Een nieuw nummer, een nieuw thema: ‘Onbereikbaar’

‘Onbereikbaar’… het leek ons een mooi, maar moeilijk thema voor een Extaze-nummer, maar niet alleen de vijf essays in Extaze 23 bewezen dat er veel uit het thema te halen valt, ook een aantal verhalen en gedichten bleek er zodanig door geïnspireerd, dat de aansluiting met de essays voorbeeldig was.
Wij wilden graag één ‘onbereikbaar’-verhaal als ‘smaakmaker’ op de website plaatsen. Hein van der Hoeven, wiens literaire werk de vaste Extaze-lezers genoegzaam bekend is, heeft zijn verhaal Mijnenveld voor dit doel ter beschikking gesteld.
Iets van het ‘onbereikbare’ nu dus al bereikbaar.

cover Extaze 23De nieuwe Extaze verschijnt op 14 september

B E S T E L L E N

Gepost in Geen categorie, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Mooie avond in de Houtrustkerk: presentatie Extaze 23

Voor wie de presentatie gemist heeft door storm, regen of anderszins hier de nabeelden.
Foto’s: Eric de Vries

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

De keizer van Doorn, Manuel Kneepkens

 
Keizer

Als kind (van vier vrouwen)

loerde ik in huis Doorn door het sleutelgat

en zag het aarsgat van de Keizer

 

Hij zat op zijn toiletpot als ooit op zijn Lippizaner schimmel

en las een whodunit  van Havank

‘De moord op Ina Damman ’

( Hoofdverdachte: ene Simon V., een doornig literator…)

 

Buiten hing als een groot, glinsterend pantser

het uitspansel boven Wereldoorlog I

een volkenmoord zonder weerga

 

       Ach, was ik maar de Keizer van Nippon

       dan was mijn titel : Tenno

       Keizer van het Heelal!

 

aldus der Kaiser in zijn ballingschap

onwetend  (‘ Wir haben es nicht gewusst…’)

van Neurenberg & Tokio…

 

En een drol ontsnapte  (zuchtend)

monsieur  Le Boche  von Hohenzollern

uit de sepia loopgraaf van zijn billen:

 

   ‘ IK oorlogsmisdadiger? Geen sprake van !

    Ik ben  zo onschuldig als de Keizer van Japan! ’

Gepost in Poëzie | Getagged | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan,
Theo van der Wacht: Climax

Catche a falling starre.
John Donne
 
Climax

Me afgevraagd wat mij vandaag op de been
houdt. Onzinnige gedachten voeren mij naar
een riskante plek, een rondschouw die opgaat
in een climax: van een zon die kakelbont  uit het
zicht verdwijnt, waar men op de kim scènes uit de
hel uitbeeldt, en ikzelf, in het licht van die vuurstorm,
nu het kan, die nog onbekende, vallende staartster vang.

Lees meer »

Passage Achterberg

Wie doet er nu nog Dante aan? Diens voorportaal
bestormde ooit als een visioen van Jeroen Bosch
mijn puberale brein – O schilderij, o schilderij.

Een Haagse rode maan verft een gevaar: Twee
mensen hand in hand, de Passage vliegt in brand,
de ijssalon in vlam en vuur en Francesca biedt mij
naast de cassata ook haar vingers aan, geniet een
voorjaarlang van mijn gesmul, meeliftend op mijn
tong…maar glimlacht telkens net iets te jong – O!
schilderij van Hel en Hemel en Voorbij.- Het is
nu donker in dat land, gehangen aan de wand.

Naamloos

 

 

 

 


Foto: Carel Steijn, schilderij: C. Troost

Buiten beeld

Het kunststuk volbracht, handmerk gezet.
Met zand aan de kwast, stofjes op de lens.

Kom vooral dichterbij, plek genoeg op dit
strand. Markant, zelfs de ezel hier is echt.

Voel mee, het doek is nog nat van de verf,                     |
mix van blauw, grijs en licht. En de stoel?

Schilder zelf blijft buiten beeld, – doel ìs en
blijft het zeezicht, en wat kijker ervan vindt.

Troost

 

 


C. Troost

Het zich legen
tot de laatste letter

Overvolle
luchtspiegeling

Zwanenstal

 

Gebeeldbraakt

Op een ongemakkelijke plaats verzeild
geraakt, grensvlak van beeld en spraak.

Waar deze locatie mee correspondeert
of naar verwijst.- Een verholen zin? Een
code die moet worden gekraakt?- Klank?
Geur? Pijn? De godsonmogelijkheid van?

Wat blijft is de hoop die nooit opgeeft,
een kompaan die de eindeloze afstand
te lijf gaat, al inpratend op het graniet,
waaraan elk zieleroersel zijn kop stoot.

