Het nieuwe nummer bijt:

Donderdag 7 juni werd de nieuwe Extaze: ‘Bijtende teksten’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

Cover Extaze 26: Bijtende teksten

B E S T E L L E N

Bijtende teksten

ESSAYS
Sander Bax en Eline Peeters beschrijven hoe W.F. Hermans, ‘de venijnigste pennen-
strijder die we in Nederland gehad hebben’, zijn polemieken vanuit het autonome literaire veld (gericht op literaire critici en schrijvers) uitbreidde met debatten die hij voerde
in de publieke media, maar daarbij vasthield aan zijn positionering als autonoom auteur en de wetten van de massamedia aan zijn laars lapte: ‘Nee, het is een vertelgesprek
van mijn kant’.
In zijn essay over Lucebert plaatst Wim Hazeu kanttekeningen bij diens pro-nationaalsocialistische uitspraken die hij in particuliere brieven uitte, en bij zijn aanmelding bij de Arbeitseinsatz. Hij wijst dan op zijn huiselijke situatie, zijn avontuurzucht, zijn beïnvloedbaarheid, zijn liefde voor de Duitse literatuur.
Het begrip dat Hazeu voor de jongeman opbrengt kent zijn grenzen, maar wel stelt hij vast dat Lucebert met zijn werk geantwoord heeft op die episode in de oorlog. Enigszins aansluitend op het bovenstaande is de passsage in
Rutger H. Cornets de Groot’s essay ‘Dat niet zou mogen deren’, waarin hij Lucebert
als voorbeeld noemt van een dichter die zich in zijn kritische gedichten niet verschuilt achter een gehekeld persoon (door middel van pastiche, parodie of karikatuur),
maar aan de literatuur de oneigenlijke eis stelt een middel te zijn tot een buiten
de literatuur gelegen doel.
Dick Brongers analyseert in ‘Mefisto op de radio. Max Blokzijl, de verleider der wankelmoedigen’ de demagogische, opruiende taal in de wekelijkse praatjes van Max Blokzijl voor de radio: ‘Het nationaalsocialisme zit in de lucht. Deze leer is gekomen op het ogenblik, waarop de menschelijke samenleving er overrijp voor was.’
Leonor Faber-Jonker herinnert zich anekdotes, woordgrapjes, associaties en uitspraken, vaak over taal (‘eenvoud is macht’) van popdichter, punkdrummer en iconoclast Ton Lebbink, en herinnert zich haar eigen ‘bekering’ tot de punk: ‘De venijnige teksten van de Vibrators, The Stranglers en de Buzzcocks gaven me hetzelfde bevrijdende gevoel als de humor van de VPRO, het dragen van wijde zilveren broeken
en verboden sigaretjes.’
Nico van Apeldoorn vertaalde politieke teksten van Boris Vian (1929–1959), oorlogspoëzie van Siegfried Sassoon (1886–1977) en gedichten tegen de slavenhandel van Robert Southey (1774–1843) en voorzag hun gedichten van een inleiding.

KORTE VERHALEN
Flip Filz
Rutger Heringa
Jochem F. Melis
Ward Mertens
Dirk Rodenburg

GEDICHTEN
Liesbeth Aerts
Job Degenaar
Maria van Oorsouw
Margriet Westervaarder

BEELD
Sebastiaan Schlicher

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Recensies: Wim Noordhoek
De gabardine regenjas en de cd van Anne-Tjerk Mante, Vier maten vooraf. Liedjes van eigen boezem – Cor Gout

De recensies zijn hier te lezen

De Garbadine regenjas, Wim NoordhoekAnne-Tjerk Mante

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Het model, door Martien Bos

Net als de eerste keer toen ik dit op adres aankwam, werkt de bel niet.
Natuurlijk, wat had ik verwacht.
Ik ben zenuwachtiger dan een minuut geleden, dan tien seconden geleden. Anders voel ik nooit mijn hart kloppen, nu wel.
De stad lijkt stiller dan normaal.

*

Dat had Stan wel op het opdrachtformulier kunnen vermelden, dat er geklopt moest worden. Ik bekeek dat formulier nog eens. Adres, naam, naam van verhuurder – in dit geval woningbouwvereniging Centrum De Oude Binnenstad – en, in Stans hanenpoten, een omschrijving van de uit te voeren verrichtingen: ‘Vent. Stop.’
Het ontluchten van de verwarming behoort bij de meeste woningbouwverenigingen tot de taken van de huurder, maar hier moest een van de ontluchtingsventielen kennelijk ontstopt worden. Dat kwam wel vaker voor bij oude woningen, al schatte ik deze atelierswoning niet ouder dan vijfendertig jaar. Nu ja, alles wat je maar slecht genoeg onderhoudt, gaat er uiteindelijk aan. Ik had het zelf kunnen bedenken; bij mijn studie kunstgeschiedenis was het net zo gegaan.
          Dit was de laatste klus van de dag. Op de route van de een na laatste klant naar deze was ik zeker vijf keer een bushokje met daarin mijn fotogenieke zus gepasseerd. In dit jaargetijde waren zonvakanties in trek, en Esther was niet zozeer het gezicht als wel het lijf voor SunWeb Holidays. Wél een studie afgemaakt, dus voor haar geen jaar ertussenuit om zaken op orde te stellen, te overdenken wat je in godsnaam wilde doen met je leven, al het gore lef verzamelen om je in te beelden dat je in je leven verder vooruit kunt kijken dan een halfjaar, een paar maanden. Voor mijn zusje lag het dus voor de hand om een paar dagen op alle voorstellen in te gaan die haar agent haar deed, om daarna pas een afstudeerfeest te geven en te gaan overwinteren langs de stranden van Brazilië. Haar nieuwe vriend, Michiel, hoefde niet lang na te denken toen ze vroeg of hij mee wilde. Zul je zien dat hij zo nog op z’n knieën gaat ook. En ik maar tijdens deze winter langs haar zandbeplakte decolleté rijden, tien keer per dag.
          Sneeuw dwarrelde in grote vlokken op de geparkeerde auto’s, fietsen en op het verlaagde stukje stoep voor deze voordeur, en smolt meteen. Het was de laatste week van januari en de wollen muts die mijn lange haar verhulde, voelde inmiddels als een deel van mijn lijf. De oranje gloed van de natrium straatverlichting paste goed bij dit deel van de straat met de studio’s en atelierwoningen onder het verhoogde treinspoor – beter dan de zogenaamd authentieke kroon- en Ritterlantaarnpalen uit de negentiende eeuw die je overal weer zag staan.
          Eigenlijk werken we als we dienst hebben nooit alleen, maar Ferry kon die dag maar tot één uur, had hij gezegd. Hij had nog een particuliere klus. Ik kon hem die niet weigeren: misschien verdiende hij op een middag wel voor een halve week. Hij weigerde mij ook niets. Dat was de deal. Ik kan me niet voorstellen dat dat bij andere installatie- en onderhoudsbedrijven anders is, al ken ik alleen Koperwerk, waar ze volgens Ferry wel vaker gesjeesde studenten aannemen.
          Terwijl ik wachtte tot er opengedaan zou worden, zag ik dat ik mijn toolbox in een halfvolle, net niet helemaal vergane zak patat had gezet. Het had erger gekund, want links van me lagen uitwerpselen, aan de afmetingen te zien afkomstig van een mens, zonder een stuk papier erbij in de buurt met veegsporen erop, terwijl er op het stoepje toch genoeg flarden oude kranten lagen, hele cultuurkaternen zelfs.
Die toolbox had ik niet eens nodig, realiseerde ik me. Een ontluchtingssleuteltje was in dit soort gevallen meestal genoeg, en die droeg ik aan mijn sleutelbos.
          De man die opendeed, vulde met zijn gestalte bijna volledig de deuropening. Hij keek me niet echt aan en zei: ‘Volg me maar,’ en was alweer een halve kamer van me verwijderd. Er was geen gang, de voordeur kwam rechtstreeks uit op een kamer. Daar lag een ontzettende hoeveelheid troep op de vloer. De allesdoordringende geur kon ik eerst niet goed thuisbrengen: een combinatie van het weeiige van nat blikvoer en het ammoniakale van een volle kattenbak die ik niet zo snel zag in dat vertrek, dat niet alleen bezaaid was met oude kranten, beschimmelde tijdschriften en folders, maar ook met sokken, T-shirts, grote boxershorts en een enkele spijkerbroek. Over alles gloorde een zacht, vettig schijnsel.
          Ik hoopte maar dat Ferry veel betaald kreeg voor zijn klus van die middag. Ik haalde een baco uit de toolbox.
          Pas toen zag ik dat er in een hoek een eenpersoons matras op de grond lag. Grote vochtvlekken, een pizzadoos met daarop de overgebleven bleke randen van een big pan pizza. Tegen het hoofdkussen leunde een pak mariakaakjes en daarnaast lag een open pot mayonaise op z’n kant. Aan het voeteneinde van de matras stond een koelkast met de deur open, maar er brandde geen licht. Ik zag halveliterblikken Alfabier. Geen kattenvoer.
          De man liep nog steeds zonder zich om mij te bekommeren voor mij uit. Met zijn grote, massieve lijf kwam hij verrassend vlug vooruit. Hij nam niet de moeite de papieren of kleren op de grond te ontwijken. Ik liep er ook maar gewoon met mijn werkschoenen overheen.
          Er klonk wat gerommel langs de plinten.
          ‘Waar zit de kat?’ vroeg ik.
De man antwoordde dat hij geen kat had. Zijn atelier lag op het noorden, zei hij, en hij opende de deur die naar een schaars verlichte ruimte leidde.
‘Op het noorden, dat is het beste. Vraag maar aan Rembrandt. Altijd indirect licht.’
Maar dan liever wat warmer als het even kon, dacht ik. Onze ademhaling was zichtbaar door de kou. Ik kreeg bijna medelijden met de getekende naakten die bleekjes opgeprikt tegen de lange muur van het atelier hingen.
          ‘Wacht even,’ zei de man, en hij stond stil, een vinger omhoog. Ik wist wat er komen ging, en inderdaad: wat begon als het zachtjes tikken van een theelepeltje tegen een klein metalen buisje, escaleerde in het geluid van rotjes in een metalen vat. Vervolgens werden de knallen in de verwarmingsbuis minder intens, maar het zou minuten duren voor het weer helemaal stil zou zijn, wist ik.
          ‘Dat werkt niet fijn,’ zei de man. ‘Die kou stoort me niet. Maar zo gaat mijn concentratie weg, en mijn concentratie is mijn kapitaal.’

