Extaze 3

De pers over Extaze 3

Leeuwarder Courant, woensdag 2 mei 2012, door Aletta Schweigmann-Snoekc

de Volkskrant, zaterdag 5 mei 2012, door Arjan Peters

AD, maandag 7 mei 2012

Avondlog, Wim Noordhoek

H E T  N I E U W E  N U M M E R

Pulchri in Extaze: presentatie Extaze 3
10 mei 2012, aanvang 20.00 uur

Radiointerview met Cor Gout op Radio Discus over Extaze

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Reageren uitgeschakeld

Wie zijn wij, een ABC-tje, door Duco van Weerlee, tekeningen Diederik Gerlach

Van zeg eens Ah naar slaap maar Zoet. Van ademen naar zoemen. Van aandacht naar zien. Is dat moeilijk, is dat makkelijk, nee het is moeiteloos, een abc-tje. Natuurlijk is het simpel, anders zouden alleen gestudeerde mensen gelukkig kunnen worden. Voor deze categorie is het eerder lastig, want het ligt zo voor de hand dat je het over het hoofd ziet. En om maar meteen een antwoord te geven op de vraag wie wij zijn, citeer ik met graagte de dichter K. Michel:

Wij zijn de zee

Wij zijn de schipbreuk

Wij staan op het strand.

En wie mag dan wel de taalkundige zijn die dit ABC-tje opschrijft? Zie onder de e van ego.

Het gaat hier om een geheimschrijver, een bezonken clown, die om zich heen kijkt met een beetje spot, overwegende dat de diepte begint aan de oppervlakte. Het praktisch nut van bezinning is levenskunst. Leve de ruime blik. Zie de p van perspectief.

A N D A C H T

Aandacht is een levensnoodzaak. Kinderen die geen aandacht krijgen, verkommeren en gaan dood. Ouderen die geen aandacht krijgen, vereenzamen en verliezen hun levenslust. Aandacht is liefde -  gerichte, praktische liefde, die het alledaagse, het vale en kleurloze, geur en kleur geeft en het doet schitteren en blinken. Je hebt er niets en niemand voor nodig, geen geld, geen opleiding, zelfs geen verstand. Vandaar dat kinderen en armen van geest een voorsprong hebben, want die hebben geen last van hun verstand. Die zijn gewoon wat ze zijn, vitaal en stralend, blij verrast en wreed.

Aandacht kan naar binnen gericht zijn en naar buiten. De naar binnen gerichte aandacht is als een accu die wordt opgeladen door hem aan te sluiten op een energiebron. Mensen zijn wandelende takken, planten op pootjes. Doordat we niet met wortels vast zitten in de grond, lijken we mobieler en zelfstandiger dan we zijn. Maar we zijn ooit in het leven geschopt door dezelfde kracht die ons in leven houdt zolang we ademen en dat moeten we ons soms even herinneren. Al was het maar om onszelf in de juiste proporties te zien en de afgescheidenheid op te heffen. Die innerlijke aandacht is een vorm van eigenliefde die niet mag worden verward met narcisme. Je kunt aandacht voor anderen net zo goed een vorm van eigenliefde noemen. Bemin je de ander niet als jezelf?

Wordt vervolgd (regelmatig verschijnt hier een nieuwe letter)


Gepost in Columns | Plaats een reactie

Column Anne Roelofsen

Deel 1

Vraag aan Oom W

Vandaag gaat het gebeuren. We zijn een weekend weg met de familie en op een geschikt moment, wil ik mijn oom W vragen om met mij naar Indonesië te gaan. Ik wil samen met hem uitzoeken hoe het nu zit met het Indische bloed in de familie.

Officieel was alleen mijn opa een kwart Indisch, mijn oma was 100% Nederlands. Maar iedereen die bij de familie op bezoek kwam, ging er van uit dat de Indische genen van mijn veel donkerdere oma afkomstig waren. Zo ook ik, toen ik een klein kind was. Het moment dat mij werd verteld dat opa Indisch was, en niet oma, nam ik dat voor waarheid aan en speelde verder met mijn lego.

Pas veel later, toen zowel mijn grootouders als mijn vader allang dood waren, ging ik nadenken. Het is toch wel gek dat de donkerste, meest Indische van de familie, mijn oma, niet Indisch was. Mijn lieve oma met spannende verhalen over dat verre land, waar ze als huisdier een aap had. Mijn lieve oma, die haar hele leven lang terug wilde naar de plek waar ze geboren was, en elke keuze in haar leven baseerde op de mate waarin het de kansen op terugkeer vergrote. Mijn lieve oma, die uiteindelijk nooit terug is geweest in het land waar ze altijd zo naar verlangde.

De Indische achtergrond had impact op de familie. In eetgewoontes, in sfeer en in de maatschappij. De jongens – mijn grootouders hadden vijf zoons – werden door hun donkere koppies vaak met wantrouwen tegemoet getreden. En mijn vader had een neiging tot depressie en zelfdestructie, die direct met zijn Indische achtergrond in verband stond. Als (deels) Indische jongen was hij minder waard. Misschien vond hij zelfs dat hij het leven überhaupt niet waard was. Hoe dan ook, hij kon zijn draai niet vinden en stierf jong en ongelukkig, toen ik midden in mijn puberteit zat. Zo had de Indische achtergrond ook een enorme impact op mijn leven.

Van de vijf broers waren mijn vader en Oom W het donkerst. Was het toeval dat juist Oom W in het gat sprong, dat na mijn vaders overlijden ontstond? Hij was er toen ik rouwde, hij was er toen ik trouwde, hij was er toen ik met mijn moeder in de clinch lag. Met wie anders dan Oom W kon ik deze reis maken?

Op een rustig moment ging ik naast hem zitten. De zon scheen en we zaten op een campingmatje in het grasveldje van het vakantiehuis. Ik kon zijn ogen niet zien toen ik hem mijn plan uitlegde. Terwijl ik praatte keek ik naar zijn zonnebril en voelde ik mijn hartslag achter mijn borst. Toen ik klaar was, was het even stil. Daarna zei hij met overslaande stem dat hij graag met me mee wilde.

Deel 2

Het eeuwige verlangen

In voorbereiding op onze reis verzamel ik wat boeken over Indië. Ik weet weinig over Indië. Geschiedenis op school ging – in mijn herinnering – elk jaar weer over de tweede wereldoorlog in Nederland. Je bent nooit te laat om te leren, dus ik spijker mijn kennis bij. Zo kom ik erachter dat de meeste Nederlanders in de jaren 20 van de vorige eeuw naar Indië gingen. Een eeuw daarvoor -begin negentiende eeuw- vertrokken er veel militairen, eind negentiende eeuw werden veel ambtenaren naar Indië gestuurd. Bij die laatste groep hoort de vader van mijn oma.

Nog meer dan de historische boeken, lees ik de romans, omdat deze mij meer een gevoelsmatig beeld geven van hoe het Indië van toen was. Zo treft mij de beschrijving van een bediende die de hele avond achter zijn baas aanloopt, met als enige functie het rondslingeren van het smeulende uiteinde van een touw. Dit opdat iedereen kon zien dat er een belangrijk man langsliep. Situaties waar ik me hier en nu weinig bij voor kan stellen.

Het meeste raken mij de zinnen aan het einde van de roman Oeroeg, van wijlen Hella Haasse. “Als het waar is, dat er voor ieder mens een landschap van de ziel bestaat, een bepaalde sfeer, een omgeving, die responsieve trillingen oproept in de verste schilhoeken van zijn wezen, dan was – en is – mijn landschap het beeld van berghellingen in de Preanger”

Precies zo herinner ik me mijn Oma. Als een vrouw met haar ziel elders dan hier. Als een vrouw die haar jaren in Holland ziet als tijdelijke jaren. Als wachten op terugkeer naar huis. Ze ging farmacie studeren, omdat ze daarmee terug naar Indië zou kunnen. Ze trouwde mijn Opa, een (deels) Indische man, die ook wel oren had naar terugkeer. Ze leefden hun tijdelijke leven hier, in afwachting op het echte leven dat daar weer verder zou gaan. En toen viel Japan Indië binnen. In dat jaar, 1942, kwamen telkens weer berichten uit Indië over familieleden en vrienden die gevangen genomen waren en alles waren kwijtgeraakt. 1942. Mijn vader groeide in haar buik. Gelijktijdig verschrompelde er iets. Haar hoop ooit naar Indië terug te kunnen keren. Haar hoop ooit terug te kunnen naar huis.

Haasse schrijft: “Mijn verlangen om naar Indië terug te gaan en daar te werken, berustte in hoofdzaak op een diepgeworteld gevoel van saamhorigheid met het land, waar ik geboren en opgegroeid was. De jaren, die ik in Holland had doorgebracht, hoe belangrijk ook, telden voor mij minder dan mijn jeugd en schooltijd ginds.”

Mijn Oma was een actieve en sociale vrouw. Ze had verschillende banen, een lang en gelukkig huwelijk, vijf kinderen, evenveel pleegkinderen en was lid verschillende sociale- en sportclubs. Toen ze op 96 jarige leeftijd stierf, pasten we niet in de aula van het crematorium. En toch. De eerste 16 jaar in Indië waren de jaren die echt telden. De 80 jaren daarna in Nederland, hoe actief ook, waren eigenlijk voor spek en bonen.


Deel 3

Eerste les Bahasa Indonesia

In het huis in Schiedam waar mijn vader en ooms opgroeiden, switchten de volwassenen naar het zogeheten Pasar Maleis, als ze iets bespraken wat de kinderen niet mochten horen. Maleis werd (en wordt) in een groot deel van Azië gesproken. De letterlijke vertaling van Pasar Maleis is “markt Maleis”, kortom een taal die je nodig hebt om met de bediening op de markt je inkopen te kunnen doen.

Pasar Maleis bestaat niet meer, al was het maar omdat het woord van weinig respect getuigt. Behasa Indonesia bestaat wel en is de officiële taal van Indonesië. Naar ik begrijp verschilt het niet veel van de taal die mijn grootouders onder de knie hadden. Ik meld mij aan voor een cursus bij de Indonesische school in Wassenaar. Ik moet er op zaterdag om 10.30 zijn en de les duurt tot 12.30. Aangezien mijn maag doorgaans rond 11 uur al begint te rammelen, neem ik een pakje drinken en een Liga mee.

