Presentatie dichtbundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien

Het literair tijdschrift Extaze viert de poëzieweek 2019 met de uitgave van de poëziebloemlezing 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien.

poster 10 voor 10

De Extaze-poëziebloemlezing ’10 voor 10′
De tien Extaze-dichters die de redactie van Extaze uit dertig nummers (2011–2018) koos om uitdrukking te geven aan de Nederlandstalige poëzie in de jaren ’10  zijn: Estelle Boelsma, Daniel Bras, Dorien Dijkhuis, Arnold Jansen op de Haar, Heidi Koren, Giuseppe Minervini, Hanz Mirck, Maria van Oorsouw, Lisa Rooijackers en Merel van Slobbe.
Een ‘school’ vormen deze dichters niet, maar gemeenschappelijke kenmerken kent hun poëzie wel.
Inleider Rutger Cornets de Groot ziet die overeenkomst niet zozeer in een tijdsbepaling, maar meer in een plaatsbepaling en een behoefte zich aan die bepaling te onttrekken:

‘Te ontkomen aan wat je in de greep houdt: aan je behuizing, aan de ander, aan de waarneming, aan de wereld. […] Van de poëzie van deze tien dichters is dát streven dan toch een algemene trek. Dorien Dijkhuis geeft zelfs de titel ‘Pogingen om te ontkomen’ aan een van haar gedichten, met daarin deze projectie van het verlangen om zich ook van zichzelf te ontdoen:

in het hotel laat ik de gordijnen op een kier, bespied
mijn kamer vanaf een bankje aan de overkant
keer ’s avonds als een ander naar mezelf terug.’

In dit opzicht belichaamt het werk van de tien Extaze-dichters de jaren tien.

De bundel, op bijzondere wijze vormgegeven en geïllustreerd door Els Kort, is een uitgave van Extaze/Uitgeverij in de Knipscheer en werd mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds.

De presentatie
De presentatie van de dichtbundel 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien zal op zaterdag 2 februari 2019 vanaf 14.30 uur plaatsvinden in Boekhandel Douwes, Herengracht 60, Den Haag, 070 7371126 (op loopafstand van het Centraal Station).

Er zullen korte optredens zijn van Rutger H. Cornets de Groot (de schrijver van het inleidend essay) en de dichters Estelle Boelsma, Daniel Bras, Dorien Dijkhuis, Arnold Jansen op de Haar, Heidi Koren, Hanz Mirck, Maria van Oorsouw, Lisa Rooijackers en Merel van Slobbe.

Reserveren niet noodzakelijk. Nadere informatie bij:
info@boekhandeldouwes.nl, redactie@extaze.nl

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Een kleur- en klankrijk 2019

Beste volgers van Extaze
 
Om u allen een kleur- en klankrijk nieuwjaar toe te wensen, sluiten we ons van harte aan bij de versregels die de Vlaamse auteur Chris Ceustermans naar de redactie
van Extaze stuurde:

 
een jaar met louterende klanken
blauwe noten die naar boven ranken
cool jazz op de melodie van Frère Jacques
de opstanding van Sun Ra, Pafke en Zot Polleke
drie engelen die allitererende verzen spuwen
naar een dolle wereld van strompelend schrijven &
scheuren.
 
Graag willen wij u danken voor de belangstelling die u heeft getoond voor onze activiteiten: het tijdschrift, de website, de Extaze-avonden in de Houtrustkerk,
de Extaze-reeks en de presentaties daarvan.
 
Hopelijk blijft u ons volgen in het nieuwe jaar, dat zich nu al naar vijf bijzondere gebeurtenissen spoedt:
 
1
De uitgave van de poëziebloemlezing 10 voor 10.
Tien Extaze-dichters van de jaren tien
(Extaze/In de Knipscheer 2018).

Het is onze bijdrage aan de poëzieweek 2019.
 
2
De presentatie van deze bundel in Boekhandel Douwes op zaterdagmiddag 2 februari vanaf 14.30 uur, waarbij de 10 voor 10-dichters aanwezig zijn om enkele gedichten voor te dragen.
 
3
De uitgave van Extaze 29 waarin de diverse thema’s die een rol spelen in
F. Bordewijk’s roman Blokken (1931) in essays en in enkele van de korte verhalen belicht worden. Voorts zijn de voorstadia- en voorstudies te zien die Viktor Hachmang maakte voor zijn beeldroman-versie van Bordewijk’s korte roman.
 
4
De presentatie van dit nummer op 7 februari vanaf 20.15 uur in de Houtrustkerk,
hoek Beeklaan/Hanenburgweg. In beeld, klank en gesproken woord zal de thematiek van Blokken zichtbaar en hoorbaar worden gemaakt.
 
5
De uitgave van de bloemlezing Grenzenloos. 40 jaar Knipscheer poëzie,
samenstelling Klaas de Groot, redactie Peter de Rijk (In de Knipscheer 2018) met een onderdeel ‘Uit Extaze’, waarin zesendertig dichters die in Extaze hebben gepubliceerd
een plaats hebben gekregen.
 
En dat is nog maar het begin
 
 w.g.
Redactie Extaze
 

2  0  1  9

 
cover Extaze 28 Geloof in de kunst
Oud en nieuw: hier kunt u de ‘oude’ nummers
of het nieuwste nummer bestellen
 

 

Gepost in Home | Plaats een reactie

Een nieuw nummer op 15/11: Geloof in de kunst

Op donderdag 15 november werd de nieuwe Extaze: ‘Geloof in de kunst’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

cover Extaze 28 Geloof in de kunst

B E S T E L L E N

Geloof in de kunst

ESSAYS
In zijn essay ‘De tegenverbeelding van het religieuze’ concludeert Kris Pint na lezing van
Gerard Reve’s literaire werk, dat de schrijver in het katholicisme een tegenverbeelding vond die krachtig genoeg was om de strijd met zijn wanhoop, verslaving en angst voor depressies aan te gaan. De neurotheologie leert ons dat de religieuze verbeelding dient als interface om met de primitieve religieuze ervaringen om te gaan die in de specifieke structuur van de hersenen zijn opgeslagen.
De sterke religieuze vervoering die is uitgedrukt in het beeld Extase van de heilige
Theresia van Giam Lorenzo Bernini (1598–1680) zet Onno Schilstra in ‘Het nachtkastje van Franco’ op hetzelfde spoor als Pint. De sculptuur vormt een verwijzing naar iets
onzegbaars, iets ‘onbegrippelijks’ dat hooguit door het soort symbolen waarover Reve schrijft in Moeder en zoon (1980) in taal uitgedrukt kan worden.
’Een verrukkende heidense schoonheid’ is de titel van Ruurd Halbertsma’s essay over de waardering van de antieke beeldhouwkunst door de eeuwen heen en de aantrekkingskracht die de lichamelijkheid en sensualiteit van de beelden uitoefenden op mensen met sluimerende seksuele fantasieën. Louis Couperus beschouwde de antieke wereld als een ‘foreign country’, waarnaar hij terugreisde op elk moment dat hij in extase een klassieke sculptuur beschouwde.
Artien Utrecht is geboeid door de tegenstelling die de schrijver Junichiro Tanizaki waarnam tussen de Japanse sensitiviteit voor nuances van licht en duisternis en de westerse voorkeur voor het felle licht. Op het Japanse kunsteiland Naoshima ervaart ze dat het spel van schaduwlagen en hun verschillende diepten je dwingt om te kijken met je zintuigen. Het donker vraagt om een voorbijgaan aan het ‘gewone’ zintuiglijke zien. Voorbij het gewone zien ligt de verbeelding van wat niet is, maar zou kunnen zijn.
In ‘Van West naar Oost’ analyseert Klaas de Groot zes Indische gedichten van de
Surinaamse auteur Bernardo Ashetu (1929–1982), wiens thematiek: dood en verandering gekoppeld aan geweld, voor hem een middel was om zich bevrijd te voelen van
beklemming en onderdrukking.

KORTE VERHALEN
Michiel van den Berg
Jens Bezemer
Guido Eekhaut
Else de Jonge
Christien Kok
Dewi de Nijs Bik
Phaedra Onclin
Yoko Theeuws
Liedewij Vogelzang

GEDICHTEN
Guy Commerman
Anne Karelse
Lisa Rooijackers
Merel van Slobbe

BEELD
Mariëtte van Erp

Vormgeving binnenwerk, omslag en de geschilderde omslagafbeelding: Els Kort

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan,
Theo van der Wacht:
Kunst en (on)geloof

..that willing suspension of disbelief for the moment,…
T.S.Coleridge, Biographia Literaria

KUNST EN (ON)GELOOF

Extase
Kunst en geloof spannen een uiterste
seconde een eeuwigheid samen.

Met al die verschillende meningen over
kunst, wordt het ongeloof zwaar beproefd.