 

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 


C. Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   
                                                                                                                    
Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Het spoor bijster, door Mischa van den Brandhof

Omroepbericht

Dames en heren, jongens en meisjes, over enkele minuten rijden wij station Den Haag Centraal binnen. En hoe gezellig het ook allemaal is, Den Haag is toch echt het eindpunt van deze trein. Denkt u bij het verlaten van de trein alstublieft aan uw bagage en neemt U deze ook mee. Wens ik u nog een fijne avond! Ik zal blij zijn als ik weer thuis ben. Lekker spruitjes eten. Nou hoor ik u denken, spruitjes? Maar ik heb ontdekt dat als je ze net vijf minuutjes eerder van het vuur haalt, ze nog een bite hebben en dan echt heel goed te eten zijn. Zeker als je er een beetje tahin doorheen doet. Een goeie tip van mijn collega. Nog wat gesnipperde dadels erbij, dan is het echt heerlijk. Ik hoop nou maar dat de as van mijn konijntje terecht is. Dat is wel lastig van op de trein, dat je niet thuis bent om een pakketje in ontvangst te nemen. De urn is nu al twee keer zoekgeraakt. Eerst was ‘ie bezorgd bij de dierenarts, maar die was op vakantie en de vervanger wist er niet van, dus ging het pakketje retour afzender. Hebben ze het opnieuw verstuurd, naar mijn huisadres, maar toen het bezorgd werd, was ik aan het werk, dus hadden ze een briefie in de bus gedaan, met van je kan het komen ophalen bij het postkantoor, maar toen ik uiteindelijk een dag vrij had, bleek het al weer teruggestuurd te zijn. Je kan het niet snappen hè? Ze was echt mijn alles, Floortje. Zo heette ze, mijn konijntje. Ik hoop dus maar dat ze nou terecht is. Heeft u al plannen voor vanavond? Anders zou ik lekker naar het strand gaan. Het water is twintig graden, dus je kan nog even zwemmen. Frist echt op! Met tram 9 ben je zo in Scheveningen. Zelf ga ik altijd liever naar het zuiderstrand, want voor mij hoeft die drukte bij de pier niet zo, maar dan moet je bus 22 nemen, halte Duindorp. Heb je nou geen handdoek bij je, bij de Etos in de stationshal hebben ze van die hele fijne doeken, hammam ofzo heet dat. Super handig, want die zijn veel lichter dan een strandhanddoek. Leuke kleurtjes ook hebben ze, roze met wit, ja of met groen. Ik heb er altijd een in mijn rugzak. Beter mee verlegen dan om verlegen, toch? Je weet nooit waar je uitkomt. Laatst eindigde ik in Zandvoort aan Zee, dus hup nog even d’r in.
Nou we zijn er, Den Haag Centraal. Goedenavond allemaal!

Gepost in Columns | Getagged | Plaats een reactie

Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze nr. 23

Extaze in Houtrustkerk 23
Zes man/vrouw op het podium of achter de katheder van de Houtrustkerk
in Den Haag maken voor het publiek het onbereikbare bereikbaar.
‘Hoe bereik ik mijn leerlingen/studenten?’ is de vraag die iedere docent in ieder type onderwijs zich stelt. Docent klassieke talen Anton Simons stelt de vraag iets bij: ‘Is het mogelijk mijn leerlingen te bereiken?’ Matthijs de Ridder presenteerde onlangs zijn boek De eeuw van Charlie Chaplin in Boekhandel Douwes in Den Haag. Het werd een happening. Tijdens de avond van de 14e september zal hij nogmaals ingaan op dit boek, maar daarbij de grondgedachte van zijn essay over Paul van Ostayen in Extaze 23 betrekken. Eerst vertoont hij de beginscène van Chaplin’s City Lights, gevolgd door een aanstekelijke analyse, waaruit zal blijken dat voor Chaplin en de personages die hij in zijn films uitbeeldt de ‘juiste’ manier van leven onbereikbaar is.
En datzelfde geldt voor de flamingant en experimenteel dichter Van Ostaijen.
De Haagse dichteres Margriet Westervaarder draagt voor uit eigen werk en datzelfde doet
Bert Vissers, die behalve dichter ook tekstschrijver, componist en zanger van de Nederlandstalige band Bender is. Naast enkele van zijn gedichten zal hij samen met Bender-bassist Jos Caspers nummers uit het Bender-repertoire ten gehore brengen. Mochten zij vergeten het prachtige ‘Tante’ van de cd Broos te spelen, laat het publiek hem daar dan zeker op wijzen.
Een avond en een thematiek om bij te zijn.

BenderBender (bassist Jos Caspers en Bert Vissers (2e van r.)

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Mijnenveld, door Hein van der Hoeven

Op een dag ontdekte ik dat Marleen niet voorkwam op de verjaardagskalender van kantoor. Dat was geen vergissing, maar opzet van haar kant, want ik wist dat Marleen dat soort aandacht niet wilde.
Wanneer zou ze jarig zijn? In de herfst of in de winter? Die seizoenen pasten bij haar, bij de kleur van haar kleren (veel grijs, bruin en gebroken wit), het zilver van haar haren (hoewel ze pas midden dertig was) en bij een baan zonder perspectief (al zei de personeelsdirecteur dat ze heel wat meer in haar mars had dan afdelingssecretaresse). Alleen haar lange, slanke benen hadden iets lenteachtigs.

