Extaze 6

D E  W E G E N  V A N  C O U P E R U S

Op 10 juni 2013 is het honderdvijftig jaar geleden dat Louis Couperus in Den Haag werd geboren. Een blad dat is vernoemd naar een zijn (korte) romans mag dit jubileum niet aan zich voorbij laten gaan. Extaze 6 staat geheel in het teken van het leven en werk van Couperus en ook de presentatie daarvan in Pulchri (april 2013) sloot daarbij aan.

B E S T E L  H I E R  H E T  C O U P E R U S N U M M E R  V A N  E X T A Z E

Inhoud Extaze 6

Extaze in de media

Over ‘De wegen van Couperus’, op Literatuurplein.nl, 4 mei 2013:
Bladerend door het tijdschrift weet je niet waar je moet beginnen. (…) De essays in dit nummer doen kwalitatief aan die van De Parelduiker denken, ze zijn echter minder wetenschappelijk en daardoor wellicht net iets toegankelijker voor een groot publiek. Vrijwel alle steekwoorden die je te binnen schieten als de naam Couperus valt, kom je in dit nummer tegen. De wegen van Couperus is daarom bij uitstek geschikt als je meer te weten wilt komen over de schrijver van grote romans als De stille kracht, Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan en Eline Vere.

Lees hier de recensie

Mooie recensie NBD/Biblion

Avondlog Wim Noordhoek

de Volkskrant, 20 april 2013, Arjan Peters

Literair tijdschrift Extaze in het programma Haaglanden Actueel,
11.30 uur bij RTV Discus over het geheel aan Couperus gewijde nummer


Bij elk nieuw nummer van Extaze een literaire avond.
Zo ook op 18 april:

Foto’s Annemieke Vink

Voor informatie over andere uitgaven of initiatieven ter gelegenheid van het Couperus-jubileumjaar: raadpleeg de website van het Couperus Genootschap (louiscouperus.nl)
onder: ’150 jaar Louis Couperus’.







Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Reageren uitgeschakeld

Interview met Jan Glas, door Jan Holtman

Tien voor Jan Glas

Hartelijk dank voor je bundel Als was zij mijn vrouw. In het gelijknamige gedicht op pagina 35 schrijf je in de vierde strofe ‘Boven stond ik nog even / voor het slaapkamerraam’. Op het omslag loopt een man achter steigers van een pand in aanbouw. Wat zoekt hij?
Die man zoekt niet, hij bouwt. Maar ja, bouwen is ook zoeken, net als het bouwen van een gedicht zoeken is. Is dat niet mooi rond, zo? En die man bij het raam, bij een raam staan en naar buiten kijken, is ook vaak even nadenken.

Kun je dat ‘bouwproces’ beschrijven? Hoe ga je te werk?
Ik ben opgeleid als beeldend kunstenaar. Als beginnend dichter schreef ik vanuit een onderwerp of thema en werkte dat uit. De laatste paar jaar begin ik meestal met een enkele zin (beeld), ergens opgevangen, gehoord, of eigen bedenksel. Ik schrijf zinnen in een klein boekje. Na een eerste goeie zin gebruik ik sommige van die bewaarde zinnen bij het verder schrijven aan het gedicht. Ik heb dan nog geen onderwerp of verhaal, vind ik ook niet belangrijk, dat komt wel bovendrijven. Dat stuur ik uiteindelijk toch zelf. Eerst ben ik met compositie bezig. Vorm is belangrijk. Dat een onderwerp ontstaat vind ik veel spannender dan vanuit een onderwerp schrijven. Ik hou van scenes. Die man voor het raam uit de vorige vraag is een scene, een duidelijk shot. Dat shot kan de lezer, hoop ik, verbinden met wat eraan vooraf ging. Ik schrijf vanuit beelden, daar komt de beeldend kunstenaar om de hoek. Contrasten, wendingen en tempo vind ik belangrijk. Ik wil mij niet vervelen in een gedicht. De zinnen moeten duidelijke zinnen zijn, ze mogen onbegrijpelijk zijn, maar niet vaag. De beelden moeten sterk zijn en blijven hangen bij de lezer of toehoorder, dat is mijn grote wens. Wel of niet begrijpen, is niet zo belangrijk. Ik zit dus weer in de beeldende hoek. Na alle stellige beweringen in dit antwoord wil ik nog wel even kwijt dat een gedicht liefst min of meer terloops ontstaat. Ook dat nog.

Er zijn dubbeltalenten die poëzie en beeldende kunst samenvoegen. Er ontstaat dan iets dat thans visuele poëzie genoemd wordt. Doe jij dat ook en hoe kijk je tegen deze ontwikkeling aan?
Visuele poëzie vind ik wat anders dan beeldende poëzie. Ik maak geen visuele poëzie. Ik houd van het werk van de dichter/kunstenaar Henri Michaux, z’n gedichten, maar zeker ook z’n beeldend werk. In een reeks inkt-schilderijen bijvoorbeeld geeft hij vorm aan wat niet in een gedicht uit te drukken is, maar het blijft een manier van schrijven, zonder woorden. Je ziet gedichten, je gaat bijna lezen. Ik bewonder de betekenisloosheid in veel van zijn werk. Michaux was beïnvloed door Max Ernst, ik houd erg van het werk van Ernst, ik heb in mijn bundel twee gedichten geschreven n.a.v zijn collages. Ik houd ook van de lelijkheid in het werk van Ernst. Het is erg moelijk om een goed lelijk schilderij te maken, laat staan een lelijk gedicht. Je kan een slecht gedicht maken, maar een lelijk gedicht..? De bewegende poëzie van Tonnus Oosterhoff vind ik briljant. Beeldende kunst kan een enorme poëtische kracht hebben, bijvoorbeeld de schilderijen van Cy Twombly. Hij heeft een schrijvende manier van schilderen, gebruikt soms ook woorden.

In Schildersliedje (pag. 26) schrijf je in de slotstrofe: Ik wou dat er een schilder kwam / die mijn ogen hoedde als een kleine kudde. Staat de kudde hier symbool voor de betekenisloosheid? En is betekenisloosheid weergeven ook niet een vorm van betekenis aan het leven geven?
Nee, die kudde staat voor de behoefte bij veel consumenten van poëzie en kunst om bij de hand genomen te worden: ‘dit is belangrijk, dit vind jij mooi, dit voel je op zo’n moment, zo is het’. Ik was onlangs bij een optreden van Jean Pierre Rawie, na ieder gedicht klonken er in het publiek erg veel instemmende geluidjes, mensen die elkaar hoofdknikjes gaven van ‘ja zo is het’. Niet dat ik daar erg op uit ben, maar na het voorlezen van het gedicht ‘Ons zusje is in het voorjaar doodgegaan’ kwam na afloop een vrouw naar me toe, ze was een beetje ontroerd en vertelde dat ik exact verwoordde wat zulks sterven in een gezin teweegbrengt. Mijn antwoord op het tweede deel van je vraag: Betekenis aan het leven geven is niet mijn opzet.

Is het beschrijven van de liefde en van de vergankelijkheid ervan ook niet een vorm van richting aan het leven geven? In De hotelmanager en in De nachten zijn zacht, zeg ik, respectievelijk op pagina 11 en 34, komt de herenliefde aan de orde. “Dat de oudste zoon van het dorpshoofd / mij ’s nachts warm houdt vertel ik haar niet”, schrijf je. Waarom vertel je dat niet of is er toch sprake van een boodschap en zo ja van welke?
Ik ben niet van de generatie die ‘alles met de ouders deelt’. Mijn ouders snapten niet bijster veel van mijn leven, ook omdat ik mijn berichten filterde. Je was blij dat je eindelijk het huis uit was, van de bemoeienis af was. Bij de huidige jongeren is dat anders, merk ik. Ook kunnen ouders uiteindelijk vrede hebben met een anders geaarde zoon, de technische kant willen ze meestal liever niet weten. Dat is niet lekker warm eten voor ouders, met dat soort details in het hoofd.
Geen boodschap. Het is beeld. Ik beschrijf een situatie. Maar de naar een boodschap hunkerende lezer leest in gedichten boodschappen, misschien werkt het zo. Zo lees ik niet en zo schrijf ik niet.

‘De innemende gekte in het werk van Jan Glas’, aldus Esther Naomi Perquin op de achterflap van je bundel. Waaruit bestaat die gekte?
Ik had het niet kunnen bedenken, maar ik vind het een goede typering. Nu moet ik het voor Perquin uitleggen. Lastig. Een aantal gedichten draaien een beetje door en belanden net naast de doorsnee werkelijkheid, er vlakbij maar er toch net naast. Perquin zegt dan ook ‘innemende gekte’ niet ‘complete gekte’ bijvoorbeeld. De kleine gekte. Het heeft misschien ook met de snelheid van sommige gedichten te maken die met flinke stappen naar hun eind marcheren. Een gedicht als kleine optocht spreekt mij wel aan, zoals bij Ter Balkt: Daar komt de fanfare aan, even heel veel lawaai en beelden, en… alweer de hoek om.

Maar er zijn toch ook beelden en gedichten die fundamenteel en onontkoombaar beklijven en waarvan je denkt: nu staat er iets, laat het niet de hoek omslaan. Een malle vraag wellicht, maar wat vind jij het sterkste gedicht of de sterkste strofe of de sterkste regel uit je bundel?
Het gedicht is niet weg, je kunt het herlezen, een gedicht willen herlezen is een goed teken. Ik vind de regel ‘een indrukwekkend perspectief van bedwang’ goed gelukt, uit het titelloze gedicht dat begint met ‘De dood is zoiets als nicht Cynthia’. Het is een mooie, stevige zin die lekker loopt. Maar ik weet niet goed wat die zin uitdrukt, ik weet het bijna, maar steeds nét niet. Dat vind ik een fijne toestand.

Ik vroeg me al af wat je met die regel bedoelde. ‘een indrukwekkend perspectief van bedwang’.
Een ironische benadering van de dood? De zinloosheid der dingen? Hoe zie je het leven in relatie tot je werk?

Wat ik zei, ik weet het zelf ook niet, maar het is een stevige zin en houdt de vaart in het gedicht. Wanneer ik niet zou schrijven, noem het maar creëren, dan zou ik langzaam erg ongelukkig worden, rare verschijnselen krijgen, uiteindelijk niet goed snik worden en de straat niet meer op durven. Gaat de schrijverij goed, dan gaat het met mij ook goed. Een paar weken niet schrijven is helemaal niet goed voor mij. Het is allemaal op therapeutische basis, zeg maar. Bovendien moet ik alleen wonen om te kunnen schrijven.

Het gedicht De doden waarin je beschrijft hoe tante Auwien je in een droom verscheen (Nog steeds eenvoudig gekleed) verwijst expliciet naar Reve’s gedicht Droom. Wat is de invloed van zijn werk op het jouwe?
Het eerste deel van het gedicht, het gedeelte zonder mijn oom, heb ik letterlijk gedroomd: eenvoudige jurk, stoel, geluidloos spreken. Toen ik wakker werd legde ik meteen de link naar ‘Droom’ van Reve en heb dat deel van het gedicht nagenoeg in een keer genoteerd. De droom speelde zich af achter het decor van een toneelstuk, mijn tante zat op een stoel tegen de onbeschilderde kant, maar dat wilde ik niet in het gedicht. Mijn oom heb ik er later in geschreven, om de compositie en het verhaal goed te krijgen. En ja, wat weten wij eigenlijk van dáár, waar de doden zijn? Waarom zou mijn oom daar níet naar kantoor gaan? En zo krijgt het gedicht een relativerende, wat lacherige, abrupte afloop. Reve maakt ook vaak gebruik van ongegeneerde relativeringen, die op de lachspieren werken. Op dat punt voel ik verwantschap. Ik móet wel beïnvloed zijn door hem, hij was een van de eerste grote schrijvers die ik las in de pubertijd. Wat een troost, schoonheid, opwinding en vrolijkheid in de grote hetero-woestijn. Nee, ik had geen mooi leven in die tijd, op het lezen van Reve na dan.

Ter afronding. Een ongelukkige jeugd als goudmijn voor de dichter? Brand los…
Dat gaat misschien op voor romanschrijvers. Een dichter heeft geen jeugd nodig, hij moet fantasie hebben.

Gepost in Interviews | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

GOÛT, Joost de Jonge

even ‘t verlies van zelf
een verloren zelf
dolend als een as in de naaf
bruisend wijkt
de gedachte, volmaakt ontbloot
het was ik die
mijzelf soezend van genot ontsloot

Gepost in Poëzie | Getagged | Plaats een reactie

De puzzel, Niels Landstra

De puzzel is gelegd
Alle stukjes aan elkaar
Gehecht, het echtpaar
Heeft weinig gezegd

Tijdens het spel, dat
Begon met een kus
En op een tel van rust
Met kroost daar, was

Het gedaan. Onderhuids
Bleef het mooi sores
En nul op rekest
Dat volgde op de ruis

Van de koele onmin
En aparte bedden
Met weinig te vergeven
Door muren onzin

En misverstanden. De
Puzzel is af. Verstild
Het mistig vergezicht
Wreed het staren.

Gepost in Geen categorie, Poëzie | Getagged | Plaats een reactie

Remembering Sliding Doors or becoming Mr. Nobody?, door Michiel Hanon

Toen ik van de middelbare school kwam, ben ik in Amsterdam gaan studeren. Het had me veel moeite gekost mijn vader zover te krijgen dat dit mocht. We woonden in Leiden en ik had volgens hem veel beter (lees: goedkoper) in de eigen universiteitsstad kunnen gaan studeren, zodat ik thuis kon blijven wonen. Ik had in het Oosterpark op twee hoog een klein kamertje zonder verwarming bij een ouder, onderhurend echtpaar kunnen bemachtigen.

Om verschillende redenen heb ik al na een maand besloten toch maar in Leiden te gaan studeren, en om voorlopig ook weer thuis te gaan wonen. Mijn vader kwam me met de auto ophalen, waarna we mijn spulletjes inlaadden.

Hoe zou mijn leven zijn verlopen als ik in Amsterdam zou zijn gebleven? Ik heb me dat vaak afgevraagd. Ik zou alle mensen die ik daarna heb leren kennen nooit hebben ontmoet. Ik zou andere vrienden en vriendinnen hebben gehad. Ik zou misschien wel de liefde van mijn leven hebben gevonden, en met haar zijn getrouwd. En ik zou nu kinderen kunnen hebben. Ik neem ook aan dat ik een andere loopbaan zou hebben gehad.

Het leven van een mens is een aaneenschakeling van grote en kleine beslissingen van (allereerst) je ouders en (later) jouzelf, en wordt ook bepaald door datgene waar we niet over hebben te beslissen, Om maar te beginnen met ons chromosomencomplex: waar wordt je wanneer als jongen of als meisje geboren? Ben en blijf je gezond, en met welke talenten ben je toegerust? Verder is er nog iets dat wij “toeval” noemen: het onderdeel uitmaken van, en gestuurd worden door een wirwar van omstandigheden en gebeurtenissen in onze wereld, de jungle waarin wij leven.

Alles, maar dan ook alles zou anders zijn geweest als ik in Amsterdam zou zijn gebleven. Of toch niet? Zou het misschien op hetzelfde zijn neergekomen? Zou mijn leven in grote lijnen overeenkomstig zijn verlopen? Als je ergens anders heen gaat “neem je jezelf mee”, zegt men wel. En “het bloed kruipt waar het niet gaan kan” raakt hier ook aan. Want ik blijf toch de persoon die ik ben: een – zoals ik het nu zie – matig aantrekkelijke vent zonder X-factor, verstandig en vriendelijk, maar geen haantje de voorste. Ik zou natuurlijk andere mensen om me heen hebben gehad, maar het zou waarschijnlijk hetzelfde type vrienden zijn geweest. Ik zou wellicht vergelijkbare relaties met vrouwen hebben gehad. Zeer wel mogelijk zou ik ook ongetrouwd zijn gebleven, want ik ben niet iemand die gemakkelijk grote beslissingen neemt. Ik zal het nooit weten.

Dit blijft natuurlijk maar een gedachte-experiment met betrekking tot één beslissing, want we nemen (door doen en nalaten) dagelijks allerlei beslissingen (althans we denken die te nemen) die ons verdere leven beïnvloeden. Maar de beslissing om Amsterdam te verlaten spreekt tot de verbeelding, omdat deze cruciaal lijkt, en ik toen nog een heel leven te leven voor me had.

Mogelijk zijn grote beslissingen (om nog te zwijgen over de minder vergaande) minder bepalend voor het verdere verloop van ons leven dan we denken. Een beslissing is in onze ogen gelieerd aan de ratio en de eigen wil. Met een beslissing geven we zelf sturing aan ons leven. Maar wat doet ons welke beslissing nemen? Worden beslissingen niet eigenlijk door ons chromosomencomplex ingefluisterd?  De weg van zorgzame en bezorgde ouder slaan wij bijvoorbeeld als jong volwassene als vanzelfsprekend in, hoewel we denken dat we deze zelf kiezen. Het is de natuur die aangeeft dat wij deze weg (willen) volgen. Een min of meer onbewust gedwongen weg van het leven dus.

Misschien wordt ons leven (meer dan we ons bewust zijn) grotendeels ingefluisterd door dit chromosomencomplex, ook als het lijkt te worden bepaald door de  jungle waarin wij leven. Wellicht is het verschil tussen een beslissing nemen en een beslissing krijgen niet zo groot. Mogelijk is mijn beslissing om Amsterdam te verlaten mij ook ingefluisterd. En zou het leven van Mr. Nobody en van Helen in hun alternatieve leven (uiteindelijk) wel zo anders zijn geweest? Het blijft een mooi onderwerp om over te fantaseren, of om een film over te maken.

Gepost in Columns, Home | Getagged , , | Plaats een reactie

Diederik Stevens en Parijs

In Hoogtij langs de Seine’ (Atlas, 2012) volgt Diederik Stevens het spoor terug naar de woon- en verblijfplaatsen van Nederlandse schrijvers en kunstenaars in het Parijs van de jaren zestig en zeventig. Het artistieke klimaat in die stad, de beeldende kunst die brak met de vooropgezetheid om de eigen spontaniteit te laten regeren, de jazz die verontrustende geluiden voortbracht en de muzikanten volop vrijheid bood voor improvisaties, het intrigeerde en stimuleerde Nederlandse nieuwlichters als Karel Appel, Rudy Kousbroek, Corneille, Remco Campert, Hugo Claus, Simon Vinkenoog en Jan Cremer bovenmatig.
De Parijse scene van bohémiens en kunstenaars was na 1945 van Montmartre (rive Droite) verhuisd naar Montparnasse en, iets later, naar Saint-Germain-des-Prés (rive Gauche). In de jaren zestig zou de politieke en artistieke avant-garde zich in het Quartier Latin vestigen.

Tijdens Hans Spit’s literaire salon van 25/11/2012 liet Stevens deze verschuivingen zien aan de hand van een projectie van een stadskaart van Parijs. Foto’s van plekken en gebouwen die een rol hadden gespeeld in het leven en het werk van de Nederlandse kunstenaarskolonie in de Lichtstad vulden zijn presentatie aan. En dan was er natuurlijk zijn verhaal, dat we in uitgebreide vorm kunnen lezen in Hoogtij langs de Seine, een verhaal waarin we met de auteur regelrecht de kamers, werkruimtes, ateliers en stamcafés van de schrijvers en kunstenaars binnenlopen:

‘[Corneille] vindt aan de rue Santeuil 20 een buitensporig groot maar voorzieningsloos pand, dat bovendien een afgrijselijke stank afscheidt. En ze [Corneille en Karel Appel-cg] moeten in de echoënde ruimte eerst zelf hun ateliers bouwen. Toch slaat Corneille toe. Op de Marché aux Puces van Clignancourt kopen ze enige tientallen oude kinderledikanten. Rechtopgezet dienen de ontmantelde bedden als afscheidingswanden. Verder gebruiken ze oude lappen, karton, afvalhout, gips en latjes om de eigen, zij het gehorige, werkdomeinen af te bakenen. In korte tijd verrijst Appels provisorische atelier. Werktafels maakt hij van oude deuren, en begin november 1950 is hij gesetteld’. (p.63)
Diederik Stevens is schilder en schrijver. Als schrijver schildert hij taferelen als het bovenstaande. Als schilder schrijft hij het verhaal van ‘zijn’ Parijs in zwart-witte vormen. Kijk maar!

(cg)

Gepost in Columns | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Interview met Lies van Gasse, door Jan Holtman

Tien voor Lies van Gasse

Dag Lies, dank voor je bundel Brak de waterdrager. Op de achterflap wordt gesproken over een poëtisch drieluik dat de verteller tot een louteringsproces brengt. De bundel bevat zes hoofdstukken. Hoe moeten we dit duiden?
In de inhoudsopgave staan inderdaad zes delen aangegeven, maar wie de bundel even doorbladert, merkt al snel dat die grosso modo uit drie delen bestaat: de cyclus ‘doorbraak’, het langere gedicht ‘maelstrom’ en de cyclus ‘een landschap lief’. De losse gedichten daartussen zijn eerder ‘verbindingsgedichten’, in die zin dat ze de cycli met elkaar verbinden.
De drie grote delen zijn min of meer apart ontstaan, maar vormden voor mij al snel een logische eenheid. Het gedicht ‘maelstrom’ verbindt deel 1 en deel 3 met elkaar, bijna zoals de brug in een muziekstuk.

Juist. Het gedicht maelstrom valt, alleen al vanwege de lengte, erg op. Tot welk louteringsproces heeft het de verteller gebracht?
In de eerste cyclus, doorbraak, speelt zich vooral een strijd af, waarbij de verteller de realiteit bijna bevecht. In de kolk die maelstrom is, komt hij tot een soort aanvaarding. De ander is er niet meer, zal er niet meer zijn. ‘Nooit meer zal ik u zien zwemmen’. Die aanvaarding brengt de verteller weer tot een nieuwe strijd, in ‘een landschap lief’, die niettemin wat zachter is van aard. Als het vlak leeg is, wat rest er dan nog? Of ook, wat voor nieuws kan er dan ontstaan? Op het einde van die cyclus ligt het veld vooral open. ‘We moeten ons verzoenen met een open eind’.

Strijd, aanvaarding, strijd. De vergankelijkheid der liefde? De dood? Het schrijven? Hoe speelt dit louteringsproces zich in jouw leven af?
Dat vind ik eigenlijk niet zo’n interessante vraag. Het gaat mij in de poëzie meer om een universeel verhaal dan om wat de kiem daarvan is in mijn persoonlijk verhaal. De bundel is ontstaan vanuit een verlies, ja. Het had met liefde te maken, en ook met het definitief wegvallen van een persoon. In taal kan je daar mooi een plaats aan geven, in het echte leven verloopt dat proces wellicht minder esthetisch, of harmonisch.

Uiteraard, maar de lezer wil soms ook iets weten over de mens achter de gedichten. Hoe ervaar jij het dichterschap? Wat is volgens jou de formule?
Ik heb bij het dichterschap nooit het gevoel dat het een bewuste keuze geweest is. Om heel eerlijk te zijn, in mijn perceptie ben ik altijd een dichter geweest, en ik kan mij ook erg moeilijk voorstellen dat ik het ooit niet zou zijn. Vaak stel ik me de vraag of ik ook zou schrijven als mijn teksten niet gelezen zouden worden. En dan denk ik, heel eerlijk, dat ik niet anders kan.

En wat maakt volgens jou een gedicht tot poëzie?
Poëzie is iets dat ontstaat wanneer betekenis, beelden en klank op zo’n manier in elkaar schuiven dat er iets ontstaat dat bijna bovenmenselijk is. Dat de auteur en de lezer even opheft, dat een moment creëert dat helemaal boven het zelf staat.

Iets dat bijna bovenmenselijk is? Goddelijk, academisch, religieus? Zou je dat bovenmenselijke nader toe willen lichten?
Nee, daar begrijp je me verkeerd. Ik doel niet op een hogere macht, een personificatie van bepaalde krachten,… Ik doel eerder op de magie die ontstaat wanneer je je laat leiden door de tekst en die je ergens brengt. Ergens waar je op eigen kracht niet had kunnen komen. In die zin is het wel degelijk iets mystieks, maar niet in de religieuze zin. Ik begon over dat idee na te denken toen ik met Annemarie Estor in de eerste fase zat van ons project en ik begon te merken dat er zich een soort derde auteur vormde uit het samengaan van onze stemmen. Een abstracte auteur die eigenlijk ook ons eigen kunnen oversteeg. Dat vind ik wonderlijk.

Even voor de Nederlandse lezer; wie is Annemarie Estor en aan wat voor project werken jullie?
Annemarie Estor is een Nederlandse dichteres die in Antwerpen woont. Ik ken haar via mijn uitgever, die ons aan elkaar voorstelde omdat wij beiden dubbeltalenten zijn. We zijn toen samen iets gaan drinken, hadden zin om een projectje te beginnen,… zo speels en toevallig is Hauser begonnen.

Hauser begon eigenlijk als een geïllustreerde briefwisseling, maar vertakte tot een veelvormig multimediaal project. We zijn het epos nu aan het bijschaven, voor het boek, en bereiden een tentoonstelling met de poststukken voor, in het Letterenhuis in september. Maar je kan Hauser nog steeds ook raadplegen op www.hausersgrens.blogspot.com

Dank. Een boeiend project lijkt me, maar ik laat de levende legende Kaspar Hauser even voor wat het is. Terug naar het dubbeltalent. Niet onbekend is dat je schildert. Ergens las ik dat je studie schilderkunst in Milaan je de titel ‘meester in de beeldende kunst’ heeft opgeleverd. Ik heb geen verstand van schilderkunst, maar daarom lijkt me de volgende vraag gerechtvaardigd. Ik heb wat werk van je gezien en het deed me denken aan het werk van Marlene Dumas. Zijn er parallellen?
De manier van werken van Marlene Dumas heeft me inderdaad heel erg geïnspireerd in mijn plastisch werk, maar de onderwerpen minder. Haar werk is vaak heel afgebakend en thematisch, terwijl mijn werk veel organischer groeit. Enerzijds ben ik vaak bezig met het afbeelden van het eenvoudige leven, waarin ik wellicht wel door Rik Wouters geïnspireerd ben, anderzijds zit er vaak ook iets magisch-realistisch in. Wat mijn echt persoonlijke toets is, is dat ik ook vaak werk met beeldassociaties door middel van bijna abstracte vormen of zelfs kleurvlakken.

De omslagillustratie is door jou gemaakt. We zien een eend die bij de kop gevat lijkt te worden door een tang. Geldt dat magisch realisme ook voor je gedichten en kun je dat toelichten aan de hand van een voorbeeld?
Ik merk wel dat ik telkens beelden gebruik die niet kunnen, zoals ‘lakens kruipen als kamerplanten tot tegen het plafond’, of bevreemdende standpunten, die een mengeling van afstand en surrealisme genereren. In die zin, dus wel, denk ik. Ook spelen de gedichten zich vaak af in een tussenruimte die niet echt bestaat, en tegelijk herkenbaar is.
De dode eend heb ik gebruikt als cover omdat het een afscheidsbundel is. Het is een gruwelijk, maar tegelijk onbelangrijk afscheid. Vandaar.

Ter afsluiting. Een afscheidsbundel… Gruwelijk en onbelangrijk. Brak de waterdrager. Wat bezielde je?
Om eerlijk te zijn weet ik geen goed antwoord op de slotvraag. Krijg ik een alternatief?

Jan Holtman in gesprek met Lies van Gasse, april 2013


Gepost in Geen categorie, Interviews | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Gedichten van Vera Srbinović

Brief aan een vriend

Mijn beste, de regens van mei zijn begonnen
en slaan tegen ramen en kastanjetakken
hoe de tijd voorbij glijdt onder lindebomen en wilde espen
en hoe graag ik in jouw verre handen
rustig de mijne zou leggen.

Ik zink weg met de uren en de hoop
verenigd met kindergeheimen
in een paar oude handen
zacht als het Argonautenvlies
draag ik kudden geweien en wolken
en bewaar ze in onsterfelijke goudsbloemen.

En zo verwelk ook ik, mijn beste
hoe kan ik wederkeren?

De regens van mei zullen komen
mijn vlam ademt onder oude lindebomen
ik loop, gouden patina, slank en bleek
door een paar slaperige Haagse straten.

Wie zijn wij? Ik ben in werkelijkheid alleen mijn schaduw.

Droom

Zelfs een droom kan mij doden
zodat ik nooit kan vertrekken,

mijn wezen in zijn kleuren slaapt

en zonder antwoorden en suizen
mijn moede hoofd rust krijgt.

Mijn bestaan, oude herinneringen
stromen over het hek
en regen brengt de geur van akkerwinde.

Dus toen ik bij dageraad verzonk,
bracht ik de nacht door in een droom
vermoeid op zoek naar een bestemming.

Sumatra II

Wachtend op schepen die nooit komen
benemen grote golven het uitzicht,
de sluier van wind waait over je gezicht
en purperen water
en van de oceaanonder de Plejaden.

Amberen dagen zijn gegrift
als de nevel van Sumatra,
een mysterieus sprookje ontvouwt zich
in materie, raadsels en illusies
als doel van alles.

Het land van de Heer,
verliefde vuurvliegjes sluimeren
als lantarens van de sterren
en het geheimste erfgoed
de wereld in kleuren van nacht en wijn,

terwijl ver weg, in mijn vaderland,
rode kersen en aardbeien rijpen.

