6 oktober 2016, Extaze in de Houtrustkerk

Presentatie Extaze nr. 19

Extaze in Houtrustkerk 19

Op 6 oktober verschijnt het negentiende nummer van Extaze met als thema:
Vrouwen in de Nederlandstalige literatuur die in verschillende opzichten baanbrekend zijn geweest. Uit essays over Hadewijch, Anna Maria van Schurman, Betje Wolff en Aagje Deken, Johanna Grobbelaar (ZA), Cécile de Jong van Beek en Donk, Carry van Bruggen, Annie M.G. Schmidt en Bea Vianen zal blijken in welke opzichten dat het geval is geweest. Verder korte verhalen, gedichten, werk uit archief (Aya Zikken en Lorine Niedecker) en beeldende kunst van Wendela de Vries.

Tijdens de presentatie van dit nummer in de Houtrustkerk in Den Haag zal het niet alleen over baanbrekende schrijfsters gaan, maar ook over vrouwen in de politiek,
de beeldende kunst en de muziek die de wateren hebben doen rimpelen.

Beeldend kunstenaar Ingrid Rollema leidt een film van Gerard Holthuis in, waarin zij zelf een sculptuur maakt van de pacifiste Bertha von Suttner (1843-1914), gitaarvirtuoos
Arhur Ebeling vertolkt nummers van Billie Holiday, en Charlotte D’Eer vertelt niet alleen over Hadewijch, maar ook over het project ‘Agents of change: women editors and
socio-cultural transformation in Europe, 1710–1920’ waaraan zij meewerkt.
En vanzelfsprekend komt de literatuur aan bod: Joke Linders vraag zich in haar inleiding af ‘hoe muzikaal Annie M.G. Schmidt eigenlijk was’ en rijzende literaire ster Heidi Koren leest een nieuw kort verhaal voor.
Tijdens de avond wordt het beeldend werk van Wendela de Vries tentoongesteld.

Presentatie Cor Gout, licht en geluid Harold Verra.
Datum: 6 oktober, entree € 10,00
De deur van de Houtrustkerk (hoek Beeklaan/Houtrustweg) gaat om 19.45 uur open. De deur sluit om 20.13 uur. Het programma begint precies om 20.15 uur.
Reserveren: redactie@extaze.nl

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Hans Muiderman, ‘Hank & Heinrich’

hank & heinrich hans muiderman

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hans Muiderman, Hank & Heinrich, Soesterberg 2016 (Uitgeverij Aspekt)

Thema’s en structuren uit Hans Muiderman’s eerdere romans Souvenir Utopia (2013) en Ik ben hier geboren (een roman in verhalen, 2014) vervolgen hun meanderende weg in Hank en Heinrich, zij het op lichtere voet.

Lees verder

Gepost in Home | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Wat nu? door Christian Oerlemans

Lang geleden schreef ik elke week een column voor een reclamevakblad. Moest ik inleveren voor het einde van de week, dus schreef ik op vrijdagmiddag mijn stukje. Rechtstreeks vanuit de snelkoker. In het Engels heet zoiets ‘committment’, hebben we in onze taal geen goed woord voor. Het betekent dat je móet, je hebt het vastgelegd, onherroepelijk beloofd. Zonder committments kom je niet vooruit, is mijn mening, je moet jezelf dwang opleggen.
Dit alles realiseer ik mij al enige weken, omdat ik niets schrijf voor Extaze. Ja, ik heb beloofd columns te schrijven, maar niet wanneer. En hoevaak. Moet ik toegeven dat ik ’t voor mij uit schuif, labberkakkig excuses bedenkend om mijn zich langzaam opbouwend schuldgevoel uit de rechterbreinhelft weg te poetsen. Maar nu lees ik over het nieuwe boek van Dick Swaab (Ons creatieve brein) en leer het volgende: al onze beslissingen worden genomen in onze rechter breinhelft op basis van laten we zeggen intuïtieve analyses, waarna een halve tot zeven seconden later de linker breinhelft wordt geïnformeerd om de beslissing te rationaliseren, om een goed verhaal erbij te bedenken, een soort logische verklaring waarmee je naar jezelf toe – en naar anderen toe! – goed weg kunt komen. Het roept meteen beelden op van politici, nietwaar? Hoe dan ook, mijn linker hersenhelft bedenkt het excuus dat je niet een column kunt schrijven als je gepreoccupeerd bent door gezondheidsproblemen. Sterker nog, je kunt eigenlijk niet werken, niet functioneren, want er zit teveel emotie in je dagelijkse denken. We kennen het gezegde al sinds de Romeinen: mens sana in corpore sano, om je brein gezond te houden moet je goed in je vel zitten, dus niet piekeren over kwalen en ziekte. Goed voor je lichaam zorgen, zegt men. Bewegen, gezond eten, goed slapen en niet alleen je spieren maar ook je hersens trainen.

Topsport helpt, tenzij je slechte knieën hebt of een versleten heup. Maar bridge is ook topsport, hierin zijn we zittend wereldkampioen geworden. Trouwens veel topsport op televisie gezien deze zomer, zowel met als zonder handicaps. En naast het woord ‘treitervlogger’ – treiteren als sport – heb ik ook het begrip ‘blade babe’ leren kennen. Wat communicatie niet allemaal teweeg brengt in ons brein. Met de parasporters heb ik soms medelijden, maar dat schijnt niet te mogen. Ook een soort schuldgevoel dat me bekruipt is verkeerd. Weliswaar ben ik ziek volgens de wetenschap, maar fysiologisch niks aan de hand en de enige handicap die ik heb is een golfhandicap.

Maar nu weer even serieus. Over ons brein: Dick Swaab stelt dat we leven met illusies, we denken dat we vrije keuzes kunnen maken, maar we worden geregeerd door onze rechterhersenhelft waar beslissingen onbewust worden genomen na doorrekening van de voors en tegens. Als de dokter zegt dat je geopereerd moet worden zou je rechterhersenhelft dus kunnen zeggen: ‘nee dat wil ik niet, ik ga wel naar een kliniek in Duitsland’.