Mijn handen zagen wit en rood van de kou. En kwartier lang had ik met ijskoud water en een staalborstel het ontluchtingsstuk schoon proberen te maken. Er zat een laag harde, bruine smurrie aan vastgekoekt. Eerst dacht ik dat het roest was, maar roest is niet iets wat als begroeiing ergens overheen groeit, dus dat was het niet. Het rook wel als roest, en in contact met water loste een heel klein beetje van die troep op, precies genoeg om de vochtspetters een roodbruine zweem te geven. De man vertelde me dat hij precies op dat gedeelte het stuk ingevroren bloedworst voor zijn hond ontdooide. Die worst kocht hij met korting bij een slager in de Haarlemmerstraat, die het zonde vond om worsten die onverkocht bleven zomaar weg te gooien.
          Het was tijdens mijn geschrob dat hij voor het eerst enige vorm van belangstelling voor me toonde. ‘Wil je wat drinken? Water, thee?’ Zijn enorme grijze wollen trui bedekte vanuit zijn perspectief vast alles, maar liet voor mij genoeg bloot om te zien dat de wilde strook haar van zijn navel naar zijn schaamstreek nog donker was, terwijl de slierten op zijn kop bijna wit waren, net als zijn bakkebaarden. Zijn huid was geel en vlekkerig, de nagels aan zijn vingers waren net wat te lang, en zijn ogen waren op twee manieren verborgen: achter dikke brilleglazen en tussen de plooien en wallen van zijn oogleden. Ik schatte hem een jaar of vijftig. Twintig jaar geleden was hij ongetwijfeld een knappe man geweest: zijn torso had de omvang van die van een rugbyspeler of een olympisch judoka. Zijn rimpels hadden ondanks hun onverzettelijkheid ook iets sympathieks, en zijn kleine, gluiperige ogen zochten weliswaar weinig contact, maar als ze dat deden, sprak er het enthousiasme uit dat je ziet bij kinderen bij wie voor het eerst iets gelukt is.
          Ik hoefde niks te drinken.
Toen hij tien minuten later terugkwam met een kop thee voor hemzelf, had ik de radiator zo goed en kwaad als het ging schoongemaakt, ontstopt en ontlucht. Geruisloos stroomde er weer water door de installatie. Ik stond op en liep naar de lange muur van het atelier om de opgeprikte tekeningen wat beter te bekijken. Het waren er tientallen, misschien meer dan honderd. Allemaal waren het naaktstudies in potlood, houtskool of een sepiakleurig krijt. Een enkele tekening was gemaakt in inkt. De modellen waren zo te zien verschillende vrouwen, wat op te maken viel uit de lijven, want de gezichten had hij leeggelaten. Portrettekenen was een andere tak van sport. De tekeningen waren tegen de muur gemaakt, op precies dezelfde plek waar ze nu hingen, gezien de inktvlekken en het houtskoolresidu op de plinten en de betonnen vloer er recht onder.
          Tussen de kleurloze tekeningen hing één opgespannen doek met daarop een geschilderd naaktportret. Dit werk was een stuk groter, ruim anderhalve meter hoog, en neergezet in felle, slordige kleuren. Het schilderij leek me nog niet voltooid: lege stukken doek waren nog duidelijk te zien. Ook was het werk niet gesigneerd.
          ‘Ja, het is af,’ zei de man alsof hij gedachten kon lezen. Hij stond van me af gedraaid, wreef over zijn borst en veegde met een voet enkele bladen op de vloer bij elkaar.
Hoewel het schilderij me te midden van die andere tekeningen eerst niet direct was opgevallen als iets bijzonders, kon ik het vanaf dat moment niet meer negeren. Ik schuifelde door de rommel op de vloer een paar meter naar achteren, zodat ik het doek in één keer kon overzien. Er klopte iets niet. De vrouw keek neutraal, wat al te neutraal, waardoor ik haar leeftijd niet goed in kon schatten. Ze zat half onderuitgezakt op een chaise longue – tenminste, ik nam aan dat het een chaise longue was, hoewel een berg afval met een doek erover meer voor de hand lag in dit atelier. Ik kon het niet opmaken uit de willekeurige vlakken verf die niet de ambitie leken te hebben iets te willen suggereren, waardoor alle aandacht uitging naar het naakt.
            Hoe oud schatte ik haar? Op gevoel een jaar of zevenendertig, een jaar of twaalf ouder dan ikzelf, en dat leidde ik niet af uit haar uitdrukkingsloze poppengezicht, maar uit haar boezem: volle, grote borsten die ontspannen op haar relatief slanke lijf rustten. Haar houding had iets zelfverzekerds, zonder bewust uitdagend te zijn. Haar buik was vlak.
          ‘Zeker geen kinderen gehad?’
          Bij wijze van antwoord haalde de man zijn neus op, waarna hij een kolossale arm langs zijn gezicht veegde.
Ze had grote voeten, de linker twee keer zo groot als de rechter. Dat was wat er niet klopte. Van Splinteren had het ons aan de hand van treinrails en bielzen geleerd. Hulplijnen naar het verdwijnpunt op de horizon, verwatering van de kleuren die verder weg zijn vanwege het water in de lucht, en zo waren er nog een paar dingen. Grove, mathematische tekeningen van blokkerige flatgebouwen en kaarsrechte wegen leverde die les op – wegen naar de horizon, die oneindig veel dichterbij leek dan het einde van de tekenles van Van Splinteren.
          Toen ik het schilderij weer wat naderde, zag ik kleine rode spetters op de bovenkant van haar benen. Datzelfde doffe rood zat ook op haar handen, waarvan er één aan de binnenkant van haar dij rustte. Alles bij elkaar maakte ze een geschonden indruk op me, niet zonder erotische lading, al kon ik me niet voorstellen dat het met die intentie geschilderd was – daarvoor was het allemaal te indirect, of gewoon te lelijk geschilderd.
          Ik zag dat de man me opnam terwijl ik zijn schilderij bekeek.
          ‘Het klopt niet helemaal, kan dat, of ligt het aan mij?’ vroeg ik.
          ‘Wat klopt niet?’
          ‘Haar voeten. Of in elk geval die voet daar. Die is veel te groot.’
          ‘Juist. En als ik die kleiner had geschilderd?’
          ‘Dan klopt het perspectief beter, denk ik. Kan dat?’
          ‘Het is af. Het is wat het is.’
          ‘Ik had wel willen weten hoe ze er in het echt uit had gezien.’
          ‘Het model lijkt op het schilderij,’ zei de man, kijkend naar het doek. Hij had zijn handen in zijn zakken en wipte op zijn tenen. ‘En dat is de enige juiste relatie. Wil jij dat het schilderij op het model lijkt? Veel mensen willen dat, dat ik iets precies zo naschilder zoals die mensen het zien. In het beste geval voeg ik daar dan mijn handschrift aan toe, mijn “manier van schilderen” zoals men dat noemt, en in het slechtste geval lijkt het schilderij zo goed dat ik net zo goed een foto had kunnen nemen. De schilder als camera. Een waardeloze wegwerproduct, zo’n plastic geval dat je na zevenentwintig foto’s wegflikkert. Dat type schilder bestaat, maar als je het niet erg vindt, leg ik de lat wat hoger. Als het te goed lijkt is het mislukt.’
          Dat was ook een manier om te zeggen dat je niet kon tekenen natuurlijk. Daar was hij bij Van Splinteren nooit mee weggekomen. Ik overwoog om te vragen wat het model er zelf van gevonden had – het was toch een soort portret. Zou Esther zich zo durven laten schilderen? Haar ijdelheid zocht liever de zekerheid van uren durende fotoshoots en opeenvolgende selectierondes.
In plaats daarvan vroeg ik of het model lang had moeten stilzitten. De man zei dat hij meestal in een uurtje klaar was. Dan staat het erop en hoefde hij hooguit nog een paar toetsen wit aan te brengen, maar dat deed hij meestal als het model zich weer aan het aankleden was. Hij vloekte daarna toen hij een nagel afbeet die wat vlees meescheurde.
          Mijn jas hoefde ik niet te zoeken, die had ik nog aan. Het zou nog wel even duren voor het vertrek op normale kamertemperatuur was. Ik was toegekomen aan het papierwerk.
          ‘Centrum De Oude Binenstad betaalt de factuur voor de reparatie nu vanwege een defect aan de verwarming.’
          ‘Mooi,’ zei de man, zuigend aan zijn vingertop.
          ‘Maar als u vanaf nu de boel niet een beetje bijhoudt, vallen alle vormen van schade aan uw cv onder verwaarlozing en dan draait u zelf voor de kosten op.’
De man gaf geen kik, keek me amper aan.
          ‘Inclusief voorrijkosten is dat 125 euro. In het weekend voor zes uur komt daar nog eens zestig bij, en na zessen honderdtwintig.’
          ‘Dan zullen ze het bij me moeten komen halen.’
          ‘Dat doen ze. Ik ga daar verder niet over, maar ze komen voor de kleinste bedragen al terug.’
Dat er niets van waarde aanwezig was in het atelier had ik al lang gezien. De voor de hand liggende vraag of hij van zijn schilderijen kon leven had ik hem maar niet gesteld.

Uiteindelijk vroeg hij het me, toch nog onverwacht, of ik wel eens model had gestaan. En daarna, of ik model wilde staan. Voor hem.
Hij raapte een kwast op van de vloer, trok met zijn andere hand het kruis van zijn broek in de plooi en keek me toen pas aan met zijn kleine, vlezige varkensoogjes achter die jampotglazen.
Ik bond mijn haar bij elkaar, zette mijn muts weer op en wees naar de grote, ongelijke voeten.

*

Ook nu wordt er na aanhoudend bellen niet opengedaan – wacht, die bel doet het niet, da’s waar, in de zenuwen was ik het vergeten. Ik klop op de deur.
Het is precies tien dagen geleden dat ik hier was, en weer sneeuwt het. Kleine vlokken, het is kouder nu. De sneeuw blijft liggen. Esther zit nog in Brazilië, maar haar posters zijn inmiddels uit de bushokjes verwijderd. Iemand met hetzelfde lichaam maakt nu reclame voor een goedkope sportschool, nog geen tientje per maand.
Ik ben gewoon op de fiets gekomen, draag geen overall maar normale kleren en heb ook geen gereedschap meegenomen. Ik vraag me af of hij de boel opgeruimd heeft, of de kattenlucht weg is.
          Voetstappen naar de deur. Zal het hem opvallen dat ik zes centimeter langer ben, dat ik geen werkschoenen draag maar laarzen? Dat ik nu ondanks de kou geen muts op heb en mijn haar los draag?
          Als het schilderij me bevalt, zal ik het kopen, heb ik hem verteld, maar ook dat ik prijs stel op enige mate van gelijkenis. Het moet absoluut niet flatteus worden – dat zou een blijk van onzekerheid zijn en alleen maar het tegenovergestelde effect hebben van wat me voor ogen staat – maar geen opzichtige bewuste fouten, ondanks zijn verhaal over die wegwerpcamera. In redelijke overeenstemming met de werkelijkheid dus, ook met mijn ene borst wat groter dan de andere.
            Om eerlijk te zijn weet ik al dat ik het zal kopen. Mijn eigen lichaam naakt aan de muur: een bewijs dat ik bekeken ben geweest, bekeken door de blik van een mens, een man van vlees en bloed nog wel, die me langer heeft bekeken dan alle milliseconden van een fotoshoot bij elkaar. Ik zal het boven de bank in mijn woonkamer hangen.
          Vanavond nog stuur ik Esther een berichtje. Ik nodig haar en Michiel uit om over een paar weken bij me te komen eten. Wat ik zal maken verzin ik nog wel.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Vier gedichten, Dirk Kroon

 

Ontkenning

Ik had een wereld kunnen winnen
maar ik wilde niet.