‘Sumatra II’ is geïnspireerd door het gedicht ‘Sumatra’ van de grote Servische dichter Milos Crnjanski (1893-1977).

Constantinopel

Hier sta ik, huilend onder de wallen
alsof Constantinopel opnieuw is gevallen,
roep in het lichtspoor de voorzienigheid op,
capituleer voor liefde want ik weet niet beter.

Hoe kan ik alles binden wat voorbij is?

Hoewel onmogelijk keer ik terug
tussen de dromen die met mij verloren gingen,
fluister als een schaduw en kus het ongeziene
dat al tot stof is vergaan,

om terug te brengen de handen die strelen, de havens
en de zon die wonderbaarlijk schijnt tussen de wolken
die voorbijrazen als de orkaan van jaren.

Hier sta ik, huilend onder de wallen
alsof Constantinopel opnieuw is gevallen,
verberg mijn hoop en draag de gloed,
terwijl mijn hart zich overgeeft aan zuchten.

Voorbij de zeven zeeën

Ik weef de gedachte, deze vreemde draad
als de pendule van een eeuwig uurwerk
gekruisigd door vragen als spinnenwebben,

hoe hartstochtelijk en liefdevol ik ook keek
mijn lot was zwaar als een aardbeving,

ik vloog op vleugels van de zilveren bergeend
naar de schatten van de aarde, geheime sprookjes.

Oh, hoe ik ook kuste en huilde
de sprankelde dauw verried mij.

Laten de feeën tot mij komen,
laat hen zware woorden
van gember en stuifmeel smeden
gekruid met Malmsey
uit wijn en honing.

Red mij van de Parcae
en verlos mij van de maan,
de wonden van mijn slapeloosheid.

Terwijl winterbladeren ruisen
woudgeluiden gutsen onder de sterren,
echoot alleen het liefdesverlangen
ver voorbij de zeven zeeën.

Universum

Een rivier van smaragd
slaapt in mijn boezem,
fluisteringen en geruis

genesteld als een geheim,
vogel uit mijn geheugen.

Ik duik op uit werelden
waar vibraties mij opnamen,
kwetsbare dromen
van donkere lange regennachten
en melancholie uit de oertijd.

Nu zeil ik op viermasters,
neuriet de rivier vele geluiden,
daal ik in de wolken,

reikend naar het universum.

(Uit de bundel: Engel in wolken gehuld. Vertaling: Theo Monkhorst)

Gepost in Home, Poëzie | 1 Reactie

De Oude Mannen In Het Park, Huibert van der Meer

hier strompelen oude mannen naar een bank in het park
als naar hun laatste rustplaats, onder de treurwilgen
‐ maar het mag ook onder een andere boomsoort:
dood is dood en zitten is immers maar zitten

één struikelt en valt, de anderen kijken, als roerloze reigers
hij zal toch wel weer opstaan? zo niet, dan kan hij meteen
ter plekke door jongere en sterkere mannen begraven worden
‐ wrange humor van de oudjes, ze lachen er ingetogen om

hij klautert overeind, zijn blik gericht op zijn leeftijdgenoten
hij strijkt met noestige klauwen de plooi in zijn pantalon weer
strak, denkt aan vroeger tijden: een machtige pilaar was hij

vreemd, dat het dak van de tempel maar zo langzaam wordt
losgewrikt van de zwaartekracht, je zou toch denken dat zoiets
zich veel sneller moet voltrekken,‐ ik zie het hem denken

Gepost in Geen categorie, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Een Hagenaar in Umbria, door J.M.A. Franse

Je ziet dit jaar veel Nederlanders in Umbria. Je komt ze tegen van Assisi tot Orvieto, van Perugia tot het Trasimeense meer. Typische massatoeristen zijn het niet. Ook geen nouveau riches of yups die in veel te grote auto’s Toscane onveilig maken. Bedevaartgangers zijn het evenmin. De meesten gedragen zich rustig en zijn onder de indruk van het mysterieuze en spirituele dat dit gewest kenmerkt. Umbria is immers een streek van van legeraanvoerders en heiligen, het is het land van  Fransiscus en Clara uit Assisi, Benedictus en Scholastica uit Norcia en Rita uit Cascia. Maar hoe onopvallend en belangstellend ook, de Nederlanders die hier vertoeven verraden hun afkomst niet.
Twintig jaar geleden, toen wij ons min of meer permanent in Umbria vestigden, was dat anders. Slechts zelden ontmoette je een Nederlander. Dan waren het universiteitsprofessoren, kunstenaars en welvarende gepensioneerden. De schrijfster en musicologe Helène Nolthenius was een van hen, zij kwam vaak op de berg waar ik woonde. Catharina Ypès, schrijfster van Petrarca in de Nederlandse letterkunde, haar promotie-onderwerp, verbleef in de buurt van Todi. Deze Umbria-gangers hielden van Italië, van de mensen, van de cultuur, van de rust en vooral van de spiritualiteit van dit gewest.1
Dat ‘onze eigen’ Louis Couperus ooit Umbria bezocht, had een heel andere reden. Hij kwam hier voor één specifiek kunstwerk, waarover hij bladzijden lang schreef. En misschien had dit kunstwerk meer met Rome te maken dan met Umbria, maar was het hier toevallig.

Couperus hield van het licht: ‘Ik was negen jaar toen ik naar Indië ging. Ik vond het heerlijk dat de zon er scheen. De zon, o dat was iets oneigenlijks, iets verborgens in Holland, ook al scheen des zomers de zon.’2
Terug in Den Haag miste hij dat bijzondere licht: ‘Ik vond het in Holland verschrikkelijk.’3
Twee maal ging de auteur terug naar Indië, het land waar hij een aantal van zijn jeugdjaren doorbracht, maar blijkbaar kon het hemels licht van de Gordel van Smaragd hem minder bekoren dan het licht van Italië: ‘Nu ik Italië liefheb, weet ik, dat hoewel Indië mij om de zon verrukte.… ik in Indië miste het Latijnse zuiden…. Er was niet de herinnering aan tempels en goden, aan paleizen en met sepulkers afgezette eindeloze wegen, aan arena’s, optochten en plechtigheden.’4
Couperus beleefde Italie als een Italianiserend schilder in dat schitterende licht en met dat fascinerende decor van vroeger. Hij gelooft zelfs dat hij een gelukkiger jeugd zou hebben gehad als hij in Italie was opgegroeid. Wanneer hij in 1911 vanuit Athene terugkeert naar Italië, zijn tweede vaderland, kan hij zijn geluk niet op. In zijn “Brief uit Florence”jubelt hij: ‘Als men rechtstreeks uit Athene komt, is het dan geen genot en geluk in Italië te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaanse gentilezza? Te gaan naar Italie is een délice, er te zijn ook, maar er terug te keren is misschien het hoogste genot.’5

Couperus was niet de enige schrijver en schilder die zich door de mengeling van landschap, licht en klassiek verleden voelde aangetrokken tot Italië. Goethe maakte een ‘Italienische Reise’ in 1787 en bezocht Perugia, Assisi en Spoleto. Zijn interesse gold uitsluitend de klassieke overblijfselen. In Assisi aangekomen, deed hij de ontluikende renaissance van Giotto en de Umbrische gothiek af als ‘een toren van Babel’. De schoonheid van de Minervatempel zag hij daarentegen wel. Ook Keats, Shelley en Lord  Byron schreven over de klassieke helderheid.
Louis Couperus voegt zich moeiteloos in dit rijtje der zeer groten, maar overtreft hen door zijn verbeeldingskracht. Hij moet de taal van het land hebben gesproken. Dat blijkt uit het feit dat hij polemieken aanging over de Italiaanse cultuurpolitiek. Hij ontmoette de futuristen in Florence maar schaarde zich niet achter hun ideeën. De klassieke oudheid was hem liever. De decors van zijn literaire werken zijn met grote exactheid beschreven. Hierin is hij concreter en gedocumenteerder dan Arthur van Schendel, die ook in Italië woonde en over dat land schreef, stijlvoller en opmerkzamer dan Godfried Bomans in zijn reisverslagen en diepzinniger dan P.C.Hooft in zijn ‘Italiaanse’ pastoralen en sonnetten.

Orvieto is nu een welvarend stadje, gelegen op een hoog op een plateau van tufsteen, dat door een kabeltreintje verbonden is met het beneden gelegen station. Welvaart heerste er ook in de Middeleeuwen, toen het stadje uitgroeide tot een drukbezocht pelgrimsoord.  Er was hier ooit een bloedwonder gebeurd: tijdens de consecratie veranderde de miswijn in bloed. Dat wonder wordt nog steeds gevierd op sacramentsdag en met de bouw van de mega-kathedraal betoonde het stadje zijn dankbaarheid voor het teken van God.
Ik wandel graag door dit levendige stadje vanwege het stedenschoon, waarvan de prachtige houtwinkels van de familie Michelangeli mij het meeste bekoren. En natuurlijk vanwege de fameuze witte wijn, de Orvieto Classico, die de droge keel verkwikt. Couperus liet zelfs zijn geliefde ‘Heidsieck Sekt’ staan voor de ‘Gouden wijn uit Orvieto’.6
Ik vind de Dom van Orvieto de mooiste kerk van Italie door zijn prachtige gedecoreerde buitengevel met de mozaieken, de reliëfs naast de deuren en het beeldhouwwerk van de moderne beeldhouwer Greco, maar ook door de magistrale binnenruimte met het glas-in-lood boven het altaar, het roset in de voorgevel en de albasten vensters, die een zacht gelig licht doorlaten. En natuurlijk vanwege de kapel van San Brizio die zijn schoonheid vooral ontleent aan het werk van twee kunstenaars die op bijzondere wijze vorm gaven aan het laatste oordeel. Fra Angelico schilderde een bijna lieflijke, middeleeuwse hemel, waaronder Luca Signorelli de komst van de antichrist en de opstanding van de doden voor het laatste oordeel weergaf. Het is een van de meest indrukwekkende Renaissanceschilderingen. Michelangelo kwam het werkstuk verschillende malen bezichtigen voordat hij met de Sixtijnse kapel begon. Eigenlijk kwam Couperus alleen naar Orvieto om dat grootse meesterwerk te bekijken en erover te schrijven.

Toen Louis Couperus het stadje bezocht, zag het er anders uit dan in de dagen van Michelangelo. Hij nam een sfeer van verwaarlozing en armoede waar en beschreef die. Misschien was Couperus wat depressief in die periode. Het was winter, een Umbrische winter, even na Kerstmis, dus koud, zoals altijd wanneer de Tramontane, de noordenwind, de vingers verkilt en verstijft. Vanuit het weelderige Florence was hij in het kleine, vervallen Orvieto aangekomen. Hij reisde met de trein en kwam zodoende onder de oude stad aan. Hoe hij boven kwam vertelt hij niet. Misschien nam hij wel het kabelbaantje dat naast de put van San Patrizio aankwam. Het behoort tot de mogelijkheden, want die kabelbaan bestond toen al een kleine dertig jaar. Of misschien nam hij een ‘taxiauto’.
Couperus neemt zijn intrek in L’Albergo Belle Arti, een oud hotel dat hij kwalificeert als een goed onderkomen waar handelsreizigers zich, mede door de goede keuken, door aangetrokken voelen. Maar hij vergist zich enigszins in de betekenis van het hotel. Het was meer dan een hotel voor commis-voyageurs. Het was het meest prestigieuze en meest bezochte hotel van de stad, toen een tussenstation tussen Rome en Florence. Naast de Nederlandse schilder Abraham Teerlink, geboren in Dordrecht en overleden in Rome in 1817, bezocht ook Sigmund Freud dit hotel. Hij verbleef er er twee keer, in 1897 en in 1902. Freud noemde het hotel ‘Casa Signorelli’: een herenlogement.7

Couperus kwam alleen naar Orvieto voor het meesterwerk van Signorelli. Zijn uiterst minutieuze beschouwingen over het laatste oordeel beslaan zeven van de elf hoofdstukken van dit reisverslag. De passages waarin hij ingaat op de vormentaal en het coloriet van het kunstwerk zijn zeker de moeite waard, maar een journalist was hij niet echt en een kunsthistoricus al helemaal niet. De schoonheid van het stadje blijft daardoor deels voor hem verborgen.
Misschien inspireerde het winterse weer hem om over Orvieto te schrijven zoals hij deed: in bijna deprimerende bewoordingen.
‘Waarom rijst die prachtige Dom zoo op in de koude lucht?’8
Hij noemt de nauwe straten ‘somber’, ze zijn ‘bijna verlaten’. ‘De koude bergsche wind’ blaast over ‘het hoge, vervallen stadje’. De huizen ‘zijn breede, vervallen paleizen, in ruïne en onbewoond’ en om de straatjes ‘wasemt een weemakende lucht van vuil water en slechte riolen’.9
Als hij naar de oude Dom, de San Giuvenale loopt, ziet hij ‘een oude, vuile straat van antieke huizen’.10 Binnen in de Dom zijn de mooie fresco’s van Guilelmus de Grua ‘geheel overkalkt zijn geworden in de zeventiende eeuw’.11 Daarover maakt Couperus zich oprecht kwaad: ‘Het was de tijd, dat men gewitte muren met zware, smaakloze baroque-ornamentatie van verguld houten gloriën en zwaar marmeren apotheoze’s in welke flapperzwierige, gedrapeerde figuren, mooier vond dan innige, prinmitieve fresco’s: de vreselijke tijd die wij niet meer begrijpen kunnen’.12
Als Couperus dezelfde wandeling zou maken in onze tijd zou hij zijn ogen uitkijken. De vuile straten zijn opgeknapt en worden als ‘Middeleeuwse wijk’ aangeprezen, er flaneren elegante vrouwen en de fresco’s in de San Giuvenale zijn prachtig gerestaureerd. Nog onlangs ben ik in de kleine tufstenen kerk geweest en heb daar de fresco’s samen met de pastoor bekeken. Toen ik hem over de ‘witgekalkte schande’ vertelde, moest hij lachen. De kerk was witgekalkt, zei hij vanwege de pestlijders. Men wilde zo de kerk ontsmetten.

We keren terug naar Couperus’ beschrijving van de stad, naar zijn wandeling door de slaperige stad. ‘Buiten speelt de koude wind met de sneeuwvlokken. Duisternis, koude en vunze stank vullen de nauwe straten, waar de ruïne-ramen der vervallen paleizen gapen. Er is niets anders te doen dan ons hôtel op te zoeken’.13
We lopen met hem mee en vragen ons af wat hij die avond gegeten zal hebben. Misschien wel iets van de recepten van i virtuosissimi culinari dell’insuperabile chef Ferretti, de virtuoze chef-kok van het hotel.14 Misschien wel, vanwege het Hollandse smaakje eraan, nois de veau a la jardinière, sauce Hollandaise, quenelles d’Orléans, patisserie, een zeer geliefd recept in die tijd.
De dag erop vertrekt Couperus weer. Hij wandelt tot buiten de stad en ziet hoe schitterend Orvieto op zijn plateau gelegen is. Ook ziet hij een pas opgegraven Etruskische begraafplaats. Maar ‘onder onze voeten kraakt de rijp’ schrijft hij 15. Nog eenmaal wil hij de kapel van Signorelli zien, maar dan houdt hij zijn tijdelijke verblijfplaatsgraag voor gezien. Voor hem is  Orvieto ‘de stad van de prachtige Verschrikkingen en van den gouden wijn’.16

Noten:
1 Helene Nolthenius (1920–2000), musicologe, gepromoveerd op De oudste melodiek van Italië: de muziek uit het duecento, woonde in Caprilla in Toscane.
Zie over haar: Etty Mulder, Rede en vervoering, Helene Nolthenius 1920-2000, Nijmegen 2009 (Vantilt).
Catharina(Katrien) Ypes (1903–1973): lerares Frans aan Stedelijk Gymnasium in Arnhem, groot Italie-reizigster: men zei van haar dat ze alle steden van Italië had bezocht.
2–4 De zwaluwen neergestreken/Toen ik een kleine jongen was
In: Redactie Karel Reijnders e.a, Volledige werken (VW) van Louis Couperus, Amsterdam-Antwerpen 1994, deel 31, pagina’s 48 en 50
5 Reisimpressies/Brief uit Florence, VW deel 8, pag.68
6  Louis Couperus, Orvieto
In: Uit blanke steden onder blauwe lucht, Amsterdam 1912-1913 (L.J. Veen). Eerst gepubliceerd in Groot Nederland, 1912
Herdrukt in 1987 door L.J. Veen (Utrecht/Arnhem) als Uit blanke steden onder blauwe lucht/Pisa, Siena, Orvieto, ingeleid en geannoteerd door Marijke Eggert.
7 Met dank aan stadshistoricus Orvieto Alberto Satolli die mij behulpzaam was de plaats waar ooit het hotel was te localiseren en daarbij uitvoerige informatie verstrekte
8 Orvieto, pag. 63
9-12 Orvieto  pag. 85
13 Orvieto, pag. 86
14 met dank aan Alberto Satolli die mij een oud menu toonde.
15 Orvieto, pag. 87
16 Over de ‘Gouden wijn’: Uit blanke steden onder blauwe lucht/Pisa, Siena, Orvieto, redactie Marijke Eggert, pag.61 en 87.

Tussen 1911 en 1912 schreef Couperus veel opstellen en reisbeschrijvingen. Ze werden gepubliceerd in het dagblad Het Vaderland en het tijdschrift Groot Nederland, dat in de oorlog aan de SS ten prooi viel en na de oorlog niet meer verscheen.
Het opstel over Orvieto verscheen in Groot Nederland.
Later werd een aantal korte stukken van Couperus gebundeld in het boek met de fraaie titel Uit blanke steden onder blauwe lucht.
In 1987 gaf uitgeverij Veen een aantal van deze opstellen uit in kleine handzame boekjes, die niet zo goed geannoteerd waren.
De schrijver gebruikte voor dit artikel het boek Pisa, Siena, Orvieto.

Foto’s: Anka Blommesteijn

Gepost in Columns, Geen categorie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Soms, John Sillevis

Oskar Lens

S O M S

Soms denk ik wel eens…
waarom spring ik niet
in het Verversingskanaal
maar dan zie ik de kleuren
van Oskar, de wilde kleuren
van Oskar, en dan denk ik:
Ach.

De kleuren van Oskar zijn die
van een kwaaie haiku
figuren ontmoeten elkaar,
maar kleuren botsen
stillevens spatten uiteen
bloemen springen de vaas uit
en vogels zuipen.

Potten doen wat potten
moeten doen: schenken
continenten verschuiven, en
landkaarten worden beschreven
vlakten gaan ten onder aan
dreigende golven, maar
het avondland gaat niet teloor.

De kleuren van Oskar
verbleken niet, en ook de vorm
blijft hecht. De vorm is
als een cloisonné, stevig als
een smeedwerk. De contour
houdt de kleur vast
in een forse omhelzing.

Oskar’s kleuren zijn als de rauwe stem
van Zarah Leander
‘Kann denn Farbe Sünde sein?’
Natuurlijk. levenslust blijft niet onbestraft.
Soms denk ik wel eens:
waar is ook weer het Verversingskanaal?
Maar het verversingskanaal is vol.
Mannen zijn niet meer wat ze waren
vrouwen zijn eeuwig.
Het feest zit in de kleur.
En dan denk ik: soms.

(Bij de opening van de tentoonstelling van Oskar Lens in de tuingalerie van Pulchri Studio, 26 januari 2013)

John Sillevis

Gepost in Poëzie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Aloude nachtegaal, Theo van der Wacht

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt -

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

Gepost in Geen categorie, Poëzie | Plaats een reactie

Gedichten van Vera Srbinović

<!– /* Font Definitions */ @font-face {font-family:Arial; panose-1:2 11 6 4 2 2 2 2 2 4; mso-font-charset:0; mso-generic-font-family:auto; mso-font-format:other; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:3 0 0 0 1 0;} @font-face {font-family:”Cambria Math”; panose-1:2 4 5 3 5 4 6 3 2 4; mso-font-charset:1; mso-generic-font-family:roman; mso-font-format:other; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:0 0 0 0 0 0;} /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-parent:”"; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-bidi-font-family:”Times New Roman”; mso-no-proof:yes;} h1 {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-link:”Kop 1 Teken”; mso-style-next:Normaal; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; page-break-after:avoid; mso-outline-level:1; font-size:12.0pt; font-family:Arial; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-bidi-font-family:Arial; mso-font-kerning:0pt; mso-no-proof:yes;} p.MsoFooter, li.MsoFooter, div.MsoFooter {mso-style-noshow:yes; mso-style-unhide:no; mso-style-link:”Voettekst Teken”; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; tab-stops:center 8.0cm right 16.0cm; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-bidi-font-family:”Times New Roman”; mso-no-proof:yes;} span.Kop1Teken {mso-style-name:”Kop 1 Teken”; mso-style-unhide:no; mso-style-locked:yes; mso-style-link:”Kop 1″; font-family:Arial; mso-ascii-font-family:Arial; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-hansi-font-family:Arial; mso-bidi-font-family:Arial; mso-ansi-language:EN-GB; font-weight:bold; mso-no-proof:yes;} span.VoettekstTeken {mso-style-name:”Voettekst Teken”; mso-style-noshow:yes; mso-style-unhide:no; mso-style-locked:yes; mso-style-link:Voettekst; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-hansi-font-family:”Times New Roman”; mso-bidi-font-family:”Times New Roman”; mso-ansi-language:EN-GB; mso-no-proof:yes;} .MsoChpDefault {mso-style-type:export-only; mso-default-props:yes; font-family:Cambria; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:”MS 明朝”; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:”Times New Roman”; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-ansi-language:NL;} @page WordSection1 {size:612.0pt 792.0pt; margin:70.85pt 70.85pt 70.85pt 70.85pt; mso-header-margin:35.4pt; mso-footer-margin:35.4pt; mso-paper-source:0;} div.WordSection1 {page:WordSection1;} –>

Brief aan een vriend

Mijn beste, de regens van mei zijn begonnen

en slaan tegen ramen en kastanjetakken

hoe de tijd voorbij glijdt onder lindebomen en wilde espen

en hoe graag ik in jouw verre handen

rustig de mijne zou leggen.

Ik zink weg met de uren en de hoop

verenigd met kindergeheimen

in een paar oude handen

zacht als het Argonautenvlies

draag ik kudden geweien en wolken

en bewaar ze in onsterfelijke goudsbloemen.

En zo verwelk ook ik, mijn beste

hoe kan ik wederkeren?

De regens van mei zullen komen

mijn vlam ademt onder oude lindebomen

ik loop, gouden patina, slank en bleek

door een paar slaperige Haagse straten.

Wie zijn wij? Ik ben in werkelijkheid alleen mijn schaduw.

Droom

Zelfs een droom kan mij doden

zodat ik nooit kan vertrekken,

mijn wezen in zijn kleuren slaapt

en zonder antwoorden en suizen

mijn moede hoofd rust krijgt.

Mijn bestaan, oude herinneringen

stromen over het hek

en regen brengt de geur van akkerwinde.

Dus toen ik bij dageraad verzonk,

bracht ik de nacht door in een droom

vermoeid op zoek naar een bestemming.

Sumatra II

Wachtend op schepen die nooit komen

benemen grote golven het uitzicht,

de sluier van wind waait over je gezicht

en purperen wateren van de oceaan

onder de Plejaden.

Amberen dagen zijn gegrift

als de nevel van Sumatra,

een mysterieus sprookje ontvouwt zich

in materie, raadsels en illusies

als doel van alles.

Het land van de Heer,

verliefde vuurvliegjes sluimeren

als lantarens van de sterren

en het geheimste erfgoed

de wereld in kleuren van nacht en wijn,

terwijl ver weg, in mijn vaderland,

rode kersen en aardbeien rijpen.

‘Sumatra II’ is geïnspireerd door het gedicht ‘Sumatra’ van de grote Servische dichter Milos Crnjanski (1893-1977).

Constantinopel

Hier sta ik, huilend onder de wallen

alsof Constantinopel opnieuw is gevallen,

roep in het lichtspoor de voorzienigheid op,

capituleer voor liefde want ik weet niet beter.

Hoe kan ik alles binden wat voorbij is?

Hoewel onmogelijk keer ik terug

tussen de dromen die met mij verloren gingen,

fluister als een schaduw en kus het ongeziene

dat al tot stof is vergaan,

om terug te brengen de handen die strelen, de havens

en de zon die wonderbaarlijk schijnt tussen de wolken

die voorbijrazen als de orkaan van jaren.

Hier sta ik, huilend onder de wallen

alsof Constantinopel opnieuw is gevallen,

verberg mijn hoop en draag de gloed,

terwijl mijn hart zich overgeeft aan zuchten.

Voorbij de zeven zeeën

Ik weef de gedachte, deze vreemde draad

als de pendule van een eeuwig uurwerk

gekruisigd door vragen als spinnenwebben,

hoe hartstochtelijk en liefdevol ik ook keek

mijn lot was zwaar als een aardbeving,

ik vloog op vleugels van de zilveren bergeend

naar de schatten van de aarde, geheime sprookjes.

Oh, hoe ik ook kuste en huilde

de sprankelde dauw verried mij.

Laten de feeën tot mij komen,

laat hen zware woorden

van gember en stuifmeel smeden

gekruid met Malmsey

uit wijn en honing.

Red mij van de Parcae

en verlos mij van de maan,

de wonden van mijn slapeloosheid.

Terwijl winterbladeren ruisen

woudgeluiden gutsen onder de sterren,

echoot alleen het liefdesverlangen

ver voorbij de zeven zeeën.

Universum

Een rivier van smaragd

slaapt in mijn boezem,

fluisteringen en geruis

genesteld als een geheim,

vogel uit mijn geheugen.

Ik duik op uit werelden

waar vibraties mij opnamen,

kwetsbare dromen

van donkere lange regennachten

en melancholie uit de oertijd.

Nu zeil ik op viermasters,

neuriet de rivier vele geluiden,

daal ik in de wolken,

reikend naar het universum.

(Uit de bundel: Engel in wolken gehuld. Vertaling: Theo Monkhorst)

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Wie zijn wij, een ABC-tje, door Duco van Weerlee, tekeningen Diederik Gerlach

Van zeg eens Ah naar slaap maar Zoet. Van ademen naar zoemen. Van aandacht naar zien. Is dat moeilijk, is dat makkelijk, nee het is moeiteloos, een abc-tje. Natuurlijk is het simpel, anders zouden alleen gestudeerde mensen gelukkig kunnen worden. Voor deze categorie is het eerder lastig, want het ligt zo voor de hand dat je het over het hoofd ziet. En om maar meteen een antwoord te geven op de vraag wie wij zijn, citeer ik met graagte de dichter K. Michel:

Wij zijn de zee

Wij zijn de schipbreuk

Wij staan op het strand.

En wie mag dan wel de taalkundige zijn die dit ABC-tje opschrijft? Zie onder de e van ego.

Het gaat hier om een geheimschrijver, een bezonken clown, die om zich heen kijkt met een beetje spot, overwegende dat de diepte begint aan de oppervlakte. Het praktisch nut van bezinning is levenskunst. Leve de ruime blik. Zie de p van perspectief.

A A N D A C H T

Aandacht is een levensnoodzaak. Kinderen die geen aandacht krijgen, verkommeren en gaan dood. Ouderen die geen aandacht krijgen, vereenzamen en verliezen hun levenslust. Aandacht is liefde -  gerichte, praktische liefde, die het alledaagse, het vale en kleurloze, geur en kleur geeft en het doet schitteren en blinken. Je hebt er niets en niemand voor nodig, geen geld, geen opleiding, zelfs geen verstand. Vandaar dat kinderen en armen van geest een voorsprong hebben, want die hebben geen last van hun verstand. Die zijn gewoon wat ze zijn, vitaal en stralend, blij verrast en wreed.

Aandacht kan naar binnen gericht zijn en naar buiten. De naar binnen gerichte aandacht is als een accu die wordt opgeladen door hem aan te sluiten op een energiebron. Mensen zijn wandelende takken, planten op pootjes. Doordat we niet met wortels vast zitten in de grond, lijken we mobieler en zelfstandiger dan we zijn. Maar we zijn ooit in het leven geschopt door dezelfde kracht die ons in leven houdt zolang we ademen en dat moeten we ons soms even herinneren. Al was het maar om onszelf in de juiste proporties te zien en de afgescheidenheid op te heffen. Die innerlijke aandacht is een vorm van eigenliefde die niet mag worden verward met narcisme. Je kunt aandacht voor anderen net zo goed een vorm van eigenliefde noemen. Bemin je de ander niet als jezelf?