In school tref ik een divers gezelschap aan. Er is een jonge vent die voor zijn werk regelmatig in Indonesië moet zijn, er is een dame die getrouwd is met een Indo en er is een man die in Indonesië geboren en getogen is. Hij heeft in een jappenkamp gezeten en weet niet precies hoe Indisch hij eigenlijk is, wel weet hij dat Indonesië in zijn bloed zit. Dat hoor je eigenlijk van iedereen die daar opgegroeid is: Indonesië zit in hun bloed en of daar ook een genetische component bij komt kijken, is eigenlijk niet relevant.

Ik blijk de enige beginner te zijn, en moet dus naar mijn eigen klaslokaal, met mijn eigen docente: een prachtige dame met dito hoofddoek. Ik zit nog niet, of ik krijg een kopje thee, een aantal stukken bakbanaan en een stuk spekkoek. We beginnen bij de basis: ik leer te vragen “wat is dit?” en ik leer een paar voorwerpen te benoemen. Sommigen zijn duidelijk uit het Nederlands afkomstig, zoals kantor (kantoor), lampu (lamp) en tilpon (telefoon). Na een uurtje oefenen is het pauze. Uit een plastic zakje achter in de klas komen bakjes tevoorschijn. Bakjes rijst met pittige groentesaus en een gebakken ei eroverheen. Voor elke student één. We eten en kletsen en gaan door met de les. Ik leer de basisregels van Indonesië: 1. Je gelooft in een opperwezen.  2. Je gelooft in rechtvaardigheid en beschaafde menselijkheid. 3. Je koestert nationale eenheid en voelt je niet beter dan een ander.  4. Je doet alles in overleg. 5. Je bent sociaal, zorgt voor anderen.

Aan het einde van de les krijg ik nog twee bakjes eten mee. Voor mijn kinderen. De bakjes doe ik in mijn rugzak. Ze liggen naast mijn onaangebroken Liga.

Deel 4

Reis boeken

De laatste keer dat ik met mijn oom naar het buitenland ging, was 25 jaar geleden. Ik zat met mijn vader en de rest van ons gezin in een vakantiehuisje, hij zat met zijn vrouw en kinderen in het huisje ernaast. Soms zetten we als kinderen onze vaders naast elkaar en gingen we beslissen wie van de twee broers de grootste flaporen had. Nadat we een keuze gemaakt hadden, probeerden onze vaders ons te vangen en kregen we ‘kattenstraf’, wat neerkomt op de kieteldood. Eenmaal bijgekomen van de achtervolging en de kieteldood, vroegen we onze vaders weer om naast elkaar te gaan staan en velden we als kinderen weer een oordeel over hun flaporen. Om weer opnieuw gevangen te worden en kattenstraf te krijgen.

Onze trip naar Indonesië wordt de eerste reis sinds toen. Hoewel ik inmiddels volwassen ben geworden, en mijn oom kattenstraf uitdeelt aan mijn kinderen in plaats van aan mij, blijft het leeftijdsverschil op andere manieren zichtbaar. Waar ik er automatisch vanuit ging dat we alleen een vliegticket zouden kopen en de rest terplekke zouden regelen, bleek dat mijn oom er automatisch vanuit was gegaan dat we alle hotels vooruit zouden boeken. Waar ik genoeg heb aan een bezemkast om in te slapen, wil mijn oom graag een goed bed met een acceptabele WC en douche bij de kamer. Door de voorbereidingen op de reis komen we stapje voor stapje achter elkaars voorkeuren en reiswensen en zoeken we uit hoe we elkaar tegemoet kunnen komen.

De enorme variatie aan informatie over reizen in Indonesië schept in dat proces veel verwarring. Vrienden van mij zeggen zelf voor 5 euro per nacht te hebben geslapen, maar geven aan dat je voor 15 euro in een paleis met airco ligt. Mijn oom oriënteert bij een reisorganisatie en krijgt te horen dat een acceptabele kamer met airco 50 euro per nacht kost. Gelukkig vinden we elkaar wel snel in het besluiten wat we willen zien. We landen op Jakarta en gaan dan via Bogor naar Bandung, waar mijn oma opgroeide. We hebben haar adres nog, dus we hopen haar oude huis te vinden. Daarna gaan we via haar vakantie adres in Lembang met de trein naar Yogjakarta en Malang. De geboorteplaats van mijn opa, Semarang, slaan we deze keer over. Mijn oom zou daar, als gepensioneerde man, absoluut tijd voor hebben, maar ik wil en kan mijn kinderen, man en werk niet langer dan twee weken achterlaten. Ook hierin is ons verschil in levensfase zichtbaar en ook hierin moest één van beide water bij de wijn doen. Er zullen nog veel momenten volgen en alle keren zullen we er goed uitkomen. We willen namelijk graag dit avontuur samen aangaan. Dit hoort daarbij.

Anne Roelofsen

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Aanwezig, afwezig, door E. M. Kort

Religie, liefde en kunst zijn, elk op zich, mogelijke antwoorden op het onoverkomelijk verlangen essentieel te zijn tegenover de wereld. Maar het enige, althans tijdelijk, afdoende antwoord waar dit verlangen buitensporig is, en tegelijk de twijfel grenzeloos, is kunst. […]
God zwijgt, de geliefde is wisselvallig en het kunstwerk is dood. Dat is de tragiek van de kunstenaar. De kunstenaar is nochtans niet veeleisend. Hij wil maar één ding. Het onmogelijke.1

Voor het nieuwste nummer van Extaze zoek ik naar een kunstenaar die met het thema ‘oorlog’ werkt en alles wat daarbij hoort. Onderweg, fietsend door de Haagse binnenstad naar de galerie Maurits van de Laar, overdenk ik mijn bezoek aan What’s Up! De jongste schilderkunst in Nederland. Het klinkt naar een App voor je Iphone of Blackberry, maar is een tentoonstelling in het Dordrechts Museum, een van de oudste musea in Nederland, dat een selectie toont van dertig Nederlandse schilders onder de veertig jaar. Ik vind het geen pluspunt dat de titel opgeleukt is, maar ik ben dan ook veertig plus. Daarnaast denk ik onwillekeurig even aan de selectieprocedure: ‘Nee die niet, die wordt morgen eenenveertig…’
Wanneer je op de website van een willekeurige bibliotheek naar boeken zoekt en het woord ‘leeftijd’ intypt, verwijzen bijna alle resultaten naar boeken over de middelbare leeftijd, midlifecrisis of de ouderdom. Alsof leeftijd pas bestaat wanneer je boven de veertig bent.
Veel doden, de laatste tijd. Het (‘papieren’) boek schijnt ook al dood en de schilderkunst is al menigmaal doodverklaard, maar afgaand op deze tentoonstelling wordt er in Nederland in elk geval nog driftig met de verfkwast gezwaaid. Zoals altijd als ik een tentoonstelling bezoek hoopte ik iets te zien waardoor ik verlicht, verrast en zo mogelijk zelfs meegevoerd zou worden. Het stempel ‘jongste schilderkunst in Nederland’ voegde daar nog een verwachting bij van passie en geloof in de toekomst.
Die verwachting werd ‘bijna niet’ ingelost. De tentoonstelling geeft een enorme diversiteit te zien, waardoor het geheel een beetje oogt als een zandbak met leuke speeltjes. De meeste werken vind ik op zichzelf wat zielloos. Zou het komen doordat de meeste jonge kunstenaars tegenwoordig met bestaande beelden werken en weinig of niets meer uit zichzelf halen? Volgens de catalogus van What’s up! zoekt deze generatie niet meer naar vernieuwing, maar begint eenvoudigweg opnieuw.
Interessant zijn de ambachtelijke ontwikkelingen, het gebruik van mengvormen met computertech­nieken en de flirts met andere disciplines. De moderne kunstenaar lijkt daarbij niet of nauwelijks meer naar de natuur te werken, maar zijn voorbeelden eerder uit de digitale afbeeldingenencyclopedie op het internet te halen. Herhaling, herinnering en kopiëren is de taal van de moderne kunstenaar.
De druk van de meesterwerken uit het verleden is groot. De jonge schilders bevechten moedig een positie. Sommigen proberen aan de dwang van de vernieuwing te ontkomen, wat soms in verschuilgedrag en het gebruik van lichte toetsen resulteert, zoals bij Kim van Norren, die zware teksten met vrolijke kleuren combineert om de boodschap voor de kijker dragelijker te maken. Dit in tegenstelling tot Tjebbe Beekman, die sterke fysieke schilderijen maakt, in meerdere lagen, waarbij het beeld een commentaar is op de realiteit. Maar nergens schuurt het werkelijk.
Waar moet je in deze wankele tijden ook nog in geloven? Is er nog vernieuwing mogelijk in de kunst? Is dat nodig? De moed is hier wel voelbaar, en die appelleert hoe dan ook aan het geloof van de toeschouwer in wat hij ziet.

In de Haagse galerie Maurits van de Laar word ik getroffen door de sterke beelden op de tekeningen van Natasja van Kampen (leeftijd net boven de veertig). De tekeningen werden gepresenteerd op een groepstentoonstelling met de intrigerende titel Der Reiz des Bösen, De verlokking van het kwaad.
Als leidraad in haar werk fungeren historische en meer recente conferenties van wereldleiders en andere mannen (en steeds vaker vrouwen) met macht. Haar fascinatie met deze vergaderingen is ontstaan door de film Dr. Strangelove van Stanley Kubrick 2. De ronde tafels in de tekeningen roepen een illusie op van saamhorigheid, terwijl de aanzittende figuren de wereld ondertussen uit elkaar laten vallen of verdelen, als ware het taartpunten. De ronde tafelvorm zou je kunnen interpreteren als een klok, terwijl de herhaling van de rondetafel-conferenties het idee wekt dat men in de loop der tijd niet wijzer is geworden. Op een aantal afbeeldingen zie je mannen in strakke pakken die tot poppen zijn getransformeerd, waardoor de suggestie ontstaat dat het beslissen over leven en dood in die hoedanigheid gemakkelijker is. De figuren zijn soms ingekleurd met zwarte vlakken. Bij een aantal zie je alleen de contouren, aanwezig en afwezig tegelijk, als figuranten. De hoofdrolspelers zijn inwisselbaar, de gebeur­tenissen en de gevolgen niet. Natasja van Kampen laat je geloven in haar kunstwerken.