Een jaar geleden, toen ik hier kwam werken, had ik kennis met haar gemaakt. Haar kamer in, handje schudden, ik ben de nieuwe juridisch medewerker, nou veel succes, kamer uit, volgende kamer in. Die nacht droomde ik van haar. Iets aan haar moet mij toen zijn opgevallen. Wat het was, kan ik me niet meer herinneren. Misschien waren het die benen. Ik weet nog wel wat ik droomde, omdat ik de inhoud bij het wakker worden noteerde. “Gedroomd over Marleen van Solingen, de secretaresse. We zijn op een eiland, koud en winderig als een Waddeneiland in de winter, maar het is Madeira. We spreken Portugees met elkaar. Ze wijst me een boerderij, aan het eind van een hoge weg met witte steentjes. Er is afschuw in haar ogen.” Zo begon de droom.
Het secretariaat, haar territoir, was een oord van perfectie. Nooit lag er een stapeltje ongeopende post, nooit hing er een aankondiging voor een bijeenkomst van de vorige dag. In de voorraadkast vond je altijd wat je zocht: printerinkt, een exemplaar van het jaarverslag. Digitaal was ook alles op orde. Een distributielijst waarop de nieuwe stagiair ontbrak: dat was ondenkbaar. Altijd zat ze op haar plek, alsof ze met iedereen in telepathisch contact stond en precies wist wanneer men haar nodig had.
In zo’n ruimte haalde je het niet in je hoofd een gesprek te beginnen over het weer of Feyenoord. Na een jaar wist ik dus nog niets van haar. Welke hobby’s had ze? Op welke mannen viel ze? Of viel ze op vrouwen? Ze hield afstand tot mij, tot iedereen op kantoor. Tot vorige week.
Ik was alleen met haar op het secretariaat. De radio stond aan. Die stond altijd aan. Het was de enige frivole noot binnen haar domein van opperste efficiëntie. Of was die muziek ook een scherm?
Onbewust zong ik een paar regels mee, Christina Branco. Uit mijn postvak haalde ik een kleurige brochure. Het was een aanbieding van ons pensioenfonds. ‘Eerder met pensioen? Doen!’ Daaronder de obligate foto van een gebruinde opa met z’n kleinkind op de arm. Wat moet ik daarmee, dacht ik. Nog dertig jaar te gaan tot mijn vijfenzestigste, geen vrouw, geen kind…
‘Spreek je Portugees?’ De stem van Marleen.
Mechanisch, mij nog niet realiserend hoe bijzonder het was dat ze mij een vraag buiten het werk om stelde, reageerde ik met een kort ‘ja’. Alsof ik een enquêtevraag beantwoordde. Enkele tellen later drong tot me door dat het superzakelijke Marleen was die mij zomaar een persoonlijke vraag stelde. Ik was aangenaam verrast. Met een vrolijk boogje wierp ik de pensioenbrochure in de prullenbak en lichtte mijn bevestiging toe. ‘Ik versta het en ik kan het een beetje spreken. En zingen, zoals je hoort. Ik heb ooit een talencursus gedaan en ben er een paar keer met vakantie geweest. Een mooi land met een sympathieke bevolking. Spreek jij Portugees?’
Ze zette haar bril af en keek mij aan. ‘Een paar woorden. Ook van vakantie.’ Met deze minimale ontboezeming moest ik het doen. Maar voor het eerst zag ik beweging in haar ogen, kleur in haar gezicht.
’s Avonds zocht ik het cursusboek van toen op. Oefende een openingszin voor de volgende ochtend, wanneer ik haar weer zou zien op kantoor.
Waar zou ze zijn geweest in Portugal? Vast niet in de Algarve, maar eerder in het noorden, nog boven Porto, een oord zonder toeristen. Waar het nog steeds 1950 is en alle mannen tussen vijftien en vijfenveertig zijn vertrokken. Ik fantaseerde hoe ze door zo’n gehucht liep en ging zitten op een rudimentair terrasje – metalen tafeltjes, verkleurde stoelen. Het ene been over het andere, een rokje boven de knie, vingers die een sigaret uit een pakje tikten. Er ging zowaar aantrekkingskracht van dat plaatje uit. Een vergeten commentaar van een vrouwelijke collega bleek te passen: ‘Ik wou dat ik zo’n figuur had.’ Even ondergesneeuwd was een andere kantooropmerking: ‘Volgens mij heeft ze supermooie borsten’. Hoe, vroeg ik mij af, zou ze er uitzien wanneer ze contactlenzen ging dragen, haar lippen vuurrood verfde en de nuffige kantoorkleren verruilde voor een sportief shirt en een leren rok met split?