B E W E G I N G

De fundamentele beweging is IN – UIT. Inademen – uitademen. Eb en vloed, laten komen en laten gaan. Eventueel kun je van de eendimensionale beweging een tweedimensionale maken, nl een cirkel: lente – zomer – herfst – winter. Innemen en uitscheiden wordt dan hap-slik-verteer-poep. Jeugd – ouderdom, oftewel uitdijen – inkrimpen, wordt jeugd – volwassenheid – middelbare leeftijd – ouderdom. Opgaan – blinken – verzinken. Water verdampt, vormt regenwolken, die zich ontladen in de zee, etc. Dat gaat maar door. Het gaat om de onbestendigheid van elke vorm. En om het proces waarin de vorm een voorbijgaande fase is. Inzicht in deze beweging inspireert tot overgave, tot meegeven. Je schrap zetten kost energie en leidt tot frustratie. Alles stroomt. Wat niet wil zeggen dat je niet zinvol kunt zwemmen in de stroom. Je kunt versnellen en vertragen, rotsen vermijden, het riet in koersen, op je rug drijven, watertrappelen. We doen wat we kunnen. Dat is veel, maar lang niet alles, want we zijn en blijven onderdeel van de natuur. Dat besef is niet zo populair bij de mens die zich graag verheven ziet boven de schepping, alsof hij zich niet voortplant en spijsverteert als elk ander zoogdier.

C R E A T I V I T E I T

Wij zijn scheppers in licentie, maar lang niet ieder is zich zijn creativiteit bewust. We denken dat creativiteit het voorrecht is van kunstenaars, mensen met een talent. Maar iedereen droomt zijn eigen wereld, of hij nu wakker is of slaapt. Er zijn tobbers en positivo`s, krekels en mieren. Waders and floaters, lichtzinnige fantasten en mensen met een horror-movie studio in hun kop. Iedereen schept zich een eigen telenovela binnen het assortiment van structuren en mogelijkheden dat de wereld ons aanreikt. Hoe persoonlijk die eigen creatie is, valt op als je ziet hoe kinderen uit hetzelfde gezin hun eigen interpretaties meedragen. Voor de een was pa een tiran en ma een sloof, voor de ander was ma een manipulante die pa volledig in haar macht had. Kijk eens samen met een goede vriendin naar een film en merk hoe zij een totaal ander verhaal meemaakt dan jij. Creativiteit is ook het kind in ons, het vermogen om te spelen. Wie dat vermogen levend houdt, heeft altijd een opening naar binnen, een connectie met de bron des levens.  En dat kan van pas komen, als zwaar weer dreigt in de vorm van somberheid, uitzichtloosheid of walging. Zodra je het opbrengt op je gitaar te tokkelen of de tekenstift te hanteren, slaat ergens een motortje aan. Je doet het zelf (wie anders?), maar tegelijkertijd overkomt het je, dat is het mooie.

D E P R E S S I E

Een depressie is een psychische doodval uit de alledaagse werkelijkheid. Een moment van onachtzaamheid en je ligt gevloerd. Het akelige van die conditie is, dat je het gevoel hebt nu eindelijke de echte, grauwe en barre werkelijkheid te beleven en onder ogen te zien. Je goede humeur van zoëven was een illusie. Je was een koorddanser die zich aan de wetten van de zwaartekracht waande ontstegen. Je hebt straf verdiend en die heb je nu maar als een grote knul/meid te dragen. Een vriend van mij, die het leven van een kluizenaar leidt, schreef me dat hij zich nooit verveelt. ‘Verveling heeft net als depressie zijn diepste wortels in jezelf en niet in de buitenwereld. Aan beide valt dus veel te doen.’
Zo zit dat. Het goede humeur van weleer was misschien een (aangename, leefbare) illusie, maar die onsympatieke depressie is net zozeer een waan. Je hebt maar te kiezen in welke droom je wilt wonen. Wil je de gevloerde cynicus zijn, of de welgemutste koorddanser? Als je echt zo’n realist bent als je denkt, dan is de ene droom niet echter en waarachtiger dan de ander. Misschien is er alleen wat moed voor nodig en vertrouwen om overeind te krabbelen en een nieuwe act in het circus te verzinnen.
Maar dat zijn overwegingen waar de man in het zand even niet van wil horen. Hij geeft zich over aan zelfbeklag, oeverloos zelfmedelijden. Hij wenst gerespecteerd te worden in zijn nihilisme en compassie te oogsten van het begane publiek. Hij wil soppen in zijn ellende.

E G O

Het ego is een aardig instrument, dat meestal wordt overschat en dan veel ellende oplevert en weinig plezier. Het markeert onze positie meer dan dat het onze essentie weergeeft. Zoiets als een postbus, een e-mailadres, een fiscaal nummer. Dat zijn gegevens die iemands uniciteit weergeven, maar eenieder is nog zoveel meer. We hebben een ego nodig om te kunnen opereren, zoals we software behoeven om op internet te komen. Het ego is een werkhypothese. Een virtuele positie zoals het nu dat is tussen verleden en toekomst, of de vouw in een blad papier. Als je er goed naar kijkt, blijft er niets van over. En prettige bijkomstigheid is dat je niet meer te beledigen of te kwetsen bent, als je geen ego hebt dat hoeft te worden verdedigd. Er wordt wel beweerd dat men om verlicht te worden zijn ego moet ombrengen. Dat lijkt mij een weinig verlichte benadering. Wel is het zaak je ego te behoeden voor zelfoverschatting. Soms gedraagt het zich als een kundige manager die zich verbeeldt voorzitter te zijn van de raad van bestuur en president curator. Een beetje relativering kan belachelijke kapsones voorkomen.
Je kunt je ego zien als een waarnemer. Natuurlijk levert dat een zekere gespletenheid op, want je kijkt naar jezelf en hoort jezelf denken: kijk eens aan, daar doe ik het wéér! Strikt genomen is de waarnemer net zo’n illusie als dat ego waarnaar het kijkt, maar het is een hulpconstructie die werkt in de dagelijkse werkelijkheid. Als we konden leven in een grotere, aan het dualisme ontstegen,  wereld, zouden we geen ego nodig hebben en ook geen waarnemer. Dan was alles gewoon wat het is. In de dagelijkse werkelijkheid kan het dienstig zijn in veel spiegels te kijken.
Misschien vieren mensen hun ego, omdat ze denken dat het alles is wat ze hebben. Maar dat is in alle opzichten een illusie. Je bent tegelijkertijd niets en alles:

Zie mij eens spatten:

Een regendruppel

In volle zee.

F E N O M E E N

Fenomenen vormen de waarneembare, tastbare werkelijkheid waarin wij leven en die we delen met soortgenoten. Maar de enige werkelijkheid is hij niet. Al was het maar omdat iedereen in zijn eigen droom en verbeelding leeft. Metafysica is voorts de studie van de natuur voorbij wat waarneembaar is of waarneembaar kan worden gemaakt. Met enige moeite kunnen we ons vanuit ons driedimensionale wereldbeeld een tweedimensionale wereld denken – het platte vlak. Meer moeite hebben we ons vier- of meerdimensionale werelden voor te stellen, maar het is heel goed mogelijk dat die bestaan. Als de tijd als dimensie wordt gezien, kunnen we ons met enige inspanning een beschouwer voorstellen op een plek ergens ver in de ruimte die naar ons doen en laten kijkt zonder te worden beperkt door de tijdsdimensie. Die ziet misschien ons leven als een eenmalige gebeurtenis zonder tijdsverloop. Heden, verleden en toekomst vallen dan samen.
Misschien zijn helderzienden of andere bevoorrechten die in de toekomst kijken even aan de klem van de tijd zijn ontkomen. Zij zijn als bewoners van Platland die een uitje maken in onze driedimensionale werkelijkheid. Wat voor de bewoners van Platland een raadselachtige fenomeen is: een groeiende cirkel die afneemt, steeds kleiner wordt en dan verdwijnt is voor ons gewoon een bol die door een plat vlak zakt.

G E V A N G E N

De meeste mensen bouwen hun eigen cel en zetten zich daarin gevangen. Ik ben dit, ik ben dat, ik doe zus, ik denk zo. Dit is mijn identiteit en waag het niet die te ondermijnen of mijn cel open te breken, want dan krijg je met de cipier van doen. Die ben ik toevallig ook zelf.
Wat erachter zit, zal wel angst zijn voor het ongewisse. Dan schept men zich een vorm en klampt zich daaraan vast. Schreeuwend duiken we op uit het vruchtwater en brullend klampen we ons vast aan ons stervend karkas. In de tussentijd scheppen we vormelijke illusies, een markante persoonlijkheid, een man met een rotbaan, een vrouw met een pesthuwelijk. En om die vertrouwde ellende te behouden vechten we ons bijkans dood. Alles beter dan eigen verantwoordelijk te nemen en te proberen een leukere droom te weven dan die bekende nachtmerrie. Dat zou immers hoogmoed kunnen betekenen en die komt voor den val. Dan worden we uitgelachen. Liever dus doortobben en klagen, want dat levert medelijden op en dat is als koffieleuten: gezellig, veilig en onnozel.

H I E R N A M A A L S

In het hiernamaals verblijven we volgens kenners in de hel of in de hemel. In de hel wonen leuke en slordige mensen die hun leven lang hebben geslempt en gehoereerd. In de hemel verblijven de oppassende burgers, die zich hebben onthouden van wat vies en voos is. Sommige mensen proberen bij hun leven al een beetje een hemel te bouwen door zich met niet geringe inspanning te onthechten van aardse lusten en in plaats daarvan verdienstelijke dingen te doen.
Nu heeft het leven in de hel zijn nadelen door de aanwezigheid van pesterige wezens, de zogenaamdse duivels, maar een rechtzinnige hemel lijkt ook wat saai om in te verblijven. Eigenlijk zou een tussenvorm het aantrekkelijkst zijn, een beetje avontuur, maar niet al te obsessief. Matig in de losbandigheid en in de versterving. Een kluizenaar met op zijn tijd een borrel en een vriendin. Een levensgenieter met diepgang.
Maar die tussenvorm hebben we toch al? We hebben dan misschien niet de hemel op aarde gerealiseerd, maar een extreme hel hoeft het ook niet te wezen. De opgave lijkt goed en kwaad te integreren en de enige manier daartoe is voor de spiegel te gaan staan, beide kanten in jezelf te onderscheiden en die te verwelkomen.

Wordt vervolgd (regelmatig verschijnt hier een nieuwe letter)


Gepost in Columns | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

De melkboer helpen, door Michiel Hanon

Er was een tijd dat leveranciers bij je aan de deur kwamen. De bakker, de groenteboer, de melkboer, en zo nu en dan de kolenboer en de scharensliep. Onze melkboer was een goedlachse man, wat gezet, met steeds een sigaar in de mond. Hij had altijd een pet op en een halflang beige jasje aan. Een leren geldtas hing als een sjerp om zijn bovenlijf. Hij verrichtte zijn werk altijd opgewekt, en in een flinke looppas. Ik kan me niet herinneren dat ik hem eens kwaad heb gezien. Deze melkboer had vertrouwen in zijn klanten, en ze kregen krediet, als ze wilden. Er werd dan eenmaal per week afgerekend, geloof ik.

Melk en andere producten, zoals vla en yoghurt, werden toen nog in flessen verkocht. Een krat zuivel had daarom een flink gewicht. Lege flessen werden natuurlijk ook weer meegenomen. Mensen hadden vaak een Tomado rekje, waar drie, of bij grotere gezinnen, zes flessen in konden. De bestelling stond dan vaak op een stukje papier, dat met een wasknijper aan het rek werd vastgemaakt. Of in een opschrijfboekje, dat in een leeg vak of tussen de lege flessen werd gestoken.

De kleur van de aluminium melkdop wees op de inhoud van de fles. Naast veel gevraagde producten als melk en yoghurt had je ook “lekkernijen” als gortepap en karnemelksepap. Gelukkig vroeg mijn moeder daar nooit om. Het zag er niet uit in de fles, en leek me vreselijk smaken. De melkdoppen werden verzameld voor een goed doel, het zendelingenwerk. Ze waren van zilverpapier en konden worden gerecycled. Omdat er een beetje tin in zat, waren de doppen geld waard. Ook de wikkels van chocoladerepen en bonbons werden ingezameld.

Onze melkboer was dus een aimabel mens, om welke reden kinderen zoals ik het leuk vonden om hem te helpen. En dat mocht bijna altijd. Natuurlijk verdiende je er ook wat mee. Tegen mijn moeder zei ik dan de gevleugelde woorden dat ik “de melkboer ging helpen”. Als dat mocht, en de melkboer was nog niet in onze straat, dan liep ik hem tegemoet. Natuurlijk was zijn route bij mij precies bekend. Soms mocht je helpen op het deel van de route in de buurt van je eigen huis; soms kon je een groter deel van de dag assisteren. In het laatste geval mocht je dan ook mee het ziekenhuisterrein op. Meerdere los van elkaar gehuisveste afdelingen werden op dit terrein bezocht en – als je geluk had – mocht je tenslotte nog mee naar de melkfabriek. Deze melkboer had al een auto, die hij daar parkeerde. Een DKW. Ik ben nog wel eens met hem meegereden.

Deze melkboer ging met zijn tijd mee. In het begin had hij nog een open houten handkar met twee grote wielen. De langste tijd dat ik hem mocht helpen, beschikte hij echter over een futuristische, gesloten stalen driewieler met een soort bromfietsmotor. Het motortje was geïntegreerd met het neuswiel en een stuurstang met draaibaar handvat, waarmee je gas kon geven, zoals bij bromfietsen. De bestuurder werd geacht voor de kar uit te lopen, en deze via de stuurstang dezelfde loopsnelheid te geven. Omdat dit vermoeiend was, mochten wij als kind de chauffeur zijn. De stuurstang kon een halve draai maken, zodat je op de dikke, gekromde stang, die het neuswiel met de achterwielen en de lading verbond, plaats kon nemen. Je hoefde dan niet te lopen. De melkboer zelf paste daar niet tussen. Op zijn beurt nam hij plaats aan een van de open zijkanten van de kar, en liet zich, al sigaar rokend, heerlijk vervoeren.

Het stuk over het ziekenhuisterrein was altijd het mooiste; je kon dan een lange afstand chaufferen. En dat vonden we natuurlijk leuk. Als hij niet door een kind werd geholpen, heb ik wel gezien dat de melkboer op de langere afstand “noodgedwongen” op het neuswiel van de kar plaatsnam, terwijl hij de stuurstang min of meer omhoog hield. Dit zal geen plezierige zit zijn geweest, en hij was eigenlijk veel te zwaar voor deze oplossing.

Als je vol gas gaf, ging de wagen net wat harder dan loopsnelheid. Het motortje maakte een hels kabaal en er kwam vaak een grote blauwe walm uit de uitlaat. Het deerde de melkboer niet. De motor werd natuurlijk over de hele route ontelbare keren aan- en uitgezet. Met behulp van een trekkabel kon je hem aan de praat krijgen. Soms had ik het idee dat het motortje het eind van de dag niet zou halen. Ik kan me niet herinneren dat het er eens mee is opgehouden, maar het zal wel zijn voorgekomen.

Natuurlijk kregen we hier en daar ook koffie aangeboden. Er werden dan altijd grapjes gemaakt en er viel het nodige te lachen. We hadden ook bepaalde uitdrukkingen voor producten, zoals een pakje Margaretha voor plantenmargarine. Ik leerde zo mijn buurt en de bewoners goed kennen. Bij sommige klanten liep je achterom de keuken in, en plaatste je de flessen op het aanrecht. Als mensen niet thuis waren, zette je de bestelling voor de deur. Dat kon toen nog.

In de kar had de melkboer ook een grote stalen melkbus met losse melk, met onderaan een kraantje. Zo’n bus die je bij boerderijen aan de weg zag staan. Sommige mensen wilden losse melk in hun pannetje. Als de bus bijna leeg was, was het een hele kunst om er nog een pannetje mee vol te krijgen. De bus, die aan een open zijkant op de kar stond, moest je naar je toe laten hellen. Vervolgens moest je het kraantje open en dicht draaien, terwijl je het pannetje er onder hield. Ik weet niet meer of de melkboer dit precisiewerkje zelf wilde doen, en welke techniek het beste resultaat gaf. Hij was vol vertrouwen, dus ik denk dat ik dit ook wel gedaan heb.

Om een hele dag melk rond te kunnen rijden, moest de melkboer op bepaalde plaatsen langs de route zijn voorraad aanvullen. Ook in de buurt van ons huis was zo’n opslagplaats. De melkfabriek bracht er met een vrachtauto volle kratten, en nam lege flessen weer mee. De kratten stonden gewoon op de stoep, ergens in een hoek, afgedekt met een los zeil. Dat kon toen nog.

Op enig moment moet het afgelopen zijn geweest. Ik weet niet meer wanneer ik geen zin meer had om hem te helpen. Misschien toen ik naar de middelbare school ging. De melkboer zal het hebben begrepen; kleine jongens worden groot. Hij zal ongetwijfeld nieuwe gegadigden voor de functie van assistent hebben gehad. Hoe lang de man dit werk nog heeft gedaan, weet ik ook niet meer. Eens zal hij zijn laatste rit hebben gelopen, en daarna met pensioen zijn gegaan. Hopelijk heeft onze melkboer lang van een welverdiend pensioen mogen genieten. Ik kan me niet herinneren dat ik heb gelezen of gehoord dat de goede man was overleden. Volgens mij heeft hij geen opvolger meer gehad.

Gepost in Columns | Getagged , , , | Plaats een reactie

Uitzicht is een afstand die zich omkeert, Bernke Klein Zandvoort

onder zijn voeten vallen de galerijen
met deftige slagen naar beneden
passagiers trekken rond over de promenadedekken
zoals de sluiter in z’n binnenste steden bergt
exotische markten opgesloten onder luifels
waar de zon zich in scherpe banen door de gaten perste
tegen de rug van zijn hand

tussen kleine dorpjes trekt een schipper met een touw de oevers naar zich toe

elke morgen een andere haven
een andere stad die gracieus door de knieën zakt
het vuur wordt gevoed in de machinekamers
in de balzaal houdt een zangeres een lage toon aan
zo lang dat het een diepte wordt

walsen kabbelen gestaag voort
nippend van het laatste beetje zonsondergang laat de man
de horizon door zijn handen gaan

*

aan mijn tafeltje op een plein vol tafeltjes
vloeien de parasollen samen, eilandjes gemorste melk
met een vinger naar elkaar gedrukt

de zon valt gezeefd door de mazen

er wordt geduldig gerookt
het lijf een slobbertrui in een kuipstoel, paffen
noemt m’n vader dat in mijn achterhoofd
een accordeonspeler schuift tussen de tafels
met een glimlach door de vernis gehaald
via opgetrokken wenkbrauwen naar pupillen
teken ik vraagtekens in de gezichten
alsk gezeg heb ik ben er nie
dan benk er nie
spreekt een man zijn telefoon toe

ik bel naar huis om te zeggen dat ik in Venlo ben
en stel me voor hoe aan de andere kant
het terras, de salade met croutons en de blikkige flarden
accordeon bij elkaar worden gezet

en of daarbij ruimte wordt gelaten
voor het meisje met haar veters rood-wit-blauw gestrikt

voor het hondje dat semi-bourgondisch om zich heen kijkt
terwijl hij het plein onder zich wegtrapt

Bernke Klein Zandvoort, uit de bundel: Uitzicht is een afstand die zich omkeert
(Em. Querido’s Uitgeverij bv, Amsterdam, 2013)

Gepost in Poëzie | Getagged , , , , , | Plaats een reactie

Interview met Daniel Dee, door Jan Holtman

Tien voor Daniel Dee

Op het omslag van je bundel Vierendeel noemt Jules Deelder je een waardig opvolger.
Hoe zie jij dat?
Ik vond en vind het een eer dat ik door Deelder zo genoemd ben. Al was het alleen maar omdat het werk van Deelder mij heeft aangezet tot het schrijven van gedichten. Het voelde alsof de cirkel rond was. Overigens vind ik mezelf geen kloon van Deelder; ik kom wel uit de Rotterdamse school, maar ik heb een eigen toon.

Wat bedoel je precies met de Rotterdamse school? Wie behoren ertoe en wat kenmerkt de poëzie?
Voor deze vraag verwijs ik het liefst naar de inleiding van Gerrit Komrij die hij schreef bij de Verzamelde gedichten van Riekus Waskowsky en die begint met: ‘Er is een Nederlandse literatuur en een Rotterdamse. Van die twee is de Rotterdamse de boeiendste, verreweg.’ Een afgebakende definitie van de term de Rotterdamse school heb ik niet, maar ik zal hier een poging wagen. Tot de Rotterdamse school behoren de schrijvers die in Rotterdam wonen of een sterke band met die havenmetropool hebben. Veel werk van die auteurs, waaronder dus ook hun poëzie, is doorspekt met readymades, straattaal, cynisme, ironie, relativering, ruigheid en de drang tot precisie. Belangrijke vertegenwoordigers die me direct te binnenschieten zijn J.A. Deelder, Peter de Groot, Karel ten Haaf, Willem van Iependaal, J.H. Speenhoff, C.B. Vaandrager, Rien Vroegindeweij en Riekus Waskovsky. Deze lijst met namen is nog lang niet uitgeput en De definitie moet nog verder aangescherpt worden. Overigens vind ik het werkelijk van geen enkel belang. Ik heb geen boodschap aan andermans drift om schrijvers in hokjes te plaatsen.

In die inleiding schrijft Komrij ook: “De Rotterdamse schrijver is ’n alcoholist of ’n junkie. Ze spuiten en drinken en roken er alsof het gedrukt staat.” Gebruik jij geestverruimende middelen om tot de meest mooie poëzie te komen of werkt dat juist desastreus?
Buiten de alcohol (en de nicotine) heb ik jaren geleden alle geestverruimende middelen afgezworen. Het eigenlijke schrijfwerk verricht ik altijd nuchter, want dat is arbeid dat de nodige concentratie vereist. Vandaar ook dat ik zo weinig publiceer. Voor de zekerheid heb ik echter altijd wel een aantekenboekje bij de hand, waar ik geniale invallen in kan optekenen. Ik ben er van overtuigd dat onder invloed zijn, soms ideeën kan opleveren die ik anders niet gehad zou hebben. Maar dat geldt voor elke inval die ik in een specifieke situatie heb gekregen: die inval zou er niet geweest zijn, als de omstandigheden niet waren zoals ze waren.

Is het openingsgedicht De namen van de grote drinkers ben ik vergeten uit je vierde bundel ‘Monsterproof’ een hommage aan Waskowsky? En zo ja, wat spreekt je het meeste aan in zijn werk?
Je zou het een hommage kunnen noemen. Dat staat iedereen tenslotte vrij. Ik heb dat gedicht nooit zo gezien. De titel is uiteraard een verwijzing naar de bundel Slechts de namen der grote drinkers leven voort. Het kan natuurlijk ook een verwijzing zijn naar de dichter Li Tai Po. En zo zit mijn werk vol met verwijzingen naar andere dichters, popsongs of wat ik verder in de wereld aantref, al dan niet subtiel verwoven in het gedicht. Soms zelfs zo subtiel dat ik zelf vergeten ben waar ik het vandaan heb.
Desalniettemin ben ik een groot bewonderaar van het werk van Riekus Waskowsky. Dat heeft zeker te maken met zijn gevoel voor humor. En ondanks het feit dat hij een kamergeleerde was, schreef hij altijd zeer leesbare gedichten, die wars waren van gebakken lucht. De scherpe anekdotiek met een zweem van absurdisme is wat me aanspreekt.

‘Monsterproof’  bevat maar liefst zes hoofdstukken of katernen. Vanwaar die opdeling?
Goed dan, nu eindelijk vraag 5. Ik heb lang genoeg getalmd. Dat komt enerzijds omdat ik aartslui ben, maar anderzijds omdat ik het een vervelende vraag vind. De hoofdstukindeling is inderdaad bewust gemaakt. Ik wil echter niet uitleggen wat precies mijn bedoeling daarachter is.
Ik wil de beleving van de lezer niet onnodig doorkruisen. Laat ik vertellen dat ik een verhaal probeer te vertellen, maar vooral op een abstract niveau.
Oké, nog een tipje van de sluier. Hoofdstuk vier en zes zijn zeer pragmatisch tot stand gekomen. Hoofdstuk vier bestaat uit gedichten die zijn ontstaan aan de hand van online krantenartikelen. Hoofdstuk zes bestaat uit vertalingen uit het werk van een Russische dichter. Hier heb je het maar mee te doen.

Geen vervelend antwoord. De vertaalde gedichten van Liza Yuvachova springen qua inhoud en vorm wat uit de toon bij de prozagedichten uit de andere afdelingen van je bundel. Vertel iets meer over haar en je bewondering voor haar.
Ik ben het gedeeltelijk met je vraag eens. De gedichten van Yuvachova springen volgens mij alleen qua vorm uit de toon. Qua inhoud zie ik veel overeenkomsten. Ook zij bezingt het leven in al zijn rauwheid. Daar komt ook direct mijn bewondering voor haar vandaan. Ik ben nu eenmaal gefascineerd door de rafelranden van het bestaan, zeker als het in stijl is opgetekend. Ik heb met veel plezier haar gedichten (overigens met haar hulp en vanuit het Engels) vertaald.

De vorm. Je schrijft ook proza. Hoofdstuk vijf kenmerkt zich door prozagedichten.  Er lijkt een trend gaande wat dit betreft of is het prozagedicht een nieuwe vorm waaraan de lezer maar moet wennen?
Ik weet niet of er sprake van een trend is; we hebben het hier wel over poëzie in Nederland. Vind ik ook niet van belang, want anders zou het suggereren dat ik een trend wens te volgen. Bij mijn weten bestaat het prozagedicht trouwens al sinds 1869, dankzij Charles Baudelaire.
Ik ben altijd een liefhebber geweest van de breedsprakigheid, al was het alleen maar omdat ik het adagium in de poëzie ‘Met zo weinig woorden, zoveel mogelijk zeggen’ strontvervelend vind. Dat klonk mij altijd te veel als een regel in de oren, terwijl ik juist gedichten ben gaan schrijven vanwege de vrijheid. Vanaf mijn officiële debuut kun je dan ook zien dat ik bij tijd en wijle die bewuste vorm uit de mottenballen haal. In Monsterproof ben ik die vorm eens wat nader gaan onderzoeken, al klinkt dat nu alsof ik dat met opzet heb gedaan, maar het was geen vooropgezet plan. Het is veel eerder een organisch proces geweest hoe ik tot prozagedichten ben gekomen.
Overigens hoeft de lezer nergens aan te wennen. We leven in een vrij land. Wie prozagedichten niet te pruimen vindt, kan altijd nog de Story kopen om de foto’s van Barbie’s babykamer te bekijken.

Hoe zou je dat organisch proces, bijvoorbeeld met betrekking tot ‘Huldegedicht aan asimo’ willen omschrijven?
Met dat organisch proces doelde ik op de algehele ontwikkeling die mijn poëzie doormaakt. Ik heb simpelweg geen vooropgezet plan, dus is het ook geen doen om te voorspellen waar mijn werk uit zal komen. Dit geldt trouwens ook voor het schrijven van een enkel gedicht. In die zin kun je dus ook spreken van een organisch proces.

Ik kan je echter met de beste wil van de wereld niet vertellen hoe Huldegedicht aan asimo precies is ontstaan. Veel verder dan achter mijn bureau ben ik gaan zitten schrijven, kom ik niet. Het enige dat ik op dat moment had was een tomeloze fascinatie voor de robot Asimo van Honda.

Uiteindelijk is het gedicht een pastiche geworden op het beroemde gedicht Huldegedicht aan Singer van Paul van Ostaijen. Met terugwerkende kracht kan ik zeggen dat ik er klaarblijkelijk veel hedendaagse angst voor de toekomst in heb weten te leggen. Dit is zeer associatief gegaan, of zo je wilt een organisch proces geweest.

Goed, vertel eens iets over die algehele ontwikkeling die jouw poëzie doormaakt.
Daar ga ik me niet aan wagen. In mijn geval zal dat namelijk al snel uitmonden in pedant gezwam. Ik vind dat lezers dat zelf moeten ontdekken, of niet, want dat maakt niet zoveel uit. Laat iedereen die dat wil zijn eigen gedachten en ideeën over formuleren. Ikzelf vind dat ook het leukste om te doen bij andere oeuvres van dichters. Of is dit een te pedant antwoord?

Pedant wil ik het niet noemen, ontwijkend wel. Waar zou je je ter afronding nog wel aan willen wagen?
Het zij zo. Ik blijf bij mijn standpunt. Opscheppen over hoe geweldig je bent hoort thuis in de kroeg. Ik zie je graag daar, dan mag je naar mijn gezwam luisteren. En doe ik alsof ik naar jou luister. Dit vind ik niet het geëigende medium ervoor. En ik niet de geëigende persoon; ik ben per slot van rekening al jaren geen letterenstudent meer.

Jan Holtman in gesprek met Daniel Dee naar aanleiding van de bundel Monsterproof, Passage, 2010

Gepost in Geen categorie, Interviews | Getagged , , , , , , , , | 1 Reactie

Is Dostojevski een groot schrijver? Door J.C. Nahrling

http://voorjeharses.nl/is-dostojevski-een-groot-schrijver

Gepost in Columns, Geen categorie | Getagged , , | Plaats een reactie

Kwestie van tijd, Michiel Hanon

I Nooit weer?

opgeschrikt door de schaduw van duistere grimassen,
te laat om aanstichtende schimmen te ontmaskeren

hoe te bedaren een op hol geslagen volk,
in striemend tuig aangespannen

tot bloedens toe gemend door een dwaas?

