Een nieuwe Extaze op 7 februari 2019: ‘Blokken’

Op donderdag 7 februari werd de nieuwe Extaze: ‘Blokken’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

cover Extaze 29: Blokken

B E S T E L L E N

Blokken

ESSAYS
In haar essay ‘Verboden zones’ associeert Artien Utrecht ‘de verboden zone’ in
Andrei Tarkowsky’s film Stalker met de totalitaire staat die F. Bordewijk beschrijft in zijn korte roman Blokken (1931). De rode draad in beide kunstwerken betreft fundamentele sociale botsingen die door de geschiedenis heen onopgelost zijn gebleven, zoals daar zijn: sociale ongelijkheid, de spanning tussen individualiteit en collectiviteit en die tussen
secularisme en godsdienst.
Net als in Paul van Ostaijen’s toekomstgroteske ‘De stad der opbouwers’ (1932) zien we
in Blokken hoe architectuur en ideologie met elkaar kunnen versmelten en hoe
bouwcomplexen bepaalde denksystemen kunnen weerspiegelen, betoogt
Thomas Pierrart in ‘Van Blokken tot brokken’.
Bij Herman van Bergeijk vinden we deze visie terug: door de scherpe staccato-achtige schrijfstijl wordt Blokken wel gezien als een novelle die de nieuwe zakelijkheid verbeeldde in de bouwkunst (sinds 1925 vanuit Duitsland tot in Nederland doorgedrongen).
Maar, vervolgt hij, de afstandelijkheid van de reportage ontbreekt. De auteur
neemt een standpunt in dat je anti-utopisch, sciencefictionachtig en romantisch-
expressionistisch kunt noemen.
Leo Oorschot bevindt zich niet ver van deze visie waar hij schrijft dat Bordewijk zich
lijkt te mengen in een architectenstrijd die in 1928 werd gevoerd tussen voorstanders van de collectivisatiebouw (bij Bordewijk: discipline, tucht, geschiedenisloosheid,
individuloosheid en collectivisatiedrift) en esthetici die geen afstand wensten te nemen van de waarden van het fin de siècle.
Blokken, zo begint Boris van Meurs zijn verhandeling ‘Systeem, mens, ding’,
is een boek over systemen en de rol van het individu daarin. In deze relatie lijken de
dingen te worden teruggedrongen tot de ruimte van strikte functionaliteit. Maar kan
het ding hier niet centraal gesteld worden? Is hun werking werkelijk altijd te voorspellen?

KORTE VERHALEN
Helge Bonset
J.I. Clément
Guido Eekhaut
Mark de Haan
Boudewijn van Houten
Rob Verschuren

GEDICHTEN
Jeanet Kingma
Bert Struyvé

BEELD
Viktor Hachmang

Vormgeving binnenwerk, omslag en omslagafbeelding: Els Kort

 

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

7 februari, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 29: ‘Blokken’

Extaze in de Houtrustkerk 29

De Houtrustkerk in Den Haag zal op donderdagavond 7 februari de vormen,
de kleuren en de geluiden van het modernisme aannemen. Een van de definities
van dat begrip luidt: modernisme is een vorm van kritisch en esthetisch
engagement met de moderniteit.
Geen Nederlandse schrijver tussen de twee wereldoorlogen heeft de mogelijkheden van
de technologie, het centralisme, het constructivisme en de manipulatie van een bevolking in zo’n grimmig perspectief geplaatst als F. Bordewijk in zijn korte roman Blokken.
Deze dystopie uit 1932 liep vooruit op het totalitarisme van Italië en Duitsland.
Er zijn weinig romans in de Nederlandse literatuur die de vormen, kleuren en geluiden waar we het in de eerste zin over hadden zo concreet hebben gemaakt en zo doelgericht in de vertelling hebben geplaatst als deze korte roman van Bordewijk.
De presentatie van Extaze 29 draait rondom Blokken. De muziek in de Houtrusthal zal voornamelijk recht zijn, zonder franje. De mens in de vertellingen zal wat meer ding en het ding wat meer mens worden. Dichters en essayisten zullen ons naar verborgen zones brengen, verboden plaatsen waar het ongetemde, de rebellie zijn kansen waagt.
We zien beelden van een kunstenaar die Blokken verhief tot een kijkervaring.
De avond in de Houtrustkerk wordt strak, hoekig en trefzeker, rood en zwart van kleur en aanzwellend tot hard van klank.
Maak het mee.

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Jos van Daanen, Soldaten door Felix Monter

Lees hier de recensie.

Soldaten, Jos van Daanen

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Nafiss Nia, 26 woorden voor schoonheid door Felix Monter

Lees hier de recensie.

Nafiss_Nia_26_Woorden

 

 

 

 

 

 

 

recensie

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie:
Dorien De Vylder, Vertraagd stilleven door Jonas Bruyneel

Lees hier de recensie.

Doryn de Vilder

 

 

 

 

 

 

 

Recensie

Gepost in Home, Poëzie, Recensies | Getagged , , , , | Plaats een reactie

De onzichtbare schrijver,
Rob Verschuren

Laten we het vandaag eens over de onzichtbare schrijver hebben. Nee, niet Murat Isik. Die is niet direct onzichtbaar – en volgens sommigen ook niet direct een schrijver.

Wanneer deze term valt, gaat het geloof ik meestal over stijl. Of de schrijver ‘aanwezig is’ in het verhaal of niet. Of hij zich bedient van een proza dat de aandacht op zichzelf vestigt, of dat hij het verhaal het verhaal laat vertellen.
In een bespreking op Literair Nederland van mijn roman Tyfoon (In de Knipscheer € 17,50) haalt Olivier Rieter Arnon Grunberg aan. Volgens hem is goed proza dat proza waarvan het lijkt dat iedereen het zou kunnen schrijven, dat niet toont dat de schrijver iets moois of geleerds heeft willen bijdragen. 
Daartegenover staat proza dat de aandacht op zichzelf vestigt en dat door Grunberg bekritiseerd zal worden omdat er stilistische ambitie uit spreekt. Van Olivier Rieter mag het allebei, krijg ik de indruk, zolang het maar goed wordt gedaan.

Maar stijl is niet het enige. Er zijn meer manieren waarop een schrijver onzichtbaar kan zijn. De Amerikaanse auteur Thomas Pynchon leidt een zeer teruggetrokken leven en vormt al meer dan veertig jaar een bron van speculaties. Hij zou ergens in Mexico wonen, hij zou de UNA bomber zijn en meer van dit soort geruchten. In de media wordt hem steevast het predikaat ‘kluizenaar’ opgeplakt. Pynchon trekt het principe ‘laat mijn werk voor zichzelf spreken’, tot in extremis door. Al beweren kwade tongen dat het vooral een complex over zijn konijnentanden is dat hem de publiciteit doet schuwen.

Ook Cormac McCarthy geeft nooit interviews, houdt geen lezingen, treedt niet op, mengt zich niet in discussies en verklaart zichzelf niet nader. Hij bewaakt zijn privacy minder obsessief dan Pynchon, maar al dat soort dingen interesseert hem gewoon voor geen meter. Hij is een romanschrijver en een romanschrijver moet romans schrijven. Punt. McCarthy is iemand die respect afdwingt en hij wordt met rust gelaten. Het enige schandaaltje dat ik op het internet ben tegengekomen, betrof zijn ex-vrouw Jennifer, van wie hij al acht jaar gescheiden was. Ze was gearresteerd nadat ze haar vriend tijdens een discussie over buitenaardse wezens had bedreigd met een pistool dat ze uit haar vagina tevoorschijn trok. Boeiend nieuws, geserveerd met een mugshot.

Het soort onzichtbaarheid van beide heren ligt mij wel. Ik vind dat ik mijn werk heb gedaan wanneer het manuscript naar de drukker gaat, en dat de lezer het verder zelf mag uitzoeken. Een schrijver is er niet voor antwoorden, hij is er voor de vragen. Het heeft natuurlijk ook met karakter te maken. Ik ben op mijn privacy gesteld en gesloten. Ik kijk het allemaal liever aan dan dat ik me erin meng, mensen incluis. Maar ik heb natuurlijk makkelijk praten omdat ik in Vietnam woon en omdat het niemand wat aan de reet zal roesten of Rob Verschuren, auteur van twee dunne boekjes, zichtbaar is of niet.

Bladerend door mijn aantekeningen kom ik de volgende halfhartige affirmatie tegen: Rare zin, hè? Maar als Verschuren zoiets schrijft, is het bewust gedaan. Geef ik je garantie op. Daarom hoeft het nog niet meteen geslaagd te zijn.        

Er zijn verschillen in onzichtbaarheid. Onzichtbaar als in van de aardbodem verdwenen of onzichtbaar invloed blijven uitoefenen. Achter de schermen, als het ware. Er zijn dode auteurs die dat doen. En soms wordt een lang onzichtbare auteur opeens weer zichtbaar. Dan heb ik het niet over verkoopaantallen, maar over de sluiers van afstand en tijd, die wegvallen voor dat ene paar ogen, voor dat ene hart.

Zichtbaarheid – en nu komen we terug op zichtbaarheid in het werk – wordt ook bepaald door de onderwerpkeuze. Geloof het of niet, maar veel schrijvers schrijven vooral over schrijven. Nu begrijp ik dat wel. Egoschrijfsels verkopen en je schrijft het beste over wat je kent etc. Maar een bakker lult je toch ook niet de oren van de kop over zijn gezwoeg en gezweet aan de oven zo gauw je zijn winkel binnenstapt.
Ik vind dat soort proza alleen interessant als het heel goed geschreven is. Reve kon dat. Een schoolvoorbeeld van een zichtbare auteur, zowel in zijn werk als daarbuiten.
Omdat ook voor mij het creatieve denkproces een boeiend thema vormt, heb ik er een truc op bedacht. Ik maak schilders en ontwerpers van mijn protagonisten in plaats van schrijvers. Levert me meteen een visuele schrijfstijl op. Schrijven over schrijven doe ik alleen hier, op deze blog. Met plezier, maar voor mij is het geen voer voor verhalen.

En dan heb je ook nog metafictie, waar ik een instinctieve afkeer van heb en dus verder over zal zwijgen.
Van alle vormen van onzichtbaarheid is misschien de meest interessante wat ik ‘ongewilde zichtbaarheid’ zou willen noemen. De manieren waarop de persoon van de schrijver doorklinkt in zijn werk, hoewel hij dit niet bewust laat gebeuren en soms zelfs nadrukkelijk probeert te vermijden. Veelal uit schaamte of uit angst.

Onzichtbaar = onkwetsbaar. Vraag het maar aan een wandelende tak.

Heb je weleens van El Intocable gehoord? Dat was de bijnaam van de Argentijnse bokser Nicolino Locche, die zijn wedstrijden won door ervoor te zorgen dat hij niet geraakt werd. Hij is er wereldkampioen mee geworden, in 1968. Een favoriete vechthouding van deze lichtweltergewicht was met de handen op de rug, waarbij hij met de kleinst mogelijke hoofdbewegingen stoten ontweek en zijn tegenstander lucht liet meppen tot hij uitgeput was. Tik de naam maar eens in op YouTube. Lachen, die paar krakkemikkige oude filmpjes. De ‘Untouchable’ had trouwens nog meer eigenaardigheden. Zo mocht hij tussen de ronden in zijn hoek graag een sigaretje roken. De trainer hield er dan een handdoek voor, want zelfs in die dagen werd daar raar tegen aangekeken.

Als je het weet, vind je John Cheever’s verdrongen homoseksualiteit op veel plaatsen in zijn werk terug.  En sinds de publicatie van Blake Bailey’s schitterende biografie weet iedereen het. Dat was wat in die dagen. De Amerikaanse entertainer en proto-showbizznicht Liberace (‘I cried all the way to the bank’) heeft geloof ik tot zijn dood volgehouden dat hij geen homo was. Een man die als geen ander zichtbaar wilde zijn en tegelijk krampachtig probeerde onzichtbaar te blijven.

Tussen Old Shatterhand en zijn schepper Karl May bestaan op het eerste gezicht weinig overeenkomsten. De een een onverschrokken held, een mannetjesputter met hoge morele normen, de ander een leraar aan de fabrieksschool in Altchemnitz, die regelmatig het tuchthuis in ging voor kleine diefstallen. Maar onverschrokkenheid en geestelijke adeldom moeten, in een of andere vorm, ook deel hebben uitgemaakt van de persoonlijke make-up van Karl May, waar haalt hij ze anders vandaan. F. Scott Fitzgerald: ‘It was in my mind that if you weren’t able to function in action you might at least be able to tell about it, because you felt the same intensity.’

En Elsschot, die zijn gevoeligheid graag maskeerde met cynisme. Dat werkt natuurlijk niet, want cynisme is geen sarcasme. Het was dan ook meer een schrijftruc die hij goed beheerste, vermoed ik. Zoiets kun je van Tsjechov niet zeggen.

Tsjechov is een schrijver die zichzelf buiten schot houdt in zijn verhalen. Een afstandelijke toeschouwer, sober, ingetogen, bescheiden, zonder oordeel. Een vakman die zijn materiaal vormt naar de eisen van authenticiteit en precisie. Maar naarmate hij ouder en zieker wordt, worden die verhalen melancholieker en bespiegelender. Persoonlijker, zou je kunnen zeggen.

Zowel wijsheid als waanzin zijn een schatkamer voor een schrijver. Zowel een scherpe geest als een modderig gevoelsleven. En niet zelden put hij uit dat laatste zonder het te willen laten weten.

Weinig schrijvers zullen in eigen huis zo onzichtbaar zijn als ik. De hele familie kan me zien schrijven, de deur staat open, maar wat ik schrijf, daarvan weten ze alleen dat het een enkele keer wel eens wat geld binnenbrengt. Niet dat ik daar moeite mee heb, of dat dit nieuw voor me is. Ik ben mijn hele werkzame leven al een onzichtbare schrijver.
Je kunt je vast wel een paar reclameslagzinnen herinneren. Omdat je ze zo vaak gehoord hebt, omdat je ze leuk vond. Niemand kent de schrijver. Die schrijver was ik. Tegenwoordig doe ik content.
‘Met je boormachine kun je meer doen dan je denkt.’ Dat ben ik.
‘15 leuke tips voor honden- en kattenliefhebbers.’ Dat ben ik.
De schoorsteen moet blijven roken en Lan moet elke dag naar de markt kunnen. Meer wil ik er niet over zeggen.

Zit ik toch al mooi op 1.391 woorden. Time to say goodbye. Om nog even terug te komen op die ongewilde zichtbaarheid: hoe zit dat dan bij jou zelf, Rob? Ik volg het pad van Tsjechov, denk ik, zij het niet ziek en al een stuk ouder dan hij ooit is geworden. En ik probeer me zo min mogelijk bloot te geven. Wat heb jij daarmee te maken?

