Nieuw nummer Extaze: ‘Literatuur die het podium betreedt’

Donderdagavond 2 maart, presentatie in de Houtrustkerk in Den Haag
De nieuwe Extaze is verkrijgbaar vanaf 1 maart

cover Extaze 21

ESSAYS
Literatuur komt niet alleen tot ons in geschrifte. We horen literatuur op
uiteenlopende podia: waar revues of musicals worden uitgevoerd,
waar muziektheater te zien en te horen is, waar cabaretiers en podiumdichters hun zegje doen, waar zangers teksten zingen die bedoeld zijn om er goed naar te luisteren.
(Tekst)dichter Nico van Apeldoorn ontmoet zijn collega Lennaert Nijgh (1945–2002) in diens songteksten. Cabaretier Fred Florusse herkent het poëtische talent van de komiek Johan Buziau (1877–1958). Historicus Dick Brongers neemt de lezer mee naar de revue tijdens en rond de Tweede Wereldoorlog en weegt de teksten die de artiesten in die periode ten gehore brachten. Didi de Paris erkent de schatplicht van zijn (en veler) podiumdichterschap aan de Antwerpse dichter Gust Gils (1924–2002).
In zijn essay ‘Bertold Brecht en de Eerste Wereldoorlog’ vermeldt Wim Michiel
dat Brecht (1898–1956) al vroeg in zijn carrière de behoefte voelde
om zijn teksten ook op het podium te (laten) vertolken.

KORTE VERHALEN
Gert-Jan van den Bemd
Chris Ceustermans
Kristien De Wolf
Hans Depelchin
Luuk Imhann
Heidi Koren
Liedewij Vogelzang
Theo van der Wacht

GEDICHTEN
Naomi Duveen
Dorien Dijkhuis
Els de Groen
Hanz Mirck
J.V. Neylen

BEELD
Lies Van Gasse

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

2 maart presentatie Extaze 21: ‘Literatuur die het podium betreedt’

ExtazeinHoutrustkerk21.indd

Literatuur komt niet alleen tot ons in geschrifte. We horen literatuur op uiteenlopende podia: waar revues of musicals worden uitgevoerd, waar muziektheater te zien en te horen is, waar cabaretiers en podiumdichters hun zegje doen, waar zangers teksten zingen die bedoeld zijn om er goed naar te luisteren. Dick Brongers en Cor Gout spreken met elkaar over de revue in de Tweede Wereldoorlog, onderbroken door tekstschrijver-pianist Hans Steijger die ‘goede’ en ‘foute’ liedjes uit die tijd ten gehore brengt. De politiek geëngageerde schrijver/teksdichter Nico van Apeldoorn draagt voor de pauze, begeleid door gitarist Dolf Planteijdt, voor uit eigen werk en verstaat zich na de pauze met het werk van de in 2002 overleden tekstdichter Lennaert Nijgh. Naomi Duveen leest gedichten voor die zijn gebaseerd op haar (te) vroeg afgebroken danscarrière. Beelden van de clown Buziau (1877–1958) worden van begeleidende tekst voorzien door cabaretier Fred Florusse, bekend van Don Quichocking. De zaal van de Houtrustkerk zal zijn opgesierd met panelen van de expositie ‘Variété aan Zee’, de geschiedenis van het variété in Den Haag in beeld, die eerder in het Atrium te bezichtigen was. Cor Gout (presentatie) en
Hans Steijger (met een toegift) sluiten de avond af.

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Harold Verra / Bigfatzo Productions

Gepost in Home | Plaats een reactie

Laurens ten Kate en Extaze op tv

In het programma ‘Het vermoeden’ heeft Laurens ten Kate het o.a. over Extaze nr. 20:
‘De magie van het verlies’. Bekijk hier het programma.

Gepost in Home | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan, Theo van der Wacht: Degas op zijn Nederlands

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 

 


Cornelia Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   

                                                                                                                    

Lees meer »

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Gratis ‘instap-rondleiding’ in het Louis Couperus Museum

Wegens succes verlengd
Iedere zondag om 14.00 uur
Gratis instap-rondleiding

Iedere zondag t/m 26 maart 2017, 14.00-15.00 uur

pier panderAlba, Pier Pander

Tot en met eind maart bieden wij u iedere zondag om 14.00 uur een gratis
‘instap-rondleiding’
door de tentoonstelling Schilderen met woorden in het Louis Couperus Museum.

Frans van der Linden, gastconservator van de expositie, of de Neerlandici Marianne Hezemans of Margriet Rutgers vertellen u alles over de achtergronden van de poëzie van Couperus. Zij reizen met u naar het Italië van Petrarca, het Engeland van de Arthurlegenden en het Egypte van de Hellenistische tijd. Topstuk van de expositie is het beeld Alba van Pier Pander, waar Couperus een sonnet aan wijdde.

De rondleiding duurt ca. een uur.

Welkom!

Gepost in Home | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Nieuw verschenen recensies

Het stinkende goudHans van Cuijlenborg – Het stinkende goud. Een liefde aan Goud-, Tand- en Slavenkust. Historische roman, De Bilt 2016 (HaEs Producties)

Lees hier de recensie

 
 
 
 
 
 
 
 

Felix Salbambitem. Bambi. Een leven in het bos,
2e druk, Den Haag 2016 (vertaald door Jet Quadekker)

Lees hier de recensie

Gepost in Geen categorie, Home | Plaats een reactie

De Trappist, door John Toxopeus

E-mails die niet beantwoord worden, het is een van mijn grootste ergernissen. Vooral als ouderen zich er schuldig aan maken. Van jongeren begrijp ik het wel. De snelheid waarmee ontwikkelingen zich aandienen is voor hen niet bij te houden. Wij senioren zijn daar aan gewend. E-mail is alweer ouderwets en ingehaald door de WhatsApp en zal nog voor mijn overlijden plaats hebben gemaakt voor de bril die alleen een oog nodig heeft om een boodschap over te brengen. Mobieltjes, tablets, de kinderen van onze kleinkinderen zullen zich eraan vergapen en zich afvragen of wij werkelijk zo achterlijk waren daar je vingers voor te gebruiken.
Niet reageren ken ik ook niet van vroeger. Tijdens mijn arbeidzaam leven was e-mail een fijn communicatiemiddel. Je hoefde nooit lang te wachten op een reactie, hooguit een dag. Dat is nu anders.
Ik bevind me in een wereld van nonchalance, van hooghartig stilzwijgen, van respectloos negeren. Ik bevind me in een wereld van schrijvers en uitgevers.
Van schrijvers waar ik mee omga zijn er twee soorten. Degenen die menen je vele tientallen pagina’s ruwe, ongecorrigeerde tekst toe te kunnen sturen, met het verzoek om commentaar. Wanneer je opmerkt dat dit in geen verhouding staat tot de zorgvuldig geredigeerde korte verhalen die je zelf inlevert, trap je op hun tere ziel en volgen er niet zelden tranen. De andere soort heeft niemand nodig, tenzij er iets te halen valt. Bij mij valt zelden iets te halen.
Als het gaat om communicatie zijn uitgeverijen zo mogelijk nog erger. Communiceren doet men alleen als er materiële belangen mee zijn gemoeid. Uitgevers werken met standaardberichten, maar zelfs dat is meestal teveel gevraagd. Een auteur wordt beschouwd als een melkkoe en uitgevers weten dat er duizenden schrijvers staan te dringen om tot de veestapel toegelaten te worden.