Geloofwaardig of niet, een altijd weer
terugkerende vraag.
– Waarheid? Zandkorreltjes eeuwigheid.
– Kunst? De schaduw van de verloren tijd.

Heilig geloof heeft ook de kunst
een strijd op leven en dood bezorgd.

Geloof. Bijgeloof. Ongeloof.
De kunst er mee om te gaan.

Van kunst dromen om
niet te hoeven geloven.

Blind geloof in kunst,
wedijvert met brodeloos.

Kunst versus werkelijkheid.
Geloof versus tijdelijkheid.

Een kunst die het uitschreeuwt – gauw, vlug,
anders is de kans voorbij, triomfeert opnieuw
het geloofswoord, dat zich slim verbindt met
een verpakking, die de houdbaarheid verhult.

Geloof is bedwelmend,
kunst overstelpend,
en v.v.

Avant garde
Nieuw geloof
De mens wikt
God slikt

Het geloof als vraagstuk.
De kunst als waagstuk.

Schepping. Kunst. Ontwerp.
In tijden dat de chaos droomt.

In tweestrijd door het geloof,
wendt de leer zich tot de kunst,
lonkende plank in het drijfzand.

Toen ik er net in begon te geloven,
stak er een writersbloc op.

Uit ongeloof de schepen achter je verbranden,
in de hoop dat je zinnen eindelijk gaan vlammen.

tabula rasa
In het niets geloven
om met een schone lei te overwinnen.

Geloof in een hiernamaals.
Lees dit bij twijfel als een
gebiedende wijs.

Het geloof verdoezelen,
het laten ontaarden in kunst.

Waag je niet aan kunst wanneer je
geen geloofscrisis hebt doorleefd.

Als kunst niet stinkt, er zelfs geen luchtje
aan kleeft, toont het zich ongeloofwaardig.

Teleurgesteld in de wijsbegeerte, sloeg ik Dante maar weer eens op,
diens Goddelijke Komedie, blader door het Voorportaal, laat de Hel
nu maar eens de Hel, om me stap voor stap te verdiepen in het boeten
en louteren, in oprecht vernederen, in het hardop slaken van zuchten.
Om dan eindelijk het kwaad te boven, mij te verblinden aan het licht,
mij te vergapen aan het spektakel, en nu hardop te lezen wat er staat:
‘Uit mijzelf reik ik niet zo hoog, lijk door een bliksemschicht geraakt’,
O Hoogmis, met veelstemmige Engelenkoren en Bach zelf op de bok,
– Hosanna. Hossana. Etcetera.

Niemand heeft aan de kunst
zoveel te danken als god.

Welke hulp kan de kunst bieden aan een
gelovige die zijn onschuld heeft verspeeld.

Geloof zetelt in het hoofd,
kunst in de bloedsomloop, en omgekeerd.

Die vinger van God.
Niet te geloven!

Bach op het orgel
Geloven maar…

Kunst, de grootste plunderaar
van mythen, geloof en bijgeloof.

 

 

 

 

 

 

 

 

 
            

 

 

Op Scheveningen, strandtheater aan de haven.
Viool speelt de Bumblebee, het ballet zwermt
uit over het toneel, als honingbijen om de korf.
Prima donna neemt open doekjes in ontvangst.

In de pauze pierenwaaien met Neptunus, sushi
en biertje inclusief. Een knalvuurwerk de sfeer
verhit, de natuur op tilt. Grimmig boven zee op
een Olympisch onweer afgestemd, in F majeur.

In de orkestbak barst de hel los: ‘Donderslagen
op muziek’. Slagwerk.Toeters. Een symfonische
kanonnade, bominslagen. Publiek in alle staten.

Zeekant. Een brandje hier en daar. Voorportaal.
Een Dantesk bacchanaal van bedwelmde darren.
De partituur? Die ontkomt niet aan dit vagevuur.

 

Lees meer »

Dichter in zee

Om het niet alleen bij woorden te
laten, in Adamskostuum de zee te
beproeven, onbedekt de branding
te tarten. Kopjes onder. Prikogen.

Ziltproeverij annex kwallenbuffet.
Wat steekt is de jeuk, de natuur die
sart en bevleugelt. Regenbooglicht.
Schuim.Venus op de lippen. Glitter.
Trek naar het diepe. Langere deining.
Lome golven. Briesje. Drijfvermogen.
 

Stapvoets

Vraag is of dit vers zich ervoor leent.
Probeer daarom eerst maar een paard.
Borstel de huid, poets het tuig, baad
in het zweet, ben òp voor ik het weet.

Maar wees alert, wat er briest, komt
stapvoets werkelijk op ons af. Koets,
kraaien en hoefslag doen hun beroep.
Wat is erger, een trap of een stomp.

Breken wij ons gedwee de nek over
de bloemen, de snacks, de toespraak.
Hoe er te komen, te voet of te paard.

Bevleugeld rouwen, afloop onzeker.
Niet te beteugelen anderhalve regel
er vandaan. Stampvoet. Snik. Zegel.
 

Klein geluk

Bal, een balletje hooghouden,
mooier en langer dan het jouwe,
erop vertrouwend dat het mij eens lukt,
vermijd ik haast, onderlijn ik mijn geduld.

 

Tweedracht

Zo-even bij mijn brein aangekaart waar wij ons
komende tijd mee verstaan. Een samenstel van
taal, hersenspinsels, goede zin brengt ons waar

wij moeten zijn, hier-nu, socratisch in duel met
elkaar. Op gevaar af voor pretentieus te worden
aangezien, ogen wij tot hoe ver we kunnen gaan,

nemen wij zwart en wit als absolute grenzen aan,
regenboog als decor, koppelen we darm aan rede,
omarmen wij de tweedracht blij maar ontevreden.

 

Winters

Zo goed zo kwaad ingezoemd op de
plaats waar ik winters naar reikhals,
de symbiose van laagland, sloot, ijs.

Schaatsen uit het vet, dus toerrijders
opgelet: ‘t kan vriezen, kan dooien,
laat je niet foppen door mooipraat.

Nat pak te riskant? Wacht dan nog
een nachtje af. Waaghals bij hoog
en laag? Bewijs het in mijn plaats.

 

Op tilt

Een naar zuidwest krimpende wind. Storm
in de maak. Voorspellende woorden, tekst
slaat op tilt, zwalkende zinnen haken naar
een houvast – een bolder, touw op de tast.

 

Catche a falling starre.
John Donne

Climax

Me afgevraagd wat mij vandaag op de been
houdt. Onzinnige gedachten voeren mij naar
een riskante plek, een rondschouw die opgaat
in een climax: van een zon die kakelbont  uit het
zicht verdwijnt, waar men op de kim scènes uit de
hel uitbeeldt, en ikzelf, in het licht van die vuurstorm,
nu het kan, die nog onbekende, vallende staartster vang.

 

Passage Achterberg

Wie doet er nu nog Dante aan? Diens voorportaal
bestormde ooit als een visioen van Jeroen Bosch
mijn puberale brein – O schilderij, o schilderij.

Een Haagse rode maan verft een gevaar: Twee
mensen hand in hand, de Passage vliegt in brand,
de ijssalon in vlam en vuur en Francesca biedt mij
naast de cassata ook haar vingers aan, geniet een
voorjaarlang van mijn gesmul, meeliftend op mijn
tong…maar glimlacht telkens net iets te jong – O!
schilderij van Hel en Hemel en Voorbij.- Het is
nu donker in dat land, gehangen aan de wand.

Naamloos

 

 

Foto: Carel Steijn, schilderij: C. Troost

Buiten beeld

Het kunststuk volbracht, handmerk gezet.
Met zand aan de kwast, stofjes op de lens.

Kom vooral dichterbij, plek genoeg op dit
strand. Markant, zelfs de ezel hier is echt.

Voel mee, het doek is nog nat van de verf,                     |
mix van blauw, grijs en licht. En de stoel?

Schilder zelf blijft buiten beeld, – doel ìs en
blijft het zeezicht, en wat kijker ervan vindt.

Troost

 

 

 

 

C. Troost

Het zich legen
tot de laatste letter

Overvolle
luchtspiegeling

Zwanenstal

 

Gebeeldbraakt

Op een ongemakkelijke plaats verzeild
geraakt, grensvlak van beeld en spraak.

Waar deze locatie mee correspondeert
of naar verwijst.- Een verholen zin? Een
code die moet worden gekraakt?- Klank?
Geur? Pijn? De godsonmogelijkheid van?

Wat blijft is de hoop die nooit opgeeft,
een kompaan die de eindeloze afstand
te lijf gaat, al inpratend op het graniet,
waaraan elk zieleroersel zijn kop stoot.