Heel soms denk ik: als ik toch eens mijn leven kon vertellen zoals het geweest is en nog steeds is, dat zou me nog eens een boek worden! Een megalomane gedachte, ik geef het direct toe, maar af en toe heb je die ook nodig. Zolang het daar maar bij blijft. En nee, het zal er niet van komen. Primo omdat ik het niet durf en secundo omdat er daarna niets meer te schrijven over zou zijn. Scherfjes ervan komen in mijn verhalen terecht, waar ze goed werk doen. En iets minder verhuld in deze blogstukjes. Maar daar wordt morgen de vis weer in verpakt. 

 

De Zee van Ochotsk

Toen ik voor een tijdje naar The Priory ging om van wat dingen af te komen, belandde ik in een writer’s gold mine, maar ik was het noorden te ver kwijt om ervan te kunnen profiteren, die vijf, of mogelijk zes weken in het najaar van 2005.
The Priory is een nogal sjiek afkickcentrum annex mental hospital in de Londense buitenwijk Roehampton. Rocksterren en andere snuivende, spuitende, slikkende en gulpende beroemdheden zijn mij voorgegaan en gevolgd. Ronnie Wood is er geweest, Kate Moss, Pete Doherty, Robbie Williams, Paula Yates, Eric Clapton, George Best, Ronnie O’Sullivan.

Wat een verhalen.

Daar was de tenniscoach die zich tussen de trainingen door te buiten ging aan Guinness. Een knappe verschijning, zij het aan de harige kant. ‘You are the hairiest man I’ve ever seen,’ is een van de weinige opmerkingen die me van mijn peers, zoals we werden aangeduid, zijn bijgebleven. Deze coach had een vriendin die me sterk deed denken aan ‘Moeder Soep’, een dorpsfenomeen uit mijn jeugd. Omdat ze geen bezoekuur oversloeg, was, zelfs in mijn toestand, aardig te volgen hoe deze relatie steeds verder ontrafelde naarmate zijn nuchterheid vorderde.
Dan had je de undercover agent die, al infiltrerend in het drugsmilieu, zelf verslaafd was geraakt aan zo’n beetje elk soort pil dat op straat wordt verhandeld.  
De depressieve 70-jarige J. die hier was omdat ze in haar leven nooit een grote liefde had gekend. Ik heb vaak met haar op de stoep zitten roken. Geen woord herinner ik me van onze gesprekken, behalve dat. En haar naam.
De twee hoofdzielenkijkers mochten er ook zijn, een graatmagere Italiaan en een gemoedelijke very, very British dikzak met de uitstraling van dokter Watson, onveranderlijk gekleed in driedelig kostuum, compleet met horlogeketting.
En de Madonna van het rookhok. Een serieverslaafde, als zo’n term bestaat. Winkeldiefstal, cocaïne, fitness, diëten, nicotine, speed, wat niet meer. Psychiaters ook, geloof ik. Een intense meid met wild zwart haar en ogen als vingers die aan je ziel plukten.  Die mij eens vroeg: ‘Are you famous? You look like someone famous.’

Wat een verhalen. Maar mijn herinneringen zijn niet meer dan flarden. Anekdotes. Ik keek niet, ik luisterde niet, ik voelde niet in die tijd. En dat is wel nodig voor een verhaal dat sterk put uit je eigen ervaringen.

Een wat lange inleiding om tot het onderwerp van dit stukje te komen: waar haalt een schrijver de inspiratie vandaan?

Uit zijn vroegere leven dus, voor zover de herinneringen nieuw leven kan worden ingeblazen. Dit is iets wat ik gemeen heb met de Sade. Het uitzicht op de muren van zijn kerker zal de markies weinig geholpen hebben bij het proza dat hij in de Bastille produceerde. Ik zit dan wel niet achter de tralies, maar ik leid, na een best wel rusteloos leven, een huiselijk en alledaags bestaan: a family man after all these years.

Niet dat zo’n bestaan geen inspiratie biedt. De achternaam van mijn vrouw Lan is Nguyen, zoals van 40% van alle Vietnamezen. Soms denk ik dat die allemaal familie zijn. Hij is in ieder geval onvoorstelbaar uitgebreid, die familie van haar, en bruiloften zijn er endemisch. Ook het schrijven van dit stukje werd onderbroken door een trouwpartij, dit keer in een dorp aan de Cambodjaanse grens. We kwamen laat in de middag aan temidden van een tornado aan voorbereidingen. Overal in huis en op het erf zaten vrouwen te hakken, te snijden, te stampen, te roeren en te kakelen tussen ketels spetterende olie, kniehoge bergen kokosnoten en stapels dampende kippenkarkassen.
De feestelijkheden braken de volgende ochtend om half vijf los met de bruiloftsmis, gecelebreerd door een pastoor die van aanpakken wist, want er werden vier stelletjes tegelijk in de echt verbonden. Ik deed wat ik altijd doe in het godshuis, rondkijken of er nog leuk jong spul was. Dat was er. Ook de bruidsparen boden weer eens een interessant schouwspel, de mannen in slecht passende huurpakken en de jeugdige frisheid van de bruidjes vakkundig weg geplamuurd onder tsunamibestendige make-up.
Na de onontkoombare fotosessies in het eerste daglicht op het kerkplein ging het in klein comité naar het kerkhof om een gebed op te zeggen voor Nguyen Thi Dai, doopnaam Anna, een oudtante van Lan, die daar in de jaren ’70  te rusten was gelegd. Bij haar lag, zoals de inscriptie op de grafsteen vermeldde, de kleine Kim, geboren en gestorven 16-09-1964. Ik heb mijn wierookstokje voor haar aangestoken, maar voor een gebed vond ik geen woorden.
Op het erf was het bij onze terugkomst een groot gedrang van mannen, onwennig in zelden gedragen kostuums, en vrouwen in strakke traditionele gewaden, die alles bedekten maar niets verborgen en veelkleurig afstaken tegen het bleke roze van de tafelkleden. Op het podium stond een vierkoppige band te roken en te kletsen achter zware apparatuur, en de ceremoniemeester/zanger, een zelfrijzend strottenhoofd waar wijlen Theo Koomen een punt aan had kunnen zuigen, tikte driftig op zijn microfoon.
Mij was een plaats toebedeeld naast de 92-jarige stamvader van al het gekrioel, een levendige man met een Ho Chi Minh sik, die me liet weten dat hij geen alcohol dronk, wel vlees at, maar geen vis, twaalf kinderen had en zeventig kleinkinderen en achterkleinkinderen. Wat een verhalen kan hij zijn nakomelingenschaar vertellen, een opa die de marionettenregering van de laatste koning Bao Dai bewust heeft meegemaakt, lang voordat de Franse koloniale macht serieus werd uitgedaagd.
Wat viel er nog te beleven? De magnetische ogen van het meisje met de hazenlip een tafeltje verderop. Het optreden van de zingende priestertweeling, en dat van de matrone met een stem als een grindbreker, die ondermaatse anjertjes kreeg aangeboden, door de plaatselijke grappenmakers uit de vaasjes op de tafels geplukt.
Het tapijt van Tigerblikjes, waartussen drie schichtige, vuilbruine bastaards naar botten zochten. En hoe, onder de rand van het tentdoek door, in de loodgrijze hemel lang een vreemde streep licht te zien was, half groen, half blauw, alsof iets groots ons vermaak door een kijkspleet gadesloeg…

Uit zijn duim. Ook wanneer je niet aan buitenaardse wezens, ruimtekrommingen of Atlantis doet, heb je voor fictie fantasie nodig. Zelfs voor egoschrijverij heb je fantasie nodig, want er zijn altijd gaten in het verhaal die moeten worden opgevuld, bruggetjes die moeten worden geslagen, waarvoor je geen bruikbare feiten bij de hand hebt. Connie Palmen heeft geloof ik eens gezegd dat ze over bestaande personen en ervaringen schrijft omdat ze geen fantasie heeft, maar natuurlijk is er ook in haar werk van alles aan te wijzen dat aan de verbeelding is ontsproten. Fantasie hoef je ook niet te ‘hebben’. In mijn ervaring is vaak het een gevolg van inleving. Wanneer je diep in het verhaal en de personages zit, dient de noodzakelijke fantasie zich vanzelf aan.

Inspiratie vind je ook bij de collega’s. Cormac McCarthy: ‘The ugly fact is books are made out of books, the novel depends for its life on the novels that have been written.’ Zo is het maar net. En je hoeft er Nietzsche niet eens voor te lezen, een kijkje op een citatenwebsite is genoeg. Ik herken een mooie zin wanneer ik hem zie. En dan jat ik hem. Niet ongewijzigd natuurlijk, maar zo’n zin kan me inspireren tot een zin met hetzelfde ritme of dezelfde sfeer, of met dezelfde betekenis, en soms gelardeerd met woorden uit het origineel. En het aardige is, wanneer je aan een verhaal schrijft, kom je allemaal mooie zinnen tegen die erin passen. En nog aardiger: een mooie zin kan je verhaal een nieuwe richting geven. Dus McCarthy’s ugly fact heeft ook een keerzijde.

Uit een nieuwe omgeving. Mijn hoofdsponsor Het Nederlands Letterenfonds verstrekt reisbeurzen. Misschien moest ik ook maar eens zo’n subsidie aanvragen, en mijn schrijfhorizon gaan verbreden in een ver & vreemd land om van het etiket ‘Vietnamschrijver’ af te komen. Wat voor weer is het nu bij jullie?

Schrijvers zijn naar de wonderlijkste uithoeken van de aarde getrokken om inspiratie op te doen, niet zelden met gevaar voor eigen lijf en leden.
In 1890 ondernam de 30-jarige Anton Tsjechov, die sinds kort wist dat hij aan tuberculose leed, de ijzingwekkende, elf weken durende reis vanuit Moskou, dwars door Siberië, naar de strafkolonie op het eiland Sachalin in de Zee van Ochotsk. De bestemming was erger dan de reis.
Vanaf de nauwe zeestraat die Sachalin scheidt van Japan, strekt het eiland zich bijna 1.000 km naar het noorden uit, een lange, smalle reep langs de oostkust van Siberië. Van Sachalin wordt wel gezegd dat het geen klimaat heeft, alleen slecht weer. Als het er niet sneeuwt, regent het. De gemiddelde wintertemperatuur in het noorden is – 24 °C, en zelfs hoogzomer is er drijfijs te zien in de rauwe, subarctische Zee van Ochotsk.
Ten tijde van Tsjechovs bezoek leefden er zo’n 10.000 veroordeelden en bannelingen, naast de inheemse Aino, Oroken en Nivchen en de bruine Sachalin beren.
Om toestemming voor een bezoek te krijgen, moest Tsjechov een list verzinnen. De officiële reden voor zijn expeditie was het uitvoeren van een volkstelling ten behoeve van een proefschrift waarmee hij zijn medische studie aan de Universiteit van Moskou wilde afronden. Een taak waarvan hij zich met grote toewijding kweet. In zijn eigen woorden: ‘Ik bezocht elke nederzetting en ging elke hut binnen. Ik weet niet wat er van zal komen, maar ik heb veel gedaan. Genoeg voor drie proefschriften. Ik stond elke ochtend om vijf uur op en ging laat in de nacht naar bed, en de hele dag werd ik gedreven door de gedachte dat ik niet genoeg deed. . .’
Terug in Moskou, begon hij te werken aan Sachalin Eiland, een verslag dat in 1895 in boekvorm werd gepubliceerd, en dat door The New Yorker 120 jaar later werd uitgeroepen tot het beste journalistieke werk van de negentiende eeuw. Een academische titel kreeg hij er niet voor. De examinatoren konden weinig waardering opbrengen voor de vele literaire details. Wel beïnvloedde Sachalin Eiland de publieke opinie en resulteerde tijdelijk in een verbetering van de levensomstandigheden in de strafkoloniën. Tot Stalins goelags Sachalin op een soort Priory deden lijken (ik heb het nog niet gehad over de ruime eenpersoonskamers, de gratis koffieautomaten op praktisch elke hoek van het gangenstelsel, de yogaklassen en de bloesemtherapie). Het blijvend resultaat van Tsjechovs studiereis is de invloed die het had op zijn latere werk.

Speelde voor Tsjechov zijn sociale bewogenheid zeker een even grote rol als een zucht naar nieuwe ervaringen, voor Isaak Babel ging het vooral om het verbreden van zijn literaire horizon, toen hij in 1920, op aanraden van zijn vriend en mentor Maxim Gorki, als oorlogsverslaggever met het Rode Leger onder generaal Budyonny naar Polen trok.
Naast het schrijven van artikelen voor het persbureau Rosta, was het Babels taak de ongeletterde Kozakken te leren lezen, rekruten politiek te indoctrineren en gevangenen te ondervragen. Hij liet zijn nieuwe bruid achter in Odessa en moest leren paardrijden, een kunst die hij nooit fatsoenlijk onder de knie zou krijgen.  
Zover bekend zijn er slechts vier van zijn artikelen over de Sovjet-Poolse oorlog verschenen, onder het pseudoniem K. Lyutov. Terug in Odessa, overdekt met luizen en lijdend aan astma, begon hij de vierendertig verhalen te schrijven die in 1926 gepubliceerd zouden worden als De Rode Ruiterij. In de editie van 1932 voegde hij er nog één aan toe.
De gruwelen van de oorlog beschrijven is één ding, de gruwelen van de oorlog prachtig mooi beschrijven een ander. De Amerikaanse literatuurcriticus Lionel Trilling omschreef Babels stijl als: ‘Lyrisch plezier te midden van geweld.’
Wat een verhalen!
‘Ik had dromen, ik droomde van vrouwen, en alleen mijn hart, karmozijnrood van moord, krijste en bloedde,’ staat er te lezen in Mijn eerste gans. Ondanks zijn naam (Lyutov betekent ‘woest’) kan hij geen Kozak onder de Kozakken zijn. Hij blijft Isaak Babel, de gebrilde joodse pennenlikker, die de schoonheid van de wereld – ja, ook te midden van de gruwelijkste oorlogswaanzin – vangt in de schoonheid van de zin.

Ach, we zijn allemaal bannelingen in de Zee van Ochotsk, maar terwijl de korte zomer onherroepelijk ten einde spoedt en het drijfijs ons insluit, valt er van alles te beleven. Als je er nog bent: bedankt voor je volharding en tot het volgende literair avontuur.

 

Babylon revisited

Ei, ei, welk een beuzelpraat. Ik begin te geloven dat ge toch een student zijt.
Professor Sickbock

IK?
was mijn eerste gedachte toen de redactie mij vroeg het stokje over te nemen van Heidi Koren en een half jaar lang maandelijks een stukje te schrijven voor de Extazeblog. Hoezo ik?