Uitgevers behoren tot een onbetrouwbaar volk, een enkele uitzondering daargelaten. Soms probeert iemand zich aan dat milieu te onttrekken. Een van hen is Henry Fles die ik kortgeleden tegenkwam. Ik herkende hem eerst niet in zijn monnikspij. De zekerheid dat hij het was, groeide toen ik zag dat zijn hand beefde bij het inschenken van de kostelijke Trappist die ik zojuist had besteld.
‘Henry, ben jij het?’
‘Henricus,’ zei Henry, ‘broeder Henricus.’
‘Kom ik je toch nog een keer tegen,’ zei ik, ‘terwijl dat het laatste is wat ik wilde.’
‘Dat had niet gehoeven,’ zei de monnik, ‘jij hebt de stekker eruit getrokken.’
‘Daar heb je het natuurlijk wel naar gemaakt. Ik was je productiefste en actiefste auteur. Je had me in de boter en de suiker moeten rollen.’
‘Waarom dacht je dat ik hier zat? Ik wil met mijn geweten in het reine komen.’
‘Daar zit een mooi verhaal in,’ zei ik.

Bij mijn derde glas, dat wij dronken in de refter waar eigenlijk alleen monniken mochten komen, vroeg Henry Fles of ik nu op wilde houden met al die ellende, mijn opgehoopte frustraties over hem uit te storten. Hij wist zelf ook wel dat hij slinks en onbetrouwbaar was geweest. Dat hij honderden euro’s had achtergehouden en belachelijke rekeningen voor waardeloze promotieactiviteiten had rondgestuurd.
‘Ik heb het grondig overdacht,’ zei hij, ‘eerst tijdens een wekenlange wandeltocht langs het Pieterpad van Pieterburen bij de Waddenzee tot de Sint-Pietersberg bij Maastricht. En nu hier.’
‘En je agressieve manier van communiceren?’ vroeg ik, ‘waarvoor al je andere auteurs, als angstige wezels, zijn gezwicht? Bang dat je anders hun boekjes niet meer uit zou geven?’
‘Wat moet ik dan doen om het goed te maken?’ fluisterde Fles. Hij had tranen in zijn ogen.
Ik wist dat ik nu door moest pakken. ‘Eerst nog zo’n roodkoperen godsgeschenk,’ zei ik en wees op de bierpomp achter hem.
Over de schuimkraag keek ik hem aan. Dat maakte indruk. Dat wist ik omdat ik zelf dikwijls zo was geïntimideerd, maar dan vanachter een kop koffie bij werkgevers en zelfs collega’s die vonden dat ik op moest stappen.
‘Henry,’ zei ik, ‘of broeder Henricus, als je dat wilt, je loopt weg voor je verantwoordelijkheid. Je moet naar de mensen toe, persoonlijk, praten over je gedrag, vragen hoe je het goed kan maken. Wat je nu doet, dat is laf.’
Hij stond op, knoopte het koord van zijn pij opnieuw vast en liep naar het raam. Ik zag dat hij was afgevallen.
‘Waar denk je dan aan?’ vroeg hij met zijn rug naar me toe. ‘Wat moet ik doen om schoon schip te maken? Van onze vier soorten Trappist elk twaalf flesjes? Is dat genoeg?’
Net toen ik wilde zeggen dat ik dat prima vond, draaide hij zich om en ik zag weer die blik, zelfgenoegzaam, hooghartig, de halve glimlach, een grimas die hoorde bij het zogenaamde onderhandelen, waarbij er maar een uitkomst mogelijk was. Die van hem.
‘We staan op het punt twee nieuwe soorten op de markt te brengen,’ zei hij. ‘Een van acht en een van negen-en-een-half procent. Die doe ik er bij.’
‘Eerst proeven,’ zei ik.
‘Dat kan niet. Er is nog geen etiket. Binnenkort neem ik een beslissing over de namen. Ze beschouwen mij hier als deskundig als het gaat om taalgebruik. Ik laat ze eind volgende week bij je bezorgen.’
‘En je andere voormalige auteurs?’ vroeg ik.
‘Geen denken aan. Niemand weet dat ik hier zit.’
‘Daar kan ik natuurlijk verandering in brengen.’
Ik hoorde iets wat leek op een vloek .
‘Als ik er nou één naar jou vernoem? De Goede Johannes. Zoiets was ik toch al van plan.’
‘Misschien krijg ik nog wel een beter idee,’ zei ik. ‘Ik mail je, en wee je gebeente als je niet reageert.’

Mijn vrouw moest erg lachen toen ik het haar laat die avond vertelde. ‘Wat dacht je van TrapTox of Toxpist,’ zei ze.
Ik zei dat ik haar reactie niet leuk vond. ‘Ik ga hier echt serieus over nadenken. Ik wil dat het pijn doet, iedere keer weer als die nepmonnik de naam tegenkomt op de tap of op het etiket van een flesje.’
‘Je hebt teveel gedronken, jongen,’ zei mijn vrouw. ‘Ik dacht dat je dat allemaal nou wel achter je had gelaten. Je moet weer genieten van het schrijven. Dat ging de laatste tijd net zo goed.’ Ze gaf me een zoen en ging naar bed.
Ik nam mijn glas mee naar mijn kamer en maakte een halve liter bockbier open. Vanuit mijn luie stoel keek ik naar mijn boeken, schitterende boeken uitgegeven door Henry Fles. Boeken waarvan de opbrengsten gingen naar de uitgever en boekhandel. Boeken waaraan ik alleen verdiende als ik ze zelf verkocht. Een paar euro per boek was voor mij, en dat voor honderden uren schrijfarbeid. Boeken waarvoor de contracten door mijn strot waren gedrukt. De strot van een professionele onderhandelaar, een vakbondsman die gedurende vijfentwintig jaar meer dan honderd cao’s had afgesloten. Was dat het? De oorzaak van mijn wrok die zich niet liet verdringen?
Soms vergat ik iets weer wat ik zojuist had bedacht. Daarom schreef ik ze op, de namen voor de twee nieuwe soorten Trappistenbier.

‘Die andere Trappisten hoef ik niet,’ mailde ik Henry Fles. ‘Alleen van de twee nieuwe soorten: vierentwintig flesjes ‘Niks aan de hand’ van acht procent en dezelfde hoeveelheid van ‘Met harde hand’ van negen-en-een-half procent. Mijn adres heb je ongetwijfeld nog.’

Toen ik de dozen in huis had, nodigde ik alle auteurs van Henry Fles uit om het bier te komen proeven.

