Thematiek Extaze 20 – winter 2016

Magie en verlies

There’s a bit of magic in everything
And then some loss to even things out

 Lou Reed

In het laatste Extazenummer van dit jaar willen we het themagedeelte wijden aan twee bijzondere begrippen: magie en verlies. Het gaat om samenhang én spanning tussen deze beide.
De titel is ontleend aan Lou Reed’s album Magic & Loss (1992). Daarin bezingt de in 2013 overleden Reed het verlies van twee vrienden, door telkens de magie van hun leven tot in hun sterven te belichten. In onze cultuur wordt verlies doorgaans als iets negatiefs geduid, en wordt het tegenover vervulling en winst geplaatst. Reed zoekt eerder naar een balans tussen beide ervaringen. Hoe kan verlies een magische glans krijgen? En wat te denken van melancholie? Is dat de ervaring die het midden houdt tussen magie en verlies, hoogte- en dieptepunt? Misschien wordt in Reed’s legendarische Perfect Day (1972) verklankt wat Walter Benjamin de geluksdimensie van melancholie noemde.LouReedPerfectDay-300x296
De filosoof Georges Bataille schreef  al in de oorlogsjaren over de kracht en zelfs de ‘gift’ van het verlies, zoals dat in de ervaring van extase, van kick en roes, van geweld en verspilling, maar ook in de erotische en de religieuze ontmoeting met het transcendente naar voren komt. In onze tijd spreekt de filosoof Charles Taylor over de balans tussen het ‘omsloten’ en het ‘poreuze’ zelf, een balans die kenmerkend zou zijn voor de moderne mens, maar die tegelijkertijd dikwijls verstoord raakt.
Een tweede grootheid uit de popmuziek overleed eveneens recentelijk: David Bowie. Ook hij zoekt in veel van zijn werk naar een nieuwe samenhang tussen magie en verlies, zoals tot uitdrukking komt in zijn versie van de Nina Simone song Wild is the Wind (1976), in de raadselachtige figuur van Major Tom in zijn werk, en meer algemeen in de manier waarop hij zichzelf steeds verloor in vele avatars. Zijn laatste album, uitgebracht enkele dagen voor zijn dood in 2016, presenteert het verlies als een ‘black star’.
We willen verlies en zijn magische kanten zowel letterlijk nemen als figuurlijk. Letterlijk: het verlies van het leven, van een dierbare, de dood. Figuurlijk: verlies als de tijdelijke opgave van controle over het leven, zoals in de sensatie van extase, hallucinatie, pijn, risico.

 

 

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Het nieuwe nummer: ‘Water-Zee’

Een dubbelnummer, gedrapeerd rond coverE17-18Een (on)mogelijke reisgenoot, een poème fleuve van Theo van der Wacht

Met o.a. het prachtige essay ‘De intimiteit van water en het water van de intimiteit’ van René ten Bos, winnaar Socrates Wisselbeker 2016. Verder essays, korte verhalen en gedichten. De tekeningen en schilderijen in dit nummer zijn van Ronnie Krepel.

Het nummer kunt u hier bestellen.

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan, Theo van der Wacht: Stek

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

Lees meer »

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat -

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
- Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is -
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit -

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier -
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf -

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af -

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even -

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn -

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand -

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart -
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen -
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later -

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen -
- Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
- Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt -
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
- La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
- in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
- het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
- diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen -  Jenseits von
Gut und Böse? -

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag -
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

- en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast -
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
- Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn -
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw -

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst -

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ‘s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt -

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

September, Sami Kalaï

Blauwbaard

In een zee van tijd is september land.
Nooit kon ik er aarden, nooit voelde ik me thuis
onder het onbewogen teken van de Maagd.
Toch ging ik aan de wal, betrad de kleinste aller kamers.
Ik strompelde onthoofd de zomer uit.

Gruwelijker dan het einde is het begin van iets gruwelijks:
dat is september ten voeten uit.
Ik zat er op vinkentouw – met ingehouden adem; een tragedie in mijn borst,
de zomer zo te zien…
Met bebloede handen smoor ik nu dartel leven in de kiem.

 

Ik begreep het niet

Afwezig zijn is slechts een soort aanwezigheid,
echt weg ben je tenslotte maar één keer.
In zijn lange regenjas stapte hij naar de bushalte,
in zijn hoofd was hij twintig.
Hij zat soms zo dicht wanneer ik hem ver dacht.
Ik waande hem dood, want ik begreep het niet.

Zwaarmoedigheid weefde weer eens haar kleverig web.
De zomer was voorbij en er woedde een strijd die niet gewonnen kan worden,
al hunkeren we van nature naar het licht.
Mensen zijn gemaakt uit slijm, vroeg of laat belanden we
in de goot. Maar dat begreep ik niet.

In de bomen naast de afdeling verzamelden kraaien voor de slaaptrek.
We hoorden niets van hun drukdoenerij. Binnen was het stil,
al werd er veel gezegd.
Hij was er in geslaagd zijn kamer te verlaten om een sigaret te roken.
Daarna hadden we het over een film met drie kleuren die ik nooit zou bekijken,
zolang ik leefde, want ik begreep het niet.

Het licht was week en onherbergzaam, het was september en toch
lachte ze. Ik ontfermde me over haar lach als was hij een achtergelaten,
gewond vogeltje.
Ik dacht dat ze eenzaam was, dat ze tegen wil en dank haar lichaam meesleepte
en dat de tijd haar gezworen vijand was.
Maar ik betrapte hen in bed, ik begreep het niet.

Hij tikte de assen uit in mijn oor en vroeg me wanneer ik kwam.
Ik kwam altijd te laat en hij vertrok te vroeg en ik begreep het niet.
Hoe meer tijd ik had, hoe meer tijd ik verloor.
Ik begreep het niet.

Een velduil vloog rondjes en streek uiteindelijk neer
in het geruisloze avondlicht.
Er was niemand.
De lente snoerde mijn keel dicht, of misschien was het
de spectaculaire schoonheid van de wereld,
maar ik begreep het niet.

 

Jacht

Er waren jaren dat ik me in juni al grote zorgen maakte om september.
Herfst komt in golven, en het weeskind vliegt zo gauw.
Maar het doek valt niet over de zomer: wij worden geoogst.

Vanuit de hooiwagen zagen we ze nog één keer, onze dierbare kinderjaren,
duikelend als aangeschoten kwartels.
Zomeravond

Een zomerlijster plundert de zomeravond.
Een vrouw föhnt haar natte haren en blaast troost door het huis.
Beiden geven ze perspectief aan de wereld.

Vroeg of laat leren we wat september is, hoe dierbaar
de herinnering, hoe diep ze kerft.
Buiten gloort de tijd, onovertroffen in zijn ondergang.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Afscheidsfotografie, Helge Bonset

Carla Nieuwkoop is een bevlogen mens. Een echt mensenmens ook. Mensen fotograferen doet ze het liefste, en als we haar klanten mogen geloven, is dat ook wat ze het beste kan. Daarbij kan ze mensen en kinderen snel op hun gemak stellen.
Carla is gespecialiseerd in verschillende stijlen portretfotografie, van zwangere buiken en baby’s tot afscheidsfotografie.
Dit laatste is een bijzondere tak van de fotografie, waar steeds meer vraag naar is. Het is fijn om niet alleen het begin van een leven vast te leggen maar ook het einde. Want wanneer je afscheid moet nemen van je geliefde is het belangrijk voor die ander dat je beeltenis wordt vastgelegd als blijvende herinnering.
Als fotograaf vereist dit de gave van inlevingsvermogen en de kunst om je onzichtbaar te maken. Dat snapt Carla als geen ander en deze twee eigenschappen zijn haar op het lijf geschreven.

‘Waar is het korenveld?’ vraagt hij, als hij de advertentie weglegt.
Hij mist de dreigende blauwe lucht, het felgele veld met de bloedrode paden, de V-vormige kraaien erboven.
‘Daar komt jouw foto,’ zegt zijn vrouw.
Hij zakt neer in de bank en kijkt naar de lege plek boven de schoorsteenmantel.
Maar ik ben er nog, denkt hij. En die foto is er nog niet.
Zijn vrouw zegt: ‘Dan kan zij meteen zien waar hij komt te hangen. Toch?’
‘Ja natuurlijk,’ zegt hij. Hij is te misselijk om meer te zeggen.