Ik had de ogen kunnen sluiten
maar ik kon het niet.

Ik had gelukkig kunnen worden
maar ik werd het niet.

Ik had ook kunnen zwijgen
maar dat wist ik niet.

Ik had dit kunnen schrijven
maar ik deed het niet.

 

Metamorfose

Ik was een droomloos kind
dat luisterde naar wat de wereld was.

Ik werd een oude man
die weggaf wat de wereld was.

Ik was een wezen zonder leeftijd
dat meeging met de vogels.

Ik werd bij hen een schepsel Gods
met menselijke trekken.

 

Constatering

Ja, het zou ‘groots en meeslepend’
en tot slot moest je het doen met
‘een boek en een glas wijn’ –
het is er nooit van gekomen.

Weet je, een gooi naar het grote
zat er gewoonweg niet in,
je kijkt naar wat klein was
en je eindigt met niets.

Je zoekt almaar in verten
de talloze vogels en vlinders
die je toch moeten verlossen.

Op zeker moment, bij een goed glas,
stel je vol weerzin vast
dat alles anders had moeten gaan.

 

Keerpunt

De jaren, ja, de jaren
waarin wij meenden te leven,
ze bloeiden meedogenloos leeg,
lieten niets na, bleken vergeefs
bij het volle besef van een later.

Later dat maar niet aanbrak
als wij ons herinnerden
hoe een immens geliefde
zei dat het zo goed was.

Het daar en dan vertaalt zich
nooit meer in het hier en nu.

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Nieuwe recensies:
Jan Herman Brinks, De Vrouw in het Medaillon – Hein van der Hoeven en Chris De Valk, O, die wijze koeien – Felix Monter

Lees hier de recensie

De vrouw in het medaillon

Chris de Valk

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Armando, Manuel Kneepkens

ArmandoArmando de vogel

Wat zal ons (blijvend) herinneren aan Armando?

de term: schuldig landschap; verkoold hout
figuren van kamp Amersfoort
(on)menselijk

én het  Zwarte Water

een bassin van zwart plastic
gevuld
een paar centimeters water
met duizelingwekkende dieptewerking…

Aantekening voor de vijand:

Hoe in 2007 de Elleboogkerk in Amersfoort
(met daarin Armando’s collectie)
fakkelde als de Reichstagbrand

     ‘Wir haben die Kunst, damit wir nicht
       an den Wahrheit zu grunde gehen…’ ¹

Armando’s favoriete Nietzsche-citaat…

Niets Noodlottiger dan dat!

Armando2

 

Gepost in Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Ikea en de Algarvios, door Christian Oerlemans

De zuidelijke strook Portugal,160 kilometer langs de Atlantische oceaan, werd door de Moren Gharb Al Andalus genoemd of kortweg Al Gharb (het westen). De uiterste westpunt, Sagres met kaap São Vicente, werd toen gezien als het einde van de wereld. Hier vestigde Infante Dom Henrique de Avis (O Navegador) begin 15e eeuw een “zeevaartschool” om aan de kapiteins uit te leggen dat de aarde niet plat was. Hij initieerde de eerste Portugese ontdekkingsreizen en ontwierp hiertoe een speciaal latijns getuigd (in tegenstelling tot vierkant getuigd) zeilschip, de Caravela Latina. Dankzij deze schepen, die ook goed aan de wind konden zeilen, plus de navigatielessen van ‘Hendrik de Zeevaarder’, domineerden de Portugezen in de 15e en 16e eeuw het tijdperk van ontdekkingen, waarmee tevens het koloniale tijdperk werd ingeluid. Misschien nog vermeldenswaard dat Lagos de grootste slavenhaven van Europa werd.

Genoeg euforie. Ondanks Hendrik en de rijke handelaren in Lissabon, bleef de Algarve een armoedige strook tussen de bergen en de zee, het landje van de vissers en de kleine boeren met schapen en geiten en wat amandelen en olijven. Vijfentwintig jaar geleden was de ezelwagen nog een populair vervoermiddel. De mensen hier werden (en worden) Algarvios genoemd, een kleine donkere soort, pezig en goedaardig. Oud Moors bloed. Vooral de oudjes zijn soms onwaarschijnlijk klein. In het postkantoor kon een oud vrouwtje nauwelijks bij haar pensioengeld (450 euro) dat voor haar werd uitgeteld op de balie. En bij de cafeetjes en in de parken zitten kleine kromme mannetjes elkaar over vroeger te vertellen. Vroeger, toen iedereen hier klein was. Nu is iedereen van normaal postuur. Hoewel, sinds de instroom van de Zweden, zie je ook veel boomlengten. Oorzaak is de belastingontheffing. Zweden (en ook Fransen en Finnen) mogen hier namelijk van hun pensioen komen genieten zonder belasting te betalen. De ca. 450000 bewoners hier zijn dan ook niet allemaal Algarvios. Meer dan 20% is import. Een grijze golf overspoelt deze prachtige kuststrook, met gevolg dat er veel wordt gebouwd (niet altijd even mooi) en dat de Algarvios protesteren omdat wonen voor hen te duur wordt. Alle goedkope appartementen zijn uitverkocht. Makelaars – en dat zijn er honderden, want iedereen kan makelaar worden – zoeken naarstig naar panden voor hun Portefeuille. Courtage hier is standaard 5%, soms meer. Je kunt je pandje als je wilt bij tien of meer makelaars te koop zetten, In ons dorp was ooit één makelaar, nu zijn er drie kantoren.
Willemine, mijn kunstzinnige echtgenote, komt al jaren als kunstenares bij Casas das Molduras (huis der lijsten) voor inlijstingen. Paar jaar terug werd de winkel een makelaarskantoor en de inlijsteraar zit achter een bureau met foto’s van huisjes terwijl zijn echtgenote het inlijstwerk verzorgt.
Een Nederlander – genaamd Jan – achtervolgde mij per telefoon en email, namens een makelaar, genaamd ‘Goddelijke Eigendommen’ (Divine Properties). Zij willen heel graag, ja heel erg graag ons pand verkopen. En Jan was niet de eerste! Om de haverklap staat er een man of vrouw (laatste vaak niet onaantrekkelijk) aan de poort. Wat komt u doen? Goedemorgen, mag ik uw pand verkopen?
Het gaat ineens erg goed hier in Portugal. Zegt men. Ambachtslieden zijn niet meer verkrijgbaar, ze nemen gewoon hun telefoon niet op. Overal is werk en de dagprijs van voorheen rond 50 euro loopt op naar soms ongekende hoogten voor dit land. Ik had een schilder nodig want zelfs teakhouten deuren worden lelijk in de zon. Niet zo erg als mensen, maar toch… Had ik viavia eindelijk een jong ambitieus startend bedrijfje gevonden. Asjeblieft, die jongens wilden meteen aan de slag Begroting tienduizend euro. Wat?? Voor twintig deuren en vijf ramen? Ja hoor es, ik kom hier al sinds de ezelwagen…
De man die het nu doet – genaamd Vitor Bravo – komt met zijn dagprijs van 70 euro ongeveer uit op ruim 2000 euro. Ook al niet meer zo goedkoop als vroeger.

Ja het trekt aan in de Algarve en zo kwam er ook een enorme Ikea midden in het prachtige landschap ten zuiden van de oude hoofdstad Loulé. Parkeerterrein zo groot al tien voetbalvelden. Rondom Ikea is een shopping mall gebouwd zoals je die alleen in Amerikaanse films ziet. Alle merken voorradig. Niet voor Vitor Bravo en zijn familie maar voor de expats van Vale do Lobo. Voor Vitor Bravo en andere klussers is er een bouwmarkt van Leroy Merlin waar ze richting kassa’s doolhofhekken hebben zoals op de luchthaven.
Uiteindelijk waren ook wij naar het winkelparadijs rondom Ikea gegaan, want dat moet je gezien hebben. Kwam goed uit want mijn echtgenote had dankzij de nieuwe privacy wetgeving geen whatsapp meer op haar telefoon. En dat is lastig, zeker omdat kleinkinderen in de App-wereld leven. Whatsapp eiste een update, maar die werkte niet. Gelukkig is er in dat gigantische winkelcentrum ook een Phonehouse. Drie mobiele mannen en geen klanten. Beleefd vraagt Willemine eerst of ze een batterij hebben voor haar Samsung. Want: als je iets wilt kopen ben je klant. Een batterij hebben ze niet, hadden wij ook niet verwacht, maar nu kan zij liefjes vragen of de gekwalificeerde telefoonverkoper even naar haar Whatsapp kan kijken. Wat nu volgt kan alleen hier: de jongeman stort zich erop met hart en ziel en is ruim een halfuur bezig om haar telefoon van álle updates te voorzien.
Ja, de mensen zijn hier aardig en behulpzaam, dat is de aard van de Algarvios. Enige nadeel bleek dat zij nadien niet meer gewoon kon bellen, dus heb ik een half uur met een Nederlandse Vodafone-assistent aan de lijn gezeten, via mijn mobiele abonnement. Ach, die was ook erg aardig hoor. Je moet het leven met de elektronica blijmoedig ondergaan.

 

Liberta, onze hulp, wilde strijken. Hiertoe hebben wij zo’n modern stoomapparaat. Kwam geen stoom meer uit. Gelukkig hebben we nog twee strijkijzers die zij ooit had afgekeurd, maar die nu van pas kwamen. Omdat er inmiddels ook een stofzuiger was stilgevallen, ging ik met beide artikelen naar het reparatiebedrijf voor elektrische huishoudelijke apparaten, genaamd Ricafre, maar door Willemine hardnekkig Biafra genoemd. Zij had natuurlijk inmiddels al een nieuwe stofzuiger gekocht in die nieuwe megalomane shopping mall, bij de firma Worten, een hectare vol elektrische apparatuur. Ook een heel gedoe trouwens, want de oude Rowenta vermeldt op zijn schild 2100 Watt. Dus wilde zij 2100 Watt. Haha, bestaat niet mevrouw! De max is 750 watt, Europese regelgeving. Maar dan wel drie keer A. Alweer wat geleerd. Goed, ik dus naar Ricafre omdat die ook al twee keer onze vaatwasser van AEG hebben gerepareerd. De installateur die toen kwam legde uit dat reparatie niet de bedoeling is. Het is de bedoeling is dat men een nieuwe koopt. Daar is de printplaat op berekend. Is er dan geen nieuwe printplaat te koop? Nee meneer, want het model is verouderd. Ditzelfde verhaal hoorde ik toen onze airco installatie ermee ophield. Sja, ácht jaar meneer. Nee, reparatie kan niet. Moet een nieuwe komen… (Kostte me 5000 euro).