E.M. Kort

1 Patricia de Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid, Essays, Meulenhoff, Amsterdam / Kritak, Leuven, 1993
2 Dr. Strangelove, or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1964)

Natasja van Kampen, Yalta, 2008

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Tien Geboden voor een literair tijdschrift, door Cor Gout

In SLAA jaargang 2, nummer 3, formuleerde Lisa Kuitert Tien Geboden volgens welke een literair tijdschrift zou moeten leven. Stof tot nadenken voor een redacteur van een kersvers literair tijdschrift (Extaze). Die activiteit leidde tot enige bedenkingen en aanvullingen:

1 Gij zult een abonnement nemen

De ‘gij’ zijn de schrijvers en (eventueel) beeldende kunstenaars die een bijdrage insturen. Of die handeling voortkomt uit een gevoel van verbondenheid met het blad is zeer de vraag. Vaak gaat het de schrijvers erom ‘ergens’ gepubliceerd te worden. Bij schrijvers die een stuk ‘op bestelling’ leveren ligt dat weer anders. Zij geven aan het verzoek van de redactie gehoor omdat ze de uitdaging willen aangaan. Daarbij kan sympathie voor het blad een rol spelen, maar een abonnement nemen gaat een stapje verder.

Dat de inzender van een stuk zich door middel van abonnement aan het blad verbindt, valt te prijzen. Hem of haar daartoe verplichten kan niet.

2 Geen overstap maken naar internet

Een papieren tijdschrift is ‘een ding’, dat je wilt bewaren doordat de bijdragen in woord en beeld en mogelijk ook de uiterlijke vorm van het tijdschrift blijvende waarde hebben. Computertechnieken kunnen bijzondere esthetische resultaten genereren, maar die blijven plat op een scherm en vluchtig. Lezers en kijkers houden er nog altijd van iets in hun handen te hebben.

Een website naast het papieren tijdschrift biedt een meerwaarde. Het digitale ‘bijblad’ is geschikt voor de actualiteit (bijvoorbeeld een literaire agenda), voor recensies, voor afbeeldingen die niet passen in het concept van het papieren blad, voor columns en voor stukken die het papieren blad ‘net niet’ gehaald hebben (de website dus als broedplaats voor de broedplaats die het papieren blad ook al is, maar dan op een ander niveau).

3 Geen themanummers

Dit gebod laat Kuitert met name gelden voor fictie. Een opgelegde thematiek zou ten koste gaan van de ongedwongenheid. Ik betwijfel dat.

Een volledige ongebondenheid van stukken heeft een groter bezwaar: dat van de losse eindjes en de grabbelton: het tijdschrift als verzamelbak. Je kunt de thematiek ook losjes hanteren, als een rode stippellijn die door het blad loopt. Beeldend werk kan van die voorzichtige thematiek gebruik maken. Onze ervaring is dat schrijvers veeleer gestimuleerd worden en geïnspireerd raken door een aangegeven thema dan dat ze zich erdoor ingeperkt voelen. Een tijdschrift is ook een compositie. Een thema kan ertoe bijdragen dat het blad een eenheid wordt, ook als het niet stringent is doorgevoerd.

4 Geen lifestyle- of special interest-blad

Een ‘literair voetbaltijdschrift’ is vlees noch vis, geeft Kuitert als voorbeeld.

Dat is zo. ‘Hard Gras’ is nooit een literair voetbaltijdschrift geweest, maar zelfs al was het dat: de lezer ieder kwartaal opzadelen met literatuur die als onderwerp ‘voetbal’ heeft? Het zou onverteerbaar zijn.

5 Geen subsidie aanvragen, een tijdschrift moet zichzelf kunnen bedruipen

Onze uitgever (In de Knipscheer) zal een gat in de lucht springen wanneer hij zijn druk- en distributiekosten kan terugverdienen. Maar wie betaalt de redactie, de vormgever, de vaste medewerkers? En moeten de bijdragen van schrijvers en beeldend kunstenaars onbetaald blijven? En wat te denken van de presentaties, de literaire avonden die de redactie organiseert?

6 Geen vriendjespolitiek

Als dit gebod betrekking heeft op vriendjes wier bijdragen worden geplaatst omdat ze vriendjes zijn en nergens anders om… dan… ja, natuurlijk. Het is al een gebod van de informele logica. Maar bekend zijn met de kwaliteiten van een bevriend schrijver is een voordeel. Je kunt hem/haar vragen een bijdrage te leveren die past binnen een thematiek en/of die de kwaliteit van een nummer kan verhogen.

7 Onafhankelijkheid van de uitgever

De uitgever mag nooit het redactioneel beleid (mede) bepalen. Een redactie moet onafhankelijk zijn. Zeker. Maar samenspel tussen uitgever en redactie heeft grote voordelen. Er is niets tegen wanneer de uitgever schrijvers ‘doorstuurt’ naar het tijdschrift, zolang die tips maar vrijblijvend zijn. De redactie kan op haar beurt de uitgever adviseren over schrijvers die in het blad hebben gepubliceerd (meestal kent de redactie meer van hun werk dan wat in het tijdschrift werd afgedrukt).

8 De prijs afstemmen op het gebodene

Is het niet zo dat die prijs is gebaseerd op de productiekosten en de winst- of break-even-berekeningen van de uitgever? De lezer bepaalt of de kwaliteit van het blad de vastgestelde prijs billijkt.

9 Tijdschriften in estafettevorm uitbrengen. Je neemt een abonnement en krijgt iedere keer een ander tijdschrift toegestuurd, zodat je later een keuze kunt maken.

In deze opzet zie ik niets. Kranten en websites kunnen aangeven welke literaire tijdschriften er bestaan en wat ze te bieden hebben. Lezers willen niet zomaar een tijdschrift voor hun abonnementsgeld, ze willen een tijdschrift waarvoor ze bewust gekozen hebben, waar ze zich wel bij voelen.

10 Opheffen als er geen belangstelling voor is

Dat merk je vanzelf aan de verkoop van losse nummers en abonnementen. Een goede reden zou ook kunnen zijn dat de redactie de kwaliteit die zij nastreeft niet langer kan leveren. De formule is uitgewerkt, goede bijdragen blijven uit, de kwaliteit blijft afhankelijk van steeds dezelfde schrijvers… En er zijn meer oorzaken te bedenken.

Ter vervanging van Gebod 9 stel ik de volgende keuzemogelijkheden voor:

9.1 Mijd een veelkoppige redactie

Laat de inhoud nooit bepalen door het principe van ‘de meeste stemmen gelden’.

Een literair tijdschrift gaat uit van een concept. Volgens die richtlijn wordt het blad samengesteld, ‘gecomponeerd’. De keuze van stukken is geen democratisch, maar een artistiek proces. Laat iemand dat proces bewaken en daarbij openstaan voor suggesties, ideeën en adviezen van medewerkers en lezers. Problemen hoeven er niet te ontstaan. Over kwaliteit kun je het meestal wel eens worden en een goed stuk dat niet in een bepaalde uitgave past kan wel geschikt zijn voor een ander nummer. Het voordeel van een tijdschrift is dat het voortdurend in beweging is. Daarom is het ‘runnen’ ervan zo’n vitaal en stimulerend project.

9.2 Geen dubbelnummers

Dit excuus voor het niet tijdig kunnen produceren van een regulier nummer zal vooral door de abonnees met moeite worden aanvaard.

9.3 Geen journalistiek

Voor journalistieke bijdragen (nieuws, recensies, interviews, columns) bestaan andere media: websites, dagbladen, opiniebladen. Een literair tijdschrift schaf je aan voor literair proza, poëzie en essayistiek.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Julien Larroque, Een droomverzoek vanuit Finland

Riikka Pulkkinen, voor ik maar een letter van haar debuutroman gelezen had, een van mijn favoriete schrijfsters. Ach, ik heb altijd al een zwak gehad voor artistieke brunettes, liefst een beetje excentriek, melancholisch en knap. Ben ik op zoek naar een ideale weerspiegeling? Oeps, dat klinkt verwaand maar wees gerust; als ik in de spiegel kijk zie ik doorgaans iets compleet anders. In een van mijn talrijke dagdromen vormen Riikka en ik een weergaloos schrijversduo. We zijn bezig met het schrijven van een ludieke, romantisch en melancholische roman. Ja ja, een verhaal dat een flink aantal mensen over de wereld zal meeslepen; naar een ander licht, een ander bestaan, op andere gedachtes. Om nog maar te zwijgen over de filmrechten. Ik ben benieuwd wie ze voor de hoofdrollen casten.

Ergens in Finland verblijven we samen in een afgelegen houten buitenhuisje. De eenvoudige constructie ligt via krakkemikkige vlonders aan een gigantisch afgelegen meer. Ik heb er nog geen prehistorische zeemonsters kunnen bekennen maar blijf hoopvol turen. Als ik in de loop van een koude ochtend vermoeid geraak en mij ongeconcentreerd achter de laptop bevind. Het even niet meer weet (iets wat veel te vaak voorkomt) neemt Riikka het van mij over. Ik maak plaats en ze gaat zitten. Nauwkeurig leest ze mijn werk door, verzinkt in gedachten en begint op zwierige wijze verder te typen, de schat.

Met een teveel aan gedachtes over personages en subplots loop ik naar de keuken. Daar schenk ik twee glazen jus’d orange in. Mijn jus mix ik met enkele centimeters wodka. Haar oranje gezondere glas zet ik op een onderzettertje binnen haar handbereik. Ze merkt het niet, kijkt niet op of om, zo driftig is ze bezig de meest prachtige zinsconstructies te formuleren. Ik moet haar nu niet storen. Zulke momenten van concentratie en creativiteit onderbreken is ronduit misdadig. Onder het heerlijke geruststellende getik van het toetsenbord lees ik een krantje met mijn smakelijke ‘screwdriver’.