De volgende morgen was de afdeling nog donker toen ik binnenkwam. In de regel was Marleen er als eerste, had zij de lichten aangedaan, de kasten ontsloten, de ingekomen mails verdeeld, en kon je meteen beginnen.
Achter mij stapte Gerbrand uit de lift.
‘Marleen is er niet’, stelde ik vast.
‘Geen paniek, ze is naar de tandarts.’ Gerbrand maakte licht en zette het fotokopieerapparaat aan. ‘Als ze er is, merk je haar niet op. Pas als ze er níet is… De vleesgeworden dienstbaarheid.’
‘Inderdaad’, praatte ik met hem mee. ‘Wat zou er schuil gaan achter die bril en die herfstige kleren?’ Toen herinnerde ik mij iets. ‘Jij kan het weten. Jij zat toch bij haar op school?’
‘Nee, ik ken haar uit Leiden. We zijn tegelijk met rechten begonnen en zijn in hetzelfde jaar gesjeesd. En een keer samen naar een lustrumbal geweest.’
‘Was ze toen al zo, zo afstandelijk?’
Gerbrand dacht even na. ‘Een mijnenveld! Ik vertelde haar eens iets over grootmoeders verblijf in het Jappenkamp, en vroeg toen hoe het haar familie in de oorlog was vergaan. Fout! “Daar wil ik het niet over hebben”, zei ze, “graaf maar in je eigen verleden”. Einde gesprek. Een andere keer maakte ik een compliment over haar kleding. Mocht ook niet. Tsjonge, wat moest je op je hoede zijn met haar.’
We liepen naar de koffieautomaat. De vorige manager, een halve Antilliaan, had een verdieping hoger een koffiehoek ingericht waar je verse espresso, latte en muntthee kon krijgen. Met subsidie uit een of ander werkgelegenheidspotje had hij een gehandicapte koffiejuffrouw in dienst genomen. Zijn opvolger, een interim-directeur met een bezuinigingsopdracht, had aan die luxe een einde gemaakt. Aan de ondernemingsraad, die venijnig had geprotesteerd (‘een kleine verlaging van het reisbudget van de directie levert meer op’), had hij als doekje voor het bloeden de aanschaf van de best geteste automaat toegezegd. Het personeel wond zich op over deze zogenaamde inspraak. Behalve Marleen: zij dronk op kantoor alleen water.
‘Gisteren’, vertelde ik aan Gerbrand, ‘ben ik geloof ik voor het eerst met haar aan de praat geraakt over iets persoonlijks. Over onze vakanties in Portugal.’ Persoonlijk gesprek: ik wist dat ik overdreef, maar zo voelde het. Ik loog de waarheid, zoals dat heette.
‘En je wil haar beter leren kennen? Ik wens je succes. Veel kans geef ik je niet. Mij is het niet gelukt in ieder geval. Edzo heeft het ook geprobeerd.’ Edzo, de interim-directeur. ‘Hij is ook niet ver gekomen. Net als met zijn reorganisatieplan.’ Een vilein lachje.
‘We zullen zien’, sprak ik monter, ‘Ik ben een ander type dan Edzo.’ Met een mok geurloze machinekoffie ging ik op weg naar mijn kamer.

Een openingszin had ik niet nodig. Marleen kwam mijn kamer in met iets in haar hand. ‘Hier, ik heb de cd met dat nummer van Christina Branco. Misschien wil je ‘m lenen. Of heb je ‘m zelf?’
‘Nee, ik heb geen cd’s van haar. Wat aardig van je!’ Ik wachtte een tel. Wilde ze weer terug naar haar plaats? Nee, ze stond daar, ontspannen, zonder dat strakke, alles onder controle hebbende dat ik van haar kende.
‘Ga even zitten, Marleen’, en enthousiast vertelde ik: ‘De eerste keer was het toeval dat ik in Portugal belandde. Ik zat als student drie weken in Salamanca, om Spaans te leren. Vandaaruit naar Portugal. Dat was niet meer dan een uurtje rijden, maar je kwam in een andere wereld. De mensen waren opeens zo vriendelijk. Niet dat hooghartige van de Spanjaarden. Leuke huisjes, fris in de verf en midden in het groen en de bloemen. Deed me denken aan de Engelse countryside.’
‘Precies! Ik ging vroeger altijd met mijn ouders naar Spanje. Toen een keer voor de afwisseling naar Portugal. Wat een verschil! Ze verstonden Engels. Ze waren aardig tegen dieren.’
‘De ziel van Portugal…’
‘De ziel van Christina Branco, de ziel van de fado!’ echode ze. Het kantoor was ver weg. Ze keek me aan met een nieuwe gezichtsuitdrukking, de ogen verdiept, weemoedig achter de brillenglazen die niet langer afschermden.
‘En Madeira, ben je daar wel eens geweest?’
‘Hoe weet je dat?’ Haar toon was scherp. De ogen verkilden.
‘Gokje’, zei ik luchtig. Maar ik dacht onmiddellijk: dat was vast zo’n mijn waar Gerbrand het over had.
‘Eén keer, met mijn vader,’ zei ze kortaf.
Ik probeerde een andere weg in te slaan. ‘In het Filmhuis draait op het moment een Portugese film.’
‘Ook een gok?’
Ik lachte. ‘Nee, dat is echt zo. Ik weet alleen niet wat voor soort film het is.’ Ik activeerde mijn pc en printte het programma uit.
Ze las de synopsis van de film, zei: ‘Klinkt leuk’.
‘Zullen we er samen heen gaan?’
Even snel, alsof het allemaal ingestudeerd was, reageerde ze: ‘Vanavond?’
Wat had ik vanavond? Een vergadering van de vereniging van eigenaren. ‘Oké, vanavond.’
Terug achter mijn bureau verbaasde ik me over de snelheid waarmee de afspraak tot stand was gekomen. Een jaar lang niks en nu in vijf minuten een avondje naar de film geregeld.