Terug naar Ricafre. Of liever gezegd op weg met stofzuiger en strijkijzer. Kom ik via achteraf straatjes in een armzalig buurtje van Faro terecht. Ik had een bedrijf verwacht met uithangbord en lichtreclame, maar het is een onderstuk van een oud flatgebouw. Het ouderwetse Nederlandse ‘stofzuigerhuis’ is hiermee vergeleken een geacheveerd technologiepaleis. Maar wat een menselijke aardigheid. De huisvrouw achter een soort balie doet haar best Engels te spreken. Jazeker, stofzuigers en strijkbouten kunnen hier gerepareerd worden. Het zal wel even gaan duren, want ze hebben het druk. Wat wil je, met al die snel verouderende apparaten. Ricafre zit middenin het gat in de markt. Op een doorslagbloknoot schrijft zij alles op. Ik krijg de nauwelijks leesbare kopie. Inmiddels is er een mevrouw binnengekomen. Zij komt haar magnetron ophalen. Terzijde probeert een oudere meneer een groot bakijzer op de toonbank te tillen. Een jeugdig en snel meisje rent in en uit. Allemaal wensen zij mij op een toon van vriendschap en verbondenheid een mooie dag toe.

Algarvios. Als ze je langer kennen dan een half uur, zoenen ze je.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie over: Helge Bonset, Nijlpaard op Loosdrecht

Lees hier de recensie

5tn0nijlpaard-op-loosdrecht-cover-n-2kl

 

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Pleidooi voor het korte verhaal, Heidi Koren

Wat ik haar nu écht zou willen aanraden, vroeg ze. Het was warm in de winkel en kwart voor zes. Ik was me al aan het voorbereiden op het sluiten van de zaak en verheugde me op de duik in de rivier die ik zou gaan nemen op mijn weg naar huis, toen de laatste klant binnenkwam. Ze had zichtbaar de tijd. Ik hoefde niet na te denken over haar vraag want was eerder die week naar huis gegaan met de nieuwe bundel van A.M. Homes in mijn rugzak. ’s Avonds in de tuin had ik hem opengeslagen, ondanks het feit dat ik al bezig was in twee romans, die met deze zet duidelijk het onderspit zouden gaan delven. Homes is scherp, geestig, origineel, alles wat je wilt zijn als schrijver. Geen zin is lelijk of zinloos of zoals je ze leest in de Viva, iets wat ik niet kon zeggen van een Boek van een maand van DWDD dat ik eerder na twee hoofdstukken al had weggelegd, maar goed.

Ik drukte ‘Dagen van inkeer’ van Homes in haar handen. Dit moet je lezen, zei ik.

De dame is belezen, slim, ze zal de humor en scherpte van Homes weten te waarderen, ik weet het zeker. Geïnteresseerd bekijkt ze de kaft. De uitgever heeft niet vermeld dat het een verhalenbundel betreft, wat ik kan begrijpen. Ze verkopen niet in Nederland, korte verhalen. Ik voel me toch verplicht het haar te zeggen, maar het is mijn strot nog niet uit of ze geeft me het boek terug. Nee geen verhalen, zegt ze.

Het pleidooi dat ik dan afsteek, steek ik minstens een maal per week tegen klanten in de boekhandel waar ik werk af, regelmatig met succes maar ik word er wel een beetje moe van. De meeste Nederlandse lezers beschouwen bundels (verhalen of gedichten) als niet voldoende waar voor hun geld. Daarom pleit ik er nu hier maar een keer voor, met de boodschap: lees dit allemaal, knoop het in je oren, probeer het uit en koop goddomme gewoon goede literatuur! Alles: proza, poëzie, essays. Stap eens uit je patroon. Een bundel korte verhalen is níet zonde van het geld en wel hierom:

Je leest de bundel als een boek, dat is het namelijk ook. Na ieder verhaal krijg je zelfs de gelegenheid even op adem te komen. In die tijd kun je gerust iets anders doen, zoals een glaasje wijn inschenken of een vakantie boeken. Dat is erg aardig van de schrijver

De schrijver verveelt je niet met zinloze opvulling van de bladzijden waarin hij eindeloos beschrijft hoe de blaadjes ritselen in het dicht begroeide bos waar tussen het sterretjesmos ook nog werkelijk zo nu en dan een lelie te vinden is waar je tussen zou kunnen knielen om je gewoon even prinses te voelen, iets waar iedereen wel eens behoefte aan heeft maar meestal niet toe komt. De schrijver van het korte verhaal vertelt je gewoon wat je moet weten. Geen woord te veel. Bijzonder knap.

Het korte verhaal is vaak zo goed gelaagd dat het de moeite van het hérlezen verdient. Een boek dat herlezen wordt is zeker zijn twee tientjes waard. Hoe vaak hérlees je nu eigenlijk een roman?

Een kort verhaal leent zich goed om voor te lezen. Hoe fijn is dat? Lees je lief eens voor voor het slapen gaan. De schrijver heeft er dus rekening mee gehouden dat je niet eerst helemaal hoeft uit te leggen waar het over gaat en de weken daarna je partner op de hoogte moet houden hoe het is gesteld met je personages wat uiteindelijk ongetwijfeld tot ruzie zal leiden (lees dat boek goddomme zelf!). Nee je leest gewoon een goed verhaal voor- welterusten lief doei.

Je kunt het ook influisteren/ inspreken/ of appen nou ja dat laatste niet vaak maar toch. In het geval van Lydia Davis behoort het tot de mogelijkheden.

A.M. Homes dus, die moet je hebben. Zo ook Lydia Davis, Lucia Berlin, Tobias Wolff. Maar ook dichter bij huis worden prachtige verhalen geschreven die veelal worden gepubliceerd in mooie literaire tijdschriften.

Het korte verhaal gaat me aan het hart. Niet in de laatste plaats omdat ik ze zelf schrijf, ook omdat het zo razend heerlijk is even een wereld ingedonderd te worden om er, een tikkeltje door elkaar geschud, weer uit te komen. Na tien minuten bekijk je alles toch weer een beetje anders. Een gemiddelde nieuwe roman kost in Nederland twee tientjes. Twee tientjes voor een goed verhaal is niks. Het verhaal gaat een leven lang mee. In een bundel staan er wel acht, soms wel twintig. Tel uit je winst. Lees dat genre, en betaal ervoor!

 

Vrouwen

Gelijkwaardigheid

Er is een nieuwe uitgeverij geboren, Chaos genaamd.

Chaos profileert zich als de enige feministische uitgeverij van Nederland en wordt geleid door drie dames. Hun eerste uitgave is een nieuwe vertaling van Virginia Woolf’s Een kamer voor jezelf. Prima keuze, lijkt me zo. Het boek wordt mooi ingeleid door een briefwisseling tussen Simone van Saarloos en Gloria Wekker. Ik zit ermee in mijn eigen gebouwde tuinkamertje, waar ik nu ook een lampje heb opgehangen zodat ik ’s avonds langer buiten kan lezen. Ik heb tegenwoordig meer dan één kamer voor mijzelf en heb daar bij tijd en wijle ambivalente gevoelens over, maar nooit over de tuinkamer. Die is van mij.

Er was een tijd dat ik met een heel gezin in één huis woonde. De man en ik waren beiden zelfstandig ondernemer, maar hij iets meer dan ik. Dat moet de reden zijn geweest dat, onbesproken, de enige vrije kamer in ons huis, zíjn werkkamer werd. Of het feit dat hij meer rommel om zich heen verzamelde dan ik, dat kan ook. Ik maakte er geen punt van, maar voegde me naar de omstandigheden, nam mijn laptop op schoot en zocht naar een vrije plek in huis om te kunnen werken. Totdat ik er ineens wél een punt van begon te maken, toen was de boot aan.

Op zeker moment ben ik begonnen mij af te vragen waarom hij de werkkamer had en ik de laptop op schoot. Waarom hij een nieuwe winterjas aanschafte als hij die nodig had en ik nog wel een jaartje langer kon met die van mij. Waarom hij.… De lijst bleek langer dan me lief was, en ineens zaten al die dingen me dwars. Het antwoord op de vragen was simpel. Hij handelde gewoon naar zijn behoeften terwijl ik vooral afstemde, aanpaste, aanvoelde en me voegde naar de mensen en de omstandigheden om me heen. Niet omdat ik mijzelf minder waard vond dan de rest van het gezin, niet omdat ik mijzelf niet serieus nam of mijn carrière van minder groot belang vond dan die van hem. Misschien wel omdat mij geleerd is rekening te houden met mijn medemens. De kans is aanwezig dat mij, als vrouw, geleerd is iets meer rekening te houden met mijn medemens, dan dat het mijn broers is geleerd. Aannemelijk is dat ik ben beïnvloed door de generaties vrouwen die mij voorgingen. Zeker is dat ik mij niet bewust ben geweest van het feit dat ik speelde ik een klein afgebakend veld van keuzeruimte, mij niet realiserend dat mijn werkelijke keuzevrijheid immens veel groter was dan dat waarvan ik gebruik maakte. Ik dacht volkomen vrij te kiezen, te beslissen, mij uit te spreken, maar realiseer mij nu pas dat ik begrensd ben zonder te weten waar de hekken staan.

We hadden de vraag welke plek zijn werkkamer zou gaan worden op honderd verschillende manieren kunnen benaderen. Te beginnen bij: wat hebben we allemaal nodig? Hoe kan een ruimte worden ingedeeld? Waaraan hebben we individueel behoefte? Het zou hebben geleid tot een andere inrichting van het huis dan gebeurd was na het stellen van de vraag: welke kamer wordt zijn werkkamer? Maar zelden nog geven we onszelf de ruimte om de situatie weer op nul te zetten bij het nemen van een beslissing. We borduren voort op het voorgaande. En als het grootste probleem in het vorige huis is geweest dat de man geen werkkamer had, zal het eerste dat wordt ingericht in het nieuwe huis een werkkamer voor de man worden. Is de vrouw het daarmee eens? Ja hoor. Wordt er nu voorbij gegaan aan andere behoeften? Jazeker en we zullen ze op deze manier niet eens ontdekken, want ze worden niet onderzocht.