Verschillende sandwiches, salades en een thermoskan hete koffie heb ik om twaalf uur in de buitenlucht klaarstaan. Riikka ruikt de koffie, strekt zich uit, staat op en likt haar lippen. Niet voor voor niets, want met een vluchtige smakelijke kus nemen we afscheid van de ochtend. We betreden de scheve vlonders van het veranda waar twee stoeltjes en een wit rond tafeltje klaarstaan. De heldere Finse lucht is ijzig koud, maar gelukkig staat er geen wind. Ik sluit mijn ogen en adem de koele lucht langzaam in. We genieten van de verfrissing en versnaperingen en zien dat zich een dun laagje ijs op het meer begint te vormen.

Tijdens het eten bespreken we (te) gecompliceerde plotontwikkelingen en of bepaalde personages nou wel of niet moeten sterven. Scheppers in overleg over het (nood)lot van onze creaturen. Als onze personages dat eens wisten! We bereiken een soort van overeenstemming en Riikka oppert avondplannen waarin ze wil dansen. Jammer genoeg ben ik zo’n beetje ‘s werelds slechtste danser. Stiekem danslessen nemen, prent ik me in.  Een sauna na het avondeten zou trouwens niet verkeerd zijn, bedenk ik me. Of ik daarna in dat halfbevroren meer plons zoals het hoort? Verzakt je hart dan écht niet? Dat zou zo’n domper zijn.

Riikka ruimt af en het is weer mijn beurt plaats te nemen achter de laptop. Hetgeen zij die ochtend getypt heeft past perfect en ik ga verder waar zij eindigde. Na twee uur ploeteren, waarin de backspace helaas vaak gebruikt is, bedenk ik plots een enerverende sleutelpassage. Ik voel een verkwikking en een woordenstroom ontstaat. Essentiële pagina’s voor de ontknoping vloeien vanuit gedachtegangen naar vingers en verschijnen op het scherm. De verse zinnen lijken nagenoeg vergeten jeugdvrienden. Al jarenlang uit het oog maar nog nét niet uit het hart verloren. En daar staan ze plots; op het beeldscherm voor mijn neus! Waar ze zomaar vandaan komen weet ik niet. Misschien heb ik ze ooit gedroomd, wilden ze altijd al teruggevonden, herinnerd worden.

Als de zon in tweeën is doorklieft en langzaam lijkt te verdrinken in het meer leest Riikka de passage. Ze geraakt ontroerd, wat mij dan weer ontroerd. Liefdevol slaat ze haar armen om me heen. En inderdaad zeg, onze roman wordt dat magnus opus, een daverend succes. Criticasters zijn lovend. Het wordt vertaald in elke taal denkbaar en door velen met plezier verslonden. Uiteraard vertellen we nimmer wie wat heeft geschreven, maar het aantal letters is gek genoeg exact evenveel.

Natuurlijk is het maar een kwestie van tijd voordat dit alles werkelijkheid wordt. Via via via las ik ergens haar naam. En even dacht ik dat Riikka’s eigen debuutroman hier een goed bewaard geheim was. Een verborgen verhaal wat slechts een enkeling in Nederland gelezen had. Totdat plots een mega- affiche van haar debuutroman recht tegenover mijn huis hing! Haar verhaal, haar boek was vanuit Finland afgereisd en toonde zich in mijn eigen straat! Ik stond er even van te kijken.

Mijn debuutroman is nog in de maak. Het is een antwoord op haar roman, affiche en voorstel. Of ik even iets wil terugsturen, zo voelt het. Het is wat anders dan een sms’je. Dus ben ik begonnen met het schrijven van een roman die zal afreizen naar Finland. Vandaar dat ik maar snel doorschrijf want wanneer mijn roman zich via een affiche vertoont in Finland, in haar straat, tegenover haar huis, zullen we vast verheugd zijn. Verblijd dat ik heb kunnen ingegaan op haar verzoek. Stond ze me nu maar vast bij, dan ging het vlotter. Maar goed, dat is de volgorde nou eenmaal niet. Schrijven voor haar en zonder haar is eenzaam, maar is dat niet het welbekende lot van elke schrijver? Oh en mijn weerspiegeling is deze dan veranderd?

Gepost in Columns | Plaats een reactie

OP DE DREMPEL VAN DE NACHT

zacht lantaarnlicht ligt als een warme mantel dicht op straat
de vermoeide dag dommelt in afwachting van de nacht

felle schaduwen zijn tijdelijk verborgen op deze zomeravond
een enkel kinderfietsje is vergeten binnen te halen

twee rijen volle bomen kijken uit naar nieuwe wind na ontij
auto’s liggen als trouwe honden te wachten op nieuwe opdrachten

een kat kruist sluipend het nog warme plaveisel
en houdt nachtwake bij een verlaten sandaal

verlichte kamers, open gordijnen; maar weinig mensen zijn zichtbaar
vandaag geen reveillon; ieder is uitgeput van vermoeiende zaken

boekenkast, bankstel; alles binnen anders maar ook hetzelfde
één collectief van clans, levend langs elkaar heen

kwetsbaar weerspiegelt het bestaan zich in levenloze lichamen
geen nocturne negeert de stilte; het leven is even leeg

ook op straat staat de bespieder deze zwoele avond alleen
niemand voelt iets voor een eenzame excursie

Michiel Hanon

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Het beeld, door Michiel Hanon

van enkele feestelijk uitgedoste, zojuist voor hun eindexamen geslaagde studenten, die in een fleurig versierde roze Buick cabriolet 1950 langzaam langs het Paleis Noordeinde rijden, op weg naar de boulevard van Scheveningen, om voor het laatst gezellig samen uit te gaan,

met een vage wens om bij elkaar troost te zoeken wegens het moeten afsluiten van een mooie periode in hun leven, terwijl vruchteloos wordt getracht de tijd te stoppen en het naderende afscheid uit te stellen,

onbewust van de daar aanwezige, voor hen symbolische grens tussen twee werelden, op welke punt zij – alvorens te gaan feesten – gezamenlijk verwachtingsvol maar nederig over zee zouden moeten uitkijken, en – als bij een soort kerkgang – de wens van een goede toekomst voor zich uit zouden moeten prevelen,

nog nauwelijks bewust van die lonkende, onbekende toekomst, van de aan de nieuwe status van jong volwassene verbonden verantwoordelijkheid voor werk en gezin, naar welke rol een deel van de groep reeds de eerste stappen zette,

nog onbewust van het nog ver in de toekomst liggende tijdstip waarop zij elkaar bij de eerste reünie zullen weerzien, bij welke gelegenheid zal worden geconstateerd dat hij of zij al dan niet is veranderd, maar goed terecht gekomen en toch wel wat dikker geworden, en oude verhalen zullen worden opgehaald over die onbezorgde tijd van studeren, luieren en feesten, terwijl van enkele afwezigen vernomen zal zijn of worden dat het niet zo goed met hen is verlopen,

als gevolg van het toevallig getuige zijn van welk beeld bij een al wat oudere, zojuist langs Willem van Oranje lopende man het beeld terugkomt van de dag waarop hij afscheid nam van zijn studievrienden,

dat hem er toe zal brengen weer contact te zoeken met die goede vriend uit zijn studietijd die niet op de laatste reünie aanwezig was, kennelijk omdat het leven hem niet had gebracht wat hij ervan had verwacht, toen zij met elkaar in een rode 2CV 1963 naar Scheveningen reden, en hij op die reünie niet geconfronteerd wilde worden met het oneerlijke en onvermijdelijke verschil in het geluk dat mensen in hun leven ten deel valt.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Schrijverschap, door Mischa van den Brandhof

Schrijverschap

volgens traditioneel recept

- BENODIGDHEDEN -

1 dl bloed

80 ml nachtmerrie zweet

2 eetlepels tranen

BEREIDING:

Vang eigengemaakt bloed uit verse wonden op in een kommetje. (Oude wonden kan ook, maar niet uit elkaar vallen!) In koelkast tenminste een nacht laten afkoelen. Intussen doorweekte pyama boven een teil uitwringen. Met kannetje aangegeven hoeveelheid dampend zweet eruit scheppen. Pijn toelaten tot het door het hele lichaam voelbaar is. (Voeg eventueel flashback toe.) Met de vingertoppen de opwellende tranen van de wangen strijken. Bij hevig verdriet eenvoudigweg rechtstreeks in jampotje huilen.
Breng bloed en zweet langzaam aan de kook. Onder voorzichtig roeren tranen toevoegen en ca één uur (met deksel op pan) zachtjes laten doorkoken. Haal de vloeistof van het vuur. Voor gebruik enkele dagen laten ‘besterven’ in een afgesloten inktpotje.
Serveren met kroontjespen en papier.

Gepost in Columns, Geen categorie | Plaats een reactie

Mijn vakantie, door Michiel Hanon

Een niet verstuurde ansichtkaart ligt op een kastje in mijn slaapkamer. De foto op deze kaart staat voor mij symbool voor de ideale vakantie: samen met een vriendin in een open Fiat 500 – de echte, niet de lookalike – naar Zuid-Europa trekken. Over onverharde weggetjes op weg naar de cipressen en onbekende bestemmingen. Dat is Het Echte Leven!

De vriendin is een opgeruimde, leuke vrouw met humor, liefst de vrouw die ik Mijn Vriendin mag noemen. We genieten van de vrijheid. Een klein, niet te comfortabel autootje is goed genoeg, nee leuker dan een dure bolide. Eigenlijk staat dit voor weinig hebben, maar veel genieten. Want het gaat in dit leven niet om het materiële bezit; je moet ontdekken en beleven! Rijdend schijnt de zon op onze bol, en de omgeving krijgt een steeds zuidelijker aanblik. We zijn Op Weg, het onbekende tegemoet, maar anders dan Jack Kerouac.

Ooit kwam ik in de buurt van dit ideaalbeeld, toen ik met mijn toenmalige vriendin met een kleine auto, hoewel geen Fiat 500, kamperend naar het Zuiden trok. Maar ook werd het lang geleden benaderd door een reis naar Italië, in een echte Fiat 500. Maar dit was dan weer samen met mijn broer.

Inmiddels is de verwerkelijking van een dergelijke vakantie verder weg dan ooit. Ook al zal ik de niet meer zo jeugdige zorgeloosheid nog wel op kunnen opbrengen, en kan ik ook wel voor een geschikte Fiat zorgen, de onontbeerlijke opgeruimde leuke vriendin met humor ontbreekt.