Ik vind het bijzonder dat ik op hetzelfde moment in dezelfde kwaliteitskrant waarin Dick Swaab als hersenkundige aan het woord is, de historicus Prof. Yuval Harari – schrijver van het boek Homo Deus – hetzelfde zie zeggen: wij mensen leven in illusies en er is geen sprake van vrije keuzes. Beide boeken heb ik (nog) niet gelezen, maar wat ik erover lees sterkt mij in mijn overtuiging dat ons een enorme verandering te wachten staat, die in feite al is begonnen. De macht van religie is uitgewerkt en we zien de laatste stuiptrekkingen in de gewelddadige verbetenheid waarmee fundamentalisten proberen de klok terug te draaien. Hetzelfde geldt overigens mijns inziens voor nationalisme, ook hier wordt door fanatici tegen de stroom in geroeid. Hun successen zijn tijdelijk, ze lijken heftig, ingrijpend en beangstigend maar ze vervagen in het lange termijnbeeld. Verandering is niet tegen te houden, de mens is de motor en de ontsteking zit in de rechterhersenhelft. Nero, Napoleon, Hitler, Franco, Ceausescu, Poetin, Wilders, Assad, Trump, iedereen mag het rijtje naar eigen genoegen aanvullen. Rechterhersenhelft communiceert met wat wij populair gezegd onderbuikgevoelens noemen. Natuurlijk is dat beangstigend vooral als er door de linkerhersenhelft logisch klinkende verklaringen bij worden geponeerd. Maar terwijl in zwart/wit monumenten worden gebouwd vallen de fundamenten ervan – in het begin meestal onopgemerkt! – uiteen in onverwachte kleuren en zitten we met revoluties, opstanden, eigenwijzigheid en ja ‘veranderingen’. Want rechterhersenhelften zijn oncontroleerbaar en wispelturig. Wij zijn ons brein, schreef Dick Swaab. Dat is het grote probleem van de mensheid op aarde, want omdat wij ons brein zijn hebben we geen idee wat ons te wachten staat. De redding komt niet meer van een godheid, een geloof, een prediker, paus of psycholoog maar van een superbrein dat noch links, noch rechts denkt, maar rechtlijnig recht vooruit. Kunstmatige intelligentie heeft geen onderbuik.

 

Christian

 

Gepost in Column Oerlemans, Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Il Poverello, Manuel Kneepkens

Wachtend in Den Haag op de gouden tram
die van Nirwana
naar het Scheveningse strand, bad ik:

Broeder Duin, ik dank u voor uw deemoed
Zuster Strand, ik dank u voor uw naaktheid
Broeder Zee, ik dank u voor uw golfslag

Dat alles bad ik, terwijl ik Broeder Badpak
thuis had laten liggen…

Er zat niets anders op
(‘Here comes the Sun…’)
dan naakt naar het naaktstrand

om te preken tot de meeuwen, zo welsprekend
als ooit Franciscus van Assisi
tot de vogels van Toscane

en tot de kanoetsteltlopers, vrolijk trippend
langs de vloedlijn…

en tot de zonaanbidsters met hun halo
van geheiligd boter-
blond
de suntanned Zusters Zonnebrand

Hot! Hot! Hot!

hun favoriete zomerhit:

Franciscus’ Zonnelied

                             Laudato si….  

En Zuster Zeester. En Zuster Zeewier.

En Broeder
Kwal!

Gepost in Gedichten | Getagged , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan, Theo van der Wacht: Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Lees meer »

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

‘De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen’ van Ulises Segura, Rob Schouten, Trouw, 10-9-2016

Gaan we een magische tijd tegemoet?

Ulises Segura is het exotische pseudoniem van een Vlaamse jurist die met de verhalenbundel ‘De mooie mond van Bobby Cespedes’ zijn literaire debuut maakt. Hij mag dan een straight beroep hebben, zijn verhalen zijn allerminst recht toe, recht aan. Ze behoren tot wat je het alternatieve circuit zou kunnen noemen, de literaire subcultuur. Het zijn plotloze geschiedenissen die draaien om gevoelens en sensaties. Segura doet pogingen de magie van het leven in woorden te vangen. Karakteristiek is ‘Rode steentjes in het zand’ over een doodzieke vrouw die vanuit haar bed naar een tv-documentaire over drie Marsreizigsters ligt te kijken. Ze ligt op sterven maar bevindt zich tegelijk in een soort momentane extase, en zo eindigt het verhaal ook, met man en kind aan haar ziekbed en de wereldgeschiedenis op tv: […]
Lees hier de recensie
‘De mooie mond van Bobby Cespedes’ bestellen

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

Recensie Biblion, Ulises Segura (Extazereeks)

«Een staalkaart van zijn vertelkunst.» – L. Torn

Over ‘De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen’ van Ulises Segura voor Biblion, 21 juli 2016:
De Vlaming Ulises Segura (1973) debuteert met deze bundel verhalen die zich deels afspelen in een magisch-realistische omgeving. Hij laat daarmee een staalkaart zien van zijn vertelkunst, een proeve van zijn literaire ambitie. Qua fantasie en creativiteit scoort Segura hoog. Hij weet met weinig middelen (vreemde) werelden en sferen op te roepen en zijn lezers daarheen mee te voeren. Van een apocalyptisch landschap in Andalusië naar een Londons park waar kinderen naar een poppenvoorstelling kijken; van drie vrouwen in een raket naar de jongen met een apenmasker in Oostende. De personages ervaren intense levensmomenten: verliefdheid, homoseksuele inwijding, eenzaamheid, een ernstige ziekte, doodsangst. In het verhaal over een groepje Oostendse jongens die het aangespoelde kadaver van een hond meezeulen naar een verlaten fort, is Segura op zijn best: feilloos vindt hij de scheidslijn tussen kameraadschap en wreedheid, tussen eenzaamheid en bravoure. (…)

Lees hier de recensie

Meer over Ulises Segura, De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Els de Groen ‘Beste stadsdichter 2016’

els de groen

Op zaterdag 3 september werd in Lelystad de 12de editie van de Nationale Stadsdichtersdag 2016 georganiseerd. Op die dag werden alle, door hun gemeente erkende, stadsdichters van Nederland en Vlaanderen uitgenodigd om naar Lelystad te komen en hun Stadsdichterspoëzie te presenteren. Dit zijn er inmiddels 61 totaal, 47 in Nederland en 14 in Vlaanderen. In het kader hiervan is uit 400 ingezonden gedichten een selectie gemaakt van 100 gedichten die is gepubliceerd in de dichtbundel “Stadshart”. Het gedicht “Groei” van Els de Groen werd door de jury onder leiding van Luc Baaten beloond met de eerste prijs van deze stadsgedichtenwedstrijd: ‘Het taalgebruik is treffend. Zelfs in de vormgeving van het gedicht is groei zichtbaar gemaakt.’