 

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 


C. Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   
                                                                                                                    

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Gedichten, door Sidney Simons

Hij is egofiel, Nar,
Maar niet zo zelfingenomen als je zou verwachten.
Het is een pose.
Hij is introvert, maar expresief, Nar.
Hij lijkt verlegen, maar is dat niet.
Af en toe ga ik met hem zwemmen in zijn vijver.
Ik duw hem kopje onder
En hij mij.
We praten bijna niet.
Hij is verdomde mensenschuw,
Veelzijdig afzijdig,
maar ik schuw hem niet.
Onder water verandert hij.
Ik mag dan raden wie hij is.
Ik zeg Nar tegen Narcissus,
hij zegt Sid.

 

Ik ook altijd

Jij ook met je seksueel verkeer!
Kun je niet gewoon rechts blijven liggen
en even dimmen?
Heus, ik ga niet inhalen,
er zijn spookrijders gesignaleerd
aan beide zijden.
Blijf rustig liggen, doe niets,
slaap rustig door!
Jij met je seksueel verkeer.
Doe de hele nacht maar
net alsof ik er niet ben
in geen velden of dromen.
Ik lig, mijn liefste, voor de eerste keer
in mijn leven liever links.

Gepost in Poëzie | Getagged | Plaats een reactie

Walden 2.0: Dag

Walden 2.0: DagEr staat maar één pantoffel naast mijn bed, de andere is onvindbaar. De hond neemt er altijd één mee naar haar slaapplek als ze niet op mijn voeteneind mag. Het is óf om me te pesten zodat ik de volgende dag moet zoeken naar die ene slof, met één koude voet, óf voor troost zodat ze nog iets van mij bij zich heeft als ze slaapt. Ik geloof graag dat laatste. Ik word graag gemist. Zelf kan ik ook erg goed missen. Missen is hunkeren naar dat wat je niet hebt. Ik mis zoveel, maar ja ik hunker dan ook graag.
      Na de ontploffing van de geiser zijn we naar huis gegaan. De dochter, de hond en ik. Het voelde raar om de straat in te rijden, alsof we lang op vakantie waren geweest terwijl ik twee dagen daarvoor nog de post had gehaald. De dochter zocht al verbinding op de parkeerplaats, niet met de buurkinderen maar met de wifi.
      Ik draaide direct na binnenkomst alle verwarmingen open en liet het bad vollopen. We aten die avond een heuse maaltijd die ik had bereid op een vierpitsfornuis in een ruime keuken waar geen muizen in de rijstpakken wonen en waar je niet bang hoeft te zijn dat er een straaltje regenwater vanuit het dak de pan in loopt. We aten met de televisie aan. Snel realiseerde ik me wat ik allemaal níet had gemist, de televisie bijvoorbeeld. Ik houd eigenlijk niet van televisie. De afgelopen drie maanden gingen we regelmatig naar de film, naar het zwembad of we we zaten te tekenen aan de keukentafel, lagen te lezen voor de haard. Dat was fijn aan de bosbut. Er waren veel dingen fijn aan de boshut. Bijna alles eigenlijk.
      Totdat de luchten grijs werden, dacht ik dat ze me er jankend uit zouden moeten trekken als de slopers voor de deur stonden. Maar ze grijs werden, werd het donker in de boshut. Het beetje licht dat door de wolken brak, werd steevast door de bomen tegengehouden. Al snel kwam er ook geen licht meer in mijn hoofd.
      Ik weet nu hoe ik wél wonen wil. Ik wil een klein huisje aan de rivier. Niet té klein, want dan mis ik mijn boeken en kunstwerken, die moeten een plek kunnen krijgen. Ik wil dat de rivier in zicht is en dat ik vanuit alle kamers naar buiten kan kijken zodat ik het licht niet hoef te missen. Ik wil alleen kunnen zijn in dat huisje, maar niet altijd. Ik wil dat de liefde naar me toe komt als ik de liefde mis.
      Ik vind de tweede pantoffel op de bank onder een stapel kussens. Hij gaat in de weekendtas die ik bij me heb om de laatste spullen op te halen. Volgende week komen er mannen met sloophamers. Ik denk niet dat ze die nodig hebben. Ik vermoed dat de boshut straks, als ik voor de laatste keer de voordeur dichttrek, van komend gemis zachtjes in slaap sukkelt. Ik druk een klein kusje op de deur, en neem een loszittende steen van het opstapje mee als aandenken.

Dag boshut, ik zal je missen.

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Walden 2.0: Explosie

Walden 20

Ik slaap onrustig. De eerste keer dat ik wakker word, is het drie uur in de nacht. Ik sta op om het vuur op te stoken en blijf even zitten op de bank met een kopje thee. Als het goed fikt en ik de zuurstoftoevoer een beetje lager kan draaien, kruip ik opnieuw mijn bed in. Om vijf uur word ik opnieuw wakker. Weer stap ik eruit om een blok op het vuur te gooien. In mijn kop vlieg ik heen en weer tussen een nieuwe opdracht, een nieuw boek waar ik mee bezig ben en mijn dochter. Vanuit mijn bed staar ik net zo lang in het vuur tot ik weer wegdommel.
      Als om zeven uur de wekker gaat, lig ik natuurlijk net lekker  te pitten. Ik schrik op en stommel naar de badkamer, die geen badkamer is maar een hokje met een douche. Rillend wacht ik tot de geiser aanslaat, maar hij vertikt het. Ik ben net vijf dagen in Drenthe geweest waar ik te gast was op een boerderij. Het was heerlijk. Ik kon ongestoord aan mijn nieuwe boek werken en wisselde schrijfblokjes af met blokjes dierenverzorging. Even de paarden uitlaten en weer schrijven, even de stal schoonmaken en weer schrijven, even met de hond naar het bos en weer schrijven. Ik vond de perfecte balans. Bovendien bezat de boerderij vloerverwarming, een heerlijke badkamer en een keuken met vijfpitsgasstel, wat ik als totale luxe ervoer na tweeënhalve maand in de karige boshut.
      Nu sta ik te kleumen voor die geiser die dienst weigert. Ik draai aan de knop, nog een keer en nog een keer tot dat kloterige, blauwe vlammetje ontstaat en ik één minuut drieëndertig warm water heb om te douchen. Hij doet het niet. Ik zucht. Ik baal. En juist als ik me afvraag waarom ik mezelf dit aandoe, ontploft de geiser. Een harde knal, vlammen die tot het plafond schieten, ik die achteruit kletter, en iemand die keihard gilt met een echo. Die eerste gil veroorzaak ik zelf, de echo is mijn dochter die de knal vanuit haar bedje heeft gehoord en nu ook wakker is. Ik weet meteen; dat was het. We gaan naar  huis! Het echte leven roept. Het leven van burgerlijke rijtjeshuizen, van supermarkten op de hoek, van buren links en buren rechts maar ook van een douche met warm water, een keuken met vier pitjes, een verwarming in alle ruimtes, een televisie en wifi in het hele huis en bijzonder weinig ontploffingsgevaar. Behalve die van mijzelf, maar daar ben ik wel aan gewend.

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Lucht

Walden 2.0: Lucht
Wonen in het bos is een andere ervaring wanneer de zon schijnt dan wanneer de lucht grijs is. De eerste twee maanden hier in de boshut waren heerlijk. De kachel was nog niet noodzakelijk, de tuindeuren stonden het grootste gedeelte van de dag open. Ik had buiten een schrijfplek gecreëerd waar ik schreef met de zon op mijn hoofd, het gehamer van de specht op de achtergrond, en de voortdurende frisse lucht in mijn longen. In de afgelopen weken is er een sluimerende weemoed in mijn lijf getreden, een zwaarte. Ik ken haar wel, deze donkerte, heb haar al vaker ontmoet, maar weet evengoed niet altijd hoe ik haar de baas moet komen.

Als ik aan de Waal loop, weet ik ineens wat het is; ik mis het licht. De open luchten aan de rivier lijken me bijna toe te schreeuwen; je moet naar het licht! Maar ja, dat hoorde ik niet want ik zat in het bos. Het donkere bos, waar ik me enerzijds zo beschermd voel, maar anderzijds dus ook ineens somber, alleen, een beetje verkleumd zelfs. Zodra ik weer in de boshut ben, gooi ik alle luiken open. Ik had ze de afgelopen weken zo veel mogelijk dicht gehouden om de warmte binnen te houden, maar de warmte moet (naast uit de Janus 6- houtkachel) toch ook vooral uit míj komen, realiseer ik me nu en dat gaat dus niet zonder licht.

Het helpt me voldoende om de schouders er weer onder te zetten. Er wordt gewerkt aan een nieuwe website, een nieuw logo, er is een verdienmodel, een marketingplan en mijn agenda staat tot aan de kerst bomvol met afspraken met mogelijke samenwerkingspartners. Nog even en VanKoren is een feit. Daarover later meer. Vrijdag gooi ik eerst mijn dekbed in de auto en sluit ik de luiken van de boshut. Ik ga naar Drenthe om een paar dagen non-stop te kunnen werken aan een nieuw boek. Er zit een prachtig verhaal in mijn hoofd, over moed, vertrouwen, liefde en doen wat je te doen hebt op deze wereld. Ik wil het vertellen. Ik ga naar een plek waar de luchten open zijn, waar ik uitkijk over de akkers en waar hopelijk een beetje zonlicht mijn hoofd binnendringt.