Voorlopig koester ik deze ansichtkaart, en kijk ik er met regelmaat naar, opdat ik niet vergeet.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Vroege koffiecantate aan zee, door Theo van der Wacht

Vanmorgen vroeg op weg naar Het Topje, sinds kort mijn favoriete ontbijtcafé, vergeleek een onbekende jogger mij in het voorbij stiefelen met een vroegere sportheld van naam.
Ooit werd deze op Oud Eik en Duinen met het nodige korfbalvertoon ter aarde besteld. Afgunst? Een enkele oudere onder ons herinnert zich hem vast nog wel. En op zo’n verbleekte legende schijn ik dan te lijken, deze zonnige autorijke ochtend omstreeks Kijkduin. Nog eventjes en ik bekijk mijzelf in een terrasruit als …..ach, wie zou dat nou willen horen?
In afwachting van een volgende dubbele expresso, snel even een call richting stiefmoeders maken. En als dat loeder nu weer niet opneemt, bel ik meteen mijn oudtante op, die me als altijd een van haar troostrijke drieluikjes toestopt, vandaag gestoeld op de namen De Sade, Nietsche en Alfred Nobel – ‘ Lees jongen, Lees ze! Want waar vond men nu ooit oprechtere mensenliefde dan bij deze drie illustere kerels. Nou?’ Zonder de influisteringen van dit even lieftalige als vilein geletterde tantetje, was ik nog niet voor de helft gerezen tot de ballon waar ik thans voor sta, onvolprezen adept van de onsterfelijke heer Schubert, hij en ik, ons nu eens halfpostuum verkledend als spierwitte molenaarsknechtjes, om vervolgens weer de jeugdige mondorgel virtuozen uit te hangen, samen telkens op het punt staand een nieuwe weg in te slaan, maar dit nooit zonder eerst ons tantetje met een bezoekje te verblijden. ‘Uit erkentelijkheid’, kwantificeert zij deze omwegen, die mij zeker vandaag belemmeren aan mijn eigenlijke opdracht toe te komen. Zoals de toegift voor Hare Majesteit die beslist vandaag nog, gelabeld spoedeisend, de deur uit zou moeten. Tja, hoe komt het toch dat ik tussen deze twee verrukkelijke pizzabroodjes door maar niet aan nat scheren toekom. En echt, met die hinderlijke baard in de weg krioelend, gaat het opus me deze dag nog niet voor de helft gelukken. Voor wie me niet gelooft, hier is haar nummer, bel mijn oudtante maar gerust op. Mij brulde ze zonet nog de slotmaat van de Koninklijke Lofprijzing in mijn betere oor. ‘Noten afwegen, jongen! Met mollen en kruizen spelen!’ Nog geen half uur geleden leek alles nog zo moeiteloos te marcheren, ongelooflijk, nergens een onbekende komeet in aantocht, luchtdichtheid praktisch normaal, chemie redelijk in balans…, maar dan plots god pats boem gaat het mis, stofregens belemmeren het zicht, angst en zweet breken alom uit, woorden nee, beelden ja, enkel nog beelden, en hoor!, Apocalyptische kerkklokken galmen en –oe! auw! -gillen het uit……

Na weer een hoofdomdraai kijk ik hem midden in het gezicht. Wie? Mijn held van de afgelopen tijd, ook nu weer vermomd als clown, berensterk afgebeeld op zijn nieuwste boekomslag. Het filmscript ligt al compleet met speelaanwijzingen op de schoorsteenmantel gereed voor de opslag. Maar pas op, er lekken hels gele vlammetjes vanuit het zonnige gestel van de haard, en er zijn maar drie titels waaruit we mogen kiezen:
- Familie als bloeddoorlopen satire.
- Wijsgerige kernsplijtstof op tilt.
- De reuk van een raadselachtige grap.

Theo van der Wacht

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Op weg naar het werk, door Michiel Hanon

Juist voordat ik ’s morgens, nadat ik mijn fiets heb gestald, mijn werkplek bereik, kom ik altijd op hetzelfde punt een snel lopende, strak voor zich uit kijkende jonge vrouw tegen. Waar komt ze vandaan? Waar gaat ze heen? Hoe kan het dat we elkaar iedere dag op hetzelfde punt treffen, terwijl we waarschijnlijk van zo verschillende plaatsen afkomen, en zulke verschillende routinematige dingen doen om hier te arriveren? Wanneer is dit eigenlijk begonnen? Ik werk hier al jaren, maar deze vrouw is misschien op enig moment van werk veranderd, waardoor ik haar nu tegenkom. Hoe lang zal dit nog duren?

Ik moet denken aan de jonge vrouw die ik, fietsend naar mijn werk, een tijd lang dagelijks op de Scheveningseweg in Den Haag tegemoet kwam. Ze liep kordaat voort terwijl ze een boek las. Wat kon haar bekoren, een doktersroman of Vestdijk? De Scheveningseweg is best lang, de meeste mensen zouden de fiets of zelfs de auto pakken. Maar dan is tegelijkertijd een boek lezen wel een stuk lastiger.

En dan, in een latere periode, was er de jonge, zeer slanke vrouw die, altijd in het zwart gekleed, ditzelfde traject van de Scheveningseweg afliep. Als ik vroeg was, trof ik haar nog op het verlengde van de Scheveningseweg. Ze kwam dus helemaal uit het centrum lopen. Was ze zo gek op wandelen of was hier een andere reden voor?

De vrouwen van de Scheveningseweg keken me nooit aan, wat van de lezende vrouw wel begrijpelijk is. Waar zijn de vrouwen gebleven? Ze zullen wel, net als ik, op weg naar het werk zijn geweest. Beviel het werk hun niet meer? Zijn ze overgeplaatst?

Van de jongen en het meisje in de puberleeftijd, die ik een zekere periode met fietsen aan de hand halverwege dezelfde Scheveningseweg aan de kant zag staan, kan ik me voorstellen dat dit maar een tijdje zou duren. Ze zoenden altijd innig en namen dan van elkaar afscheid. Kennelijk zaten ze op verschillende scholen. Niet dat ik denk dat hun prille liefde een kort leven was beschoren, maar op die leeftijd gaat alles snel en verandert er veel. Je komt op school en je gaat er wat later weer af. De tijdelijkheid ervan zit ingebakken. Als je gaat werken ligt dat anders.

En ik? Ik fiets al jaren dezelfde route naar mijn werk, en kijk naar de dingen die komen en gaan. De dag dat ik mijn laatste tochtje naar het werk zal maken nadert. Zal er iemand zijn die dit opmerkt?

Michiel Hanon

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Het licht breekt, door Anselma Bueler

Die ochtend werd ik wakker met een benauwd gevoel. Ik had net gedroomd dat ik in de foyer van de gevangenis zat. Er hing een sleutel om mijn hals, ik was vrij en kon zo weg lopen, maar ik deed het niet. Ik wilde nog even op een bankje zitten. Het licht om me heen voelde aan als met de ogen dicht in het volle licht. Toen kwam er van rechts een man op me af. Ik kon niet zien wie het was omdat hij in het donker gehuld was. Hij boog zich naar me toe. Even dacht ik dat hij gewoon naast me wilde zitten. We begonnen intens te zoenen. Ik voelde dat de man in het donker een zware tijd achter de rug had. Hij kwam van een psychisch slagveld en wilde bij me zijn.
De hele dag was ik van slag. Ik kon niet veel hebben. Op mijn werk in een activiteitencentrum voor psychiatrisch patiënten, viel ik uit tegen een jengelende vrouw. Ik erger me vaak aan haar onverstaanbare verongelijkte toon en die dag was het of ze rechtstreeks op mijn zenuwen zat te zeuren. In de lunchpauze had ik met mijn vader afgesproken om hem daarna uit te zwaaien. Hij had een week bij me gelogeerd, wat uitzonderlijk is, want normaal gesproken gaat hij nooit op reis zonder mijn moeder. We hebben allerlei leuke uitstapjes gedaan, zijn naar Scheveningen gefietst, over het havenhoofd gewandeld, bij Simonis enorme porties kibbeling verorberd, en Delft bezocht. In de Nieuwe Kerk bleef ik even staan bij de spreuk van het grafmonument van Hugo de Groot. ‘Ontwijk dit lijkgesteent; de Groot ligt hier begraven. Gij die niet gloeit van zucht naar kunde en vrijheidsmin’. Ik verzocht de Groot in stilte om een man op me af te sturen die groot was in zijn daden. Je weet nooit, dacht ik.
Mijn vader heeft zichtbaar genoten van de uitstapjes. Normaal gesproken blijft hij het liefst in Spanje, waar hij al geruime tijd woont. We spreken elkaar haast nooit over de telefoon omdat we allebei niet houden van bellen. We beschouwen het als een aderlating van energie. Wanneer ik dan toch een keer bel, met de allergrootste tegenzin, dan krijg ik mijn moeder aan de lijn. Zij is werkelijk verzot op bellen. Wanneer ik haar vraag iets aan mijn vader door te geven, dan doet ze dat nooit. Zo vertelde ik haar over die droom die ik had, een droom waarin mijn vader voorkwam. Hij stond onder een daklicht met een bundel van licht op hem gericht, in de badkamer en hij was volledig echt. Ik kon hem aanraken, wat ik ook deed in mijn droom. Daardoor wist ik dat het droombeeld van mijn vader echt was. Dat leek me toch wel iets om door te geven. Op het moment dat ik haar de droom beschreef wist ik al dat ze het niet zou doen. En maar klagen over mijn vader. Hoe vaak ik ook tegen haar zeg, mam, dat kun je niet van papa verwachten, het helpt geen zier, ze blijft maar negatief over hem praten.
Op mij krijgt ze zelden vat omdat mijn gedrag op de één of andere manier niet voor haar te volgen is. Ik ga net als mijn vader mijn eigen gang. Toen er eerder dit jaar kanker bij haar was geconstateerd vond ik dat vreselijk. Ik weet dat ze heel kwetsbaar is. Ze houdt eigenlijk het meest van harmonie, en ik ook. Haar negatieve buien komen voort uit een angst om te leven in deze harde wereld. Ik wil dat mijn moeder leeft, leeft als nooit tevoren. Ik ben naar de rozentuin van het Westbroekpark gegaan en heb alle engelen en gidsen die haar goed gezind zijn gesmeekt om haar weer beter te maken. Je weet nooit, dacht ik.
Een doortastende Syrische chirurg in Girona heeft meteen korte metten gemaakt met de kwaadaardige poliepen in haar darm. Mijn vader zou bellen zodra de operatie achter de rug was. Vlak voordat hij belde zag ik voor me een vergeten rood fietslampje branden op het fietspad van de Scheveningseweg. Ik wist dat de operatie geslaagd was.
De zon breekt door de koude november nevel heen. Er bellen twee oudere mannen aan, Jehovagetuigen. Ik zeg: ‘U verspilt uw kostbare tijd, ik geloof al.’ De ene man zegt dat hij het belangrijk vindt om het woord te verkondigen, zoals Jezus dat ook al deed. ‘Maar hij liep niet door de kou,’ zeg ik. De oudere mannetjes lachen om mijn nuchtere opmerking. De minst fanatieke het hardst. Vanavond wil ik uitgaan.