Ik weet weinig over literatuur en al helemaal niets over Nederlandse en Belgische literatuur. Te lang weg uit het Moederland, teveel heisa om aan die boeken te komen. En ik heb Elsschot en Slauerhoff in Epub formaat op mijn laptop, dus waar zou ik me druk om maken? Maar het mocht ook over andere dingen gaan. ‘Over stijl, over taal, over ideeën’. Genereus van de redactie. Laten we het dan maar over taal hebben, daar denk ik wel eens over na.

Door mijn zwerversbestaan met alle linguïstische grensoverschrijdingen is taal een belangrijk thema in mijn leven geworden, en daarmee in mijn verhalen. Vooral het hebben of ontberen van een gemeenschappelijke taal. Het is een laag in mijn roman Tyfoon en sluipt ook binnen in de roman waar ik nu aan ploeter. Wanneer ik mijn aantekeningen voor dit project doorloop, kom ik allerlei notities en citaten tegen die te maken hebben met taal.

“Use language what you will, you can never say anything but what you are.” Die is van Ralph Waldo Emerson.

De Ayapaneco taal wordt al eeuwen gesproken in het land dat tegenwoordig bekend staat als Mexico. Maar nu loopt Ayapaneco het gevaar uit te sterven.
Er zijn nog maar twee mensen over die het vloeiend kunnen spreken, maar ze weigeren met elkaar te praten.

“… the mixture of idiocy and cultural arrogance which leads some turn-of-the-millennium Englishmen abroad to believe that, if spoken very slowly, English functions as a form of intuitive Esperanto – miraculously comprehensible to all from Novosibirsk to Timbuktu.”

De Australische aboriginals die zichzelf ‘li-antha wirriyara’ of ‘mensen van het zoute water’ noemen, spreken Yanyuwa, een nogal ongebruikelijke taal, omdat mannen en vrouwen verschillende dialecten gebruiken.

Er staan tientallen van dit soort taal snippets in mijn 77 pagina’s aantekeningen voor Het Witte Land, en sommige daarvan zullen in een of andere vorm in het verhaal terechtkomen.

Dit brengt ons naadloos op een andere invalshoek: taal in de literatuur. Wat is de functie van taal in literaire geschriften? Is dat vooral iets overbrengen? Of gaat het er meer om HOE je het zegt? Ik neig naar de laatste opvatting. En wat is het belangrijkst? Begrijpelijkheid? Dacht het niet. Dan kunnen een hoop poëziebundels ongelezen de versnipperaar in.
Wat dan? Authenticiteit, ritme, meeslependheid? Ik denk het wel, maar ik ben niet schoolgegaan.

Laten we dus voor de veiligheid weer even teruggrijpen naar het begrip ‘gemeenschappelijke taal’. Daar ben ik ervaringsdeskundige in. Bestaat er wel zoiets als een gemeenschappelijke taal? Wat heeft een tweet van Donald Trump in godallejezusnaam gemeen met een songtekst van Leonard Cohen? Een aforisme van Nietzsche met een handleiding bij een Bosch schroefboormachine?

En wat zegt een gemeenschappelijke taal over de mensen die hem spreken? Is het een verbindende factor, een mogelijkheid om iets over de volksaard te weten te komen? Dan ben ik benieuwd naar een proefschrift dat zich bezig houdt met de vraag waarom Duitsers zich voor hun scheldwoorden bij voorkeur inspireren op uitscheidingsorganen (Arsloch), terwijl Amerikanen voor seksuele connotaties gaan (Motherfucker).

En is het ontbreken van een gemeenschappelijke taal dan werkelijk zo’n hindernis? Ik woon al bijna 10 jaar in een land waarvan ik de taal uiterst gebrekkig spreek. Dat is luiheid en gemakzucht van mijn kant, maar ook te wijten aan een speciaal aspect van het Vietnamees: de tonaliteit. De toonhoogte waarop je een klank uitspreekt (hoog, laag, dalend, stijgend) geeft het woord zijn betekenis. Dat kan aardig ingewikkeld worden. Een voorbeeld: het woordje ma heeft, afhankelijk van het accentteken boven of onder de a, de betekenis van moeder, geest, maar, verguldsel of jong rijstplantje, terwijl ca staat voor vis, lied, tomaat en nog een paar dingen.

Ik zal dit nooit leren, maar vind ik het erg? Uitspraak, grammatica en vocabularium verliezen hun belang door nabijheid. Tussen mijn vrouw Lan – die alleen Vietnamees spreekt – en mij is een soort mengtaal gegroeid, die voor anderen ondoorgrondelijk is, maar waarin wij elkaar volledig begrijpen. Ze kan even bekwaam vitten als jouw vrouw, en mijn binnensmonds gemopper is even irritant als dat van jouw man. En we lachen om dezelfde dingen. Humor en een gezonde dosis zelfspot zijn sowieso onmisbare attributen voor een leven in den vreemde, geloof me. Nee, we kunnen niet discussiëren over literatuur, Lan en ik, maar wanneer me daartoe de behoefte bespringt, heb ik daar andere contacten voor.

Taal is een stempel. Of je Osho nu een Verlichte Meester of een sexgoeroe noemt, je drukt een stempel op de man en op jezelf. Pas maar op. Straks stoppen ze zo’n uitspraak in de computer en dan rolt er een big data bulk aan psychodemografische gegevens over jou uit. Dan kom je op allerlei lijsten met verdachte profielen. Persoonlijk ben ik overigens van mening dat beide kwalificaties elkaar allerminst uitsluiten, maar dit terzijde.

En dan heb je nog taal als een economische asset. Dat leeft hier heel sterk. Beheersing van het Engels is een manier om vooruit te komen in de wereld, en ik schat dat er in mijn woonplaats Nha Trang minstens 50 taleninstituten zijn. Op een paar daarvan heb ik les gegeven. Met gemengde gevoelens. Ik hield van die prachtige, enthousiaste kids – meest universiteitsstudenten – maar mijn voornemen om ze vrijuit te laten praten, met een uitspraak die min of meer voor Engels door kon gaan en zonder midden in een zin terug te deinzen voor een afgrond van uitspraak of grammatica, viel niet goed bij de leiding. Ik heb mijn eenmansrevolutie op moeten geven, als gevolg waarvan hier nu allerlei jonge mensen rondlopen die de godganse dag grammaticaal correcte, volkomen onverstaanbare boekenzinnen spuien.

Zelfs ons kleindochtertje krijgt Engelse les bij de nonnen op de kleuterschool. Ze heet Thao Nguyen, maar haar koosnaampje is Ca Rot (een Frans leenwoord). Ze was traag met praten. Geluid had ze genoeg in zich. De eerste volledige zin die ik haar heb horen uitspreken was: ‘Mama, geef me de borst,’ dit op een leeftijd van drie jaar en twee maanden. Maar daarna ging het snel. Nu zijn we een half jaar verder en ze verbaast me elke dag met nieuwe taalvaardigheden. Ondertussen is haar Engelse woordenschat al jaren het uitgebreidst van de familie. Niet mijn invloed, die van YouTube. Nu Engels een lesvak voor haar is, zal ze, vrees ik, binnenkort het prachtige, in potentie wereldreddende idee loslaten dat er maar één taal bestaat.

Dit is een nogal meanderend betoog geworden, zonder premisse, opbouw of conclusie. Maar houdt Tsjechov ons niet voor dat het geenszins de taak van de schrijver is om antwoorden te geven, maar om de juiste vragen te stellen? Vragen over taal amuseren me en soms leveren ze inspiratie op voor mijn verhalen. Ça suffit largement.

Ca Rot springt op mijn bed, waar ik met de laptop op schoot zit te werken.
‘Opa?’
‘Wat schat?’
‘Johnny, Johnny.’
Ah, het is weer tijd voor een van onze rituelen.
‘Johnny, Johnny.’
‘Yes papa.’
‘Eating cookies?’
‘No papa.’
‘Telling lies?’
‘No papa.’
‘Open your mouth.’
‘Ha ha ha!’

 

BLOGSERIE HEIDI KOREN

Schrijven, Heidi Koren

Ik werk aan de laatste fase van mijn roman. Dat zeg ik al een aantal maanden. Het manuscript is al drie keer van mij naar de redacteur gegaan en weer teruggekomen. Het komt iedere keer terug met een hoop gekriebel in de kantlijn. Er staat vaker: kan dit ook anders? Of; waarom doet ze dit? Dan bijvoorbeeld: Mooi! Of Prachtig!

Lees meer »

Meestal krijg ik het binnen een week of twee terug van de redacteur. Nu duurde het vier weken. Hoewel ik me iedere dag opnieuw afvroeg wat daarvan de reden kon zijn (was het zó slecht dat hij er niet doorheen kwam?) waren het ook vier heerlijke weken waarin ik er niet aan kón werken. Ik hoefde me dus ook niet voortdurend af te vragen of ik er niet eigenlijk aan zou móeten werken, terwijl ik god-weet-wat-anders aan het doen was. Iets anders dat hoogstwaarschijnlijk minder prioriteit zou moeten hebben dan het afmaken van het boek. wat is wat ik graag wil. Sterker nog, er is niets op de wereld dat ik líever wil dan dat: het boek afmaken, en toch gaat intern in eerste instantie alles in mij in de totale-zucht-stand, zodra ik het manuscript inclusief commentaar zie verschijnen in mijn mail. Oooohh myyyy gooood, ik moet het boek afmaken.

Het duurt dit keer vier dagen voor ik weer in de schrijfmodus verkeer. In die vier dagen zit ik alleen in mijn boshut, de werkplek voor de komende drie maanden. Er is geen internet, geen verwarming, geen douche. Wel een radio, een krant, een stapel boeken en nu dus ook het on-affe-manuscript. Ik draai er dagen omheen. Zit in de bostuin. Kijk naar de lucht. Rook een sigaret. Na een dag begint het manuscript me zachtjes te roepen vanaf de keukentafel. Het wil worden opgepakt, uitgeprint, herlezen en herschreven, dat snap ik zelf ook wel, maar ik ben er nog niet klaar voor. Ik wandel eerst een rondje linksom door het bos en dan een rondje rechtsom, de hond is blij. Ik check mijn telefoon nog een keer. Waarom is mijn lief zo stil? Ik hang de hangmat op tussen twee bomen en ga erin liggen. Ik ga links en recht. Ik rook een sigaret. Het roepen vanaf de keukentafel wordt met de minuut luider. Ja ja ik kom er aan.

Een boek schrijven is eigenlijk helemaal niet leuk. Het is noodzakelijk kwaad. Er is een verhaal dat verteld moet worden. In mijn hoofd weet ik exact hoe het eruit moet zien, wie de personages zijn, hoe ze kijken, hoe ze ruiken, wat ze doen. Ik weet waar de tijd verandert en wat het perspectief is. Ik weet hoe het vordert, zich ontwikkelt en ontvouwt. Ik weet hoe het eindigt.

In het echt zijn het echter slechts een hoop woorden in een bestand. Woorden waarvan ik soms ineens de bedoeling niet meer begrijp. Zinnen die elkaar de ene dag logischerwijs lijken op te volgen maar de volgende totaal op de verkeerde plaats blijken te staan. Het is een wereld die zo ver afstaat van mijn eigen dat ik moeite moet doen er iedere keer opnieuw in te kruipen. Ik moet er letterlijk instappen en me laten meenemen, maar mijn eigen leven trekt me vaak bij de ellenbogen weer omhoog. Ik spartel voor ik me overgeef.

En dan, als het eindelijk zo ver is, dat de sigaret kan worden gedoofd, de telefoon uit kan en de deur dicht. Dat ik me bij mijn voeten het verhaal in laat zakken, is een boek schrijven het fijnste dat er is. Ik wil niet gestoord worden. Ik moet een boek schrijven.

 

The times they are a-changin’, Heidi Koren

Met flinke regelmaat voer ik mijn kinderen klassiekers. Dat begon met Jip en Janneke. Langzaam gingen we van Schmidt naar Lindgren en van Irving naar Burgess, Lynch, Tarentino, Coen, Salinger, Presley en whatever.

Vanavond keek ik met mijn dochter naar Grease.

Lang geleden mocht ik de film huren voor mijn veertiende verjaardag. Een stuk of wat meiden zaten in onze bruin behangen woonkamer. We hadden er chips en cola bij. Ik had erom gezeurd. Met appelsap en kaakjes was het echt minder leuk. Mijn moeder streek over haar biologisch dynamische hart. Het huren van de film kostte vijf gulden. Het was een korte huur, hij moest de volgende dag weer terug.

We bekeken hem aan één stuk. Niemand hoefde te plassen. Niemand hoefde eerder naar huis. Na afloop meden we mijn ouders. Mijn beste vriendin en ik trokken ons nog even terug op mijn meisjeskamer waar we spraken over wat we met onze vriendjes wilden doen, al gedaan hadden, nog zouden gaan doen en zeker nóóit zouden gaan doen! Ik kan me niet herinneren dat we iets aan te merken hadden op de film. Hij was gewoon fantastisch. We zongen de liedjes na, hopelessly devoted als we waren.

Mijn dochter van veertien valt nu, anno 2018, bij het zien van diezelfde film na nog geen tien minuten al bijna van de bank van verbazing en ergernis. Kan die idioot niet een beetje líef doen? vraagt ze zich af. Jeeeezus, wat is die Sandy een doos. Zoek een hobby! En bij het liedje Beauty School Dropout weet ze al helemaal niet meer wat ze hoort. Waarom zit ze die gast zo verliefd aan te kijken mam, verstaat ze wel wat hij zingt?

Ik zit stilletjes naast haar op de bank en graaf in mijn herinneringen of er in een gesprek tussen mij en mijn vriendinnen iets was gebleken van ontevredenheid over de ongelijkheid tussen jongens en meisjes in Grease, maar niks. In mijn beleving was het gewoon heel ok dat Danny zich zo achter zijn vrienden schaarde en vond ik het heel slim van die Sandy dat ze zich uiteindelijk zo wist te transformeren dat ze hem toch nog voor zich won. Zo ok vond ik dat alles, dat ik me niet eens herinnerde dat die dingen speelden. Nu zit ik met ongeloof naast mijn dochter te kijken. Mijn enthousiaste beweegredenen om de film samen te kijken galmen nog voortdurend na in de woonkamer. Ik schaam me een beetje. Ze heeft onlangs haar haar gemillimeterd, omdat ze dat leuk vond. Ze heeft een vriendje en is verliefd, maar zegt hem rustig wanneer hij naar huis moet gaan als ze er geen zin meer in heeft. Ze komt net terug van een week speelkamp waar ze een groep verstandelijk beperkten begeleidde. Ze is al vier jaar overtuigd vegetariër. Zaken waar ik allemaal pas ver na mijn twintigste over na begon te denken, als überhaupt. The times they are a changin’. Thank god they are! Lang leve de jeugd van tegenwoordig. De volgende keer kijken we gewoon weer Tarentino.