Voor de ingang van het filmhuis wachtte ik op haar. Marleen stapte uit de tram. Ik begroette haar met een voorzichtige zoen.
Ze droeg een rode jurk met grote witte noppen en een boothals. Voor het eerst zag ik de zomer in de kleren die ze droeg. Maar ik hield ik mijn mond en zelfs de lichtjes in mijn ogen probeerde ik te doven.
Het was een gevoelige, bijna sentimentele film tegen de achtergrond van de Anjerrevolutie. Ergens halverwege sprak de hoofdpersoon, alleen achtergebleven in het grote huis, een zin uit, woord voor woord, met een echo die de leegte van huis en hart een klank gaf: “De ziel van mijn dochter…haar ziel…zit op slot. Hoe kan ik haar ooit weer bereiken?” Op de rij voor ons begon een oudere vrouw te snikken. Ik draaide mijn hoofd voorzichtig naar rechts. De beelden gaven juist voldoende licht om de tranen in de ogen van Marleen te zien.
Daarna nam het filmverhaal – net zoals de revolutie van de Portugese militairen waarvan de hoofdpersoon er één was – een positieve wending. Het slot was haast hilarisch. In het licht van de foyer herinnerde niets in Marleens gezicht aan verdriet of zwarte gevoelens. Lachend zei ze: ‘Toen was het nog leuk om links te zijn.’
‘En nu? Of ben je rechts?’ Voor mijn gevoel hoorde ze in het rechtse kamp.
‘Ik heb op Dijsselbloem gestemd.’
Een dubbele verrassing. ‘Niet op een vrouw?’
‘Nee!’
De beslistheid waarmee ze antwoordde, vertelde me dat ze kennelijk niets moest hebben van meer vrouwen aan de top. Ze was anders dan wat gangbaar was in mijn omgeving: de Opzij-vrouwen en de mannelijke managers die er angstvallig op letten dat elke commissie en elke reeks bevorderingen voor ten minste de helft uit vrouwen bestond.
‘Ga je nog mee wat drinken?’ vroeg ik.
In de brasserie om de hoek vonden we een tafeltje. Met mijn ene hand wenkte ik de jongen die bediende. De andere hand legde ik op tafel, een fractie over de denkbeeldige scheidslijn tussen haar en mijn deel van het tafelblad. Daar lag mijn hand, onbeweeglijk als een model voor leerlingen van de tekenacademie. Maar ook uitnodigend, zoals ik gelezen had in een artikel over versiertrucs in de kroeg.
De jongen die onze bestelling opnam, was lang en had een glad geschoren hoofd. Met een zekere minachting keek hij op mij neer, alsof hij ons inschatte als zo’n stel dat de hele avond doorbrengt met elk één glas wijn, en dan niet verder komt dan een halve euro fooi.
We bestelden een dubbele espresso en een glas water, en weg was hij.
‘Hij doet mij uiterlijk denken aan Pim Fortuyn’, merkte ik op. ‘Je mag het niet zeggen, maar ik was toen blij dat hij vermoord werd. De macht die hij over mensen had!’ Het was er uit voordat ik het wist en verschrikt wachtte ik een ijzige reactie. Maar ze begon te stralen.
‘Wat fantastisch dat je dat durft te zeggen! Ik heb die gedachte ook wel eens. Maar nooit geuit natuurlijk.’
‘Raad eens op wie ik heb gestemd?’
Wat ze raadde was niet belangrijk. Wat telde was de beweging van haar hand.