 

Groei

 

Ik weet niet wie het snelst groeide, ‘s-Gravenhage of ik

Het was kort na de oorlog en we hadden beiden trek  

De stad verslond de polder en de tuinbouwkassen

Ik at stamp met kaantjes, pap en kokosbrood

Zij kreeg nieuwe straatnamen

Ik kreeg nieuwe schoenen

 

We waren heel verschillend van elkaar, de stad en ik

Maar ook onafscheidelijk met elkaar verbonden

Morste zij rode menie, ik speelde kappertje

Kruimelde zij kalk, ik trok hinkelbanen

Schoot zij op langs steigers

Ik klom een eindje mee

 

Verhuizen deden we ook samen, ‘s-Gravenhage en ik

Zij betrok nieuw weideland tussen smalle vaarten

Ik een nieuwe woning in alweer een buitenwijk

Maar zij overwoekerde niet meer alle groen

En ik hield op met keten

We waren uitgegroeid

 

Meer over Els de Groen op deze site: www.indeknipscheer.com

Gepost in Home | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Vanwege het meisje April, Astrid H. Roemer

Maak een ongrijpbaar hart
ongeschonden als van een kind en
laat het bloeden met een vloeistof rood en rijk
als mensenbloed
bonken en ruisen moet het kunsthart als een
getergd orgaan en glanzen als een open wond.

Plaats het hart op een lichtzuil van kogelvrij
glas waarin letters zijn gebrand met namen
van kinderen die zijn
misleid
mishandeld
vermoord meestal door een man soms
door een vrouw en altijd uit lust.

Bevestig hun afgebroken bestaan in kapitalen
zodat iedereen het geweld ziet opvlammen scherp
als weerlicht op een geliefd plein
London, Praag, Parijs, Amsterdam,
Berlijn, Brussel: ja overal
waar het april wordt en
lente.

Dan hebben kinderen, hun ouders, ja zelfs huisdieren altijd
een hart dat nooit ophoudt te kloppen voor hun
verdwenen April.

 

Skye 2013

Gepost in Poëzie | Getagged , , | 1 Reactie

De Spelen, Manuel Kneepkens

Wat doe je met de stadions
na de Spelen?
Je bouwt ze om tot stations

je kan daar dan speerwerpen
met een machete
en discus
met een bomgordel om

want het zijn een eindstations!

de stationschef
draagt er een kromzwaard

en hij fluit als een granaatinslag
als de Oriëntexpress naar Aleppo vertrekt!

Brood & Spelen.

Spelen & Dood…

Over 4 jaar zijn de huidige vergeten

en juichen we Allahu akbar  tot de ware atleten

geen mooier strijd dan de doodsstrijd!

die van het kalifaat van IS!

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Extaze in de KB

Extaze in het KB

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Extaze in de KB

 

Extaze 17/18: ‘Water-Zee’ in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag.
Het nummer kunt u hier bestellen.

Foto’s: W.B.S. de Vries

Gepost in Geen categorie | Getagged , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensies: Arnold Heumakers, ‘De esthetische revolutie’

Heumakers De esthetische revolutie

Lees hier de recensie

 