Ik snap ineens waar de dames hun naam vandaan hebben. Soms is er chaos nodig om het tij te doen keren. Dat begreep Virginia  Woolf al toen ze nog rond draalde in de tuinen van Oxbridge. Ze wil de bibliotheek in maar wordt bij de deur tegengehouden door een ‘kleinerende, zilvergrijze, beminnelijke heer, die aangeeft dat dames alleen in gezelschap van een universiteitsdocent de bibliotheek mogen betreden’. Het is honderd jaar geleden. Het zou niet hebben uitgemaakt als Virginia was gaan stampvoeten of de man op zijn snuit had getimmerd. Ze zou de strijd hoe dan ook hebben verloren, maar ze heeft evengoed haar best gedaan.

De afgelopen week maakte het CPNB bekend dat het Boekenweekgeschenk zal worden geschreven door Jan Siebeling en het Essay door Murat Isik. Twee mannen gaan schrijven over het thema ‘de moeder, de vrouw’. Een slordige telling leert me dat sinds de komst van het Boekenweekgeschenk achttien vrouwen het cadeauboek van de CPNB hebben mogen schrijven tegenover zevenenzestig mannen. Voor het schrijven van het essay werden zes vrouwen uitgekozen tegenover vierentwintig mannen. Het is zowel een hooghartig als kortzichtige beslissing. Bij het nemen van deze beslissing is namelijk niets anders gedaan dan voortborduren op waar we al waren. Niemand is op het idee gekomen de lijn weer op nul te leggen, eens om zich heen te kijken, de wereld met frisse blik te aanschouwen en zich vers af te vragen: goh, het thema ‘de moeder, de vrouw’, wie zal dát boek nou eens moeten gaan schrijven?

 

Lief

De minnaar en ik spelen een potje Wordfeud. Ik vanaf mijn tuinbank, blote voeten op het krukje, glas witte wijn binnen handbereik. Het is eind april en al langer licht, zodat ik na mijn werk op deze plek nog net even het laatste stukje zon kan meepikken. Hoe de minnaar er 85 kilometer Noordwaarts bij zit, weet ik niet. Als ik het hem vraag, zegt hij ongetwijfeld; met mijn blote kont op de bank. Dat zegt hij altijd.

Als één van ons de moeite zou nemen naar de ander toe te rijden, zouden we écht kunnen scrabbelen. Het bord tussen ons in, mijn voeten op zijn benen. Ondertussen zouden we de dag doornemen, wat hij gedaan heeft, wat ik gedaan heb bla bla bla. We zouden voor het slapen gaan de hond nog even uitlaten, hand in hand misschien, thuiskomen en twee bekers thee mee naar boven nemen, ons uitkleden in de slaapkamer en naakt onder het dekbed kruipen. We zouden lieve woorden fluisteren in het pikdonker. Woorden die klinken als zacht, of fijn en jij. Korte woordjes. Wie weet wat daar allemaal weer uit voort zal komen?

In plaats daarvan, schuif ik het woord klootzak het digitale spelbord op. Ik pak daarmee zowel de twee-keer- als ook de drie-keer-woordwaarde en win er bijna zeker het potje mee. Ik stuur er meteen een berichtje achteraan; het is niet persoonlijk, maar het blijft stil.

Een bruine merel op mijn schutting fluit uitgebreid naar een zwarte merel op mijn schuurdak. Een lange zin is het. Het klinkt als; goddomme waar heb jij de hele dag uitgehangen? Hij begrijpt de boodschap en windt er geen doekjes om, vliegt op en landt naast haar. Nadat ze wat korte kwetteringen uitwisselen, vliegen ze op en verdwijnen achter de hoge conifeer van de buren.

De minnaar moet zeker tien minuten bijkomen van mijn honderzeventien punten. In de tussentijd nestelt dat woord klootzak zich in mijn hoofd. Ik vind de minnaar zeker geen klootzak, nog voor geen honderdzeventien punten. Ik vraag me af of ik geen ander woord van die letters had kunnen maken. Dan legt hij lief, voor vijf punten en dat is genoeg om mij op te doen springen. Ik zit binnen twee minuten in de auto en rijd Noordwaarts. Ik heb een uur de tijd om heel veel lieve woorden te bedenken.

 

‘Literatuur als avontuur’
Zo hebben wij de blog genoemd die maandelijks op onze website zal verschijnen. De door ons uitgekozen blogschrijvers zullen zes maanden lang hun ervaringen met de literatuur in Nederland en België onder woorden brengen. Het kan gaan over hun eigen schrijverschap, over boeken die iets bij hen teweeg hebben gebracht, over personen en gebeurtenissen in boekenland, over ontwikkelingen binnen de literatuur die ze hebben waargenomen, over stijl, over taal, over ideeën. Maar laten we het vooral aan de schrijvers zelf overlaten waarover hun blogs zullen gaan. Een avontuur moet het ook voor ons lezers blijven. De eerste in de reeks is Heidi Koren. Zij debuteerde in 2015 met de bundel Gedachten over een mogelijk einde bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Ze doceert creatief schrijven aan jong en oud, werkt in een boekhandel en schrijft momenteel haar afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam.

Gepost in Extazeblog: Literatuur als avontuur, Home | Plaats een reactie

Nieuwe recensies over:
Anouk Smies, Onbeschoft zo wit en
Wim Hazeu, Lucebert. Biografie

Lees hier de recensies

9200000091916904 plaatje Hazeu_Lucebert

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Een vreemde snuiter, door Mischa van den Brandhof

Afwijzingsbrief

Beste Miguel,

Bedankt voor je manuscript In het Licht van de Maan.

Wat interessant om te lezen dat je het getypt hebt op de portable Olivetti van je grootvader, zo te zien met een 8pt Veronese.

De plot is bijzonder en meeslepend. Je hoort niet vaak van een snuitkever die zijn geboortegrond in het amazoneregenwoud moet verlaten als blijkt dat hij magische krachten heeft en al reizende door de Selva vele avonturen beleeft en uiteindelijk in Bahia belandt, waar hij zich aansluit bij een groep hoornaarwespen die hem inwijden in de vecht- en danscultuur van capoeira en waar hij zijn nieuwe thuis vindt. Het is invoelzaam en toch levendig geschreven. Je beschrijft de betovering van de Afro-Braziliaanse wereld, zonder dat je de historische realiteit uit het oog verliest. Heel knap dat je dit weet te bereiken ondanks het feit dat je, zoals je bekent, nog nooit in Brazilië bent geweest.

Het staat buiten kijf dat het uitstekend in ons fonds past, tussen titels als Ons Soort Beren: de gebundelde verhalen van E. Tardigras; Van Boomschors tot Acai Bowls: originele recepten voor de hippe capibara; Verliefd op een Flamingo: als roze je teveel wordt en Voetjes op het Water: een Jesushagedis vertelt.

We zouden heel graag een stem geven aan iemand die door velen toch gezien wordt als een woekerdiertje. We denken echter niet dat er een markt is voor deze roman, mede gezien de huidige wereldvoedselproblematiek. Hopelijk komt er wel een tijd waarin het publiek klaar is voor een protagonist als de jouwe.

Blijf vooral schrijven!

Met vriendelijke groet,

Luiza
Uitgeverij Evenaar

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 26,
de nabeelden

Donderdagavond 7 juni werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een avond met alleen maar hoogtepunten: scherpe voordrachten, Jazzy muziek, fijnzinnige gedichten met veel ruimte voorgedragen, Noise, en de ‘punktijd’ was voor even weer terug.
De optredenden:
. Rutger H. Cornets de Groot (voordracht);


. Voordracht Cor Gout (tekst: Dick Brongers): ‘de stem van Max Blokzijl’;
. RED, light: Ellister van der Molen, Bob Wijnen (muziek);
. Maria van Oorsouw (gedichten);
. Sebastiaan Schlicher: fragment van de opnames met noise-collectief Amerikan Teenager in het Luceberthuis (film);
. Leonor Faber-Jonker over Ton Lebbink (woord, beeld, geluid).
De volgende Extaze in de Houtrustkerk is op 13 september.

De mooie foto’s hieronder zijn van Eric de Vries.

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Wat is er gebeurd, oude M.?, Helge Bonset

1.
Wat is er gebeurd, oude M.? Wat is er toch met je gebeurd?                                                      
Op een avond ga je naar boven en val je van de trap. Je wordt naar het ziekenhuis vervoerd en daar overlijd je de volgende dag. Je bent dan drieënzeventig jaar. Je was altijd gezond. Tot zover de feiten.

2.
Je bent in je woonkamer, alleen. Het is laat op de avond, je vrouw ligt al lang in bed. Straks ga je de trap op, naar je eigen slaapkamer.
Je zit op de bank waarop overdag meestal je vrouw ligt. Er tegenover staat een tweede bank: die voor het bezoek, waar ik altijd op zat in de jaren dat ik bij jullie thuis kwam. Achter je leunstoel bij het raam brandt nog de staande schemerlamp. Kennelijk heb je daar eerst zitten lezen. Maar nu heb je je boek uit, of weggelegd.
De hangklok tikt. Het licht van de schemerlamp weerkaatst in de glazenkasten, één gevuld met serviesgoed, één met boeken.
Er is geen tv in de kamer. Aan de muur hangt nog het kastje van de voormalige draadomroep.
Op de eikenhouten tafel bij je bank staan je glas en de whiskyfles. Je zit voorover, je ellebogen rusten op je knieën, je handen houden je hoofd vast. Je kijkt naar de grond. Af en toe richt je je op en schenk je je glas vol.
Ik probeer je gezicht te zien, maar steeds als je je glas in één slok leeg hebt gedronken, verberg je je hoofd weer in je handen. Ik zie alleen je stevige grijze haardos, met die mooie slag erin. Je bril ligt voor je op tafel.
Waar denk je aan, oude M.? Wat denk je?
Je kijkt op de hangklok en staat op. Terwijl je houvast zoekt aan meubels en muren, knip je alle lichten uit. De bijna lege whiskyfles en je glas heb je al in een gesloten kastje van het dressoir gezet.
De kamerdeur piept, dus je opent en sluit hem heel voorzichtig om je vrouw niet wakker te maken. Dan ga je de trap op naar boven.
De trap maakt een bocht naar rechts. Duizenden malen heb je op die trap gelopen en die bocht gemaakt. Zo lang wonen jullie hier al.
Maar dit keer glijdt eerst je ene been weg en dan je andere. Je handen grijpen in de lucht, je valt achterover met je hoofd tegen de muur, en dan nog eens voorover alle traptreden af. Als een levenloos, gebutst omhulsel lig je onderaan de trap.
Nu wordt je vrouw toch nog wakker.