Anselma Bueler

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Dichters aan huis, voor Willem B. S. de Vries

Het is dat vriend Willem me mee vroeg, want voor dichters die uit eigen werk voorlezen loop ik op een enkele uitzondering na, weinig warm. Maar aan de andere kant had het ook wel wat gezelligs zo’n zaterdagje samen op stap. Bovendien zag je weer eens hoe andere mensen bivakkeerden, en wist je maar nooit wie je onderweg nog eens tegenkwam. ‘s Avonds was er een soort dichtersbal, maar hiervoor werd ik niet gevraagd, dat was gereserveerd voor Willem’s vriendin, die wel zin had in een dansje en een drankje te midden van al die mallotige dichters en hun idolate vereerders. Maar luisteren naar wat die aan dichterlijks hadden te melden, nee, dat hoefde niet voor haar. Alvorens Willem en ik afreisden, vlooiden we zowel de adres- als deelnemerslijst door. Daarmee kon je volgens ons niet kieskeurig genoeg zijn. Een aardige dichter op een minder adres of omgekeerd, dat moesten we zo goed mogelijk zien te voorkomen. Voor mij zat er eigenlijk maar één dichter tussen naar wie ik uitkeek. En niet eens zozeer om het werk, dat ik pas onlangs in de in de bibliotheek had ontdekt, maar om de persoon zelf. – Hoe zou de flamboyante taal van haar poëzie uit haar eigen mond klinken …? Vriend Willem koos er een paar meer uit, van wie mij vooral de eerste is bijgebleven, een dichtend gemeenteraadslid uit het Rotterdamse nog wel.

De romantische behuizing in het Statenkwartier verleende deze dichter- politicus een gepaste entourage. Zijn naam zei me overigens niets, maar ja, wie had er nu ooit van mijn persoontje gehoord, behalve Willem, anderhalve collega en wat naaste, nog niet afgehaakte familieleden. Wij waren, bleek al gauw, zowel de eerste als de enige bezoekers die ochtend. In de aanloop hadden we het over van alles en nog wat, behalve de poëzie. Maar na de actuele politiek en wat koetjes en kalfjes waaronder de plaats van de Nederlandse schrijfkunst in de wereldliteratuur, stond de poëet na een oogje op de klok er alsnog op ons met een paar van zijn gedichten te vermaken. ‘Eerlijk is eerlijk jullie hebben ervoor betaald.’
Om onze dichter niet met schuld op te zadelen, hij moest immers behalve die zaterdagmiddag, ook de godganse zondag nog uitzitten, lieten we hem maar vrolijk begaan. Ik herinner me van die voordracht geen woord, maar wel dat het feestelijk was, de klanken van Brahms’ Feestouverture schetteren nog door mijn hoofd.

Willem en ik vonden dit geen slecht begin van de dag, en om dat te vieren lunchten we uitgebreid in de binnenstad, en wel op ons vertrouwde adres aan de Denneweg.
Licht rozig belden we in de namiddag op huisnummer zoveel aan, waar we helaas niet terecht konden, immers vol was vol, maar gelukkig bleek er een alternatief verderop in die straat. En ja, daar nu zetelde de dichter van mijn voorkeur. Er was amper nog plaats in de uitgebroken kamer-en-suite. In de serre nestelden we ons in de vensterbank, en overzagen het strijdperk. ‘Amazones,’ fluisterde Willem, en inderdaad, andere heren behalve ons tweeën zagen we er niet. In het midden van de kamer troonde een zwaarlijvige, heerszuchtig om zich heen kijkende dame, pen en papier in de hand. Zou zij het zijn?
Op een tweezitsbankje vlak voor ons schoof een tenger vrouwtje heen en weer. Nerveus? ‘Heren,’ sprak ze ons half omkijkend toe, kom wat naar voren, want ik ga meteen beginnen met voorlezen
En zo belandde ik op dat kleine bankje naast de dichteres van mijn keuze, die prompt een boekje uit haar schoot liet glijden: losse blaadjes dwarrelden over de vloer
‘Dank u, zo raakt een mens zijn handschriftjes nog eens kwijt’, lachte ze me toe, nadat ik bukkend de boel bij elkaar had gescharreld. Uit dit boekje, met zijn lila omslag, had ik onlangs haar gedichten voor het eerst zitten lezen. ‘Niet meer in de boekhandel verkrijgbaar’, flapte ik eruit. Om die opmerking moest ze uitbundig lachen. ‘Mijnheer toch,’ zei ze, ‘De uitgever is er bijna failliet aan gegaan, dozenvol heeft hij er nog van staan, zijn zolder bezwijkt er bijna onder.’ Ik was gerustgesteld, maar nu kwam Willem in het geweer, die haar zo nodig moest vertellen dat vriend Theo hier ook best aardige gedichten schreef, vaak ook net als zij met mythische toespelingen. En nu zat ik klem, de dichteres duwde me plots een visitekaartje in de hand, ‘Ik moest haar dan maar gauw eens werk toesturen’, en vriend Willem drong meteen na haar voorleesbeurt op actie aan. Ik zie hem nog in het tuintje druk staan te gebaren toen ik de boel wat relativeerde. En jawel, Willem bleef aandringen, aanhoudend, tot zo’n anderhalf jaar later, toen ik het niet alleen aandurfde, maar het ook eindelijk gepast vond haar eens te schrijven. Intussen had Christine D’haen alle tijd gehad om de Grote Prijs der Nederlandse letteren in ontvangt te nemen en heerlijk na te genieten van alle eerbetuigingen zonder door mijn mythisch geïnspireerde gedichtjes te worden gehinderd. Later sprak ik haar nog een keer kort bij een volgende Dichter aan huis, dezelfde waar mijn overleden vriend Peter Polderman van alle deelnemende dichters het portret mocht tekenen.
Dat portretteren van Christine D’haen ging om de een of andere reden niet door. Peter vond toen dat ik die opengevallen plaats maar moest innemen, ook al behoorde ik niet tot de deelnemers. ‘Maar dat kon ik best nog eens worden. Je wist het maar nooit’, was de mening van Peter.

Theo van der Wacht

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Wedijveren, door Theo van der Wacht

‘Fled is that Music: – Do I wake or sleep?’

John Keats – Ode to a nightingale

Ik kan niet meer slapen, schuif het gordijn open, de nacht begint al te vervagen. Terug in bed denk ik Het was Rome waar ik zo-even van droomde, van bovenaf gezien, in vogelvlucht zeg maar.

Buiten, 12-hoog onder mij, de nog slapende daken van de stad. De rafels van de duinrand maken zich al los van hun schaduwen. De oplichtende zee projecteert af en toe een blink op de laaghangende grijze bewolking, wedijverend met de vuurtoren, maar dan zonder diens ijzeren cadans. In het Oosten staat de stad nu volledig in brand, boven de wirwar van hoge gebouwen uit, die elkaar al even erg beconcurreren als nieuwe rijken dat plegen te doen met hun buitenissige hobby’s en speeltjes. Zelfs het vrije zicht op de Haagse torenklok waarvan ik ooit als jochie vanuit mijn zolderkamertje de tijd aflas, heeft onder dit absurde machogedrag moeten lijden. Maar de kerktoren zelf, waaraan de wijzerplaat nog glanst als voorheen, staat goddank nog recht overeind, en dat is toch al heel wat in tijden waarin de terreur van de doelmatigheid onze leefwereld bestiert.

En al mag dat klokkijken vanuit huis dan niet meer lukken, de spits van de toren is met enige moeite nog wel te onderscheiden, en ook, een paar windstreken oostelijker, die van Delft, de Nieuwe wel te verstaan, waardoor ik via de aloude kruispeiling (de vroegere zeeman in mij eist nu zijn tol op) mijn plek op deze planeet voor vandaag onwrikbaar weet zeker te stellen. (Tip: gebruik hiertoe naast een betrouwbaar kompas ook een up to date stafkaart ).

Wat een onzin denkt u nu als lezer, zo’n plaatsbepaling gaat toch via de Tom Tom niet alleen duizendmaal sneller, maar is ook veel preciezer; bovendien heb je er geen tijdrovende studie in de zeevaartkunde voor nodig. Mijn verweer is dan, dat het gebruik van die kaart, met al zijn ouderwetse passen en meten, behalve dat het me boeit als speels tijdverdrijf, ook de homo sapiens in mij scherp houdt, zeg maar als weermiddel tegen elke vorm van geestdodende automatisering.