Gepost in Home | Plaats een reactie

Fietsen, door Christian Oerlemans

Het was weer Tour de France gekte.
Wat bezielt die mensen toch om als een clown bovenop een berg wielrenners voor de wielen te lopen. Hoe gek moet je dan zijn? Gek op wielrennen? Hoewel het fietsen tegen die bergen op natuurlijk gekkenwerk is, dat doe je niet voor je lol maar voor het geld, is het nog veel gekker om daar een paar seconden als een gek zwaaiend en rennend voor de camera’s te komen. Maar genoeg hierover, het onbegrip zal wel aan mij liggen. Overigens wel een mooi staaltje fietsen van die voormalige Keniaan Froome, die al vanaf zijn prille jeugd fietsgek is en op 1700 meter hoogte van jongs af aan zijn rode bloedlichaampjes heeft gekoesterd. Dat levert hem nu miljoenen op.
Jaja genoeg hierover.
Op de Nederlandse fietspaden zijn wielrenners een gevaar, ze rijden veel te hard en hebben meestal geen bel. Op zon- en feestdagen zoeven ze in kleine groepjes voorbij en als je niet aan de kant gaat krijg je douw. Maar tegenwoordig is er een nieuwe categorie snelfietsers die deze wielrenners in de wielen rijdt. Oudere echtparen in gelijkgekleurde kleding op een e-bike. Die zijn ook een gevaar. Laatst reed een oudere e-biker op volle snelheid de sloot in.
Fiets is een mooi oernederlands woord. Niemand weet waar het vandaan komt, rond 1870 was het er ineens, in een tijd dat men nog gemeenlijk sprak van vélocipède. Een rijwielmaker genaamd Viets beweerde later dat de fiets naar hem was vernoemd, maar hij produceerde zijn viets pas na 1885, dus chronologisch klopt dit niet. Pijnlijk dat onze FIETS nu her en der bike wordt genoemd. Fietsers worden bikers, er zijn bikerclubs en custom bikes.
Ik lees dat het aantal verkochte e-bikes nu de gewone fietsverkoop overtreft. De verweking van de Hollandse fietser slaat toe. Zelfs schoolgaande jeugd laat zich elektrisch voortbewegen. Is dit een zegen voor het milieu? Nee natuurlijk niet. En tegen obesitas helpt het ook niet.
Op gevaar af dat jullie zuchtend zeggen: ‘opa vertelt’, wil ik het toch even hebben over vroeger. Na de oorlog hadden we geen fietsen, die waren naar Duitsland geëxporteerd. Op Zondag mocht ik fietsen op de fiets van mijn vader. Van zijn kant ging dit niet van harte overigens, want de fiets was zijn werkvervoer, hij was er zuinig op. Zes dagen per week fietste hij als vertegenwoordiger in bouwmaterialen langs de wederopbouw. Natuurlijk kon ik niet bij de trappers. Maar wij fietsten op hoge herenrijwielen ‘door de stang’ zoals dit werd genoemd. Het rechterbeentje door het frame steken, de fiets enigszins in schuine stand balanceren en onder het stuur doorkijken om te voorkomen dat je in de tramrails slipte. Wat mij uiteraard gebeurde omdat ik zo dom was koers te zetten naar de (spannende) tramremise in de Uiterwaardenstraat. Krassen op het frame en op mijn beentjes, daarna mocht ik niet meer ‘door de stang’ fietsen.
Gelukkig groeide ik en kon ik later over de stang fietsen, waartoe mijn vader het zadel verwijderde en een klein kussentje – in ons gezin bekend als HET kussentje – op de stang bond. Luxe op Zondag.
Een oom in Aalsmeer bleek in de oorlog een fiets te hebben begraven, opdat deze niet geëxporteerd zou worden. Deze fiets kreeg ik. Schoongemaakt en mooi zwart geschilderd. Nog een jaartje met ‘blokken’ op de trappers gereden, maar daarna klaar voor het grote werk. Dit ging om het kampioenschap van de Vechtstraat en omstreken (Amsterdam Rivierenbuurt). Vijftig rondjes rond de bunker op het Meerhuizenplein. En later de afschrikwekkende wedstrijd heen en terug naar het Olympisch stadion, over de Zuidelijke Wandelweg. (Ja er stond een controleurtje op het keerpunt bij het stadion!). Ha, dat waren tijden, bijna vergelijkbaar met de jonge Froome in Kenia.
Nog wat later werden we lid van de NJHC. De jeugdherbergcentrale. Dan kon je een rondje door Nederland fietsen met toestemming van je ouders, want die herbergen werden gerund door een vader en een moeder die vaak strenger waren dan bij je thuis. Er moest veel en er mocht minder. Volksdansen, zingen, bed opmaken, afwassen, onkruid verwijderen. Voordat je ’s ochtends weer op de fiets zat had je er al een halve dag korvee opzitten. Weinig leuke meisjes, herinner ik mij.
Leuke meisjes zaten op de MMS en het Meisjeslyceum en bij voorkeur schrijlings voorop de stang. Dat moet voor hen verdomd ongemakkelijk geweest zijn, maar het zag er romantisch uit en het was heerlijk om een meisje op deze wijze op je fiets te vervoeren, in je armen en tussen je knieën. Macho uiteraard. De emancipatie moest nog komen.
De fiets was je stalen ros. Je roste ermee van hot naar her, naar het strand, naar dansles, naar school en naar Fontainebleau, Bois de Boulogne en naar Bouillon, omdat je het kasteel van die Godfried wel eens wilde zien.
In die tijd was het hebben van een ‘penfriend’ in de mode. Een nichtje van mij schreef met een zekere Jocelyne die ergens in het diepe zuiden van België woonde, vlakbij Luxemburg. En omdat we die exotische stad ook wel eens wilden zien, reden we er naar toe. Door de Ardennen. Hiertoe hadden we een extra rem gemonteerd, een knijprem waarmee je een rubber remblokje op de voorband kon knijpen. In de bergen moest een fiets immers twéé remmen hebben, een voor en een achter. De achterrem heette Torpedonaaf, oerdegelijk slechtremmend en warmlopend.
Heb je die renners in de Tour zien dalen? Nou dat is niets vergeleken met onze afdalingen, voortgedreven door het dode gewicht van zware ijzeren rijwielen met twee volgeladen fietstassen en een tent achterop. En over het klimmen gesproken, dat deden we zonder versnellingen.
Op een zaterdagmiddag arriveerden we bij ons ‘logeeradres’, waar de ouders van Jocelyne niet thuis bleken te zijn. Een nette, bloemrijke buurt, een vrijstaande woning met een poortje achterom. Poortje was open en er ontvouwde zich een diepe tuin met een fraai gazon. Hier zetten we ons tentje op. Verrassing natuurlijk toen die ouders thuiskwamen en er twee pubers bleken te kamperen op hun geschoren gazon.
Maar wij waren goed opgevoed en spraken beleefd met twee woorden in het Frans zodat we al spoedig samen (mijn vriend Joop en ik) in een grote badkuip zaten. Ik denk – achteraf – dat wij er minder schoon uitzagen en wellicht zelfs geurden. Daarna heerlijk gegeten. Zalig geslapen in een echt bed. De volgende Zondag met Jocelyne – die in het geheel niet beantwoordde aan het joyeuze elegante beeld dat haar naam bij ons had opgeroepen – zijn was klein en mollig –  die zondag dus met de mollige Jocelyne, haar verwende broertje en pappa en mamma in het park gewandeld. En daarna nogmaals een heerlijke maaltijd en een goed bed.
Ja, op de fiets kom je nog eens ergens, ook als je zelf moet trappen. Hoewel, lang geleden fietste mijn vriend en collega Henk Roozendaal – nu gelauwerd kunstenaar op Bonaire, www.henkroozendaal.com – in café van Puffelen op de Prinsengracht. Er werden wedstrijden verreden, geheel in wielrenpak met geschoren benen op een stilstaande fiets met kilometerteller. Tijdrijden met de beloning op de bar in zicht.
Hoe gek moet je zijn? Is profwielrennen een sport of een beroep? Moet je medelijden hebben met Bauke Mollema als je hem in stortbuien tegen een berg op ziet zwoegen? Een week later rijdt hij een rondje om de kerk en vult zijn banktegoed aan in Monaco. Moeten wij trots zijn op Bauke (toch maar een Nederlander die Froome bedreigde…) en dan naar het nationalistische geouwehoer luisteren dat rond zijn pijnlijke afgang wordt gezwachteld?
Ach mensen, ga toch fietsen.

 

 

Gepost in Column Oerlemans, Home | Plaats een reactie

Requiem voor een gastropod, door Mischa van den Brandhof

Rouwadvertentie

Bedroefd geven wij kennis van het overlijden van onze kleine slak en metgezel, Pommetje. Op een regenachtige zomeravond vonden we haar in kritieke toestand op de Mozartlaan, ter hoogte van de Wonnebald, na een hoogst noodlottige aanrijding. Vol bewondering hebben we gezien hoe ze een week lang probeerde haar verwoeste schelpenhuisje te repareren. Ze was nog zo optimistisch en verkende vol levenslust het provisorisch ingerichte terrarium. Ze rustte onder de blaadjes en hing in het parasolletje. Haar interne verwondingen bleken echter ernstiger dan gedacht. Op het laatst kon zelfs de zoete geur van de bloeiende lavendula haar niet meer bekoren. Ze overleed uiteindelijk op 5 juli 2016 rond een uur of zeven. We zullen haar missen.
Pommetje zal in kleine kring worden begraven.

Gepost in Columns | Getagged , | Plaats een reactie

September, Sami Kalaï

Blauwbaard

In een zee van tijd is september land.
Nooit kon ik er aarden, nooit voelde ik me thuis
onder het onbewogen teken van de Maagd.
Toch ging ik aan de wal, betrad de kleinste aller kamers.
Ik strompelde onthoofd de zomer uit.

Gruwelijker dan het einde is het begin van iets gruwelijks:
dat is september ten voeten uit.
Ik zat er op vinkentouw – met ingehouden adem; een tragedie in mijn borst,
de zomer zo te zien…
Met bebloede handen smoor ik nu dartel leven in de kiem.

 

Ik begreep het niet

Afwezig zijn is slechts een soort aanwezigheid,
echt weg ben je tenslotte maar één keer.
In zijn lange regenjas stapte hij naar de bushalte,
in zijn hoofd was hij twintig.
Hij zat soms zo dicht wanneer ik hem ver dacht.
Ik waande hem dood, want ik begreep het niet.

Zwaarmoedigheid weefde weer eens haar kleverig web.
De zomer was voorbij en er woedde een strijd die niet gewonnen kan worden,
al hunkeren we van nature naar het licht.
Mensen zijn gemaakt uit slijm, vroeg of laat belanden we
in de goot. Maar dat begreep ik niet.