II Ontnomen

een mens’ wieg is gedrapeerd met welkomstlinten
de kleur toont de gesteldheid van hem gegunde tijd
soms voortijdig ontnomen

door kortsluiting
- verstoorde kruising van levenslijnen -
in een toevallig passerend transformatorhuisje

een vergeelde opname terloops tegengekomen
toont een onbekende soldaat
van het zwijgend regiment der zwarte linten

nieuw leven
negeert afgesloten gebeurtenissen
alsof deze na jaren langzaam onherkenbaar worden

III Waalsdorpervlakte

een klok rijst op in novemberzon
begint fluisterend tussentijds te luiden
lange schaduwen
- ze blijken geen geweren meer -
hebben zich neergevlijd
op de gehavende welvingen
van een naakte oude vrouw
groen begroeid, geel gegroefd, roerloos liggend
bedroefd wakend

verder lijkt weinig veranderd
wat er tussen zit is alleen maar tijd
een ongrijpbaar gordijn
dun doorzichtig weefsel
het menseigene is tijdloos
blijft gelijk
een klein meisje
wijst naar de kruisen, ze begrijpt het niet
we zijn bijna onvoorbereid

Michiel Hanon

Gepost in Geen categorie, Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

I Divertimento, Dirk Kroon

Hoog bezoek

Het kwam niet om te nestelen
maar om even te verblijven,
voordat de winter overging.

Het heeft op ons balkon
een warme plek gezocht.
Het rilt en trilt soms,
bolt zich met z’n veertjes
tegen al te schrale wind.

Als een dag aanbreekt
zingt het stralend zonlicht toe
in het donker van ons leven.

Liefdespaar

Je bent nu eens de een,
dan weer de ander,
dus als ik mij
in jou verander
houd ik weer van jou.

Wisseling

Stapelwolken drijven waakzaam
in het hemelsblauw voorbij.
Het is goed, het is vandaag,
er kan niets anders wezen-
de hemel houdt je aandacht vast.

Totdat ineens een lang
vervlogen dag zich aandient
en je meeneemt naar momenten
dat de liefde die voorbijging
onnavolgbaar diep en hoger was.

Weerzien

Je bent terug,
het heden is vergeefs
in beeld en raakt vergeten.

Je ziet alleen verleden,
je loopt door lege straten
in de kille avondschemering.

Ergens blaft een beest en gromt
je huivert en je wilt naar huis —
maar zouden nu je lieve ouders
weer gaan leven en je als vanouds
vol warmte in de armen sluiten?

Sluimer

Bij halfslaap breekt een nieuwe dag aan.
Ontwakend is een een sterveling nog onbewust
van wat hem overkomen zal vandaag,
het lot heeft nog geen plaats in zijn gedachten.

Hij rekt opzettelijk het heerlijke moment
van nog aan niets te hoeven denken
en droomt de droom van nooit meer dood.

Ontwaken

Het wonder dat je wakker wordt
na de tergende heftigheid van dromen.
Demonen uit een wreder leven
trekken langzaam weg, worden weer
verkleind tot wat zij zijn- fantomen.
Het wonder dat je wakker wordt en
beduusd een nieuwe dag aanziet.

Dirk Kroon

Gepost in Poëzie | Getagged , | Plaats een reactie

Interview met Ingmar Heytze, door Jan Holtman

Tien voor Ingmar Heytze

Gefeliciteerd met je tiende bundel Ademhalen onder de maan. Kun je iets vertellen over je ontwikkelingen als dichter sinds het verschijnen van De allesvrezer in 1997?
Dank u! De belangrijkste ontwikkeling die ik als dichter heb doorgemaakt, is dat poëzie van een monomane, romantische roeping met bijbehorende, soms wat vermoeiende levensstijl is verworden tot iets dat zich, bij gebrek aan een beter woord, heeft ontwikkeld tot een vak waarnaast ik ook allerlei andere dingen met plezier doe. ’t Is jammer, maar de bezetenheid van het begin is iets wat domweg slijt. Tien bundels verder kan ik evenveel zin hebben in nummer elf als me afvragen waarom ik godsnaam ooit nog een letter op papier zou zetten – het verschilt per dag. Uiteindelijk realiseer ik me beter dan vroeger dat een dichter maar één lezer op het oog heeft, en dat is hij zelf. Dat sommige mensen het óók willen lezen, vind ik meer dan geweldig – maar als ik mezelf niks meer te vertellen heb, houdt het op, en dat is dan ook volstrekt geen drama. Er zijn veel problemen in de wereld. Een gebrek aan dichters is niet een van die problemen. voor elke dichter die zijn pen neerlegt staat er weer een half dozijn nieuwe op.

Is het schrijven van poëzie een zoektocht naar jezelf? En zou je voorbeelden kunnen noemen van wat de dichter Heytze zichzelf te vertellen heeft?
Als het schrijven van poëzie een zoektocht is, is het vooral een zoektocht om te ontsnappen aan mezelf. Ik begrijp niet wat mensen over het algemeen zo interessant vinden aan zichzelf, laat staan aan het uiten van zichzelf. Ik word pas blij met een gedicht als ik het gevoel heb dat het grotendeels los staat van mezelf. Ik vind het leuker als een ander iets van zichzelf herkent in zo’n gedicht dan dat ik in dichtvorm iets over mezelf, of aan mezelf vertel. Dichten is al navelstaarderig genoeg, want je bent het natuurlijk wel allemaal zelf die al die gedichten (deels) meemaakt, verzint en opschrijft. In dat opzicht is het bestaan van Ingmar Heytze de enige noodzakelijke (maar niet voldoende) voorwaarde voor het bestaan van zijn gedichten. Maar ik heb mezelf niet veel te vertellen, en in de gevallen waarin dat wel zo is, zijn het meer prozaïsche mededelingen als: ‘was je haar’ en ‘stop toch maar voor dat oranje licht’.

Kun je iets vertellen over de stilistische ontwikkeling in je werk?
Die stilistische ontwikkeling begon, denk ik achteraf, bij een soort naïeve romantiek – ik heb lang niet begrepen waarom mensen mijn werk in het begin vergeleken met Piet Paaltjens, want waar Paaltjens ooit de romantiek met humor op de hak nam, meende ik het echt, en is nu aanbeland bij een grote liefde voor het Amerikaans georiënteerde, enigszins verhalende gedicht (wat iets heel anders is dan het besmette ‘anekdotisch’, maar daarover wellicht later meer). Daar zitten nog wel wat stappen tussen, zoals het onderzoeken van de grenzen tussen poëzie en prozagedicht (lees bijvoorbeeld ‘Schaduwboekhouding’, een bundel uit 2005, die stilistisch gezien voornamelijk over dat verschil gaat) en het vinden van een antwoord op de vraag waarom ik door een deel van de kritiek lang ben gewogen en te licht bevonden. Niet dat ik daar erg mee zat, maar het interesseerde me wel.

Als je je gaat verdiepen in de Nederlandse poëzie roept iedereen de laatste jaren wel anything goes, maar het is vrij duidelijk wat voor poëzie belangrijk wordt gevonden en wat voor poëzie niet, of in elk geval minder. Mijn antwoord op het verwijt van lichtheid, althans voorlopig, dat mijn werk kennelijk niet thuishoort in de experimentele literaire traditie die hier is gecanoniseerd, maar ook niet helemaal bij slam (ben ik te oud voor) het light verse (daarvoor heb ik te weinig interesse in techniek) of tekstdichters (voor bijvoorbeeld cabaret/kleinkunst), hoewel ik met die laatste groep het meest affiniteit heb, omdat Nederland een aantal geweldige dichters in dat genre heeft voortgebracht (Wilmink, Boerstoel, Schmidt e.v.a.) en bovendien omdat ik zelf ook graag optreed met mijn eigen werk – en die optredens schijnen volgens sommige mensen ook weer cabaret-achtige kanten te hebben, vooral door de verhalen tussendoor, het is wel eens omschreven als ‘stand up poetry’ en misschiet zit daar wel wat in. Ik vind mijn voorbeelden in toenemende mate in het buitenland, vooral in Amerika, in de beste vertegenwoordigers van de meer ‘verhalende’ poëzie, en in de betere liedjesschrijvers van dit moment, die m.i. voortdurend de grenzen tussen liedtekst en gedicht weten te slechten (Er zijn er te veel om op te noemen, maar laat ik zeggen: Maarten van Roozendaal, Erik de Jong, Jeroen van Merwijk en Theo Nijland maar bijvoorbeeld ook Raymond van het Groenewoud, Gorki en soms Eefje de Visser en Roosbeef). Als ik zo’n lijstje maak valt me meteen ook op dat ik bezig ben richting popmuziek op te schuiven. Dat heeft er ook wel me te maken dat ik graag mensen wil bereiken met mijn teksten.

Wat bedoel je met het besmette ‘anekdotische’ en waar liggen de grenzen tussen poëzie en het prozagedicht?
De grens tussen poëzie en prozagedicht vervaagde toen ik begin 2003 een gedicht van mezelf in gemangelde vorm terugzag in een tijdschrift. De reden was banaal dat ik het in de mail had geplakt, en dat het daardoor helemaal anders opgemaakt was aangekomen en zo dus ook gepubliceerd, met andere afbrekingen en zonder witregels. Eerst was ik enigszins van slag toen ik het in die niet door mij bedoelde vorm terugzag, de dag daarna vroeg ik me af: maakt het nu werkelijk veel uit? En ik merkte dat dat eigenlijk wel meeviel, in het geval van dat gedicht tenminste, ik meen dat het de beduidend langere oerversie van het gedicht ‘Vertel nog eens over de wolven’ was. Sindsdien doe ik altijd even de prozaproef – als ik een gedicht helemaal naar mijn zin heb opgemaakt, met alle afbrekingen en witregels zoals ik ze hebben wil, haal ik met een macro in Word in één keer alle harde returns eruit en lees de tekst opnieuw. Mis ik niks, dan is het een prozagedicht, werkt de tekst niet meer, dan is het kennelijk een gedicht dat die specifieke opmaakt nodig heeft.

Met het besmette ‘anekdotisch’ bedoel ik dat het woord, in combinatie met poëzie, soms wordt gebruikt om poëzie weg te zetten als poëzie die lager inzet dan experimentele poëzie en niet verder komt dan de anekdote, terwijl ik met ‘verhalende’ poëzie vooral bedoel dat ik graag gedichten lees en schrijf waarbij het verhaal een van de ingangen tot het gedicht is, en het idee heb dat verhalende gedichten, althans in mijn beleving, niet minder gelaagd hoeven te zijn dan andere.

Je lijkt me een uitstekende zomergast en ik vraag je nu bovenstaand relaas aan de hand van een tv-fragment toe te lichten.
http://www.youtube.com/watch?v=ePsHKqbdRfA
Dit fragment komt uit de documentaire ‘It might get loud’, een ontmoeting tussen drie van de bekendste popgitaristen van dit moment: Jack White, The Edge (U2) en Jimmy Page (Led Zeppelin). Drie muzikanten met drie totaal verschillende benaderingen van hetzelfde instrument. The Edge maakt muren van geluid met weinig noten en heel veel effecten, Jack White zoekt naar de ziel van de muziek door imperfecties (oude bluesplaten, afgeragde instrumenten) en Jimmy Page is een klassieke rockgod, een gitaarvirtuoos. Je zou verwachten dat de heren een paar appels met elkaar te schillen hebben, want het zijn, als alle grote gitaristen, alle drie natuurlijk ook wel ego’s. Vergelijk dit bijvoorbeeld met dat andere Zomergasten-fragment dat een paar weken terug nog langskwam bij Henny Vrienten: Keith Richards krijgt gitaarles van Chuck Berry, de ultieme egoclash van twee grootheden. In plaats daarvan is het respect groot. Sterker nog: als Page hier de oer-riff van Whole lotta love inzet, zie je die andere twee in jongetjes van twaalf jaar veranderen. Kijk naar die glimlach van Jack White, kijk hoe The Edge opstaat om te kijken hoe Page die riff speelt. Dat je zo’n wereldster kunt worden en dan toch nog kunt denken: ik zit in dezelfde ruimte als Jimmy Page en ik mag gitaarles van hem hebben, HOE COOL IS DAT!!!! Dat vind ik geweldig mooi en grappig om te zien.

Volgens mij gaf Chuck Berry Keith Richard ook nog een klap. Reve verkocht Vinkenoog ooit een schop. Hoe zit het met ego’s binnen de poëzie?
Keith Richards zei ook: ‘I’ve never had a problem with drugs. I’ve had problems with the police.’ Zelf kan ik me geen egoclashes herinneren met collegadichters; de dichters die ik ken, zijn over het algemeen erg aardig en aanspreekbaar. Het enige ego waar ik mee moet leren omgaan is dat van mezelf. Ik ben een vrij onzeker mens, en dat verhoudt zich slecht tot het feit dat ik inmiddels een zekere bekendheid geniet. Wanneer ik me persoonlijk in mijn kruis getast voel gaat het meestal om aanvallen onder de gordel van mafketels op Internet, nooit om problemen met dichters of recensenten. Vroeger kon ik veel beter kritiek uitdelen dan incasseren. Tegenwoordig denk ik meestal: laat maar. Na tien bundels weet ik wel zo’n beetje wat er goed en niet goed wordt gevonden aan mijn werk. Bovendien geldt altijd: wanneer je je vreselijk opwindt over kritiek ben je kennelijk bang dat die hout snijdt, want waarom zou je je er anders over opwinden.

Als dichter heb ik moeten leren dat poëzie ook politiek is, in die zin dat je nou eenmaal moet omgaan met mensen die een totaal andere poëtica huldigen. Wees blij, zou ik zeggen. Als je niet alleen maar naar bevestiging zoekt, leer je nog eens wat. Van mijn gewaardeerde collega Ilja Pfeijffer heb ik geleerd dat je het altijd luidruchtig met elkaar oneens mag zijn, als je daarna maar schaterend een biertje met elkaar kunt drinken. En zo hoort het ook, volgens mij. Poëzie is veel te belangrijk om altijd maar serieus te nemen. Of klink ik nou te soft?

Dit klinkt inderdaad wat soft. Er zijn toch ook draken van dichters? Maar laat ik het anders formuleren. Met wie zou jij het graag luidruchtig oneens zijn om vervolgens een biertje mee te drinken.
Natuurlijk zijn er naar mijn mening draken van dichters, maar ik heb geleerd om die mening onder de pet te houden, of in ieder geval te reserveren voor bepaalde omstandigheden. Ik huldig in dezen de volgende drie standpunten van Baudelaire, uit zijn Wenken voor Jonge letterkundigen:

‘Er zijn mensen die zich even blindelings overgeven aan haat als aan bewondering. Dat is hoogst onvoorzichtig – je maakt iemand daarmee tot vijand zonder er enig voordeel of profijt van te hebben. Een gemist schot treft de rivaal die het mikpunt was evengoed in het hart.’
‘Alleen dienaren van de dwaling mogen worden afgekraakt. Ben je sterk, dan graaf je je eigen graf als je de strijd aanbindt met iemand die al sterk is; al zijn jullie het op bepaalde punten oneens, bij gelegenheid zal hij nog steeds jouw kant kiezen.’
‘Een mislukte poging om iemand af te kraken is een jammerlijk incident. Het is een pijl die als een boemerang terugkeert of op zijn minst je hand ontvet wanneer hij wegschiet, een kogel die terugkaatst en je dodelijk kan treffen.’

Duidelijk! Terug naar je bundel. De Poëziekrant schrijft hierover dat je gedichten alleen indirect kleur bekennen. ‘Geen enkel leven en geen enkele visie is sluitend, alle levensbeschouwingen schieten tekort.’ Jij zou de man zijn die deze ietwat teleurstellende constatering in een zeer aangename vertelling verpakt. Maar hoe zie jij dat?
Met recensies is het eigenlijk altijd zo: ze zijn positief en ik herken er iets in, dat is dan leuk, of ze zijn negatief en ik herken er ook iets in, dat is dan minder leuk, maar in elk geval leerzaam. De recensie in

De Poëziekrant vond ik erg goed, maar ik heb op dit onderdeel niet echt een aanknopingspunt tot een mening – behalve dat ik van mening ben dat het te kort schieten van alle levensbeschouwingen juist erg verheugend is. Niemand heeft gelijk, iedereen heeft elkaar nodig om het wereldraadsel aan te kunnen.

Heb je dat altijd gevonden of is het iets van de laatste tijd? ‘Niemand heeft gelijk’, doet me een beetje denken aan ‘over smaak valt niet te twisten’. Dan zijn we snel klaar natuurlijk. Kun je jouw levensbeschouwing toelichten en indien mogelijk in relatie tot je werk?
Wacht, dan heb ik het verkeerd uitgelegd. Achter ‘Niemand heeft gelijk’ staat: ‘ iedereen heeft elkaar nodig om het wereldraadsel aan te kunnen.’ Als het gaat om smaak, vind ik niet verdedigbaar dat alle persoonlijke smaken meer zijn dan de som der delen, dat ze samen een algemene smaakt vormen – dat lijkt me onzin, ook al kun je wel degelijk twisten over smaak, ook al leidt dat doorgaans tot niets, maar dat ligt al in het twisten zelf besloten, dat over het algemeen tot niets leidt. Ik denk dat het met alle mogelijke levensbeschouwingen waarschijnlijker is dat ze samen een compleet beeld geven van hoe je tegen dit bestaan aan zou kunnen kijken, en wat we daar kennelijk allemaal belangrijk aan vinden. De kans dat al die dingen samen de beste levenshouding bevatten, als die al bestaat, is weliswaar heel klein – maar niet nul. Mijn persoonlijke levensbeschouwing is op het saaie af; ik geloof, bij gebrek aan iets beters en ook voornamelijk omdat ik me daar het beste in kan uitdrukking, in de taal, omdat ik denk dat daarmee zo’n beetje alles wat mensen tot mensen maakt eindigt en begint. Het is bijna onmogelijk om zoiets als een geheugen of tijdsbesef te hebben zonder taal. Zonder taal kom je niet veel verder dan een reptielenbrein dat in een eeuwig nu leeft, zoals een dier, en alleen kan reageren op wat zich in dat nu voordoet. Er zijn levensbeschouwingen die dat als het hoogste goed zien, en soms lijkt me dat ook heerlijk. Maar dan wil ik toch weer iets opschrijven dat in mijn hoofd rondzwerft. Ik weet ook wel dat het op de lange termijn niet uitmaakt of je nu een gedicht probeert te schrijven of niet – het gaat om het plezier van het dichten zelf. Maar als ik hier toch ben, en er zelf blij van wordt om gedichten te schrijven, en er mensen zijn die ze willen lezen, ga ik er maar mee door, desnoods totdat er niemand anders meer interesse voor heeft dan ikzelf. Zelfs dan vind ik het nog de moeite waard om te doen, want in gedichten leg ik de wereld aan mezelf uit. Frank Zappa moest ooit in een ziekenhuis opgeven welk geloof hij aanhing. Hij schreef op: ‘Musician’. Op dezelfde vraag zou ik, hoe stom het ook moet klinken, ‘Dichter’ antwoorden.

Geloof? Dichter! Welke dichter of welk gedicht verkondigt dat geloof het beste? Ter afronding zou het mooi zijn wanneer je dit aan de hand van een gedicht zou kunnen toelichten.
Dit gedicht dan. Het gaat over de laatste spreker van een taal, zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Oebychs John Burnside schreef dit gedicht, ik heb het vertaald, of iets gedaan wat daar op leek. Pas als een taal verdwijnt met de laatste spreker, besef je pas hoeveel er met die ene persoon van de laatste spreker is verdwenen; een heel universum. Beter kan ik het geloof in taal, in het bijzonder in poëzie, niet uitleggen, denk ik.

De laatste man die Oebychs sprak

Soms, tijdens die laatste maanden,
dacht hij aan een woord
en probeerde zich de boom of de kikkersoort
te herinneren die ermee werd aangeduid:

de werkelijke boom, kikker of stemming
en niet het synoniem in een andere taal,
de spraak die zijn zonen en het berglicht had weggenomen,
de graven die hij veegde en aanharkte, de bruiloftsliedjes.

Terwijl jaren van stilte samenschoolden in de hitte
stond hij op zijn erf
en fluisterde de naam van een vogel
in zijn moedertaal,

terwijl herinneringen van sneeuw en marktdagen,
de handen van zijn vader, de geur van tamarinde
zich terugtrokken in uitgediende namen:

het blauw van de kindertijd opgevouwen als een laken
en opgeborgen.

Niets van wat hij zei werd herinnerd; niets van wat hij deed
was feit of legende
op het dorpsplein.

Toch zouden ze later het woord onthouden
dat hij die ochtend sprak, vlak voordat hij stierf:
een naam voor de dood, misschien,
of weidegras,

of, opgedoken aan de rand van zijn denken,
een ander woord dat ze hadden toen hij jong was,
een woord dat ze zelden gebruikten, hoewel het bestond
voor alles wat niemand zich wist te herinneren.

John Burnside

Uit: Ademhalen onder de maan, Uitgeverij podium 2012.

Gepost in Interviews | Getagged , , , , , , , , | 1 Reactie

Hartkloppingen, door Mischa van den Brandhof

Oproep

Datum: 6 juni 2012

Tijdstip: rond acht uur ‘s avonds

Route: tram 3 richting Loosduinen

Ik (bruin haar, spijkerbroek, rose trui en zwarte bodywarmer) zat
al in de tram toen jij (zwart lichaam, klein postuur, zes poten en
doorzichtige vleugels) bij halte Zonnebloemstraat opstapte. De
deuren waren al dicht, maar je reed mee aan de buitenkant. Ik was
onder de indruk van hoe je je aan het raam vasthield met je
zuignappen, zeker toen de tram steeds sneller ging rijden. We
hebben een paar keer oogcontact gemaakt, terwijl jij nonchalant je
achterpoten poetste. Bij halte Appelstraat vloog je er vandoor. Als
je geen eendagsvlieg bent, zou ik je graag nog eens ontmoeten!

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Interview met Delphine Lecompte, door Jan Holtman

Tien voor Delphine Lecompte

Wat beweegt (behelst?) je om gedichten te schrijven?
Het zal wellicht hoogdravend klinken, maar ik word pas mens wanneer ik gedichten kan schrijven. In het dagelijkse leven maak ik mijzelf wijs dat ik alles doe in functie van de poëzie. Op die manier kan ik vrede sluiten met bureaucratie, ziekte en verveling.
Bijvoorbeeld: wanneer ik voedsel moet kopen. Dan is het geen tijdverspilling geweest wanneer ik er achteraf een gedicht over kan schrijven. Een activiteit wordt waardevol wanneer ik er een gedicht over kan schrijven.
Dus schrijf ik voortdurend gedichten. En op die manier worden alle sollicitatiegesprekken, al het wachten in bushokjes, al het dwangmatige stelen, de ziekelijke voedselvergaring, de doktersbezoeken, de vulgaire schuttersfeesten, het rusteloze getrappel in badkuipen, al de zondagen op golfbrekers met asielhonden en/of familieleden, interessant.
Ik schrijf nu veel korte verhalen, maar hoezeer ik daar ook van geniet, ik beschouw het als een soort training; ik warm mij op voor het echte werk, voor mijn gedichten.
Het is een koorts, een dwang, een dringendheid.
Ik haat mijzelf na een gedrochtelijk gedicht, maar ik ben niet verliefd op mijzelf na een ‘degelijk’ gedicht, dat nu ook weer niet!
’s Nachts schrijf ik flarden neer in het notaboekje dat op mijn nachtkastje ligt: een honderdste van die flarden vindt een weg naar mijn gedichten.
Overdag schrijf ik voortdurend, ik herschrijf niet graag, ik keer zelden terug naar gedichten. Het overzicht ben ik kwijt. De gedichten stapelen zich op, en dan denk ik: de redacteurs moeten maar uitmaken welke gedichten min of meer aanvaardbaar zijn!
Ik weet soms meteen dat een gedicht goed is, maar heel vaak weet ik het pas maanden later, en soms blijf ik twijfelen.
De zelftwijfel wordt almaar intenser. Hoe vaker ik te horen krijg dat mijn gedichten goed zijn, hoe banger ik word in herhaling te vallen. Ik wil goede gedichten schrijven: geen trucjes, geen behaagzucht, geen gratuite humor. Ik wil ontroeren en irriteren. Verwarring zaaien. En nooit op veilig spelen.

Is er in je werk sprake van een trucje, een bepaalde formule misschien en kun je daar iets over vertellen?
Mijn gedichten zijn te instinctief voor trucjes. Ik ben de trucjes te slim af, of omgekeerd: de trucjes ontsnappen mij. They elude me.
Je weet toch dat ik sneller schrijf dan mijn schaduw?! Het is niet altijd raak, helaas. Hit and miss.
Soms rijm ik, maar niet om lezers te paaien. Ik heb geen lezers. Tot ik ze in Groningen tegenkom en dieren in mij mag signeren.
Ik ben opwindaapje noch zeeleeuw. En al helemaal geen behaagzieke dolfijn. Ik ben Delphine en dit is een woensdag. Soms heb ik genoeg aan mijn voornaam. Ik leef van mijn gedichten, maar dat kan natuurlijk niet!
Als ik voel dat ik dreig te vervallen in formules, gratuite humor, redeloze associaties met bipolaire touwslagers en anemische melkboeren enzovoort, probeer ik streng te zijn.
Ik probeer en ik faal; het is zo geestig mijzelf te laten gaan. Ik doe toch geen kwaad. Mijn moeder, ja, die klaagt: ‘Ik ben altijd een paljas in jouw gedichten! Waarom ben ik een paljas in jouw gedichten?’
Ik kan tegen kritiek, tegen afwijzingen. Alleen verander ik niet. Ik word strijdvaardiger. Ik volhard in de surrealistische branie, in de wellustige onbegrijpelijkheid.
Wanneer ik te lang over mijn eigen gedichten spreek, haat ik mijzelf.
Ik wil mijzelf niet haten.

Is die surrealistische branie, die wellustige onbegrijpelijkheid, waarin je (als een stampvoetend meisje?) volhardt niet het muziekje, het trucje, het leidmotief wellicht?
Hoe verklaar je de angst om in herhaling te vallen met het regelmatig opvoeren van een woord als ‘opwindaapje’?

Ik voer het woord ‘opwindaapje’ niet regelmatig op, toch niet in mijn gedichten. Ik heb dat aapje al lang afgemaakt.
I am moving on; met mijn ouders ben ik bijna klaar.
Je kunt niet geloven hoe streng ik ben voor mijzelf, voor mijn schrijfsels; ik scheld mijzelf voortdurend uit, ik wijs mijzelf terecht, ik straf mijzelf. Is het narcisme? Natuurlijk.
Ik kan niet sober zijn in mijn gedichten. Ik kan niet redelijk zijn met mijn gedichten.
Ze worden beter, denk ik soms. Ze blijven in hetzelfde bedje ziek, vrees ik soms.
Maar ik probeer andere dingen uit; nieuwe thema’s, strakkere vormen, verticaliteit, rijm, weg van mijzelf, tederheid.
Ja, ik schrijf nog altijd ik-gedichten. Maar die ‘ik’ is in mijn meest recente gedichten soms mannelijk; een vader, een mijnwerker, een sponzenverkoper, een schapenscheerder, een verwende prins, een suïcidale touwslager enzovoort.
Ik experimenteer.
Natuurlijk schrijf ik nog altijd autobiografische gedichten: om aan mijzelf te ontsnappen schrijf ik over mijzelf.
Stapels gedichten en ik ben het overzicht kwijt.
Ik ben manisch en gulzig.
Ik wil alles, ik wil over alles schrijven: de mijn en de maan, de vogels en de krokodillen, de griffioen en de touwslager, de koetsier en de broedermoordenaar, leverkanker en zelfkastijding, incontinentiemateriaal en raketten, carnaval en linzensoep, het slachthuis, de gevangenis, Napoleon, de middeleeuwen, de zee, Boston, brand en vissoep.
Het is eindeloos, het is hopeloos, het is zalig, het is uitputtend.
De gedachtevluchten gaan met mij aan de haal, ik kan het niet stutten/stelpen/stoppen.
’s Nachts schrijf ik voortdurend in mijn schriftje, ellenlange pagina’s vol geraaskal. Overdag blijken dan twee zinnen bruikbaar. Helaas gebruik ik er soms meer, haha!!
Ik kan heel moeilijk schrappen. Is het ijdelheid? Wellicht.

Goed. Blinde Gedichten dan maar. Proficiat met de vlotte herdruk. Vanwaar de titel? En vanwaar de opdeling in vijf katernen?
Vanwaar de titel? Help! Ik weet het niet!! Ik wilde een heel lange titel, een groteske titel: ‘Kromme haas en korte god’ heeft lang gecirculeerd, daarna werd het ‘Asielkatten en Vlaamse primitieven’, nog later volgden ‘Echo van een papegaai op de maan’, ‘De bipolaire touwslager en de dove sponzenverkoper’, ‘Moordzuchtige koorddansers en altruïstische acrobaten’, ‘Vadermoordenaars eten geen suikerspinnen’, ‘Het spinnewiel van de schoonzuster van de Zweedse misdaadschrijfster’, ‘Zeeziek op de brandstapel’, ‘Morbide in het spiegelpaleis’, ‘Met eczeem in de vorm van het aards paradijs’, ‘Een appeltje voor de verweesde taxidermist’, ‘Wie is er bang van de boze teckel van mijn schuldbemiddelaar?’, ‘Blikken linzen op een strandlaken dat niet gestreept is’, ‘Ik wil niet dat de moordenaar van mijn moeder een pollepel gebruikt’………………………..
Tot Harold polis (redacteur van De Bezige Bij Antwerpen) riep: ‘Genoeg!! Genade! Geen kolder in de titel. Ik ben al toegeeflijk genoeg geweest. Je gedichten mogen ongewijzigd ongebreideld blijven, maar ik eis een sobere titel.