3.
Van je zoon, de jonge M., hoorde ik wat er gebeurd was. Ik ging naar het rouwcentrum waar je lag opgebaard. Het centrum had zijn best gedaan om al je blauwe plekken en builen weg te schminken, maar echt gelukt was dat niet. Je ogen hadden ze gesloten.
Wat was je eigenlijk klein en dun in die kist!
Ik keek een tijd naar het raadsel van de dood. Jouw persoonlijke raadsel hield me pas later bezig.
Ik zocht je vrouw op. Ze zat in jouw leunstoel en huilde. Hoe had het kunnen gebeuren? Hoe had ze het kunnen voorkomen?
Ze had spijt, berouw, dat ze al zoveel jaren geleden tegen je had gezegd dat jullie maar apart moesten gaan slapen. ‘Ach, die oude lichamen…,’ had ze als verklaring gegeven, en toen was er een tweede slaapkamer voor je ingericht.
Had ze je de laatste jaren niet teveel alleen gelaten? Had ze zich genoeg afgevraagd wat er in je omging?
Daar wist ik ook geen antwoord op. Dus ik humde alleen af en toe instemmend, ten teken dat ik je vrouw begreep, dat ik met haar meeleefde zelfs. Dat ook ik het erg vond dat er op jullie bovenverdieping voortaan een slaapkamer leeg zou staan.

Op je begrafenis sprak de jonge M. Hij sprak je rechtstreeks toe, zoals ik dat nu ook doe. Ik hoorde dat toen voor het eerst op een begrafenis.
In onze jeugd vroeg hij mij ooit of ik ouders kende die nog stommer lulden dan de zijne. Maar nu sprak hij liefdevol. Hij was ouder geworden en besefte dat hij van je hield.
‘Ja Pa,’ zei hij, nadat hij al je goede kanten had belicht. ‘Nu komen we toch onherroepelijk bij wat níet jouw sterkste punt was. Dat was praten, over wat je dacht of wat je voelde. Over jezelf.’
Het werd niet opeens muisstil in de zaal. Dat was het al. Maar het golfje van herkenning dat door de mensen ging die gekomen waren om jou te herdenken, was onmiskenbaar.

4.
Dat ik zo weinig weet over jouw laatste uren, dagen, maanden, jaren ligt natuurlijk niet alleen aan jou. Ik had ook zelf vragen kunnen stellen. Aan jou, toen je nog leefde, en later aan je vrouw of je zoon.
Maar je vrouw praatte tijdens mijn sporadische bezoeken al gauw niet meer over jou, maar over Indië, en de mooie tijd die jullie op de onderneming gehad hadden. Ze vroeg me soms om Indonesische woorden in te vullen die ze vergeten was (‘Ach, help me even….’), wat mij nooit lukte omdat ik alleen pedis en goedang had onthouden uit de tijd dat ik bij jullie kwam eten.
Later moest ik ook Nederlandse woorden voor haar gaan invullen. En toen je vrouw me een keer opgetogen begroette met ‘Peter!’, de naam van jouw intussen ook overleden broer, wist ik dat ik geen antwoord meer zou krijgen op de vragen die ik niet had durven stellen.
Je vrouw viel op een dag en brak haar heup. Toen die geheeld was, werd ze vanuit het ziekenhuis rechtstreeks vervoerd naar een tehuis waar ze nog tien jaar lachend en knikkend doorbracht in haar rolstoel, zonder ooit een woord te zeggen.

En je zoon? Terwijl ik dit schrijf, is de verleiding groot om hem alsnog te vragen wat er met jou is gebeurd. Maar ik spreek de jonge M. niet meer dan een of twee keer per jaar, en alleen door de telefoon. Elk jaar belt hij mij op de dag van mijn verjaardag, die toevallig ook de jouwe is. Misschien houdt hij zo ook de herinnering levend aan jou. Een paar maanden later bel ik hem op zijn verjaardag terug, als ik dat niet vergeet.
En daar komt bij: de jonge M. is niet jong meer. Hij is nu vijfenzeventig. Twee jaar ouder dan jij bent geworden, twee jaar ouder dan ik nu ben. Kort geleden had hij een herseninfarct, waarvan hij nog aan het herstellen is. Hij kon op tijd zijn zoon bellen die om de hoek woont. Hij heeft geluk gehad. Maar je kunt je misschien voorstellen, oude M., dat ik er nu niet zo makkelijk toe kom om telefonisch bij hem naar jouw einde te informeren.
Terwijl ik schrijf over wat er met je gebeurd is, moet ik dus mijn fantasie aan het werk zetten. En mijn herinneringen aan jou ophalen.
Je zit weer (of nog) in je woonkamer, laat op de avond, hoofd in je handen, whiskyfles en glas op tafel. Waar denk je aan?
Misschien aan je jaren als planter in Indonesië, door jou en je vrouw de rest van jullie leven als Indië aangeduid. Het paradijselijke land waar Soekarno jullie in de jaren vijftig zo onverwacht en onverdiend uit verdreef. En misschien ook aan de garage van je broer, waar je bij jullie terugkeer aan de slag kon, of beter gezegd moest. De rest van je werkzame leven heb je daar de klanten geholpen alsof het verkopen van auto’s je eerste keuze in het leven was.
Eén keer maar heb ik je teleurstelling gezien, op een avond toen ik als jonge student, geheel in de geest van die tijd, betoogde dat werken eigenlijk helemaal niet belangrijk was in het leven. Dat het er vooral om ging dat je jezelf ontplooide, dat dat op allerlei manieren kon, en dat het dus prima was als mensen niet werkten.
Jij kreeg tranen in je ogen, oude M., je verhief je stem, je vroeg mij om me eens voor te stellen hoe het was als je plotseling midden in je leven alles verloor, al het werk dat je met zoveel moeite had opgebouwd. Ik schrok en krabbelde haastig terug. Zo had ik het niet bedoeld, en zo wilde ik jou liever niet zien.
Misschien denk je aan je kinderen: twee al gescheiden, de derde op komst. Je begrijpt daar niets van. Waarom kan het bij hun niet gewoon zo gaan als bij jullie? Jullie hebben toch het goede voorbeeld gegeven?
Ja, je vrouw en jij waren een twee-eenheid, in woord en in daad. Al was het zo dat haar spottende, scherpe tong en grillige temperament altijd de boventoon voerden. Jij lachte op de achtergrond gul mee, je viel haar niet af, hoe onwaar of absurd het ook was wat ze zei. Ook als het gesprek ging over de exen van jullie kinderen waren jullie even solidair als genadeloos.
Misschien denk je aan je afnemende krachten. Aan hoe je vrouw honderden meters voorop loopt als jullie samen wandelen. ‘Lopen jullie maar door, hoor!’ zei je tegen mij en haar, toen ik jullie een keer tegenkwam en aanstalten maakte om een stukje mee te wandelen. Dat deden we. Ik kon haar bijhouden, ik was nog jong. Na een tijdje keek ik om en zag ik jou in de verte achter ons aan strompelen. ’Zijn knie,’ zei je vrouw terloops. ’Maar hij komt wel, hoor.’ Ze hield onze pas er stevig in tot we in het dichtstbijzijnde dorp waren.
Of je denkt aan de laatste keer dat je met je vrouw ging zeilen, vanouds je lust en je leven. Er stak een onverwachte wind op, je raakte de greep kwijt op het grootzeil, de fok, alles wat je vroeger zo moeiteloos bediende. Je wilde de motor aanzetten om terug naar de haven te gaan, maar die sloeg pas na een kwartier aan. Ongeduldig schoof je vrouw heen en weer op de hoge kant van de boot. Zij was nooit de schipper geweest, dat was jij, en toen die nog thuis woonden af en toe je kinderen. ‘Waar zijn die kinderen,’ zei ze, ‘als je ze eindelijk eens nodig hebt? Met jou alleen ga ik echt de plas niet meer op.’
Toen ze me dit verhaal vertelde, lachte ze hartelijk, en op de achtergrond lachte jij dapper mee.

Maar misschien heb je helemaal niet zulke vastomlijnde gedachten. Misschien gaat het juist om wat je niét onder ogen ziet, oude M., om waar je je niet bewust van bent.
Dat onbestemde ongenoegen dat niet valt weg te lachen, dat gapende gat van de ouderdom dat je vergeefs met whisky probeert te vullen.
Het onomkeerbare van het verleden, het uitzichtloze van de toekomst.

6.
Het kan je zo langzamerhand niet ontgaan zijn, oude M., dat ik een meer dan gemiddelde belangstelling voor je aan de dag leg. Misschien vraag je je af waarom.

Laat ik bij het begin beginnen. Toen jullie mij opvingen, was ik een stuurloze student op een kamer bij jullie om de hoek. In die kamer bevonden zich een tafel, twee stoelen, een wastafel, een eenpersoonsbed, een butagaskachel en een kastje met studieboeken. Mijn keukengerei bestond uit een bord, een mes, een vork en een glas. Ruim voldoende, want ik had geen keuken.
Geen wonder dat ik, als ik laat op de ochtend wakker werd, bij jullie koffie ging drinken, in de hoop tegen lunchtijd ook nog een boterhammetje te krijgen. Jij en je kinderen waren naar werk en studie, je vrouw lag ontspannen op haar bank te lezen als ik door de achterdeur binnenkwam. Ze liet mij de koffie malen en zetten, zodat ze zelf niet op hoefde te staan. Als ik de kopjes binnenbracht, begon ze meteen enthousiast te praten: over het boek dat ze aan het lezen was en de boeken die ze daarvoor had gelezen, over de mensen in de buurt en bizarre nieuwtjes die ze over hen te weten was gekomen, over jullie tijd in Indië, soms over mijn vriend de jonge M. en wat ze met hem aan moest, hij was vaak zo onaardig.
Maar ze praatte niet alleen, ze stelde ook vragen. Ze was zeer geïnteresseerd in het leven van een adolescent in de net losgebarsten jaren zestig en vond in mij iemand die daar, anders dan haar eigen zonen, wel iets over los wilde laten. Dat ik vooral vertelde over mijn snel opeenvolgende en tot niets leidende liefdesavonturen ontmoedigde haar niet. De hoeveelheid ervan vond ze ronduit indrukwekkend, en door haar luchtige, lacherige reacties wist ze mijn tamelijk depressieve bestaan te framen tot een bron van spanning en amusement, zelfs voor mijzelf.
Ze was bepaald niet burgerlijk, het ergste dat oudere mensen konden zijn in mijn ogen. En ze luisterde naar me. Dat was ik niet gewend.
Tussen de middag kwam jij thuis van de garage, oude M., en meestal was ik er dan nog. Je begroette me altijd even hartelijk, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat ik nu alweer bij jullie op de bank zat. Je ging naar de keuken, je maakte boterhammen voor je vrouw, voor mij en tenslotte voor jezelf. Je vroeg of ik nog koffie wilde.