In de bomen naast de afdeling verzamelden kraaien voor de slaaptrek.
We hoorden niets van hun drukdoenerij. Binnen was het stil,
al werd er veel gezegd.
Hij was er in geslaagd zijn kamer te verlaten om een sigaret te roken.
Daarna hadden we het over een film met drie kleuren die ik nooit zou bekijken,
zolang ik leefde, want ik begreep het niet.

Het licht was week en onherbergzaam, het was september en toch
lachte ze. Ik ontfermde me over haar lach als was hij een achtergelaten,
gewond vogeltje.
Ik dacht dat ze eenzaam was, dat ze tegen wil en dank haar lichaam meesleepte
en dat de tijd haar gezworen vijand was.
Maar ik betrapte hen in bed, ik begreep het niet.

Hij tikte de assen uit in mijn oor en vroeg me wanneer ik kwam.
Ik kwam altijd te laat en hij vertrok te vroeg en ik begreep het niet.
Hoe meer tijd ik had, hoe meer tijd ik verloor.
Ik begreep het niet.

Een velduil vloog rondjes en streek uiteindelijk neer
in het geruisloze avondlicht.
Er was niemand.
De lente snoerde mijn keel dicht, of misschien was het
de spectaculaire schoonheid van de wereld,
maar ik begreep het niet.

 

Jacht

Er waren jaren dat ik me in juni al grote zorgen maakte om september.
Herfst komt in golven, en het weeskind vliegt zo gauw.
Maar het doek valt niet over de zomer: wij worden geoogst.

Vanuit de hooiwagen zagen we ze nog één keer, onze dierbare kinderjaren,
duikelend als aangeschoten kwartels.
Zomeravond

Een zomerlijster plundert de zomeravond.
Een vrouw föhnt haar natte haren en blaast troost door het huis.
Beiden geven ze perspectief aan de wereld.

Vroeg of laat leren we wat september is, hoe dierbaar
de herinnering, hoe diep ze kerft.
Buiten gloort de tijd, onovertroffen in zijn ondergang.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Afscheidsfotografie, Helge Bonset

Carla Nieuwkoop is een bevlogen mens. Een echt mensenmens ook. Mensen fotograferen doet ze het liefste, en als we haar klanten mogen geloven, is dat ook wat ze het beste kan. Daarbij kan ze mensen en kinderen snel op hun gemak stellen.
Carla is gespecialiseerd in verschillende stijlen portretfotografie, van zwangere buiken en baby’s tot afscheidsfotografie.
Dit laatste is een bijzondere tak van de fotografie, waar steeds meer vraag naar is. Het is fijn om niet alleen het begin van een leven vast te leggen maar ook het einde. Want wanneer je afscheid moet nemen van je geliefde is het belangrijk voor die ander dat je beeltenis wordt vastgelegd als blijvende herinnering.
Als fotograaf vereist dit de gave van inlevingsvermogen en de kunst om je onzichtbaar te maken. Dat snapt Carla als geen ander en deze twee eigenschappen zijn haar op het lijf geschreven.

‘Waar is het korenveld?’ vraagt hij, als hij de advertentie weglegt.
Hij mist de dreigende blauwe lucht, het felgele veld met de bloedrode paden, de V-vormige kraaien erboven.
‘Daar komt jouw foto,’ zegt zijn vrouw.
Hij zakt neer in de bank en kijkt naar de lege plek boven de schoorsteenmantel.
Maar ik ben er nog, denkt hij. En die foto is er nog niet.
Zijn vrouw zegt: ‘Dan kan zij meteen zien waar hij komt te hangen. Toch?’
‘Ja natuurlijk,’ zegt hij. Hij is te misselijk om meer te zeggen.

Het is vijf voor tien. Hij denkt aan de geijkte vragen die de afscheidsfotografe zal stellen en de geijkte antwoorden die hij zal moeten geven, en ordent ze volgens de aloude journalistieke formule.
Wie? Ik. Wat? Kanker. Waar? Lever. Wanneer? Een maand, hooguit twee. Waarom? God mag het weten, als je in hem gelooft. Hoe? Een overdosis morfine, die palliatieve sedatie heet.

Zijn vrouw bekijkt hem kritisch. ‘Die broek past niet bij je overhemd,’ zegt ze.
‘Die broek,’ zegt hij, ‘komt helemaal niet op de foto. En al kwam hij dat wel, wat dan nog? Wat doet het ertoe? Waar hebben we het in godsnaam over?’
Hij hijgt van zijn uitval, zij zwijgt geschrokken.
‘Alles is ook zo raar,’ zegt ze na een tijdje.
De bel redt hen. Zijn vrouw gaat naar de voordeur en komt terug met Carla Nieuwkoop.

Carla Nieuwkoop is jong, dik en blond. Ze heeft een enorme bril op met zwarte randen en draagt het haar omhoog gestoken in een knot. Hij beseft dat hij zelfs in zijn huidige toestand nog had gehoopt op een sexy fotografe, zo’n vrouw waar je blik steeds naar toe wordt gezogen. Maar sexy is Carla niet.
Ze legt haar cameratas op tafel, komt voor hem staan en steekt haar hand uit.
‘Goedemorgen meneer,’ zegt ze. ‘Ik ben Carla Nieuwkoop. Ik kom een hele mooie foto van u maken.’
‘Een afscheidsfoto,’ zegt hij, terwijl hij haar hand schudt.
‘Ja, een afscheidsfoto,’ beaamt Carla.
‘Zeg maar je,’ zegt hij. ‘En ik heet Thomas.’
Tot zijn verbazing stelt ze hem niet de geijkte vragen, maar gaat ze meteen met haar camera aan de slag. Ze verwijdert doppen, legt lenzen op tafel, draait er een op het toestel, kijkt naar hem door de zoeker.
‘Wilt u koffie?’ vraagt zijn vrouw.
‘Graag,’ zegt Carla. ‘Zeg maar je hoor. En ik heet Carla.’
‘O ja,’ zegt zijn vrouw. Ze verdwijnt naar de keuken.

Carla houdt langdurig haar camera op hem gericht. Dan legt ze het toestel neer en kijkt hem recht in het gezicht. Ze heeft fanatieke blauwe ogen, en een strijdlustige rij witte tanden.
‘Ik ben een mensenmens,’ zegt ze. ‘Als ik een mens fotografeer, wil ik ook de mens zien achter de mens. Dat is mijn missie. Begrijp je?’
‘Ja natuurlijk,’ zegt hij.
Terwijl ze hem nog steeds strak aankijkt, komt ze dichterbij. De bruine vlekken van haar slobberige tijgervest zijn nu dicht bij zijn ogen gekomen. Ze gaat op haar knieën voor hem zitten, pakt zijn gerimpelde hand, die slap op de bank ligt, en houdt die stevig vast.
‘Ik zie het,’ zegt Carla, ‘jij bent een hele spannende man….geweest. En een mooie man. Maar het is voorbij. Laat het gaan! Laat het los! Dan wordt je foto ook veel beter!’