Was ik in het bezit van een mijnendetector? Want het ging snel. Een week geleden samen naar de film, en eergisteren bleef ze slapen. De ochtend die volgde was helder van het eerste zonlicht en fris van de dauw op gras en bodembedekkers van de kleine stadstuin. Marleen lag ontspannen naast mij, alsof het altijd zo was geweest, altijd zo blijven zou. Trots voelde ik mij de veroveraar van de vrouw die voor iedereen op kantoor een gesloten boek was.
Uit de la van het nachtkastje pakte ik het schrift waarin ik mijn dromen noteerde en waaruit ik haar nu voorlas: ‘Gedroomd over Marleen van Solingen, de secretaresse. We zijn op een eiland, koud en winderig als een Waddeneiland in de winter, maar het is Madeira. We spreken Portugees met elkaar.
Zonder emotie hoorde ze mij aan. De Marleen uit de droom leek haar niet te beroeren.
Ze wijst mij een boerderij aan het einde van een hoge weg met witte steentjes. Ik loop naar de boerderij.’ Het zinnetje over de afschuw in haar ogen sloeg ik over. ‘Zeven vruchtbomen staan in de voortuin. Ik loop naar binnen, zeven kamers, elke kamer heeft een andere temperatuur, een eigen kleur. De achtste kamer is ongeverfd.’
Bij het voorlezen viel me een nieuwe interpretatie in. ‘Zeven fruitbomen; misschien je eerste levensjaren. De kamers staan dan voor de volgende zeven. Veertien jaar, een onbezorgde jeugd. Dan die kale kamer. Je vijftiende, een moeilijk jaar?’
Ze glimlachte neutraal. Zo van: ga je gang maar, aan dat spirituele gedoe heb ik geen boodschap.
Ik aarzelde. Ook het laatste stuk van de droom?
In die kamer ligt een oudere man op een bed. Naakt. Aan zijn hand mist hij een vinger.’
Was ik maar gestopt. Want bij de laatste woorden stoot ze een werkelijk hysterische gil uit. Bevangen door een soort doodsangst keek ze met grote ogen langs mij heen.
‘Marleen, het is maar een droom! Mijn droom!’ Mijn droom, haar nachtmerrie.
Ze pakte een zakdoek waarin ze haar gezicht verborg. Voorzichtig legde ik een arm om haar heen. Ze reageerde als een gevulde kies op zilverpapier. Rillend duwde ze me weg, ver weg, alsof ik een vreemde was geworden.
Toen vermande ze zich en stond op. Met ogen op oneindig kleedde ze zich aan. In woordeloosheid verliet ze mijn huis.

Vanmorgen kwam ik tegelijk met Gerbrand bij de fietskelder aan.
‘Het is uit’, vertelde ik hem. ‘Uit met Marleen.’
‘Is het aan geweest? Daar heb ik helemaal niets van gemerkt’, zei hij spottend.
‘Een week…’ Het klonk belachelijk en zelfs dan smokkelde ik er nog een paar dagen bij.
‘Ik heb je gewaarschuwd. Voorgoed genezen nu?’
Ik zei geen ja of nee. In mij klonken twee stemmen. Haar neurotische gedrag stootte mij af. Daar was ik nu mooi van af. Maar achter haar kille zwijgzaamheid ging een geheim schuil dat mij fascineerde. Haar gereserveerdheid was mij vele malen liever dan het geroddel, de aandachttrekkerij of het streberige dat ik bij de vrouwen om mij heen zag. En dan was er haar uiterlijk dat mij ondanks alle koelheid bleef aantrekken. Als ik het van die kant bekeek, hoopte ik dat Marleen was bijgedraaid. Dat ze had ingezien dat het niet mijn schuld was dat ik ooit iets had gedroomd dat nu bij haar een zenuw raakte.
Ik liep het secretariaat binnen. Marleen groette mij even onpersoonlijk als alle anderen. Alles aan haar was weer herfst. Nee, winter.

Gepost in Columns, Proza | Getagged | Plaats een reactie

Recensie: Hoger die drempel!, Caroline de Westenholz

Lees hier de recensie.

Hoger die drempel

Gepost in Home | Plaats een reactie

Hockney, Manuel Kneepkens

 

David Hockney poolDavid Hockney ‘Pool’ (1978)

 Waar zijn hier de naakten die elkaar  
de suntanned  lijven 
kusten?

Verlaten 
ligt het terras van minnaars 
Campari slurpt enkel nog de ondergaande zon

“ Boys, o, boys
wie badmeester Nazomer’s fluitje
opduikt

mag heel de Augustusmaand gratis…”