Die titel werd ‘Blinde gedichten’. Homerus was blind, en mijn muze heet Omer (is een uitleg die ik in maart gaf aan een sinistere loge in Torhout).
Oedipus stak zichzelf de ogen uit na de affaire met zijn moeder/moord op zijn vader (is een uitleg die mij werd aangeboden door een intellectueel na een voordracht in Izegem).
Die intellectueel had wel een punt: het is een Griekse tragedie, de bundel Blinde gedichten; ouders worden vermoord, stallen worden eindeloos uitgemest, stenen worden hopeloos zinloos op bergen gerold om naar beneden te tuimelen, mijn ingewanden worden telkens opnieuw door roofvogels opgesmuld, ik word gekweld, ik ben gekweld, ik kwel mijzelf, ik lijd, ik ben kinderloos, ik geef mij over aan zelfkastijding, ascese, boetedoening, verminking, vernielzucht, maar ook aan dweepzucht, diefstal, seks, kermissen, vissoep, zelfspot, narcisme… Het is allemaal aanwezig.
Het is niet redelijk. Ik word nooit normaal, omdat ik het niet kan. Dus moet ik mijn abnormaliteit/mijn buitenissigheden exploiteren. Er het beste van maken…
En die opdeling? Ik zal maar bekennen dat die nogal willekeurig is. Ik wilde vooral adempauzes inlassen. Het is perfect mogelijk eerst deel 5, en daarna deel twee te lezen.
Het is niet heel doordacht, vrees ik. Ik ben daarvoor te morsig, te chaotisch.
Knettergek word ik soms van alle gedachtevluchten en associaties.
Wanneer ik mijn gedichten goed vind schreeuw ik van de daken dat ze geniaal zijn. Wanneer ik mijn gedichten verwerpelijk vind wil ik mijn oor van mijn kop snijden met de stompe briefopener van wijlen mijn grootvader, en dat is nu eens geen aanstellerij. De zelfhaat echoot het narcisme, of iets in de buurt daarvan.

Reve bedacht ook meer titels dan dat hij boeken schreef. Het dreigend onheil in je gedichten doet me aan hem denken. Het muziekje van Celine… Vertel eens iets over je inspiratoren…
Het eerste ‘subversieve’ boek waar ik echt van genoten heb was ‘Omtrent Deedee’ van Hugo Claus.
Maar Gerard Reve is ook altijd een literaire held van mij geweest. Mijn houding tegenover het katholicisme is dan ook heel ambivalent: enerzijds heb ik een hekel aan al die zuinige, kille pastoors die mij verafschuwden omdat mijn moeder liederlijk was en mijn vader een afwezige troubadour was, een even grote hekel heb ik aan de nonnen die mij om de haverklap dwongen mijzelf te kastijden met de inhoud van mijn pennenzak omdat ze vermoedden dat ik fantaseerde over seks met zuinige, kille pastoors.
Anderzijds vind ik de katholieke rituelen, de boetedoening, de brandende struiken, Mozes en zelfs Jezus aandoenlijk, fascinerend en geestig. Ik bedoel: schrikwekkend, verwerpelijk en irrelevant.
Claus en Reve dus: antiklerikalisme en Mariaverering.
Dostojevski en Kafka heb ik gelezen zoals het een pedante, wereldvreemde puber betaamt.
De Franse dadaïsten en surrealisten hebben mij misschien het meest geholpen om vrij te worden, om metrum, perspectief en klefheid met de voeten te treden, dankzij Breton, Eluard, Apollinaire, Prévert en Cocteau ben ik radicaal geworden.
Later ben ik dankzij Simic, Cioran en Breytenbach bedaarder geworden.
En drie jaar geleden ben ik dankzij Krog, Slauerhoff en Jan Arends opnieuw uitgebroken.

Ik meen ergens gelezen te hebben dat een pastoor je gedichten ‘te lang’ vond. Hoe kijk jij tegen de vormvastheid van je lange gedichten aan en voel je nooit de behoefte tot schrappen?
Ik ken maar een manier van schrappen: de totale vernietiging van een gedicht, het wissen. Ik herschrijf mijn gedichten nooit, en ik weet wel dat ik daar niet zo prat op moet gaan, en ik weet wel dat mijn gedichten het soms nodig hebben; herschreven te worden, maar…
Liever begin ik elke dag opnieuw, ik maak mijzelf wijs dat ik iedere dag tabula rasa kan maken, mijzelf opnieuw kan uitvinden. Tegelijkertijd hou ik van herhaling, het is een soort paradox: ik ben een herhaling die iedere morgen van nul start. Ik vind het geestig te werken met terugkerende personages. Ik laat een gedicht nooit volledig los.
Pastoors hebben altijd (instinctief) een aversie tegen mij. Het is wederzijds. I rub priests the wrong way.
Het is nooit goed verlopen tussen de geestelijken en mij. Nochtans heb ik talent voor rituelen, voor zonde, voor boetedoening.
Ik zit er weinig mee in, met (het gebrek aan) vormvastheid. Waar ik mij wel zorgen om maak is dit: durf ik nog vriendelijk te zijn in mijn gedichten? Wanneer mag ik eindelijk nog eens sentimenteel zijn in mijn gedichten? Of wijs? En waarom niet spiritueel?
Waar eindigt de verbeelding en begint de nonsens? Ik wil geen karikatuur van mijzelf worden. Ik wil geen kunstjes opvoeren. Ik wil Beuys zijn. Ik wil Dada zijn. Ik ben een katholieke kubist die altijd liegt. Zoiets.
Het is niet vrijblijvend wat ik schrijf. Ieder gedicht maakt deel uit van een geheel. Dat klinkt hoogmoedig, maar zo is het wel. Ik ben altijd dichter. Als ik linzen steel van mijn moeder ben ik dichter. Als ik twijfel tussen tomatensap en halfvolle melk ben ik dichter. Als ik ziek van reisangst in Tilburg met de zoon van een klompenmaker over Bernini spreek ben ik dichter, enzovoort…

Is de ware Delphine vriendelijker, spiritueler en sentimenteler dan haar gedichten doen voorkomen? Vanwaar die zorg?
Och Jan, ik vrees dat het nu treurig wordt: ik kom uit een hardvochtig milieu. Nee, wacht, ik moet het beter formuleren: ik kom uit een onorthodox gezin. Ik ben lang (ver)wees(d) geweest. Daardoor (maar misschien was het aangeboren, nature vs nurture) ben ik lang zelfdestructief geweest. En het ging verder dan mij opsluiten in mijn slaapkamer en naar Joy Division luisteren..
Ik ben bijna gestorven door mijn zelfhaat. Ik wist met mijzelf geen blijf, ik was altijd kwaad, achterdochtig en angstig.
Waarom vertel ik dit?
Hierom: ik wil goed(moedig) zijn. Omer heeft mij gered. Mijn gedichten (en die van anderen) hebben de genezing bezegeld.
En dus kan ik het niet maken cynische gedichten te schrijven. Ik moet terug naar de tederheid. Ik moet toch minstens 1 bundel compromisloos sentimentele sonnetten schrijven nu Omer nog leeft en leest. Dat ben ik aan hem verschuldigd.
Ik ben nooit cynisch, maar ik ben wel nog altijd bang mijzelf kwetsbaar op te stellen.
Ik wil nooit meer het mikpunt van spot en/of onverholen misprijzen zijn.

Cynisme! Er lijkt een trend of wellicht zelfs een beweging in opkomst te zijn tegen het cynisme. Je zegt nooit cynisch te zijn, maar wel bang om jezelf kwetsbaar op te stellen.
Ik citeer nu graag de eerste strofe uit je pracht-gedicht Ik ben blij dat mijn moeder mijn moeder mijn geboorte heeft overleefd.

Ik hou van mijn moeder / Wanneer ik wakker wordt / Uit een nachtmerrie over verstikking / In een stuk lavendelzeep in een buitenlandse cel / Dan denk ik aan mijn geboorte.
Is een dichter qua werk ooit iets aan iemand verschuldigd? Tederheid?
Mijn moeder krijgt er vaak van langs in mijn gedichten. Ze kan er tegen. Ze is gekmakend veerkrachtig.
Net zoals 99,99% van de wereldbevolking heb ik een problematische relatie met mijn ouders: ik wil hun goedkeuring vs ik wil zelfstandig zijn, ik snak naar hun aandacht vs ik wil hen zo weinig mogelijk zien, ik wil mijn ouders vermoorden vs ik verafgood hen.
Mijn ouders ergeren mij, ik heb medelijden met hen, ik beschimp ze, ik wil dat ze zelfredzaam zijn, ik wil dat mijn moeder wil dat ik zelfredzaam ben..
Een dichter moet meedogenloos zijn voor zichzelf. Een schrijver mag niemand sparen.
Ze zijn vreselijk, al die familieleden met hun gefnuikte literaire ambities, al die mislukte pogingen tot schrijverschap: de pastorale romans van mijn grootvader, de puberale sonnetten van nonkel Wilfried, de gelegenheidsgedichten van Tante Anne, de onbestaande theatermonoloog van mijn moeder, de brave dagboeken van mijn grootmoeder, de krampachtig vrolijke liedjesteksten van mijn vader PFFFFFFFF…
De tederheid bewaar ik voor Omer en voor mijn zusjes die zichzelf nooit zullen tegenkomen in mijn gedichten. Tederheid ook voor mijn kreupele kruidenier die verdraagt dat het mij een middag kost om te beslissen over een blik linzen.
Ik kan niet cynisch zijn omdat ik hou van honden. Ze hoeven zelfs niet schurftig en achterdochtig te zijn!

De kreupele kruidenier die verdraagt dat het jou een middag kost om te beslissen over een blik linzen. Alweer die linzen! En het niet cynisch kunnen zijn omdat je van honden houdt. Is dat niet ook een truckje? Een wapenfeit?
Wat kan ik zeggen, Jan?!
Ik kan je wel vertellen dat ik bovenmenselijke inspanningen lever om vrolijk te blijven, dus monter ik mijzelf op met onnozele woordspelingen en herhalingen. Zowel in winkels als in gedichten: met de moed der wanhoop strooi ik (soms flauwe) grappen in het rond.
Ik vecht tegen mijn zwaarmoedigheid. Aangeboren achterdocht, pessimisme, zwartgalligheid, maar vooral angst. Gedichten lezen verlicht de angst, Ida Gerhardt heeft mij onlangs geholpen, op de trein onderweg naar Oss. En die linzen, die zijn echt, ze leven. Er is een voortdurende strijd met voedsel(vergaring), linzen hebben natuurlijke ook een oudtestamentische connotatie, ja ja, ik heb protestantse godsdienst gevolgd (niet in de eerste plaats om mijn atheïstische vader te schofferen en/of te choqueren).
Ik zou graag consequent zijn, I hate it when I ramble, gewoon van A naar B te gaan, het lijkt een onbereikbare fantasie, het lukt niet meer, ik ben het overzicht kwijt, ik weet niet meer wanneer ik een gedicht moet afbreken..
Ik droomde dat mijn moeder zei: ‘Ik zou zo graag nog eens een ontroerend gedicht van je willen lezen. Kort en ontroerend. Kun je dat gedicht voor mij schrijven?’

Dan daag ik je, ter afronding, uit dat gedicht hier nu te schrijven: kort en ontroerend.

Op mijn lamp staat geen angst

Ik heb een leeslamp
van mijn moeder gekregen
Er staat ‘Keine angst’ opgeschreven
Ze wenst dat ik onbevreesd kan wezen
De lamp is kapot
Maar mijn moeder is gebleven.

Mijn moeder gaat naar Berlijn
Ze koopt een nieuwe lamp voor mij
Ze is rood zonder tekens
Ze hoopt dat ik haar brief zal lezen
De brief is kort
Maar ik begrijp dat ze terugkomt.

Mijn moeder is terug
Ik kus haar vluchtig
Alleen met de lamp
Wrijf ik de lamp krampachtig
Ik wens dat ze nooit haar licht verliest.

Gepost in Interviews | Getagged , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Met de muziek mee, door Felix Monter

Na afloop van zijn speech lopen de minister en diens gastheren, de beheerder van het uitzetcentrum en de directeur van de IND, naar de kantine. De stoet genodigden en leidinggevende ambtenaren volgt met gepaste voorzichtigheid. Wie onverhoopt naast de plankieren stapt, zakt tot aan de enkels in de onbestemde smurrie waarmee het gehele terrein is bedekt. De bewindsman heeft weer flink uitgepakt, over wildplassen, zinloos geweld en andere megaproblemen. Het klapstuk was zijn bekentenis dat hij onverlaten aanspreekt die zich verdacht ophouden bij zijn fiets. Zijn PR-man zorgt dat het rijwiel regelmatig in de media opduikt, want het is ongeveer het enige waarmee de man als een normaal mens valt te profileren. Dommer heeft de indruk gewekt dat hij boeven wegjaagt als lastige vliegen. Dus waarom zeuren de mensen in het land zo over kleine criminaliteit? Dat lossen we toch samen op. Als Krista ziet, dat de bewindsman naar het buffet loopt voor een tweede ronde, zorgt ze dat ze naast hem komt te staan. Hij beperkt zijn keuze tot de bakken met pedis.
‘U houdt niet van flauwigheid, zie ik. Uw eten is al even gekruid als uw speeches,’ zegt Krista. Dommer gaat door met scheppen. Er zijn zoveel mensen die zijn aandacht proberen te trekken. ‘Ik ben getriggerd door uw uitspraken over kleine criminelen.’ vervolgt ze onverschrokken. ‘Ik woon in Amsterdam, weet u. Als ik iemand aan mijn fiets zie morrelen, loop ik weg om een agent te zoeken. Ik zou het niet in mijn hoofd halen om me met de dief te bemoeien. Wat denkt u dat er gebeurt als u zo iemand aanspreekt?’ Zijn aandacht is nu gevangen. Hij kijkt naar opzij en is getroffen door de indringende blik uit haar heldere ogen.
‘Mevrouw, ik moet dagelijks vele mensen ferm toespreken, en mijn ervaring is dat uiteindelijk iedereen luistert. Het gaat om de argumenten, de zelfverzekerdheid en de uitstraling die iemand tentoonspreidt. Ik ben overtuigd van mijn morele en juridische gelijk. Dat weet ik over te brengen.’
‘Is het u wel eens in het echt overkomen? Ik bedoel oog in oog met een junk die probeert uw fietsslot door te knippen? Staat uw fiets überhaupt wel eens op straat?’ Ook Krista neemt de heetste gerechten. Terwijl ze zich voorover buigt naar een schaal op de achterste rij, weet ze dat zijn ogen in haar V-hals glijden. Dat gebeurt altijd en overal. Ze is nu eenendertig, vanaf haar dertiende voelt ze mannenblikken tasten. Hij aarzelt.
‘Tja mevrouw, ik sta in het volle leven, en ik meng me regelmatig onder het publiek. De tijd dat overheidsdienaren zich afsloten van het volk, ligt ver achter ons.’
‘U bedoelt dat u wel eens door de Bijenkorf loopt. Eerlijk gezegd geloof ik niets van uw verhaal.’ Dommer staat sprakeloos. ‘Mijn naam is Krista Verelst,’ zegt ze en steekt haar rechterhand uit.
‘Eh, aa-aangenaam,’ weet hij uit te brengen.

Op de fiets naar huis merkt ze dat de wind flink te keer gaat. Lekker, even die duffe binnenlucht uit haar kop fietsen. Leuk om Dommer zo klem te zetten. Ze vindt het heerlijk als mannen ingaan op haar vrouwelijke uitstraling, en vooral als ze zenuwachtig worden. Dan kan ze met hen spelen, als een kat met een muis. De kerels die daar niet gevoelig voor lijken, pakt ze in met harde taal. De eerste vent die haar onder tafel praat, moet nog geboren worden. Oh, wat kan het leven lekker zijn. Ze is blij als ze haar fiets aan de beugel vast kan zetten. Ook al heeft ze gescoord vandaag, ze is doodmoe. Binnen is het lekker warm, ze wil een douche en hete chocolademelk. Als ze drie kwartier later op de bank zit, komt Marnix binnen. Hij loopt naar de koelkast en komt terug met een glas en een flesje pils. Ze heeft hem verboden om de fles aan zijn mond te zetten. Ze vertelt haar belevenissen met Dommer in geuren en kleuren.
‘Eigenlijk gezegd was hij een zacht eitje. En het is goed voor me. Netwerken en een reputatie opbouwen, daar gaat het toch om. Ik zag in mijn ooghoeken hoe de SG en twee DG’s – dat zijn de topjongens van het departement – stonden mee te luisteren. Ze hadden de kloten niet om tussenbeide te komen. Ze wilden de baas niet afvallen, maar ze durfden hem ook niet te helpen. Ze waren duidelijk bang dat ik van hen ook gehakt zou maken. Schenk me eens een glas witte wijn in.’ Marnix schiet overeind, hij heeft amper van zijn eigen glas gedronken terwijl ze aan het woord was.
‘Wat verwacht je eigenlijk van het leven?’ vraagt ze als hij weer naast haar op de bank zakt.
‘Ik wil muziek maken tot ik er bij neerval.’ Gulzig drinkt hij nu de helft van zijn glas weg. ‘Spelen tot ik de perfectie heb bereikt. Eens zal ik een concert geven waarbij het hele publiek weet dat ze nooit meer zoiets moois zullen horen. En terwijl ik bezig ben, weet ik dat ook. Die gedachte geeft me vleugels, en dan gaat het nog beter. De zaal is doodstil van ontroering, de andere muzikanten hebben het feilloos in de gaten en ook zij halen alles uit de kast, maar tegelijk geven ze me alle ruimte om te schitteren. Er komen melodieën uit mijn instrument die ik zelf nog nooit heb gehoord. Het gaat een eigen leven leiden.’ Hij zakt verzaligd achterover.
‘En dan?’ vraagt Krista. Ze heeft een glas witte wijn genomen en zit met haar benen onder zich.
‘De zaal wordt doodstil. Na afloop gaat iedereen uit zijn dak. Het wordt één groot feest. Als ik de zaal inkom, word ik bestormd, iedereen wil met me praten. Ik drink de hele nacht champagne en zoek de mooiste wijven uit, want ze staan te dringen om bij me te mogen zijn. Het wordt…’ Ze onderbreekt hem op geïrriteerde toon:
‘Ik bedoel, hoe ziet de rest van je leven er uit, suffie. Je bent nu vierentwintig, dat gedoe met muziek houdt toch een keer op als je dertig of vijfendertig bent geweest. Wat komt er na de muziek, wat wil je met je leven?’ Hij loopt naar de koelkast en pakt nog een flesje.
‘Daar denk ik niet over na. De meeste mensen boven de dertig zijn fossielen. Dat wil ik niet, ik wil alleen maar muziek maken. Óf ik maak er een eind aan, óf ik ga door met muziek maken, iets anders zou ik niet weten. Ik vind het ook niet belangrijk. Ik leef in het nu. Nu wil ik het pakken en genieten. Net als met jou.’ Hij is achter haar gaan staan en kneedt haar zachtjes op de overgang van nek naar schouders. Ze weet precies waar hij op doelt, mannen zijn zo voorspelbaar.
‘Ga zitten, dit is niet het moment. Ik wil een normaal antwoord op een belangrijke vraag.
Je bent ondertussen oud genoeg om een beetje na te gaan denken. Je bent hier bij me binnen komen vallen.’ Haar stem wordt scherper. ‘Sinds je hier bent, heb je nog geen poot uitgestoken. Ik ben de hele dag bezig. Ik heb het druk met mijn doctoraalscriptie en het werk voor de fractie. En dan kan ik tussendoor ook de boodschappen doen en het eten klaarmaken. Je bent een godvergeten lapzwans. Ik heb geen zin om zo met je door te gaan.’ Hij kijkt haar boos aan.
‘Wat kun jij zeuren, zeg. Hoe vaak heb je me niet verteld dat je dol op me bent? Wees blij dat je zo vaak naar mijn muziek mag luisteren. Ik ga mijn tijd toch niet verspillen aan een supermarkt ofzo. En wees eerlijk, je kunt me niet missen in bed.’ Demonstratief slokt hij zijn glas leeg. Krista verblikt of verbloost niet.
‘Het wordt tijd dat je wat volwassener wordt, jongetje. Je leeft voor een deel op de zak van je vader, maar al zwemt hij in het geld, ook voor rijke stinkerds komt er een eind aan het uitdelen. Hij wil wat beweging zien.’
‘Rot op, zeg. Wat weet jij van mijn vader? Dat is een zaak tussen hem en mij. Hij heeft tenminste nog vertrouwen in me.’
‘Oké, dat is inderdaad mijn zaak niet. Maar ik kan je voorspellen dat er een eind aan komt. Die ouwe van je was nooit zo ver gekomen als hij zo naïef was als jij denkt. En ondertussen zit je hier en heb ik schoon genoeg van je gedrag. Het is werken of inpakken. Voortaan doe jij de boodschappen en de afwas, en je zorgt door de week dat er eten op tafel staat. Ik geef je één kans, verpest hem niet, want je gaat er echt uit. Ik ga nu naar Freek, je bekijkt het maar vanavond. Als ik morgenavond thuis kom, staat het eten klaar, begrepen?’

Een jaar geleden had ze een optreden van Marnix gezien. Ze was gevallen voor zijn meeslepende muziek en de bevlogenheid van zijn spelen. Midden in het publiek had ze ervaren hoe hij zich totaal overgaf. Ze moest en zou weten hoe hij in bed was. Dat was niet tegengevallen. Daarnaast had het jeugdig elan van zijn vierentwintig jaar haar vertederd, een soort beschermende gevoelens opgewekt. Intussen is zijn wereldvreemdheid haar tegen gaan staan, maar omdat ze elkaar niet vaker zagen dan een keer per week, heeft dat nog niet tot wrijvingen geleid. Dat is anders geworden sinds hij bij haar is ingetrokken. Twee maanden geleden had hij bij haar aangebeld. Onder de rij felpaarse stekels midden op zijn geschoren schedel schitteren felle ogen in een bedje van kohl. Daaronder een brede grijns.
‘Hoi,’ zegt hij, ‘kan ik een tijdje bij je komen? Pipa heeft me eruit gegooid.’ Door zijn bravoure heen meent ze ontreddering te zien.
‘Kom in elk geval even binnen, dan kunnen we rustig praten.’
Zijn enorme laarzen nemen hem bonkend mee naar binnen, de veters slingeren er achteraan. Een zwarte broek die ruimte heeft voor twee fors geschapen mannen, slobbert er over heen. Enkele ondefinieerbare zwarte hemden en een ketting hangen om zijn bovenlijf. Hij klost over de planken vloer en valt neer op de donker leren bank. Krista gaat tegenover hem zitten in een felgeel fauteuiltje.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt ze.
‘Die ouwe vindt dat ik te veel herrie maak met mijn muziek. En hij roept al maanden dat ik serieus moet werken aan een echt beroep. Andere mensen een poot uitdraaien, bedoelt hij dan, en op de golfbaan plannen maken waar je nog meer geld kunt halen. Ik pas er voor, dat weet je.’
‘Maar waarom ben je hier?’ vraagt ze, op haar hoede.
‘Hij heeft me op straat gezet. Meneer heeft schoon genoeg van mijn ongedisciplineerde levenswijze, zó zei hij het.’ Marnix zet een geaffecteerde stem op. Dat lijkt hem weinig moeite te kosten. ‘Als ik die wil continueren, zal dat elders moeten. Hij verdomt het om het conservatorium nog langer te betalen. Fuck off, dacht ik, ik ga pleite. Ik moet lekker kunnen blazen. Dit jaar doe ik eindexamen. Ik schnabbel me de zenuwen om alles wat er nog aan kosten bij komt, te kunnen betalen. Het komt mijn strot uit, het houdt me af van het echte werk. Maar ik moet wel, ik wil perse de school afmaken.’
‘Wat verwacht je van mij,’ vraagt Krista, nog steeds behoedzaam. Het vrijen tussen hen gaat nog steeds erg goed, beter dan met de minnaars van haar eigen leeftijd. Zijn elan roert haar en zijn ongemakkelijke situatie is vertederend. Maar hij is zo jong, buiten zijn muziek is er zo weinig. Hij kan nergens anders over kletsen.
‘Nou gewoon, jij bent een toffe meid. Misschien kan ik hier blijven tot mijn eindexamen, over vier maanden. Kan ik rustig studeren.’ Hij kijkt haar zelfverzekerd aan, overtuigd van zich zelf, hij houdt niet echt rekening met een afwijzing.
‘Dat gaat niet zomaar.’ Toch is ze om, haar vertedering heeft het gewonnen van haar weerstand. ‘Je bent niet de enige man in mijn leven, dat weet je. En ik heb het erg druk, ik ben je moeder niet en ik run geen kosthuis. Je zult je aandeel moeten betalen en meehelpen. En af en toe mijn bed uit en mijn huis uit.’

Een paar dagen later zit Krista bij het fractieberaad. Als laatste punt stelt fractievoorzitter Bos de discussie aan de orde die de minister van Onderwijs heeft geopend over Intelligent Design. Hij schetst kort de achtergronden. Het gaat in wezen over de controverse tussen scheppingsverhaal en evolutie. Men accepteert dat een schepping in zes dagen niet letterlijk kan worden genomen. Maar veel mensen vinden het onaanvaardbaar dat de evolutie een blind proces zou zijn, zonder doel. ID stelt dat de levende wereld zo goed in elkaar zit dat er wel een slim plan achter móet zitten. Het woord God wordt daarbij vermeden, er wordt gezegd dat er ‘iets’ moet zijn. Vervolgens laat hij de vice-voorzitter aan het woord die een plan ontvouwt om een tegenlobby op te zetten. Het is moeizaam laveren tussen Bijbelaanhangers en niet-gelovigen. De partij kan zich niet permitteren om een formeel standpunt in te nemen. Krista kan zich niet langer inhouden:
‘Allemachtig, we laten ons toch niet inpakken Als onze maagd Maria de klok wil terugdraaien, moet ze dat vooral proberen. Haar timing is perfect, dat moet je haar nageven. Maar ik word kotsmisselijk van gelobby achter de schermen. Jullie plan komt neer op lafheid, dat heeft niets meer met de peilingen te maken. Sharon, jij dikke pad, jou heb ik nog nooit betrapt op een eigen mening, je doet zorgvuldig wat de bazen je opdragen. Wout, jij bent zo bang voor keuzes dat zelfs je voor- en achternaam verwisselbaar zijn. Ik doe niet mee.’ Bij het wekelijkse eten na
het fractieberaad krijgt ze instemming en bewondering van diverse anderen. Ook nu weer waarderende mannenblikken op haar borsten, heerlijk.
Als ze thuis komt, zit Marnix op de bank TV te kijken. Hij zit voorovergebogen met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn kin op zijn handpalmen. Hij kijkt even op, glimlacht naar haar en wijst naar de plek naast hem. Krista blijft rechtop staan.
Heb je de afwas al gedaan?’ vraagt ze scherp. Marnix is al weer verdiept in de uitzending. Een wild gebarende man dirigeert een klassiek orkest. Pal naast hem staat een jonge man aandachtig naar hem te kijken. De muziek zwelt in koortsige golven naar een climax.
‘Hmm, komt zo wel,’ mompelt hij.
‘Ik stel je een vraag, Marnix.’ Krista verheft haar stem. ‘Wil je de beleefdheid nemen om me aan te kijken en een duidelijk antwoord te geven.’ Marnix gaat nu rechtop zitten, en draait zijn gezicht naar haar toe.
‘Nee, die doe ik straks wel even. Hier, kom er bij zitten. Een masterclass van Gergjev. Hij laat drie jonge dirigenten de finesses van het vak zien. Onder zijn handen wordt het hele orkest een muziekinstrument op zichzelf.’ Hij draait zich weer naar het toestel. ‘Kijk, hier doet hij voor hoe je daar mee speelt. Wow. Kijk dan!’ Zijn lichaam is nog naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd buigt weer voorover. Krista begint nu te schreeuwen.
‘Je weet dat ik er een pesthekel aan heb dat de afwas blijft staan. Dat heb ik je al diverse malen verteld. Klootzak. Je bent gewoon te beroerd om een beetje rekening met me te houden. Die afwas is een paar minuten werk. Zo veel hoef je niet te missen van die uitzending.’ Marnix richt zich op en keert zich volledig naar haar. Ook hij verheft zijn stem.
‘Ik zei dat ik het zo ga doen, schat. Dit duurt nog hoogstens een kwartiertje. Voor mij is dit een soort vakliteratuur. Laat me alsjeblieft even.’ Krista grijpt een bord van de aanrecht en smijt het op de grond.
‘Klootzak, je mist de meest elementaire omgangsvormen. Je weet heel goed dat je me hiermee kwetst. En je vergeet voor het gemak dat je in míjn huis bent. Je gaat nú de afwas doen, of je gaat er uit.’ Marnix buigt zich weer naar het scherm en doet zijn best om zich te concentreren. Zijn ademhaling is versneld, zijn schouders en bovenarmen staan gespannen. Krista loopt naar het toestel, grijpt de stekkerdoos die er vlak naast ligt en smijt hem op de grond. Er komen scherven af. Bijna in dezelfde beweging trekt ze zo hard aan het snoer dat het
stopcontact loslaat van de muur. Het beeld krimpt weg tot een stip in het midden, het geluid valt weg.
‘Hoe haal je het in je hoofd om me zo te negeren. Je weet heel goed hoe ik het hier in huis wil hebben. Ik vraag helemaal niet veel van je. Maar ik verwacht wel dat je je aan de afspraken houdt. Gelijk na het eten de afwas doen, dat is toch niet zo moeilijk. En me dan zo behandelen, hoe durf je. Je bent een onbeschaafd varken; je hebt nog heel wat te leren aan manieren. Geen wonder dat je vader de moed heeft opgegeven.’
‘Jij weet niets van mijn vader. En kijk naar je eige. Je bent alleen maar met jezelf bezig. Ik moet elke dag luisteren naar verhalen hoe geweldig je wel bent, op je werk, met je studie, met mannen. Het lijkt wel of er maar één persoon op de wereld is die de moeite waard is, en dat ben jij!’ Ze pakt zijn kopje en gooit het rakelings langs zijn hoofd tegen de muur. Het restje koffie komt op zijn borst.
‘Ik geef je nog één kans. Je gaat nú de afwas doen. En dan mag je blij zijn dat ik nog de moeite neem om je een beetje bij te sturen.’