Hij slaat zijn ogen neer. Misschien rekt hij  zijn leven als hij nu zijn tanden zet in de dikke blonde nek van de afscheidsfotografe en het bloed uit haar lichaam zuigt. Veel mannen worden oud door als vampiers leven te halen uit jonge vrouwen. Maar voor hem is dat niet weggelegd.
Als hij opkijkt, staat zijn vrouw bij de tafel met drie kopjes op een dienblad. Ze heeft de Nou zeg!-uitdrukking op haar gezicht die hij kent van de keren dat hij te lang naar een vrouw in de sauna keek.
‘Laat het los!’ zegt Carla nog een keer.
Laat liever mijn hand los, denkt hij. Maar hij kan niet ontkennen dat hij nu meer leven in zich voelt dan alle afgelopen weken en maanden.

Zijn vrouw kucht. ‘Er is…koffie.’
Carla komt uit haar trance en laat Thomas’ hand vallen zoals een kind een stuk speelgoed.
‘Zullen we aan tafel gaan zitten?’ vraagt zijn vrouw. ‘Of liever hier, bij de bank?’
Het wordt de bank. Carla roert in haar koffie en kijkt naar de lege plek boven de schoorsteenmantel.
‘Daar komt dus je foto? Wat een ontzettend fijne plek.’
Zijn vrouw knikt gevleid. ‘Dat dacht ik ook,’ zegt ze.
‘Ik vind het fijn bij jullie,’ zegt Carla, ‘ik heb het gevoel dat ik jullie al jarenlang ken,
vooral Thomas. Daarom ga ik iets bijzonders doen! Ik maak behalve Thomas’ afscheidsfoto ook nog een foto met jullie tweeën. Dan kun jij (ze kijkt naar zijn vrouw) elke dag kiezen: ga ik vandaag alleen mijn man zien, of ons tweetjes?’
Wanneer Carla ziet dat zijn vrouw aarzelt, haast ze zich te zeggen: ‘Gratis! Behalve de lijst natuurlijk.’

Dan is het tijd voor de fotosessie.
Carla klikt meer dan honderd foto’s, vanuit alle hoeken van de kamer, eerst van hem alleen, dan van hen beiden. De meeste verwijdert ze direct na ze bekeken te hebben. Haar werkwijze doet Thomas denken aan de eindeloos typende aap, die volgens de kansberekening ooit een meesterwerk zal schrijven.
Tenslotte legt Carla hen een tiental foto’s voor: vijf van hem alleen, vijf van hen samen.
Van de foto’s waar hij alleen op staat, kiezen ze die waarop hij het minst lijkt op een geel geraamte. Van hen samen is er eén foto waarop ze allebei recht in de camera kijken en lachen. Maar de wanhoop straalt uit hun rimpels.

Carla bergt haar fotospullen in haar tas en legt uit dat haar foto’s een fijne, blijvende herinnering zullen vormen.
‘Ik zorg ervoor dat ik ze zo snel mogelijk klaar heb,’ zegt ze. ‘Dan heeft Thomas er ook nog plezier van!’
Hij steekt zijn hand uit als ze weggaat, maar zij kust hem op de wang, kijkt hem in de ogen en zegt:  ‘Je bent een mooi mens, Thomas. Ik ben blij dat ik jou gekend zal hebben.’ En dan tegen zijn vrouw: ‘Pas goed op jezelf!’ Ook zij krijgt een kus, en dan is Carla weg.

Zijn vrouw staat met de advertentie van Carla Nieuwkoop in haar handen.
‘Ik vind niet bepaald dat ze zich onzichtbaar maakt,’ zegt ze, ‘maar inlevingsvermogen heeft ze wel. Een beetje teveel zelfs.’
‘Hoezo?’ vraagt hij. Te laat beseft hij in welke val hij terechtkomt.
‘Ik heb het wel gezien,’ zegt zijn vrouw. ‘Ik ben niet achterlijk. Dat jullie elkaars handen vasthielden en elkaar in de ogen keken en ga zo maar door.’
‘Daar heb ik niet om gevraagd,’ verdedigt hij zich. Hij vraagt zich af of hij niet liever alvast dood zou zijn.
‘Wat is dat toch met jou en andere vrouwen?’ roept zijn vrouw. ‘Waarom ben je er altijd mee bezig? Waarom zit je altijd te flirten en te versieren?’ Er springen tranen in haar ogen. ‘Jij verandert nooit,’ pruilt ze.
‘Binnenkort verander ik,’ zegt hij. ‘Onherkenbaar.’
Zijn vrouw slaat haar hand voor haar mond, barst uit in een huilbui en laat zich naast hem neervallen op de bank.
Hij trekt haar naar zich toe en slaat een arm om haar heen. Voor twee heeft hij de kracht niet meer.
‘Sorry,’ zegt hij. ‘Sorry.’
Terwijl hij haar vasthoudt en haar haren kust, voelt hij weer leven in zich komen, ditmaal van binnen uit.
Als zijn vrouw gekalmeerd is, zitten ze zwijgend naast elkaar.
Ze kijken naar de plek boven de schoorsteenmantel, de lege plek die gevuld moet worden.

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

Tema con variazioni, Dirk Kroon

het weinige van de werkelijkheid
wordt minder en minder
(…)
men mag weer zwijgzaam en wijs zijn

Lucebert, Van de afgrond en de luchtmens

 

1a

Sluit je ogen voor
beelden uit het leven
en zie een binnenwereld aan.

1b

Sluit je oren voor
geluiden van de dood
en hoor het leven aan.

 

2a

Als je dan zo bang bent
voor de dood,
waarom stop je niet met leven?

2b

Als je niet zo bang bent
voor de dood,
waarom stop je dan met leven?

 

3a

Dit is een afscheid voor het leven,
zo de zon te zien doven in zee.
Als je hier woont is het voor even.
Neem deze werkelijkheid mee.

3b

Dit is een afscheid van het leven,
zo de zon te zien doven in deze zee.
Je moet het mooiste hier opgeven,
je draagt het zwaarste met je mee.

 

4a

De zee is stil en wacht als wij –
de nevel en de nacht voorbij.
Een overvloed aan vrijheid komt ooit vrij,
na de benauwenis van een doodtij.