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Verzachten

Walden 2.0
De kou, de vochtigheid en de stilte van de boshut leken ineens erg goed aan te sluiten bij Bikram Yoga. Een yogavorm waar je je in absolute stilte en bij 39 graden C anderhalf uur lang in het totale zweet werkt. Afgelopen week ging ik drie keer.
      Yoga gaat over contact maken met jezelf. Over: wel doorzetten maar in záchtheid. Over: goed zorgen voor jezelf en de wereld. Ik beoefen het al jaren, en hoewel het me veel heeft gebracht, blijf ik ook met regelmaat aanlopen tegen mijn natuur.
      Mijn natuur is namelijk: mijn eigen broek ophouden, hard werken en niet zeuren. In de praktijk komt dit vaak neer op: hard werken en véél zeuren als het me niet oplevert wat ik had beoogd. Bijkans geef ik daar dan ook nog graag iemand anders de schuld van.

Mijn nieuwe yogadocent ziet het al na twee minuten. Hij legt de les stil, komt naar me toe en zegt: Heidi, you don’t have to work so hard. (Ik moet er onmiddellijk van huilen, maar daarover durf ik niet meer te schrijven, want Jezus hoe váák kun je huilen in een column?)
      De zin bleef de hele week in mijn hoofd zitten. Heidi, you don’t have to work so hard. Ik werd er een zachtgekookt eitje van.

Ik heb geleerd te vechten. Als ik iets wil hebben, ga ik ervoor vechten. Als ik iets wil bereiken ga ik ervoor vechten. Ik kan goed vechten. Het heeft me veel gebracht. Ik kan overleven, voor mijzelf en mijn kinderen zorgen. Ik hoef nooit mijn hand op te houden. Ik kan het allemaal zelf.
      Het heeft me ook veel gekost. Want het vechten maakt dat ik soms voorbij ga aan de kwetsbaarheid. Ik vind het makkelijker om te zeggen; ik zorg wel voor je dan: ik heb je nodig. Het is natuurlijker voor mij om te roepen; dat los ik wel op, dan: wil je me helpen?

In de bostuin heb ik mijn strijdbijl begraven. Ik leer het vechten te staken. Het zal de boslucht zijn, de Bikramyoga, de stilte in mijn tuin, de liefde. Ik merk hoe er een verandering plaats vindt. Tijdens de les nam ik voor het eerst pauze als ik niet meer kon, in plaats van mijzelf maar te blijven pushen. Ik kroop in bed toen ik de verkoudheid voelde opkomen, in plaats van door te blijven werken. En tenslotte hoorde ik mijzelf de liefde de liefde verklaren in de volle wetenschap dat hij haar níet zou beantwoorden. Niet omdat ik dacht dat ik hem daarmee zou winnen, maar omdat het winnen ineens ondergeschikt was aan mijzelf. I don’t want to work so hard anymore.

Gepost in Geen categorie, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Boekpresentatie Olifanten warm houden, Dieuwke van Turenhout in beeld

Zaterdagmiddag 1 december was de boekpresentatie van Olifanten warm houden,
het debuut van Dieuwke van Turenhout, de zesde uitgave in de Extaze-reeks,
bij Perdu in Amsterdam. Een druk bezocht feestje!

Het programma bestond uit:
Aly Freije: gedichten, proza
The Phoenix Lights: muziek
Peter de Rijk interviewt Dieuwke van Turenhout
Presentatie: Cor Gout

Foto’s: Anneke Ruys

De Extaze-reeks, een gezamenlijk initiatief van het literair tijdschrift Extaze
en Uitgeverij In de Knipscheer, is een serie debuten van auteurs die eerder
in Extaze publiceerden.

www.facebook.com/Extazereeks

Gepost in Extaze-reeks, Home | Plaats een reactie

Walden 2.0: Angst, week 9 in de boshut

Walden 2.0: Angst
 
Eerst waren er weken waarin de zon scheen en het warmer was dan logisch voor de tijd van het jaar en toen kwamen er weken dat het ineens omsloeg. Niet alleen het weer. De boodschap van de liefde aan de telefoon veranderde ook van; we gaan samen de wereld veroveren naar een zuchtende: we zien wel hoe het verder gaat.
      Ik ging dit avontuur aan omdat het een goed idee leek om in stilte mijn boek af te maken, te werken aan de opzet van een nieuwe onderneming en een start te maken met een nieuw boek. Ik voelde mij door de liefde gesterkt. Nu weet ik ineens dat dat niet de enige reden was.

Ik heb een hele duidelijke herinnering van mijzelf als meisje van een jaar of tien. Ik sta op de hoge duikplank, tenen over de rand gekruld, het diepe in te staren. Ik durf niet te springen en weet tegelijkertijd dat ik het dús zal gaan doen. Niet omdat ik me niet wil omdraaien om via de trap naar beneden te gaan, langs alle stoere kinderen die wél durven (watje) maar omdat ik niet durf te springen is de drang het wel te doen bij mij onhoudbaar groot. Ik sprong omdát ik bang was. Ik sprong, ik vond er niet voldoende aan het daarna nog een keer te doen, maar wist nu ook dat ik het kon en dat ik er niet dood aan ging. Daarmee was de behoefte het nog eens te doen bevredigd.
      Afgelopen zomer was daar de liefde. Een níeuwe liefde. Niet zomaar één, een gróte. Ik weet nog dat ik dacht; jij en ik zijn uit hetzelfde hout gesneden. Hoe vaak kom je het tegen? Het maakte me bang, bang om te verliezen. Koudwatervrees van mijn kruin tot mijn tenen, en dús ging ik ervoor.
      En zo ben ik eigenlijk ook altijd bang voor het alleen zijn. Dus toen de vraag kwam; heb je zin om drie maanden alleen te zijn, zei ik natuurlijk ja.

Angst is een prima waarschuwingssignaal denk ik. Het geeft aan: stop niet verder, hier is gevaar. Maar als we ouder worden, is het niet altijd meer helder of er wérkelijk gevaar schuilt of dat we gewoon geen zin hebben om nog een keer de pijn te ervaren die we eerder hebben ervaren, en dat dus erváren als gevaar. Ik wil me niet laten beperken door angst, niet zo lang ik redelijkerwijs kan zeggen dat er geen groot gevaar dreigt. Dat de angst die ik ervaar slechts gaat over ‘op mijn bek gaan’, over pijn, over teleurstelling en falen. Je weet immers niet zeker of dat de uitkomst van je nieuwe weg zal zijn, het zou per slot van rekening ook eens kunnen leiden naar: veiligheid, liefde, overwinning, succes. Er is maar een manier er achter te komen. Dus spring ik maar, keer op keer. Ik land soms plat op mijn buik, dat doet zeer. Dan moet ik huilen. Dan voel ik me alleen en mislukt en bijzonder weinig waard. Doorgaans trekt dat gevoel weer voorbij hoewel het ook regelmatig langer aanhoudt dan me lief is. Ik vind het leven niet gemakkelijk omdat ik niet anders kan zijn dan mijzelf. Maar ergens gaat de zon weer schijnen en blijk ik in een boshuisje te zitten. Ik ben niet langer bang. Niet voor het donkere bos, niet voor de monsters onder mijn bed. Soms stuur ik ze weg, soms drink ik een kopje thee met ze. De liefde is nooit langs gekomen. Dat had ik kunnen weten. Hij is net zo bang voor het samen-zijn als ik ben voor het alleen-zijn. Ik snap dat wel.
      Toch ben ik blij dat ik ben gesprongen, al voel ik de klap nog branden op mijn lijf. Het is niet het vallen dat zo’n zeer doet. Het is het landen. Ik moet daar iets op bedenken, zachte bosgrond misschien.

Gepost in Geen categorie, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Ermenegildo Zegnapak, door Manuel Kneepkens

Nederlandse schrijvers kleden zich bedroevend slecht, volgens Arno Kantelberg, hoofdredacteur van lifestyle magazine Esquire. (Trouw 21 November). Schrijvers, stijl zit ook in uw kleding!
Eigenlijk kan alleen Jules Deelder op zijn bewondering rekenen. ‘Terwijl zijn collega’s in de jaren zeventig lang en onbestemd haar droegen, kamde hij het plat naar achteren. Hij onderscheidde zich ook met zijden shawls,  monocle, en korte fluwelen jasjes, altijd op z’n Italiaans, zonder split van achteren.
Zijn directe voórgangers zijn Harry Mulisch en Couperus, geaffecteerde ijdeltuiten, dandy’s, tot leven gekomen romanpersonages.’
Voor de rest van schrijversbende geldt, volgens Kantelberg, voor met name Arnon Grunberg en Ilja Leonard Pfeiffer (‘de zigeunerkoning van Genua’) het volgende: ‘Het lijkt soms wel alsof er voor schrijvers een taboe op rust om met hun uiterlijk bezig  te zijn, alsof je dan oppervlakkig bent.’