September
valt over de zwemmers van toen, de lachers
de duikers… over hun klaterende torso’s
de ogen vol chloor

in ’t blauw 
van ’t diepe

Spiegelend
leegte 

Betegeld niets

David Hockney Two boys in a Pool 1965David Hockney ‘Two boys in a Pool’ 1965

Davis Hockney Nick Wilder 1966David Hockney ‘Nick Wilder’ 1966

Gepost in Home, Poëzie | Plaats een reactie

Moedermelk, door Renske van den Broek

Als het oude wijf de trap op stommelt, doe ik snel het haakje op de badkamerdeur.
‘Doe open, je bent hier niet de enige in huis!’ krijst ze.
Ik kijk in de spiegel en zie twee versies van mezelf, met in het midden een grote barst, die over het glas zigzagt. Heeft een van de nieuwe jongens gedaan, denk ik. Het wijf bonkt met haar stok op de deur. Heeft ze niks beters te doen? Ik weet het antwoord al, toch vraag ik of ik het mag gaan kopen.
‘Waar heb jij in jezusnaam een scheermes voor nodig, jongen? Om je polsen door te snijden?’ Ze lacht als een schorre geit. Dan begint ze te hoesten. Het oude wijf is compleet verrot van binnen. Zelfs als ze in die eeuwige pan bonen van d’r staat te roeren, heeft ze een peuk in haar mondhoek, zoals die cowboy van de sigarettenreclame.
Het klinkt alsof ze doodgaat, dus ik doe de deur open. Ze steunt met haar hand tegen de muur en rochelt. Na een tijdje kan ze weer praten. ‘Twintig monden moet ik voeden. Waarvan? Van de lucht! Voor dat plukje dons op je bovenlip heb jij geen scheermes nodig.’ Ze draait zich om. ‘Kom, jongen, help me even.’
Een klein duwtje maar, denk ik, terwijl ik haar een arm geef en naar beneden help. Ze ruikt naar uien. De snor op haar bovenlip is niet van dons, zoals de mijne. Op het loshangende vel groeiden dikke, zwarte stekels. Daar kan ze het vuil mee van de borden schuren. Dan maar een scheermesje jatten bij de supermercado op de hoek, makkelijk zat.
Had ik maar zo’n volle baard als Fernandez. Als hij zich een dag niet scheert, heeft hij al stoppels, en ziet hij eruit als een gangster. Door het scheren gaat mijn baard vanzelf groeien, zegt hij. Tot nu toe krijg ik er alleen uitslag van.
De jongens hangen voor de tv. Sinds de ventilator kapot is, kom ik niet meer in de woonkamer. Het is er heet en alles plakt. Iets van voetbal, hoor ik. Geen idee welke club er speelt, ik haat voetbal.
‘Ga je weer achter de vrouwtjes aan, bolle,’ roept de nieuwe met z’n grote bek. Ik ben niet dik, hooguit stevig, terwijl ik alleen maar rijst en bonen eet, en soms kip. Het is niet mijn schuld dat het hier te heet is om van je reet te komen. Douchen doe ik wel, twee of drie keer per dag. Stiekem, anders merkt het wijf het en krijg ik weer een badkamerverbod.
Fernandez staat in de deuropening. Hij verspert me de weg. ‘Heb je geen zin om voetbal met ons te kijken, Arlan?’
Ik schud mijn hoofd en kijk naar de klok, tien over drie. Ik moet opschieten.
Ze is er vast al.
‘Een potje tafelvoetbal dan?’
Ik haal mijn schouders op en wurm me langs hem. ‘Even een stukje wandelen.’
Fernandez is de enige in het weeshuis die me ziet. Hij maakt zich zorgen. Ik zie het aan de frons in zijn voorhoofd. Maar dat is niet nodig.
De stad trilt in de zon. Ik loop van schaduw naar schaduw. De straten zijn stoffig en leeg. Ik zie haar al van ver. Ze zit op het bankje onder de grote boom bij de Iglesia la Recolección. Haar hand ligt op de kinderwagen. Er hangt een witte doek over de kap. Ze is verdiept in een boek, zoals altijd. Snel dep ik mijn oksels met een papieren zakdoekje en ruik er even aan. Niets aan de hand. Zo nonchalant mogelijk slenter ik op haar af. ‘Vindt u het goed als ik hier even kom zitten?’
Ze kijkt op uit haar boek en glimlacht. ‘Natuurlijk,’ zegt ze zachtjes. ‘Wat een hitte, hè?’
Ik knik.
‘In de zon brand je gewoon weg.’ Ze maakt plaats voor me en leest verder. Ik snuif haar geur op. Zonnebrandcrême en iets van bloemen. Ze is zo blond dat het haast wit is.