Het duurde niet lang tot ik ook ’s avonds bij jullie mee at, maximaal vier keer per week en tegen betaling van twee gulden per keer. Niet jij, maar je vrouw zelf vond het nodig om aan haar genereuze aanbod tegelijk ook paal en perk te stellen. Bij jullie mee-eten leverde me niet alleen een betere gezondheid op (het snackbarvoedsel begon zijn tol te eisen), ik kreeg ook een goede inkijk in jullie gezinsleven.
Als jij om half zes thuiskwam van de garage, ging je meteen door naar de keuken om de (meestal Indonesische) maaltijd te bereiden. Je vrouw adviseerde je vanaf de bank over ingrediënten en bereidingswijze, riep dat het voor mij niet te pedis moest worden, en vroeg haar kinderen of mij om bier en andere benodigdheden uit de goedang te halen. Na een tijd bracht jij, meestal samen met de jonge M., het eten naar binnen; de overige kinderen en ik hadden dan de tafel al gedekt.
Tijdens de maaltijd was vooral je vrouw aan het woord. Ze vertelde monter wat zij die dag allemaal gelezen, gehoord en gedacht had, hooguit soms onderbroken door de jonge M. Maar ook mijn invloed aan tafel nam snel toe. Na een maand vroeg ik waarom er eigenlijk nog gebeden werd voor het eten als er toch niemand meer naar de kerk ging – dat had je vrouw me verteld. Ze keek me stomverbaasd aan en barstte toen in lachen uit. Jij lachte mee. Van je kinderen kwam uiteraard geen protest, en het bidden werd met onmiddellijke ingang afgeschaft.
Mijn trekpleister was aanvankelijk je vrouw, dat is duidelijk. Maar later begon jij me steeds meer te fascineren, oude M. Jij was de stille kracht. Je deed en regelde alles op de achtergrond, je was de man die het geld verdiende en met vaste hand de auto en de zeilboot bestuurde, je had altijd goede zin en een gulle lach, maar wie was je?
Je toenmalige schoondochter zei eens tegen me: ’Pa (zo noemde ze jou, ze was gek op je) praat eigenlijk alleen maar over dingen.’ Dat bracht mij in verwarring. Dingen zag ik als de natuurlijke vijand van de mens, en ik kon me niet voorstellen dat ik sympathie kon hebben voor iemand die alleen maar over dingen praatte. Ze had dan ook geen gelijk, je praatte ook graag over mensen die je had gekend en avonturen die je had beleefd, vooral in Indonesië en daarvoor tijdens je studie Tropische Landbouw.
Waarschijnlijk bedoelde ze dat zij niet wist wat jij dacht en voelde, wie jij eigenlijk was. En dus ook niet waarom ze gek op je was.

Terwijl ik over je schrijf, besef ik hoezeer ik al mijn hele leven geboeid ben door mensen zoals jij, van wie alleen de oppervlakte zichtbaar is, bijfiguren in hun eigen verhaal. Bij zulke mensen blijf ik onvermoeibaar speuren naar de scheuren en barsten die toegang zouden kunnen geven tot hun diepte.
Ik maak me intussen levendige voorstellingen van die diepte, ik probeer hoofdfiguren van ze te maken, ik vul hun diepte in zoals ik dat nu doe bij jou.
Maar in de loop van de tijd ben ik me af gaan vragen of er wel bij ieder mens een diepte is.

7.
Het kan ook heel anders gegaan zijn.
Je zit in je leunstoel in de woonkamer; achter je brandt de staande schemerlamp. Je bent verdiept in je boek, je maakt een vergenoegde indruk.
Voor je op tafel staat een glas whisky, waaruit je af en toe een klein slokje drinkt. Je bent voorzichtig met alcoholgebruik, want aan je jongste M. heb je gezien waar dat toe leiden kan.
Je kijkt naar de hangklok. Het is twaalf uur, tijd om naar bed te gaan. Je legt je boek neer, zet je bril af, wrijft in je ogen, kijkt even voor je uit. Je denkt aan weinig, aan niets in het bijzonder. Dan sta je op en knip je alle lichten uit.
De kamerdeur piept, dus je opent en sluit hem heel voorzichtig, om je vrouw niet wakker te maken. Dan ga je de trap op naar boven.
Precies op het moment dat je de bocht neemt naar rechts, knapt er iets in je bedrading, iets vitaals. Zomaar. Er is geen enkele reden voor die dieper gaat dan materiaalmoeheid.
Deze vorm van pech onderweg hoort bij het leven, en vooral bij de dood. Ze maakt deel uit van de stompzinnige tombola van het menselijk bestaan.
Eerst glijdt je ene been weg en dan je andere. Je handen grijpen in de lucht, je valt achterover met je hoofd tegen de muur, en dan nog eens voorover alle traptreden af. Als een levenloos, gebutst omhulsel lig je onderaan de trap.
Je vrouw wordt wakker van het kabaal. Ze ziet je liggen, blijft kalm. Dan belt ze de ambulance, die je naar het ziekenhuis vervoert zodat je nog een extra dag kunt leven.

Er zijn mensen die bij een dood als de jouwe spreken van een mooie dood. En toegegeven, veel blijft je bespaard, oude M. De chemokuur, de dialyse, de pacemaker, de stoma, de kunstknieën en -heupen, de prothese, het looprek, de rollator, de invalidenwagen, ik doe maar een greep. De traplift, niet te vergeten.
Maar de mensen die zo spreken hebben jou niet opgebaard gezien. Daar was echt weinig moois aan. Ook zijn ze niet je nabestaanden, die zich, net als ik, blijven afvragen wat er toch met je gebeurd is.
En drieënzeventig jaar is echt te jong. Daar zijn we het waarschijnlijk over eens.

8.
Ik denk aan wat Marcus Aurelius schreef: ‘Degene die herinnert en degene die herinnerd wordt, zij allen leven kort.’ Ik heb jou herinnerd, oude M., ik heb je herdacht. Nu wijst mijn klok twaalf uur aan en is het genoeg.
Ik leg mijn pen in het pennenbakje en berg mijn papier op in een bureaula. Nadat ik mijn lamp heb uitgeknipt, schuif ik mijn stoel onder het bureau. Mijn whiskyglas zet ik op een plank van de boekenkast, naast de bijna lege karaf.
Ik kijk nog een laatste keer de kamer rond, een ingesleten gewoonte.
Dan ga ik de trap op naar boven.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe podcast: Not just Hemingway, te gast: Cor Gout

Not just Hemingway Podcast is een nieuwe serie podcasts over het korte verhaal.
Een interview met Cor Gout, o.a. over korte verhalen schrijven.
Het korte verhaal van Cor’s keuze is: ‘Zwavelmans’ uit de verhalenbundel
Rotgeluk van Kristien De Wolf.

‘Not just Hemingway is dedicated to giving stage to the Short Story
from all corners of the world.’

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , | 1 Reactie

Er nooit dichter vandaan,
Theo van der Wacht: Stapvoets

Vraag is of dit vers zich ervoor leent.
Probeer daarom eerst maar een paard.
Borstel de huid, poets het tuig, baad
in het zweet, ben òp voor ik het weet.

Maar wees alert, wat er briest, komt
stapvoets werkelijk op ons af. Koets,
kraaien en hoefslag doen hun beroep.
Wat is erger, een trap of een stomp.

Breken wij ons gedwee de nek over
de bloemen, de snacks, de toespraak.
Hoe er te komen, te voet of te paard.

Bevleugeld rouwen, afloop onzeker.
Niet te beteugelen anderhalve regel
er vandaan. Stampvoet. Snik. Zegel.
 

Lees meer »

Klein geluk

Bal, een balletje hooghouden,
mooier en langer dan het jouwe,
erop vertrouwend dat het mij eens lukt,
vermijd ik haast, onderlijn ik mijn geduld.

 

Tweedracht

Zo-even bij mijn brein aangekaart waar wij ons
komende tijd mee verstaan. Een samenstel van
taal, hersenspinsels, goede zin brengt ons waar

wij moeten zijn, hier-nu, socratisch in duel met
elkaar. Op gevaar af voor pretentieus te worden
aangezien, ogen wij tot hoe ver we kunnen gaan,

nemen wij zwart en wit als absolute grenzen aan,
regenboog als decor, koppelen we darm aan rede,
omarmen wij de tweedracht blij maar ontevreden.

 

Winters

Zo goed zo kwaad ingezoemd op de
plaats waar ik winters naar reikhals,
de symbiose van laagland, sloot, ijs.

Schaatsen uit het vet, dus toerrijders
opgelet: ‘t kan vriezen, kan dooien,
laat je niet foppen door mooipraat.

Nat pak te riskant? Wacht dan nog
een nachtje af. Waaghals bij hoog
en laag? Bewijs het in mijn plaats.

 

Op tilt

Een naar zuidwest krimpende wind. Storm
in de maak. Voorspellende woorden, tekst
slaat op tilt, zwalkende zinnen haken naar
een houvast – een bolder, touw op de tast.

 

Catche a falling starre.
John Donne

Climax

Me afgevraagd wat mij vandaag op de been
houdt. Onzinnige gedachten voeren mij naar
een riskante plek, een rondschouw die opgaat
in een climax: van een zon die kakelbont  uit het
zicht verdwijnt, waar men op de kim scènes uit de
hel uitbeeldt, en ikzelf, in het licht van die vuurstorm,
nu het kan, die nog onbekende, vallende staartster vang.

 

Passage Achterberg

Wie doet er nu nog Dante aan? Diens voorportaal
bestormde ooit als een visioen van Jeroen Bosch
mijn puberale brein – O schilderij, o schilderij.

Een Haagse rode maan verft een gevaar: Twee
mensen hand in hand, de Passage vliegt in brand,
de ijssalon in vlam en vuur en Francesca biedt mij
naast de cassata ook haar vingers aan, geniet een
voorjaarlang van mijn gesmul, meeliftend op mijn
tong…maar glimlacht telkens net iets te jong – O!
schilderij van Hel en Hemel en Voorbij.- Het is
nu donker in dat land, gehangen aan de wand.

Naamloos

 

 

Foto: Carel Steijn, schilderij: C. Troost

Buiten beeld

Het kunststuk volbracht, handmerk gezet.
Met zand aan de kwast, stofjes op de lens.

Kom vooral dichterbij, plek genoeg op dit
strand. Markant, zelfs de ezel hier is echt.

Voel mee, het doek is nog nat van de verf,                     |
mix van blauw, grijs en licht. En de stoel?