Twaalf jaar lang leidde ik de Stadspartij Rotterdam. Lijstduwer was Jules Deelder. ‘Lijstdouwer’, noemde hij zichzelf. Nooit een onvertogen woord van zijn kant over mijn ‘saaie’ outfit gehoord.
Dat was wel anders met die andere dandy, die toentertijd zo noodlottig mijn levenspad heeft gekruist en met de rechtervleugel van mijn partij naar de horizon verdween…
Ik heb het over Pim Fortuyn. Voorop partijvoorzitter Ferry Veen ( ‘Fast Ferry’), op de voet gevolgd door Ronald Sørensen en Barry Madlener. Beiden later, na het debacle van LPF, nog hoog gestegen in Wilders’ PVV, de een als senator, de ander als Europarlementariër.
Ronald Sørensen is inmiddels nog verder naar rechts opgeschoven. Hij noemt zich tegenwoordig Trump-aanhanger. Trump-aanhanger in Nederland, hoe ver heen kun je zijn!

Ik had toentertijd een column in HN, Hervormd Nederland (dat weekblad bestaat inmiddels niet meer). Daarin had ik geschreven, en dat woord ‘dartelt’ nog steeds over het internet: ‘Fortuyn is een fascist in Armani-pak!’
Dat klinkt hard. Maar over het rechtspopulisme hangt nu eenmaal de schaduw van het fascisme, zoals over het socialisme en communisme de schaduw van het Stalinisme hangt, over de Islam de schaduw van het Jihadisme, en, last but not least, over het liberalisme de schaduw van het kapitalisme.
Het is zaak voor de vertegenwoordigers van bovengenoemde stromingen die schaduw zo klein mogelijk te houden. Helemaal verdwijnen zal die nooit, de mens is nu eenmaal niet enkel goed.
Maar ik heb niet de indruk dat de hedendaagse rechts-populistische leiders Geert Wilders en Thierry Baudet ook maar enige moeite doen om hun schaduwkant in te tomen. Integendeel. Zij spreken openlijk hun bewondering uit voor een autocraat als Poetin en onderhouden warme contacten met de ultrarechtse beweging Alt Right in de VS. Van zulke mensen heeft de democratie weinig te verwachten.

Over die column in Hervormd Nederland werd ik toentertijd door Pim Fortuyn gebeld:’Manuel, jij weet ook niets van Fashion! Dat is je trouwens aan te zien. Je kleedt je beroerd. Dat is geen Armani-pak, dat ik draag, dat is een Ermenegildo Zegna-pak!’
‘O, ik dacht dat je over het woord “fascist” gevallen was…’
‘Ja, dat ook!’

Niet het onverzorgde uiterlijk van sommige schrijvers in Nederland is het probleem maar het (desastreuze) optreden van dandy’s in de vaderlandse politiek.
Na dandy Pim dandy Geert en dandy Thierry.
Geert Wilders een Limburgse Indischjongen, die zijn haar geel verft om maar meer Hollander dan de Hollanders te zijn, meer kaaskop dan de kaaskoppen .
Thierry Baudet die op een piano pingelt waarboven een lavendelzakje hangt .
Over deze curieuze verschijnselen van uiterlijk vertoon hoor je Esquire niet .

Maar misschien had ik toentertijd Pim Fortuyn gevatter kunnen antwoorden met een befaamd woord van Picasso.
De dichter-dandy Jean Cocteau viel zijn vriend Pablo nogal eens lastig over diens ‘eenvoudige’ manier van kleden. Picasso placht daarop te antwoorden: ‘Jean, als de Edele Delen maar bedekt zijn, is dat ruim voldoende voor een MAN!’ 
En aan dat woord houd ik mij.

Gepost in Columns, Geen categorie | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nik de Furie, door Marcel Ozymantra

NikdefurieKlein

Tom Kavelaar had hetzelfde gevoel voor avontuur als ik. Over een paar dagen was het Sinterklaas. In de ochtend waren hij en ik op het veld achter onze straat bij elkaar gekomen om te voetballen. Dat was waar regelmatig hele troepen kinderen naartoe trokken voor cowboytje-en-indiaantje, pruimentikkertje of iets anders.
     De afgelopen zomer ontkleedden ik, mijn buurmeisje en haar broertje ons in de struiken en bekeken elkaar minuten lang. Haar broertje klikte die avond tegen zijn ouders. De volgende ochtend, terwijl we naar school gingen, kreeg ik een standje van hun vader. Het veld was de kern van de buurt waar de verschillende straten elkaar ontmoetten.
     Na de hele ochtend de bal over en weer te hebben geschoten besloten we op avontuur in de wildernis te gaan. Niemand van onze andere vrienden was op komen dagen.
     In elke straat die niet de onze was werden we als vijand beschouwd, daarom waren we enigszins beducht toen we bij de grens van het wilde land kwamen. Waar de Witte Huizen stonden. Gelukkig keken de kinderen ons aan alsof we vreemden waren die uit de woestijn kwamen. Niemand sprak een onvertogen woord. Een jochie met lepe blik schopte in een halfslachtige uitdaging de bal in onze richting. Op het zachte plastic ding stond het vervaagde logo van een niet meer bestaande supermarkt. Tom trapte de bal naar één van de oudere jongens. Ze knikten instemmend.
     We beklommen moeizaam de dijk die de Witte Huizen tegen de autoweg beschermde. Van die hoogte hadden we zicht op het hele wilde land. Links lag de aanbouw van de nieuwe brug over het Gooimeer. Recht voor ons lag de slingerende weg naar het dichtstbijzijnde dorp. Achter dat asfalt lag ons doel: de woestenij met heuvels, zandvlaktes en braambossen. We gleden half slippend het gras van de dijk af. De sneeuw had alles glad en gevaarlijk gemaakt. We lachten luid.
     De hele tijd bleef Tom naar karkasjes speuren. Iedereen die hem kende bewonderde zijn verzameling. In zijn kamer lagen sigarendoosjes opgestapeld met daarin de bijna perfect bewaarde skeletten van muizen, ratten, padden, papegaaien, lijsters, mezen en een kat. Zelfs één van een otter die hij van een oom uit Noorwegen had gekregen. Voor die laatste twee gebruikte hij schoenendozen van zijn moeder. Toen ik hem met het verhuizen naar de zolder hielp en een van de doosje per ongeluk liet vallen werd hij woedend. Tom was iemand die liever boos op zichzelf werd dan op vrienden, en dat hij mij in vertrouwen had genomen rekende hij zichzelf aan als een fout. Ik dacht altijd dat hij bang was om ons kwijt te raken.
     De autoweg was stil. Geen auto die zich op het kristalliserende asfalt durfde te wagen. Even werd mijn aandacht door een donkere vlek op het wegdek getrokken, maar Tom keek er niet eens naar. Daar zou geen botje heel van zijn. Ik begon te schuiven en voor we het wisten gleden we luidruchtig over de straat. We lieten sporen achter als van skiënde kangoeroes.
     Zonder dat we het afspraken was ik leider. Ik had tenslotte de ontdekkingsreis voorgesteld en bovendien vond Tom verantwoordelijkheid maar niks. Ik vond leiderschap ook niks, maar deed graag wat ik wilde en het was prettig als anderen me daarin volgden.