Het is vijf voor tien. Hij denkt aan de geijkte vragen die de afscheidsfotografe zal stellen en de geijkte antwoorden die hij zal moeten geven, en ordent ze volgens de aloude journalistieke formule.
Wie? Ik. Wat? Kanker. Waar? Lever. Wanneer? Een maand, hooguit twee. Waarom? God mag het weten, als je in hem gelooft. Hoe? Een overdosis morfine, die palliatieve sedatie heet.

Zijn vrouw bekijkt hem kritisch. ‘Die broek past niet bij je overhemd,’ zegt ze.
‘Die broek,’ zegt hij, ‘komt helemaal niet op de foto. En al kwam hij dat wel, wat dan nog? Wat doet het ertoe? Waar hebben we het in godsnaam over?’
Hij hijgt van zijn uitval, zij zwijgt geschrokken.
‘Alles is ook zo raar,’ zegt ze na een tijdje.
De bel redt hen. Zijn vrouw gaat naar de voordeur en komt terug met Carla Nieuwkoop.

Carla Nieuwkoop is jong, dik en blond. Ze heeft een enorme bril op met zwarte randen en draagt het haar omhoog gestoken in een knot. Hij beseft dat hij zelfs in zijn huidige toestand nog had gehoopt op een sexy fotografe, zo’n vrouw waar je blik steeds naar toe wordt gezogen. Maar sexy is Carla niet.
Ze legt haar cameratas op tafel, komt voor hem staan en steekt haar hand uit.
‘Goedemorgen meneer,’ zegt ze. ‘Ik ben Carla Nieuwkoop. Ik kom een hele mooie foto van u maken.’
‘Een afscheidsfoto,’ zegt hij, terwijl hij haar hand schudt.
‘Ja, een afscheidsfoto,’ beaamt Carla.
‘Zeg maar je,’ zegt hij. ‘En ik heet Thomas.’
Tot zijn verbazing stelt ze hem niet de geijkte vragen, maar gaat ze meteen met haar camera aan de slag. Ze verwijdert doppen, legt lenzen op tafel, draait er een op het toestel, kijkt naar hem door de zoeker.
‘Wilt u koffie?’ vraagt zijn vrouw.
‘Graag,’ zegt Carla. ‘Zeg maar je hoor. En ik heet Carla.’
‘O ja,’ zegt zijn vrouw. Ze verdwijnt naar de keuken.

Carla houdt langdurig haar camera op hem gericht. Dan legt ze het toestel neer en kijkt hem recht in het gezicht. Ze heeft fanatieke blauwe ogen, en een strijdlustige rij witte tanden.
‘Ik ben een mensenmens,’ zegt ze. ‘Als ik een mens fotografeer, wil ik ook de mens zien achter de mens. Dat is mijn missie. Begrijp je?’
‘Ja natuurlijk,’ zegt hij.
Terwijl ze hem nog steeds strak aankijkt, komt ze dichterbij. De bruine vlekken van haar slobberige tijgervest zijn nu dicht bij zijn ogen gekomen. Ze gaat op haar knieën voor hem zitten, pakt zijn gerimpelde hand, die slap op de bank ligt, en houdt die stevig vast.
‘Ik zie het,’ zegt Carla, ‘jij bent een hele spannende man….geweest. En een mooie man. Maar het is voorbij. Laat het gaan! Laat het los! Dan wordt je foto ook veel beter!’

Hij slaat zijn ogen neer. Misschien rekt hij  zijn leven als hij nu zijn tanden zet in de dikke blonde nek van de afscheidsfotografe en het bloed uit haar lichaam zuigt. Veel mannen worden oud door als vampiers leven te halen uit jonge vrouwen. Maar voor hem is dat niet weggelegd.
Als hij opkijkt, staat zijn vrouw bij de tafel met drie kopjes op een dienblad. Ze heeft de Nou zeg!-uitdrukking op haar gezicht die hij kent van de keren dat hij te lang naar een vrouw in de sauna keek.
‘Laat het los!’ zegt Carla nog een keer.
Laat liever mijn hand los, denkt hij. Maar hij kan niet ontkennen dat hij nu meer leven in zich voelt dan alle afgelopen weken en maanden.

Zijn vrouw kucht. ‘Er is…koffie.’
Carla komt uit haar trance en laat Thomas’ hand vallen zoals een kind een stuk speelgoed.
‘Zullen we aan tafel gaan zitten?’ vraagt zijn vrouw. ‘Of liever hier, bij de bank?’
Het wordt de bank. Carla roert in haar koffie en kijkt naar de lege plek boven de schoorsteenmantel.
‘Daar komt dus je foto? Wat een ontzettend fijne plek.’
Zijn vrouw knikt gevleid. ‘Dat dacht ik ook,’ zegt ze.
‘Ik vind het fijn bij jullie,’ zegt Carla, ‘ik heb het gevoel dat ik jullie al jarenlang ken,
vooral Thomas. Daarom ga ik iets bijzonders doen! Ik maak behalve Thomas’ afscheidsfoto ook nog een foto met jullie tweeën. Dan kun jij (ze kijkt naar zijn vrouw) elke dag kiezen: ga ik vandaag alleen mijn man zien, of ons tweetjes?’
Wanneer Carla ziet dat zijn vrouw aarzelt, haast ze zich te zeggen: ‘Gratis! Behalve de lijst natuurlijk.’

Dan is het tijd voor de fotosessie.
Carla klikt meer dan honderd foto’s, vanuit alle hoeken van de kamer, eerst van hem alleen, dan van hen beiden. De meeste verwijdert ze direct na ze bekeken te hebben. Haar werkwijze doet Thomas denken aan de eindeloos typende aap, die volgens de kansberekening ooit een meesterwerk zal schrijven.
Tenslotte legt Carla hen een tiental foto’s voor: vijf van hem alleen, vijf van hen samen.
Van de foto’s waar hij alleen op staat, kiezen ze die waarop hij het minst lijkt op een geel geraamte. Van hen samen is er eén foto waarop ze allebei recht in de camera kijken en lachen. Maar de wanhoop straalt uit hun rimpels.

Carla bergt haar fotospullen in haar tas en legt uit dat haar foto’s een fijne, blijvende herinnering zullen vormen.
‘Ik zorg ervoor dat ik ze zo snel mogelijk klaar heb,’ zegt ze. ‘Dan heeft Thomas er ook nog plezier van!’
Hij steekt zijn hand uit als ze weggaat, maar zij kust hem op de wang, kijkt hem in de ogen en zegt:  ‘Je bent een mooi mens, Thomas. Ik ben blij dat ik jou gekend zal hebben.’ En dan tegen zijn vrouw: ‘Pas goed op jezelf!’ Ook zij krijgt een kus, en dan is Carla weg.

Zijn vrouw staat met de advertentie van Carla Nieuwkoop in haar handen.
‘Ik vind niet bepaald dat ze zich onzichtbaar maakt,’ zegt ze, ‘maar inlevingsvermogen heeft ze wel. Een beetje teveel zelfs.’
‘Hoezo?’ vraagt hij. Te laat beseft hij in welke val hij terechtkomt.
‘Ik heb het wel gezien,’ zegt zijn vrouw. ‘Ik ben niet achterlijk. Dat jullie elkaars handen vasthielden en elkaar in de ogen keken en ga zo maar door.’
‘Daar heb ik niet om gevraagd,’ verdedigt hij zich. Hij vraagt zich af of hij niet liever alvast dood zou zijn.
‘Wat is dat toch met jou en andere vrouwen?’ roept zijn vrouw. ‘Waarom ben je er altijd mee bezig? Waarom zit je altijd te flirten en te versieren?’ Er springen tranen in haar ogen. ‘Jij verandert nooit,’ pruilt ze.
‘Binnenkort verander ik,’ zegt hij. ‘Onherkenbaar.’
Zijn vrouw slaat haar hand voor haar mond, barst uit in een huilbui en laat zich naast hem neervallen op de bank.
Hij trekt haar naar zich toe en slaat een arm om haar heen. Voor twee heeft hij de kracht niet meer.
‘Sorry,’ zegt hij. ‘Sorry.’
Terwijl hij haar vasthoudt en haar haren kust, voelt hij weer leven in zich komen, ditmaal van binnen uit.
Als zijn vrouw gekalmeerd is, zitten ze zwijgend naast elkaar.
Ze kijken naar de plek boven de schoorsteenmantel, de lege plek die gevuld moet worden.