Pleidooi voor het korte verhaal, Heidi Koren

Wat ik haar nu écht zou willen aanraden, vroeg ze. Het was warm in de winkel en kwart voor zes. Ik was me al aan het voorbereiden op het sluiten van de zaak en verheugde me op de duik in de rivier die ik zou gaan nemen op mijn weg naar huis, toen de laatste klant binnenkwam. Ze had zichtbaar de tijd. Ik hoefde niet na te denken over haar vraag want was eerder die week naar huis gegaan met de nieuwe bundel van A.M. Homes in mijn rugzak. ’s Avonds in de tuin had ik hem opengeslagen, ondanks het feit dat ik al bezig was in twee romans, die met deze zet duidelijk het onderspit zouden gaan delven. Homes is scherp, geestig, origineel, alles wat je wilt zijn als schrijver. Geen zin is lelijk of zinloos of zoals je ze leest in de Viva, iets wat ik niet kon zeggen van een Boek van een maand van DWDD dat ik eerder na twee hoofdstukken al had weggelegd, maar goed.

Ik drukte ‘Dagen van inkeer’ van Homes in haar handen. Dit moet je lezen, zei ik.

De dame is belezen, slim, ze zal de humor en scherpte van Homes weten te waarderen, ik weet het zeker. Geïnteresseerd bekijkt ze de kaft. De uitgever heeft niet vermeld dat het een verhalenbundel betreft, wat ik kan begrijpen. Ze verkopen niet in Nederland, korte verhalen. Ik voel me toch verplicht het haar te zeggen, maar het is mijn strot nog niet uit of ze geeft me het boek terug. Nee geen verhalen, zegt ze.

Het pleidooi dat ik dan afsteek, steek ik minstens een maal per week tegen klanten in de boekhandel waar ik werk af, regelmatig met succes maar ik word er wel een beetje moe van. De meeste Nederlandse lezers beschouwen bundels (verhalen of gedichten) als niet voldoende waar voor hun geld. Daarom pleit ik er nu hier maar een keer voor, met de boodschap: lees dit allemaal, knoop het in je oren, probeer het uit en koop goddomme gewoon goede literatuur! Alles: proza, poëzie, essays. Stap eens uit je patroon. Een bundel korte verhalen is níet zonde van het geld en wel hierom:

Je leest de bundel als een boek, dat is het namelijk ook. Na ieder verhaal krijg je zelfs de gelegenheid even op adem te komen. In die tijd kun je gerust iets anders doen, zoals een glaasje wijn inschenken of een vakantie boeken. Dat is erg aardig van de schrijver

De schrijver verveelt je niet met zinloze opvulling van de bladzijden waarin hij eindeloos beschrijft hoe de blaadjes ritselen in het dicht begroeide bos waar tussen het sterretjesmos ook nog werkelijk zo nu en dan een lelie te vinden is waar je tussen zou kunnen knielen om je gewoon even prinses te voelen, iets waar iedereen wel eens behoefte aan heeft maar meestal niet toe komt. De schrijver van het korte verhaal vertelt je gewoon wat je moet weten. Geen woord te veel. Bijzonder knap.

Het korte verhaal is vaak zo goed gelaagd dat het de moeite van het hérlezen verdient. Een boek dat herlezen wordt is zeker zijn twee tientjes waard. Hoe vaak hérlees je nu eigenlijk een roman?

Een kort verhaal leent zich goed om voor te lezen. Hoe fijn is dat? Lees je lief eens voor voor het slapen gaan. De schrijver heeft er dus rekening mee gehouden dat je niet eerst helemaal hoeft uit te leggen waar het over gaat en de weken daarna je partner op de hoogte moet houden hoe het is gesteld met je personages wat uiteindelijk ongetwijfeld tot ruzie zal leiden (lees dat boek goddomme zelf!). Nee je leest gewoon een goed verhaal voor- welterusten lief doei.

Je kunt het ook influisteren/ inspreken/ of appen nou ja dat laatste niet vaak maar toch. In het geval van Lydia Davis behoort het tot de mogelijkheden.

A.M. Homes dus, die moet je hebben. Zo ook Lydia Davis, Lucia Berlin, Tobias Wolff. Maar ook dichter bij huis worden prachtige verhalen geschreven die veelal worden gepubliceerd in mooie literaire tijdschriften.

Het korte verhaal gaat me aan het hart. Niet in de laatste plaats omdat ik ze zelf schrijf, ook omdat het zo razend heerlijk is even een wereld ingedonderd te worden om er, een tikkeltje door elkaar geschud, weer uit te komen. Na tien minuten bekijk je alles toch weer een beetje anders. Een gemiddelde nieuwe roman kost in Nederland twee tientjes. Twee tientjes voor een goed verhaal is niks. Het verhaal gaat een leven lang mee. In een bundel staan er wel acht, soms wel twintig. Tel uit je winst. Lees dat genre, en betaal ervoor!

 

Vrouwen, Heidi Koren

Gelijkwaardigheid

Er is een nieuwe uitgeverij geboren, Chaos genaamd.

Chaos profileert zich als de enige feministische uitgeverij van Nederland en wordt geleid door drie dames. Hun eerste uitgave is een nieuwe vertaling van Virginia Woolf’s Een kamer voor jezelf. Prima keuze, lijkt me zo. Het boek wordt mooi ingeleid door een briefwisseling tussen Simone van Saarloos en Gloria Wekker. Ik zit ermee in mijn eigen gebouwde tuinkamertje, waar ik nu ook een lampje heb opgehangen zodat ik ’s avonds langer buiten kan lezen. Ik heb tegenwoordig meer dan één kamer voor mijzelf en heb daar bij tijd en wijle ambivalente gevoelens over, maar nooit over de tuinkamer. Die is van mij.

Er was een tijd dat ik met een heel gezin in één huis woonde. De man en ik waren beiden zelfstandig ondernemer, maar hij iets meer dan ik. Dat moet de reden zijn geweest dat, onbesproken, de enige vrije kamer in ons huis, zíjn werkkamer werd. Of het feit dat hij meer rommel om zich heen verzamelde dan ik, dat kan ook. Ik maakte er geen punt van, maar voegde me naar de omstandigheden, nam mijn laptop op schoot en zocht naar een vrije plek in huis om te kunnen werken. Totdat ik er ineens wél een punt van begon te maken, toen was de boot aan.

Op zeker moment ben ik begonnen mij af te vragen waarom hij de werkkamer had en ik de laptop op schoot. Waarom hij een nieuwe winterjas aanschafte als hij die nodig had en ik nog wel een jaartje langer kon met die van mij. Waarom hij.… De lijst bleek langer dan me lief was, en ineens zaten al die dingen me dwars. Het antwoord op de vragen was simpel. Hij handelde gewoon naar zijn behoeften terwijl ik vooral afstemde, aanpaste, aanvoelde en me voegde naar de mensen en de omstandigheden om me heen. Niet omdat ik mijzelf minder waard vond dan de rest van het gezin, niet omdat ik mijzelf niet serieus nam of mijn carrière van minder groot belang vond dan die van hem. Misschien wel omdat mij geleerd is rekening te houden met mijn medemens. De kans is aanwezig dat mij, als vrouw, geleerd is iets meer rekening te houden met mijn medemens, dan dat het mijn broers is geleerd. Aannemelijk is dat ik ben beïnvloed door de generaties vrouwen die mij voorgingen. Zeker is dat ik mij niet bewust ben geweest van het feit dat ik speelde ik een klein afgebakend veld van keuzeruimte, mij niet realiserend dat mijn werkelijke keuzevrijheid immens veel groter was dan dat waarvan ik gebruik maakte. Ik dacht volkomen vrij te kiezen, te beslissen, mij uit te spreken, maar realiseer mij nu pas dat ik begrensd ben zonder te weten waar de hekken staan.

We hadden de vraag welke plek zijn werkkamer zou gaan worden op honderd verschillende manieren kunnen benaderen. Te beginnen bij: wat hebben we allemaal nodig? Hoe kan een ruimte worden ingedeeld? Waaraan hebben we individueel behoefte? Het zou hebben geleid tot een andere inrichting van het huis dan gebeurd was na het stellen van de vraag: welke kamer wordt zijn werkkamer? Maar zelden nog geven we onszelf de ruimte om de situatie weer op nul te zetten bij het nemen van een beslissing. We borduren voort op het voorgaande. En als het grootste probleem in het vorige huis is geweest dat de man geen werkkamer had, zal het eerste dat wordt ingericht in het nieuwe huis een werkkamer voor de man worden. Is de vrouw het daarmee eens? Ja hoor. Wordt er nu voorbij gegaan aan andere behoeften? Jazeker en we zullen ze op deze manier niet eens ontdekken, want ze worden niet onderzocht.

Ik snap ineens waar de dames hun naam vandaan hebben. Soms is er chaos nodig om het tij te doen keren. Dat begreep Virginia  Woolf al toen ze nog rond draalde in de tuinen van Oxbridge. Ze wil de bibliotheek in maar wordt bij de deur tegengehouden door een ‘kleinerende, zilvergrijze, beminnelijke heer, die aangeeft dat dames alleen in gezelschap van een universiteitsdocent de bibliotheek mogen betreden’. Het is honderd jaar geleden. Het zou niet hebben uitgemaakt als Virginia was gaan stampvoeten of de man op zijn snuit had getimmerd. Ze zou de strijd hoe dan ook hebben verloren, maar ze heeft evengoed haar best gedaan.

De afgelopen week maakte het CPNB bekend dat het Boekenweekgeschenk zal worden geschreven door Jan Siebeling en het Essay door Murat Isik. Twee mannen gaan schrijven over het thema ‘de moeder, de vrouw’. Een slordige telling leert me dat sinds de komst van het Boekenweekgeschenk achttien vrouwen het cadeauboek van de CPNB hebben mogen schrijven tegenover zevenenzestig mannen. Voor het schrijven van het essay werden zes vrouwen uitgekozen tegenover vierentwintig mannen. Het is zowel een hooghartig als kortzichtige beslissing. Bij het nemen van deze beslissing is namelijk niets anders gedaan dan voortborduren op waar we al waren. Niemand is op het idee gekomen de lijn weer op nul te leggen, eens om zich heen te kijken, de wereld met frisse blik te aanschouwen en zich vers af te vragen: goh, het thema ‘de moeder, de vrouw’, wie zal dát boek nou eens moeten gaan schrijven?

 

Lief, Heidi Koren

De minnaar en ik spelen een potje Wordfeud. Ik vanaf mijn tuinbank, blote voeten op het krukje, glas witte wijn binnen handbereik. Het is eind april en al langer licht, zodat ik na mijn werk op deze plek nog net even het laatste stukje zon kan meepikken. Hoe de minnaar er 85 kilometer Noordwaarts bij zit, weet ik niet. Als ik het hem vraag, zegt hij ongetwijfeld; met mijn blote kont op de bank. Dat zegt hij altijd.

Als één van ons de moeite zou nemen naar de ander toe te rijden, zouden we écht kunnen scrabbelen. Het bord tussen ons in, mijn voeten op zijn benen. Ondertussen zouden we de dag doornemen, wat hij gedaan heeft, wat ik gedaan heb bla bla bla. We zouden voor het slapen gaan de hond nog even uitlaten, hand in hand misschien, thuiskomen en twee bekers thee mee naar boven nemen, ons uitkleden in de slaapkamer en naakt onder het dekbed kruipen. We zouden lieve woorden fluisteren in het pikdonker. Woorden die klinken als zacht, of fijn en jij. Korte woordjes. Wie weet wat daar allemaal weer uit voort zal komen?

In plaats daarvan, schuif ik het woord klootzak het digitale spelbord op. Ik pak daarmee zowel de twee-keer- als ook de drie-keer-woordwaarde en win er bijna zeker het potje mee. Ik stuur er meteen een berichtje achteraan; het is niet persoonlijk, maar het blijft stil.

Een bruine merel op mijn schutting fluit uitgebreid naar een zwarte merel op mijn schuurdak. Een lange zin is het. Het klinkt als; goddomme waar heb jij de hele dag uitgehangen? Hij begrijpt de boodschap en windt er geen doekjes om, vliegt op en landt naast haar. Nadat ze wat korte kwetteringen uitwisselen, vliegen ze op en verdwijnen achter de hoge conifeer van de buren.

De minnaar moet zeker tien minuten bijkomen van mijn honderzeventien punten. In de tussentijd nestelt dat woord klootzak zich in mijn hoofd. Ik vind de minnaar zeker geen klootzak, nog voor geen honderdzeventien punten. Ik vraag me af of ik geen ander woord van die letters had kunnen maken. Dan legt hij lief, voor vijf punten en dat is genoeg om mij op te doen springen. Ik zit binnen twee minuten in de auto en rijd Noordwaarts. Ik heb een uur de tijd om heel veel lieve woorden te bedenken.

 

‘Literatuur als avontuur’
Zo hebben wij de blog genoemd die maandelijks op onze website zal verschijnen. De door ons uitgekozen blogschrijvers zullen zes maanden lang hun ervaringen met de literatuur in Nederland en België onder woorden brengen. Het kan gaan over hun eigen schrijverschap, over boeken die iets bij hen teweeg hebben gebracht, over personen en gebeurtenissen in boekenland, over ontwikkelingen binnen de literatuur die ze hebben waargenomen, over stijl, over taal, over ideeën. Maar laten we het vooral aan de schrijvers zelf overlaten waarover hun blogs zullen gaan. Een avontuur moet het ook voor ons lezers blijven.
   De eerste in de reeks is Heidi Koren. Zij debuteerde in 2015 met de bundel Gedachten over een mogelijk einde bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Ze doceert creatief schrijven aan jong en oud, werkt in een boekhandel en schrijft momenteel haar afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam.
   Rob Verschuren is de tweede in deze reeks. Hij is auteur en copywriter en publiceert regelmatig in literaire tijdschriften, waaronder Extaze. In 2016 verscheen zijn verhalenbundel Stromen die de zee niet vinden, als derde uitgave in de Extaze-reeks bij uitgeverij in de Knipscheer. Zijn romandebuut Tyfoon verscheen in 2018 (uitgeverij In de Knipscheer).

 

 

Gepost in Extazeblog: Literatuur als avontuur, Home | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Lezing Stalker, Artien Utrecht

Lezing voor de presentatie van Extaze 29, 7 februari 2019.