Na de afwas loopt hij naar zijn kamer. Hij dacht ze voor hem was gevallen als de groupies in zijn fantasieën. Bij zijn vriendjes had hij gepocht dat hij een vrouw van in de dertig aan de haak had. Vet, vet. Waarom kunnen vrouwen zo moeilijk doen? Bijna alle meiden worden ongeduldig als hij over muziek begint te praten. Uiteindelijk gaat het altijd over de toekomst. Meestal studeren en wat voor werk je wil gaan doen, wanneer je kinderen zou willen. Wat een gezeik, hij wil muziek maken, begrijpen ze dat dan niet. Maar Krista is van een andere orde. Ze neemt hem in de tang. Haar boodschap was duidelijk. Morgen boodschappen doen, en koken en weer de afwas? En regelmatig zo’n godvergeten preek? Dan is hij verder elke dag de pineut, en dat gaat natuurlijk van kwaad tot erger. Straks staat hij net als zijn moeder met een doek om zijn hoofd te stofzuigen en de was op te hangen. No way. En als ze zo lullig doet, wat ziet ze dan eigenlijk in hem? Hij pakt zijn baritonsax. Het is een reflex, en tegelijk het oversteken van de Rubicon. De melodie blijft rondhangen, een beetje traag en zeurend. Na een kwartiertje komt er meer ritme in en even later hervindt hij zichzelf swingend in hoge tonen. De sores zijn totaal vergeten. Een uur later glijdt zijn blik toevallig over de klok en komt hij acuut bij zijn positieven. Als hij opschiet, kan hij nog meejammen met Boris en zijn bandje. Hij pakt zijn instrument zorgvuldig in, schiet
zijn jas aan en dendert de trap af. Fuck all women, it’s the music that counts. Zo hard hij kan, fietst hij de kade af, richting centrum.
Na afloop van de sessie zitten Marnix en Boris naast elkaar, allebei een flesje pils in de hand, tussen decorstukken en rekwisieten. Een van de TL-balken probeert amechtig aan te floepen. De andere voeren meedogenloos hun taak uit: het accentueren van stof en onherbergzaamheid. De twee delen een joint. Ze hebben flink geduelleerd. Tegen Boris’ jankgitaar is het altijd moeilijk knokken, maar Marnix weet gewoon dat hij beter speelt. Al zou hij het niet redden zonder een krachtige versterker. Uiteindelijk had hij Boris in een steunende rol geblazen. De anderen waren beleefd getuige gebleven.
‘Ging lekker, hè,’ zegt Marnix. De winnaar heeft het altijd gemakkelijk.
Yeah man, dat was oké.’
‘Weet je, hoe dieper ik in de shit zit, des te beter speel ik.’
What’s up, man?
‘Je kent die oudere chick, die Krista, toch wel?’ In een paar minuten perst Marnix het hele verhaal er uit. ‘En nu zit ik dus. Pipa heeft me eruit geflikkerd, Krista nu dus ook. Ik ga voor de muziek. Maar waar kan ik pitten? Weet jij een adres?’ Boris staat op en loopt naar het krat in de hoek. De koelkast is inmiddels leeggezopen.
‘Ik weet wel wat, denk ik,’ zegt hij met twee lauwe flesjes in de hand.

Drie uur later lopen ze een zonsopgang tegemoet. Ze zijn te stoned en dronken om te
fietsen. Diep uit Marnix’ keel komt een rauwe kreet:
Let’s face the music.’

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Bertus, door Jan Doets

‘Waren er hoogtepunten in mijn leven?’ Dat vroeg ik me pas af. Mijn punten waren medium height want mijn leven was deugdzaam. Toch schoot me een uitschieter te binnen. Ik behoorde eens tot de Haagse penose. Dat zat zo. Ik zal een jaar of zeventien geweest zijn. Ik had een gat in de markt ontdekt. Amerikaanse toeristen. Ze kwamen ‘s zomers. Met de boot over de oceaan, ze namen hun auto mee. Vreemde nummerborden. Idaho Famous Potatoes. Minnesota Ten Thousand Lakes. Of er kwamen militaire families uit Duitsland, de Amerikanen hielden daar toen nog een oogje in het zeil. Enorme auto’s, het leken wel deinende schepen. In het centrum bleven die drijfschuiten vaak steken. Dan schoot ik te hulp.
Het waren bemiddelde mensen, ze keken niet op een dollar. Ze namen me mee uit eten. Ze lieten zich goedmoedig foppen. Zo maakte ik ze terloops wijs dat er in Holland geen rheumatiek meer voorkomt. Steevast vroegen ze: “Hoe kan dat, het is hier toch koud en vochtig?’ Ik zei dat het kwam door onze Zaalberg dekens. Wanneer we in Volendam aankwamen liet ik ze hun slee vlak voor de souvenir shop parkeren. Ze lieten zich er gewillig naar binnen duwen. Daar lagen die dekens opgestapeld tot aan het plafond. Het was zo geregeld. Ze werden per zeepost naar hun huis in Amerika verstuurd. Ik ving vijftien procent. Cash in het handje, want anders stopte ik voortaan voor een andere winkel. Heel lucratief. Vooral als ik met een autobus kwam. Het induwen was dan bewerkelijker maar het moest effectief zijn want niemand mocht van mij naar een andere zaak ontsnappen.

Bussen vol Amerikanen, vrijwel allemaal vrouwen. Hard pratende oude mevrouwtjes met rode jassen en lawaaibrillen en blauwsel in hun grijze haren, nieuw voor Holland toen. Piepjonge bobby-soxer meisjes die goed luisterden en alles opschreven. De mannen bleven thuis om geld te verdienen. Het feminisme was daar nog niet algemeen uitgebroken.Terwijl ik ze bij het Vredespaleis uitlaadde zorgde ik dat we precies voor de neus van Bertus stopten. Bertus stond er met een door weer en wind gebruind gezicht. Met de Amerikaanse kranten. Bertus vond mij dus een ‘goeie jonge’. Wachtend op de dames, luisterde ik graag naar zijn Haagse verhalen. ‘s Ochtends vroeg stond hij met een stapel kranten over zijn arm in de hal van het Hollandsch Spoor. De Telegraaf en het Algemeen Dagblad. Hij reikte die razendsnel uit aan zijn langsrennende klanten. Betalen kwam later. Een boekje hield hij niet bij. Een zaak van vertrouwen. Hij vertelde het liefst over zijn zoons. Die zaten alle drie vast wegens diefstal van koperdraad. ‘Het zèn doodgoeie jonges’, zei hij. ‘Ze doen geen vlieg kwaad.’ Hij droeg ‘s zomers en ‘s winters een pet. In bed ook denk ik. Soms krabde hij even op zijn spierwitte kale hoofd, dat ontzettend af stak bij zijn gezicht.

Op een dag had ik even niets om handen. Ik stond ik op de uitkijk bij de Hofvijver, wachtend op een prooi. Naast het ruiterstandbeeld. Het verkeer van Rotterdam kwam destijds via het Rèswèkse Plèn binnen bij het Bûhtenhof. Daar wisten die Amerikanen niet of ze linksaf moesten of rechtdoor. Ik had niet de vereiste straatgidsvergunning maar ik nam het risico. Er was zoveel werk voor iedereen. Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder. Een onbekende. Hij leek op de vieze man van Koot maar dat wist ik toen nog niet. Hij siste mij toe: ‘Pas op jôh, die regenjas aan de overkant is een stille. Van het Burôw Bûhtenhof.’ Ik zei: ‘Hoe kent u mij?’ ‘Bertus’, zei hij. Meer niet. Nooit meer heb ik me zo beschermd gevoeld op straat als in die dagen van toen.

Gepost in Geen categorie | Plaats een reactie

Huilend Den Haag

Foto Hans Franse

Gepost in Columns, Geen categorie | Plaats een reactie

Naar de Haagse Markt, door Michiel Hanon

Het is zaterdagmiddag en mooi weer. Als ik naar de markt ga, neem ik altijd de tijd, en wil ik alles even zien. Ik word bij het Hobbemaplein verwelkomd door een aantal zwaarlijvige mannen, vrouwen en kinderen, die uit grote zakken met patat staan te eten. Ik start altijd op het pad dat het verst verwijderd is van tram lijn 11. Daar is het nog relatief rustig. Bezoekers van velerlei afkomst krioelen door elkaar op de smalle straatjes tussen de kraampjes. Als je bang bent voor veel mensen bij elkaar, moet je hier niet zijn, dat is wel duidelijk. Aan het eind van mijn laatste pad bevinden zich de meeste stalletjes met groente en fruit. Dit is het drukste gedeelte.

Ik vermijd op mijn route de “visafdeling”, of tracht er zo snel mogelijk door te lopen zonder door mijn neus te ademen. Onbegrijpelijk dat mensen hier kunnen overleven. Grote en kleine kadavers staren je liggend in lange rijen aan. Juist bij deze afdeling pleeg ik een bekende tegen te komen die even een praatje wil maken. In voorkomend geval trek ik deze eerst snel naar een veilige plek, of geef aan dat ik veel haast heb en helaas door moet lopen.

Op de markt is het ieder voor zich en God voor ons allen. Het vereist de nodige vaardigheid om je hier te bewegen. Dat het druk is, begrijp ik. Het ongeduld van, en het weinig rekening houden met anderen door sommige mensen is echter niet prettig. Het gebeurt dat mensen midden op het pad staan te praten of zonder zich om anderen te bekommeren naar een tegenoverliggende kraam willen oversteken. Je probeert daar rekening mee te houden en wacht geduldig je beurt af, geeft iemand ruimte of je schuift behoedzaam verder. Helaas vinden sommige mensen die achter jou lopen dat dit te langzaam gaat. Kennelijk ben ik te beleefd, want ik word in mijn rug geduwd of ervaar dat mensen mij links of rechts trachten te passeren.

Dit zou allemaal nog niet zo erg zijn, als er geen boodschappenwagentjes en kinderwagens zouden worden meegenomen. Goed, ik begrijp dat ouders hun jongste kroost moeten meenemen. Ik laat mensen met een kinderwagen altijd voorgaan, om te voorkomen dat mijn schenen te veel blauwe plekken krijgen. Maar die boodschappenwagentjes zouden moeten worden verboden. Of de eigenaren hiervan zouden tenminste eerst een rijvaardigheidstest moeten ondergaan. Opvallend is namelijk dat deze boodschappenwagentjes als levenloze uitstulping achter de persoon worden meegetrokken. Een verlengstuk waarvan de eigenaar zich het bestaan nauwelijks meer bewust is. Hij of zij houdt daarom niet in de gaten waar dit vehikel zich op het pad bevindt. De eigenaar pleegt links en rechts kramen te bezoeken, waardoor het wagentje wel meedraait, maar het middelpunt van de wielen niet van plaats verandert. Het wagentje blokkeert dan globaal voor de helft het pad.

Dit zijn steeds terugkerende gedachten als ik de markt betreed. Het gebeurt altijd weer zo, en het zal nooit anders zijn. Een dergelijke terugkerende gedachte heb ik ook als ik in de supermarkt naar de kassa loop, en aansluit in de rij. Zal mijn voorganger achter zijn of haar boodschappen op de band ter afscheiding een balkje leggen? Zo nee, zal ik het dan maar doen? Ga ik de persoon achter mij bedienen, of zal ik redeneren: als het voor mij niet wordt gedaan, doe ik het ook niet voor een ander? Ik heb het idee dat mensen – mijzelf meegerekend – eerder een balkje achter de eigen boodschappen leggen als de voorganger dat ook heeft gedaan. Je krijgt daar namelijk een warm gevoel van (“gelukkig zijn er ook nog sociaalvoelende mensen”), dat je aan je nakomer wilt doorgeven. Waar een mens zich toch al niet mee kan bezighouden.

Toch verloopt alles op de drukke markt eigenlijk wel op vredige wijze. Uiteindelijk zijn er in mijn ervaring geen noemenswaardige problemen. Soms moet er nog via het pad op brede pallets groente of fruit worden aangevoerd. Dit blokkeert de weg bijna volledig. Ik hoor echter niemand klagen. Misschien nemen de mensen de ongemakken behorende bij de drukte op de koop toe, en spelen bovengenoemde frustraties alleen in mijn gedachten. Wel wordt er door luidsprekers gewaarschuwd voor zakkenrollers, en lees ik in de krant dat hier kettingdieven opereren. Wellicht spelen er meer problemen tussen marktkooplui onderling, en tussen marktkoopman en marktmeester. Uit de periode dat ik nog advocaat was, kan ik me in beide verhoudingen een zaak met de nodige conflicten herinneren.

Ik vind het wel jammer dat de markt in Den Haag niet aansluit bij het centrum, zoals in Rotterdam. Het zou een gemêleerder publiek opleveren. Ook is er nogal weinig variatie in aangeboden waren. De verkoop van tweedehands spul komt er karig vanaf. Maar ik heb gelezen dat men hier iets aan gaat doen. De markt krijgt een facelift.

Mijn aangeschaft fruit (“alles voor een euro”) is in mijn rugzak gestopt, en ik loop terug. Na afloop wil ik nog langs het centrum fietsen. Mijn fiets had ik met een hangslot vastgezet aan een “nietje”. Wel zo veilig. Helaas bleek bij terugkomst een andere eigenaar zijn tweewieler aan de andere kant van het nietje te hebben geparkeerd, op zodanige wijze dat zijn hangslot mede mijn fietsstang vastklemde. Ik kon dus niet  wegrijden. Er zat niets anders op dan op een paaltje te gaan zitten en wachten, in de hoop dat de pleger van de onrechtmatige daad het niet te laat zou maken, bijvoorbeeld door na sluitingstijd nog een poos op een terras neer te strijken. Op deze wijze kon ik – zij het onvrijwillig – uitgebreid het van de markt terugkomend publiek bestuderen. Gelukkig scheen er nog steeds een lekker zonnetje. Na ongeveer een uur kon ik mijn goed voorbereide shockmonoloog tegen de niets vermoedende dader afsteken, en hoorde ik zachtjes sorry zeggen. Een bezoek aan het centrum zat er deze middag niet meer in.

Gepost in Columns | Getagged , | Plaats een reactie

De milde monarch, door Michiel Hanon

Er zijn van die plaatsen, daar kom je er een tegen. Dan is er geen twijfel mogelijk. Daar midden in het bos rijst hij op: de mooiste boom. Bijvoorbeeld een beuk. Groot, dus oud, en goed geproportioneerd. De boom die van wandelaars de meeste belangstelling krijgt, wiens bladertooi wordt bewonderd, waar meerdere wandelpaadjes heen leiden, en die een of meer naburige bankjes waard is. De boom die identiteit geeft aan het bos, zoals de Eiffeltoren of het Vrijheidsbeeld aan een stad, symbool voor iets dat niet voorbij gaat. Vaak een ware bedevaartplaats voor bezoekers.

Natuurlijk wisselt zijn verschijning per seizoen. In de zomer is hij een groene oase. Maar ook in de winter pronkt hij met zijn takkenkrans, en kan zijn majestueuze kroon afsteken tegen waterig winterblauw. De statige boom, waarvoor vogels een voorkeur hebben om vanaf een hoge tak het bos te kunnen bekijken, waaronder kinderen het liefst spelen op een bedje van mos en door massale wortels gevormde bobbels, en waar zij aan lage, vreemd gekronkelde takken kunnen hangen.

De Schepper heeft er lang over na kunnen denken, welke boom Hij in het bos het voorrecht zou schenken om een leidinggevende functie te gaan vervullen, en hoe deze functie in de loop der jaren zou worden vormgegeven. Was hem dit voorrecht al als klein zaadje toegedacht, of deed zijn bijzondere ontwikkeling hiertoe besluiten?

Deze boom der bomen is anders dan de koning der dieren of de menselijke heerser, want goedaardig en mak. Een vriendelijke vorst, een heerlijke heerser, een milde monarch. Een regeerder met een natuurlijk overwicht, die zijn gezag ontleent aan omvang en anciënniteit. Een echte primus inter pares. Een onwrikbare heerser die niet agressief is, die zijn macht niet heeft bereikt met bloedvergieten. Niet iemand die periodiek moet bewijzen dat hij nog de sterkste is. Een sociaal wezen met een hart van hout, maar ook van goud. Een voorbeeld voor ons allen.

Het dierenrijk is wat het is. De Schepper had hier een duidelijke gedachte voor ogen, hoewel de uitwerking in de visie van ons – zelfbewusten – wel wreed is uitgevallen. Maar had Hij bij Zijn Ultieme Creatie niet wat meer die eerdere creatie van de boom als voorbeeld kunnen nemen? We hebben in de mensenwereld zo’n behoefte aan die milde monarch!

© Michiel Hanon 2012

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Column Anne Roelofsen

Deel 1

Vraag aan Oom W

Vandaag gaat het gebeuren. We zijn een weekend weg met de familie en op een geschikt moment, wil ik mijn oom W vragen om met mij naar Indonesië te gaan. Ik wil samen met hem uitzoeken hoe het nu zit met het Indische bloed in de familie.

Officieel was alleen mijn opa een kwart Indisch, mijn oma was 100% Nederlands. Maar iedereen die bij de familie op bezoek kwam, ging er van uit dat de Indische genen van mijn veel donkerdere oma afkomstig waren. Zo ook ik, toen ik een klein kind was. Het moment dat mij werd verteld dat opa Indisch was, en niet oma, nam ik dat voor waarheid aan en speelde verder met mijn lego.

Pas veel later, toen zowel mijn grootouders als mijn vader allang dood waren, ging ik nadenken. Het is toch wel gek dat de donkerste, meest Indische van de familie, mijn oma, niet Indisch was. Mijn lieve oma met spannende verhalen over dat verre land, waar ze als huisdier een aap had. Mijn lieve oma, die haar hele leven lang terug wilde naar de plek waar ze geboren was, en elke keuze in haar leven baseerde op de mate waarin het de kansen op terugkeer vergrote. Mijn lieve oma, die uiteindelijk nooit terug is geweest in het land waar ze altijd zo naar verlangde.

De Indische achtergrond had impact op de familie. In eetgewoontes, in sfeer en in de maatschappij. De jongens – mijn grootouders hadden vijf zoons – werden door hun donkere koppies vaak met wantrouwen tegemoet getreden. En mijn vader had een neiging tot depressie en zelfdestructie, die direct met zijn Indische achtergrond in verband stond. Als (deels) Indische jongen was hij minder waard. Misschien vond hij zelfs dat hij het leven überhaupt niet waard was. Hoe dan ook, hij kon zijn draai niet vinden en stierf jong en ongelukkig, toen ik midden in mijn puberteit zat. Zo had de Indische achtergrond ook een enorme impact op mijn leven.

Van de vijf broers waren mijn vader en Oom W het donkerst. Was het toeval dat juist Oom W in het gat sprong, dat na mijn vaders overlijden ontstond? Hij was er toen ik rouwde, hij was er toen ik trouwde, hij was er toen ik met mijn moeder in de clinch lag. Met wie anders dan Oom W kon ik deze reis maken?

Op een rustig moment ging ik naast hem zitten. De zon scheen en we zaten op een campingmatje in het grasveldje van het vakantiehuis. Ik kon zijn ogen niet zien toen ik hem mijn plan uitlegde. Terwijl ik praatte keek ik naar zijn zonnebril en voelde ik mijn hartslag achter mijn borst. Toen ik klaar was, was het even stil. Daarna zei hij met overslaande stem dat hij graag met me mee wilde.

Deel 2

Het eeuwige verlangen

In voorbereiding op onze reis verzamel ik wat boeken over Indië. Ik weet weinig over Indië. Geschiedenis op school ging – in mijn herinnering – elk jaar weer over de tweede wereldoorlog in Nederland. Je bent nooit te laat om te leren, dus ik spijker mijn kennis bij. Zo kom ik erachter dat de meeste Nederlanders in de jaren 20 van de vorige eeuw naar Indië gingen. Een eeuw daarvoor -begin negentiende eeuw- vertrokken er veel militairen, eind negentiende eeuw werden veel ambtenaren naar Indië gestuurd. Bij die laatste groep hoort de vader van mijn oma.

Nog meer dan de historische boeken, lees ik de romans, omdat deze mij meer een gevoelsmatig beeld geven van hoe het Indië van toen was. Zo treft mij de beschrijving van een bediende die de hele avond achter zijn baas aanloopt, met als enige functie het rondslingeren van het smeulende uiteinde van een touw. Dit opdat iedereen kon zien dat er een belangrijk man langsliep. Situaties waar ik me hier en nu weinig bij voor kan stellen.

Het meeste raken mij de zinnen aan het einde van de roman Oeroeg, van wijlen Hella Haasse. “Als het waar is, dat er voor ieder mens een landschap van de ziel bestaat, een bepaalde sfeer, een omgeving, die responsieve trillingen oproept in de verste schilhoeken van zijn wezen, dan was – en is – mijn landschap het beeld van berghellingen in de Preanger”

Precies zo herinner ik me mijn Oma. Als een vrouw met haar ziel elders dan hier. Als een vrouw die haar jaren in Holland ziet als tijdelijke jaren. Als wachten op terugkeer naar huis. Ze ging farmacie studeren, omdat ze daarmee terug naar Indië zou kunnen. Ze trouwde mijn Opa, een (deels) Indische man, die ook wel oren had naar terugkeer. Ze leefden hun tijdelijke leven hier, in afwachting op het echte leven dat daar weer verder zou gaan. En toen viel Japan Indië binnen. In dat jaar, 1942, kwamen telkens weer berichten uit Indië over familieleden en vrienden die gevangen genomen waren en alles waren kwijtgeraakt. 1942. Mijn vader groeide in haar buik. Gelijktijdig verschrompelde er iets. Haar hoop ooit naar Indië terug te kunnen keren. Haar hoop ooit terug te kunnen naar huis.

Haasse schrijft: “Mijn verlangen om naar Indië terug te gaan en daar te werken, berustte in hoofdzaak op een diepgeworteld gevoel van saamhorigheid met het land, waar ik geboren en opgegroeid was. De jaren, die ik in Holland had doorgebracht, hoe belangrijk ook, telden voor mij minder dan mijn jeugd en schooltijd ginds.”

Mijn Oma was een actieve en sociale vrouw. Ze had verschillende banen, een lang en gelukkig huwelijk, vijf kinderen, evenveel pleegkinderen en was lid verschillende sociale- en sportclubs. Toen ze op 96 jarige leeftijd stierf, pasten we niet in de aula van het crematorium. En toch. De eerste 16 jaar in Indië waren de jaren die echt telden. De 80 jaren daarna in Nederland, hoe actief ook, waren eigenlijk voor spek en bonen.


Deel 3

Eerste les Bahasa Indonesia

In het huis in Schiedam waar mijn vader en ooms opgroeiden, switchten de volwassenen naar het zogeheten Pasar Maleis, als ze iets bespraken wat de kinderen niet mochten horen. Maleis werd (en wordt) in een groot deel van Azië gesproken. De letterlijke vertaling van Pasar Maleis is “markt Maleis”, kortom een taal die je nodig hebt om met de bediening op de markt je inkopen te kunnen doen.

Pasar Maleis bestaat niet meer, al was het maar omdat het woord van weinig respect getuigt. Behasa Indonesia bestaat wel en is de officiële taal van Indonesië. Naar ik begrijp verschilt het niet veel van de taal die mijn grootouders onder de knie hadden. Ik meld mij aan voor een cursus bij de Indonesische school in Wassenaar. Ik moet er op zaterdag om 10.30 zijn en de les duurt tot 12.30. Aangezien mijn maag doorgaans rond 11 uur al begint te rammelen, neem ik een pakje drinken en een Liga mee.

In school tref ik een divers gezelschap aan. Er is een jonge vent die voor zijn werk regelmatig in Indonesië moet zijn, er is een dame die getrouwd is met een Indo en er is een man die in Indonesië geboren en getogen is. Hij heeft in een jappenkamp gezeten en weet niet precies hoe Indisch hij eigenlijk is, wel weet hij dat Indonesië in zijn bloed zit. Dat hoor je eigenlijk van iedereen die daar opgegroeid is: Indonesië zit in hun bloed en of daar ook een genetische component bij komt kijken, is eigenlijk niet relevant.

Ik blijk de enige beginner te zijn, en moet dus naar mijn eigen klaslokaal, met mijn eigen docente: een prachtige dame met dito hoofddoek. Ik zit nog niet, of ik krijg een kopje thee, een aantal stukken bakbanaan en een stuk spekkoek. We beginnen bij de basis: ik leer te vragen “wat is dit?” en ik leer een paar voorwerpen te benoemen. Sommigen zijn duidelijk uit het Nederlands afkomstig, zoals kantor (kantoor), lampu (lamp) en tilpon (telefoon). Na een uurtje oefenen is het pauze. Uit een plastic zakje achter in de klas komen bakjes tevoorschijn. Bakjes rijst met pittige groentesaus en een gebakken ei eroverheen. Voor elke student één. We eten en kletsen en gaan door met de les. Ik leer de basisregels van Indonesië: 1. Je gelooft in een opperwezen.  2. Je gelooft in rechtvaardigheid en beschaafde menselijkheid. 3. Je koestert nationale eenheid en voelt je niet beter dan een ander.  4. Je doet alles in overleg. 5. Je bent sociaal, zorgt voor anderen.

Aan het einde van de les krijg ik nog twee bakjes eten mee. Voor mijn kinderen. De bakjes doe ik in mijn rugzak. Ze liggen naast mijn onaangebroken Liga.

Deel 4

Reis boeken

De laatste keer dat ik met mijn oom naar het buitenland ging, was 25 jaar geleden. Ik zat met mijn vader en de rest van ons gezin in een vakantiehuisje, hij zat met zijn vrouw en kinderen in het huisje ernaast. Soms zetten we als kinderen onze vaders naast elkaar en gingen we beslissen wie van de twee broers de grootste flaporen had. Nadat we een keuze gemaakt hadden, probeerden onze vaders ons te vangen en kregen we ‘kattenstraf’, wat neerkomt op de kieteldood. Eenmaal bijgekomen van de achtervolging en de kieteldood, vroegen we onze vaders weer om naast elkaar te gaan staan en velden we als kinderen weer een oordeel over hun flaporen. Om weer opnieuw gevangen te worden en kattenstraf te krijgen.

Onze trip naar Indonesië wordt de eerste reis sinds toen. Hoewel ik inmiddels volwassen ben geworden, en mijn oom kattenstraf uitdeelt aan mijn kinderen in plaats van aan mij, blijft het leeftijdsverschil op andere manieren zichtbaar. Waar ik er automatisch vanuit ging dat we alleen een vliegticket zouden kopen en de rest terplekke zouden regelen, bleek dat mijn oom er automatisch vanuit was gegaan dat we alle hotels vooruit zouden boeken. Waar ik genoeg heb aan een bezemkast om in te slapen, wil mijn oom graag een goed bed met een acceptabele WC en douche bij de kamer. Door de voorbereidingen op de reis komen we stapje voor stapje achter elkaars voorkeuren en reiswensen en zoeken we uit hoe we elkaar tegemoet kunnen komen.

De enorme variatie aan informatie over reizen in Indonesië schept in dat proces veel verwarring. Vrienden van mij zeggen zelf voor 5 euro per nacht te hebben geslapen, maar geven aan dat je voor 15 euro in een paleis met airco ligt. Mijn oom oriënteert bij een reisorganisatie en krijgt te horen dat een acceptabele kamer met airco 50 euro per nacht kost. Gelukkig vinden we elkaar wel snel in het besluiten wat we willen zien. We landen op Jakarta en gaan dan via Bogor naar Bandung, waar mijn oma opgroeide. We hebben haar adres nog, dus we hopen haar oude huis te vinden. Daarna gaan we via haar vakantie adres in Lembang met de trein naar Yogjakarta en Malang. De geboorteplaats van mijn opa, Semarang, slaan we deze keer over. Mijn oom zou daar, als gepensioneerde man, absoluut tijd voor hebben, maar ik wil en kan mijn kinderen, man en werk niet langer dan twee weken achterlaten. Ook hierin is ons verschil in levensfase zichtbaar en ook hierin moest één van beide water bij de wijn doen. Er zullen nog veel momenten volgen en alle keren zullen we er goed uitkomen. We willen namelijk graag dit avontuur samen aangaan. Dit hoort daarbij.