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

Tema con variazioni, Dirk Kroon

het weinige van de werkelijkheid
wordt minder en minder
(…)
men mag weer zwijgzaam en wijs zijn

Lucebert, Van de afgrond en de luchtmens

 

1a

Sluit je ogen voor
beelden uit het leven
en zie een binnenwereld aan.

1b

Sluit je oren voor
geluiden van de dood
en hoor het leven aan.

 

2a

Als je dan zo bang bent
voor de dood,
waarom stop je niet met leven?

2b

Als je niet zo bang bent
voor de dood,
waarom stop je dan met leven?

 

3a

Dit is een afscheid voor het leven,
zo de zon te zien doven in zee.
Als je hier woont is het voor even.
Neem deze werkelijkheid mee.

3b

Dit is een afscheid van het leven,
zo de zon te zien doven in deze zee.
Je moet het mooiste hier opgeven,
je draagt het zwaarste met je mee.

 

4a

De zee is stil en wacht als wij -
de nevel en de nacht voorbij.
Een overvloed aan vrijheid komt ooit vrij,
na de benauwenis van een doodtij.

4b

Het is al eeuwenlang doodtij,
er is de wereld en er is een wij.
Geen vonk van God komt er ooit vrij,
wij staan als stervelingen in een eindeloze rij.

 

5a

Het is te laat om nu nog terug te keren
naar de geborgen jaren van je jeugd.
En al wat jou aan grandioze uren heugt
is voor een oude man niet goed meer te verteren.

5b

Het is te laat om naar een weergaloze jeugd
terug te keren met de onbevangenheid van toen.
Je verloor naast onschuld ook de tomeloze vreugd
waaraan geen toekomst of een grote liefde iets kan doen.

 

6a

Je bent zo bang om dood te gaan
dat je nooit echt hebt kunnen leven.
Hoe is het al met al nog goed gegaan?
Je hebt je mooiste tijd in ledigheid verdaan.

6b

De ledigheid waarmee je goed kon leven
heeft je nauwelijks echt kwaad gedaan.
Nu al die nietigheid vrijwel is vergaan
moet je alleen in schamele resten staan.

 

7a

De stapelende jaargetijden wegen zwaar
en vormen beurtelings een wrange optelsom,
geleidelijk te groot en onontcijferbaar -
de ongewisse uitkomst van een ouderdom.

7b

De stapelende jaargetijden zijn te zwaar
wanneer een jeugd verwordt tot ouderdom.
Zodra de weemoed komt, is er het gevaar
van levenslange angst als afkoopsom.

 

8a

De roekoe-duif weet van geen wijken,
stuurt lokroepen naar onverkende rijken,
laat naar zich kijken en leert ons zien,
Gods eigen kleine vliegmachien.

8b

De roekoe-duif weet nauwelijks van wijken,
roept en zoekt naar onvermoede rijken,
waarin wij wat geweest is terug zullen zien,
de meest geliefde dode ook misschien.

 

9a

Het is zo ver, de dag breekt aan
en het begint al in je hoofd te dagen,
je hoeft geen uitstel meer te vragen,
je moet hier onherroepelijk vandaan.

9b

Het was zo ver, de dag brak aan
en het begon toen in je hoofd te dagen,
er valt geen toekomst te beklagen,
je bent hier al heel lang vandaan.

 

10a

Steeds meer vrouwen worden onbereikbaar
voor een man die bijna aan het einde is
van een bestaan vol hartstocht en geheimenis
dat toewijding nastreefde – het valt hem zwaar.

10b

Steeds meer vrouwen raken onbereikbaar
voor een man met nog maar weinig nachten;
zijn dagen eindigen in onafzienbaar wachten
op licht en gelukzaligheid – het is te zwaar.

 

11a

Het boek dat ik terzijde heb gelegd
bevat uiteindelijk de taal van alle tijden.
Hoe kon ik het zo levenslang vermijden
waarin alles in ultieme vorm is gezegd?

11b

Het boek dat je terzijde hebt gelegd
omdat afgunstigen toch telkens zeiden
dat iemand grootspraak beter kan vermijden -
zelfs dat is er glashelder in gezegd.

 

12a

Er zijn geen anderen dan wij,
elk ding richt zich op ‘mij’.
Er komt geen levend wezen bij,
wij raken nooit meer vrij.

12b

De wereld wordt als wij,
er komt geen liefde vrij.
Je ziet een kille woestenij,
geen zon komt er ooit bij.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

De buurman van een handelsreiziger, Bart Bruijnen

Van zijn vader wist hij weinig, behalve dat veel mensen zeiden dat hij toonvaster was dan Yoko Ono. Gaandeweg zeiden steeds minder mensen het, omdat Yoko Ono dat via allerlei rechtszaken zeer moeilijk tot haast onmogelijk had gemaakt.
Wat hij ook nog wist van zijn vader was dat hij een winkel met toeters, bellen en kniebeschermers had. Op een goede dag stopte zijn vader met die toeters en bellen om zich alleen nog maar te focussen op kniebeschermers. Het bleek een ferme misstap. Met het nieuwe concept was hij na vijf minuten al failliet. Maar dat kwam niet alleen door de illegale partij papieren wegwerpkniebeschermers die hij iets te hard op de kop had getikt. Nee, het pand liet ineens weten dat er door allerlei achterstallig onderhoud veel werk aan de winkel was, waardoor het werk in de winkel erbij inschoot, met als gevolg een extra lekkage.
En het was allemaal nog wel te verkroppen geweest voor zijn vader als diens buurman niet die dag ook was verhuisd. Vader en buurman hadden in de ruim vier jaar dat ze buren waren niet echt een goede verhouding, maar ze hadden zeker – vooral aan het begin – goede momenten gekend. Vader had gewoon tijd nodig om eroverheen te komen, het idee los te laten dat hij de ware buurman was kwijtgeraakt. Dus ging hij met iedereen over zijn gevoelens praten. Stuk voor stuk verhuisde iedereen om maar niet meer met hem over zijn gevoelens te hoeven praten.
Van zijn opa wist hij dat hij de grondlegger was van een reeks geografische wetten, waarvan de meest bekende: om de territoriale hoedanigheid van een planeet te veranderen is een sociaal of fysisch verschijnsel nodig. Zo’n verschijnsel kan uitwendig zijn (bijv. klimatologische omstandigheden) of inwendig (bijv. met behulp van esoterische vierkantjes en theosofische driehoekjes).
Het leverde hem uiteindelijk geen roem op. Ook toen hij probeerde om met dezelfde inzet faam te krijgen, kwam hij van een koude, veel te dure kermis thuis. Lof lukte ook niet. Eer kon hij op zijn buik schrijven. Aanzien kon hij eveneens niet het zijne maken. En toen hij uiteindelijk voor het verwerven van glorie idem dito nul op zijn rekest kreeg, vond hij dat het aardoppervlak voortaan de tering kon krijgen. Met die stelling won hij in de wereld van de geografische wetenschappen een bescheiden prijs, die hij thuis in zijn schouw bewaarde, waarna hij zich toelegde op het opzettelijk doden van dieren om het opzetten van die dieren door zijn buurman, die toevallig taxidermist was en graag dieren droeg, te vergemakkelijken.