De film Stalker uit 1979 van de Russische cineast Andrej Tarkovsky is in mijn beleving in de eerste plaats een dystopie.  Het is een aanklacht tegen de grondbeginselen en praktijk van de Sovjetmaatschappij in zijn nadagen. Een verborgen aanklacht, dat wel. Eentje waarover een deken van mysterie gedrapeerd ligt, waardoor de inhoud ervan voor vele interpretaties vatbaar is. Onder een totalitair regime waar maatschappijkritiek verboden is,  kan kunst een uitweg bieden. Kunst kan kritiek vertalen naar tijdloze allegorieën. Met de kracht van zijn poëtische beeld- en geluidstaal beheerste Tarkovsky deze kunst als geen ander. Maar niet slechts daardoor werden zijn films getolereerd en gefinancieerd. Dankzij zijn ongeëvenaard meesterschap en internationale faam genoot Tarkovsky een zekere artistieke vrijheid. Dit was een groot privilege in een land waar alleen de machtige staats-gedirigeerde filmindustrie besliste welke films het volk te zien kreeg en welke niet.  

Middelpunt van Stalker is De Zone, een door prikkeldraad omheind, militair bewaakt en strikt verboden gebied. Op overtreding staan zware straffen. Een gids, net als de titel van de film de Stalker geheten, smokkelt twee mannen De Zone in. Dit zijn de Schrijver en de Professor. Het doel van de reis is de wenskamer, een kamer waar eenieder die het hachelijke traject er naar toe heeft doorstaan zijn of haar meest innerlijke wens mag uitspreken. De twee reisgenoten van de Stalker hebben elk hun eigen motief om De Zone te willen bezoeken. De Schrijver is het nut van het schrijven kwijtgeraakt – misschien kampt hij wel met een writer’s block ; de Professor zegt als wetenschapper alles van het gebied te willen weten.

En voor de Stalker zelf, wat betekent De Zone voor hem? Waarom heeft hij zich toegelegd op deze ronduit gevaarlijke job als reisgids naar dit vreemde oord? Hij heeft uitoefening van dit beroep nota bene reeds eerder moeten bekopen met een gevangenisstraf. Van waar die hardnekkigheid om deze onderneming toch weer op te pakken?  De film licht langzaam een tipje van de sluier op over wat de Stalker bezielt. 

Voor de Stalker is De Zone een gebied van hoop. De Zone is immers alles wat de bewoonde wereld niet is. De Zone is niet de wereld van de afstompende industriële slavernij – het is niet de wereld waarin kunst alleen mag bestaan in dienst van het collectief beleden vooruitgangsgeloof . De Zone is niet de wereld waar  menselijke dromen en verlangens als nutteloze hersenspinsels worden weggehoond, omdat ze buiten de officieel verklaarde waarheid vallen – het is niet de troosteloze omgeving van rokende fabriekspijpen, kale huizen en het zware gedender van voorbijrijdende treinen.  De Zone is niet sepia bruin, De Zone is bladgroen, stil en tegelijkertijd spannend, het prikkelt de ziel en wekt diepliggende aspiraties van de mens tot leven.     

>> FILMFRAGMENT: reis in karretje op rails, aankomst in De Zone met MUZIEK van Mensimonis

De Zone, groen en sereen. Maar … is dat wat we ook zien? Het land glooit, overdekt met weelderige struiken, groepen bladrijke bomen staren de bezoekers minzaam aan. Vogels tsjilpen, uit de verte is het geroep van een koekoek te horen. Een hond huilt. Maar verder is het stil. Op de voorgrond steken scheve elektriciteitspalen uit het groen omhoog. Met iedere stap dieper De Zone in openbaart zich een nieuw element dat verbaast en bevreemdt. Onder het woekerende struikgewas doemen vormen op die herkenbaar zijn als overgebleven wanden van een gebouw, een legertank, een berg oud ijzer, resten van een uitgebrande auto. Overal liggen grote plassen water. Het is een post-apocalyptisch landschap, ontwricht door een ongenoemde ramp; sommigen beweren dat het de inslag van een meteoriet moet zijn geweest. Het landschap is ook fluïde, het lijkt voortdurend te veranderen. Wat de camera op het ene moment registreert als een ruïne is het volgende ogenblik verdwenen achter een dikke laag mist. Een enkele keer steekt er op de voorgrond een fikse wind op, maar de takken van de bomen verder weg blijven roerloos. Er lijkt een constant geluid van stromend, soms druppelend water te zijn, maar het kolkend geraas van een waterval horen de mannen niet aankomen.  De wilde watermassa overvalt hen, en de kijker. Als de camera over het oppervlak van zacht stromend water heen beweegt zien we op de bodem vreemde voorwerpen liggen: een koperen huls, een injectienaald, nog een injectienaald, een beeld van Jezus. Er hangt een waas van verraderlijkheid over De Zone. Hoe paden lopen is niet duidelijk, soms lossen ze in het niets op. Volgens de Stalker mag de wenskamer niet langs een direct pad worden genaderd. En, zegt hij, de wetten van De Zone bepalen dat er nooit naar een plek langs dezelfde weg teruggekeerd mag worden. De wetten van De Zone..? Alleen hij, de Stalker, kent de nukken van dit gevaarlijke oord. Voordat een pad wordt bewandeld, wordt de veiligheid ervan getest door het vooruitwerpen van een metalen gewicht: drie ijzeren moertjes elk gewikkeld in een stoffen band.   

Verontrusting tekent het gelaat van de Stalker.  Maar het is niet de onheilspellende omgeving die hem zorgen baart. Het zijn de reacties van zijn reisgenoten op zijn bespiegelingen over de zin en mysteries van het leven. ‘Niet alles wat we zien en ons diep in het hart raakt is verklaarbaar’, daar gaat het hem om. De Professor doet zijn overpeinzingen af als stom bijgeloof; de Schrijver geeft met zijn eindeloos geratel blijk van een uiterst nihilistische levensvisie. Geloven deze mannen nog wel ergens in?

Wanneer de drie reizigers zich door een manshoge betonnen pijp of tunnel bewegen doen ze dat sluipend, halthoudend bij iedere bocht, erop beducht plotseling te worden overvallen door iets dodelijks. Het volgende ogenblik waden ze tot borsthoogte door water dat oogt als chemisch of radioactief afval.

De wenskamer is niet ver meer. De mannen staan al discussiërend in een ruimte waar een gloeilamp brandt. Kennelijk is er elektriciteit op deze plek in de onbewoonde Zone. En dan begint plotseling een telefoon te rinkelen.  Is Big Brother watching?

Op de drassige drempel van de wenskamer wordt de dialoog tussen de mannen stekeliger, soms ronduit agressief.  De Stalker somt nogmaals de zegeningen van de wenskamer op. Wie gaat als eerste naar binnen? De Schrijver weigert pertinent, schreeuwend dat er niets te wensen valt. Intussen blijkt de Professor geen geheimen te hebben. Hij draait een nummer op de telefoon – het apparaat dat we eerder hoorden rinkelen – en roept in de hoorn iets over een bunker, bunker nummer 4. Uit zijn rugzak haalt hij een metalen buis die op een bom lijkt. Heeft de Professor soms instructies gekregen om de wenskamer op te blazen? Gelukkig laat hij het afschuwelijke wapen, een twistwoordenwisseling verder, het water in zakken. De Schrijver duwt in grote woede de Stalker de waterplas in. Die richt zich proestend uit de plas op en vervalt in een lange hartverscheurende jammerklacht.

De beelden in Stalker zijn niet in een keer zien te bevatten. Evenals De Zone voor de drie mannen steeds verandert, lijkt de film bij iedere kijkbeurt weer anders te zijn. Enkele scenes die zich bij de eerste keer kijken op mijn netvlies hadden gebrand waren bij de volgende keer verdwenen. Waar is het houten kruis op de bodem van de vijver gebleven? En omgekeerd, ontdekte ik bij de volgende keer scènes die mij eerst helemaal niet waren opgevallen. Zoals een roodgloeiend houtskoolvuurtje waarlangs de mannen lopen; en de vrouwelijke stem aan de andere kant in het telefoongesprek die de Professor voert.    

De dystopie die Stalker is werpt zijn blik naar het heden van de film. Maar soms blikt het ook terug naar het verleden. De Schrijver zegt dat de betonnen tunnel waar ze doorheen lopen hem doet denken aan de beruchte ‘gehaktmolen’, ongetwijfeld een martelwerktuig uit de tijden van de goelag. Herinnering aan dat gewelddadige verleden leeft voort in het heden, waar de realiteit van alledag kennelijk geen mysteries meer toelaat.  Gebroken door zijn mislukte missie naar de wenskamer, huilt de Stalker – koortsig op bed – zijn schrijnende desillusie uit bij zijn liefhebbende vrouw. De wenskamer is voor hem het ultieme bewijs dat God bestaat. Maar hij lijkt de enige overgebleven gelovige te zijn. Als zelfs zij die de gevaarlijke tocht door De Zone hebben getrotseerd weigeren de wenskamer te betreden, wat blijft er dan nog over aan menselijke spiritualiteit  in deze harde wereld waar de geest gedwongen wordt te dolen in pure rationaliteit?  

Tot slot. Stalker gaat ook over de donkere zijde van ongeremde technologische vooruitgang. Want wat kunnen we zeggen over de post-catastrofale aanblik van De Zone? Wat als de ramp die de menselijke habitat in De Zone verwoestte nou geen meteorietinslag was geweest, maar een nucleaire ramp? Ook de Professor betwijfelt of het werkelijk een meteoriet was. Mensen werden geëvacueerd, velen werden ziek en gingen vroegtijdig dood, zo weet hij. En, vertelt hij aan de Schrijver op het moment dat de gids zich een ogenblikje van hen heeft afgezonderd, er wordt gefluisterd dat de dochter van de Stalker slachtoffer is van diezelfde ramp – ze is kreupel, ze kan niet lopen.

Toen de film werd gemaakt was het publiek geheim dat al in de jaren vijftig een verafgelegen industriestad werd getroffen door een explosie van dodelijke gassen. Het is de stad Ozyorsk, die onmiddellijk moest worden verlaten en sindsdien van alle beschikbare landkaarten is gewist.

De dystopie Stalker werpt ook zijn blik vooruit. De Zone prijkt op de eerste pagina van een recent boek over Chernobyl, de kernramp die zeven jaar na de productie van de film plaatsvond. Op die pagina beschrijft  de auteur van het boek, een zekere Serhii Plokhy, zijn bezoek aan het gewezen rampgebied. Hoe dit gebied er ligt, in 2016, doet de auteur onmiddellijk aan De Zone uit Stalker denken: een bijna verstild stuk land, onwerkelijk, dreigend en mysterieus.  

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Manuel Kneepkens, De eerste leeservaring…

…en de latere ervaringen: Karl May, Ovidius Naso en Bordewijk

Lezen leerde ik in de eerste klas van de RK lagere school Maria onbevlekt ontvangen in Terwinselen, het ‘kolendorp’, behorend bij de Staatsmijn Wilhelmina.
Een zwarte jeugd is een ‘writers goldmine’ …
     Mijn jeugd was zelfs tweemaal zwart. Behalve het zwart van de Mijnstreek ook nog eens het zwart van het (dogmatisch) Rooms-Katholicisme van de jaren vijftig in Limburg.
     En wat blijkt? Ik ben wel uit de Mijnstreek vertrokken, maar daarmee is de Mijnstreek nog niet uit mij vertrokken. Integendeel. De Mijnstreek ‘achtervolgt’ me, zelfs tot in het hartje van Rotterdam

Want ook Sjarel Ex, de huidige directeur van het Ex-Boymans van Beuningen, stamt uit dat ‘kolendorp’ Terwinselen. En dat is te merken. Wie het museum bezoekt – bezocht moet ik zeggen, want het is zojuist voor zeven jaar gesloten – diende zijn jas precies zo op te hangen als de kompels van de Staatsmijn Wilhelmina dat in de jaren vijftig deden: hun plunje met een ketting optrekkend tot aan het plafond.
     Het kunstwerk de ‘Merry-go-round coat track’  van Studio Wieki Somers deed in het museum dienst als ‘de garderobe’. Maar ik weet wel beter. Ex is net als ik een Terwinselaar, een Winseler Boy. Directeur van het Winseler Boymans.

In de eerste klas van mijn lagere school kreeg ik les van Juffrouw Haenen. Een gemakkelijk baantje was dat niet. Ze had met maar liefst veertig  kinderen te stellen!
     Het was de tijd van de grote gezinnen. De katholieke gelovige was immers voorbehoedmiddelen streng verboden en dat had zo zijn gevolgen.  
     Die klas bestond louter uit jongens! De meisjes hadden hun eigen lagere school.

En wat was nu die eerste leeservaring van mij?  
     Op weg van school naar huis kwam ik langs een duister café dat Heiligers heette, naar de eigenaar. Dat ‘Heiligers’ las ik, gebrekkig spellend scholiertje dat ik was, als ‘Heiligen’. En daarmee had ik als braaf katholiek jongetje meteen een probleem.  Want hoe konden heiligen een café runnen’? Cafés waren ons toch door de kapelaan in de godsdienstles afgeschilderd als ‘poelen des verderfs’?
     Hetzelfde gold trouwens voor bioscopen, in de Duits georiënteerde Mijnstreek Kinos geheten. De angstaanjagende vermaning ‘daar schuilt de duivel achter het doek’ herinner ik mij nog goed.

Het lezen kreeg ik steeds meer onder de knie. Daar hielp het verlangen om de tekst onder de tekeningen van de Tom Poes-strip in de avondkrant te kunnen ontcijferen natuurlijk sterk aan mee. Marten Toonder’s Tom Poes-strip ben ik trouwens heel mijn leven trouw gebleven.
     Het is geen toeval dat hier in Rotterdam, tussen Station Blaak en de Markhal, het  monument ‘Hommage aan Marten Toonder’ staat. Het is er gekomen dankzij een motie van ‘mijn poëtische partij’, de Stadspartij.
     Jaarlijks wordt Marten Toonder daar op 2 Mei herdacht met een kleine voorleesmanifestatie, waarna in de Centrale Bibliotheek aan de Hoogstraat de traditionele  Marten Toonder-lezing wordt gehouden Dit jaar zal Toonder’s biograaf Wim Hazeu zich van die taak kwijten.

Als kind moest ik dagelijks naar de H. Mis. Mijn kindermissaal eindigde met de  onsterfelijke zin: Kinderen, bidt nu eens braafjes voor Piet Worms en Bertus Aafjes …
Piet Worms was de tekenaar en Bertus Aafjes de tekstschrijver van Het Kinderkerstboek waaruit werd voorgelezen èn… de eerste dichter die ik in mijn leven ontmoette.
     Aafjes bewoonde de Ronde Toren van kasteel Hoensbroek. Het kasteel werd namens de Staatsmijnen, de eigenaar, beheerd door een stichting, waarvan mijn vader de penningmeester was. Steevast placht de dichter zich bij ons thuis te beklagen over de ‘middeleeuws barbaarse’ koude van zijn woning, die helaas niet warm te stoken was.