Anne Roelofsen

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Aanwezig, afwezig, door E. M. Kort

Religie, liefde en kunst zijn, elk op zich, mogelijke antwoorden op het onoverkomelijk verlangen essentieel te zijn tegenover de wereld. Maar het enige, althans tijdelijk, afdoende antwoord waar dit verlangen buitensporig is, en tegelijk de twijfel grenzeloos, is kunst. […]
God zwijgt, de geliefde is wisselvallig en het kunstwerk is dood. Dat is de tragiek van de kunstenaar. De kunstenaar is nochtans niet veeleisend. Hij wil maar één ding. Het onmogelijke.1

Voor het nieuwste nummer van Extaze zoek ik naar een kunstenaar die met het thema ‘oorlog’ werkt en alles wat daarbij hoort. Onderweg, fietsend door de Haagse binnenstad naar de galerie Maurits van de Laar, overdenk ik mijn bezoek aan What’s Up! De jongste schilderkunst in Nederland. Het klinkt naar een App voor je Iphone of Blackberry, maar is een tentoonstelling in het Dordrechts Museum, een van de oudste musea in Nederland, dat een selectie toont van dertig Nederlandse schilders onder de veertig jaar. Ik vind het geen pluspunt dat de titel opgeleukt is, maar ik ben dan ook veertig plus. Daarnaast denk ik onwillekeurig even aan de selectieprocedure: ‘Nee die niet, die wordt morgen eenenveertig…’
Wanneer je op de website van een willekeurige bibliotheek naar boeken zoekt en het woord ‘leeftijd’ intypt, verwijzen bijna alle resultaten naar boeken over de middelbare leeftijd, midlifecrisis of de ouderdom. Alsof leeftijd pas bestaat wanneer je boven de veertig bent.
Veel doden, de laatste tijd. Het (‘papieren’) boek schijnt ook al dood en de schilderkunst is al menigmaal doodverklaard, maar afgaand op deze tentoonstelling wordt er in Nederland in elk geval nog driftig met de verfkwast gezwaaid. Zoals altijd als ik een tentoonstelling bezoek hoopte ik iets te zien waardoor ik verlicht, verrast en zo mogelijk zelfs meegevoerd zou worden. Het stempel ‘jongste schilderkunst in Nederland’ voegde daar nog een verwachting bij van passie en geloof in de toekomst.
Die verwachting werd ‘bijna niet’ ingelost. De tentoonstelling geeft een enorme diversiteit te zien, waardoor het geheel een beetje oogt als een zandbak met leuke speeltjes. De meeste werken vind ik op zichzelf wat zielloos. Zou het komen doordat de meeste jonge kunstenaars tegenwoordig met bestaande beelden werken en weinig of niets meer uit zichzelf halen? Volgens de catalogus van What’s up! zoekt deze generatie niet meer naar vernieuwing, maar begint eenvoudigweg opnieuw.
Interessant zijn de ambachtelijke ontwikkelingen, het gebruik van mengvormen met computertech­nieken en de flirts met andere disciplines. De moderne kunstenaar lijkt daarbij niet of nauwelijks meer naar de natuur te werken, maar zijn voorbeelden eerder uit de digitale afbeeldingenencyclopedie op het internet te halen. Herhaling, herinnering en kopiëren is de taal van de moderne kunstenaar.
De druk van de meesterwerken uit het verleden is groot. De jonge schilders bevechten moedig een positie. Sommigen proberen aan de dwang van de vernieuwing te ontkomen, wat soms in verschuilgedrag en het gebruik van lichte toetsen resulteert, zoals bij Kim van Norren, die zware teksten met vrolijke kleuren combineert om de boodschap voor de kijker dragelijker te maken. Dit in tegenstelling tot Tjebbe Beekman, die sterke fysieke schilderijen maakt, in meerdere lagen, waarbij het beeld een commentaar is op de realiteit. Maar nergens schuurt het werkelijk.
Waar moet je in deze wankele tijden ook nog in geloven? Is er nog vernieuwing mogelijk in de kunst? Is dat nodig? De moed is hier wel voelbaar, en die appelleert hoe dan ook aan het geloof van de toeschouwer in wat hij ziet.

In de Haagse galerie Maurits van de Laar word ik getroffen door de sterke beelden op de tekeningen van Natasja van Kampen (leeftijd net boven de veertig). De tekeningen werden gepresenteerd op een groepstentoonstelling met de intrigerende titel Der Reiz des Bösen, De verlokking van het kwaad.
Als leidraad in haar werk fungeren historische en meer recente conferenties van wereldleiders en andere mannen (en steeds vaker vrouwen) met macht. Haar fascinatie met deze vergaderingen is ontstaan door de film Dr. Strangelove van Stanley Kubrick 2. De ronde tafels in de tekeningen roepen een illusie op van saamhorigheid, terwijl de aanzittende figuren de wereld ondertussen uit elkaar laten vallen of verdelen, als ware het taartpunten. De ronde tafelvorm zou je kunnen interpreteren als een klok, terwijl de herhaling van de rondetafel-conferenties het idee wekt dat men in de loop der tijd niet wijzer is geworden. Op een aantal afbeeldingen zie je mannen in strakke pakken die tot poppen zijn getransformeerd, waardoor de suggestie ontstaat dat het beslissen over leven en dood in die hoedanigheid gemakkelijker is. De figuren zijn soms ingekleurd met zwarte vlakken. Bij een aantal zie je alleen de contouren, aanwezig en afwezig tegelijk, als figuranten. De hoofdrolspelers zijn inwisselbaar, de gebeur­tenissen en de gevolgen niet. Natasja van Kampen laat je geloven in haar kunstwerken.

E.M. Kort

1 Patricia de Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid, Essays, Meulenhoff, Amsterdam / Kritak, Leuven, 1993
2 Dr. Strangelove, or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1964)

Natasja van Kampen, Yalta, 2008

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Tien Geboden voor een literair tijdschrift, door Cor Gout

In SLAA jaargang 2, nummer 3, formuleerde Lisa Kuitert Tien Geboden volgens welke een literair tijdschrift zou moeten leven. Stof tot nadenken voor een redacteur van een kersvers literair tijdschrift (Extaze). Die activiteit leidde tot enige bedenkingen en aanvullingen:

1 Gij zult een abonnement nemen

De ‘gij’ zijn de schrijvers en (eventueel) beeldende kunstenaars die een bijdrage insturen. Of die handeling voortkomt uit een gevoel van verbondenheid met het blad is zeer de vraag. Vaak gaat het de schrijvers erom ‘ergens’ gepubliceerd te worden. Bij schrijvers die een stuk ‘op bestelling’ leveren ligt dat weer anders. Zij geven aan het verzoek van de redactie gehoor omdat ze de uitdaging willen aangaan. Daarbij kan sympathie voor het blad een rol spelen, maar een abonnement nemen gaat een stapje verder.

Dat de inzender van een stuk zich door middel van abonnement aan het blad verbindt, valt te prijzen. Hem of haar daartoe verplichten kan niet.

2 Geen overstap maken naar internet

Een papieren tijdschrift is ‘een ding’, dat je wilt bewaren doordat de bijdragen in woord en beeld en mogelijk ook de uiterlijke vorm van het tijdschrift blijvende waarde hebben. Computertechnieken kunnen bijzondere esthetische resultaten genereren, maar die blijven plat op een scherm en vluchtig. Lezers en kijkers houden er nog altijd van iets in hun handen te hebben.

Een website naast het papieren tijdschrift biedt een meerwaarde. Het digitale ‘bijblad’ is geschikt voor de actualiteit (bijvoorbeeld een literaire agenda), voor recensies, voor afbeeldingen die niet passen in het concept van het papieren blad, voor columns en voor stukken die het papieren blad ‘net niet’ gehaald hebben (de website dus als broedplaats voor de broedplaats die het papieren blad ook al is, maar dan op een ander niveau).

3 Geen themanummers

Dit gebod laat Kuitert met name gelden voor fictie. Een opgelegde thematiek zou ten koste gaan van de ongedwongenheid. Ik betwijfel dat.

Een volledige ongebondenheid van stukken heeft een groter bezwaar: dat van de losse eindjes en de grabbelton: het tijdschrift als verzamelbak. Je kunt de thematiek ook losjes hanteren, als een rode stippellijn die door het blad loopt. Beeldend werk kan van die voorzichtige thematiek gebruik maken. Onze ervaring is dat schrijvers veeleer gestimuleerd worden en geïnspireerd raken door een aangegeven thema dan dat ze zich erdoor ingeperkt voelen. Een tijdschrift is ook een compositie. Een thema kan ertoe bijdragen dat het blad een eenheid wordt, ook als het niet stringent is doorgevoerd.

4 Geen lifestyle- of special interest-blad

Een ‘literair voetbaltijdschrift’ is vlees noch vis, geeft Kuitert als voorbeeld.

Dat is zo. ‘Hard Gras’ is nooit een literair voetbaltijdschrift geweest, maar zelfs al was het dat: de lezer ieder kwartaal opzadelen met literatuur die als onderwerp ‘voetbal’ heeft? Het zou onverteerbaar zijn.

5 Geen subsidie aanvragen, een tijdschrift moet zichzelf kunnen bedruipen

Onze uitgever (In de Knipscheer) zal een gat in de lucht springen wanneer hij zijn druk- en distributiekosten kan terugverdienen. Maar wie betaalt de redactie, de vormgever, de vaste medewerkers? En moeten de bijdragen van schrijvers en beeldend kunstenaars onbetaald blijven? En wat te denken van de presentaties, de literaire avonden die de redactie organiseert?

6 Geen vriendjespolitiek

Als dit gebod betrekking heeft op vriendjes wier bijdragen worden geplaatst omdat ze vriendjes zijn en nergens anders om… dan… ja, natuurlijk. Het is al een gebod van de informele logica. Maar bekend zijn met de kwaliteiten van een bevriend schrijver is een voordeel. Je kunt hem/haar vragen een bijdrage te leveren die past binnen een thematiek en/of die de kwaliteit van een nummer kan verhogen.

7 Onafhankelijkheid van de uitgever

De uitgever mag nooit het redactioneel beleid (mede) bepalen. Een redactie moet onafhankelijk zijn. Zeker. Maar samenspel tussen uitgever en redactie heeft grote voordelen. Er is niets tegen wanneer de uitgever schrijvers ‘doorstuurt’ naar het tijdschrift, zolang die tips maar vrijblijvend zijn. De redactie kan op haar beurt de uitgever adviseren over schrijvers die in het blad hebben gepubliceerd (meestal kent de redactie meer van hun werk dan wat in het tijdschrift werd afgedrukt).

8 De prijs afstemmen op het gebodene

Is het niet zo dat die prijs is gebaseerd op de productiekosten en de winst- of break-even-berekeningen van de uitgever? De lezer bepaalt of de kwaliteit van het blad de vastgestelde prijs billijkt.

9 Tijdschriften in estafettevorm uitbrengen. Je neemt een abonnement en krijgt iedere keer een ander tijdschrift toegestuurd, zodat je later een keuze kunt maken.

In deze opzet zie ik niets. Kranten en websites kunnen aangeven welke literaire tijdschriften er bestaan en wat ze te bieden hebben. Lezers willen niet zomaar een tijdschrift voor hun abonnementsgeld, ze willen een tijdschrift waarvoor ze bewust gekozen hebben, waar ze zich wel bij voelen.

10 Opheffen als er geen belangstelling voor is

Dat merk je vanzelf aan de verkoop van losse nummers en abonnementen. Een goede reden zou ook kunnen zijn dat de redactie de kwaliteit die zij nastreeft niet langer kan leveren. De formule is uitgewerkt, goede bijdragen blijven uit, de kwaliteit blijft afhankelijk van steeds dezelfde schrijvers… En er zijn meer oorzaken te bedenken.

Ter vervanging van Gebod 9 stel ik de volgende keuzemogelijkheden voor:

9.1 Mijd een veelkoppige redactie

Laat de inhoud nooit bepalen door het principe van ‘de meeste stemmen gelden’.

Een literair tijdschrift gaat uit van een concept. Volgens die richtlijn wordt het blad samengesteld, ‘gecomponeerd’. De keuze van stukken is geen democratisch, maar een artistiek proces. Laat iemand dat proces bewaken en daarbij openstaan voor suggesties, ideeën en adviezen van medewerkers en lezers. Problemen hoeven er niet te ontstaan. Over kwaliteit kun je het meestal wel eens worden en een goed stuk dat niet in een bepaalde uitgave past kan wel geschikt zijn voor een ander nummer. Het voordeel van een tijdschrift is dat het voortdurend in beweging is. Daarom is het ‘runnen’ ervan zo’n vitaal en stimulerend project.

9.2 Geen dubbelnummers

Dit excuus voor het niet tijdig kunnen produceren van een regulier nummer zal vooral door de abonnees met moeite worden aanvaard.

9.3 Geen journalistiek

Voor journalistieke bijdragen (nieuws, recensies, interviews, columns) bestaan andere media: websites, dagbladen, opiniebladen. Een literair tijdschrift schaf je aan voor literair proza, poëzie en essayistiek.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Julien Larroque, Een droomverzoek vanuit Finland

Riikka Pulkkinen, voor ik maar een letter van haar debuutroman gelezen had, een van mijn favoriete schrijfsters. Ach, ik heb altijd al een zwak gehad voor artistieke brunettes, liefst een beetje excentriek, melancholisch en knap. Ben ik op zoek naar een ideale weerspiegeling? Oeps, dat klinkt verwaand maar wees gerust; als ik in de spiegel kijk zie ik doorgaans iets compleet anders. In een van mijn talrijke dagdromen vormen Riikka en ik een weergaloos schrijversduo. We zijn bezig met het schrijven van een ludieke, romantisch en melancholische roman. Ja ja, een verhaal dat een flink aantal mensen over de wereld zal meeslepen; naar een ander licht, een ander bestaan, op andere gedachtes. Om nog maar te zwijgen over de filmrechten. Ik ben benieuwd wie ze voor de hoofdrollen casten.

Ergens in Finland verblijven we samen in een afgelegen houten buitenhuisje. De eenvoudige constructie ligt via krakkemikkige vlonders aan een gigantisch afgelegen meer. Ik heb er nog geen prehistorische zeemonsters kunnen bekennen maar blijf hoopvol turen. Als ik in de loop van een koude ochtend vermoeid geraak en mij ongeconcentreerd achter de laptop bevind. Het even niet meer weet (iets wat veel te vaak voorkomt) neemt Riikka het van mij over. Ik maak plaats en ze gaat zitten. Nauwkeurig leest ze mijn werk door, verzinkt in gedachten en begint op zwierige wijze verder te typen, de schat.

Met een teveel aan gedachtes over personages en subplots loop ik naar de keuken. Daar schenk ik twee glazen jus’d orange in. Mijn jus mix ik met enkele centimeters wodka. Haar oranje gezondere glas zet ik op een onderzettertje binnen haar handbereik. Ze merkt het niet, kijkt niet op of om, zo driftig is ze bezig de meest prachtige zinsconstructies te formuleren. Ik moet haar nu niet storen. Zulke momenten van concentratie en creativiteit onderbreken is ronduit misdadig. Onder het heerlijke geruststellende getik van het toetsenbord lees ik een krantje met mijn smakelijke ‘screwdriver’.

Verschillende sandwiches, salades en een thermoskan hete koffie heb ik om twaalf uur in de buitenlucht klaarstaan. Riikka ruikt de koffie, strekt zich uit, staat op en likt haar lippen. Niet voor voor niets, want met een vluchtige smakelijke kus nemen we afscheid van de ochtend. We betreden de scheve vlonders van het veranda waar twee stoeltjes en een wit rond tafeltje klaarstaan. De heldere Finse lucht is ijzig koud, maar gelukkig staat er geen wind. Ik sluit mijn ogen en adem de koele lucht langzaam in. We genieten van de verfrissing en versnaperingen en zien dat zich een dun laagje ijs op het meer begint te vormen.

Tijdens het eten bespreken we (te) gecompliceerde plotontwikkelingen en of bepaalde personages nou wel of niet moeten sterven. Scheppers in overleg over het (nood)lot van onze creaturen. Als onze personages dat eens wisten! We bereiken een soort van overeenstemming en Riikka oppert avondplannen waarin ze wil dansen. Jammer genoeg ben ik zo’n beetje ‘s werelds slechtste danser. Stiekem danslessen nemen, prent ik me in.  Een sauna na het avondeten zou trouwens niet verkeerd zijn, bedenk ik me. Of ik daarna in dat halfbevroren meer plons zoals het hoort? Verzakt je hart dan écht niet? Dat zou zo’n domper zijn.

Riikka ruimt af en het is weer mijn beurt plaats te nemen achter de laptop. Hetgeen zij die ochtend getypt heeft past perfect en ik ga verder waar zij eindigde. Na twee uur ploeteren, waarin de backspace helaas vaak gebruikt is, bedenk ik plots een enerverende sleutelpassage. Ik voel een verkwikking en een woordenstroom ontstaat. Essentiële pagina’s voor de ontknoping vloeien vanuit gedachtegangen naar vingers en verschijnen op het scherm. De verse zinnen lijken nagenoeg vergeten jeugdvrienden. Al jarenlang uit het oog maar nog nét niet uit het hart verloren. En daar staan ze plots; op het beeldscherm voor mijn neus! Waar ze zomaar vandaan komen weet ik niet. Misschien heb ik ze ooit gedroomd, wilden ze altijd al teruggevonden, herinnerd worden.

Als de zon in tweeën is doorklieft en langzaam lijkt te verdrinken in het meer leest Riikka de passage. Ze geraakt ontroerd, wat mij dan weer ontroerd. Liefdevol slaat ze haar armen om me heen. En inderdaad zeg, onze roman wordt dat magnus opus, een daverend succes. Criticasters zijn lovend. Het wordt vertaald in elke taal denkbaar en door velen met plezier verslonden. Uiteraard vertellen we nimmer wie wat heeft geschreven, maar het aantal letters is gek genoeg exact evenveel.

Natuurlijk is het maar een kwestie van tijd voordat dit alles werkelijkheid wordt. Via via via las ik ergens haar naam. En even dacht ik dat Riikka’s eigen debuutroman hier een goed bewaard geheim was. Een verborgen verhaal wat slechts een enkeling in Nederland gelezen had. Totdat plots een mega- affiche van haar debuutroman recht tegenover mijn huis hing! Haar verhaal, haar boek was vanuit Finland afgereisd en toonde zich in mijn eigen straat! Ik stond er even van te kijken.

Mijn debuutroman is nog in de maak. Het is een antwoord op haar roman, affiche en voorstel. Of ik even iets wil terugsturen, zo voelt het. Het is wat anders dan een sms’je. Dus ben ik begonnen met het schrijven van een roman die zal afreizen naar Finland. Vandaar dat ik maar snel doorschrijf want wanneer mijn roman zich via een affiche vertoont in Finland, in haar straat, tegenover haar huis, zullen we vast verheugd zijn. Verblijd dat ik heb kunnen ingegaan op haar verzoek. Stond ze me nu maar vast bij, dan ging het vlotter. Maar goed, dat is de volgorde nou eenmaal niet. Schrijven voor haar en zonder haar is eenzaam, maar is dat niet het welbekende lot van elke schrijver? Oh en mijn weerspiegeling is deze dan veranderd?

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Op de drempel van de nacht, Michiel Hanon

zacht lantaarnlicht ligt als een warme mantel dicht op straat
de vermoeide dag dommelt in afwachting van de nacht

felle schaduwen zijn tijdelijk verborgen op deze zomeravond
een enkel kinderfietsje is vergeten binnen te halen

twee rijen volle bomen kijken uit naar nieuwe wind na ontij
auto’s liggen als trouwe honden te wachten op nieuwe opdrachten

een kat kruist sluipend het nog warme plaveisel
en houdt nachtwake bij een verlaten sandaal

verlichte kamers, open gordijnen; maar weinig mensen zijn zichtbaar
vandaag geen reveillon; ieder is uitgeput van vermoeiende zaken

boekenkast, bankstel; alles binnen anders maar ook hetzelfde
één collectief van clans, levend langs elkaar heen

kwetsbaar weerspiegelt het bestaan zich in levenloze lichamen
geen nocturne negeert de stilte; het leven is even leeg

ook op straat staat de bespieder deze zwoele avond alleen
niemand voelt iets voor een eenzame excursie

Michiel Hanon

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Het beeld, door Michiel Hanon

van enkele feestelijk uitgedoste, zojuist voor hun eindexamen geslaagde studenten, die in een fleurig versierde roze Buick cabriolet 1950 langzaam langs het Paleis Noordeinde rijden, op weg naar de boulevard van Scheveningen, om voor het laatst gezellig samen uit te gaan,

met een vage wens om bij elkaar troost te zoeken wegens het moeten afsluiten van een mooie periode in hun leven, terwijl vruchteloos wordt getracht de tijd te stoppen en het naderende afscheid uit te stellen,

onbewust van de daar aanwezige, voor hen symbolische grens tussen twee werelden, op welke punt zij – alvorens te gaan feesten – gezamenlijk verwachtingsvol maar nederig over zee zouden moeten uitkijken, en – als bij een soort kerkgang – de wens van een goede toekomst voor zich uit zouden moeten prevelen,

nog nauwelijks bewust van die lonkende, onbekende toekomst, van de aan de nieuwe status van jong volwassene verbonden verantwoordelijkheid voor werk en gezin, naar welke rol een deel van de groep reeds de eerste stappen zette,

nog onbewust van het nog ver in de toekomst liggende tijdstip waarop zij elkaar bij de eerste reünie zullen weerzien, bij welke gelegenheid zal worden geconstateerd dat hij of zij al dan niet is veranderd, maar goed terecht gekomen en toch wel wat dikker geworden, en oude verhalen zullen worden opgehaald over die onbezorgde tijd van studeren, luieren en feesten, terwijl van enkele afwezigen vernomen zal zijn of worden dat het niet zo goed met hen is verlopen,

als gevolg van het toevallig getuige zijn van welk beeld bij een al wat oudere, zojuist langs Willem van Oranje lopende man het beeld terugkomt van de dag waarop hij afscheid nam van zijn studievrienden,

dat hem er toe zal brengen weer contact te zoeken met die goede vriend uit zijn studietijd die niet op de laatste reünie aanwezig was, kennelijk omdat het leven hem niet had gebracht wat hij ervan had verwacht, toen zij met elkaar in een rode 2CV 1963 naar Scheveningen reden, en hij op die reünie niet geconfronteerd wilde worden met het oneerlijke en onvermijdelijke verschil in het geluk dat mensen in hun leven ten deel valt.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Schrijverschap, door Mischa van den Brandhof

Schrijverschap

volgens traditioneel recept

- BENODIGDHEDEN -

1 dl bloed

80 ml nachtmerrie zweet

2 eetlepels tranen

BEREIDING:

Vang eigengemaakt bloed uit verse wonden op in een kommetje. (Oude wonden kan ook, maar niet uit elkaar vallen!) In koelkast tenminste een nacht laten afkoelen. Intussen doorweekte pyama boven een teil uitwringen. Met kannetje aangegeven hoeveelheid dampend zweet eruit scheppen. Pijn toelaten tot het door het hele lichaam voelbaar is. (Voeg eventueel flashback toe.) Met de vingertoppen de opwellende tranen van de wangen strijken. Bij hevig verdriet eenvoudigweg rechtstreeks in jampotje huilen.
Breng bloed en zweet langzaam aan de kook. Onder voorzichtig roeren tranen toevoegen en ca één uur (met deksel op pan) zachtjes laten doorkoken. Haal de vloeistof van het vuur. Voor gebruik enkele dagen laten ‘besterven’ in een afgesloten inktpotje.
Serveren met kroontjespen en papier.

Gepost in Columns, Geen categorie | Plaats een reactie

Mijn vakantie, door Michiel Hanon

Een niet verstuurde ansichtkaart ligt op een kastje in mijn slaapkamer. De foto op deze kaart staat voor mij symbool voor de ideale vakantie: samen met een vriendin in een open Fiat 500 – de echte, niet de lookalike – naar Zuid-Europa trekken. Over onverharde weggetjes op weg naar de cipressen en onbekende bestemmingen. Dat is Het Echte Leven!

De vriendin is een opgeruimde, leuke vrouw met humor, liefst de vrouw die ik Mijn Vriendin mag noemen. We genieten van de vrijheid. Een klein, niet te comfortabel autootje is goed genoeg, nee leuker dan een dure bolide. Eigenlijk staat dit voor weinig hebben, maar veel genieten. Want het gaat in dit leven niet om het materiële bezit; je moet ontdekken en beleven! Rijdend schijnt de zon op onze bol, en de omgeving krijgt een steeds zuidelijker aanblik. We zijn Op Weg, het onbekende tegemoet, maar anders dan Jack Kerouac.

Ooit kwam ik in de buurt van dit ideaalbeeld, toen ik met mijn toenmalige vriendin met een kleine auto, hoewel geen Fiat 500, kamperend naar het Zuiden trok. Maar ook werd het lang geleden benaderd door een reis naar Italië, in een echte Fiat 500. Maar dit was dan weer samen met mijn broer.

Inmiddels is de verwerkelijking van een dergelijke vakantie verder weg dan ooit. Ook al zal ik de niet meer zo jeugdige zorgeloosheid nog wel op kunnen opbrengen, en kan ik ook wel voor een geschikte Fiat zorgen, de onontbeerlijke opgeruimde leuke vriendin met humor ontbreekt.

Voorlopig koester ik deze ansichtkaart, en kijk ik er met regelmaat naar, opdat ik niet vergeet.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Vroege koffiecantate aan zee, door Theo van der Wacht

Vanmorgen vroeg op weg naar Het Topje, sinds kort mijn favoriete ontbijtcafé, vergeleek een onbekende jogger mij in het voorbij stiefelen met een vroegere sportheld van naam.
Ooit werd deze op Oud Eik en Duinen met het nodige korfbalvertoon ter aarde besteld. Afgunst? Een enkele oudere onder ons herinnert zich hem vast nog wel. En op zo’n verbleekte legende schijn ik dan te lijken, deze zonnige autorijke ochtend omstreeks Kijkduin. Nog eventjes en ik bekijk mijzelf in een terrasruit als …..ach, wie zou dat nou willen horen?
In afwachting van een volgende dubbele expresso, snel even een call richting stiefmoeders maken. En als dat loeder nu weer niet opneemt, bel ik meteen mijn oudtante op, die me als altijd een van haar troostrijke drieluikjes toestopt, vandaag gestoeld op de namen De Sade, Nietsche en Alfred Nobel – ‘ Lees jongen, Lees ze! Want waar vond men nu ooit oprechtere mensenliefde dan bij deze drie illustere kerels. Nou?’ Zonder de influisteringen van dit even lieftalige als vilein geletterde tantetje, was ik nog niet voor de helft gerezen tot de ballon waar ik thans voor sta, onvolprezen adept van de onsterfelijke heer Schubert, hij en ik, ons nu eens halfpostuum verkledend als spierwitte molenaarsknechtjes, om vervolgens weer de jeugdige mondorgel virtuozen uit te hangen, samen telkens op het punt staand een nieuwe weg in te slaan, maar dit nooit zonder eerst ons tantetje met een bezoekje te verblijden. ‘Uit erkentelijkheid’, kwantificeert zij deze omwegen, die mij zeker vandaag belemmeren aan mijn eigenlijke opdracht toe te komen. Zoals de toegift voor Hare Majesteit die beslist vandaag nog, gelabeld spoedeisend, de deur uit zou moeten. Tja, hoe komt het toch dat ik tussen deze twee verrukkelijke pizzabroodjes door maar niet aan nat scheren toekom. En echt, met die hinderlijke baard in de weg krioelend, gaat het opus me deze dag nog niet voor de helft gelukken. Voor wie me niet gelooft, hier is haar nummer, bel mijn oudtante maar gerust op. Mij brulde ze zonet nog de slotmaat van de Koninklijke Lofprijzing in mijn betere oor. ‘Noten afwegen, jongen! Met mollen en kruizen spelen!’ Nog geen half uur geleden leek alles nog zo moeiteloos te marcheren, ongelooflijk, nergens een onbekende komeet in aantocht, luchtdichtheid praktisch normaal, chemie redelijk in balans…, maar dan plots god pats boem gaat het mis, stofregens belemmeren het zicht, angst en zweet breken alom uit, woorden nee, beelden ja, enkel nog beelden, en hoor!, Apocalyptische kerkklokken galmen en –oe! auw! -gillen het uit……

Na weer een hoofdomdraai kijk ik hem midden in het gezicht. Wie? Mijn held van de afgelopen tijd, ook nu weer vermomd als clown, berensterk afgebeeld op zijn nieuwste boekomslag. Het filmscript ligt al compleet met speelaanwijzingen op de schoorsteenmantel gereed voor de opslag. Maar pas op, er lekken hels gele vlammetjes vanuit het zonnige gestel van de haard, en er zijn maar drie titels waaruit we mogen kiezen:
- Familie als bloeddoorlopen satire.
- Wijsgerige kernsplijtstof op tilt.
- De reuk van een raadselachtige grap.