Van zijn overgrootvader wist hij dat hij alleen dochters had. (Danig intelligent waren die dochters overigens niet, maar ze waren in ieder geval opgetogen dat ze geen meisjes waren.) Grootvader was sowieso zijn tijd ver vooruit. Zo was hij een van de eerste neo-analfabeten. Toen hij als jongeman ooit in onweer en bliksem buiten liep en twee keer dezelfde weg insloeg, kwam hij tot het inzicht dat geletterdheid rijmde op ijdelheid. Hij zwoer het alfabetisme af en bleek een natuurtalent: binnen twee weken had hij het zichzelf aangeleerd om niet meer te kunnen lezen en schrijven. In de media werd daar toen veel aandacht aan besteed, maar overgrootvader bewaarde de verkeerde krantenknipsels, dus zijn plakboek voor het nageslacht bleek achteraf een andere dan de bedoelde waarde te hebben. In die tijd ging hij vaak met zijn buurman, ook een neo-analfabeet, met vakantie. Het kwam dan voor dat ze in een hotel moesten logeren dat niet om over naar huis te schrijven was. Voor hen geen probleem. Ze reisden dan gewoon terug naar huis om er niet over te vertellen. Zo bewezen ze dat ongeletterdheid geen enkele belemmering hoeft te zijn voor een normaal leven. Waar ze ook waren verdienden ze prima de kost. Overgrootvader was accountant en buurman had het mooie, oude en vergeten beroep van spiegelverzorger. Als hij je spiegel zo eens per jaar weer helemaal netjes afstelde, had je er daarna geen omkijken meer naar. Later bleek dat overgrootvader helemaal geen buurman had, maar al die tijd zijn spiegelbeeld daarvoor had aangezien.
En dat is maar goed ook, want volgens zijn vader had die buurman maar een slechte invloed op hem. Buurman’s vader schreef hier nog een tot op de dag van vandaag veel voorgelezen factuur over.

 

 

Gepost in Columns, Home, Proza | Getagged , | Plaats een reactie

Gedichten, Younes El Kafari

Turing

Punten jagen. Schuilplaats, spanning, strijd.
Vragen om verbanning naar de kelder, weten
wie je daar ontmoet: de held, er is geen andere
mogelijkheid. Mierzoet hem daar begroeten

terwijl ontzetting niet om te verdragen is
en adem door je dromen giert. De klappen
te boven komen, snappen dat je over land
en lucht weer dichter bent bij het scharnier

dat je doet kantelen in ruimer perspectief
dan je voor denkbaar houdt. Zo lief was niet
en zal nooit zijn hoe de adrenaline
je oppept tot gevelde pijn. Oxytocine.

 

Biblia

Je leest je boeken en je slaat ze dicht:
op je gezicht is wanhoop te bespeuren.
Je gaat niet licht over bladzijden die geuren
naar veel belegenheid en naar kwade uren.

Verlegen letters zijn nooit bij te sturen,
er is geen vliegwiel en er zijn ook geen pedalen.
Een ziel is een verzinsel dat klettert op de muren
waar het geluk of evenwicht wil halen.

Er druipt wat inkt op je versleten vingers
die niet meer weten waar de krul moet zijn,
de slinger aan de schreef, het stokje laten zingen
terwijl je dromen weeft, azuur of scherp azijn.

 

Dwangspel

De gordijnen van de dwang schuiven elke ochtend open:
je weet niet welk stuk op de planken wordt gebracht.
Je kan niet meer gaan lopen. Het volk zit in de zaal,
de voetlichten ontbranden. Je bent de manke hoofdrolspeler,

je hobbelt weer naar voren. In de ivoren toren
van de slaap was je goed af. De dolksteek in je rug:
het hijsen van je ooglid en dan de angst, de lafheid,
de onwil om te delen wat niet van jou en elders is.

Houd al je tranen droog, je mag ze pas vergieten
wanneer publiek het vraagt. Het podium is veel te hoog,
de afstand veel te groot en nooit te overbruggen.
Zo sta je voor de kloof en hoort dan plots muziek.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Straattheater, Erik Spil

Ik imiteer een kraai. Mijn handen als snavel voor mijn gezicht. Een zwarte deken over mijn rug. Op het grote plein staan de andere surrogaten: allemaal doen ze iets na wat ze nooit kunnen zijn: God, Magere Hein, De Aap, etcetera. Ik ken de lichamen eronder, zonder uitzondering armoedig en mager. Net als ik zijn het zwervers, afhankelijk van het kleingeld van de toerist en de dagjesmens. Behalve Moeder Natuur, want zij straalt het onbekende uit.

De hoofdzaak is niet haar kostuum, waarin de natuur subtiel verwerkt zit, niet de lichtgroene make-up, maar eerder de uitstraling en beweging die als een bries om haar heen hangt. Met haar wieg ik heen en weer in de waan van een lentelucht. Op het plein bij de kerk is geen toerist te bekennen. Moeder Natuur vouwt haar kleed op en stopt deze in een koffer, ter afsluiting van haar show. Zij heeft gelijk: het is kansloos. Zelfs geen Japanners.  Ineens komt ‘God’ haar richting uit: hij heeft een wit stuk karton aan zijn middel vastgebonden, wat een wolk moet voorstellen. Verder een witte baard en pruik.
‘God is dood!’ roep ik hem toe.
‘Jij straks ook,’ schreeuwt Magere Hein.
‘Er is geen ruimte voor God in de natuur,’ zingt Moeder Natuur.
Daarna zwijgt ‘God’ en gaat terug naar zijn plaats.
Volledig uit mijn rol gevallen, loop ik naar haar toe, terwijl de surrogaten mij met argusogen bekijken.
‘Daar hebben we De Kraai. Jij bent net als De Aap onderdeel van mij,’ spreekt ze terwijl ze zorgvuldig opruimt.
‘Hoe bedoel je? Ik ben een idioot met een zwart kleed, die doet alsof, een idioot onder idioten.’ En ik maak een weids gebaar naar mijn collega’s.
‘Alle mensen doen alsof, zodra je iets aantrekt begint het geloof, de illusie. Laten we ophouden met spelen.’ En ze steekt een hand uit.

Bedwelmd pak ik haar hand en ze trekt me mee de straten door het park in. Ze brengt mij naar het diepste gedeelte.
‘Laten wij alles uittrekken, onze geloven, onze illusies,’ fluistert ze zacht.
Onder de kracht van haar beweging schuift het doek weg en de omgeving verandert in een wildernis. Haar lichaam gaat op in de natuur. Een oerinstinct woedt als een orkaan in mij, het laatste beetje rationaliteit verdwijnt. Ik word de vergetelheid ingezogen en even ben ik een kraai die over een weids landschap vliegt. Een kraai die landt op het plein bij de kerk. Een kraai die het theater niet ziet, maar een vuilnisbak waar hij in pikt.

Dan trekt ze haar hand terug en ik zie mijn fout in. Ik ben nergens geweest, sta nog steeds op hetzelfde plein terwijl ze me aankijkt. In haar groene ogen verspringt iets.
‘Nu,  je hebt het gezien, je was even bevrijd. Ga weer terug.’
Een Amerikaanse auto komt aangereden en ze stapt in.

Terneergeslagen loop ik naar mijn plek, plaats mijn handen als snavel voor mijn mond, buig diep naar de straat en maak een pikbeweging naar niets.

Gepost in Columns, Home, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

Open D., Steffan Hofland

 

Geen fuck te doen,

Geen werk.

Geen geld.

Goedkope blikken.

Laatste centen.

Uitgeteld.

 

Geen pijn.

Geen blues.

Geen tyfus.

Geen reet.

Are you alive, man?

It’s getting.

Late.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Gedicht op maat bij het werk van Marcel van Eeden, Rob Van de Zande

Marcel van Eeden plants

Tekening: Marcel van Eeden

Hoor het bovene ploegen
En omgespit lijkt de zon,

Onder een vaal genoegen
Dat ’t van de goudster won

Vloot het bestorven geween
Weg in ‘n schim over ‘t loof,

Welke alles om ons heen
Met ‘n bleke teneur bestoof -

En zo geeft hij ons weer:
Duistre vlagen op perkament,

Welke ‘n natuur des te meer
Als z’n zuivre maker herkent.

 
 
 

 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

De handschoenenman, Orchida Bachnoe

Jaren geleden was er een pannenkoekenhuisje in Den Haag. Met een vriend  kwam ik er minstens twee zaterdagen per maand. Aan de vierkante houten tafels met wit-rood geblokt tafelkleed gingen we gretig in elkaar op en de wereld verengde zich tot deze hemelse plek, dit paradijselijke moment. Als de struise Slavische onze bestelling kwam opnemen, keek ze vertederd naar ons.