’s Zondagmiddags mocht ik naar de RK dorpsbibliotheek om mijn almaar groeiende leeshonger te bevredigen. Ik koos dan boeken uit waarmee ik me lang kon bezighouden. Dikke boeken dus.
     Favoriet was de Winnetou-serie van Karl May. Goede tweede was, van dezelfde auteur, Kara Ben Nemsi, een boek dat zich geheel en al afspeelt in voorheen het Ottomaanse Rijk. Deze verhalen over de moslimwereld las ik met rooie oortjes, nog geheel onwetend van het feit dat ik jaren later, als raadslid in Rotterdam, nog héél veel met die wereld te maken zou krijgen.

Op het gymnasium, het RK Bernardinuscollege in Heerlen, kwam ik voor het eerst diepgaand in aanraking met poëzie. Als gymnasiast las je immers de klassieken: Homerus’ Ilias en Odyssee, de Metamorfosen van Ovidius.
     Met mijn medeleerlingen Harrie Geelen en Pé Hawinkels vormde ik de redactie  van het schoolblad Binden & Bouwen. Mijn literaire carrière is daar begonnen.
Harrie Geelen is later landelijk bekend geraakt door zijn kinderseries op tv, zoals Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer? en zijn scenario voor de Bommelfilm Als u begrijpt wat ik bedoel.
     Pé Hawinkels maakte in Nijmegen furore als dichter en jazz-en popcriticus en als vertaler van Der Zauberberg van Thomas Mann. De Nijhoffprijs daarvoor werd hem onthouden omdat hij de roman te vrij vertaald zou hebben. Onterecht. Dat vind ik nog steeds.
     Hij is op jeugdige leeftijd (vijfendertig jaar jong) gestorven.

De vakken Engels, Duits en Frans leverden uiteraard nieuwe leeservaringen op.
De Engelse literatuur sprak me het meeste aan. Dat kwam mede doordat mijn vader een serie Penguin- en Bantampockets bezat waar ik gretig gebruik van maakte. Vooral Brideshead Revisited van Evelyn Waugh maakte grote indruk op mij. Die roman is later nog eens subliem verfilmd als BBC tv-serie. Mijn keuze voor Leiden als studiestad heeft met dat boek te maken. Want Leiden lijkt van alle Nederlandse Universiteitssteden het meest op het Oxford van Evelyn Waugh. Ook meer sociaal en politiek geëngageerde schrijvers als Aldous Huxley en George Orwell wist ik te vinden in de boekenkast van mijn vader.
     Met de Franse literatuur ging het wat stroever. Met veel animo las ik La Peste van Albert Camus, maar makkelijk ging dat niet.
     Van de Duitse schrijvers was Stefan Zweig mijn favoriet. Ik kon maar niet begrijpen dat hij zelfmoord gepleegd had, zoals op de achterflap van Die Schachnovelle te lezen stond. Schrijver leek mij het mooiste beroep ter wereld. Hoeveel mensen kon je niet gelukkig maken met een mooi boek? Meer en meer kwam bij mij de gedachte op om schrijver te worden
     Het vak Nederlands is uiteraard ook belangrijk voor mij geweest. Mijn keuze voor de rechtenstudie heeft daar zelfs min of meer mee te maken. Onder de literatoren van die tijd bevonden zich namelijk nog veel juristen, de dichters Marsman, Nijhoff en Bloem en de prozaschrijver Bordewijk, bijvoorbeeld. Van de laatste maakt vooral het boek Apollyon grote indruk op mij.
     Uit dat boek trok ik de conclusie, dat het mogelijk was om zowel jurist te zijn als literator. Die conclusie bleek onjuist. Althans voor onze tijd.
     Als bijvak had ik criminologie gekozen. Ook dat had literaire redenen gehad. Die tak van wetenschap werd in Leiden namelijk gedoceerd door Willem Nagel, die onder de naam J.B. Charles. De roman Volg het spoor terug had geschreven. Op het Criminologisch Instituut werkte ook Ronnie Dessaur, alias Andreas Burnier. En alsof dat nog niet genoeg was, bleek dat het vak ‘criminologie’ in Nederland was opgezet door de literatoren Arnold Aletrino en zijn vriend, de dichter Jacob Israël de Haan. Maar vandaag de dag is er nog maar één jurist, die poëzie schrijft… Eenmaal raden wie.  
     Het is helaas niet anders. Hoe is dat zo gekomen?
Wijlen de criminoloog-schrijver Herman Franke schreef daar het volgende over:
‘Juristen moeten vandaag karrevrachten arresten en vonnissen verwerken.
Processen voeren is in Nederland nu eenmaal een populaire tak van sport. Het Europese Hof met zijn uitgebreide jurisprudentie is daar nog bij gekomen.
Misschien wordt er nu en dan nog door juristen een roman gelezen, maar geschreven… Die tijd is voorbij. Voor criminologen valt ongeveer eenzelfde verhaal te vertellen. Ook veel te druk met hun vak.’
Waarvan akte.

Gepost in Columns, Geen categorie, Home | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Theo Stokkink, Zwijgplicht door Arjen van Meijgaard

Lees hier de recensie.

Zwijgplicht

 

 

 

 

 

 

 

recensie

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 29,
de nabeelden

Donderdagavond 7 februari werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een strakke, hoekige en trefzekere avond, rood en zwart van kleur en aanzwellend tot hard van klank, een aanvulling op de rode draad van nummer 29: ‘Blokken’.

Het programma:
Inleiding
Klaas Trapman (orgel)
Boris van Meurs (lezing)
Jeanet Kingma (poëzie)
Mensimonis: Radboud Mens, Lukas Simonis (muziek/geluid)
Eddie Kagie (monoloog)
Artien Utrecht m.m.v. Mensimonis
(de film ‘Stalker’ in woord, beeld en geluid)
Hier kunt u de lezing nog eens nalezen.
Eddie Kagie/Mensimonis
Beelden: Viktor Hachmang
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Fotografie: Eric de Vries.

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Presentatie poëziebloemlezing 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien in beeld

Het literair tijdschrift Extaze vierde de poëzieweek 2019 met de uitgave van de poëziebloemlezing 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien.
      De presentatie van de dichtbundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien was op zaterdag 2 februari 2019 in Boekhandel Douwes, Herengracht 60, Den Haag.
      Er waren korte optredens van Rutger H. Cornets de Groot (de schrijver van het inleidend essay) en de dichters Estelle Boelsma, Daniel Bras, Dorien Dijkhuis, Arnold Jansen op de Haar, Heidi Koren, Hanz Mirck, Maria van Oorsouw, Lisa Rooijackers en Merel van Slobbe.
      De bundel, op bijzondere wijze vormgegeven en geïllustreerd door Els Kort, is een uitgave van Extaze/Uitgeverij in de Knipscheer en werd mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds. 10 voor 10 is te koop of te bestellen bij de boekhandel.

Fotografie: Eric de Vries

Gepost in Geen categorie, Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Filmpje! presentatie 10 voor 10

De inleiding van Rutger H. Cornets de Groot bij de presentatie van de poëziebloemlezing: 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien, in boekhandel Douwes te Den Haag op 2 februari 2019. Film: Peter Abelsen.

 

cover 10 voor 10

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Ilona Verhoeven, In het licht door Cor Gout

Lees hier de recensie.

In het licht, Ilona verhoeven

 

 

 

 

 

 

 

 

de recensie

 

 

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie: Josse Kok, Probeert u het later nog eens

Lees hier de recensie.

Josse Kok

 

 

 

 

 

 

 

 

 

recensie.