John Toxopeus (Utrecht, 1946) is gepensioneerd en was daarvoor vakbondsbestuurder. Hij studeerde psychologie. Hij publiceerde in Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften. Er verschenen vier verhalenbundels van zijn hand, waarvan ‘Zo zien de mensen het graag’, satirische verhalen over BN’ers, de meest recente is. ‘De Trappist’ maakt deel uit van een volgende bundel die najaar 2017 verschijnt. Thema en werktitel: ‘Conflicten’. johntoxopeus.nl

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

Vrije tijd, door Christian Oerlemans

Iedereen heeft het druk tegenwoordig. Vraag je hoe gaat het? Drukdruk. Dat schijnt te moeten. Als je het niet druk hebt ben je een sukkel. Is dit een nieuw fenomeen? Ik herinner me dat Toon Hermans een lied zong over moeheid: ‘pa is moe, moe is moe..’ enfin, iedereen was moe. ‘We leven in het tijdperk van vrouw Holle ‘ – concludeerde hij.
Toen dus ook al. Toon zou opkijken als hij het hedendaagse mobiele telefoonleven zag. Volwassen mensen op zoek naar een niet bestaand Pokemonpoppetje, daarover hoef je geen grap meer te maken, dat is al om te lachen.
We hebben het druk, ja, maar vooral ook met de vrijetijdsbesteding. Vrije tijd: ooit is er voor gestreden. En hiermee groeide een nieuwe industrie: de vrijetijdsindustrie. Pretparken, recreatieve supermarkten, coffieshops. Inmiddels is er gelukkig ook Facebook en Twitter voor de vrijetijdsbesteding. Kun je met je laptop of je telefoon lekker bezig zijn, zeggen wat je ervan vindt, dingetjes delen, je vrienden feliciteren en een goed gevoel over jezelf krijgen. Vertel de wereld wat je eet, hoe je slaapt en wat je leuk vindt. Er komt soms ellende uit voort. Jonge meiden geven zich bloot, want Patricia Paay doet het ook. Goh wat interessant allemaal en wat heb ik veel vrienden. En sinds Trump de twitterkoning is geworden gaan de beurskoersen van dit wat kwakkelende communicatiebedrijf weer omhoog.
Om terug te komen op Toon: bekijk op Youtube een stukje van zijn show waarvoor vroeger de zaal plat ging en je ziet hoe de wereld is veranderd. Het moet allemaal heftiger, sneller en harder. Omdat vrije tijd besteed moet worden, hebben we het drukker dan ooit. Als ik bijvoorbeeld zie wat kinderen allemaal moeten, afgezien van de schoolgang. Een doodvermoeiend vrijetijdsprogramma, waarin uiteraard de ouders worden meegesleurd. En gepensioneerden gaan niet rustig dood achter de geraniums zoals vroeger, maar beginnen een nieuw leven, soms met iemand die veertig jaar jonger is. Het verrast me elke keer weer als ik in Portugal, waar ik vaak ben, mensen mijmerend op een plastic stoel zie zitten terwijl het onkruid aan hun voeten groeit. Ze hebben tijd om naar de groei te kijken. Tijd om koffie te drinken op onooglijke terrasjes, tijd om zomaar wat te zitten in de zon.
Zomaar zitten in de zon
Een parasol boven je bol
Je zou wensen dat ’t altijd kon
Zomaar zitten voor de lol
(Nee, niet van Toon).
Ogenschijnlijk hebben mensen in Portugal meer tijd. Voor zichzelf en voor elkaar. In de winkel moet je vaak wachten totdat je eindelijk aan de beurt bent, niet omdat het druk is, maar omdat de voorgaande klant er een gezellig dagje van maakt. Heb je – als voorbeeld – zelf een bijzonder schroefje nodig, dan is de helper in de ‘drogaria’ (uitgebreide ijzerwarenwinkel waar je ook prima wijn kunt kopen) een kwartiertje bereid om alle bakjes en doosjes om te keren in de stoffigste hoekjes van het magazijn. Kosten schroefje 20 cent.
Tijd is hier nog niet zo heftig gekoppeld aan geld. Aan de andere kant is er de heilige vrije tijd, afgezien van de kerkgang. Kom niet aan de lunchtijd. Bij de eenvoudige restaurants langs provinciale wegen staan rond één uur de auto’s rijen dik geparkeerd, veel bestel- en vrachtwagentjes, weinig dure hybrides. De lunch is het toppunt van vrije tijd. Kosten rond 7 euro, inclusief de wijn die eigenlijk niet mag want er is zero tolerance. Na de lunch zie je op de rotondes dan ook veel strenge politiemannen op de been.
In de paleisachtige shopping malls (met teveel failliete winkels) zitten honderden mensen ’s middags te lunchen. Elke zichzelf respecterende fastfoodketen is aanwezig, plus tientallen lokale uitgifte-restaurantjes, zoals een soepzaak of een gezondheidskeuken of een fruitdrankjes specialist. Israëlisch, Turks, Grieks, Italiaans, noem maar een land en de keuken is aanwezig. Doordeweek is het druk, ’s zondags is er geen stoel meer te krijgen. De hele familie gaat lunchen op Zondag, vaak de hele middag. En neem gerust je baby mee, want tussen de restaurants is een podium voor gratis Baby Care.

Naamloos2
Elke plaats heeft tenminste één shopping mall, met palmen en tuintjes en watervallen en al die restaurantjes. Je kunt er natuurlijk ook shoppen, erg voordelig, want er is altijd uitverkoop en de bekende merken zijn hier sowieso goedkoper dan elders in Europa (op de prijskaart van bijvoorbeeld Zara staan de prijzen per land vermeld, weliswaar achter een sticker, maar die kun je eraf pulken. De prijsverschillen zijn vaak schokkend groot).
In de shopping malls werken veel jonge mensen. Hun minimumloon is door de nieuwe linkse regering met 5% verhoogd tot bijna 650 euro in de maand (altijd nog minder dan in Griekenland). Voor dat geld spreken de meesten nog Engels ook. Vrije tijd? Hebben ze weinig want in Portugal moet je minstens twee banen hebben om te (over)leven.
Als je vraagt hoe het gaat… Drukdrukdruk.

Naamloos

 

 

 
Shopping mall Forum Algarve in Faro.