Ze was slank met bollingen op de verkeerde plekken die werden geaccentueerd door haar strakke jeans en t-shirt. Het korte lichtbruine haar viel piekerig langs haar gezicht en in haar bruine enigszins scheefstaande ogen zwom onpeilbaar verdriet. Ze maakte geen praatje, zelfs niet over het weer. Maar ze bracht ons trots en zwijgend de perfecte poffertjes, crispy, boterzacht en ondergesneeuwd door bergen poedersuiker. Na vele porties ‘pofs’ en wereldwijd meanderende gesprekken werden mijn vriend en ik geliefden. Haar bombardeerden we tot onze Tinkerbell die onze prille relatie vleugels had gegeven door het weelderig strooien met poedersuiker, sterrenstof in het Haagse hart.

Zo zoet als de zaterdagen waren, zo anders was het door de weeks. Al voor zevenen zat ik in tram 1  die me naar Delft bracht. En altijd zette ik me schrap voor de 45 minuten eindeloos durende rit. Het was sneller om met de Thalys bij de grens van Nederland te komen dan in deze escargot. De ogen gesloten, droomde ik weg op het hortende en stotende ritme van de tram, en kwam zo uitgerust aan op kantoor.

Tot de dag dat hij vloekend en tierend mijn tram en mijn leven binnenstapte. Hij was  regelrecht aan het brein ontsproten van Koot en de Bie: het broertje van Gé en Arie Temmes. De pompoen op zijn wollen muts bewoog mee op de stroom van staccato uitgesproken scheldwoorden. Bij elke halte veranderde hij van plek, van voor tot achter in de tram. Maar hij ging nooit naast iemand zitten. Hij koos de lege zitjes.  Vanaf de Haagweg tot aan het  centrum van Delft tergde hij de passagiers. Gedaan was het met de rust en hopeloos eindelozer werd de rit. Elke dag opnieuw.

Ik trainde me om zijn luidruchtige aanwezigheid te wissen tegen het decor van de Vliet en de golfvelden waar fazanten op baksteenformaties  zaten te filosoferen. Ik zag de zon stralend  opkomen en vervolgens het gevecht met de onheilspellende muisgrijze mistlaag over de grasvelden. De hoopjes op het boerenland identificeerde ik als schapen. Terwijl hij de tram vol schold en iedereen hem zijn gang liet gaan werd mijn leven rijker. Gelukkiger zelfs. Misschien dankzij deze dissonant.

De winter daarop was kouder dan ooit. Het pannenkoekenhuisje had onaangekondigd plaats gemaakt voor een bar, waar shisha-rokende mannen rondhingen en waar je de wietlucht kon vastpakken. De Slavische sfinx was verdwenen en had de zoete geur van poffertjes meegenomen. Een gat geslagen in het hart van ons Den Haag.

Nu stapte ik dik ingepakt als een Michelinvrouwtje de tram in en  halverwege de rit stond hij opeens voor me. Mijn hart stopte secondenlang met pompen. Hij zei niets. Stond daar maar te staan en staarde me aan. Het duurde minuten voordat ik door mijn schrik heen brak en zag dat hij met zijn hoofd wenkte naar een voorwerp in zijn handen. Daar bungelde mijn handschoen tussen zijn vingers. Ik pakte het snel  van hem aan en mompelde dank je wel. Wat een lieve man, dacht ik.

En alsof de duivel ermee speelde en of het kwam door zijn aanwezigheid, maar mijn handschoen viel op onverklaarbare wijze op de grond. En telkens weer dook hij voor me op en gaf mij mijn handschoen.  Met een oprechte lieve blik in zijn ogen. Het vertederde me als ik zag hoe hij blij mijn “dank u wel meneer” in ontvangst nam. Hij kwam zelfs bij me in de buurt zitten om stilletjes te waken over mijn handschoenen. Mijn handschoenenman.

Het was zijn zelf toebedeelde taak om te zorgen dat mijn handen warm genoeg zouden blijven om verhalen te schrijven. Om mijn geliefde te strelen of om ze tegen elkaar aan te zetten voor een stil gebed. En terwijl de zomer allang was ingetreden begon ik elke dag naar hem uit te zien. Om hem te groeten en te genieten van zijn lach die van oor tot oor reikte. Hij zag er ook veel beter uit. Minder sjofel en hij vloekte niet meer. Af en toe ontsnapte er nog iets aan zijn lippen als er iemand instapte. Maar het had iets vertederends. Het gaat goed met je, dacht ik en ik was blij voor hem.

En op de mooiste zomerochtend van dat jaar zag ik hem hand in hand met een struise vrouw de tram instappen. Ik knipperde met mijn ogen. Warempel, het was de Slavische sfinx die ooit de lekkerste poffertjes van Nederland bakte. Ze gingen dicht tegen elkaar aan zitten en hadden alleen oog voor elkaar.  Ik glimlachte bij de gedachte dat haar sterrenstof nog steeds werkte en nu mijn handschoenenman geluk had gebracht.

Gepost in Columns, Home, Proza | Getagged , , | Plaats een reactie

«Zijn verhalen zijn het bredere publiek waard.» – Jan-Hendrik Bakker, Den Haag Centraal, 7-7-2016

Een goed geschreven verhaal is als een mooie ballade: je hebt het in een uurtje uit terwijl het geheel in je hoofd blijft hangen als een lied, waar het bij een grote roman toch vaak slechts om passages gaat. Goede verhalen blinken bovendien uit in beknoptheid en compactheid en komen van nature zonder veel dralen ter zake. (…) Segura’s verhalen hebben ontegenzeggelijk iets aparts, een snufje apocalyps gemengd met fantastische elementen. (…) Segura heeft bovendien een zeer trefzekere stijl met intrigerende beelden.
Lees hier de recensie

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Diplomatie & literatuur, Brussel, 29 september 2016 (vooraankondiging)

Op donderdagavond 29 september 2016 organiseert de Nederlandse ambassade in Brussel in samenwerking met het Springergenootschap een literaire avond op de residentie van de Nederlandse ambassadeur in Brussel (Horizonlaan 22, 1150 St. Pieters-Woluwe). Onderwerp is Diplomatie en Literatuur: waarover schrijft een diplomaat-schrijver, wat is de wisselwerking tussen zijn/haar schrijven en het diplomatieke vak, en welk spanningsveld bestaat er tussen roman en werkelijkheid, tussen feit en fictie?

Vier schrijvers die diplomaat zijn (geweest) staan die avond centraal: Carel Jan Schneider/F. Springer (belicht door zijn biografe Liesbeth Dolk), Pauline Genee en Richard Osinga. Filmmaker Rob Rombout zal aandacht schenken aan Robert van Gulik, over wie binnenkort zijn documentaire in première gaat. Timon Salomonson modereert de avond.

Carel Jan Schneider
(1932 – 2011) was bestuursambtenaar in het voormalige Nederlands-Nieuw Guinea en Nederlands diplomaat. Onder het pseudoniem F. Springer schreef hij vanaf 1962 zestien romans en verhalenbundels. Eind 2015 verschenen Tabee New York, Bougainville, Bandoeng-Bandung en Kandy onder de titel Boeken van herinnering als pocket in herdruk.

Liesbeth Dolk is onderzoeker en werkt in opdracht van het Nederlands Letterenfonds aan een biografie van Carel Jan Schneider/F. Springer. In 2012 verscheen haar fotoboek Vindplaatsen. De Indische jaren van F. Springer.

Pauline Genee werkt op het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. In 2014 verscheen haar debuutroman, Duel met paard, dat positief werd gerecenseerd in De Wereld Draait Door, Volkskrant, Trouw en NRC. In korte tijd verschenen drie drukken. In 2017 komt haar tweede roman, Roadblock.

Richard Osinga was als Nederlands diplomaat werkzaam in Algiers en Dakar. Nu is hij internetondernemer. Zijn eerste boek Bor in Afrika over een jonge diplomaat in een denkbeeldig Afrikaans land werd door HP/De Tijd een gedroomd debuut genoemd. Daarna volgden de romans Klare taal, Een duivel met een ziel en Wembley.