Gepost in Home | Plaats een reactie

Ondermijning van een fantasie, door Harold Kerkhof

Al minstens tien jaar bezoek ik iedere vrije dag een hipster koffietentje, soms wel drie achter elkaar. Ik probeer uit te stralen dat het me om de ontspanning gaat, een moment voor mezelf als ontsnapping uit een druk en hectisch bestaan: cappuccino, stukje cheesecake, krantje lezen en vol verwondering kijken naar de wereld om mij heen. En het is niet zo dat ik dat gevoel volledig in scène zet, maar stiekem hoop ik telkens op een eenmalige seksuele uitspatting met een onbekende vrouw.
Als ik me bewust word van dit verlangen komt er in gedachten altijd een oude studievriendin op bezoek. Het is niet altijd dezelfde maar wel iemand met wie ik al jaren geen contact meer heb. Ze vindt het nogal van me tegenvallen dat ik me wil verlagen tot een anonieme neukpartij. Met een lach vol harde spot vraagt ze: ‘Wat is daar nou leuk aan?’
Ik oefen een verdediging: ‘ik kan erover fantaseren maar dat betekent nog niet dat ik écht wil dat het gebeurt.’ En om mijn woorden kracht bij te zetten verwijs ik naar de boeken van Nancy Friday waarin de meest extreme seksuele fantasieën van vrouwen worden beschreven zonder dat zij die daadwerkelijk willen beleven. ‘Niks vrouwelijks is mij vreemd,’ vervolg ik in een poging om haar te laten lachen.
Maar ze laat het er niet bij zitten: ‘Hoe stel jij je dat dan voor, die seksuele uitspatting?’
Nu denk ik aan een jonge vrouw die al een zekere geilheid voelt sinds ze vanochtend uit bed is opgestaan. Ze heeft haar azuurblauwe jurk aangedaan en zit in hetzelfde koffietentje als ik wat te scrollen op haar smartphone. Zonder erbij na te denken kijkt ze me aan. Plots is de zelfbeheersing die haar gewoonlijk zo kenmerkt verdwenen. Dat is niet omdat ik zo’n aantrekkelijke man ben, haast ik me om te zeggen, maar het gaat om een onverklaarbare opwinding die bijna op haar hoogtepunt is wanneer ik bij toeval in haar blikveld verschijn. Haar blik beantwoorden door niet weg te kijken is voldoende. Dat heb ik geleerd van een versiervideo op internet: nooit wegkijken als een vrouw naar je kijkt, want dan vindt ze je niet meer waardig.
‘Kijk jij dat soort filmpjes op internet?’ vraagt mijn vriendin. De spot is nog niet uit haar blik verdwenen. Even overweeg ik om mijn excuses aan te bieden, maar ik houd me in en vervolg mijn verhaal.
Terwijl de vrouw naar de wc loopt, wenkt ze mij. Aanvankelijk durf ik geen betekenis in haar gebaar te zien maar ik kijk haar nieuwsgierig toch na. Echt waar, met mij? vraag ik me verbaasd af. Maar als ik haar door een kier van de wc-deur naar me zie kijken, begrijp ik dat het echt is. Even twijfel ik nog: ik wil niet dat ze dadelijk de deur voor mijn ogen dicht gooit en mij hoorbaar lachend belachelijk maakt voor de hele zaak. Maar mijn libido wint het van mijn twijfel. Ik sta op van mijn tafeltje en ben me zo bewust van mezelf dat het lijkt alsof al mijn ledematen een eigen leven leiden. Lijkt alsof, zeg ik tegen mezelf, het is niet echt, en zo krachtig mogelijk beweeg ik mijn benen naar het toilet. Zij houdt de deur voor mij open en doet deze achter mij op slot.
‘Op de wc? Echt waar? Dat is echt smerig.’ Ik negeer de gespeelde walging in de blik van mijn vriendin en vertel door.
Even kijken we elkaar aan: zij omhoog en ik omlaag. Ze heeft lang donkerblond haar, is slank maar heeft onmiskenbaar vrouwelijke vormen. Haar jurk valt tot op haar knieën en daaronder zie ik een paar stoere laarzen. We zijn ons bewust van onze situatie: twee onbekenden in een wc-hok met het duidelijke doel om te neuken. Ik zie haar denken: ik kan nu nog ‘sorry’ zeggen en weglopen. Het is van belang om initiatief te nemen, denk ik op mijn beurt met in mijn achterhoofd een andere video over vrouwen versieren, en ik breng mijn lichaam en gezicht dichter bij haar om haar te zoenen. Nu kan ze zich niet meer beheersen en als een magneet klappen haar lichaam en lippen tegen de mijne.
Het is al snel tijd voor de volgende stap. Ik zou nooit hebben gedacht dat orale bevrediging van de vrouw in zo’n kleine ruimte tot de reële mogelijkheden behoort, maar ik zag recentelijk op Netflix de film Catching feelings waarin een man op zijn knieën gaat voor een vrouw in een lift. Nu is een wc-hok meestal nog iets kleiner dan een lift en staat er ook nog eens een wc-pot in het midden, maar ik zou dus na de eerste zoenen het initiatief kunnen nemen om – terwijl mijn handen haar borsten en middel strelen en kneden – op mijn knieën te zakken, haar jurk omhoog te doen, haar slipje omlaag en met mijn mond haar vagina op te zoeken en daarna met mijn tong haar clitoris. Voor mij is cunnilingus een vanzelfsprekende activiteit voor aanvang van de daadwerkelijke seksuele gemeenschap. Behalve dat het meestal een fijne activiteit is, ontslaat het me ook van schuldgevoelens die ik weleens rond mijn eigen orgasme heb. Als ik (te) snel klaarkom, kan ik mezelf sussen met de gedachte dat ik haar daarvoor gelukkig al oraal heb bevredigd. En als de ejaculatie (te) lang op zich laat wachten of helemaal uitblijft, is de impliciete boodschap dat dit heus niet komt omdat ik haar niet opwindend of leuk genoeg vind: ik heb net immers bewezen niet vies te zijn van haar meest intieme lichaamsdeel.
Desondanks denk ik dat ik die orale route beter niet kan volgen bij zo’n anonieme neukpartij. Het zou een intimiteit suggereren die wellicht als ongewenst zal worden ervaren. Toch beweeg ik uit dankbaarheid voor de overige aan mij geboden mogelijkheden mijn mond voorzichtig in de richting van haar kruis, waarbij ik dus hoop dat zij vol waardering voor mijn bereidwilligheid aangeeft dat ik daar niks te zoeken heb en gewoon weer rechtop kan komen staan. Hoe doet ze dat? We hebben tot dit moment nog geen woord met elkaar gesproken. Ik vind dat wel fijn en ik hoop dat zij dat ook zo ervaart. Is het redelijk om te verwachten dat zij haar beide handen onder mijn kin vouwt en daarmee een opwaartse beweging maakt om zo met mij te communiceren dat ze nu liever niet gebeft wordt? Ik ben dankbaar dat ik van deze taak word ontheven, maar ken mijn verantwoordelijkheid en laat daar verder niks van merken. Misschien speel ik zelfs een beetje teleurstelling.
Een snelle verkenning van de genitaliën met de hand is weliswaar niet noodzakelijk maar ook niet onlogisch. Mijn hoop is dat ze zelf het initiatief neemt om mijn riem en gulp te openen. Dan kan ik onder haar rok met mijn hand op zoek naar haar vagina. Ik heb me ooit laten vertellen dat met name de clitoris een behoorlijk gevoelig lichaamsonderdeel is en dat een droge mannenvinger daarop behoorlijk ruw kan aanvoelen. Mijn gewoonte is om dan eerst mijn vinger te bevochtigen met haar vaginavocht om daarna pas de clitoris te masseren, maar ik moet niet vergeten dat ik hier met een onbekende vrouw te maken heb. Wat doe ik als er geen of onvoldoende vaginavocht is? Nu heb ik op diverse video’s gezien dat mannen dan hun vingers in hun mond stoppen om ze op die manier nat te maken. In die video’s lijken die vrouwen dat gebaar wel te kunnen waarderen, maar ik associeer het inmiddels te veel met gespierde en getatoeëerde pornosterren die hun gezichten zo verkrampen dat ze er tegelijkertijd opgewonden en kwaad uitzien. Ik heb die blik weleens in de spiegel geprobeerd na te doen, inclusief het bevochtigen van mijn vingers in mijn mond, maar ik achtte mezelf geen moment geloofwaardig. Sterker nog, ik ben bang dat deze blik en dat gebaar op de lachspieren van mijn wc-partner zullen werken. Nu denk ik dat humor en seks zeer goed samen zouden kunnen gaan maar daar op de wc zal ik dat toch teveel als uitlachen interpreteren. Misschien realiseert zij zich al lachende dat zij de verkeerde man heeft uitgekozen voor deze wc-sessie. Of iets minder vernietigend: dat zo’n neukpartij op de wc eigenlijk niks is voor haar. Nee, nu moet ik lachen en humor zien te voorkomen. Als zij haar blik afwendt, bijvoorbeeld naar beneden om de anatomie van mijn erectie te bestuderen, steek ik snel twee vingers in mijn mond om ze daarna – vochtiger dan strikt noodzakelijk, zodat ik deze beweging niet nog eens hoef te doen – naar haar clitoris te brengen.
Mijn broek en onderbroek hangen inmiddels op mijn enkels of ergens daarboven en haar jurk is naar boven getrokken tot op haar heupen. Ze blijkt beter voorbereid dan ik en haalt een condoom tevoorschijn. Verstandig! Ik zou er haar dankbaar voor moeten zijn. Maar op dat moment lukt het me maar nauwelijks om mijn teleurstelling te verbergen. Condooms lijken bij mij toch het een en ander af te knellen waardoor ik moeilijker of helemaal niet tot een orgasme kom. En terwijl ik daar zo aan het zoenen, strelen en vingeren ben, maakt zich sowieso al een zekere prestatiedruk van mij meester en vraag ik me al af wat ik moet doen als ik dadelijk niet klaarkom. Maar ik heb geen redelijke argumenten om het pakketje te weigeren.
Mijn oude studievriendin heeft gezelschap gekregen van een paar oude bekenden, allemaal vrouwen uiteraard. Ze kijken me boos aan. Sterker, ze zijn hun woede maar nauwelijks de baas omdat ik niet even zelf heb gezorgd voor een condoom en er ook zo afwijzend op reageer. Eentje roept met instemming van de anderen: ‘Je bent een seksistisch varken met nul verantwoordelijkheidsgevoel.’ Ik voel me ineenkrimpen tot een jongetje van acht jaar, dat met gebroken stem probeert uit te leggen dat zijn volwassen alter-ego al meer dan tien jaar op iedere mogelijke vrije dag koffietentjes bezoekt in de hoop op een vluchtige seksuele ontmoeting. In het begin had hij nog weleens een condoom op zak maar inmiddels hield hij er geen rekening meer mee dat het ooit echt zou gebeuren. Maar de blikken in de kring blijven streng en boos, en het feit dat ik een minderjarige mijn zaak laat bepleiten maakt de situatie er niet beter op.
Deze interventie kan ik er nu niet bij hebben, bedenk ik me terwijl ik aan het klooien ben met het condoom. Het licht is gedempt, dus het is me niet direct duidelijk aan welke kant ik het rubber kan afrollen. Ik blaas er van beide kanten tegenaan maar ben te ongeduldig om het te zien, en mijn erectie begint te verdwijnen.
Maar dan denk ik aan de cursus mindfulness die ik een jaar geleden volgde. Ik nodig mijn trainer ook even uit om erbij te komen staan. Ze zegt: ‘Je gedachten en je angsten zijn geen feiten. (pauze) Het zijn voorbijgaande gebeurtenissen. (pauze) Zie ze als boten die langsvaren terwijl jij ze aandachtig observeert vanaf een bankje langs de oever (pauze), zonder erover te oordelen. (pauze) Ga niet mee in hun verhaal. (pauze) In plaats daarvan breng je je aandacht – vriendelijk maar gedecideerd – bij je ademhaling.’ Ik doe wat zij zegt: ik kijk zo liefdevol mogelijk naar mijn achtjarige ik totdat hij verdwijnt. En ik adem. Dadelijk nog wel even checken of de deur van het wc-hokje wel op slot is. En ik adem. En dan die boze vriendinnen. Ik kijk ze één voor één aan, en adem. Ze zijn al snel verdwenen.
Mijn fantasievrouw is inmiddels een beetje ongeduldig geworden. Gelukkig is mijn penis weer hard en het condoom rolt er soepeltjes op af. Tijd om te penetreren.
Misschien heb ik een gebrekkige fantasie, maar het aantal standjes in een wc-hokje is volgens mij beperkt tot drie. Bij de eerste buigt de vrouw zich naar voren en geeft zo de man die achter haar staat toegang tot haar vagina. Ze leunt met haar handen tegen de muur of de stortbak om niet om te vallen. De grote uitdaging bij dit standje is om penis en vagina op dezelfde hoogte te brengen en dat is met mijn lengte van één meter negentig niet makkelijk. Nu ben ik natuurlijk niet te beroerd om door mijn knieën te gaan, maar naarmate het lengteverschil met de vrouw groter wordt, zal dit een steeds vermoeiender houding zijn die het seksuele genot niet ten goede komt. De vrouw kan dit deels compenseren door op haar tenen te staan, maar dat zie ik als het verleggen van het probleem van de man naar de vrouw. Ik ben van mening dat een vrouw het recht heeft op volledige lichamelijke ontspanning als zij een penis toelaat in haar lichaam. Terwijl ik me dit bedenk, roep ik nog even de boze vriendinnen in gedachten op, in de hoop op wat mededogen.
In het tweede mogelijke standje is de man volledig op de knieën gegaan voor de wc-pot. De vrouw zit achterover op de pot met haar heupen naar voren gebogen om de man toegang te verschaffen tot haar lichaam. Ik zou dit standje nooit bedacht hebben als ik het niet een keer heb gezien in de Duitse film Der bewegte Mann. Zelfs daarna vond ik het standje onwaarschijnlijk, omdat ik me niet kon voorstellen dat mijn penis bij een kniezit op exact de juiste hoogte zou komen. Als veldonderzoek ben ik weleens voor diverse wc-potten op mijn knieën gegaan, waarbij het mij is opgevallen dat de meeste moderne potten precies de juiste hoogte hebben voor mij. Oudere exemplaren zijn steevast te hoog, evenals de hangende. De historische verlaging van de wc-pot is helemaal niet logisch, bedacht ik me nog dikwijls: voor oudere en gebrekkige mensen is het moeilijker om op te staan uit lage potten en er zullen meer spetters over de rand verdwijnen als een man staand plast, wat ondanks talloze smeekbedes van vrouwen nog steeds de mannelijke norm is. ‘Ik plas trouwens zittend,’ zeg ik tegen tegen mijn boze vriendinnen, weer in de hoop op wat mededogen.
We beginnen met standje drie, in mijn beleving de meest logische en natuurlijke, zeker omdat we toch al tegenover elkaar staan. Ik zak lichtjes door mijn knieën en breng mijn penis voor de ingang. Terwijl ik binnenkom ga ik langzaam rechtop staan en til met mijn handen onder haar billen haar lichaam tegen de muur omhoog. Als mijn knieën bijna recht staan (met de nadruk op bijna: het is niet goed om je benen te overstrekken), kunnen mijn heupen de beweging maken waardoor mijn penis heen en weer gaat in haar vagina. Hoewel de muur mij helpt bij het dragen van haar lichaam wordt ze na een poosje wel behoorlijk zwaar, waarschijnlijk te zwaar om dit standje vol te houden tot het orgasme. De vrouw in mijn wc-fantasie is weliswaar niet dik, maar zeker ook niet klein en tenger. Ik hoop dus dat ze ook een beetje rekening met mij houdt en in ieder geval met één hand op zoek gaat naar een plek op de wc waaraan ze zich kan vastklampen om mij te ontlasten. De stortbak? Het randje van de deurpost? De andere hand kan dan om mij heen geslagen blijven, dat vind ik wel fijn.
Terwijl we daar zo bezig zijn, slaat de ejaculatiespanning in alle hevigheid toe. Hoe snel wordt het als redelijk ervaren om een hoogtepunt te bereiken? Eén minuut lijkt me rijkelijk kort. Twee minuten vind ik voor zo’n wc-sessie toch al behoorlijk lang. Zo rond de anderhalve minuut begin ik me al zorgen te maken dat het niet op tijd gaat lukken, en daarbij begint ze toch ook al wat zwaar te worden. Bovendien begin ik bang te worden dat ze het helemaal niet meer zo prettig vindt. En hoe lang zou de barrista van dienst ons onze gang nog laten gaan? Wanneer zou hij boos – en misschien ook een beetje jaloers – op de deur gaan bonken en schreeuwen dat het hier niet het Amsterdamse bos is?
Door het inhouden van mijn adem probeer ik mijn ejaculatie te bespoedigen, een techniek van internet geleerd, maar sterk afgeraden. Dus beëindig ik deze poging al snel. Even overweeg ik om mijn orgasme te faken. Vrouwen hebben daar heus geen monopoly op. Met een condoom is het voor mannen ook mogelijk. Zaak is wel om het rubber daarna ongezien weg te moffelen. Maar ik verwerp deze mogelijkheid.
Ik kies er voor om standje drie te vervangen door standje één. Waarom niet standje twee, vraag je je misschien af. Welnu, mijn fantasievrouw en ik hebben nog geen woord met elkaar gewisseld. Bij dit punt aangekomen ben ik bang geworden dat er een verzwegen verbod op praten geldt en dat woorden de spanning in één keer wegnemen. Dat wil ik natuurlijk niet. Omdat ik sowieso wat terughoudend ben om over mijn verlangens te praten (seksueel of niet) heb ik redelijk goed geleerd om mijn wensen te uiten door middel van subtiele lichaamstaal, maar ik zou niet weten hoe ik mijn wens om standje drie in te ruilen voor standje twee duidelijk kan maken zonder me uit te spreken. De stap naar standje één is veel makkelijker. Ik laat haar voeten langzaam zakken op de grond en zak zelf nog een stukje door, waardoor mijn penis uit haar vagina glijdt. Daarna pak ik haar heupen vriendelijk maar stevig vast en maak een draaiende beweging. Ze laat zich mijn leiding welgevallen. Afhankelijk van de ruimte in het wc-hok draai ik wel of niet mee. Op het moment dat ik achter haar sta, buig ik haar heupen naar achter, zak een stukje door mijn knieën om mijn penis op de juiste hoogte te krijgen en dirigeer hem er weer in.
In de oudevriendinnenkring lijkt de boosheid vervangen door enig begrip. Een paar aanwezigen geeft toe dat ze ook weleens gefantaseerd hebben over een wc-vluggertje en één vertelt het zelfs een keer gedaan te hebben. Maar hun grootste bezwaar is dat ze zich niet kunnen voorstellen dat iemand een wc-vluggertje wil met míj. Ik heb daarvoor het uiterlijk noch de uitstraling. Maar nu ik hier toch sta, willen ze me wel wat advies geven. De algemene teneur is dat ik te veel in mijn hoofd zit, te veel nadenk en dat ik mezelf daarmee tekort doe. Eén van de aanwezigen is mijn voormalige therapeute. Ze kijkt me wijzend naar de anderen aan en zegt: ‘Nu hoor je het ook eens van een ander.’ Ik toon mijn dankbaarheid voor hun advies door er eens goed over na te denken.
Uiteindelijk zeg ik: ‘Het is niet zo dat jullie geen gelijk hebben en dat mijn gedachten mij niet in de weg zitten. Maar ik ben redelijk overtuigd van mijn kwaliteiten als minnaar. Ik kan nu zo twee of drie vrouwen bedenken die – als ze hier bij waren – dat kunnen beamen.’ De aanwezigen blijven vriendelijk kijken, op het meelijwekkende af, want ze kunnen zich er niks bij voorstellen en ze geloven geen snars van het bestaan van die vrouwen. Maar nu word ik een beetje boos en denk zelfs aan nog een vrouw die ik ooit in extase heb gebracht. En nog één. En nog één. ‘En – uh – daar – uh – is – uh – god – uh – ver – uh – dom – muh – geen – uh – woord – uh – van – uh – gelogen.’ Tijdens die laatste bewegingen zijn mijn benen langzaam rechter gaan staan, terwijl mijn fantasievrouw op haar tenen is gaan staan. Het sperma gutst uit mijn plasbuis en bolt het condoom. Daarna sta ik nog even stil met mijn penis zo diep mogelijk in haar. Ik kijk naar het zweet in haar nek en terwijl ze mij over haar schouder aankijkt, zie ik het genot in haar ogen en op haar gekleurde wangen. Als ik mijn penis terugtrek en het condoom afrol, voelt mijn lichaam heerlijk verzadigd aan. Wat zou ik nu graag naast haar liggen en met haar naakte lichaam tegen mij aan dit gevoel koesteren. Maar de realiteit is dat we hier in een wc-hok staan. Het condoom deponeer ik in de pedaalemmer voor het maandverband en ik doe mijn broek weer omhoog. Mijn fantasievrouw verzorgt zich zo goed mogelijk en doet daarna de deur van de wc op een kier om te kijken of de kust veilig is. Voordat ze de deur helemaal opendoet, vraag ik me af of ik nog iets moet zeggen.
‘Dankjewel, het was heel fijn,’ zegt ze. Even wacht ik op de toevoeging ‘voor jou’, maar ze verdwijnt al uit mijn hoofd. Ik zit achter mijn lege kopje, de laatste kruimeltjes op mijn bordje en de ongelezen krant, en kijk vol verdwazing naar de wereld om mij heen.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Gedichten, Joey Anthony Hut

Existentiële twijfels zijn voor watjes
En ik ben me er een

Dus sluit me vooral op in een kamp
Christendom als het moet

Maar ach zolang de luchten blauw zijn
Zien we niks
En zodra de luchten zwart zien
Zijn we niks