De stokken die we als machetes gebruikten om ons een weg door de rimboe te banen hadden we niet echt nodig, want eigenlijk niets hield ons tegen. Het slaan zelf was plezier genoeg. Ik zag hoe Tom telkens een blik op de heuvels verderop wierp, waar een donkere kam van bomen de zwerk kietelde, maar ik voelde er niets voor daar heen te gaan. Dat is nou wat je ervan krijgt, Tom, dacht ik, als je niet de leiding wilt nemen. Gek genoeg ergerde het me dat hij er niet voor durfde uit te komen. Al snel stopte Tom met staren en speurde de grond weer af.
     Eindelijk kwamen we daar waar ik wilde zijn, al had ik niet van tevoren geweten dat ik daar wilde zijn. Het was een ondergelopen stukje grond met in het midden een heuveltje dat nu een eilandje was. Als er geen ijs op het water had gelegen was ik eraan voorbijgelopen. Tom keek me vragend aan en vroeg:
     ‘Zou het sterk genoeg zijn?’ Ik voelde met de voet het met sneeuw gepoederde ijs en merkte dat het doorboog, maar niet onmiddellijk brak.
     ‘Misschien… Wil jij niet ook op dat eilandje zitten?’ Tom knikte geestdriftig. Zijn blonde haar wapperde in de wind.
     ‘Maar is het ijs sterk genoeg?’ Het was aan zijn blik te zien dat hij zich daar geen zorgen over maakte.
     ‘Als we snel genoeg rennen zijn we misschien over voor het breekt.’
     Tom nam een aanloop en schoot het ijs op. Het brak in grote stukken onder zijn zwarte schoenen, maar steeds was hij verder voor hij zonk. Aan de schotsen die hij maakte was te zien dat het ijs iets van twee centimeter dik was. Ik volgde parallel aan zijn spoor. Hijgend en opgelucht vielen we op het mos van het eilandje dat schitterde van de rijp.
     ‘Godsamme, zeg!’ riep hij juichend.
     ‘Ja, man!’
     We steunden kreunend en voelden ons als helden uit de een of andere film.
Het was ons snel duidelijk: het ijs zou een terugtocht niet aankunnen. Ons eiland was van de wereld afgesloten. Benieuwd hoeveel proviand we nog hadden, doorzocht ik mijn zakken. Twee salmiakknotsen en een mandarijntje.
     ‘Wat heb jij bij je?’ Hij had een zak Engelse Drop. Zo konden we de nacht wel doorkomen.
     Eén schoen bleek toch nat te zijn geworden en ik trok die uit om de sok uit te wringen. Mijn voet was ijskoud, maar ik verdroeg het ongemak zolang we plezier hadden. We lachten broederlijk.
     De vroege nacht veroorzaakte een mysterieus duister en gaf de sneeuw een onwerkelijke glans. Het was tijd om verhalen te spinnen. Ik vertelde hem over de tunnel die van de Sint Jan in Hilversum onder het Gooimeer naar Urk liep, door wat vroeger de Zuiderzee was. Ik vertelde nog een verhaal, terwijl we dropjes van vrolijk gekleurde laagjes suiker en gelatine aten. De ronde blauwe en roze pittenkussentjes verdeelden we netjes.
     Er was geen wolk boven ons eilandje te bespeuren. We konden in het bruine diep van het heelal staren. Ik vertelde over de Olympus Mons – wat de hoogste berg van het zonnestelsel is – waarin een ondergrondse stad schuil ging. Natuurlijk waren de marsmannetjes niet groen met grote uitpuilende ogen en waren ze zeker niet enkel mannelijk. Nee, ze bleken blauw te zijn en hadden een poreuze huid, zodat ze de schamel aanwezige zuurstof beter konden absorberen. Het waren bijna alleen vrouwen, net als bij leeuwen het geval is. Hun ogen waren kleine spleetjes en de mannen hadden inderdaad manen.
     Het tweede verhaal verzon ik ter plekke, maar het eerste had ik van een oom gehoord.
     Onze konten waren nat van het vochtige mos, maar onze ruggen bleven warm in de jassen die bol stonden van het schuim. Een schuim waarover ik hem vertelde dat het mij meer dan eens het leven had gered omdat het vuurbestendig was.
     Toen werd het tijd voor Tom’s verhaal. Altijd kwam hij met iets waarover je moest nadenken. Dat was het beste aan Tom’s gezelschap.
     ‘Wist je dat Sinterklaas in de derde eeuw na Christus is geboren? Niet in Spanje, maar in Myra aan de kust van Turkije – wat toen nog Romeins was? Al vanaf zijn geboorte noemde iedereen Nicolaas een heilig boontje, zo vreselijk Christelijk was hij.’ Tom knipoogde naar me, wat goed te zien was in het sterrenlicht dat door de sneeuw werd gereflecteerd. ‘Omdat hij nog meer wonderen dan Jezus verrichtte, stond hij bekend als een wonderdoener, maar niemand snapte dat dit verkeerd was. Want had Jezus niet tegen valse magiërs gewaarschuwd? Ja, dat had hij.’ We lachten hard. Ik verslikte me bijna in een dropje.
     Luid kuchend verdeelde ik de salmiakknotsen.
     Tom’s ouders kwamen uit Kampen en behoorden tot de Zwarte Kousen-gemeenschap. Eng witte mensen. Ik dacht altijd dat ze familie van Dracula waren of zo. Tom had niets met ze op. Die ging zijn gang. ‘Wat niemand wist, was dat om wonderen te kunnen verrichten Nicolaas een verbond met een heidense god had gesloten. Wodan, oppergod van de Vikingen, had zijn oog voor een blik op de toekomst geruild. Hij had gezien hoe de Christenen het geloof in zijn pantheon zouden uitroeien. Hij wilde vriendjes met de nieuwe godsdienst worden, zodat hij en zijn medegoden genoeg aandacht zouden blijven krijgen.’
     Het was altijd hetzelfde met Tom. Je wist nooit zeker wat hij je op de mouw spelde. ‘Weet je dat de goden leven van de aandacht van mensen?’ging hij verder. ‘Zonder dat zouden ze verdwijnen als een soapsterretje dat door paparazzi wordt genegeerd. Als bekrachtiging van het gewenste verbond schonk Wodan Nicolaas zijn mooie witte schimmel om in een oogwenk van de ene naar de andere plek te rennen en zijn speer waarmee hij de vijanden van het geloof kon vernietigen. Zo kon Nicolaas tegelijk de heiligman zijn en strijden tegen de barbaren die in het oosten het rijk bedreigden. Niemand weet of de andere bisschoppen ervan wisten, maar het kwam keizer Constantijn in ieder geval goed uit. Ook Wodan kwam het goed uit, want iedereen die Nicolaas zag moest onherroepelijk aan hem denken.
     ‘Nicolaas ging zo op in dit dubbelleven dat zijn lichaam soms doorschijnend van de inspanning was. Zijn onderdanen dachten dat het kwam door zijn hoogste heiligheid en aanbaden hem nog meer. Op het strijdveld stond hij bekend als Nik de Furie, gesel van de Parthen. Toen zijn einde naderde begon hij zich schuldig te voelen en bad vurig om vergiffenis. Natuurlijk kreeg hij absolutie. Als beschermheilige van kinderen, ongehuwde vrouwen, kooplui, studenten, geliefden, slagers, dieven, moordenaars, piraten – en eigenlijk al het tuig op straat –leek dat een vanzelfsprekendheid. Maar hij moest er wel iets tegenover stellen. Dat is waarom hij sindsdien op december, de maand van Wodan’s Joelfeest, over de daken rijdt. Dan verlicht hij zijn schuldgevoel door cadeaus uit te delen. De Zwarte Pieten zijn de zielen van de vijanden die hij aan het oostelijke front heeft gedood en die hem altijd aansporen harder zijn best te doen.’
     In de stilte van ons koude eiland hoorden we in de verte het slaan van vleugels. Het kon ook de tabberd van de Sint zijn, klapperend in de striemende lucht.
     Ik staarde naar de hemel en geloofde even met heel mijn hart in het bestaan van onderaardse Marsvrouwen en de koopwaar die ze hun mannen in ruil voor een Marsnacht van minnen beloofden. Ik droomde ervan een vriendinnetje te hebben, van het krijgen van kinderen, van het verzamelen van de schedels van de doden, van het opzetten van skeletten en ze nieuw leven inblazen. Ik droomde van een Sint die helder was als het zuiverste water en tegelijk duister als het vuilste kool. Ik droomde van roetzwarte zielen die zich in de mantel van de Sint verstopten, waarvan de binnenkant zwart als het universum was, duister als een lege schedel. Nooit eerder had ik zo gedroomd.
     Ik heb eigenlijk nooit zeker geweten of ik in Sinterklaas geloofde. Hoe kan je weten dat je gelooft als er geen reden is om aan je geloof te twijfelen? Ik wist niet eens of ik ervan overtuigd was dat de Sint bestond, want hoe kon ik overtuigd zijn van iets als er geen reden bestond om te denken dat het ook niet kon bestaan?
     We lagen te verkleumen in een kou die zo diep klauwde dat het op sterven leek. We geloofden werkelijk dat we niet meer van het eilandje af konden komen.

