetypes druipen uit mijn oren, moeder, minnaar, wijze, schaduw, het zwaard steekt diep en vast in mij, en hoe het ook zij, wat het ook mag kosten, ik en ik alleen ben voorbestemd het eruit te trekken, de harten te smelten van allen die eindelijk het licht zullen zien, die eindelijk lief zullen zijn, en het goed doen, en alles doen, en betekenis krijgen omdat dit het enige is wat ik te bieden heb.
Tap Tap.
Een beetje betekenis.
Tap Tap.
Meer niet.
Tap Tap.
En het doet pijn, ik doe er anderen pijn mee, en iedereen leeft in pijn, maar misschien is het genoeg een beetje betekenis te geven aan waarom het niemand wat kan schelen, aan waarom het iedereen wat kan schelen, een beetje.
Tap Tap.
Sterf maar.
Tap Tap.
Een beetje. Maar niet te veel.
Tap Tap.
Dat is hoe ik je wil kennen, in leven, een beetje, alsof ik je mag kennen, alsof je me toelaat en toestaat een klein beetje jou te mogen zijn.
Tap Tap.
Een beetje iemand die mij kent.
Tap Tap.
Een beetje iemand die mij is.
Tap Tap.
In leven. Mag het. Toch?

Tap Tap en ‘vergeef me’ en het verschil is me onduidelijk. Wie hier praat, de vogels, de jongen of het meisje, ik, de punten van mijn schoenen, of het ritme alleen.
‘Vergeef me,’ zeg ik en, ‘er is geen beginnen aan,’ lijken de punten van mij schoenen te zeggen.
En wat zeggen mijn voeten? Helaas kan ik ze niet verstaan, zo opgesloten in die schoenen met punten, zo zal het niet gaan. Langzaam zet ik de ene voet voor de andere. Met de punt van mijn linkerschoen duw ik de hak van de rechterschoen omlaag, en met de tenen in mijn rechtersok duw ik de linkerhak naar beneden. Nu, met beide schoenen uit, sta ik een beetje naar mijn sokken te staren.
Met mijn dikke rechterteen nog in mijn rechtersok, duw ik de sok van mijn linkervoet af. Mijn blote linkerteen duwt mijn rechtersok omlaag en dan sta ik op blote voeten. Blootsvoets sta ik in wat het leven kan zijn, is het niet voor mij. Een toerist in andermans verlangen, ben ik.
‘Leven,’ zeggen ze, je voeten, ‘er is geen beginnen aan, je doet het gewoon, voor je het beseft heb je in je pamper gekakt.’
‘Vergeef me,’ zeg ik en dit keer klinkt er wel een uitroepteken in door.
Ik steek de straat over, invalide of niet, stap op het koppel af. Grote ogen, vlezige lippen, vreemd gezicht.
‘Vergeef me. Mijn in vuur zijn. Mijn naar buiten kijken en niets zien, alleen het flakkeren, onvoorspelbaar, onnavolgbaar, en vooral mijn luisteren. Mijn afluisteren. Vergeef me mijn dansen, aan de binnenkant van het vuur. Vergeef me.’

Dit bericht is geplaatst in Columns, Home, Proza. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.