Dan een kerktoren die tot twaalf telt
Maar bij elf stopt

Het is die ene seconde die je afmaakt
Waardoor jij niets af kan maken

Voor het einde moet het gedaan zijn dus
Wat het bij God ook is
Weet je misschien op de twaalfde

 
 
 

Wanneer je er niet bent

Niks meer dan een verregende krant
En geen melk in de kast

Net alsof je denkt een ster te zien
Maar het een vliegtuig blijkt te zijn

Het is wachten op verlossing
En wachten en wachten
En wachten

Het is als stank voor dank
Voor je uitgeleende luchtverfrisser

Of als een blik op de klok
Die stil staat

Het zijn oneindig veel seconden
Binnen één minuut
En wachten

 
 
 

Alle begin is moeilijk
Als een startschot zonder kogels

Schiet op schiet op schiet op
We moeten doen wat we moeten doen

Wat dat ook is
Weet de goede God
Die in een fantasietje opgesloten zit

Kijk maar naar de horizon hoor
Je ziet alleen een streep
Waarachter de regenboog verdwijnt

Het is het beginnersgeluk van een doodgeboren baby
Alhoewel hij een stap op je voorliep

 
 
 

Draai een glimlach van je lippen
Doe dan

Even over het moment stappen
Meer vraagt het niet

Tuurlijk werkt de tijd niet mee
Zij tikt gewoon door

Een twee drie oneindig
En dan nog een keer

Moeilijk moeilijk
’T is als het leven van een koe
In de vleesfabriek

Ren door de weide
Vlucht
De regen in en
Drink de zoete vrijheid

Al is het een fantasietje

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Verward, Michiel Hanon

Op een middag liep ik vanaf mijn huis in het Haagse Statenkwartier via de Bleiswijkstraat naar het vlakbij gelegen Gemeentemuseum. Net toen ik een zijstraat overstak, kwam daar een mooie, luxe BMW in draaien. De chauffeur van deze auto ontwaarde mij, stopte, draaide het raampje open, en vroeg of ik Engels sprak. ‘Dat gaat wel lukken,’ was mijn antwoord in het Engels. De man vroeg de weg naar het vliegveld. Ik dacht aan Rotterdam-Den Haag Airport, maar hij liet mij een papier zien met ‘Amsterdam’ erop. ‘Okay, Schiphol?’ Ja, dat was het. Hij verontschuldigde zich voor zijn slechte Engels. Ik vroeg mij even af waarom zo’n luxe auto niet over navigatie beschikte, maar ja, die was misschien buiten werking.

De route naar Schiphol was snel uitgelegd: ‘Eerste kruispunt naar rechts, daarna naar links en wat verderop weer naar links. Dan de borden volgen.’ De man was me erg dankbaar voor de uitleg. Vervolgens vroeg hij hoe lang het rijden was. ‘Op dit uur van de dag misschien een uurtje,’ zei ik. O, dan had hij tijd genoeg. Zijn vliegtuig naar New York zou pas om 19.00 uur vertrekken. Inderdaad, dan had hij nog ruim de tijd.

Mogelijk omdat de man begreep dat hij meer dan genoeg tijd had, of omdat hij dankbaar was dat ik hem de weg zo goed had uitgelegd, begon hij een gesprek met mij, terwijl ik nog steeds naast hem aan de bestuurderskant van de auto stond. Hij vertelde dat hij uit Italië kwam en vroeg of ik wel eens in dat land was geweest. Ik gaf hem daarop een positief antwoord. De Italiaan gaf me zijn visitekaartje. Er stond op: Mr. Antonio Dell’Apiuta, Fashion Designer te Milano en Firenze. Hij was voor een presentatie in de Bijenkorf geweest en ging nu naar een soortgelijke manifestatie in New York. Ik vroeg me even af wat hij dan in het Statenkwartier deed, want de Bijenkorf bevindt zich daar alles behalve om de hoek.

De man, ik schatte hem eind dertig, vroeg wat mijn kledingsmaat was. Hij had iets bij zich wat hij niet kon meenemen in het vliegtuig. Daarom wilde hij het aan mij geven. Wijzend naar mijn kleding, prees de Ialiaan mijn goede smaak. Niet alleen vanwege dit weinig toepasselijke compliment – ik had die dag niet bepaald mijn mooiste pak aan –, wekte zijn gedrag argwaan. De man zag dat, maar besloot zijn strategie te volgen. Hij schatte mijn maat op 50 (wat overigens wel kan kloppen). De Italiaan boog zijn rechterarm naar achter en haalde vandaar een plastic zak de achterbank tevoorschijn. Door het plastic was de omtrek van een zwart kostuum zichtbaar. ‘Dit is een Armani, de laatste mode,’ zei hij. ‘Hele mooie stof.’ Hij kon het niet naar New York meenemen. Een reden daarvoor gaf hij niet op. Ik sloeg het aanbod af. Een wel erg overdreven presentje voor het wijzen van de weg, dacht ik.

Op aandringen van de man liep ik om naar het rechter voorportier van de auto, en opende het. Hij vroeg me op de passagiersstoel plaats te nemen, opdat ik me van de kwaliteit van het pak kon vergewissen. Hij schoof een deel van het kostuum uit het plastic en prees omstandig de verfijnde stof. Dit was het moment waarop ik duidelijk liet merken dat ik zijn pak niet wilde. De Italiaan gaf het op en reed weg.

Na een aarzelend ‘Goede reis’ liep ik verder naar het museum. Ik kan niet ontkennen dat ik in wat verwarde toestand verkeerde. Te verward om even naar het nummerbord van de auto te kijken. Later dacht ik dat dit nummer misschien weinig had gezegd: de BMW had een Nederlandse huurauto kunnen zijn. Was hij nou echt bezig mij zover te krijgen dat ik op straat bij een rondrijdende Italiaan een kostuum ging aanschaffen? Want het kan toch niet anders dan dat ik uiteindelijk een (‘zwaar afgeprijsd’) bedrag had moeten betalen, mogelijk voor een nep-Armani. Ik zal het nooit weten.

 

 

Gepost in Columns, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

In memoriam John Toxopeus

2 mei 1946 – 15 januari 2019

Toxopeus

Op 4 januari mailde John Toxopeus mij dat hij zijn abonnement op Extaze moest opzeggen. Dat ‘moest’ klonk onheilspellend. In een volgende zin stond de reden daartoe vermeld: een ongeneeslijke longaandoening. In de slotzin, ‘Dank voor het plezierige contact’, vatte hij onze relatie samen. In gesprekken die ik in Den Haag en Amsterdam met hem voerde toonde hij zich telkenmale geïnteresseerd in Extaze en de mensen die dit tijdschrift maken. De mailwisselingen over de eindredactie van zijn bijdragen verliepen zakelijk, maar eindigden steevast met een ‘hartelijk dank voor jullie werk’.

John was een prettig mens in de omgang en een getalenteerd schrijver. In zijn beste boek, de verhalenroman We doen of er niets aan de hand is (2014), vertelt hij over zijn vijfentwintigjarige loopbaan als vakbondsbestuurder. Een beroep dat hij zo serieus nam, dat hij er in zijn vrije uren een studie arbeids- en organisatiepsychologie aan toevoegde.
De situaties en personages in de genoemde roman zijn beschreven met ironie en lichte spot. John’s humor zat hem vooral in de kaalheid van zijn schilderingen, de korte zinnen geladen met droge humor, zijn weldoordachte woordgebruik.
‘Halverwege de middag kwam oom Godfried met tante Sophie, een lieve vrouw met een deftige stem’, staat te lezen in het verhaal ‘Schermutseling’ in Wie de jeugd heeft kan wel janken (2015). Tante Sophie praat niet deftig, haar stem is deftig: de deftigheid omgeeft haar.

Dierbaar is mij de passage in We doen of er niets aan de hand is die verwijst naar een gesprek waarin  de vakbondsman (Toxopeus) wordt ‘weggezet’ (‘kaltgestellt’ eigenlijk) door de directeur van sociale zaken van Philips (Vuursteen).
Later in het verhaal duikt deze man weer op, wanneer de vakbondsman en zijn zoon Jonathan een beurs bezoeken.
‘”Zo leeft u nog?” zei iemand in mijn oor. Ik voelde een hand op mijn rug. Hij gaf mij een hand en kneep Jonathan in zijn schouder. “En, kom jij later bij ons werken?” Hij vroeg wat ik tegenwoordig deed en ik vertelde over de gemoedelijke sfeer in de horeca. Hij glimlachte en zei dat hij volgend jaar met pensioen ging en eindelijk tijd had voor kerkenwerk en zijn tuin. “Luister maar goed naar je vader,” zei hij tegen Jonathan en boog zich voorover. “Je vader is een van de besten.”’
‘[…] Ik at met Jonathan pannenkoeken langs de snelweg. […]’
‘”Dat was een aardige meneer, hè pappa?”
“Nu misschien wel,” zei ik, “maar hij is vroeger heel brutaal tegen mij geweest.”
“Echt?”
“Nou en of. Ik was toen bijna mijn werk kwijt.”
“Echt waar? Dan was je zeker wel heel erg boos.”
“Ja, boos en verdrietig.”
“Moest je ook huilen?”
“Ja, ik moest ook wel een beetje huilen.”
“Dan ga ik daar later niet werken.”‘

‘Een vleugje Elsschot,’ schreef ik in de recensie van Wie de jeugd heeft kan wel janken. Elsschot de schrijver, bedoelde ik daarmee. Niet Elsschot de familieman. Daarin was John hem een paar vleugjes de baas.

(cg)

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Presentatie dichtbundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien

Het literair tijdschrift Extaze viert de poëzieweek 2019 met de uitgave van de poëziebloemlezing 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien.

poster 10 voor 10

De Extaze-poëziebloemlezing ’10 voor 10′
De tien Extaze-dichters die de redactie van Extaze uit dertig nummers (2011–2018) koos om uitdrukking te geven aan de Nederlandstalige poëzie in de jaren ’10  zijn: Estelle Boelsma, Daniel Bras, Dorien Dijkhuis, Arnold Jansen op de Haar, Heidi Koren, Giuseppe Minervini, Hanz Mirck, Maria van Oorsouw, Lisa Rooijackers en Merel van Slobbe.
Een ‘school’ vormen deze dichters niet, maar gemeenschappelijke kenmerken kent hun poëzie wel.
Inleider Rutger Cornets de Groot ziet die overeenkomst niet zozeer in een tijdsbepaling, maar meer in een plaatsbepaling en een behoefte zich aan die bepaling te onttrekken:

‘Te ontkomen aan wat je in de greep houdt: aan je behuizing, aan de ander, aan de waarneming, aan de wereld. […] Van de poëzie van deze tien dichters is dát streven dan toch een algemene trek. Dorien Dijkhuis geeft zelfs de titel ‘Pogingen om te ontkomen’ aan een van haar gedichten, met daarin deze projectie van het verlangen om zich ook van zichzelf te ontdoen:

in het hotel laat ik de gordijnen op een kier, bespied
mijn kamer vanaf een bankje aan de overkant
keer ’s avonds als een ander naar mezelf terug.’

In dit opzicht belichaamt het werk van de tien Extaze-dichters de jaren tien.

De bundel, op bijzondere wijze vormgegeven en geïllustreerd door Els Kort, is een uitgave van Extaze/Uitgeverij in de Knipscheer en werd mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds.

De presentatie
De presentatie van de dichtbundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien zal op zaterdag 2 februari 2019 vanaf 14.30 uur plaatsvinden in Boekhandel Douwes, Herengracht 60, Den Haag, 070 7371126 (op loopafstand van het Centraal Station).

Er zullen korte optredens zijn van Rutger H. Cornets de Groot (de schrijver van het inleidend essay) en de dichters Estelle Boelsma, Daniel Bras, Dorien Dijkhuis, Arnold Jansen op de Haar, Heidi Koren, Hanz Mirck, Maria van Oorsouw, Lisa Rooijackers en Merel van Slobbe.

Reserveren niet noodzakelijk. Nadere informatie bij:
info@boekhandeldouwes.nl, redactie@extaze.nl

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Een kleur- en klankrijk 2019

Beste volgers van Extaze
 
Om u allen een kleur- en klankrijk nieuwjaar toe te wensen, sluiten we ons van harte aan bij de versregels die de Vlaamse auteur Chris Ceustermans naar de redactie
van Extaze stuurde:

 
een jaar met louterende klanken
blauwe noten die naar boven ranken
cool jazz op de melodie van Frère Jacques
de opstanding van Sun Ra, Pafke en Zot Polleke
drie engelen die allitererende verzen spuwen
naar een dolle wereld van strompelend schrijven &
scheuren.
 
Graag willen wij u danken voor de belangstelling die u heeft getoond voor onze activiteiten: het tijdschrift, de website, de Extaze-avonden in de Houtrustkerk,
de Extaze-reeks en de presentaties daarvan.
 
Hopelijk blijft u ons volgen in het nieuwe jaar, dat zich nu al naar vijf bijzondere gebeurtenissen spoedt:
 
1
De uitgave van de poëziebloemlezing 10 voor 10.
Tien Extaze-dichters van de jaren tien
(Extaze/In de Knipscheer 2018).

Het is onze bijdrage aan de poëzieweek 2019.
 
2
De presentatie van deze bundel in Boekhandel Douwes op zaterdagmiddag 2 februari vanaf 14.30 uur, waarbij de 10 voor 10-dichters aanwezig zijn om enkele gedichten voor te dragen.
 
3
De uitgave van Extaze 29 waarin de diverse thema’s die een rol spelen in
F. Bordewijk’s roman Blokken (1931) in essays en in enkele van de korte verhalen belicht worden. Voorts zijn de voorstadia- en voorstudies te zien die Viktor Hachmang maakte voor zijn beeldroman-versie van Bordewijk’s korte roman.
 
4
De presentatie van dit nummer op 7 februari vanaf 20.15 uur in de Houtrustkerk,
hoek Beeklaan/Hanenburgweg. In beeld, klank en gesproken woord zal de thematiek van Blokken zichtbaar en hoorbaar worden gemaakt.
 
5
De uitgave van de bloemlezing Grenzenloos. 40 jaar Knipscheer poëzie,
samenstelling Klaas de Groot, redactie Peter de Rijk (In de Knipscheer 2018) met een onderdeel ‘Uit Extaze’, waarin zesendertig dichters die in Extaze hebben gepubliceerd
een plaats hebben gekregen.
 
En dat is nog maar het begin
 
 w.g.
Redactie Extaze
 

2  0  1  9

 
cover Extaze 28 Geloof in de kunst
Oud en nieuw: hier kunt u de ‘oude’ nummers
of het nieuwste nummer bestellen
 

 

Gepost in Home | Plaats een reactie