4b

Het is al eeuwenlang doodtij,
er is de wereld en er is een wij.
Geen vonk van God komt er ooit vrij,
wij staan als stervelingen in een eindeloze rij.

 

5a

Het is te laat om nu nog terug te keren
naar de geborgen jaren van je jeugd.
En al wat jou aan grandioze uren heugt
is voor een oude man niet goed meer te verteren.

5b

Het is te laat om naar een weergaloze jeugd
terug te keren met de onbevangenheid van toen.
Je verloor naast onschuld ook de tomeloze vreugd
waaraan geen toekomst of een grote liefde iets kan doen.

 

6a

Je bent zo bang om dood te gaan
dat je nooit echt hebt kunnen leven.
Hoe is het al met al nog goed gegaan?
Je hebt je mooiste tijd in ledigheid verdaan.

6b

De ledigheid waarmee je goed kon leven
heeft je nauwelijks echt kwaad gedaan.
Nu al die nietigheid vrijwel is vergaan
moet je alleen in schamele resten staan.

 

7a

De stapelende jaargetijden wegen zwaar
en vormen beurtelings een wrange optelsom,
geleidelijk te groot en onontcijferbaar –
de ongewisse uitkomst van een ouderdom.

7b

De stapelende jaargetijden zijn te zwaar
wanneer een jeugd verwordt tot ouderdom.
Zodra de weemoed komt, is er het gevaar
van levenslange angst als afkoopsom.

 

8a

De roekoe-duif weet van geen wijken,
stuurt lokroepen naar onverkende rijken,
laat naar zich kijken en leert ons zien,
Gods eigen kleine vliegmachien.

8b

De roekoe-duif weet nauwelijks van wijken,
roept en zoekt naar onvermoede rijken,
waarin wij wat geweest is terug zullen zien,
de meest geliefde dode ook misschien.

 

9a

Het is zo ver, de dag breekt aan
en het begint al in je hoofd te dagen,
je hoeft geen uitstel meer te vragen,
je moet hier onherroepelijk vandaan.

9b

Het was zo ver, de dag brak aan
en het begon toen in je hoofd te dagen,
er valt geen toekomst te beklagen,
je bent hier al heel lang vandaan.

 

10a

Steeds meer vrouwen worden onbereikbaar
voor een man die bijna aan het einde is
van een bestaan vol hartstocht en geheimenis
dat toewijding nastreefde – het valt hem zwaar.

10b

Steeds meer vrouwen raken onbereikbaar
voor een man met nog maar weinig nachten;
zijn dagen eindigen in onafzienbaar wachten
op licht en gelukzaligheid – het is te zwaar.

 

11a

Het boek dat ik terzijde heb gelegd
bevat uiteindelijk de taal van alle tijden.
Hoe kon ik het zo levenslang vermijden
waarin alles in ultieme vorm is gezegd?

11b

Het boek dat je terzijde hebt gelegd
omdat afgunstigen toch telkens zeiden
dat iemand grootspraak beter kan vermijden –
zelfs dat is er glashelder in gezegd.

 

12a

Er zijn geen anderen dan wij,
elk ding richt zich op ‘mij’.
Er komt geen levend wezen bij,
wij raken nooit meer vrij.

12b

De wereld wordt als wij,
er komt geen liefde vrij.
Je ziet een kille woestenij,
geen zon komt er ooit bij.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

De buurman van een handelsreiziger, Bart Bruijnen

Van zijn vader wist hij weinig, behalve dat veel mensen zeiden dat hij toonvaster was dan Yoko Ono. Gaandeweg zeiden steeds minder mensen het, omdat Yoko Ono dat via allerlei rechtszaken zeer moeilijk tot haast onmogelijk had gemaakt.
Wat hij ook nog wist van zijn vader was dat hij een winkel met toeters, bellen en kniebeschermers had. Op een goede dag stopte zijn vader met die toeters en bellen om zich alleen nog maar te focussen op kniebeschermers. Het bleek een ferme misstap. Met het nieuwe concept was hij na vijf minuten al failliet. Maar dat kwam niet alleen door de illegale partij papieren wegwerpkniebeschermers die hij iets te hard op de kop had getikt. Nee, het pand liet ineens weten dat er door allerlei achterstallig onderhoud veel werk aan de winkel was, waardoor het werk in de winkel erbij inschoot, met als gevolg een extra lekkage.
En het was allemaal nog wel te verkroppen geweest voor zijn vader als diens buurman niet die dag ook was verhuisd. Vader en buurman hadden in de ruim vier jaar dat ze buren waren niet echt een goede verhouding, maar ze hadden zeker – vooral aan het begin – goede momenten gekend. Vader had gewoon tijd nodig om eroverheen te komen, het idee los te laten dat hij de ware buurman was kwijtgeraakt. Dus ging hij met iedereen over zijn gevoelens praten. Stuk voor stuk verhuisde iedereen om maar niet meer met hem over zijn gevoelens te hoeven praten.
Van zijn opa wist hij dat hij de grondlegger was van een reeks geografische wetten, waarvan de meest bekende: om de territoriale hoedanigheid van een planeet te veranderen is een sociaal of fysisch verschijnsel nodig. Zo’n verschijnsel kan uitwendig zijn (bijv. klimatologische omstandigheden) of inwendig (bijv. met behulp van esoterische vierkantjes en theosofische driehoekjes).
Het leverde hem uiteindelijk geen roem op. Ook toen hij probeerde om met dezelfde inzet faam te krijgen, kwam hij van een koude, veel te dure kermis thuis. Lof lukte ook niet. Eer kon hij op zijn buik schrijven. Aanzien kon hij eveneens niet het zijne maken. En toen hij uiteindelijk voor het verwerven van glorie idem dito nul op zijn rekest kreeg, vond hij dat het aardoppervlak voortaan de tering kon krijgen. Met die stelling won hij in de wereld van de geografische wetenschappen een bescheiden prijs, die hij thuis in zijn schouw bewaarde, waarna hij zich toelegde op het opzettelijk doden van dieren om het opzetten van die dieren door zijn buurman, die toevallig taxidermist was en graag dieren droeg, te vergemakkelijken.