In het gedroomde Rome van daarnet streek doodstil een merel neer, op een huisje gelegen aan de Spaanse trappen. Net zo’n huisje als waar de dichter John Keats zijn benauwde laatste uren doorbracht. Het was evenwel geen merel waaraan Keats een van zijn beroemdste lofuitingen opdroeg. Bij zijn graf elders in Rome, in de schaduw van die kleine piramide, heb ik de desbetreffende ode een keer hardop voor staan lezen. Mussen waren er mijn enige, zij het nogal tegenstribbelende gehoor. Toch voerde ik ze naderhand mijn laatste pizzakruimeltjes, als dank voor hun tsjilpende omlijsting.
Getrommel en gesnater op mijn platte dak werpen ons terug in mijn bovenwoninkje, met dat aardige rondzicht over zee, duinlandschap en stad. Met mijn gerafelde rijzweep uit het raam hangend, gesel ik weldra de rug van mijn dakgoot, en verjaag er voor zo lang het duurt dat onhebbelijk copulerende koppeltje nijlgansen. Bah, die planten zich toch voort als waren het van die naoorlogse ongeletterde katholieken en gereformeerden …. en god bewaar ons dat die ooit weer een meerderheid vormen…Maar nu stil even! Luister, die merel uit mijn droom heeft zijn zang luidkeels hervat, en dat lied werkt op mij in als een placebo….maar desondanks zwam ik toch nog even door over insecten als zeg de tijgerspin die naar ik las, onze dreven massaal aan het veroveren is – en geen rivier, dijk of Grebbelinie hem daarvan afhoudt. Landverhuizers dus, op weg naar plekken waar het goed toeven is. Opzienbarend? Nee hoor, zo universeel logisch als maar zijn kan. Kijk, de zon moet er zelfs even van glimlachen. Net als om al dat gedoe over je weet wel, die opwarming…maar morgen zullen het alweer de verschrikkelijke ijsvelden zijn die ons biotoopje bedreigen. Loop naar de maan, riepen wij vriendjes, nog niet eens zo heel lang geleden, anderen of elkaar toe. Tussen al die bezorgdheden door, beluister ik nog steeds aandachtig de zang van mijn eigenste merel, en merk nu pas dat die laatste regel uit Keats’ Nachtegaal er zich woord voor woord mee begint te bemoeien. Uit wedijver?
Tip – op You Tube kun je hem compleet beluisteren, die Ode, en dan nog wel in algemeen beschaafd Engels gereciteerd. Oh, gij!

Gepost in Columns | Plaats een reactie

ATOPIA

Grenzstein 37 – foto Tanya van der Wacht,
Stemwede- Levern

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…) je moet bereid zijn alles te verliezen’.

Redmond O’Hanlon


Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,
kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Theo van der Wacht
November 2011

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Zingen vanuit de verdomhoek, door Jean Paul Bresser

Ontroerend hoe een lid van de Raad van State om de hoek op het Lange Voorhout een paar kleine gedichten voorleest. Met een warme stem achter een houten tafel afgelopen donderdagavond in Pulchri. Liefde voor poëzie, daar moet je met een lensje van Spinoza naar zoeken tegenwoordig. Niet bij Kees Schuyt. Hij is ook een socioloog van de verbeelding. En vindt bij de dichter Willem Hussem wat een kwintessens is: mensen zijn wolken/waar ze komen/ betrekt de lucht.

Negen woorden in drie regels. Inspiratiebron voor zijn innemende verhaal over de Haagse dichter en schilder. En over veel meer. Kees Schuyt zat op een historische plek tussen Maaike Klaster en Hanz Mirck, twee jonge dichters met een heldere eigen stem. Ze luisterden samen met anderen naar Jaap Trapman die op een teruggevonden piccalo-piano uit 1829 muziek speelde, lichtvoetig, als de kleine opwaaiende harmonie in de poëzie van Hussem.

Ik was erbij in het allereerste literaire café dat Extaze in Pulchri heet en ik voelde me er meteen thuis. Alsof de even gure als ongure wind van een kortzichtige tijd er niet was. En dat schept moed, hoe weinig ook. Tegen de wind in, tegen de stroom in, tegen de hapklare tijdgeest in een Haagse literair tijdschrift lanceren, dat – in de beste traditie – een broedplaats, podium en arena wil zijn voor een kring dichters, schrijvers, columnisten, essayisten en beeldende kunstenaars. Extaze, vernoemd naar de roman van Couperus, doet dat met de eerste aflevering. Zingen vanuit de verdomhoek. Ik hoor het al zeggen: moet dat nou tegenwoordig? Ja, dat moet.

Het moet van dichters en schrijvers, die de stad gelukkig in leven houden, uit stof van dromen. Hardnekkig blijmoedig en op eigen kracht, ook als de beschermende vleugels van de politiek van piepschuim zijn geworden en tochten. Was het daarom dat Marjolein de Jong er niet was, toen het daar tenslotte over ging. En niemand van haar partij de plaats van de wethouder innam. En de discussie donderdag verzandde. In ander zand dan bij de zee van Willem Hussem. Ik dacht, daar blijft het om gaan, om die twee woorden: moed moet.

(AD/Haagsche Courant 27 oktober 2011)

Gepost in Columns | Plaats een reactie

VLOEK

Marcel van Eeden

Zuidzuidwest
Der Nordost wehet

Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot

Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.

Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees

verenigt tot een vloek -

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin

Tekst geïnspireerd door een Vloek en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

Theo van der Wacht

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Je moet het zwijgen, door Theo van der Wacht

Dat (de kunst van) het weglaten wel eens een hele aparte ervaring van poëzie kan opleveren, werd ik onlangs op een literair avondje weer eens gewaar. Nadat de dichteres er rechtop bij was gestaan, vroeg ze of men haar op eigen kracht sprekend ook achter in zaal nog kon verstaan. Na een instemmend gezoem, zakte ze al bij de eerste woorden weg onder een voor mijn gehoor behapbaar niveau, verpakt in verdoezelde zinnen die zich gingen gedragen als muziekjes, aangevoerd op het ritme van een getoonzette ademhaling. Bevrijd van iedere betekenis liet ik mij meedeinen op de golven van een postromantisch festijn. Dat af en toe plotseling aanzwol, vlak voor de golftop afbrak, en zo nog net niet in mijn brein articuleerde. Klanken kortom om zalig (extatisch?) bij te gaan sluimeren, op weg te dutten… tot een applaus je net nog op tijd van het knikkebollen verlost….
De volgende dichter daarentegen is afgezien van het vaak hoge leestempo voor mij goed te verstaan. De zaal veert zelfs op, lacht af en toe als bij een goede grap. Wat deze dichter brengt is een nieuw soort poëzie, daarin zeg maar de tegenpool van jubilaris Willem Hussem. Bij de laatste een enkel beeld en een paar vegen, en de lezer mag dan zelf aan het werk. Bij de eerste een opeenstapeling van beelden, verspringend van hot naar her, anekdoten doorspekt met gedachten en opvattingen, mij als toehoorder overdonderend en de kans ontnemend ook maar een tel op adem te komen, laat staan in te dutten of weg te mijmeren, waarmee deze poëet keer op keer succesvol aanstuurt op een haast wel onvermijdelijk denderend applaus….
Van Ostayen vond dat een gedicht na de twaalfde regel hoorde te worden afgebroken, zo niet dan was een geen (goed) gedicht.(overigens hield onze Vlaming zich lang niet altijd aan die eigen gestelde regel). En dan is er natuurlijk nog dat adagium van Goethe over de beperking, waar deze reus zich ook lang niet altijd om bekommerde (zie daartoe met name Faust 2). Maar dat in de poëzie een grapje op zijn tijd best mag, daarover waren de dichters het al lang voor die uitspraak van Gerrit Kouwenaar geheel eens.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

SOMS

Soms trek ik je aan
als een handschoen.
Ik strek mijn vingers
die zich benard
beklemd voelen.

In die donkere ruimte
tast ik rond
streel je als een blinde
word even jou.

Soms trek jij mij aan.
Zorg je dat ik verzink
vergeet dat ik ben.

Met jou leer ik lopen
op handen en voeten
trotseer ik de dood
en lach om de nacht.

Ezra de Haan

‘Den dach en wil niet verborghen zijn’
uit Antwerps liedboek

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Couperus, door Kees ‘t Hart

Jarenlang gaf onze dochter me met vaderdag als cadeau een tekening van iemand die op een bank ligt. Of ze knutselde op de lagere school van piepschuim een miniatuur sofa. Daarop had ze een piepklein boekje of een tot postzegelformaat teruggebrachte Donald Duck bevestigd. In de sofa zat dan een presentje verborgen: meestal een pen.
Zo zag ze me dus: haar vader lag op de bank te lezen. Te niksen. Er kwam niets uit zijn handen. Wanneer er in huis geklust moest worden, deed haar moeder dat. Enig weerwoord had ik niet.Wat had ik graag Couperus’ verhaal aan haar verteld! Veel Hagenaars vroegen zich af wanneer hij schreef. Ze merkten er nooit iets van, hij bezocht zo ongeveer alle soirees, presentaties en openingen. En hij had het nooit over zijn boeken. Later bleek dat hij iedere ochtend van acht tot tien schreef, niet een keer in de week, maar altijd. Hoeveel kun je in twee uur met een kroontjespen schrijven? Dat valt allemaal reuze mee: toch al snel 1500 woorden. En Couperus hoefde er niet veel in te veranderen, dat had hij dan weer. Per jaar is dat dus pak weg 525. 000 woorden. Als je weet dat een roman van 300 pagina’s ongeveer 100.000 woorden telt, dan kun je snel uitrekenen hoe Couperus aan al zijn boeken kwam. Hij schreef ze ’s ochtends en stortte zich vervolgens in het Haagse uitgaansleven om het allemaal in het echt te zien en te horen.
Dat laatste doe ik dus af en toe ook wel, maar voor de rest fiets ik alleen bewonderend langs het Couperus huis. Verdomme, die Couperus.Ja, als ik zo zou werken, moest je eens kijken wat er dan ging gebeuren. Twee uur per dag schrijven, het moet toch te doen zijn, ik heb ideeën genoeg, laatst nog een plan voor een trilogie over een familie met een duister verleden. En een idee voor een boek over een houten pop die uiteindelijk mens wordt. Of een boek met een walvis erin. Of een roman over een oude man die met aapjes en hondjes op dorpspleinen en kermissen optreedt en een jongen adopteert. Ik was die oude man. Of heb ik dat verhaal al ergens anders gelezen?

Gepost in Columns | Plaats een reactie

TANGO EN VROUW

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Theo van der Wacht

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Licht

Nav Zó Hollands –Het Hollandse landschap in de Nederlandse kunst sinds 1850,
Frans Hals Museum, De Hallen Haarlem (cg)

Luchten boven een landschap bepalen de stemming van dat landschap. ‘Wat voor licht had je gedacht voor die scène?’ vraagt de lichtman aan de regisseur van het stuk. Die vraag stelt de landschapschilder zichzelf. En net als de lichtman in het theater kan hij kleuren mengen totdat hij de sfeer heeft die hij zoekt. De lucht maakt het land licht of zwaar/donker, met alle stemmingen daartussenin.