Schilder zelf blijft buiten beeld, – doel ìs en
blijft het zeezicht, en wat kijker ervan vindt.

Troost

 

 

 

 

C. Troost

Het zich legen
tot de laatste letter

Overvolle
luchtspiegeling

Zwanenstal

 

Gebeeldbraakt

Op een ongemakkelijke plaats verzeild
geraakt, grensvlak van beeld en spraak.

Waar deze locatie mee correspondeert
of naar verwijst.- Een verholen zin? Een
code die moet worden gekraakt?- Klank?
Geur? Pijn? De godsonmogelijkheid van?

Wat blijft is de hoop die nooit opgeeft,
een kompaan die de eindeloze afstand
te lijf gaat, al inpratend op het graniet,
waaraan elk zieleroersel zijn kop stoot.

 

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 


C. Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   
                                                                                                                    

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Lief, Heidi Koren

De minnaar en ik spelen een potje Wordfeud. Ik vanaf mijn tuinbank, blote voeten op het krukje, glas witte wijn binnen handbereik. Het is eind april en al langer licht, zodat ik na mijn werk op deze plek nog net even het laatste stukje zon kan meepikken. Hoe de minnaar er 85 kilometer Noordwaarts bij zit, weet ik niet. Als ik het hem vraag, zegt hij ongetwijfeld; met mijn blote kont op de bank. Dat zegt hij altijd.

Als één van ons de moeite zou nemen naar de ander toe te rijden, zouden we écht kunnen scrabbelen. Het bord tussen ons in, mijn voeten op zijn benen. Ondertussen zouden we de dag doornemen, wat hij gedaan heeft, wat ik gedaan heb bla bla bla. We zouden voor het slapen gaan de hond nog even uitlaten, hand in hand misschien, thuiskomen en twee bekers thee mee naar boven nemen, ons uitkleden in de slaapkamer en naakt onder het dekbed kruipen. We zouden lieve woorden fluisteren in het pikdonker. Woorden die klinken als zacht, of fijn en jij. Korte woordjes. Wie weet wat daar allemaal weer uit voort zal komen?

In plaats daarvan, schuif ik het woord klootzak het digitale spelbord op. Ik pak daarmee zowel de twee-keer- als ook de drie-keer-woordwaarde en win er bijna zeker het potje mee. Ik stuur er meteen een berichtje achteraan; het is niet persoonlijk, maar het blijft stil.

Een bruine merel op mijn schutting fluit uitgebreid naar een zwarte merel op mijn schuurdak. Een lange zin is het. Het klinkt als; goddomme waar heb jij de hele dag uitgehangen? Hij begrijpt de boodschap en windt er geen doekjes om, vliegt op en landt naast haar. Nadat ze wat korte kwetteringen uitwisselen, vliegen ze op en verdwijnen achter de hoge conifeer van de buren.

De minnaar moet zeker tien minuten bijkomen van mijn honderzeventien punten. In de tussentijd nestelt dat woord klootzak zich in mijn hoofd. Ik vind de minnaar zeker geen klootzak, nog voor geen honderdzeventien punten. Ik vraag me af of ik geen ander woord van die letters had kunnen maken. Dan legt hij lief, voor vijf punten en dat is genoeg om mij op te doen springen. Ik zit binnen twee minuten in de auto en rijd Noordwaarts. Ik heb een uur de tijd om heel veel lieve woorden te bedenken.

 

‘Literatuur als avontuur’
Zo hebben wij de blog genoemd die maandelijks op onze website zal verschijnen. De door ons uitgekozen blogschrijvers zullen zes maanden lang hun ervaringen met de literatuur in Nederland en België onder woorden brengen. Het kan gaan over hun eigen schrijverschap, over boeken die iets bij hen teweeg hebben gebracht, over personen en gebeurtenissen in boekenland, over ontwikkelingen binnen de literatuur die ze hebben waargenomen, over stijl, over taal, over ideeën. Maar laten we het vooral aan de schrijvers zelf overlaten waarover hun blogs zullen gaan. Een avontuur moet het ook voor ons lezers blijven. De eerste in de reeks is Heidi Koren. Zij debuteerde in 2015 met de bundel Gedachten over een mogelijk einde bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Ze doceert creatief schrijven aan jong en oud, werkt in een boekhandel en schrijft momenteel haar afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam.

Gepost in Extazeblog: Literatuur als avontuur, Home | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensies over:
Hans Muiderman, HANZE! en
Aly Freije, De vloeivelden in

Lees hier de recensies

HANZE!Aly Freije De vloeivelden in

Gepost in Home, Recensies | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Zeer Korte Verhalen, Pieter van Cauwenbergh

Sjofel-chique

Op zoek naar de ultieme openingszin waarmee ik het onderscheid kan maken als prozaschrijver, zie ik in gedachten mezelf al zitten schrijven aan een veel te klein houten tafeltje met een veel te grote iMac erop. Het interieur van mijn appartement in spe is minimalistisch en hip: een sanseveria op het raamkozijn, een bibliotheek van op elkaar gestapelde houten kratten, de salontafel niets meer dan een Europallet op krakkemikkige Gamma-wieltjes. Kortom, sjofel-chique met hier en daar een Scandinavische toets. Ik zie het zo voor me. Nu die eerste zin nog.


0032

Om haar schrijfsels bij de Nederlandstalige uitgevers bekend te maken, gebruikte Marijke Van Assche steevast twee e-mailadressen. Het eerste was gekoppeld aan d’r website (www.marijkevanassche.be) en had ze hello@marijke.be genoemd. Met het andere adres solliciteerde ze dan in Nederland. Onder marije@gmail.com. En haar naam veranderde ze stiekem in Marije van As. Om het allemaal echt te laten lijken, vatte ze aan met ‘Hoipiepeloi’, mengde ze een stuk of wat ‘nou’s’ en ‘sjonge jonges’ erdoor en maakte ze van confituur jam en van croque-monsieur tosti. Afsluiten deed ze met ‘Ajuus’ of ‘Doeg’. Na jaren van tevergeefs proberen, besloot Marije van As dat het voorzeker aan de prefix 0032 lag. Of aan de website.

Concorde

Schrijfwedstrijd Sweek 2018, kernwoord ‘vlucht’

Mohammed Van Compernolle, de grote Vlaamse dichter met Nederlandse roots, zocht die broeierige julidag naar een verse insteek voor een nieuw gedicht, dat alvast de werktitel ‘Vlucht’ had meegekregen. Het zou een compositie worden over de grillige parabool van het leven, met zijn ups en zijn downs, en waarom dit allemaal eigenlijk zin had. Over de zin ervan zou Van Compernolle enkele suggesties aanreiken, waarmee de lezer het maar moest doen: laag na laag, sluier achter sluier. Het liedje op de radio klonk links-libertijns, flirtend met de grens van hip en kosmopolitisch. Comp had een bloedhekel aan hip. En eigenlijk aan alles wat Westers aanvoelde. Wat omhoog gaat, komt later onvermijdelijk weer naar beneden. Omgekeerd gaat het net zo. De vlucht van de Concorde boort haar baan door het bestaan en verzandt in de brand weer tot as, voor zij die haat in het hart toestaan. Te klef. Van Compernolle had een bloedhekel aan klef.

 

 

 

Gepost in Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Drie gedichten, Arne Deprez

bijna niets

zullen wij onaf blijven?
maar dan niet
afhankelijk

misschien kan onbeholpen
op de foto wel
en te klein ook

zelfs als wij straks allen met dubbele mobiele data
en wifi op de trein
en onze Brother 3D-print, ook thuis
in kleur

misschien zelfs als wij met een omgekeerde voedingsdriehoek
en naast de bewegingsdriehoek
ook een welzijnsdriehoek, een kwestie
van onze mentaliteit
maar ernstig dan

bijvoorbeeld in combinatie
met een suikertaks
en liefst zonder fiscaal voordeel dan ook

misschien dat wij zo
wel ietske

 

de tere plek

wat zullen wij?

misschien willen wij
onvermurwbaar gewoon
ademen

misschien verlangen wij
naar waar alle verschil wegvalt
maar dan als een andere soort
onverschilligheid

misschien naar waar zij niet springen
naar het veel te zilte van een stuk brood
in de branding

misschien willen wij gewoon
modern zijn, maar dan echt
het zuchten voorbij

dus hulde brengen aan strakke lege lijnen
en hun sacrale ruimte, de opwaartsheid
en de mooie verhoudingen
die kloppen

het zal een andere tijd

 

#genoeg

zullen wij genoeg kunnen taggen?
om alles…

of toch zoveel #mogelijk
om toch maar, al was het maar…

omdat #wij niet herhalen
dát kunnen wij aanbrengen
omdat #wij willen hernemen om
dan #verder te gaan
maar of dat #vergenoeg?

toch willen #wij dit zo #effenvechten
dat zo optillen, elkaar dusdanig
pogend te verheffen
trachtend te
volhoudend
en elkaar een #gelukkigeverjaardag
blijven wensen ook

wij zullen ons klaarmaken

maar of #wijgenoegzullen?

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 26: ‘Bijtende teksten’

Extaze in de Houtrustkerk 26

Op 7 juni a.s. om kwart over acht gaan de tanden erin. Doet dat pijn?
Dat kan, maar het kan je ook bij de les houden, je wakker schudden,
je op gedachten brengen, je prikkelen. Over bijtende teksten gaat het die avond.
Maar ook muziek zonder tekst kan bijten. Luister maar naar de honkin’en boppin’ jazz
van de groep RED, waarvan twee leden (Ellister van der Molen en Bob Wijnen)
de avond opluisteren met hun ‘mean’ maar niet kwaadaardige muziek.
Hoe klonken de bijtende teksten van Max Blokzijl, die met zijn radiopraatjes
van 1942–1945 hoop bracht bij de Duitsgezinden en wrevel wekte bij de luisteraars
die niets met Mussert en zijn NSB te maken wilden hebben? Dick Brongers
laat die teksten in de kerkzaal weerklinken.
Wie kent de teksten van popdichter Ton Lebbink (†), knabbelend
aan de burgerlijke moraal? Leonor Faber-Jonker kent ze. En ze kende Ton Lebbink.
Als hij haar ‘mormel’ noemde, wist ze dat het goed zat.
Rutger H. Cornets de Groot weet dat de ene polemische tekst de andere niet is.
Bijten doet niet iedere strijdende tekst, hij kan ook een bede,
een wens of een stellingname uitdrukken.
Hoe zit het met de scherpe randjes aan de gedichten van Maria van Oorsouw?
Ze zijn er, maar Sebastiaan Schlicher kan ze in zijn fragment van de opnames
met noise-collectief Amerikan Teenager desgewenst aanscherpen.
Al met al: gedeerd zult u de zaal niet verlaten. Gestaald wel!

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

 

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 Reactie