Uit de bak komen kleine kreetjes. Ze kijkt bezorgd. Vorige maand zat ze hier nog met een buik als een ballon die elk moment kon knappen. De baby is nu echt wakker en zet het op een krijsen. Het geluid werkt op m’n zenuwen. Ook op die van haar volgens mij, ze lacht zenuwachtig naar me en kijkt op haar horloge. ‘Sorry hoor, maar de baby moet eten.’ Ze pakt het kind uit de wagen, neemt het op schoot en trekt haar shirt en bh in één beweging omhoog. Hier wachtte ik op. Haar dikke borst zakt als een pudding op haar buik. De roze tepel staat omhoog als een speen. Ze duwt de baby ertegenaan. Die hapt toe en begint als een gek te zuigen.
‘Wat een schatje,’ zeg ik. Haar borst deint op en neer terwijl de baby drinkt. Ik hoor het geklok. Mijn wangen gloeien, maar ze heeft alleen oog voor het mormel.
‘Mijn kleine wondertje. Hoe heet je?’
‘Arlan.’
‘Wat een mooie naam. Moet je niet naar school vandaag, Arlan?’ vraagt ze. Ze kriebelt de baby onder zijn voetje. Hij was even gestopt, maar begint nu weer te sabbelen.
‘Ik heb geen school vandaag.’ Het is Día de los Muertos, maar dat weet ze misschien niet. Ze komt hier niet vandaan. Misschien is ze wel Duits.
‘Lekker, een dagje vrij.’ Moet je niet zwemmen met je vriendjes?’ Ze lacht lief naar me.
‘Ik hou niet echt van zwemmen.’ Ik haat zwemmen, wil ik zeggen. Schreeuwende jongens en sprietige meisjes die zich gillend van de duikplank af laten duwen interesseren me niet. Ik zit liever op een bankje met een vrouw, een echte vrouw met blauwe ogen en zware borsten van de melk.
De baby is klaar met drinken en ligt knock-out in haar armen. Er loopt melk uit zijn mondhoek. Haar tepel is groot en roze en nat van de melk.
‘Belofte, betekent het.’ Ze heeft geen idee waar ik het over heb. ‘Mijn naam,’ zeg ik erachteraan.
‘Arlan, de belofte.’ Ze kijkt in de verte. ‘Wat mooi.’ Haar bh is nog steeds omhoog. Ze is het vergeten, denk ik. De beugel zit halverwege het witte vlees, er lopen blauwe aderen doorheen. Ik mag er gewoon naar kijken.
‘Mijn moeder is dood,’ zeg ik. Al weet ik dat strikt genomen niet helemaal zeker. Het klinkt in ieder geval beter dan: ‘Mijn moeder was waarschijnlijk een hoer die me op de stoep van het weeshuis heeft gedumpt.’ Ze kijkt me aan met die grote, blauwe ogen. Net een engel.
Ik doe er nog een schepje bovenop. ‘Mijn moeder is dood en mijn vader bestaat niet, dus als ik al een belofte was, dan heb ik die in elk geval niet waargemaakt.’
‘Ach, jongen toch.’ De tranen staan in haar ogen. Ze raakt mijn arm even aan. De baby hangt slap in haar armen, ze legt hem terug in de wagen en dekt hem toe.
‘Heeft-ie het niet te warm zo?’
‘Het is een meisje. Drie weken oud. Pasgeboren baby’s kunnen zichzelf nog niet warm houden.’
‘Maar dadelijk stikt-ie.’
Ze kijkt bezorgd. ‘Misschien heb je gelijk, het is wel erg warm ja.’ Ze haalt de doek er weer vanaf. Ik buig en kijk in de wagen. De baby beweegt niet, hij zou even goed dood kunnen zijn. Ik gloei. De borst is zo dichtbij nu, dat ik me maar een klein stukje naar haar toe hoef te buigen om de roze speen in mijn mond te nemen. Hij schreeuwt erom. Mijn broek knelt, ik ben hard. Een onzichtbare hand duwt me naar voren. Ik kan er niets aan doen. Over haar tepel lopen kleine straatjes, kriskras over het oppervlak. Ik sluit mijn lippen er omheen en zuig. De moedermelk spuit mijn mond in, zoet en warm. Ik explodeer haast als ik haar hand in mijn haren voel. Zie je, zij wil dit ook.
Dan een harde, koude klets tegen mijn wang. Als ik mijn ogen open, kijk ik recht in het gezicht van het oude wijf. Ze slaat me met de geplukte kip, die ze aan de poten vasthoudt. De gerimpelde kop zit er nog aan. Het is een haan, dat zie ik aan het rode lelletje.
Opnieuw een klets. Hard en raak. Nog één. De snavel van het beest haalt mijn gezicht open. Bloed loopt langs mijn wang naar beneden.
Iemand grijpt me bij de arm en trekt me omhoog. Fernandez’ pikzwarte ogen fonkelen. ‘Arlan,’ sist hij in mijn oor. Hij knijpt, het doet pijn. ‘Waarom doe je nou zoiets, jochie?’ fluistert hij.
Ik probeer me los te wurmen, maar ik maak geen schijn van kans. Achter Fernandez staat het wijf nog steeds met de kip te zwaaien. Ze roept dingen, maar ik hoor niet wat. Ze mag dood vallen. Daarnaast staat zij, haar dikke borsten stevig vastgeklemd, alsof ze van haar lichaam kunnen vallen.
Fernandez sleurt me mee. Uit mijn ooghoeken kijk ik naar hem. Huilt hij nou?
De zon brandt en de baby jankt. Ik kijk niet om.

Gepost in Columns, Proza | Plaats een reactie