Rob Rombout [deelname onder voorbehoud] is een Nederlandse filmmaker, docent en lector. Zijn meest recente documentaire is On the track of Robert van Gulik. In deze documentaire gaat hij op zoek naar sporen van de Nederlandse schrijver (de Rechter Tie-romans) en diplomaat Robert van Gulik (1910-1967) in dagboeken en getuigenissen. De documentaire gaat in première op het Nederlands Film Festival (Utrecht, 21 tot 30 september 2016).

Timon Salomonson is een Belgisch diplomaat wiens eerste roman De diplomatie der dingen op de short list belandde van de beste Belgische debuten van 2014 (Boekenbeurs, Antwerpen). Hij werkt aan een tweede roman.

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Gevende mensen, door Christian Oerlemans

Dit stuk schrijf ik terwijl ik op het terras zit achter het huis van Rafi (Rafaela) en Juan, in Mérida Spanje. De bouganville bloeit uitbundig, de larmoyante  Perzische kat ligt bij mijn voeten. Boven ligt mijn echtgenote, ziek in bed.

Hoe is dit zo gekomen? Door op avontuur te gaan via Airbnb. Ik moet toegeven dat ik hiertoe een drempeltje over moest, met name na de vele publiciteit rond wilde kamerverhuur in bijvoorbeeld Amsterdam. Airbnb werkt kort gezegd een beetje als facebook, je moet vertellen wie je bent en de verhuurders geven ook hun profiel plus foto’s van het onderkomen dat ze verhuren. Bedoeling is een zekere openheid te creëren, zodat je weet bij wie je terecht komt. Noem het clubgevoel, Wij van Airbnb (zie vorige column).

Mérida is een monumentale historische stad die aanleiding geeft tot gepeins op het terras van Rafi en Juan. De rivier de Guadiana die tussen Portugal en Spanje kronkelt is hier, redelijk dicht bij de bron, een kilometer breed. De Romeinen bouwden een brug, met een lengte van 800 meter. Tot begin jaren zeventig reden er nog auto’s over, maar sinds de beroemde Calatrava verderop een superbrug heeft gecreëerd, is het de 800 meter lopen. Lang was deze brug de enige noord-zuid verbinding in de Extramadura en er is veel gevochten, verwoest, verbouwd en gerenoveerd, zelfs nog onder Napoleon die evenals de Romeinen, Visigothen en Moren met zijn legers over de brug kwam.

Over de brug was vroeger de stadspoort die toegang gaf tot een enorme fortificatie die door de Christenen veroverd werd op de Moren (koning Alfonso IX van Léon) in 1228/29. Maar eerst hadden de Romeinen hier een fort in 25 B.C. toen het hier Emerita Augusta heette ter ere van Octavianus Augustus. Na de Romeinen kwamen de Vandalen die – het woord zegt het al – de boel verwoestten totdat ze verjaagd werden door de Visigothen die het ford weer herbouwden en er een paar honderd jaar later werden uitgejaagd door de Moren. Genoeg geschiedenis. Je kunt het allemaal opzoeken op het internet.

Wat mij mijmerend voor ogen kwam waren de enorme volksverhuizingen. Die Visigothen bijvoorbeeld kwamen ergens van achter de Dnjepr vandaan , vluchtend voor de Hunnen naar het schijnt. Ze leverden slag met de Romeinen, de Alemannen, de Franken, die uiteraard hun grenzen sloten, totdat ze uiteindelijk op het Iberisch schiereiland hun plek vonden. Eigenlijk net zo’n verhaal als dat van de “Settlers” in Amerika. En ja, de Visigothen waren ondertussen ook gekerstend dus veel gebeurde in naam van de Heer. Er was zelfs een bisschop in Mérida en een Bijbelvertaling in de oude Germaanse taal Gotisch. Tegelijk kwamen uit het Noorden de Sueben of Sueven (Zweden), ook een Germaans volk dat al plunderend de westkant in beslag nam, het huidige Portugal en een deel van Spanje. Natuurlijk woonden er inheemse mensen, maar die hadden weinig in te brengen, die waren door de Romeinen in Hispania Lusitania al monddood of gewoon dood gemaakt.

Als ik tussen al die overblijfselen loopt van wat wij in historisch besef ‘beschavingen’ noemen, bekruipt mij toch een gevoel van onvrede met de mensheid. Ja natuurlijk, het is allemaal cultureel en prachtig en blij dat het er nog staat en mooi dat zelfs de tombe van Santa Eulalia (beschermheilige van Mérida) bezichtigd kan worden, dat arme twaalfjarige meisje dat haar Christelijk geloof niet wilde afzweren in het land van de Muzelmannen, allemaal interessant. Maar in Syrië gebeurt hetzelfde. Monumenten verwoesten, mensen vermoorden, landjepik spelen.

Genoeg hierover, terug naar Rafi en Juan die alles doen, maar dan ook álles wat ze kunnen doen, om het hun gasten naar de zin te maken. Mooie kamer, lekkere badkamer op 4sterren niveau, een ontbijt waar je de dag op doorkomt en verder verdwijnen ze nu en dan een tijdje en heb je het huis – dat overigens best groot is – tot je beschikking.  Helaas werd Willemine ziek, ernstige darm-ongeregeldheden, gisteren halve dag in bed, vandaag hele dag. ’s Nachts weinig in bed en veel in de badkamer. Rafi dus vanmorgen meteen naar de apotheek, heeft pillen gehaald die helpen. Voor mij kookt ze nu speciaal ‘licht’ eten want zij denkt – ondanks mijn protest – dat ik niet tegen hun zware Spaanse maaltijden kan haha.. linzensoep met chorizo?  Straks ga ik samen met Juan naar Italië-Spanje kijken, EK voetbal. Speciaal voor mij zetten ze een fan in de woonkamer, opdat ik het niet te warm heb. (Mérida is in dit jaargetijde inderdaad erg warm, je snapt niet dat de legionairs in hun barakken achter de hoge muren van het fort nog een speer konden optillen). Het is ook warm in menselijke zin, want Rafi en Juan zijn openhartig, geïnteresseerd in ons. We praten soms een halfuurtje met vertalingen op de telefoon(traduzir). We weten nu dat Rafi een vader had die zoop en sloeg. En Juan was 5 toen zijn moeder stierf en zijn vader wegliep. Oudste zus was toen 13. Zes kinderen alleen gelaten, drie zusters, drie broers. ‘We hebben veel geleerd’, zegt Juan. Hij zelf kwam in de handel en heeft een fastfood restaurant. Een broer is flamencozanger en -gitarist. De andere broer is leraar Engels. Op zijn 12e ging Juan werken en terloops naar school. Zegt Rafi: ‘we wisten in de klas wel dat Juan aan het werk was als hij niet op school kwam’.  Geliefden sinds hun schooltijd, nu midden veertig. Alles piekfijn voor elkaar, een zoon in Oxford als importeur van Spaanse producten, een dochter op Ibiza in het toerisme. Heerlijk om zulke mensen te mogen ontmoeten. Gevende mensen, in een stad waar eeuwenlang zoveel genomen is.

Gepost in Column Oerlemans, Home | Getagged , , | Plaats een reactie

Code rood, door Mischa van den Brandhof

Online leren

Bosmieren opgelet! Op 1 september gaat de Formicidabele School de Hoop (FSH) van start met de mini-MOOC getiteld The Zombie Apocalypse: Essential Skills and Strategy. Door klimaatverandering bestaat het risico dat tropische paddestoelen zich op onze bodem gaan nestelen. Een van deze soorten is de Ophiocordyceps unilateralis, een paddestoel die een besmettelijke en dodelijke infectieziekte veroorzaakt. Het is gebleken dat de sporen van deze parasiet het lichaam kunnen binnendringen, waar ze de controle overnemen van de hersenen en de ongelukkige naar een hogergelegen plek doen wandelen. De schimmel groeit vervolgens als een hoorn uit het hoofd om nietsvermoedende voorbijgangers te besmetten – en zo worden hele kolonies uitgeroeid. De MOOC is gericht op state of the art kennis over de cordyceps en het leren van praktische skills die onmisbaar zijn voor de moderne mier. Het vak wordt gegeven door Prof. Kampernoot en Commissaris-Generaal Bulderbos en is verdeeld in vier modules: ‘Cordy Who?’ (introductie), ‘Z is for Zombies’ (feiten en fabels over besmetting), ‘Hell is Coming’ (ervaringen uit de tropen), en ‘Staying Alive’ (trainen voor de apocalyps). Gedurende de cursus bent u bezig met video’s, artikelen, interactieve discussies en quizzen, en het delen van ervaringen met medemieren. In samenwerking met DefAnt is er ook een honours project, waarin u zelf leert hoe u van zilverberk een beschermend harnas en helmpje kunt maken.
Schrijf u vandaag nog gratis in op www.animooc.com!