Theo van der Wacht

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Op weg naar het werk, door Michiel Hanon

Juist voordat ik ’s morgens, nadat ik mijn fiets heb gestald, mijn werkplek bereik, kom ik altijd op hetzelfde punt een snel lopende, strak voor zich uit kijkende jonge vrouw tegen. Waar komt ze vandaan? Waar gaat ze heen? Hoe kan het dat we elkaar iedere dag op hetzelfde punt treffen, terwijl we waarschijnlijk van zo verschillende plaatsen afkomen, en zulke verschillende routinematige dingen doen om hier te arriveren? Wanneer is dit eigenlijk begonnen? Ik werk hier al jaren, maar deze vrouw is misschien op enig moment van werk veranderd, waardoor ik haar nu tegenkom. Hoe lang zal dit nog duren?

Ik moet denken aan de jonge vrouw die ik, fietsend naar mijn werk, een tijd lang dagelijks op de Scheveningseweg in Den Haag tegemoet kwam. Ze liep kordaat voort terwijl ze een boek las. Wat kon haar bekoren, een doktersroman of Vestdijk? De Scheveningseweg is best lang, de meeste mensen zouden de fiets of zelfs de auto pakken. Maar dan is tegelijkertijd een boek lezen wel een stuk lastiger.

En dan, in een latere periode, was er de jonge, zeer slanke vrouw die, altijd in het zwart gekleed, ditzelfde traject van de Scheveningseweg afliep. Als ik vroeg was, trof ik haar nog op het verlengde van de Scheveningseweg. Ze kwam dus helemaal uit het centrum lopen. Was ze zo gek op wandelen of was hier een andere reden voor?

De vrouwen van de Scheveningseweg keken me nooit aan, wat van de lezende vrouw wel begrijpelijk is. Waar zijn de vrouwen gebleven? Ze zullen wel, net als ik, op weg naar het werk zijn geweest. Beviel het werk hun niet meer? Zijn ze overgeplaatst?

Van de jongen en het meisje in de puberleeftijd, die ik een zekere periode met fietsen aan de hand halverwege dezelfde Scheveningseweg aan de kant zag staan, kan ik me voorstellen dat dit maar een tijdje zou duren. Ze zoenden altijd innig en namen dan van elkaar afscheid. Kennelijk zaten ze op verschillende scholen. Niet dat ik denk dat hun prille liefde een kort leven was beschoren, maar op die leeftijd gaat alles snel en verandert er veel. Je komt op school en je gaat er wat later weer af. De tijdelijkheid ervan zit ingebakken. Als je gaat werken ligt dat anders.

En ik? Ik fiets al jaren dezelfde route naar mijn werk, en kijk naar de dingen die komen en gaan. De dag dat ik mijn laatste tochtje naar het werk zal maken nadert. Zal er iemand zijn die dit opmerkt?

Michiel Hanon

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Het licht breekt, door Anselma Bueler

Die ochtend werd ik wakker met een benauwd gevoel. Ik had net gedroomd dat ik in de foyer van de gevangenis zat. Er hing een sleutel om mijn hals, ik was vrij en kon zo weg lopen, maar ik deed het niet. Ik wilde nog even op een bankje zitten. Het licht om me heen voelde aan als met de ogen dicht in het volle licht. Toen kwam er van rechts een man op me af. Ik kon niet zien wie het was omdat hij in het donker gehuld was. Hij boog zich naar me toe. Even dacht ik dat hij gewoon naast me wilde zitten. We begonnen intens te zoenen. Ik voelde dat de man in het donker een zware tijd achter de rug had. Hij kwam van een psychisch slagveld en wilde bij me zijn.
De hele dag was ik van slag. Ik kon niet veel hebben. Op mijn werk in een activiteitencentrum voor psychiatrisch patiënten, viel ik uit tegen een jengelende vrouw. Ik erger me vaak aan haar onverstaanbare verongelijkte toon en die dag was het of ze rechtstreeks op mijn zenuwen zat te zeuren. In de lunchpauze had ik met mijn vader afgesproken om hem daarna uit te zwaaien. Hij had een week bij me gelogeerd, wat uitzonderlijk is, want normaal gesproken gaat hij nooit op reis zonder mijn moeder. We hebben allerlei leuke uitstapjes gedaan, zijn naar Scheveningen gefietst, over het havenhoofd gewandeld, bij Simonis enorme porties kibbeling verorberd, en Delft bezocht. In de Nieuwe Kerk bleef ik even staan bij de spreuk van het grafmonument van Hugo de Groot. ‘Ontwijk dit lijkgesteent; de Groot ligt hier begraven. Gij die niet gloeit van zucht naar kunde en vrijheidsmin’. Ik verzocht de Groot in stilte om een man op me af te sturen die groot was in zijn daden. Je weet nooit, dacht ik.
Mijn vader heeft zichtbaar genoten van de uitstapjes. Normaal gesproken blijft hij het liefst in Spanje, waar hij al geruime tijd woont. We spreken elkaar haast nooit over de telefoon omdat we allebei niet houden van bellen. We beschouwen het als een aderlating van energie. Wanneer ik dan toch een keer bel, met de allergrootste tegenzin, dan krijg ik mijn moeder aan de lijn. Zij is werkelijk verzot op bellen. Wanneer ik haar vraag iets aan mijn vader door te geven, dan doet ze dat nooit. Zo vertelde ik haar over die droom die ik had, een droom waarin mijn vader voorkwam. Hij stond onder een daklicht met een bundel van licht op hem gericht, in de badkamer en hij was volledig echt. Ik kon hem aanraken, wat ik ook deed in mijn droom. Daardoor wist ik dat het droombeeld van mijn vader echt was. Dat leek me toch wel iets om door te geven. Op het moment dat ik haar de droom beschreef wist ik al dat ze het niet zou doen. En maar klagen over mijn vader. Hoe vaak ik ook tegen haar zeg, mam, dat kun je niet van papa verwachten, het helpt geen zier, ze blijft maar negatief over hem praten.
Op mij krijgt ze zelden vat omdat mijn gedrag op de één of andere manier niet voor haar te volgen is. Ik ga net als mijn vader mijn eigen gang. Toen er eerder dit jaar kanker bij haar was geconstateerd vond ik dat vreselijk. Ik weet dat ze heel kwetsbaar is. Ze houdt eigenlijk het meest van harmonie, en ik ook. Haar negatieve buien komen voort uit een angst om te leven in deze harde wereld. Ik wil dat mijn moeder leeft, leeft als nooit tevoren. Ik ben naar de rozentuin van het Westbroekpark gegaan en heb alle engelen en gidsen die haar goed gezind zijn gesmeekt om haar weer beter te maken. Je weet nooit, dacht ik.
Een doortastende Syrische chirurg in Girona heeft meteen korte metten gemaakt met de kwaadaardige poliepen in haar darm. Mijn vader zou bellen zodra de operatie achter de rug was. Vlak voordat hij belde zag ik voor me een vergeten rood fietslampje branden op het fietspad van de Scheveningseweg. Ik wist dat de operatie geslaagd was.
De zon breekt door de koude november nevel heen. Er bellen twee oudere mannen aan, Jehovagetuigen. Ik zeg: ‘U verspilt uw kostbare tijd, ik geloof al.’ De ene man zegt dat hij het belangrijk vindt om het woord te verkondigen, zoals Jezus dat ook al deed. ‘Maar hij liep niet door de kou,’ zeg ik. De oudere mannetjes lachen om mijn nuchtere opmerking. De minst fanatieke het hardst. Vanavond wil ik uitgaan.

Anselma Bueler

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Dichters aan huis, voor Willem B. S. de Vries

Het is dat vriend Willem me mee vroeg, want voor dichters die uit eigen werk voorlezen loop ik op een enkele uitzondering na, weinig warm. Maar aan de andere kant had het ook wel wat gezelligs zo’n zaterdagje samen op stap. Bovendien zag je weer eens hoe andere mensen bivakkeerden, en wist je maar nooit wie je onderweg nog eens tegenkwam. ‘s Avonds was er een soort dichtersbal, maar hiervoor werd ik niet gevraagd, dat was gereserveerd voor Willem’s vriendin, die wel zin had in een dansje en een drankje te midden van al die mallotige dichters en hun idolate vereerders. Maar luisteren naar wat die aan dichterlijks hadden te melden, nee, dat hoefde niet voor haar. Alvorens Willem en ik afreisden, vlooiden we zowel de adres- als deelnemerslijst door. Daarmee kon je volgens ons niet kieskeurig genoeg zijn. Een aardige dichter op een minder adres of omgekeerd, dat moesten we zo goed mogelijk zien te voorkomen. Voor mij zat er eigenlijk maar één dichter tussen naar wie ik uitkeek. En niet eens zozeer om het werk, dat ik pas onlangs in de in de bibliotheek had ontdekt, maar om de persoon zelf. – Hoe zou de flamboyante taal van haar poëzie uit haar eigen mond klinken …? Vriend Willem koos er een paar meer uit, van wie mij vooral de eerste is bijgebleven, een dichtend gemeenteraadslid uit het Rotterdamse nog wel.

De romantische behuizing in het Statenkwartier verleende deze dichter- politicus een gepaste entourage. Zijn naam zei me overigens niets, maar ja, wie had er nu ooit van mijn persoontje gehoord, behalve Willem, anderhalve collega en wat naaste, nog niet afgehaakte familieleden. Wij waren, bleek al gauw, zowel de eerste als de enige bezoekers die ochtend. In de aanloop hadden we het over van alles en nog wat, behalve de poëzie. Maar na de actuele politiek en wat koetjes en kalfjes waaronder de plaats van de Nederlandse schrijfkunst in de wereldliteratuur, stond de poëet na een oogje op de klok er alsnog op ons met een paar van zijn gedichten te vermaken. ‘Eerlijk is eerlijk jullie hebben ervoor betaald.’
Om onze dichter niet met schuld op te zadelen, hij moest immers behalve die zaterdagmiddag, ook de godganse zondag nog uitzitten, lieten we hem maar vrolijk begaan. Ik herinner me van die voordracht geen woord, maar wel dat het feestelijk was, de klanken van Brahms’ Feestouverture schetteren nog door mijn hoofd.

Willem en ik vonden dit geen slecht begin van de dag, en om dat te vieren lunchten we uitgebreid in de binnenstad, en wel op ons vertrouwde adres aan de Denneweg.
Licht rozig belden we in de namiddag op huisnummer zoveel aan, waar we helaas niet terecht konden, immers vol was vol, maar gelukkig bleek er een alternatief verderop in die straat. En ja, daar nu zetelde de dichter van mijn voorkeur. Er was amper nog plaats in de uitgebroken kamer-en-suite. In de serre nestelden we ons in de vensterbank, en overzagen het strijdperk. ‘Amazones,’ fluisterde Willem, en inderdaad, andere heren behalve ons tweeën zagen we er niet. In het midden van de kamer troonde een zwaarlijvige, heerszuchtig om zich heen kijkende dame, pen en papier in de hand. Zou zij het zijn?
Op een tweezitsbankje vlak voor ons schoof een tenger vrouwtje heen en weer. Nerveus? ‘Heren,’ sprak ze ons half omkijkend toe, kom wat naar voren, want ik ga meteen beginnen met voorlezen
En zo belandde ik op dat kleine bankje naast de dichteres van mijn keuze, die prompt een boekje uit haar schoot liet glijden: losse blaadjes dwarrelden over de vloer
‘Dank u, zo raakt een mens zijn handschriftjes nog eens kwijt’, lachte ze me toe, nadat ik bukkend de boel bij elkaar had gescharreld. Uit dit boekje, met zijn lila omslag, had ik onlangs haar gedichten voor het eerst zitten lezen. ‘Niet meer in de boekhandel verkrijgbaar’, flapte ik eruit. Om die opmerking moest ze uitbundig lachen. ‘Mijnheer toch,’ zei ze, ‘De uitgever is er bijna failliet aan gegaan, dozenvol heeft hij er nog van staan, zijn zolder bezwijkt er bijna onder.’ Ik was gerustgesteld, maar nu kwam Willem in het geweer, die haar zo nodig moest vertellen dat vriend Theo hier ook best aardige gedichten schreef, vaak ook net als zij met mythische toespelingen. En nu zat ik klem, de dichteres duwde me plots een visitekaartje in de hand, ‘Ik moest haar dan maar gauw eens werk toesturen’, en vriend Willem drong meteen na haar voorleesbeurt op actie aan. Ik zie hem nog in het tuintje druk staan te gebaren toen ik de boel wat relativeerde. En jawel, Willem bleef aandringen, aanhoudend, tot zo’n anderhalf jaar later, toen ik het niet alleen aandurfde, maar het ook eindelijk gepast vond haar eens te schrijven. Intussen had Christine D’haen alle tijd gehad om de Grote Prijs der Nederlandse letteren in ontvangt te nemen en heerlijk na te genieten van alle eerbetuigingen zonder door mijn mythisch geïnspireerde gedichtjes te worden gehinderd. Later sprak ik haar nog een keer kort bij een volgende Dichter aan huis, dezelfde waar mijn overleden vriend Peter Polderman van alle deelnemende dichters het portret mocht tekenen.
Dat portretteren van Christine D’haen ging om de een of andere reden niet door. Peter vond toen dat ik die opengevallen plaats maar moest innemen, ook al behoorde ik niet tot de deelnemers. ‘Maar dat kon ik best nog eens worden. Je wist het maar nooit’, was de mening van Peter.

Theo van der Wacht

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Wedijveren, door Theo van der Wacht

‘Fled is that Music: – Do I wake or sleep?’

John Keats – Ode to a nightingale

Ik kan niet meer slapen, schuif het gordijn open, de nacht begint al te vervagen. Terug in bed denk ik Het was Rome waar ik zo-even van droomde, van bovenaf gezien, in vogelvlucht zeg maar.

Buiten, 12-hoog onder mij, de nog slapende daken van de stad. De rafels van de duinrand maken zich al los van hun schaduwen. De oplichtende zee projecteert af en toe een blink op de laaghangende grijze bewolking, wedijverend met de vuurtoren, maar dan zonder diens ijzeren cadans. In het Oosten staat de stad nu volledig in brand, boven de wirwar van hoge gebouwen uit, die elkaar al even erg beconcurreren als nieuwe rijken dat plegen te doen met hun buitenissige hobby’s en speeltjes. Zelfs het vrije zicht op de Haagse torenklok waarvan ik ooit als jochie vanuit mijn zolderkamertje de tijd aflas, heeft onder dit absurde machogedrag moeten lijden. Maar de kerktoren zelf, waaraan de wijzerplaat nog glanst als voorheen, staat goddank nog recht overeind, en dat is toch al heel wat in tijden waarin de terreur van de doelmatigheid onze leefwereld bestiert.

En al mag dat klokkijken vanuit huis dan niet meer lukken, de spits van de toren is met enige moeite nog wel te onderscheiden, en ook, een paar windstreken oostelijker, die van Delft, de Nieuwe wel te verstaan, waardoor ik via de aloude kruispeiling (de vroegere zeeman in mij eist nu zijn tol op) mijn plek op deze planeet voor vandaag onwrikbaar weet zeker te stellen. (Tip: gebruik hiertoe naast een betrouwbaar kompas ook een up to date stafkaart ).

Wat een onzin denkt u nu als lezer, zo’n plaatsbepaling gaat toch via de Tom Tom niet alleen duizendmaal sneller, maar is ook veel preciezer; bovendien heb je er geen tijdrovende studie in de zeevaartkunde voor nodig. Mijn verweer is dan, dat het gebruik van die kaart, met al zijn ouderwetse passen en meten, behalve dat het me boeit als speels tijdverdrijf, ook de homo sapiens in mij scherp houdt, zeg maar als weermiddel tegen elke vorm van geestdodende automatisering.

In het gedroomde Rome van daarnet streek doodstil een merel neer, op een huisje gelegen aan de Spaanse trappen. Net zo’n huisje als waar de dichter John Keats zijn benauwde laatste uren doorbracht. Het was evenwel geen merel waaraan Keats een van zijn beroemdste lofuitingen opdroeg. Bij zijn graf elders in Rome, in de schaduw van die kleine piramide, heb ik de desbetreffende ode een keer hardop voor staan lezen. Mussen waren er mijn enige, zij het nogal tegenstribbelende gehoor. Toch voerde ik ze naderhand mijn laatste pizzakruimeltjes, als dank voor hun tsjilpende omlijsting.
Getrommel en gesnater op mijn platte dak werpen ons terug in mijn bovenwoninkje, met dat aardige rondzicht over zee, duinlandschap en stad. Met mijn gerafelde rijzweep uit het raam hangend, gesel ik weldra de rug van mijn dakgoot, en verjaag er voor zo lang het duurt dat onhebbelijk copulerende koppeltje nijlgansen. Bah, die planten zich toch voort als waren het van die naoorlogse ongeletterde katholieken en gereformeerden …. en god bewaar ons dat die ooit weer een meerderheid vormen…Maar nu stil even! Luister, die merel uit mijn droom heeft zijn zang luidkeels hervat, en dat lied werkt op mij in als een placebo….maar desondanks zwam ik toch nog even door over insecten als zeg de tijgerspin die naar ik las, onze dreven massaal aan het veroveren is – en geen rivier, dijk of Grebbelinie hem daarvan afhoudt. Landverhuizers dus, op weg naar plekken waar het goed toeven is. Opzienbarend? Nee hoor, zo universeel logisch als maar zijn kan. Kijk, de zon moet er zelfs even van glimlachen. Net als om al dat gedoe over je weet wel, die opwarming…maar morgen zullen het alweer de verschrikkelijke ijsvelden zijn die ons biotoopje bedreigen. Loop naar de maan, riepen wij vriendjes, nog niet eens zo heel lang geleden, anderen of elkaar toe. Tussen al die bezorgdheden door, beluister ik nog steeds aandachtig de zang van mijn eigenste merel, en merk nu pas dat die laatste regel uit Keats’ Nachtegaal er zich woord voor woord mee begint te bemoeien. Uit wedijver?
Tip – op You Tube kun je hem compleet beluisteren, die Ode, en dan nog wel in algemeen beschaafd Engels gereciteerd. Oh, gij!

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Atopia, Theo van der Wacht

Grenzstein 37 – foto Tanya van der Wacht,
Stemwede- Levern

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…) je moet bereid zijn alles te verliezen’.

Redmond O’Hanlon


Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,
kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Theo van der Wacht
November 2011

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Zingen vanuit de verdomhoek, door Jean Paul Bresser

Ontroerend hoe een lid van de Raad van State om de hoek op het Lange Voorhout een paar kleine gedichten voorleest. Met een warme stem achter een houten tafel afgelopen donderdagavond in Pulchri. Liefde voor poëzie, daar moet je met een lensje van Spinoza naar zoeken tegenwoordig. Niet bij Kees Schuyt. Hij is ook een socioloog van de verbeelding. En vindt bij de dichter Willem Hussem wat een kwintessens is: mensen zijn wolken/waar ze komen/ betrekt de lucht.

Negen woorden in drie regels. Inspiratiebron voor zijn innemende verhaal over de Haagse dichter en schilder. En over veel meer. Kees Schuyt zat op een historische plek tussen Maaike Klaster en Hanz Mirck, twee jonge dichters met een heldere eigen stem. Ze luisterden samen met anderen naar Jaap Trapman die op een teruggevonden piccalo-piano uit 1829 muziek speelde, lichtvoetig, als de kleine opwaaiende harmonie in de poëzie van Hussem.

Ik was erbij in het allereerste literaire café dat Extaze in Pulchri heet en ik voelde me er meteen thuis. Alsof de even gure als ongure wind van een kortzichtige tijd er niet was. En dat schept moed, hoe weinig ook. Tegen de wind in, tegen de stroom in, tegen de hapklare tijdgeest in een Haagse literair tijdschrift lanceren, dat – in de beste traditie – een broedplaats, podium en arena wil zijn voor een kring dichters, schrijvers, columnisten, essayisten en beeldende kunstenaars. Extaze, vernoemd naar de roman van Couperus, doet dat met de eerste aflevering. Zingen vanuit de verdomhoek. Ik hoor het al zeggen: moet dat nou tegenwoordig? Ja, dat moet.

Het moet van dichters en schrijvers, die de stad gelukkig in leven houden, uit stof van dromen. Hardnekkig blijmoedig en op eigen kracht, ook als de beschermende vleugels van de politiek van piepschuim zijn geworden en tochten. Was het daarom dat Marjolein de Jong er niet was, toen het daar tenslotte over ging. En niemand van haar partij de plaats van de wethouder innam. En de discussie donderdag verzandde. In ander zand dan bij de zee van Willem Hussem. Ik dacht, daar blijft het om gaan, om die twee woorden: moed moet.

(AD/Haagsche Courant 27 oktober 2011)

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Vloek, Theo van der Wacht

Marcel van Eeden

Zuidzuidwest
Der Nordost wehet

Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot

Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.

Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees

verenigt tot een vloek -

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin

Tekst geïnspireerd door een Vloek en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

Theo van der Wacht

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Je moet het zwijgen, door Theo van der Wacht

Dat (de kunst van) het weglaten wel eens een hele aparte ervaring van poëzie kan opleveren, werd ik onlangs op een literair avondje weer eens gewaar. Nadat de dichteres er rechtop bij was gestaan, vroeg ze of men haar op eigen kracht sprekend ook achter in zaal nog kon verstaan. Na een instemmend gezoem, zakte ze al bij de eerste woorden weg onder een voor mijn gehoor behapbaar niveau, verpakt in verdoezelde zinnen die zich gingen gedragen als muziekjes, aangevoerd op het ritme van een getoonzette ademhaling. Bevrijd van iedere betekenis liet ik mij meedeinen op de golven van een postromantisch festijn. Dat af en toe plotseling aanzwol, vlak voor de golftop afbrak, en zo nog net niet in mijn brein articuleerde. Klanken kortom om zalig (extatisch?) bij te gaan sluimeren, op weg te dutten… tot een applaus je net nog op tijd van het knikkebollen verlost….
De volgende dichter daarentegen is afgezien van het vaak hoge leestempo voor mij goed te verstaan. De zaal veert zelfs op, lacht af en toe als bij een goede grap. Wat deze dichter brengt is een nieuw soort poëzie, daarin zeg maar de tegenpool van jubilaris Willem Hussem. Bij de laatste een enkel beeld en een paar vegen, en de lezer mag dan zelf aan het werk. Bij de eerste een opeenstapeling van beelden, verspringend van hot naar her, anekdoten doorspekt met gedachten en opvattingen, mij als toehoorder overdonderend en de kans ontnemend ook maar een tel op adem te komen, laat staan in te dutten of weg te mijmeren, waarmee deze poëet keer op keer succesvol aanstuurt op een haast wel onvermijdelijk denderend applaus….
Van Ostayen vond dat een gedicht na de twaalfde regel hoorde te worden afgebroken, zo niet dan was een geen (goed) gedicht.(overigens hield onze Vlaming zich lang niet altijd aan die eigen gestelde regel). En dan is er natuurlijk nog dat adagium van Goethe over de beperking, waar deze reus zich ook lang niet altijd om bekommerde (zie daartoe met name Faust 2). Maar dat in de poëzie een grapje op zijn tijd best mag, daarover waren de dichters het al lang voor die uitspraak van Gerrit Kouwenaar geheel eens.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Soms, Ezra de Haan

Soms trek ik je aan
als een handschoen.
Ik strek mijn vingers
die zich benard
beklemd voelen.

In die donkere ruimte
tast ik rond
streel je als een blinde
word even jou.

Soms trek jij mij aan.
Zorg je dat ik verzink
vergeet dat ik ben.

Met jou leer ik lopen
op handen en voeten
trotseer ik de dood
en lach om de nacht.

Ezra de Haan

‘Den dach en wil niet verborghen zijn’
uit Antwerps liedboek

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Couperus, door Kees ‘t Hart

Jarenlang gaf onze dochter me met vaderdag als cadeau een tekening van iemand die op een bank ligt. Of ze knutselde op de lagere school van piepschuim een miniatuur sofa. Daarop had ze een piepklein boekje of een tot postzegelformaat teruggebrachte Donald Duck bevestigd. In de sofa zat dan een presentje verborgen: meestal een pen.
Zo zag ze me dus: haar vader lag op de bank te lezen. Te niksen. Er kwam niets uit zijn handen. Wanneer er in huis geklust moest worden, deed haar moeder dat. Enig weerwoord had ik niet.Wat had ik graag Couperus’ verhaal aan haar verteld! Veel Hagenaars vroegen zich af wanneer hij schreef. Ze merkten er nooit iets van, hij bezocht zo ongeveer alle soirees, presentaties en openingen. En hij had het nooit over zijn boeken. Later bleek dat hij iedere ochtend van acht tot tien schreef, niet een keer in de week, maar altijd. Hoeveel kun je in twee uur met een kroontjespen schrijven? Dat valt allemaal reuze mee: toch al snel 1500 woorden. En Couperus hoefde er niet veel in te veranderen, dat had hij dan weer. Per jaar is dat dus pak weg 525. 000 woorden. Als je weet dat een roman van 300 pagina’s ongeveer 100.000 woorden telt, dan kun je snel uitrekenen hoe Couperus aan al zijn boeken kwam. Hij schreef ze ’s ochtends en stortte zich vervolgens in het Haagse uitgaansleven om het allemaal in het echt te zien en te horen.
Dat laatste doe ik dus af en toe ook wel, maar voor de rest fiets ik alleen bewonderend langs het Couperus huis. Verdomme, die Couperus.Ja, als ik zo zou werken, moest je eens kijken wat er dan ging gebeuren. Twee uur per dag schrijven, het moet toch te doen zijn, ik heb ideeën genoeg, laatst nog een plan voor een trilogie over een familie met een duister verleden. En een idee voor een boek over een houten pop die uiteindelijk mens wordt. Of een boek met een walvis erin. Of een roman over een oude man die met aapjes en hondjes op dorpspleinen en kermissen optreedt en een jongen adopteert. Ik was die oude man. Of heb ik dat verhaal al ergens anders gelezen?

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Tango en vrouw, Theo van der Wacht

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Theo van der Wacht

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Licht

Nav Zó Hollands –Het Hollandse landschap in de Nederlandse kunst sinds 1850,
Frans Hals Museum, De Hallen Haarlem (cg)

Luchten boven een landschap bepalen de stemming van dat landschap. ‘Wat voor licht had je gedacht voor die scène?’ vraagt de lichtman aan de regisseur van het stuk. Die vraag stelt de landschapschilder zichzelf. En net als de lichtman in het theater kan hij kleuren mengen totdat hij de sfeer heeft die hij zoekt. De lucht maakt het land licht of zwaar/donker, met alle stemmingen daartussenin.

De tentoonstelling in Haarlem over ‘Het Hollandse landschap’ biedt ook abstraheringen, licht zonder landschap, licht in leegte. Het licht valt dan op de beschouwer van het doek. Dat licht kan zo sterk zijn dat het ongefilterd bij de beschouwer binnenkomt en hallucinerend gaat werken. Er is één kunstwerk op de tentoonstelling dat die uitwerking heeft en alleen dat kunstwerk maakt de gang naar De Hallen al de moeite waard. Ik heb het over het titelloze drieluik van Jan Wolkers dat een gehele muur van de zijzaal op één hoog beslaat, olieverf op doek, drie bij zes meter. Geïnspireerd door zijn werk met glas en het Texelse licht is de kunstenaar erin geslaagd zijn dooreenwerking van vlekjes in blauw, paars, wit, groen en alle tussenliggende kleuren te laten stralen. Je staat voor het kunstwerk en knippert met je ogen. Het is zinloos een foto van het drieluik aan dit stukje proza toe te voegen. Zo’n afbeelding zou niet meer zijn dan een substraat. De magie bevindt zich tussen het doek en de beschouwer in. Wolkers was een groot kunstenaar.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Hurkende reus, door Wim Noordhoek

Bij de Houtribsluizen in Lelystad – aan het begin van de dam naar Enkhuizen – zit sinds vorig jaar juli een zesentwintig meter hoge hurkende man. Aan het IJsselmeer. Ontworpen door de Engelsman Antony Gormley.

[tag]‘Exposure’ heet het beeld. Dat de man doet denken aan een elektriciteitsmast komt omdat ie gemaakt is uit 1800 pijpen verzinkt staal en gebouwd door de firma Had Fab Ltd in Schotland, die gespecialiseerd is in elektriciteitsmasten.
Hij weegt 60.000 kilo maar oogt licht.
‘Een lichaam, niet als ding, maar als plek,’ zegt Gormley.
Ik probeer hem te volgen.
Vast staat dat de reus is gaan zitten in een uitgestrekte, ongerepte ruimte. Lelystad ligt achter de dijk, de Markermeer blinkt onder een wolkenmassa. Je ziet hem al van ver, van alle kanten. Daarvoor moet je in Flevoland zijn.

Flevoland kent meer elektriciteitsmasten dan welke provincie ook. Van jongsaf heb ik figuren in ze gezien.
Die met gespreide armen draden ophouden.
En nu is er één moe geworden. Heeft z’n draden er bij neergegooid, is gaan zitten en in gedachten verzonken.

Gepost in Columns | Plaats een reactie