Tom was de eerste die zich verroerde. De Engelse drop was op. Ik wilde blijven liggen en verder dromen. ‘We kunnen toch niet weg tot het meertje is dichtgevroren,’ zei ik.
     ‘Wil jij hier dan de hele nacht blijven kleumen?’ Daar had ik eigenlijk ook niet zo’n zin in. Natuurlijk konden we gaan wanneer we wilden. Honger maakte het moeilijk om de overtuiging vast te houden dat we waren afgesloten. Achter het eilandje was de afstand tot het vaste land een stuk korter.
     We stampten luid klossend het ijs aan stukken. Het kon me niets schelen of we nat en koud werden. Het waren maar vijf stappen. Van daar was het een klein stukje naar huis. We sloegen de dijk rond de Witte Huizen over. We hadden geen zin in de koude klim. Tom zocht niet meer naar skeletten en ik ook niet. We namen afscheid van elkaar met een knik.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Een sprong in het diepe, door Mischa van den Brandhof

Inschrijving handelsregister

Betreft de inschrijving een nieuwe onderneming of een voortzetting van een bestaande
onderneming?
Een nieuwe onderneming

Datum aanvang van de onderneming:
20 November 2018

Treedt de onderneming met één of meer handelsnamen naar buiten?
Met één naam

Deze naam is:
Eijk aan Zee

Geef een korte omschrijving van de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten:
Het aanbieden van coaching aan zee voor hoogsensitieven. Er is tegenwoordig steeds meer aandacht voor hoogsensitiviteit, maar wat is het precies? Als je hooggevoelig bent, heb je een relatief open energieveld en daardoor ben je minder weerbaar tegen invloeden uit je omgeving. Prikkels komen veel intenser binnen en dat maakt dat je sneller moe bent en eerder overprikkeld raakt. Geen wonder dat sponsdieren hier bij uitstek last van hebben, want ze absorberen alles. Van oudsher stond natuurlijk alleen de witte buisjesspons bekend als extreem gevoelig, maar zij zijn zeker niet de enige. Uit marktonderzoek blijkt dat 79% van de sponzen in de Noordzee last heeft van hooggevoeligheid. Als je op een wier of zakpijp leeft, is het gewoon ook heel lastig om je grenzen goed te bewaken. Maar ook van een stugge zeekomkommer kan je behoorlijk van slag raken. Eijk aan Zee wil sponzen begeleiden naar een fijn en ontspannen leven en hoopt daarmee een unieke marktpositie in deze niche te veroveren. Omdat mond-op-mond reclame uitgesloten is en duurzaamheid bij ons hoog in het vaandel staat, verspreiden we alleen vochtbestendige en milieuvriendelijke flyers. Op locatie zijn we van plan samen te werken met de experts van sportduikcentrum Aquasia.

Het adres van de onderneming is:
Zeekant 113, 2586 JJ Den Haag

Naam van de eigenaar:
Ferri Porus

Gepost in Columns | Getagged , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Rampspoed

 

Rampspoed

Ik heb het boek dat geldt als mijn afstudeerwerk van de Schrijversvakschool weggebracht. Daarmee is het eerste gedeelte van de drieluik-missie die ik mijzelf ten doel heb gesteld, afgerond. Binnen de drie maanden dat ik in de boshut verblijf, wilde ik; a) de roman afronden, b) mijn nieuw op te zetten werkzaamheden vormgeven en c) een synopsis én de eerste twee hoofdstukken schrijven voor het nieuwe boek.
      Ik reisde blij naar de grote stad, trots op het boek dat ik had geschreven. Maar zoals misschien te verwachten was, druppelde die trots ongezien langs mijn broekspijpen de straat op. Tegen de tijd dat ik op de stoep van school stond, wist ik niet eens meer zeker of ik het wel moest inleveren. Is het wel goed genoeg? Is het wel dik genoeg? Kan ik überhaupt wel schrijven?
      De dag erna weet ik natuurlijk niet waar te beginnen met b en c. Ik schuif ze aan de kant, trek mijn lelijke boslaarzen aan en loop de dag door, en de volgende en de volgende. Ondertussen wordt het steeds kouder. Niet alleen buiten. De houtvoorraad is aardig geslonken en ik moet zuinig doen. De schijnt de zon niet meer. De lucht is grauw. Binnen is het stiller dan de eerste zes weken. Niemand belt niemand mij. Ik heb nul-komma-nul goede ideeën. Mijn hoofd doet zeer, en ik val (om het geheel even af te maken) keihard van mijn fiets. Ik huil niet, en dat is een slecht teken, als ik het wel doe ben ik doorgaans sneller klaar. Ik besluit even naar mijn saaie, verschrikkelijke, stomburgerlijke rijtjeshuis te gaan om de post te halen. Als ik binnen kom loeien er wel drie verwarmingen. Het is warm, de muziek speelt. Ik douche wel een uur en was mijn haren. Alles doet het. De shampoo ruikt ook nog eens bijzonder lekker. Ik kan muziek luisteren terwijl ik douche. Ook het internet werkt, evenals de televisie. Ik zou kunnen koken op een vierpitsplaat als ik daar zin in zou hebben. Wat een kuthuis, alles werkt hier.
      Ik zucht, kleed me aan en rijd terug naar de boshut waar ik het vuur opstook en op de bank ga liggen met twee kruiken en een hond naast me. Ik ben eenzaam. Ik zeg het hardop. Niemand zegt iets terug. Eenzaamheid. Walgelijk. Dan begin ik gelukkig te huilen.

 

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Een nieuw debuut op 1 december in de Extaze-reeks!

poster Olifanten warm houden

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 28,
de nabeelden

Donderdagavond 15 november werd het nieuwe nummer van Extaze gepresenteerd, een avond met muzikale, essayistische, poëtische en beeldende voordrachten die een aanvulling waren op de rode draad van nummer 28: ‘Geloof in de kunst’.

Het programma:
. Ruurd Halbertsma: lezing over de antieke beeldhouwkunst als droom en doem,
ingeleid door een beeldcollage van Els Kort
. Art for Art’s Sake: muziek
. Lisa Rooijackers: gedichten
. De film: De vergeten tuin tekeningen en foto’s van beeldend kunstenaar
Mariëtte van Erp, film: Els Kort

De verdwenen tuin from els kort on Vimeo.

. Onno Schilstra: Freight Train– een voordracht / Art for Art’s Sake

De volgende Extaze in de Houtrustkerk is op 7 februari.

De nabeelden hieronder zijn van fotograaf Eric de Vries.

 

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Lekker Zen

Walden 2.0: Lekker Zen

Ik reed even met de auto naar een ander bos, want dat leek me wel een aardige afwisseling. Per ongeluk had ik mijn portemonnee in mijn zak waardoor ik op het idee kwam om meteen even boodschappen te doen. Ik kwam er per slot van rekening tóch langs. Ik zou op de terugweg meteen even langs mijn ex rijden. Dochterlief was de helft van haar spullen vergeten, kon ik die mooi even langs brengen.
      Het was druk in de supermarkt, een plek waar ik sowieso al niet wil zijn, dus zeker niet langer dan strikt noodzakelijk. Nu sta ik er tien minuten in de rij, met mijn lelijke boslaarzen en mijn ongekamde haren. Tien minuten waarin het buiten steeds donkerder wordt. In een nieuw bos kan ik Lucy niet zomaar loslaten als het schemert, dan eet ze al het wild op dat voorbij schiet. Ik vind dat persoonlijk niet zo erg, vooral niet als ik de restjes mee naar de bostuin kan slepen zodat ik in de ochtend de buizerd kan bespieden als hij zijn maaltje komt halen, maar het risico op een boete is te groot. De boete is negenhonderd euro zegt de boswachter iedere keer als ik hem tegenkom. Hij steekt zijn wijsvinger erbij op. Ik heb een hekel aan dat gebaar. Hoe dan ook, zo’n feest is het nog lang niet. Ik sta te lang in de rij. Als ik buiten kom is het nagenoeg donker.
      Als de boodschappen binnen zijn, rijd ik de stad in om de spullen van mijn meisje af te geven bij haar vader. Het is druk. Ieder stoplicht springt voor mijn neus op rood. Het wordt steeds later. Ik rijd een omleiding in, samen met nog drie miljoen andere automobilisten. Ik mijmer even over de tijd dat ik nog geen auto had (twee maanden geleden) en op mijn fietsje overal voorbij scheurde. Ik rijd nóg een omleiding in, nog een rood stoplicht, mijn telefoon schreeuwt vanuit mijn jaszak; de dochter vraagt waar blijf je nou? De radio brult, ik snijd per ongeluk een hele aardige fietser af, wil stoppen om sorry te zeggen, sla het portier bijna in iemand anders smoel, stap snel weer in, zwaai vriendelijk naar een agent: hallo-agent-niks-aan-de-hand-ik-ben-ok, rijd door naar mijn ex. Koffie? Nee-in-godsnaam-niet-nee. Terug die stad door. Wat-stinkt-het-hier-godver-wat-duurt-dat-lang, weer alle stoplichten op rood. Ik neem vast een hapje uit mijn stuur.
      Anderhalf uur later sta ik weer voor de boshut. Er komt rook uit de schoorsteen. Mijn vuurtje heeft in de tussentijd lekker door liggen smeulen. Ik realiseer me dat ik in een oude val ben getrapt. De val van: kijk-mij-eens-even-lekker-bijzonder-efficiënt-bezig-zijn-met-m’n-op-de-weg-naar-dit-kan-ik-meteen-even-dat-zodat-ik-aan-het-einde-van-de-dag-een-miljoen-losse-eindjes-heb-afgeknoopt.
      Brrrr. Ik was vergeten dat ik er zo goed is was en ben blij te merken dat dat dus ook niet langer het geval is. Ik laat Lucy uit de auto en stap mijn eigen bos in. Lekker Zen.