 

Gepost in Column Oerlemans | Plaats een reactie

«Het verlangen elders te zijn» – Reinier van Houwelingen: ‘Stromen die de zee niet vinden’

Cover StromenOver ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren op Literair nederland, 23 januari 2017:
Het creëren van een ‘perfect bevroren moment’, dat is het doel van de Amerikaanse fotograaf Gregory Crewson. Hij is een van de bekendste exponenten van de geënsceneerde fotografie. Dagenlang kan hij, samen met een grote crew en met behulp van een opgebouwde set, aan één foto werken. Het resultaat wordt vaak filmisch genoemd, vanwege de combinatie van narratieve en visuele elementen: in een enkel beeld vertelt het werk van Crewson een heel verhaal. (Overigens beschouwde de grote cineast Andrei Tarkovsky ritme juist als de essentie van filmkunst. Hij noemde het verstrijken van tijd binnen een frame ‘sculpting in time‘. (…)

Lees hier de recensie
Meer over Rob Verschuren

Gepost in Extaze-reeks, Home | Plaats een reactie

Waar word je blij van, Christian Oerlemans

Christian we maken je blij… een email van Albert Heijn, omdat ik een bonus kan ophalen. Toetje van Mona zeker, want ‘daar word je blij van’. Hetzelfde geldt voor een vliegreisje met Transavia, word je ook blij van, zeggen ze. Kortom, blij worden is de boodschap. Boodschap? Armoe, roep maar wat, geluk in je postvak. Gek word ik ook van al die loterijreclame waar de miljoenen over de buis vliegen, opgevoerd door bekende Nederlanders – Neanderthalers wilde ik bijna zeggen. Wat een no-brainers, om eens een goed modern begrip te gebruiken. Net zo modern als tone policing – nee niet polishing, dacht ik eerst ook – vertaald als toon-politie. Van de Toon die niet de Muziek maakt, maar die oorverdovend meningen ventileert. Die toon dus. Waardoor meningen de feiten verdringen, ofwel mensen meningen roepen alsof het feiten zijn. Bijvoorbeeld omdat het in de Telegraaf staat. Vluchtelingenplaag, kansloze asielplaag. Daar word je blij van. Toegegeven, ik ben een ouwe liberaal, ik worstel me in het weekend door drie kranten; Volkskrant, NRC en de Gooise Telegraaf (De Gooi- & Eemlander). Welke jeugdige iPhone lezer doet zoiets nog? Ik hoorde voetbaltrainers zeggen dat communicatie met die voetbaljongetjes lastig is. Ze leven in een i– wereld, de i van ik. Bubbels, ook zo’n woord. Mensen leven in hun eigen bubbel. Is natuurlijk altijd wel zo geweest, maar nu botsen de bubbels met knallende meningen op elkaar. Links, rechts, gelovig of wetenschappelijk. Roept u maar. Ik herinner me nog dat we als reclamemakers op zoek gingen naar een zogenaamde u.s.p.; unique selling proposition. Op zoek naar de inhoud, zeg maar. En hoe die in drie woorden over te brengen naar de doelgroep. Wie toen was komen aankakken met ‘daar word je blij van’ was eruit gesodemieterd. Geldt ook voor ‘koppen’ maken in de krant. De essentie in een paar woorden over het voetlicht brengen. Een scherpslijpers klus, want je wilt ervoor zorgen dat de lezer die alleen koppen snelt toch de inhoud zo genuanceerd mogelijk meekrijgt. (Toen werkte ik nog voor het Vrije Volk ;-)). Neem de thema’s van de kranten zelf: slijpsteen voor de geest, voor wie de nuance zoekt, niets is vanzelfsprekend, misschien wel de beste krant van Nederland, krant van wakker Nederland… Toch ook geen teksten waar je blij van wordt. Ik bedoel maar, het valt niet mee om in een paar woorden te vertellen Wie je bent, voor Wie. Trump doet het nog niet zo slecht. Making America Great Again spreekt de achtergebleven werkloze Detroit automonteur natuurlijk wel aan. Maar de meeste banen die hij wil terughalen uit China bestaan al niet meer. Het gaat allemaal erg snel. YouTube is echt belangrijker aan het worden dan NPO televisie, zeker voor de jeugdige doelgroepen. Vloggers met een miljoen volgers. En dus reclame waardoor een jeugdige vlogger goed verdient. Muziek zien en luisteren? Wie koopt er nog een CD, laat staan bladmuziek. Beroemde muziekwinkels (Nieuwe Muziekhandel Leidsestraat Amsterdam) verdwijnen, Spotify pakt de markt. De jeugd heeft de toekomst, zei mijn oma al. En dit is zeker waar, misschien meer dan ooit. Maar ook hier knallen contrasten op elkaar. Veel jeugd heeft geen toekomst en glijdt af naar misdaad, terrorisme, religieuze waanzin, of gewoon naar niks. Een klein deel maakt de wereld en de toekomst voor ons. Noem ik nog niet eens Zuckerberg, toch ook alweer in de dertig (5e rijkste van de wereld), maar bijvoorbeeld Harshwardhan Zala van Aerobotics7. Maakte o.a. een drone voor het opsporen en vernietigen van landmijnen en tekende net een contract met de regering van deelstaat Gujarat (India) voor 7 ton business. Zala kan in weinig woorden zijn boodschap communiceren: hij wil binnen een paar jaar groter zijn dan Google (opgericht in 1996 door Page en Brin die toen 23 waren). Als de wereld straks omarmd wordt door twintigers en dertigers, inplaats van door oude arrivé’s die landmijnen hebben gelegd, dan worden we misschien wel blij.
Zala, de CEO van Aerobotics7 is 14 jaar. Ja veertien.

 

 

Gepost in Column Oerlemans, Home | Plaats een reactie

De erfenis, Stefan Stallaert

Dat mijn vader af en toe behoorlijk uit zijn krammen schieten kon, wist natuurlijk heel de straat. Maar toen hij die zondagmiddag mijn neus eraf rukte, vielen zelfs de monden van mijn familieleden wijd open. Iedereen zweeg: mijn moeder, zus en broer, ze staarden alle drie doodstil naar mijn verwekker, die in volle verwondering, in het midden van de kamer, mijn achtjarige neus in de handen hield.
Mijn grootste bekommernis was te zien hoe het kleine lichaamsdeel bloed en snot druppelde op het tapijt. Wat natuurlijk een nieuwe colère, nu van moederszijde, zou kunnen veroorzaken. Bevreesd dat er dus gauw een stevige rammeling zou volgen, keek ik weg van iedereen, recht naar de televisie die een goed half uur eerder was aangezet.
Mijn blik op een uitzending van onze nationale radio en televisie bracht me kalmte en rust. Met vreugde zag ik hoe het boerenpaard van Boer en Tuinder rond hotste, gezwinder nog dan op andere zondagen. Een edele Brabander was het, een stevig ros met een knap gecoupeerde staart. Het dier liep dwars door de mistige velden, op het lange weidegras dat nog nat was van de dauw, langs lage wilgen en naderde zo in volle draf het beeldscherm van het voor vers geplukt fruit omgeruild Philips-televisietoestel. Ik wist dat het dier zich klaar maakte om in volle kracht het salon in te stormen, zodat ik het, veerkrachtig als Otorongo, kon bestijgen en we samen in galop het huis konden ontvluchten.
Maar jammer genoeg draaide dat verkeerd uit. Blijkbaar had de mist ook het beeldscherm ingepalmd en verdween het dappere wezen en de hele uitzending in grijswitte beeldruis.
Ik stond er helaas terug alleen voor en keek mijn familie aan. Maar iets was gewijzigd aan de conflictsituatie: mijn broer klopte mijn vader namelijk bemoedigend op zijn rug. Vader en zoon keken elkaar in de ogen en lang duurde het niet voor ze samen in de lach schoten en moeder en zus mee giechelden.
Ik lachte niet mee maar herademde wel, bijzonder opgelucht dat het zondags incident zo met wat humor werd afgesloten.