Gepost in Columns, Home | Getagged , , | Plaats een reactie

Brexitland revisited, door Manuel Kneepkens

In de etalage van Europa
ligt de Noordzee in de Opruiming

Kwallen…legioenen kwallen…
koukleumende nudisten
Total loss !

Die uit de Heimat dragen een Stahlhelm
maar vele malen arroganter
zijn die gestrand
uit de UK !

Glazen Sprookjeskoetsen
Fin de siècle-speelgoed
met dodelijk voltage…

inhoud:

Queen Victoria

een transparante plumpudding
onder een lila parasol

althans haar kadaver, wuivend
grijnzend
vanuit ons aller-Onbewuste…

naar haar darling-onderdaan…
een sinistere flaneur in de London fog

onder de cape
van zijn Bullingdon-rokkostuum

een lijkbleek slagersmes…

                   Brexitman Boris Johnson

Gentleman Jack the Ripper!

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , | Plaats een reactie

Wij en Zij, door Christian Oerlemans

Sommigen zullen zeggen: ‘wij en hun’, maar daar gaat dit stuk niet over.

Ik kom op dit onderwerp omdat de tekstschrijver Jaap Toorenaar een boek maakt over bekende reclamecampagnes. ‘Even Apeldoorn bellen’ kan dan natuurlijk niet ontbreken, deze campagne won in 2015 met enorme voorsprong de “Gouden Loeki aller tijden”, uitgereikt door de STER.

In gesprek met Jaap over het ontstaan van de campagne –gemaakt samen met art director Fons Bruijs in 1986  – realiseerde ik me dat wij toentertijd veel meer bezig waren met het interne bedrijfsprobleem bij Centraal Beheer, dan met deze reclame, waarvan we natuurlijk nog niet wisten dat die zo’n lang leven zou hebben.

Centraal Beheer was als kleine coöperatieve verzekeringsmaatschappij verhuisd naar een revolutionair kantoorgebouw in Apeldoorn, ontworpen door Herman Herzberger. Dagelijks trokken groepen bewonderaars, overgevlogen vanuit Japan of Australië of Amerika, door het pand. Volledige openheid tot in de directiekamer. Overal espressobars, hangende plantenbossen tussen het betonskelet, aquariums, huisdieren en – heel apart voor een verzekeringsmaatschappij – spijkerbroeken en geen stropdassen. Zo’n vrolijke alternatieve kantoortuin had niemand nog ooit gezien.

Centraal Beheer was een buitenbeentje in verzekeringsland waar driedelig grijs toen de norm was. CB verkocht verzekeringen als postorderproduct, per coupon. Knip uit die bon en pak uw voordeel. “Verzekeringen voor zelfverzekerde mensen “ hadden wij bedacht. En het kon nog makkelijker: gewoon per telefoon. Even Apeldoorn bellen. Maar toen wij die campagne presenteerden schrok de baas, Geert Boreel, een beetje terug. Hij hoorde in gedachten al die honderden rinkelende telefoons die niet werden opgenomen omdat zijn medewerkers in de coffeecorners zaten. Mensen zijn immers net kinderen; als je de grenzen oprekt, discipline verwaarloost en veel vrijheden toestaat, dan ontstaat er een balorige vrijbuitersfeer.

Wat te doen?

Nu kom ik op ‘wij en zij’; een interne campagne! Clubgevoel creëren, met z’n allen rug aan rug strijden tegen die arrogante  verzekeringsreuzen in Amsterdam en den Haag. Alle neuzen dezelfde kant op. Dit noemden we toen een ‘motivatieprogramma’, maar zo mocht je het later niet meer noemen omdat het teveel leek op ‘manipulatieprogramma’. Samen met Henk Terlingen
– bij ouderen bekend als Apollo Henkie – die dit soort programma’s produceerde in ons bedrijf, maakte ik een spectaculair intern televisieprogramma, dwars door het hele bedrijf en… voor de medewerkers als volledige verrassing. Toen ze op kantoor kwamen bleek hun werkplek te zijn veranderd in een televisiestudio. Overal monitors en camera’s. Ronde tafelgesprekken met divisiedirecteuren, open microfoons, sprekerspodia, de ondernemingsraad in het geweer, Ruud ter Weijden, Koos Postema en andere tv-persoonlijkheden in emotionele gespreksgroepen, kortom DWDD en Pauw en Tan avant la lettre in de kantoortuinen van Centraal Beheer.

Na die dag konden we  met ‘Even Apeldoorn bellen’ van start. Iedereen wilde en kreeg telefoontraining. Hoe aardig te zijn en te blijven, ook tegen lastige klanten. Prettige dag verder. Dank u voor het bellen. Al die cliché’s waar je nu een beetje ziek van wordt (fijne dag nog), waren toen nog redelijk vernieuwend.

‘Wij tegen Zij’. Niets werkt beter dan dit, omdat wij mensen ermee worden opgevoed. Einstein zei het al:  ‘gezond verstand is de verzameling vooroordelen die we hebben vergaard tegen de tijd dat we achttien zijn’. We leven in clubjes, in groepen zoals we dat eigenlijk gewend zijn sinds we jagers/verzamelaars waren. Ons kent ons. Ons brein wordt volgestopt met overtuigingen, normen en waarden van onze ouders, politieke kleuren, religieuze dogma’s, meestal zonder dat we ons dit realiseren. Propaganda, reclame, natuurlijk. Maar de ware manipulatie grijpt dieper in, dan gaat het om overtuigingen die stoelen op nationalisme en religie. Er zijn bijvoorbeeld maar weinigen die door intellectuele argumenten tot hun geloofsovertuiging komen. Het is de groep die het doet, de emotie van samen hetzelfde geloven en denken. De grote meerderheid van gelovigen is gelovig dankzij de opvoeding. Als je nu in Teheran wordt geboren, ben je moslim en geloof je in de waarheden van de Koran. Ouders geven niet alleen genen door, maar ook overtuigingen, waarheden, en inderdaad ja…vooroordelen. Geen mens is er vrij van. Nationalisme is misschien nog meer manipulerend dan religie, als ik ’t zo mag zeggen. Misschien ook omdat het ‘nieuwer’ is, want het vaderland is een begrip dat nog niet zo lang bestaat. Strijden, desnoods sterven voor het vaderland; een modern thema dat eigenlijk pas in de eerste wereldoorlog ontstond. Ik vond een ironische uitspraak van de Britse dichter Wilfred Owen over het destructieve van nationalisme: ‘dulce et decorum est pro patria mori’ – het is een zoete eer om voor het vaderland te sterven. Wat hij overigens ook deed vlak voor de wapenstilstand. In Europa en Noord en Zuid Amerika  zijn staten nog jong. In de 19e eeuw kon je nog geen supporter zijn van het Italiaanse, Duitse of Argentijnse elftal. We hadden vorstendommen, keizerrijken en koninkrijken en andere rijken, machthebbers die de baas waren over hun onderdanen. Hiervan is hier en daar nog iets blijven hangen in royalisme en monarchisme, maar deze groepsculturen zijn minder sterk dan nationalisme en religie. Behalve misschien op ‘koningsdag’.