De tentoonstelling in Haarlem over ‘Het Hollandse landschap’ biedt ook abstraheringen, licht zonder landschap, licht in leegte. Het licht valt dan op de beschouwer van het doek. Dat licht kan zo sterk zijn dat het ongefilterd bij de beschouwer binnenkomt en hallucinerend gaat werken. Er is één kunstwerk op de tentoonstelling dat die uitwerking heeft en alleen dat kunstwerk maakt de gang naar De Hallen al de moeite waard. Ik heb het over het titelloze drieluik van Jan Wolkers dat een gehele muur van de zijzaal op één hoog beslaat, olieverf op doek, drie bij zes meter. Geïnspireerd door zijn werk met glas en het Texelse licht is de kunstenaar erin geslaagd zijn dooreenwerking van vlekjes in blauw, paars, wit, groen en alle tussenliggende kleuren te laten stralen. Je staat voor het kunstwerk en knippert met je ogen. Het is zinloos een foto van het drieluik aan dit stukje proza toe te voegen. Zo’n afbeelding zou niet meer zijn dan een substraat. De magie bevindt zich tussen het doek en de beschouwer in. Wolkers was een groot kunstenaar.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Hurkende reus, door Wim Noordhoek

Bij de Houtribsluizen in Lelystad – aan het begin van de dam naar Enkhuizen – zit sinds vorig jaar juli een zesentwintig meter hoge hurkende man. Aan het IJsselmeer. Ontworpen door de Engelsman Antony Gormley.

[tag]‘Exposure’ heet het beeld. Dat de man doet denken aan een elektriciteitsmast komt omdat ie gemaakt is uit 1800 pijpen verzinkt staal en gebouwd door de firma Had Fab Ltd in Schotland, die gespecialiseerd is in elektriciteitsmasten.
Hij weegt 60.000 kilo maar oogt licht.
‘Een lichaam, niet als ding, maar als plek,’ zegt Gormley.
Ik probeer hem te volgen.
Vast staat dat de reus is gaan zitten in een uitgestrekte, ongerepte ruimte. Lelystad ligt achter de dijk, de Markermeer blinkt onder een wolkenmassa. Je ziet hem al van ver, van alle kanten. Daarvoor moet je in Flevoland zijn.

Flevoland kent meer elektriciteitsmasten dan welke provincie ook. Van jongsaf heb ik figuren in ze gezien.
Die met gespreide armen draden ophouden.
En nu is er één moe geworden. Heeft z’n draden er bij neergegooid, is gaan zitten en in gedachten verzonken.

Gepost in Columns | Plaats een reactie

De bijl in broedplaatsen, door J.P. Bresser

Net 19 jaar is hij, Wenny Floralus en hij lijkt van elastiek. Hij is lang,lenig en donker en hij danst alsof hij in zijn wieg op Curaçao al een pirouette uitprobeerde. Het zit dus niet alleen in zijn benen, maar in zijn hele lijf: een en al passie. Net zoals bij vijf andere jonge dansers die aangevuurd door Ellit Maron muziek in beweging omzetten en aanzetten tot dans. De jonge choreografe uit Israel houdt het aanstormend talent binnen de magische cirkel van haar ballet. Daar ontstaat het, zoals het op hetzelfde moment overal zichtbaar wordt: van verbeelding dans maken, van niets zoiets als poëzie. En daar wordt de wereld rijker van, vraag het maar aan Hans van Manen en alle andere grote dansers van deze tijd.

Wenny staat dinsdagavond nog helemaal aan het begin, in de studio van Korzo in de Prinsenstraat. Het danstheater dat in februari nog zo glorieus heropend is, is als een rouwkapel dichtgeplakt met zwart plastic. Wenny is geschokt, zegt hij. Alle jonge dansers van broedplaats Crosstown Den Haag zijn geschokt. Iedereen buiten Korzo ook. Iedere jonge danser en acteur en filmer en schrijver en zanger en muzikant is geschokt. Iedereen die van kunst houdt , van cultuur, van iets van waarde, van kippenvel en tranen. Bezuinigen moet, dat wordt ons ingepeperd. Dus kunst ook. Ik zit naar Wenny en de jonge dansers te kijken en weer overvalt het me. Waarom moet het toch zo hard en zo harteloos.

Wenny begrijpt het niet, zegt hij later. Ik ook steeds minder. Want wie begrijpt een kabinet dat met een bijl broedplaatsen voor jonge dansers vernietigt. En wie een minister-president, die zijn gezicht van kunst afwendt. En wie een staatssecretaris van cultuur, die opgelucht de vlag uithangt, als maandag zijn kogels door de kunst zijn gejaagd. Er zijn nog vier dagen te gaan. Ik hoop dat ze Halbe Zijlstra maandag in de Tweede Kamer alsnog inpakken. Niet met zwarte vuilniszakken, maar met een historisch pleidooi voor het onmisbare talent. Van Wenny Floralus bijvoorbeeld.

AD/Haagse Courant 22 juni 2011

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Requiem voor een boekhandelaar, door J.P. Bresser

De morgen op het Noordeinde begint voor hem zoals het al eeuwen gaat. De handelaar in boeken opent zijn winkel en voordat hij zijn jas uit heeft, loopt hij al even langs de tafels en kasten om zijn boeken te begroeten. Hij rangschikt ze zachtjes, aait een eersteling over zijn smalle rug en kan het niet laten een bundel nieuwe gedichten glimlachend open te slaan en erin te lezen. Dan hangt hij zijn jas op, maakt een kopje koffie en nestelt zich zichtbaar achter de kassa, die omringd is door literaire blikvangers. Tussen hem en nieuwsgierige voorbijgangers is alleen het raam van de etalage. Zo kijken hij en zijn boeken uit naar de komst van hun eerste koper.

De maatstaf van de handelaar in boeken is door de jaren heen onveranderd. Liefde voor literatuur, daar gaat het om. En daarmee een neus voor kwaliteit en voor talent. Koester je klassieken en bewonder de modernen. Even opgewonden over een nieuwe vertaling van de sonnetten van Shakespeare als over de slagvaardige lyriek van Ramsey Nasr. Vriendelijk en trefzeker wijst hij zijn bezoeker op de uitgelezen keuze. Op zijn hoogtijdagen wordt hij omringd door vaste klanten aan de leestafel of in de literaire salon. En altijd is er weer een liefhebber, die om iets van Couperus vraagt of van Thomas Mann.

Ik hou van de klassieke handelaar in boeken. Hij markeert beschaving in de stad. En smaak. En aanzien. Maar hij wordt helaas een minderheid. Hij verliest het van de onpersoonlijke webwinkel. Hans Spits in zo’n vertrouwde Haagse handelaar in boeken, al veertig jaar. Hans maakte van Buddenbrooks een erezaak, samen met zijn compagnon Lex. Tot het niet meer ging. Tot de klandizie te mager werd voor een levenslange liefde en een klein bestaan. En dan komt de slechte dag dat de boekwinkel moet sluiten, want zo zijn de tijden. Maar tot het voorgoed voorbij is, zit Hans Spits er nog iedere morgen, tot half juli. Tussen zijn boeken. En hij zal niet nalaten zijn literaire erfgoed tegen een zacht prijsje beleefd aan te prijzen.

AD/Haagsche Courant 16 juni 2011

Gepost in Columns | Plaats een reactie

Umberto Eco, De begraafplaats van Praag

Er waart een spook door ons werelddeel: het spoken word ‘rhetorica’.
In hoofdstuk 22 van De begraafplaats van Praag laat Umberto Eco Fitna van Draco Gisterwereld spierwit als een skelet door het volle vlees van zijn Europese copy paste novel heen steken. Dat is elitaire, grote klasse.

(Prometheus 2011 – Rob H. Bekker)

Gepost in Recensies | Plaats een reactie

Gretig met de botte bijl de stad in, door J.P. Bresser

Nog maar ‘n keer dan: Tot 3 maart is het amper een maand te gaan. En tijd heeft haast. Tijd wacht niet. Tijd wacht niet af. Tijd treuzelt niet. Tijd is niet onverschillig. Tijd slaapt niet. Dus wakker worden Den Haag. Wakker worden Nationale Toneel en Residentie Orkest en Nederlands Dans Theater. Wakker worden Koninklijke Schouwburg en Spuitheater en Korzo en Regentes en Diligentia. Wakker worden Appel en Stella en Paard van Troje.

Wakker worden Winternachten en Zuiderpark, Pepijn en Koorenhuis. Wakker worden Academie en Conservatorium en Hogeschool. Wakker worden grondleggers van het Huis voor de Democratie. Wakker worden bouwers van het nieuwe Spuiplein. Wakker worden enthousiaste pleitbezorgers van Den Haag culturele hoofdstad van Europa.

Wakker worden jazzjongens en dameskoren, toneelspelers en violisten, dichters en schilders, filmers en popzangers en dansers. Wakker worden boekhandelaren en bibliotheken, museumdirecteuren, festivals en filmhuizen. Wakker worden toeschouwers en lezers en luisteraars. Wakker worden publiek.

Wakker worden Den Haag, want het gaat om de hartkamers van de stad. Om het open vizier van de stad. Om de inspiratie en het plezier in de stad. Het gaat op het aanzicht en het inzicht van de stad. Het gaat om harmonie en fanfare in de stad. Om talenten en broedplaatsen. Om wijken en wereld. Het gaat om voorhoede en erflaters. Om vrijheid en gelijkheid en onafhankelijkheid in taal en teken. Om ideeën en idealen in de stad. Om de weerbaarheid van waarde. Inderdaad, het gaat om de verworven staat van beschaving.

Hoge woorden? Het moet wel, want de plaatselijke lijstaanvoerder van de PVV trekt inmiddels de stad binnen met stalen oogkleppen en botte bijl. Op ramkoers gaat het richting stadhuis. Alsof niets en niemand hem tegenhoudt. En alles wat hem en zijn partij niet zint en vreemd is, noemt hij verdacht en moet weg. Dus wordt het nu ook snoeien en hakken in de cultuur en het welzijn van de stad. Gretig bijna. Het is allemaal verkwisting, die kunst, roept hij. Het zijn allemaal profiteurs zijn, die kunstenaars.

AD/Haagsche Courant januari 2010

Gepost in Columns | Plaats een reactie