Vader stierf, tien dagen terug. Wist ik veel dat hij ziek was: mijn moeder, broer of zus hadden mij niets laten weten. Pas na de begrafenismis en de koffietafel in de parochiezaal Sint-Cecilia, bij de koffie en pistolets met kaas, hesp of preskop, vernam ik hoe hij aan zijn einde kwam.
Ik hoorde er mijn moeder het relaas van zijn laatste levensdagen doen aan drie neven met zwarte puntkragen en luisterde geboeid mee naar het verhaal van de dood van de brave man die ik niet meer had gezien sinds de dag dat ik mijn humaniora had afgerond, nu meer dan vijfentwintig jaar geleden.
‘En na hoop en al twee maand tijd was het spelletje uit,’ zei moeder. Waarna ze alle details van zijn ziekte bekend maakte, van de dag dat hij haar vanop het toilet had toegeroepen dat hij rood had geürineerd tot de herhaling van zijn laatste vloek in het Universitair Ziekenhuis, zes dagen voor zijn teraardebestelling.
‘Enfin, om juist te zijn is hij exact eenenzeventig dagen ziek geweest,’ was haar slotzin.
Vandaag was het dag eenentachtig. De dag dat mijn moeder, broer, zus en ik ons dienden aan te bieden bij de notaris, die tussen belangrijke verkavelingsaktes, enkele minuten had kunnen vrijmaken om de door mijn vader uitgeschreven erfenis uit de doeken te doen.
Eens binnen in het kantoor, moesten we plaats te nemen in een van de zalen van het oude herenhuis. De notaris begon al aan de lectuur van de akte voor we goed en wel neerzaten. Een voor een kwamen we aan de beurt. Eerst moeder, dan mijn broer, dan mijn zus, dan ik. Iedereen leek tevreden, alleen leek de voor mij geschreven tekst enkele uitzonderingen te bevatten. Want naast de enkele zaken die mijn vader mij niet kon onterven, bleek dat er mij ook een gitaar toekwam.
Ik trok verwonderd de wenkbrauwen op. Deze merkwaardige schenking bracht ook mijn familielieden, en in eerste instantie mijn broer, spontaan aan het lachen. Zo storend luid, dat de notaris verveeld opkeek en vroeg om de stilte in de zaal te bewaren.
Ik, een vijftiger die nooit een noot muziek had gespeeld, erfde de gitaar van een man die erom bekend stond geen bal te geven om muzische kunsten, maar die om een mij totaal onbekende reden blijkbaar wel een gitaar bezat. Raar.
Enfin, iets later mocht ik samen met de overige gezinsleden de notariële woning verlaten en splitsten onze wegen zich alweer. Ik liep naar rechts waar ik mijn wagen had geparkeerd, mijn moeder, broer en zuster liepen druk napratend naar mijn broers auto die aan de overkant van de straat stond.
Eens thuis, bleef die vervloekte gitaar door mijn hoofd spoken. Zittend in de zetel piekerde ik over het geërfde stuk dat een koeriersbedrijf me later op de dag leveren zou.
Tegen het eind van de namiddag, ging de bel. Ik opende de deur en daar stond een zwaarlijvige man met een knalrode sweater aan. Een walm van opgedroogd zweet waaide naar binnen. De man plofte een kartonnen doos neer op de deurdrempel, liet het pakket tegen de deurlijst leunen, duwde een plastic tablet en een zwarte schrijfstift in mijn richting en vroeg me voor ontvangst te tekenen op een minuscuul display. Ik gehoorzaamde en plaatste onhandig een onherkenbare kriebel op het schermpje. Gegeneerd vroeg ik hem beleefd of ik een nieuwe kans kreeg om de handtekening te herbeginnen, maar hij schudde heel beslist van neen. ‘It doesn’t matter, all is OK, sir,’ riep hij nog terwijl hij zich naar zijn bestelwagen haastte die stationair op mijn oprit draaide. Ik knikte begrijpend, draaide me om, stapte naar binnen, sloot de deur goed af en sleurde de zending naar mijn garage.

Daarna nam ik rust. De vele handtekeningen van die dag hadden me diep uitgeput. Pas in de vooravond verliet ik mijn zetel en ging ik nog eens naar de erfenis kijken. Die was verpakt in een brede bruine, kartonnen doos, die volgens de vorm inderdaad een gitaar kon bevatten. Ik had geen idee of het een akoestisch of elektrisch instrument zou zijn. De doos leek me nogal gemakkelijk kapot te scheuren en te plooien, zodat ze mee kon met de papierophaling van volgende week. Het plastic hoesje waaronder mijn adreslabel zat, zou ik met het gewone huisvuil kunnen meegeven. Tot zover geen probleem. Maar wat ik met de rest van de zending moest beginnen wist ik niet.
Ik zocht terug mijn zetel op en zittend volgde een nieuw idee. Ik keek op mijn uurwerk. Het uur viel mee en indien ik het goed had, was het vandaag een weekdag. Dat zou betekenen dat er nog een oplossing voor mijn probleem mogelijk was. Tijd voor actie dus.
Ik nam mijn autosleutels, liep naar de garage, trok kordaat de poort open, opende de kofferbak van de auto en sleurde de zending erin. Maar het pak was zo groot, dat het niet in de koffer paste en ik het diende te verplaatsen achter de passagierszetel. Daarna sloeg ik het portier dicht en startte de wagen. Vanachter het stuur leek het wel alsof er iemand op de achterbank zat en met me mee reed.
Bijna blindelings reed ik in de richting van de hoofdstad. Mee fluitend met een vrolijk chanson, zocht ik me blijgezind een weg door het verkeer. Na een korte rit vond ik het parkinggebouw dat ik zocht. Boven de ingang stond een aankondiging dat er honderd vijfenzeventig vrije plaatsen waren. Wat dus perfect was. Ik had er maar eentje nodig.
Ik haalde het ticketje uit de automaat die me op een schermpje welkom heette, en nadat de rood-witte bareel zich opende reed ik naar binnen. Achteraan, op het gelijkvloers, vond ik een vrij parkeervak. Ik zette de motor stil en uit het handschoenkastje haalde ik de lange, rode schroevendraaier. Ik stapte uit, liep naar de voor- en achterkant van de auto en vees er de twee nummerplaten los. Daarna haalde ik de documenten uit de wagen en sloot ik de portieren af. Ik plooide de nummerplaten dubbel, stak ze daarna in een plastic zak en liep de parkingruimte in.
Ik keek nog even achterom en zag de doos vanop de achterbank naar me staren als een ontgoochelde, eenzame passagier. Maar zonder enig gevoel van medelijden liep ik naar de uitgang van de parking, zeer tevreden met de ondernomen actie. Aan de eerste vuilnisbak stopte ik om er de papieren van de wagen in te gooien. Twintig meter verder dropte ik de platgedrukte nummerplaten in een stadscontainer. Het mooie einde van een tijdperk kwam eraan.
Toen ik iets verder was gekomen en de straat naderde, was er een geluid in de parking dat mijn aandacht trok. Ik draaide me om en met half dichtgeknepen ogen tuurde ik de met neonlampen verlichte ruimte in. Achteraan in de parkeerzaal, op misschien tien meter afstand van mijn auto, zag ik een dier bewegen. Geen hond of een kat, neen, het was een enorme kolos die luid met de hoeven op de betonvloer trappelde, duidelijk om zo mijn aandacht te trekken. Ik ging op een trapje staan en toen drong het volledig tot me door. Een brede glimlach verscheen op mijn gelaat.
Wat ik zag was het Boer en Tuinder paard. Het dier dat mij vijftig jaar geleden op televisie trachtte te bereiken, was na al die jaren teruggekeerd en hinnikte luid om haar aanwezigheid te melden. Wat een geluksmoment. En vandaag was er geen televisiemist meer om onze ontmoeting te hinderen. Het dier keek in mijn richting, brieste hard en zette het volle galop in. Ik lachte, wuifde met beide handen naar de Brabander en hield me klaar om het te bestijgen.

Enkele minuten later reed ik, blij en fier als een kind, op de rug van het boerenpaard, onder de geopende bareel van de parking door, in de richting van de brede steenweg.
We startten onze wandeling naar huis. Er was nog een hele tocht voor de boeg, maar dat zou gezwind verlopen. Dat voelde ik zo.
Wagens hielden voor ons stil, ik zwaaide naar de chauffeurs en was in de volle overtuiging dat ik als een tevreden man thuiskomen zou.

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

De geboetseerde wereld van Taylor Swift, door Maarten Buser

Over popmuziek, abstractie en tastbaarheid

Een herinnering: de tekst van ‘Losing My Religion’ zat in een map met liedteksten die gebruikt werd tijdens de muziekles op de middelbare school. Ik zat in de brugklas, mijn begrip van het Engels was rudimentair, ik kende de bijhorende muziek niet en keek naar een blok tekst dat ik niet snapte. Ik wist bijvoorbeeld nog niet dat de titel een uitdrukking is die veel wordt gebruikt in het zuiden van Amerika en zoiets betekent als ‘aan het eind zijn van je Latijn’.
Als twaalfjarige wist ik niet wat ik met die tekst moest, en nu eigenlijk nog steeds niet. Hoewel ik ‘Losing My Religion’ absoluut een mooi nummer vind en R.E.M. een goede band, moet ik toegeven dat de tekst nauwelijks closereadbaar is. Sterker nog, als je dat probeert dan valt ze uit elkaar.

Goede theorie functioneert als gereedschap. Het is fijn om te zien dat iemand anders onder woorden kan brengen wat je zelf (net) niet lukte, of wiens observatie jou anders naar de zaken laat kijken. H.U. Jessurun d’Oliveira bijvoorbeeld schreef zulke theorie voor de gereedschapskist: het essay ‘Het gedicht als wereld’. Het stuk is een zelfverklaarde expeditie in Lucebert’s gedicht ‘Tiran in ruste’. Die reis begint met het vergelijken van gedichten met sneeuwbollen, ‘waarin zich een huiveringwekkend idyllisch sneeuwlandschap bevindt, een vriendelijk dorpje met een kerk, rood kerstlicht achter ramen en galmgaten, een heel wereldje op sap’. Die vergelijking vindt Jessurun d’Oliveira treffend (en ik met hem), want ‘[m]en kan een gedicht zien als een geïsoleerde, beperkte hoeveelheid woorden in een zodanige kombinatie, dat het bijzonder onwaarschijnlijk is deze kombinatie toevallig elders aan te treffen. Achter dit unieke woordenkomplex ligt een unieke wereld.’ Om de omgeving te verkennen stelt de reiziger hardop vragen:
Als ik nu mijn beeld van het gedicht als wereld weer opvat, dan kunnen er, net als ten aanzien van de wereld om ons heen, vragen gesteld worden over de plaats waar we ons bevinden, de tijd waarin geleefd wordt, welke personen er zijn en hoe hun onderlinge betrekkingen liggen. Hiermee is de lijst volstrekt niet uitgeput, maar wel is het dit soort vragen, dat eigenlijk bij elk literair werk te stellen is.
Ik las het essay in het tweede jaar van mijn studie Nederlands, en bam!, er werd een luikje in mijn hoofd opengezet: een gedicht kan benaderd worden als een wereld, als een plaats. Vergelijk het, als het moet, met de ingezonden briefschrijver in de Donald Duck die opmerkte dat na elke zin (behalve de vraagzinnen) in het blad een uitroepteken staat. Het was me nooit opgevallen en nu valt het me nog altijd op. Sinds de vergelijking met de sneeuwbol stel ik me voor hoe een gedicht een wereldje kan zijn waarin je rond zou kunnen lopen, een wereldje waar je vragen over en aan kunt stellen.
Een ander luikje werd twee jaar later opengezet, door Eric Auerbach. Hij laat in zijn boek Mimesis (wederom studiemateriaal) werkelijkheidsweergaves in literatuur door de eeuwen heen zien. Hij legt bijvoorbeeld het verschil uit tussen de werelden van Homerus en die van de Bijbel in het openingsessay ‘Het litteken van Odysseus’ (hier geciteerd in de vertaling door Wilfred Oranje). De wereld in de Odyssee is volgens Auerbach ‘geboetseerd’: ‘[G]een enkele contour is vaag. [Er is] alle tijd en ruimte voor een welgeordende, goed gearticuleerde, gelijkmatig belichte beschrijving van gereedschappen, kleine diensten en gebaren.’ Dat oog voor detail kan ver gaan: ‘zelfs op het dramatische ogenblik van de herkenning wordt niet verzuimd om de lezer mee te delen dat het de rechterhand is waarmee Odysseus de oude vrouw bij haar keel grijpt om haar het spreken te beletten’. De wereld van de Bijbel is volgens Auerbach niet geboetseerd, omdat er veel oningevuld blijft. Het blijft bijvoorbeeld duister waar Abraham mee bezig was toen God hem riep, en ook ‘[w]aar hij zich […] feitelijk ophoudt, in Berseba of elders, binnenshuis of in de open lucht, wordt niet meegedeeld’. Bam, luikje open: een tekst kan geboetseerd zijn of niet.

Naast oud-student Nederlands ben ik ook een groot liefhebber van popmuziek. Die twee werelden komen natuurlijk een keer bij elkaar; het gereedschap uit mijn studie kon ik immers loslaten op wat mij min of meer hobbymatig interesseert. Zo ontdekte ik dat er ook geboetseerde en niet-geboetseerde popteksten bestaan. ‘Losing My Religion’ valt in die laatste categorie. Neem nu behoorlijk abstracte zinnen als ‘Oh, Life is bigger / It’s bigger than you / And you are not me’, of ‘Every whisper / Of every waking hour / I’m choosing my confessions’. Waar gaat di in godsnaam over? Ander probleem: ‘It’s me in the corner / It’s me in the spotlight’. Ja, dat is een duidelijke tegenstelling tussen introvert en extravert, tussen geen aandacht en veel aandacht, maar wat is de onderlinge relatie? Wordt het in de hoek staan gevolgd door het in de spotlights staan of overlappen beide locaties elkaar? Dat laatste is natuurlijk een irrealistisch beeld: wie richt nu alle spots op dat bescheiden punt in de zaal of kamer. Maar zo zou je het gevoel kunnen weergeven dat iemand die veel aandacht krijgt ook heel eenzaam kan zijn. Op papier werkt het niet, maar luister naar het nummer zelf en het klopt.
Popteksten hebben vaak een neiging tot abstractie. Neem bijvoorbeeld de jazzstandard ‘Body and Soul’: ‘Call me irresponsible, call me unreliable / Throw in undependable too / Do my foolish alibis bore you? / Well, I’m not too clever; I just adore you’. Heel concreet wordt de tekst niet; de klassieke cast van de popmuziek draaft op: een ‘you’ en een ‘I’.
Wie zijn ze? Geen idee. Je kunt ze zelf invullen; bijvoorbeeld met jezelf en je geliefde in de hoofdrollen. Waar speelt ‘Body and Soul’ zich af? Evenmin weet ik dat, maar is het relevant? Nee. Veel popteksten drijven op een soort vaagheid die tot invulling uitnodigt. Wie kent niet het gevoel dat er in je puberteit een zanger(es) was die precies zong wat je doormaakte? Daar kun je best selectief mee omgaan. Wat niet met je gevoelens strookte kun je weglaten of juist als een metafoor voor jouw situatie zien.

Iemand die wel sneeuwbalwerelden van liedjes maakt, is Taylor Swift. Een korte introductie: Amerikaanse zangeres, geboren in 1989, maakte een aantal countrypopplaten en is langzaamaan steeds meer richting pop gekropen, met invloeden uit de new wave en de synthesizerpop. Haar laatste albums Red en 1989 waren ook in Nederland succesvol, en ze scoorde top 40-hits met ‘I Knew You Were Trouble’, ‘We Are Never Getting Back Together’, ‘Shake It Off’ en ‘Blank Space’. Dat hitsucces is voor sommige bekrompen ‘serieuze’ muziekliefhebbers een reden om laatdunkend over haar te praten, maar trekt u zich daar niets van aan.
Swift schrijft en zingt liedjes die popmuziek – in engere zin – op zijn best zijn: uiterst meezingbaar en catchy, lichtvoetig en inhoudelijk sterk. Haar teksten zijn duidelijk geworteld in de stijlen van populaire films en eerdere popmuziek. Swift gaat daar intelligent mee om, waardoor haar alles behalve vage liedjes een opvallende beeldende kracht krijgen. Bovendien valt er vaak een ondertoon van melancholie te bespeuren die diepte aan de nummers geeft. Swift’s hits hebben het absoluut in zich om evergreens te worden – en misschien is zij wel de enige van de huidige generatie hitparade-artiesten die daartoe in staat is. Drake, Rihanna en Beyoncé, artiesten die geregeld opvallend experimenteel en spannend uit de hoek zijn gekomen, hebben de afgelopen jaren de Top-40 gehaald met hun r&b- en hiphophits. Maar de kwaliteit van de welgevormde, welhaast klassieke popliedjes van Swift missen ze.
‘All Too Well’ van Red (2010) is een goed voorbeeld van een Swift-liedje met een geboetseerde tekst. Die bestaat uit een groot aantal specifieke herinneringen van de ‘ik’ aan haar ex-geliefde. Dat ze zich al die details zo goed herinnert, maakt het liedje nog melancholischer. Volgens Swift had ze zo’n lap tekst geschreven dat ze de hulp van een andere tekstschrijver inschakelde om van dat materiaal een behapbaar nummer te maken – dat overigens nog goed vijfenhalve minuut klokt. Het is niet moeilijk om een tien minuten-versie voor te stellen: de lijst herinneringen zou alleen nog maar langer worden. De herinneringen zijn de beelden die bijdragen aan het plastische karakter van de tekst. Neem alleen al het eerste couplet:

I walked through the door with you, the air was cold
But something ‘bout it felt like home somehow
And I left my scarf there at your sister’s house
And you’ve still got it in your drawer even now

Het is niet zo dat Swift alles tot in de puntjes voorkauwt voor de luisteraar. Dan zou ze wel verteld hebben van welk hout de deur was gemaakt, welke kleur de sjaal had, hoe het huis van de zus eruit zag, enzovoort. Dat soort informatie is allemaal niet relevant, omdat je die zelf in kunt vullen. Als Swift ‘door’ zingt, dan is het om het even aan welke deur ik denk. Ik weet niet eens aan welke deur ik dan denk, gewoon aan een deur, wellicht zelfs mijn eigen deur. Even heb ik geprobeerd me de deuren van mijn ex-vriendinnen te herinneren, maar dat lukt niet. Die poging is ook irrelevant: er zijn relevantere herinneringen aan die exen zelf dan aan de deuren van hun ouderlijk huis of studentenkamer.
Een belangrijker herinnering in ‘All Too Well’ is ‘We’re dancing ‘round the kitchen in the refrigerator light’. Die zin intrigeert mij vanwege een super-specifiek detail: het koelkastlicht. Het valt prima te beargumenteren dat ‘All Too Well’ helemaal niet zo’n geboetseerde liedtekst is, maar een tekst met paar details die de illusie van geboetseerdheid of verregaand realisme opwekken, zoals dat koelkastlicht. Waarom verschilt ‘That’s me in the corner / That’s me in the spotlight’ als detail (of eigenlijk twee details) van dat koelkastlicht? Dat zit in het super-specifieke, of althans de suggestie van het super-specifieke, van Swift’s beeld.

Swift zet slim beelden in die bijna verankerd lijken in het collectieve bewustzijn: scènes die we van films, series en boeken kennen, zonder dat je direct aan kunt wijzen waar je een dergelijk beeld eerder tegen bent gekomen. Ze gebruikt als het ware ‘oerbeelden’, die gelijk de bijhorende plaatjes en associaties in je hoofd oproepen. In ‘Love Story’ (2008) gaat het over ‘crying on the staircase, / baby, please don’t go’. Ik ken dat beeld uit films, maar ik kan geen bijhorende titels noemen. Vlak daarvoor zet ze al een ander oerbeeld in, dat veel makkelijker thuis is te brengen: ‘You were Romeo, you were throwing pebbles / And my daddy said: “Stay away from Juliet”’. Swift’s teksten zijn popcultuur ten top: ze verwijst niet zozeer naar Shakespeares Romeo en Julia, maar naar een echo daarvan die we kennen uit allerlei films: de geliefden die van hun ouders niet bij elkaar mogen zijn. Met dat grondmateriaal wordt in bewerkingen vaak heel vrij omgesprongen: de tragische afloop wordt meestal een happy end . Zo ook in Swift’s liedje.
Zo werkt popmuziek: putten uit het grote reservoir van populaire beelden en hun connotaties. Denk aan de schier eindeloze lijst van liedjes over auto’s: in popliedjes worden die meestal bemand door (Amerikaanse) jongemannen die hun vriendinnetjes oppikken, want auto’s en seks zijn in liedjes vaak verstrengeld – zie The Beatles, Bruce Springsteen, en vele anderen.
Terug naar Swift’s oeuvre: haar nummer ‘Speak Now’ (2010) begint met ‘I am not the kind of girl / who should be rudely barging in / on a white veil occasion / But you are not the kind of boy / who should be marrying the wrong girl’. Trek even het popcultuurreservoir open en stop bij ‘love interest gaat met een ander trouwen’ en ‘iemand maakt bezwaar tegen een huwelijk’. En wat vinden we daar? Een kerk natuurlijk (net als in de film). Swift bevestigt dat vermoeden later in het refrein: ‘I’ll meet you when you’re out of the church at the back door’.
Hoe lukt het Swift om haar teksten niet clichématig te worden? Dat heeft er deels mee te maken dat menige poptekst pas echt werkt als die gezongen wordt, maar dat is niet alles: een gezongen slechte tekst blijft een slechte tekst. Bij Swift staan tegenover de oerbeelden slimme, grappige observaties, zoals het bruidsmeisje met ‘a gown shaped like a pastry’ – weer zo’n detail dat de voorstelling veel levendiger maakt.

Swift trekt op 1989 (2014) in een aantal nummers de plasticiteit van de teksten heel sterk door. Een fantastisch voorbeeld daarvan is ‘Style’, dat een narratieve inslag heeft , net als ‘All Too Well’, ‘Speak Now’ en vele andere Swift-liedjes.
De setting van ‘Style’ wordt in de eerste regel al duidelijk gemaakt, en direct wordt er een plastisch detail toegevoegd: ‘Midnight, you come and pick me up, no headlights’. Je kunt op basis van nog geen tien woorden al door het decor van het nummer lopen: twee mensen zitten in een auto, het is nacht, en het is nog donkerder, want de koplichten zijn niet aan, een indicatie dat in elk geval een van de twee hun rendez-vous geheim wil houden. Het liedje staat bovendien in een traditie: die van liedjes waarin auto’s met seks geassocieerd worden. De sfeer in ‘Style’ is dan ook broeierig. Nu heb je een grote lijn te pakken – die trouwens aanzienlijker helderder is dan pakweg ‘Losing My Religion’ – en in het refrein wordt de scène verder ingekleurd:

You got that James Dean daydream look in your eye
And I got that red lip classic thing that you like
[…]
You’ve got that long hair slick back, white t-shirt
And I got that good girl faith and a tight little skirt
And when we go crashing down, we come back every time
We never go out of style, we never go out of style

Het refrein is met recht geboetseerd: je hoeft als luisteraar niet te bedenken wat de hoofdpersonages dragen, je krijgt zelfs de kans daarvoor niet, want hun uiterlijk wordt je voorgekauwd. Probeer bovendien eens niet aan de dromerige blik van James Dean te denken. Maar die verwijzing brengt ook een omineuze onderlaag met zich mee: de filmster kwam om tijdens een fataal auto-ongeluk.
‘Style’ laat zich beluisteren als een filmscène. Dat klinkt clichématig, maar gaat voor weinig nummers echt op. Ga maar na: de personages worden enigszins stereotypisch, maar duidelijk neergezet (jongen die op James Dean lijkt, meisje met rode lippen en een kort rokje), de locatie is duidelijk (in de auto), en zelfs de tijd (midden in de nacht). Swift roept met de James Dean-verwijzing geen associaties op met de persoon of zelfs de acteur zelve, maar met het imago dat James Dean is geworden. Is dat oppervlakkig? Niet per se. Hoe voor de hand liggend het ook klinkt: popmuziek is geworteld in popcultuur. Door een beroep te doen op wat de luisteraar al kent, kun je makkelijker de wereld van een popliedje boetseren. De tekstschrijver zet de palen in de grond en de luisteraar doet de rest.

Gepost in Essays, Home | Getagged , , | Plaats een reactie

Nieuw nummer Extaze: ‘De magie van het verlies’

Donderdagavond 8 december was de presentatie in de Houtrustkerk in Den Haag.
Lees meer

E X T A Z E   B E S T E L L E N

cover Extaze 20

ESSAYS
In alle essays die dit nummer rijk is, klinkt muziek door. Veelal die van Lou Reed
van zijn album Magic and Loss, waarop hij twee overleden vrienden herdenkt. ‘Muziek
als geestelijke massage’, zo formuleert Heleen Rippen het in haar essay in briefvorm
‘Lieve Esther’. ‘Popmuziek is een belangrijke leverancier van hedendaagse mantra’s,
leuzen die het persoonlijk leven ruggengraat geven,’ schrijft Jan-Hendrik Bakker
in ‘Over de bestrating van het paradijs’. In zijn betoog ‘Chris. Een oefening in
melancholie’ gaat Laurens ten Kate uit van het verband dat Lou Reed in zijn album-
titel legt: vuur is vernietiging en hartstocht. Verlies kun en wil je niet verwerken. Je hoopt
dat in het brandend houden van het verlies de verlorene voortleeft en dicht bij je blijft.
Lieven de Cauter (‘Een beeld van het geluk’) beziet de relatie van de twee begrippen
vanuit de notie van geluk: alle geluk gaat gepaard met een intens bestaansbesef,
bijgekleurd met een besef van vergankelijkheid. Volgens Anton Simons (‘In de ban
van Lou Reed en Sartre’) beoogt Reed een absorptie van het ik en de objecten in
een magische wereld waarin het handelen faalt, maar die als ‘intellectum possibile’
mogelijkheden biedt om verlies en fouten een plaats te geven. ‘Wat gebeurt er,
wanneer je de balans van verlies en magie omarmt?’ vraagt Rene Gabriëls in
‘Magie en melancholie’. Bij de dood verdwijnen de geliefden van het toneel,
voorziet hij. Het verlies van dierbaren slaat een wond die nooit mag helen.
Melancholie is dan wel behulpzaam.

KORTE VERHALEN
Ofran Badakhshani
Rob H. Bekker
Cor Gout
Else de Jonge
Ishana Sayag
Marijn Sikken
Yoko Theeuws
Rob Verschuren

GEDICHTEN
Mark Baltser
Gerard Berends
Job Degenaar
Dorien Dijkhuis
Giuseppe Minervini
Dewi de Nijs Bik
Gerrit Vennema

BEELD
Erik Pape

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Place Stalingrad, Erik Pape

Film Erik Pape Place Stalingrad from Literair tijdschrift Extaze on Vimeo.
Vertoond tijdens de presentatie van Extaze nr. 20: Extaze in de Houtrustkerk op
8 december 2016. De aquarellen in het Extaze-nummer: ‘De magie van het verlies’ zijn gemaakt door Erik Pape op en rond Place Stalingrad Parijs.

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

Foto’s Extaze in de Houtrustkerk op 8 december

De avond in beeld, door Eric de Vries:

Gepost in Home | Plaats een reactie