Gepost in Home, Walden 2.0 | Plaats een reactie

Een nieuw debuut op 1 december in de Extaze-reeks:
Olifanten warm houden, Dieuwke van Turenhout

 

Uitgeverij In de Knipscheer en Literair tijdschrift Extaze presenteren:
Een nieuw debuut in de Extaze-reeks:
 
Dieuwke van Turenhout: Olifanten warm houden (korte verhalen)

De boekpresentatie is op zaterdag 1 december,
van 14.00–17.00 uur, Perdu, Amsterdam.

Programma:
Aly Freije: gedichten, proza
The Phoenix Lights: muziek
Peter de Rijk interviewt Dieuwke van Turenhout
Presentatie: Cor Gout
Locatie: Perdu, Kloveniersburgwal 86, Amsterdam.
Bereikbaarheid Perdu

Aanmelden: redactie@extaze.nl
Meer informatie: redactie@extaze.nl, indeknipscheer@planet.nl

Een man probeert de draad weer op te pakken na het dodelijke auto-ongeluk
van zijn geliefde, kinderen van een religieuze sekte bereiden zich voor op het eind
der tijden en een jonge vrouw worstelt met haar kersverse moederschap.
In deze en zestien andere korte verhalen in Olifanten warm houden neemt
Dieuwke van Turenhout de lezer mee naar de kwetsbare wereld van de buitenstaander –
mensen die door hun eigenzinnige karakter of hun liefde voor een ander in extreme
situaties zijn beland. In haar veelzijdige debuut, waarin ze personages opvoert uit
verschillende rangen, standen en tijden, toont Dieuwke van Turenhout het inlevingsvermogen en stilistisch vernuft van een geboren schrijfster.

Dieuwke van Turenhout studeerde Letteren in Tilburg.
Ze werkte voor het chemiebedrijf Koninklijke DSM NV toen ze
in 2010 met haar partner naar New Delhi, India verhuisde. In die periode schreef
ze wekelijks een column voor Intermediair.

In 2012 verhuisde ze naar Brussel en volgde lessen bij de Schrijversacademie in Antwerpen. Hier raakte ze geïnteresseerd in het korte verhaal en in 2015 rondde ze de Schrijversacademie af met een verzameling korte verhalen.
Verhalen van haar hand verschenen in Revisor, Hard//hoofd, De Optimist, Extaze en het Vlaams literair tijdschrift Gierik & NVT (nu G.) en in het internationale Asymptote Journal. Dieuwke van Turenhout is host van de podcast Not just Hemingway, die zich exclusief bezig houdt met het korte verhaal.

 
De Extaze-reeks, een gezamenlijk initiatief van het literair tijdschrift Extaze
en Uitgeverij In de Knipscheer, is een serie debuten van auteurs die eerder
in Extaze publiceerden.

www.facebook.com/Extazereeks

 

logo Extaze-reeks

IN DE KNIPSCHEER

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Stilstaan

Stilstaan‘Jij moet hier blijven,’ roept de jongste van mijn vriendin me toe. Hij kijkt er streng bij. Zijn wijsvinger priemt naar het onzichtbare plekje voor hem op de grond. Ik probeer weg te komen, maar de kleine man is het er niet mee eens.
      ‘Ik moet helemaal niks,’ zeg ik, werp hem een kushandje toe en stap in de auto. Ik ben even op bezoek geweest bij mijn vriendin in de woonwijk. Ik moest er de hele stad voor door. Het was druk. Ik wil terug naar de boshut, waar een emaillepotje met gemberthee op de kachel staat, de hond op de bank ligt te slapen, waar het ruikt naar smeulend hout en mijn manuscript op me wacht. Of in elk geval steeds minder, denk ik erachter aan. Ik zwaai nog even en rijd de straat uit.
      Die zin blijft in mijn kop zitten; dat ik steeds minder moet en My God, wat is dát fijn! Er zijn jaren geweest van zorgen, van hollen en van brandjes blussen, vele jaren. Van die jaren heb ik ook genoten. Ik ben blij dat ze er waren, maar het was ook veel. Té veel, zo bleek toen ik in 2015 to-taal instortte. Er volgde een tranendal en een traag herstel. Allemachtig wat is ook mijn leven een cliché want inderdaad: sindsdien is er steeds meer ruimte gekomen. Ruimte om te doen wat ik wíl doen om mijn eigen leven vorm te geven en ik geef gehoor. Het smaakt naar meer. De behoefte om helemáál zelf uit te maken hoe ik mijn leven leven wil, groeit alleen maar. Het opzeggen van baan en huis is kennelijk nog niet genoeg. Ik wil wegkruipen als een bosdiertje en tevoorschijn kruipen als ik het weer weet, als zich een nieuw verhaal heeft aangediend of als een nieuw gedicht zich heeft genesteld in mijn hoofd. Ik groei in het alleen zijn. Ik wil leren loslaten, alles wat ik zolang krampachtig heb proberen vast te houden en zelf met enige nieuwsgierigheid ontdekken hoe het verder zal gaan, dat leven van mij.
      Nou ja dat kan nu dus, zie ik als ik mijn bijna lege agenda opensla. Nog twee weken vol werk, klussen, opdrachten, dan is het stil. Lege, lege bladzijdes tot aan mijn nieuwe kakelverse agenda toe. Fijn hè, of toch niet?

Gepost in Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Psychologie en erger, Rob Verschuren

In een uitstekende, genuanceerde recensie op Literair Nederland constateert Olivier Rieter een gemis aan psychologische diepgang in mijn roman Tyfoon (In de Knipscheer 2018).
Dat is een kritische noot die me blij maakt. Hetzelfde commentaar vind je namelijk regelmatig terug in recensies over het werk van mijn grote literaire voorbeeld Cormac McCarthy.
      Om iets zinnigs te kunnen zeggen over psychologische diepgang, zou je moeten beginnen vast te stellen wat ermee bedoeld wordt, waarom het ontbreken ervan een gemis is en wanneer een schrijver wel aan deze voorwaarde voldoet.
      Voor ‘diepgang’ geeft ENCYCLO.NL de volgende omschrijving: ‘Diepte tot waar een schip zich met zijn kiel onder de waterspiegel bevindt.’ Waar het in deze definitie om draait is: ‘onder de waterspiegel’.  Onder. Niet aan de oppervlakte. Maar onmiskenbaar aanwezig, die kiel, anders zou het bootje bij de eerste golf omslaan.
      Hier valt moeiteloos een parallel te trekken met het werk van Cormac McCarthy, die er een erezaak van maakt nooit een woord te wijden aan de beweegredenen van zijn personages. Zoals een recensent die mijn bewondering deelt het erg mooi heeft opgeschreven:
      ‘His refusal to vouchsafe his readers any privileged entry to the character’s thoughts beyond evaluating their actions and words yields a concrete realism that plays beautifully against the timeless poetry of their mythic environs and the timeless poignancy of their fates.’
      McCarthy heeft dat ook niet nodig (zoals hij ook geen leestekens nodig heeft, of in ieder geval veel minder dan andere stervelingen). Alles is aanwezig in de dialogen en de acties van zijn protagonisten. Het is aan de lezer om het boven water te halen.
      Vanwaar dan die kritiek? Op McCarthy, bedoel ik. Mijn eigen ambities in die richting moeten het doen met minder talent, en waar McCarthy glansrijk slaagt, ben ik nog aan het oefenen.
      Ik denk dat het luiheid is. Van de lezer, omdat het makkelijk wegleest wanneer de psychologische verklaring bij de koop is inbegrepen. En van de schrijver, omdat het makkelijker is iets te vertellen dan te suggereren door handelingen en dialoog. We zijn gewend geraakt aan boeken waarin wordt gemijmerd voor beslagen ramen, en veel mensen denken dat het zo hoort. En erger nog dan al dat gemijmer, is het wanneer de auteur in het verhaal inbreekt om een en ander begrijpelijk uit de doeken te doen.
      Je mag er natuurlijk anders over denken. Dat is het sterke aan Olivier Rieters recensie. Hij geeft zijn oordeel, maar laat ruimte voor andere interpretaties. Wanneer hij verderop in zijn betoog opmerkt: ‘(…) Verschuren heeft er waarschijnlijk bewust voor gekozen dergelijke uitdiepingen beperkt te houden,’ wordt zijn commentaar geen verwijt, maar iets waarover je van mening kunt verschillen.
      Ja, Verschuren heeft er bewust voor gekozen, geslaagd of niet geslaagd. Hij blijft oefenen.

Gepost in Columns | Getagged , , | Plaats een reactie