Hoe komt het dat nationalisme zo ingrijpend is geworden in de wereld? Door de scholing lijkt mij. Tegelijk met het ontstaan van naties, werd schoolgaan normaal en later verplicht. Door het onderwijs leerden kinderen dat ze ergens bij hoorden, een denkbeeldige gemeenschap met nationalistische ideologie, een nationale taal en een bijbehorend volkslied. Zo leerden eind negentiende eeuw ( bijvoorbeeld) de Friese kinderen Nederlands spreken. Landen als Japan, maar ook Engeland en vooral de Verenigde Staten zijn heel sterk in deze ‘motivatieprogramma’s’ op school. Het schooluniform is symbolisch. In de V.S. moeten de kids ’s ochtends in koor een belofte van trouw afleggen en in de houding staan voor de vlag met de stars-and-stripes. Deze z.g. ‘Pledge of Allegiance’ is een uitvinding van een zekere Francis Bellamy (in 1892), die  meende dat dit zou aanzetten tot trots en trouw aan de republiek. Pure manipulatie dus. Met name de instroom van miljoenen immigranten, de angst voor het communisme en de vernedering van Pearl Harbour hielpen deze motiverende vlagverering aan populariteit. Geen land waar je zoveel nationale vlaggen en vlaggetjes ziet als Amerika. Vandaar dat Amerikahaters bij voorkeur de vlag verbranden, want dat doet echt pijn.

Via een reclamecampagne blijk ik dus uit te komen op een wereldprobleem. Wij tegen zij. Geen mens is vrij. We zitten allemaal in een schuitje en sommigen slaan om en verdrinken. Oorlog en vrede, Tolstoj probeerde in zijn latere leven – nadat hij zijn hedonistische jeugdgedrag van zich wierp – het groepsdenken te doorbreken en als graaf op te trekken met landarbeiders. Maar het lukt zelfs grote schrijvers en filmers niet om ons te bevrijden uit onze bevooroordeelde breinen. Het blijft Wij tegen Zij. Want Zij worden nooit Wij.

 

Gepost in Column Oerlemans, Home | Getagged , , , | Plaats een reactie

Recensies en gesignaleerd in de Volkskrant: ‘De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen’, Ulises Segura

«Bijzonder goed geschreven verhalen.» – André Oyen, Ansiel, 7-6-2016

De kleurrijke verhalen van Ulises Segura hebben stuk voor stuk een universeel karakter en situeren zich in verschillende uithoeken van de aardbol en evenzeer in fictieve plaatsen. Van de duinen van Oostende, naamloze dorpen in Noord-Afrika, Londense parken en appartementen, een woestijnversie van Andalusië en de cabine van de eerste bemande Marsraket. Zijn personages dwalen allen in een wereld die hen kwetst, maar die hen ook immuun maakt voor harde en soms zelfs genadeloze klappen. Ondanks hun confrontaties met de eindigheid der dingen raken ze hun levenslust niet kwijt, want ze hebben jeugdherinneringen in hun hoofd, en oude vrienden, films, onsterfelijke liedjes, voorgoed opbloeiende liefdes en ze putten troost uit herinneringen en visioenen. Deze verhalenbundel is een veelkleurig snoer van bijzonder goed geschreven verhalen.
Lees hier de recensie.

 

«Wie zo vaak een lezer op het puntje van zijn stoel krijgt, is met recht een grote belofte.» – Ezra de Haan

Over ‘De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen’ van Ulises Segura op Literatuurplein, Uitgeverij in de Knipscheer, 6 juni 2016:
‘De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen’ is het debuut van Ulises Segura (1973), het pseudoniem waarvoor een in Aalst geboren jurist en verhalenverteller koos. Zijn ouders hebben Franse en Spaanse roots en wellicht is dat mede de reden dat zijn proza allesbehalve Vlaams overkomt. (…) De wereld die Segura je in zijn korte verhalen voorschotelt is uniek. (…) Zo merkt iemand dat ze, wanneer ze honger heeft of weinig heeft geslapen, makkelijker verdwijnt. Op zich al bijzonder genoeg zou je zo denken. Maar Segura kan het niet laten om ook nog eens te beschrijven wat de gevolgen daarvan zijn. (…) Knap aan Segura’s schrijven is dat je het accepteert. (…) Het verhaal ‘Winter van ongenoegen’ sprak mij het meest aan. (…) In dit verhaal struikel je over mooie zinnen en passages. (…) Kwalitatief is dit verhaal vergelijkbaar met de roman Lord of the Flies (Heer van de vliegen) van Golding. Zelden zie je kindertaal- en gedachten zo goed weergegeven. (…) Ulises Segura weet wat spannend schrijven is.
Lees hier de recensie.

 

«Armando probeert er de moed in te houden.»

In de Volkskrant van 28 mei 2016:
De gescheiden Armando die ook zijn baan kwijt is, rijdt met de 16-jarige Naomi in een gestolen Saab in enkele dagen naar Cadis en dan wellicht Marokko. ‘Laten we niet somber zijn,’ probeert Armando er de moed in te houden, maar de tekenen zijn zo ongunstig, in het verhaal ‘De eindeloze zomer’ van debutant Ulises Sigura opgenomen in ‘De mooie mond van Bobby Cespedes en andere verhalen’. Achter de exotische schrijversnaam zit een Vlaamse jurist met als geboortejaar 1973.

BoekUlisesSegura

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Mohammed Ali, door Manuel Kneepkens

Het gelaat hard als een helm
over het zwart van zijn angst
verraden hem de littekens van z’n ogen

een met huid omklede man van protest
toch is er geen keus dan deze, de Geschondene

halfnaakt
in de glans van z’n zweet

In al z’n shuffles van gespierde taal
als eens Jezus de Timmerman

in de voorhof van de tempel
van Amerika

met z’n linkse directe! Pats! Boem!
op de Andere Wang…

(O, dat Knock-Out-
woord
diep in ons:

P o ë z i e .. .)

O, Cassius Clay!

O, Bokser, Mensenzoon van de VS!

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Het winnende verhaal is… ‘Dennenorchis’ van Else de Jonge

Literatuurprogramma WOORD in Het Nutshuis in Den Haag op 28 mei 2016

Uit de vele inzendingen voor het open podium werden twee verhalen van veelbelovende schrijvers geselecteerd. De 22-jarige Ezra Hakze, die in het eerste jaar zit van de Schrijversvakschool en Nederlands studeert in Amsterdam, droeg haar verhaal ‘Wekker’ voor. Doeke Fennema, die als dichter veelvuldig van zich liet horen in het circuit van de Poetry Slams en op dit moment studeert aan de Schrijversvakschool, besteeg het podium met zijn verhaal ‘IJzeren oogst’. Samen met de zes deelnemers aan de speeddates maakten Ezra en Doeke kans op een publicatie in het literaire tijdschrift Extaze. Tegen het einde van het programma maakte tijdschriftmedewerker Mischa van den Brandhof de winnaar bekend.
Hieronder het juryrapport uitgesproken op 28 mei 2016 j.l.:

De inzendingen voor WOORD zijn rijkgeschakeerde verhalen, die ons meevoerden van Texel tot aan Vlaanderen, van het fietsenhok naar het pleintje om de hoek, van een niet-uitgekomen kinderwens tot de ontreddering van ouderdom, van je verschuilen in een berenpak tot gewoon naar huis willen.

Voor ik de winnaar bekend maak, een bemoedigend woord aan de schrijvers. Wat zijn jullie dapper dat je mee gedaan hebt! En ga door! In de woorden van Virgina Woolf: So long as you write what you wish to write, that is all that matters; and whether it matters for ages or only for hours, nobody can say*.

Fictie, in tegenstelling tot non-fictie, is niet feitelijk waar. Toch moet een verhaal echt zijn, authentiek zijn. Een goed verhaal is niet ‘verzonnen’, maar kenmerkt zich door een eenheid, realiteit, en waarheid in de beschrijvingen. Het heeft diepere emotionele lagen, waarop de lezer meevribreert.

Het winnende verhaal is… Dennenorchis van Else de Jonge. Het is een helder geschreven verhaal over een zachte, tedere jongen in een harde wereld. Onder het simpele taalgebruik gaat een rijke belevingswereld schuil, die gedeeltelijk in het verscholene blijft. Het heeft ritme. Het stille verdriet ervan ontroert.

Dennenorchis zal gepubliceerd worden in een van de volgende nummers van Extaze, uitgegeven door Uitgeverij In de Knipscheer. Gefeliciteerd, Else!

Mischa van den Brandhof

* A room of One’s Own,1929

 

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , | Plaats een reactie