Van zijn overgrootvader wist hij dat hij alleen dochters had. (Danig intelligent waren die dochters overigens niet, maar ze waren in ieder geval opgetogen dat ze geen meisjes waren.) Grootvader was sowieso zijn tijd ver vooruit. Zo was hij een van de eerste neo-analfabeten. Toen hij als jongeman ooit in onweer en bliksem buiten liep en twee keer dezelfde weg insloeg, kwam hij tot het inzicht dat geletterdheid rijmde op ijdelheid. Hij zwoer het alfabetisme af en bleek een natuurtalent: binnen twee weken had hij het zichzelf aangeleerd om niet meer te kunnen lezen en schrijven. In de media werd daar toen veel aandacht aan besteed, maar overgrootvader bewaarde de verkeerde krantenknipsels, dus zijn plakboek voor het nageslacht bleek achteraf een andere dan de bedoelde waarde te hebben. In die tijd ging hij vaak met zijn buurman, ook een neo-analfabeet, met vakantie. Het kwam dan voor dat ze in een hotel moesten logeren dat niet om over naar huis te schrijven was. Voor hen geen probleem. Ze reisden dan gewoon terug naar huis om er niet over te vertellen. Zo bewezen ze dat ongeletterdheid geen enkele belemmering hoeft te zijn voor een normaal leven. Waar ze ook waren verdienden ze prima de kost. Overgrootvader was accountant en buurman had het mooie, oude en vergeten beroep van spiegelverzorger. Als hij je spiegel zo eens per jaar weer helemaal netjes afstelde, had je er daarna geen omkijken meer naar. Later bleek dat overgrootvader helemaal geen buurman had, maar al die tijd zijn spiegelbeeld daarvoor had aangezien.
En dat is maar goed ook, want volgens zijn vader had die buurman maar een slechte invloed op hem. Buurman’s vader schreef hier nog een tot op de dag van vandaag veel voorgelezen factuur over.

 

 

Gepost in Columns, Home, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Gedichten, Younes El Kafari

Turing

Punten jagen. Schuilplaats, spanning, strijd.
Vragen om verbanning naar de kelder, weten
wie je daar ontmoet: de held, er is geen andere
mogelijkheid. Mierzoet hem daar begroeten

terwijl ontzetting niet om te verdragen is
en adem door je dromen giert. De klappen
te boven komen, snappen dat je over land
en lucht weer dichter bent bij het scharnier

dat je doet kantelen in ruimer perspectief
dan je voor denkbaar houdt. Zo lief was niet
en zal nooit zijn hoe de adrenaline
je oppept tot gevelde pijn. Oxytocine.

 

Biblia

Je leest je boeken en je slaat ze dicht:
op je gezicht is wanhoop te bespeuren.
Je gaat niet licht over bladzijden die geuren
naar veel belegenheid en naar kwade uren.

Verlegen letters zijn nooit bij te sturen,
er is geen vliegwiel en er zijn ook geen pedalen.
Een ziel is een verzinsel dat klettert op de muren
waar het geluk of evenwicht wil halen.

Er druipt wat inkt op je versleten vingers
die niet meer weten waar de krul moet zijn,
de slinger aan de schreef, het stokje laten zingen
terwijl je dromen weeft, azuur of scherp azijn.

 

Dwangspel

De gordijnen van de dwang schuiven elke ochtend open:
je weet niet welk stuk op de planken wordt gebracht.
Je kan niet meer gaan lopen. Het volk zit in de zaal,
de voetlichten ontbranden. Je bent de manke hoofdrolspeler,

je hobbelt weer naar voren. In de ivoren toren
van de slaap was je goed af. De dolksteek in je rug:
het hijsen van je ooglid en dan de angst, de lafheid,
de onwil om te delen wat niet van jou en elders is.

Houd al je tranen droog, je mag ze pas vergieten
wanneer publiek het vraagt. Het podium is veel te hoog,
de afstand veel te groot en nooit te overbruggen.
Zo sta je voor de kloof en hoort dan plots muziek.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Straattheater, Erik Spil

Ik imiteer een kraai. Mijn handen als snavel voor mijn gezicht. Een zwarte deken over mijn rug. Op het grote plein staan de andere surrogaten: allemaal doen ze iets na wat ze nooit kunnen zijn: God, Magere Hein, De Aap, etcetera. Ik ken de lichamen eronder, zonder uitzondering armoedig en mager. Net als ik zijn het zwervers, afhankelijk van het kleingeld van de toerist en de dagjesmens. Behalve Moeder Natuur, want zij straalt het onbekende uit.

De hoofdzaak is niet haar kostuum, waarin de natuur subtiel verwerkt zit, niet de lichtgroene make-up, maar eerder de uitstraling en beweging die als een bries om haar heen hangt. Met haar wieg ik heen en weer in de waan van een lentelucht. Op het plein bij de kerk is geen toerist te bekennen. Moeder Natuur vouwt haar kleed op en stopt deze in een koffer, ter afsluiting van haar show. Zij heeft gelijk: het is kansloos. Zelfs geen Japanners.  Ineens komt ‘God’ haar richting uit: hij heeft een wit stuk karton aan zijn middel vastgebonden, wat een wolk moet voorstellen. Verder een witte baard en pruik.
‘God is dood!’ roep ik hem toe.
‘Jij straks ook,’ schreeuwt Magere Hein.
‘Er is geen ruimte voor God in de natuur,’ zingt Moeder Natuur.
Daarna zwijgt ‘God’ en gaat terug naar zijn plaats.
Volledig uit mijn rol gevallen, loop ik naar haar toe, terwijl de surrogaten mij met argusogen bekijken.
‘Daar hebben we De Kraai. Jij bent net als De Aap onderdeel van mij,’ spreekt ze terwijl ze zorgvuldig opruimt.
‘Hoe bedoel je? Ik ben een idioot met een zwart kleed, die doet alsof, een idioot onder idioten.’ En ik maak een weids gebaar naar mijn collega’s.
‘Alle mensen doen alsof, zodra je iets aantrekt begint het geloof, de illusie. Laten we ophouden met spelen.’ En ze steekt een hand uit.

Bedwelmd pak ik haar hand en ze trekt me mee de straten door het park in. Ze brengt mij naar het diepste gedeelte.
‘Laten wij alles uittrekken, onze geloven, onze illusies,’ fluistert ze zacht.
Onder de kracht van haar beweging schuift het doek weg en de omgeving verandert in een wildernis. Haar lichaam gaat op in de natuur. Een oerinstinct woedt als een orkaan in mij, het laatste beetje rationaliteit verdwijnt. Ik word de vergetelheid ingezogen en even ben ik een kraai die over een weids landschap vliegt. Een kraai die landt op het plein bij de kerk. Een kraai die het theater niet ziet, maar een vuilnisbak waar hij in pikt.

Dan trekt ze haar hand terug en ik zie mijn fout in. Ik ben nergens geweest, sta nog steeds op hetzelfde plein terwijl ze me aankijkt. In haar groene ogen verspringt iets.
‘Nu,  je hebt het gezien, je was even bevrijd. Ga weer terug.’
Een Amerikaanse auto komt aangereden en ze stapt in.

Terneergeslagen loop ik naar mijn plek, plaats mijn handen als snavel voor mijn mond, buig diep naar de straat en maak een pikbeweging naar niets.

Gepost in Columns, Home, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie