Een nieuw nummer op 15/11: Geloof in de kunst

Op donderdag 15 november werd de nieuwe Extaze: ‘Geloof in de kunst’
gepresenteerd in de Houtrustkerk in Den Haag.

cover Extaze 28 Geloof in de kunst

B E S T E L L E N

Geloof in de kunst

ESSAYS
In zijn essay ‘De tegenverbeelding van het religieuze’ concludeert Kris Pint na lezing van
Gerard Reve’s literaire werk, dat de schrijver in het katholicisme een tegenverbeelding vond die krachtig genoeg was om de strijd met zijn wanhoop, verslaving en angst voor depressies aan te gaan. De neurotheologie leert ons dat de religieuze verbeelding dient als interface om met de primitieve religieuze ervaringen om te gaan die in de specifieke structuur van de hersenen zijn opgeslagen.
De sterke religieuze vervoering die is uitgedrukt in het beeld Extase van de heilige
Theresia van Giam Lorenzo Bernini (1598–1680) zet Onno Schilstra in ‘Het nachtkastje van Franco’ op hetzelfde spoor als Pint. De sculptuur vormt een verwijzing naar iets
onzegbaars, iets ‘onbegrippelijks’ dat hooguit door het soort symbolen waarover Reve schrijft in Moeder en zoon (1980) in taal uitgedrukt kan worden.
’Een verrukkende heidense schoonheid’ is de titel van Ruurd Halbertsma’s essay over de waardering van de antieke beeldhouwkunst door de eeuwen heen en de aantrekkingskracht die de lichamelijkheid en sensualiteit van de beelden uitoefenden op mensen met sluimerende seksuele fantasieën. Louis Couperus beschouwde de antieke wereld als een ‘foreign country’, waarnaar hij terugreisde op elk moment dat hij in extase een klassieke sculptuur beschouwde.
Artien Utrecht is geboeid door de tegenstelling die de schrijver Junichiro Tanaziki waarnam tussen de Japanse sensitiviteit voor nuances van licht en duisternis en de westerse voorkeur voor het felle licht. Op het Japanse kunsteiland Naoshima ervaart ze dat het spel van schaduwlagen en hun verschillende diepten je dwingt om te kijken met je zintuigen. Het donker vraagt om een voorbijgaan aan het ‘gewone’ zintuiglijke zien. Voorbij het gewone zien ligt de verbeelding van wat niet is, maar zou kunnen zijn.
In ‘Van West naar Oost’ analyseert Klaas de Groot zes Indische gedichten van de
Surinaamse auteur Bernardo Ashetu (1929–1982), wiens thematiek: dood en verandering gekoppeld aan geweld, voor hem een middel was om zich bevrijd te voelen van
beklemming en onderdrukking.

KORTE VERHALEN
Michiel van den Berg
Jens Bezemer
Guido Eekhaut
Else de Jonge
Christien Kok
Dewi de Nijs Bik
Phaedra Onclin
Yoko Theeuws
Liedewij Vogelzang

GEDICHTEN
Guy Commerman
Anne Karelse
Lisa Rooijackers
Merel van Slobbe

BEELD
Mariëtte van Erp

Vormgeving binnenwerk, omslag en de geschilderde omslagafbeelding: Els Kort

Gepost in Home, Nummers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Lekker Zen

Walden 2.0: Lekker Zen

Ik reed even met de auto naar een ander bos, want dat leek me wel een aardige afwisseling. Per ongeluk had ik mijn portemonnee in mijn zak waardoor ik op het idee kwam om meteen even boodschappen te doen. Ik kwam er per slot van rekening tóch langs. Ik zou op de terugweg meteen even langs mijn ex rijden. Dochterlief was de helft van haar spullen vergeten, kon ik die mooi even langs brengen.
      Het was druk in de supermarkt, een plek waar ik sowieso al niet wil zijn, dus zeker niet langer dan strikt noodzakelijk. Nu sta ik er tien minuten in de rij, met mijn lelijke boslaarzen en mijn ongekamde haren. Tien minuten waarin het buiten steeds donkerder wordt. In een nieuw bos kan ik Lucy niet zomaar loslaten als het schemert, dan eet ze al het wild op dat voorbij schiet. Ik vind dat persoonlijk niet zo erg, vooral niet als ik de restjes mee naar de bostuin kan slepen zodat ik in de ochtend de buizerd kan bespieden als hij zijn maaltje komt halen, maar het risico op een boete is te groot. De boete is negenhonderd euro zegt de boswachter iedere keer als ik hem tegenkom. Hij steekt zijn wijsvinger erbij op. Ik heb een hekel aan dat gebaar. Hoe dan ook, zo’n feest is het nog lang niet. Ik sta te lang in de rij. Als ik buiten kom is het nagenoeg donker.
      Als de boodschappen binnen zijn, rijd ik de stad in om de spullen van mijn meisje af te geven bij haar vader. Het is druk. Ieder stoplicht springt voor mijn neus op rood. Het wordt steeds later. Ik rijd een omleiding in, samen met nog drie miljoen andere automobilisten. Ik mijmer even over de tijd dat ik nog geen auto had (twee maanden geleden) en op mijn fietsje overal voorbij scheurde. Ik rijd nóg een omleiding in, nog een rood stoplicht, mijn telefoon schreeuwt vanuit mijn jaszak; de dochter vraagt waar blijf je nou? De radio brult, ik snijd per ongeluk een hele aardige fietser af, wil stoppen om sorry te zeggen, sla het portier bijna in iemand anders smoel, stap snel weer in, zwaai vriendelijk naar een agent: hallo-agent-niks-aan-de-hand-ik-ben-ok, rijd door naar mijn ex. Koffie? Nee-in-godsnaam-niet-nee. Terug die stad door. Wat-stinkt-het-hier-godver-wat-duurt-dat-lang, weer alle stoplichten op rood. Ik neem vast een hapje uit mijn stuur.
      Anderhalf uur later sta ik weer voor de boshut. Er komt rook uit de schoorsteen. Mijn vuurtje heeft in de tussentijd lekker door liggen smeulen. Ik realiseer me dat ik in een oude val ben getrapt. De val van: kijk-mij-eens-even-lekker-bijzonder-efficiënt-bezig-zijn-met-m’n-op-de-weg-naar-dit-kan-ik-meteen-even-dat-zodat-ik-aan-het-einde-van-de-dag-een-miljoen-losse-eindjes-heb-afgeknoopt.
      Brrrr. Ik was vergeten dat ik er zo goed is was en ben blij te merken dat dat dus ook niet langer het geval is. Ik laat Lucy uit de auto en stap mijn eigen bos in. Lekker Zen.

Gepost in Home, Walden 2.0 | Plaats een reactie

Een nieuw debuut op 1 december in de Extaze-reeks:
Olifanten warm houden, Dieuwke van Turenhout

 

Uitgeverij In de Knipscheer en Literair tijdschrift Extaze presenteren:
Een nieuw debuut in de Extaze-reeks:
 
Dieuwke van Turenhout: Olifanten warm houden (korte verhalen)

De boekpresentatie is op zaterdag 1 december,
van 14.00–17.00 uur, Perdu, Amsterdam.

Programma:
Aly Freije: gedichten, proza
The Phoenix Lights: muziek
Peter de Rijk interviewt Dieuwke van Turenhout
Presentatie: Cor Gout
Locatie: Perdu, Kloveniersburgwal 86, Amsterdam.
Bereikbaarheid Perdu

Aanmelden: redactie@extaze.nl
Meer informatie: redactie@extaze.nl, indeknipscheer@planet.nl

Een man probeert de draad weer op te pakken na het dodelijke auto-ongeluk
van zijn geliefde, kinderen van een religieuze sekte bereiden zich voor op het eind
der tijden en een jonge vrouw worstelt met haar kersverse moederschap.
In deze en zestien andere korte verhalen in Olifanten warm houden neemt
Dieuwke van Turenhout de lezer mee naar de kwetsbare wereld van de buitenstaander –
mensen die door hun eigenzinnige karakter of hun liefde voor een ander in extreme
situaties zijn beland. In haar veelzijdige debuut, waarin ze personages opvoert uit
verschillende rangen, standen en tijden, toont Dieuwke van Turenhout het inlevingsvermogen en stilistisch vernuft van een geboren schrijfster.

Dieuwke van Turenhout studeerde Letteren in Tilburg.
Ze werkte voor het chemiebedrijf Koninklijke DSM NV toen ze
in 2010 met haar partner naar New Delhi, India verhuisde. In die periode schreef
ze wekelijks een column voor Intermediair.

In 2012 verhuisde ze naar Brussel en volgde lessen bij de Schrijversacademie in Antwerpen. Hier raakte ze geïnteresseerd in het korte verhaal en in 2015 rondde ze de Schrijversacademie af met een verzameling korte verhalen.
Verhalen van haar hand verschenen in Revisor, Hard//hoofd, De Optimist, Extaze en het Vlaams literair tijdschrift Gierik & NVT (nu G.) en in het internationale Asymptote Journal. Dieuwke van Turenhout is host van de podcast Not just Hemingway, die zich exclusief bezig houdt met het korte verhaal.

 
De Extaze-reeks, een gezamenlijk initiatief van het literair tijdschrift Extaze
en Uitgeverij In de Knipscheer, is een serie debuten van auteurs die eerder
in Extaze publiceerden.

www.facebook.com/Extazereeks

 

logo Extaze-reeks

IN DE KNIPSCHEER

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Stilstaan

Stilstaan‘Jij moet hier blijven,’ roept de jongste van mijn vriendin me toe. Hij kijkt er streng bij. Zijn wijsvinger priemt naar het onzichtbare plekje voor hem op de grond. Ik probeer weg te komen, maar de kleine man is het er niet mee eens.
      ‘Ik moet helemaal niks,’ zeg ik, werp hem een kushandje toe en stap in de auto. Ik ben even op bezoek geweest bij mijn vriendin in de woonwijk. Ik moest er de hele stad voor door. Het was druk. Ik wil terug naar de boshut, waar een emaillepotje met gemberthee op de kachel staat, de hond op de bank ligt te slapen, waar het ruikt naar smeulend hout en mijn manuscript op me wacht. Of in elk geval steeds minder, denk ik erachter aan. Ik zwaai nog even en rijd de straat uit.
      Die zin blijft in mijn kop zitten; dat ik steeds minder moet en My God, wat is dát fijn! Er zijn jaren geweest van zorgen, van hollen en van brandjes blussen, vele jaren. Van die jaren heb ik ook genoten. Ik ben blij dat ze er waren, maar het was ook veel. Té veel, zo bleek toen ik in 2015 to-taal instortte. Er volgde een tranendal en een traag herstel. Allemachtig wat is ook mijn leven een cliché want inderdaad: sindsdien is er steeds meer ruimte gekomen. Ruimte om te doen wat ik wíl doen om mijn eigen leven vorm te geven en ik geef gehoor. Het smaakt naar meer. De behoefte om helemáál zelf uit te maken hoe ik mijn leven leven wil, groeit alleen maar. Het opzeggen van baan en huis is kennelijk nog niet genoeg. Ik wil wegkruipen als een bosdiertje en tevoorschijn kruipen als ik het weer weet, als zich een nieuw verhaal heeft aangediend of als een nieuw gedicht zich heeft genesteld in mijn hoofd. Ik groei in het alleen zijn. Ik wil leren loslaten, alles wat ik zolang krampachtig heb proberen vast te houden en zelf met enige nieuwsgierigheid ontdekken hoe het verder zal gaan, dat leven van mij.
      Nou ja dat kan nu dus, zie ik als ik mijn bijna lege agenda opensla. Nog twee weken vol werk, klussen, opdrachten, dan is het stil. Lege, lege bladzijdes tot aan mijn nieuwe kakelverse agenda toe. Fijn hè, of toch niet?

Gepost in Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Psychologie en erger, Rob Verschuren

In een uitstekende, genuanceerde recensie op Literair Nederland constateert Olivier Rieter een gemis aan psychologische diepgang in mijn roman Tyfoon (In de Knipscheer 2018).
Dat is een kritische noot die me blij maakt. Hetzelfde commentaar vind je namelijk regelmatig terug in recensies over het werk van mijn grote literaire voorbeeld Cormac McCarthy.
      Om iets zinnigs te kunnen zeggen over psychologische diepgang, zou je moeten beginnen vast te stellen wat ermee bedoeld wordt, waarom het ontbreken ervan een gemis is en wanneer een schrijver wel aan deze voorwaarde voldoet.
      Voor ‘diepgang’ geeft ENCYCLO.NL de volgende omschrijving: ‘Diepte tot waar een schip zich met zijn kiel onder de waterspiegel bevindt.’ Waar het in deze definitie om draait is: ‘onder de waterspiegel’.  Onder. Niet aan de oppervlakte. Maar onmiskenbaar aanwezig, die kiel, anders zou het bootje bij de eerste golf omslaan.
      Hier valt moeiteloos een parallel te trekken met het werk van Cormac McCarthy, die er een erezaak van maakt nooit een woord te wijden aan de beweegredenen van zijn personages. Zoals een recensent die mijn bewondering deelt het erg mooi heeft opgeschreven:
      ‘His refusal to vouchsafe his readers any privileged entry to the character’s thoughts beyond evaluating their actions and words yields a concrete realism that plays beautifully against the timeless poetry of their mythic environs and the timeless poignancy of their fates.’
      McCarthy heeft dat ook niet nodig (zoals hij ook geen leestekens nodig heeft, of in ieder geval veel minder dan andere stervelingen). Alles is aanwezig in de dialogen en de acties van zijn protagonisten. Het is aan de lezer om het boven water te halen.
      Vanwaar dan die kritiek? Op McCarthy, bedoel ik. Mijn eigen ambities in die richting moeten het doen met minder talent, en waar McCarthy glansrijk slaagt, ben ik nog aan het oefenen.
      Ik denk dat het luiheid is. Van de lezer, omdat het makkelijk wegleest wanneer de psychologische verklaring bij de koop is inbegrepen. En van de schrijver, omdat het makkelijker is iets te vertellen dan te suggereren door handelingen en dialoog. We zijn gewend geraakt aan boeken waarin wordt gemijmerd voor beslagen ramen, en veel mensen denken dat het zo hoort. En erger nog dan al dat gemijmer, is het wanneer de auteur in het verhaal inbreekt om een en ander begrijpelijk uit de doeken te doen.
      Je mag er natuurlijk anders over denken. Dat is het sterke aan Olivier Rieters recensie. Hij geeft zijn oordeel, maar laat ruimte voor andere interpretaties. Wanneer hij verderop in zijn betoog opmerkt: ‘(…) Verschuren heeft er waarschijnlijk bewust voor gekozen dergelijke uitdiepingen beperkt te houden,’ wordt zijn commentaar geen verwijt, maar iets waarover je van mening kunt verschillen.
      Ja, Verschuren heeft er bewust voor gekozen, geslaagd of niet geslaagd. Hij blijft oefenen.

Gepost in Columns | Getagged , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Janken

Walden 2.0Hoewel ik mij op fietsafstand van het stadscentrum bevind en er een auto voor mijn deur geparkeerd staat, waan ik mij in een buitenwereld. Inmiddels woon ik vier weken in de boshut. De boshut met gaten in de muren en in het dak. De boshut met een geiser die na exact één minuut drieëndertig afslaat. De boshut zonder centrale verwarming en mét een verstopt toilet. Die boshut.
      Toen ik mijn dochter van veertien vertelde dat we hier zouden gaan wonen voor de duur van drie maanden, was ze direct enthousiast. Laten we het erop houden dat ze het avontuurlijke van mij heeft. Maar toen we eenmaal definitief onze comfortabele eengezinswoning hadden verruild voor de boshut, en zij ontdekte dat hier noch televisie noch internet was, gilde ze het uit: hoe móet dat dan? Het drama leek niet te overzien. Ik had niet voor niets besloten dit minuscule feitje achterwege te laten in mijn verhaal.
      Gisteravond sleepten we samen de bank in de woonkamer tot vlak voor de kachel. Toen hij er eenmaal stond, hadden we het warm van het gesleep. We híelden het ook warm, want ’s middags hadden we samen een voorraad hout staan hakken. We konden dus even vooruit met stoken.
      We zaten samen met de hond op de bank voor het vuur. We dronken thee en kletsten de dag door. Haar bedtijd was allang verstreken maar die nemen we al weken niet meer zo nauw. Een potje scrabble duurt immers meestal langer dan voorzien, en vier potjes Yahtzee blijken leuker dan één.
      Ineens zegt ze: we zouden zo altíjd moeten leven, mam. Ik had al wel gemerkt hoe fijn ze het hier heeft. In de boshut lijkt alles eenvoudiger. Een hoop complicaties blijven achterwege omdat datgene er simpelweg niet ís, óf omdat het niet functioneert, en zo blijft er ineens tijd over. Tijd die we dus hakkend, wandelend, kletsend, spelend, dansend doorbrengen.
      Ik kijk haar aan. Ze is veertien. Ze heeft gedonder met haar vrienden op school, die haar aan het begin van het schooljaar uit de groep hebben geknikkerd. Ze past er niet helemaal bij. Toch is ze er niet onder te krijgen. Ze heeft niet zo veel zin in conventies, neemt geen blad voor de mond en maakt zelf wel uit wat ze leuk vindt en wat niet. Sinds we hier wonen draagt ze geen make up meer. Ze moet er zelf ook om lachen. We vinden het ineens allebei gedoe. ’s Morgens lopen we liever het bos in of stoken het vuur vast op, dan dat we ruzie maken om het ene kleine spiegeltje dat hier in huis ligt. Ik vergeet regelmatig mijn boslaarzen te verruilen voor iets netters, en constateer pas hoe ik erbij loop als ik in de rij van de supermarkt sta. Ze zitten ook zo lekker. Zij kiest ineens een nieuwe winterjas die vooral warm moet zijn en fijn moet zitten. En nu zegt ze ook nog; ‘ik mis het internet niet mam. Zullen we een spelletje doen?’
      Ik zou er een beetje om kunnen janken. Van geluk.

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

15/11, Extaze in de Houtrustkerk, presentatie Extaze 28: ‘Geloof in de kunst’

Extaze in de Houtrustkerk 28

Geloof in de kunst? Geloof in de literatuur? Of toch in de eerste plaats je levenswijze instellen op de maatschappelijke carrière en het consumeren? Louis Couperus’ way of life werd vooral beïnvloed door de levensstijl en de (beeldhouw)kunst van de Grieken en de Romeinen. De atleten op de spelen in Olympia beoefenden hun sport naakt,
de Griekse sculpturen van jonge mannen en goden lieten niets te raden over.
Ruurd Halbertsma vertelt over die cultuur en Els Kort zorgt ervoor dat de weergave van die beelden op de wand van de Houtrustkerk er net iets anders zullen
uitzien dan verwacht. Lisa Rooijackers‘ jeugd en ongekunsteldheid zal doorklinken
in de gedichten die zij zal voordragen. Mariëtte van Erp zal vertellen over de kunst, haar kunst, die als vanzelf ontstond toen zij haar huis en tuin in Gemert moest verlaten. Onno Schilstra schrijft in Extaze 28 hoe een beeld van Giam Lorenzo Bernini (1598–1680), De extase van de heilige Theresia, een van de meest intrigerende beelden van religieuze vervoering die hij ooit had gezien, hem deed beseffen dat hij beeldend kunstenaar zou worden. In zijn voordracht zal ook Gerard Reve een plaats krijgen,
en de muziek, het nummer Freight Train en andere ‘Americana’, kunstuitingen
die hem in zijn overtuiging hebben bevestigd. Een staaltje van de door hem geliefde Amerikaanse muziek, oud en nieuw, pop, country en folk, zal Onno samen met
Artur Schouten, Siebe van Egmond, Paul Keuzenkamp en Renk Jan Vissers,
tesamen het ensemble ‘Art for Art’s Sake‘ vormend, ten gehore brengen.
Alweer een avond om niet te missen.

Kom weer eens langs!
 De Extaze-avonden zijn van Pulchri verhuisd naar Sociëteit De Vereeniging en vandaar naar de Houtrustkerk op de hoek van de Beeklaan en de Hanenburgweg. Kwaliteit hebben we tijdens die reis niet verloren, integendeel, zo laten de ‘habitués’ van de Houtrustkerk ons weten. Veranderd zijn de avonden wel en dat is goed.
Er is nog iets veranderd en die verandering is minder goed. Een aantal vaste bezoekers van het eerste uur zijn al geruime tijd niet meer gesignaleerd. Sommigen van hen hebben tijdens een van de presentaties van Extaze opgetreden.
Tot hen zouden we willen zeggen: jullie vormen een deel van onze geschiedenis en
we missen jullie.

 Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Anton Simonis (Adesign)

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Boodschap

boodschap
Nu de houtkachel in de woonkamer van de boshut eindelijk brandt en de geiser van de badkamer langer dan twee minuten aanblijft, wat douchen mogelijk maakt, is de wc verstopt. Ik ontdek het omdat iemands grote boodschap vlak onder de rand drijft als ik de deksel van de plee opendoe omdat ik moet plassen. Ik schrik ervan. Het is een lelijke boodschap. En boodschappen van onbekende mensen zijn sowieso niet om aan te zien. De kans dat deze boodschap van iemand is die ik niet goed ken is aanzienlijk, aangezien er op deze dag bijzonder veel onbekende mensen de boshut in- en uitliepen om redenen die ik hier beter niet kan vermelden. Ik zucht diep en klaaglijk want ik had vandaag nu juist bijzonder veel zin om een geconcentreerd sprintje te trekken naar de laatste hoofdstukken van mijn boek en realiseer me direct dat de dag anders zal lopen.
      YouTube toont mij bijzonder veel inventieve mogelijkheden om een wc te ontstoppen als je geen zin hebt om daarvoor een mannetje in te huren. Ik ben de kinderachtigste niet, trek mijn kleren tot op mijn ondergoed uit, draai een hoofddoek in mijn haar en ga aan de slag. Met een goed muziekje op, zijn de meeste klusjes best te doen. Ik zoek Het is klaar van Anouk op, want klaar moet het gedonder nu wel zijn en draai de volumeknop open.
      De meest logische wijze om een wc te ontstoppen, volgens YouTube is met een ontstopper. Bij gebrek aan een ontstopper kun je er zelf een maken door de wc-borstel in een plastic zak te steken en flink in het gat van de wc te douwen net zo lang totdat ie vacuüm trekt. Ik steek de borstel in de tas van de boekhandel waar ik negen jaar heb gewerkt en jas het ding flink op en neer. Er klinkt plop. De grote boodschap loopt samen met het water dat níet over de pot is geklotst, weg. Anouk zegt: ik heb het met jouw rotkop gehad en ik ben het met haar eens.
      Maar als ik doorspoel, verschijnt de rotkop net zo hard weer uit het putje omhoog. Het water dat opborrelt vanuit de krochten onder mijn boshut samen met het water uit het reservoir blijken al snel te veel voor de pot. Alles wat er niet in past, klotst over de rand. De boodschap kijkt me aan alsof de wereld vergaat en dat klopt ook. Anouk had een vooruitziende blik.
      De tweede methode die ik van YouTube leer, is het naar binnen werken van een drie meter lange spiraal. Dat gaat werken. Ik weet het zeker. De spiraal verdwijnt heel eenvoudig door de bruine waterige massa in de pot de afvoer in. Ik lach er bijna om. Jammer dat hij er ook weer uit moet en ik vergeten ben om handschoenen aan te trekken. De pot loopt langzaam leeg, er blijft een smerige massa achter en als ik doortrek om die weg te spoelen loopt de pot weer vrolijk vol. Ik wil dat je gaat, zegt Anouk. Ik zet het nummer op repeat en brul op mijn hardst mee.
      Gelukkig heeft YouTube nog meer oplossingen; je kunt ook altijd nog de pot afplakken en twee keer doorspoelen, waardoor de druk in de pot zo hoog wordt opgevoerd dat je dan het water met beide handen heel eenvoudig terugduwt, waardoor alles in een keer in de afvoer verdwijnt. Het zou gewerkt hebben als het plastic niet zou scheuren en de tweede tien liter uit de pot vrolijk de vloer op zou stromen.
      Na vijf YouTube-manieren te hebben uitgeprobeerd en Het is klaar tien keer te hebben gehoord, is het nog steeds niet klaar maar ik ben dat wel. Ik geef het op, spuit een fles chloor leeg over de pot, de vloer en mijzelf en kruip in bed. Als ik de volgende morgen in mijn halfslaap naar de wc wandel om te plassen, is de hele zinloze ontstoppingsexercitie van de vorige dag kennelijk verdrongen uit mijn gedachten want voor ik het weet heb ik geplast én doorgetrokken. Pas dan denk ik er weer aan. Ik schiet omhoog, in angst dat ik opnieuw in een overlopende wc zal staan, maar na een luid gegorgel blijft er een schone en ook lege pot achter. Iets heeft gewerkt. Ik weet het nu zeker.

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie:
Els de Groen, Wakker vallen

Lees hier de recensie.

Els de Groen Omslag

 

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan,
Theo van der Wacht:
Promenade

Op Scheveningen, strandtheater aan de haven.
Viool speelt de Bumblebee, het ballet zwermt
uit over het toneel, als honingbijen om de korf.
Prima donna neemt open doekjes in ontvangst.

In de pauze pierenwaaien met Neptunus, sushi
en biertje inclusief. Een knalvuurwerk de sfeer
verhit, de natuur op tilt. Grimmig boven zee op
een Olympisch onweer afgestemd, in F majeur.

In de orkestbak barst de hel los: ‘Donderslagen
op muziek’. Slagwerk.Toeters. Een symfonische
kanonnade, bominslagen. Publiek in alle staten.

Zeekant. Een brandje hier en daar. Voorportaal.
Een Dantesk bacchanaal van bedwelmde darren.
De partituur? Die ontkomt niet aan dit vagevuur.

 

Lees meer »

Dichter in zee

Om het niet alleen bij woorden te
laten, in Adamskostuum de zee te
beproeven, onbedekt de branding
te tarten. Kopjes onder. Prikogen.

Ziltproeverij annex kwallenbuffet.
Wat steekt is de jeuk, de natuur die
sart en bevleugelt. Regenbooglicht.
Schuim.Venus op de lippen. Glitter.
Trek naar het diepe. Langere deining.
Lome golven. Briesje. Drijfvermogen.
 

Stapvoets

Vraag is of dit vers zich ervoor leent.
Probeer daarom eerst maar een paard.
Borstel de huid, poets het tuig, baad
in het zweet, ben òp voor ik het weet.

Maar wees alert, wat er briest, komt
stapvoets werkelijk op ons af. Koets,
kraaien en hoefslag doen hun beroep.
Wat is erger, een trap of een stomp.

Breken wij ons gedwee de nek over
de bloemen, de snacks, de toespraak.
Hoe er te komen, te voet of te paard.

Bevleugeld rouwen, afloop onzeker.
Niet te beteugelen anderhalve regel
er vandaan. Stampvoet. Snik. Zegel.
 

Klein geluk

Bal, een balletje hooghouden,
mooier en langer dan het jouwe,
erop vertrouwend dat het mij eens lukt,
vermijd ik haast, onderlijn ik mijn geduld.

 

Tweedracht

Zo-even bij mijn brein aangekaart waar wij ons
komende tijd mee verstaan. Een samenstel van
taal, hersenspinsels, goede zin brengt ons waar

wij moeten zijn, hier-nu, socratisch in duel met
elkaar. Op gevaar af voor pretentieus te worden
aangezien, ogen wij tot hoe ver we kunnen gaan,

nemen wij zwart en wit als absolute grenzen aan,
regenboog als decor, koppelen we darm aan rede,
omarmen wij de tweedracht blij maar ontevreden.

 

Winters

Zo goed zo kwaad ingezoemd op de
plaats waar ik winters naar reikhals,
de symbiose van laagland, sloot, ijs.

Schaatsen uit het vet, dus toerrijders
opgelet: ‘t kan vriezen, kan dooien,
laat je niet foppen door mooipraat.

Nat pak te riskant? Wacht dan nog
een nachtje af. Waaghals bij hoog
en laag? Bewijs het in mijn plaats.

 

Op tilt

Een naar zuidwest krimpende wind. Storm
in de maak. Voorspellende woorden, tekst
slaat op tilt, zwalkende zinnen haken naar
een houvast – een bolder, touw op de tast.

 

Catche a falling starre.
John Donne

Climax

Me afgevraagd wat mij vandaag op de been
houdt. Onzinnige gedachten voeren mij naar
een riskante plek, een rondschouw die opgaat
in een climax: van een zon die kakelbont  uit het
zicht verdwijnt, waar men op de kim scènes uit de
hel uitbeeldt, en ikzelf, in het licht van die vuurstorm,
nu het kan, die nog onbekende, vallende staartster vang.

 

Passage Achterberg

Wie doet er nu nog Dante aan? Diens voorportaal
bestormde ooit als een visioen van Jeroen Bosch
mijn puberale brein – O schilderij, o schilderij.

Een Haagse rode maan verft een gevaar: Twee
mensen hand in hand, de Passage vliegt in brand,
de ijssalon in vlam en vuur en Francesca biedt mij
naast de cassata ook haar vingers aan, geniet een
voorjaarlang van mijn gesmul, meeliftend op mijn
tong…maar glimlacht telkens net iets te jong – O!
schilderij van Hel en Hemel en Voorbij.- Het is
nu donker in dat land, gehangen aan de wand.

Naamloos

 

 

Foto: Carel Steijn, schilderij: C. Troost

Buiten beeld

Het kunststuk volbracht, handmerk gezet.
Met zand aan de kwast, stofjes op de lens.

Kom vooral dichterbij, plek genoeg op dit
strand. Markant, zelfs de ezel hier is echt.

Voel mee, het doek is nog nat van de verf,                     |
mix van blauw, grijs en licht. En de stoel?

Schilder zelf blijft buiten beeld, – doel ìs en
blijft het zeezicht, en wat kijker ervan vindt.

Troost

 

 

 

 

C. Troost

Het zich legen
tot de laatste letter

Overvolle
luchtspiegeling

Zwanenstal

 

Gebeeldbraakt

Op een ongemakkelijke plaats verzeild
geraakt, grensvlak van beeld en spraak.

Waar deze locatie mee correspondeert
of naar verwijst.- Een verholen zin? Een
code die moet worden gekraakt?- Klank?
Geur? Pijn? De godsonmogelijkheid van?

Wat blijft is de hoop die nooit opgeeft,
een kompaan die de eindeloze afstand
te lijf gaat, al inpratend op het graniet,
waaraan elk zieleroersel zijn kop stoot.

 

Degas op zijn Nederlands

corneliatroost

 

 

 

 


C. Troost

Het naschilderen van een tableau op
ware grootte, en wel zo precies dat je
kijk!, al bijna geen verschil meer ziet.

Aan de wand pronkt onze ballerina van
Degas: even fragiel, even typisch Frans.
Helaas is onze voertaal het Nederlands.

Op een goede dag, het licht valt ideaal,
bekijken we haar eens opnieuw.- Ik zie
je frons, een blijk van twijfel misschien?

– Nog even fraai, brom je, maar de taal..   
                                                                                                                    

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Film

walden2.0champagne
De eigenaar van de grond waar de boshut op staat, is de zanger van een band. Hij heeft een zwoele stem. Met die zwoele stem vroeg hij mij even mee te denken over een videoclip voor een nieuw nummer. Ik ben gevoelig voor zwoele stemmen en zei dus ja. We schreven het script, keken de tuin in en ontdekten daarmee de filmlocatie.
      De cast moest ook worden samengesteld. Dat deden we. Het was gemakkelijk. Onze werelden bleken vol te zitten met mooie, leuke mensen die het leven vieren. Iets wat we in het script hadden geschreven; het leven vieren. Dat leek me noodzakelijk. De zwoele stem benadrukte dat ik de hoofdrol moest krijgen. Daar zei ik nogmaals geen nee op. En zo werd ik ineens scriptschrijver, castingdirector en hoofdrolspeler in een film die in mijn eigen (nou ja) boshuttuin werd opgenomen.
      Omdat ik daarmee wel genoeg had gedaan en filmen eigenlijk ook een heleboel wachten is, dronken we de Champagne op aan de eettafel waar we voor de film (uiteraard) het leven zaten te vieren. Dat ging uiterst gemakkelijk. Met Champagne drinken en het leven vieren heb ik doorgaans weinig moeite. De regisseur seinde wel een paar keer dat we nog wel te filmen moesten zijn, maar acteren vonden we juist steeds makkelijker worden en dus werd het een prachtige film.
      De dag erna zat ik alleen in mijn boshut. Ik kon me nog schimmen voorstellen van al het gepeupel dat hier had plaatsgevonden, maar nu was het stil. De vogels floten, de zon scheen. De hangmat wiebelde stilletjes mee op een zuchtje wind. Het was stiller dan de dagen vóór het opnemen van de film. Ik wist niet zo goed wat ik daarvan vond. Misschien wilde ik dus toch niet de rest van mijn leven alleen maar in een hutje zitten schrijven en niemand zien. Het leven vieren met veel lieve mensen om me heen was me bijzonder natuurlijk afgegaan. Ik kon niet ontkennen dat ik daar talent voor had. Dat zette me aan het denken: was ik eigenlijk wel zo’n kluizenaar als ik de afgelopen weken had geroepen? Of was ik het alleen nu even niet meer, nu ik weer even ontzettend het leven had lopen vieren? Of was ik misschien gewoon allebei; een levensvierder èn een kluizenaar? En hoe zou ik dan ooit mijn leven moeten inrichten om die beide kwaliteiten van mijzelf ten volle uit te kunnen zijn? Hoe ik dat moest oplossen wist ik niet. Ik staarde even in het vuur en ging toen vroeg naar bed.

Heidi Koren

Gepost in Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Hout sprokkelen

walden 2.0 vuur

Het is een woensdagmiddag en ongekend warm. De dochter is bij de vader. De liefde heeft zichzelf afwezig verklaard. De hond heeft op het grote kussen van de bank gezeken. Het natte kussen heeft de hele middag te drogen gelegen in de najaarszon. Het heeft gewerkt. Inmiddels dient het prima als steuntje in mijn rug.
      Van de avonden weet ik inmiddels dat ze zó donker zijn, hier in het bos, dat wil ik ’s avonds nog in de tuin verkeren, ik het vuur moet aansteken voor ik geen hout meer kan vinden. En dus struin ik door mijn achthonderd vierkante meter bos. Een mand in mijn arm, die binnen twee minuten vol is met aanmaakhoutjes. Het vuur brandt gretig. Ik leg mijn cowboylaarsje te rusten op een afgezaagde stronk en trek een biertje open. Mijn leven is lange tijd niet zo eenvoudig geweest. Bij alles wat ik doe, kan ik ook in mijn hoofd verder schrijven. Ik drink bier en schrijf. Ik staar in het vuur en schrijf. Ik wandel en ik schrijf. Het vuur brandt, niet alleen voor mij in de potkachel.
      Toegegeven, ik douche nog niet en ook warm ik mij slechts buíten aan het vuur, aangezien de kachel binnen nog immer pijploos en daarmee doelloos is, maar hoe vaak moet je nou eigenlijk douchen als je een zwembad naast de deur hebt en waarom zou je binnen zijn als het buiten warm is?
      Hier wonen confronteert mij in soms beangstigende mate, met mijn ware leven. Sinds ik hier woon, weet ik pas ècht hoe ik leven wil. Of nee dat is niet waar, ik weet mijn leven lang al wat ik wil. Ik vertrok op mijn zeventiende niet voor niets naar Oostenrijk. Ik kon mij niets fijners voorstellen dan altijd die ruimte om me heen, de stilte, de frisse lucht. Maar het liep anders. Ik woon in een rijtjeshuis, ingeklemd tussen buren met kinderen en honden en cavia’s en slechte muzieksmaak en gillende ruzie’s en boodschappentassen van de supermarkt om de hoek. Iedereen rent, of is van plan te gaan rennen. En ik ren mee. Naar de Appie, naar het werk, naar een les. Als ik niet ren, denk ik dat ik mijn huis moet schoonmaken, de tuin moet omspitten, een hekje moet schilderen.
      Hier in het bos ben ik een andere Heidi, eentje die een week in dezelfde spijkerbroek loopt en vergeet in de spiegel te kijken. Die buiten gaat zitten en een uur voor zit uit staart, die wandelt zonder haar telefoon mee te nemen, die haar tijd verdoet met hout sprokkelen, die met bijlen in stronken ramt, in het vuur staart en de tijd vergeet. Het is zó fijn dat het me week maakt. Mijn lief zou het heerlijk vinden. Maar ja, mijn lief heeft zich weer eens afwezig verklaard.

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe recensie over:
Erik Lindner, Zog

Lees hier de recensie.

Zog Erik Lindner

Gepost in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

In memoriam Jacques Sicking

J.M.J. Sicking 1 maart 1936 – 18 september 2018

Op 18 september 2018 is Jacques Sicking op tweeëntachtigjarige leeftijd overleden. Hij was als letterkundige aan de universiteit van Groningen verbonden en doceerde daar de literatuurgeschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. Na zijn pensionering in 1999 verhuisde hij terug naar Den Haag waar hij was opgegroeid.

Sicking Van Bruggen

Hij maakte indruk met zijn dissertatie over Carry van Bruggen, en hij zette zijn vakkennis in voor publicaties over literair-historische onderwerpen, waarbij hij een breed terrein bestreek. Hij droeg ook een lange periode bij aan het ‘Lexicon van literaire werken’. Daarnaast verzorgde hij in samenwerking met anderen twee boeken over de Eerste Wereldoorlog. Doordat hij een flinke afkeer had van gewichtigdoenerij, praktiseerde hij een bescheidenheid waarmee hij zijn veelzijdigheid zoveel mogelijk aan de schijnwerpers onttrok.

Jacques toonde een aanstekelijke gedrevenheid bij het overbrengen van zijn inzichten, die hij ook ver na zijn pensionering deelde met wie hij maar tegenover zich had. Hij volgde nieuwe schrijvers, prees ze aan bij anderen en droeg daarbij de overtuiging uit dat het niet aanging klakkeloos te oordelen over een boek. Een lezer hoorde zich naar zijn mening in te spannen om de bedoeling van een schrijver te doorgronden zonder al te gemakzuchtig commentaar.

Al zette hij met veel ernst zijn vakmanschap in op veel terreinen, dat hij ook een heel speelse geest had ondervonden zijn vrienden soms wanneer hij zich bij de opening van een telefoongesprek voordeed als een andere persoon. Daarbij kon hij uitgebreid variëren op de namen van degenen die hij kende, of hij sprak goede bekenden plechtig aan met ‘meneer’ of  ‘mevrouw’.

In 2016 droeg hij bij aan ‘Extaze’ met een essay over Carry van Bruggen. Van het begin af aan heeft hij een abonnement op het tijdschrift gehad. Ook veel andere instellingen en organisaties konden rekenen op zijn loyaliteit.

In het laatste half jaar van zijn leven vertelde hij soms dat hij wat ‘lui’ was geworden. Het zou ongepast geweest zijn om hem bij zo’n gelegenheid al in een terugblik te drijven. Maar dat hij kon terugkijken op een zeer productief leven waarbij hij gul is geweest met zijn kennis en zijn betrokkenheid, mag nu wel voluit worden gezegd.

Christien Kok

Gepost in Home | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Gas

Walden 2.0 Gas

De nieuwe eigenaar van het stuk grond waar de boshut op staat, had begrepen dat de laatste bewoner vier maanden geleden was vertrokken. Wellicht heeft hij slechts met een half oor geluisterd naar de verkopende makelaar. Hij kocht de grond immers om er zijn droomhuis op te gaan bouwen; de boshut zal in januari tegen de vlakte gaan. Toen mijn verzoek kwam om drie maanden in de boshut te verblijven om te schrijven, stemde hij in zonder met zijn ogen te knipperen. Mij leek het uiterst eenvoudig een boshut te betrekken waar slechts enkele maanden geleden nog mensen woonden. Als zij er in hebben geleefd, zou ik dat toch ook moeten kunnen?
      Maar zoals de meeste wendingen in mijn leven, blijkt ook deze weer een verrassende kant uit te gaan. Het is wonderlijk hoe ik dat voor elkaar krijg.
      Al anderhalve week liggen de boeken, kleren en boodschappen in kratten opgestapeld in de gang voor de kleine verhuizing. Ik heb niet veel meer nodig denk ik, voor die drie maanden, want ik ga toch alleen maar schrijven en lezen. Voor ik mijn intrek neem in de boshut moet er warm water zijn en verwarming. Een klusje van niks. Ik fiets even fluitend heen en weer om het te regelen. Maar de gaskachel die midden in de woonkamer staat geeft geen sjoege als ik aan de knop peuter en ook de geiser in de badkamer verkeert in comateuze toestand. Als er een mannetje bijgehaald wordt, constateert deze dat het misschien maar goed is dat ze niet functioneren aangezien de gasleidingen zo lek als een mandje blijken.
      Een kleine tegenslag maar niet getreurd. Ik heb de boshut in de kop en in de boshut zal ik schrijven dus besluiten we het gas af te koppelen en een zoektocht te starten naar een elektrische boiler en een houtkachel. Thuis zit ik alleen maar te wachten want nu ik besloten heb in de boshut te gaan schrijven blijk ik het aan de keukentafel niet meer te kunnen. En dat kan niet want er staan meerdere deadlines in mijn agenda en dus ga ik gewoon. Het wordt mooi weer. Ik neem een dikke pyjama en een wollen trui mee. Mijn moeder zal vast weer sokken voor me breien deze winter.
      Ik zit op een boomstronk in de tuin als de buurman komt aanlopen. De vogels fluiten. Zonlicht valt in schuine banen tussen mijn bomen door. Ik heb een magnetron, een waterkoker, een kruik, een winterjas en een koffieapparaat. Wat meer kan een mens nodig hebben? Hij heeft een diepe frons in zijn voorhoofd. Wat moet dat hier? roept hij me vanaf het hek al toe. Ik kom hier wonen, zeg ik. Op hetzelfde moment glijdt er een dakpan naar beneden. Op het stenen paadje naar de voordeur valt hij met een zachte tik kapot. We kijken er allebei naar. Dan haalt hij zijn schouders op. Mooi zo, zegt hij, heb ik er eindelijk geen omkijken meer naar. Het ding staat al jaren leeg.

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Grenzen, Artien Utrecht

omslag Exit West

Mohsin Hamid, Exit West, Londen 2017 (Hamish Hamilton, Penguin Random House UK).
Mohsin Hamid, Exit West, Amsterdam 2017 (De Bezige Bij), vertaling door Saskia van Lingen.

Exit West lezen

Al eeuwenlang trekken mensen over grenzen heen, en dat zullen ze blijven doen. Grenzen tussen regio’s, tussen stad en land, tussen landen, tussen continenten.  Grenzen worden bedwongen in de vlucht uit een oorlog, armoede en andere ellende, ze worden overgestoken op zoek naar werk, naar geluk, naar iets nieuws, naar verandering. Grenzen oversteken is verandering. Deze bewering klinkt nogal clichématig, maar uitwerking van de betekenis ervan in een fictieve setting hoeft dat niet te zijn. De roman Exit West van de Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid is een goed doorwrocht verhaal dat de lezer uitnodigt na te denken over hoe individuen migratie ondergaan.

In dit fijnzinnige liefdesverhaal vluchten Nadia en Saeed uit hun niet bij naam genoemde land wanneer een geleidelijk oplaaiende burgeroorlog hen letterlijk dreigt in te sluiten. Op zoek naar een veilig heenkomen begint een langdurige vlucht waarin zij achtereenvolgens terechtkomen op het Griekse eiland Mykonos, in Londen en in Californië. Van plek naar plek bewegen de twee hoofdpersonen zich door deuren die openslaan voor vertrek en weer dichtgaan als ze zijn gearriveerd. De bewust gekozen metafoor van deuren zuigt de lezer naar de plekken van aankomst, de ellende van de overtocht wordt hem bespaard. Op die plekken worden dagen, weken van betrekkelijke rust afgewisseld door episoden van grimmig geweld van anti-migranten extremisten. Het lukt Nadia en Saeed om lange tijd bij elkaar te blijven in situaties van voortdurende angst, onzekerheid, hoop en wanhoop. In Londen wordt voor het eerst gewag gemaakt van plaatselijke bewoners – de natives – waarmee het vluchtelingenpaar op verschillende manieren te maken krijgt. Hoezo natives? Ik moet de term even tot me laten doordringen: natives, dat zijn hier dus Londenaren.

Bij het woord natives schieten bij mij allereerst beelden voorbij van gehavende stukken gekapt bos in de Amazone of Borneo, waar een nietsontziende bulldozer de aanleg van een nieuwe mijnbouwlocatie of palmolieplantage aankondigt. Natives zijn de volken die sinds onafzienbare tijd deze contreien hebben bewoond en nu hardhandig van hun cultuur en leefgebied worden beroofd. Natives zijn de in kleurige traditionele kleding gestoken mannen en vrouwen die in de burelen van de Verenigde Naties het recht op hun natuurlijke habitat komen opeisen. Ik moet toegeven dat dit wel een hele specifieke associatie met het woord natives is, een verband dat ongetwijfeld is gevormd door mijn eigen (beroeps)ervaring: jarenlang beheerde ik steunprojecten voor belangenorganisaties van natives in vooral het zuidelijke halfrond. Daardoor kan het woord mij, wanneer ik het in een hele andere context tegenkom, soms vreemd in de oren klinken.  Deze associatie met de oorspronkelijke bevolking van bedreigde tropische oerwouden maakt ook dat ik geneigd ben het woord native te vertalen als ‘inheems’.

Inheemse volken,  zo worden zij ook aangeduid in Nederlandse vertaling van internationale mensenrechtenverdragen. Zo zal het ook wel in het woordenboek staan, denk ik.  Of beter gezegd, dacht ik. Want tot mijn lichte verbazing geeft het woordenboek aan dat de termen ‘inheems’ en ‘uitheems’ toch vooral worden gebruikt voor planten, dieren en taal. Voor de aanduiding van mensen is het woord ‘inheems’ in onbruik geraakt, zo suggereert Van Dale, het werd vroeger gebruikt voor de inwoners van de voormalige koloniën, synoniem aan ‘inlander’ en ‘inboorling’.  Zie daar de directe connotatie van het woord met exotisch, wild en primitief.  Zo bezien is ‘inheems’ een denigrerende term geworden, die niet meer van deze tijd en niet meer politiek correct is.  Nu raak ik toch benieuwd naar hoe de term natives  in de Nederlandse versie van Exit West is vertaald. Ik vind een exemplaar en sla het open, op zoek naar de Londen-episode van het verhaal. Hier worden Nadia en Saïd (Saeed) belaagd door een ‘meute woedende autochtonen’, zo lees ik.  Ach ja natuurlijk,  dat is het.  Met dit woord ontstaat niet het idee van in de grootstedelijke omgeving van Londen misplaatste natives, er lopen geen primitieve inheemsen in de stad rond, maar we hebben te maken met ‘beschaafde’ autochtonen. Aan de termen autochtoon en allochtoon zijn we na zo’n twintig jaar debatteren over migratie immers behoorlijk gewend geraakt, het recent ingevoerde en de nóg politiek correcter geachte term ‘mensen met een migratieachtergrond’ raakt niet gauw ingeburgerd.

De schrijver van Exit West heeft het ook over nativists.  Ik herlees de passages over wat Nadia en Saeed overkwam in Londen, ik lees dat waar in de Nederlandse versie van de roman de ‘meute woedende autochtonen’ in beeld komt, de schrijver het minder vaak over natives heeft maar des te vaker over nativists.   ‘…. when they heard shouting up ahead and saw people running, and they realized that their street was under attack by a nativist mob.’  En verderop, waar de spanning begint te stijgen: ‘…. (they) heard it said that nativist extremists were forming their own legions, with a wink and a nod from the authorities,….’  De aanvallende meute is dus er niet een van natives, maar van nativists.  Zij vormen hun eigen troepen, notabene onder toeziend oog van de politie.  Het onderscheid tussen de twee termen lijkt mij nogal belangrijk. Het ontbreken ervan in de Nederlandse vertaling van de roman – het onontkoombaar ontbreken, denk ik, want de taal biedt dat onderscheid niet – ontneemt de lezer een herkenning van diversiteit binnen de autochtone gemeenschap. Niet alle natives gedragen zich op dezelfde manier, niet alle van hen zijn hetzelfde, niet alle van hen denken op dezelfde manier. Ik wil weten hoe de term nativist  gedefinieerd is en kom in het Oxford Concise Dictionary het daaraan gerelateerde woord nativism tegen. Het woordenboek geeft er drie betekenissen aan, die alle ‘het eigene’ in lokale tradities benadrukken: terugkeer naar ‘het eigene’ en/of bescherming van ‘het eigene’ tegen indringers. Het lijkt me duidelijk. Als we nativism als een soort ideologie zien zijn de nativists als drager ervan verre van ‘neutrale’ natives,  ze zijn per definitie xenofobisch, ze zullen alle wegen bewandelen om wat zij zien als hun lokale tradities te beschermen.

Hoe bezien de hoofdpersonen in de roman de woedende autochtone meute?  Nadia ervaart de meute als een vreemde en gewelddadige volksstam (tribe),  die uit is op vernietiging van alle nieuwkomers, die van haarzelf en Saeed incluis. De autochtonen die furieus roepen om een volledige slachting is wat Nadia het meest raakt, temeer omdat ze hierin de uitzinnige woede van de militanten in haar eigen stad en land herkent. Zittend op hun bed als enige thuisplek dat ze hebben, wisselen Nadia en Saeed hardop hun gedachten hierover.   Saeed wondered aloud once again if the natives would really kill them, and Nadia said once again that the natives were so frightened that they could do anything. ‘I can understand it,’ she said.  ‘Imagine if you lived here. And millions of people from all over the world suddenly arrived’. ‘Millions arrived in our country, ‘ Saeed replied. ‘When there were wars nearby.’ ‘That was different. Our country was poor. We didn’t feel we had much to lose.’ 

Ligt dáár het verschil in gewelddadigheid van de autochtone bewoners, namelijk in de mate waarin zij het gevoel hebben iets te moeten weggeven – ‘iets’ dat misschien te maken heeft met een zekere staat van welzijn? Wordt de woede groter naarmate men het gevoel heeft méér te moeten verliezen?  In de media klagen populisten en populistisch denkende mainstream politici vaak dat met de toevloed van, vooral niet-westerse migranten het verlies van ‘onze westerse identiteit’ voor de deur staat. En ook al zeggen ze met die identiteit allereerst de heersende normen en waarden te bedoelen, omvat dit natuurlijk het geheel aan elementen waar de hedendaagse westerse leefwijze uit bestaat. Denk daarbij aan alle genoegens die bij het bereikte niveau van welvaart en welzijn horen: de aangename koopkracht, de comfortabele woningen, de overvloed aan voor de burger bereikbare consumptieartikelen, de ongecensureerde pers, de vrijheid om te zeggen en doen wat men wil, en ga zo maar door.  De angst dat die grote groepen indringers al deze genoegens van ‘ons beschaafde burgers’ komen afpakken sluimert voortdurend. Het kost weinig moeite om deze voor korte termijn politieke doeleinden tot woede-uitbarstingen op te zwepen.    

Maar angst, doodsangst beheerst ook de nieuwkomers. De hoofdpersonen in Exit West die het oorlogsgeweld in eigen land ontvluchtten geraken in Londen al gauw in een even dodelijke hel waar de oproer van de autochtone menigte wordt gevolgd door de inzet van gewapende soldaten, tanks, helikopters en drones. Rondvliegende kogels houden hen dagenlang gevangen op hun schuilplaats. Het komt hun ter ore dat volledig geoutilleerde militaire en paramilitaire eenheden uit diverse hoeken van het land zijn aangerukt om hun wijk, die inmiddels is uitgegroeid tot een migrantengetto, tot op de laatste steen weg te vegen. De elektriciteit in hun wijk valt uit.  Alleen het telefoonnetwerk doet het, dit dankzij het technisch vernuft van een ondernemende medemigrant die een enkel verbindingspunt wist open te houden. Verkrampt blijft Saeed in het donker turen naar het beeldscherm van zijn mobieltje. Hij smacht naar bericht over zijn vader, zou hij nog in leven zijn? Of is ook hij, net als zijn door een granaat getroffen moeder, inmiddels omgekomen in de alles vernietigende razernij van de rebellen in zijn thuisland?

Toch biedt Exit West niet alleen een opeenstapeling van beproevingen. In het verhaal volgen angst, frustratie, hoop en nieuwe horizonten elkaar op. Het wekenlange straatgeweld in Londen luwt en maakt plaats voor een zich voorzichtig uitrollend leven van werk en voorbereidingen op lokale inburgering. Wel blijft het moeizaam. Totale uitputting door de lange afstompende werkdagen en blijvende onzekerheid drijven Nadia en Saeed tot apathie. Het gebrek aan contact met de burgers van het land en de beklemmende onzichtbare blik van een constant wakend oog op hun doen en laten maken hen volledig murw. Als zij horen dat er nieuwe deuren opengaan, beslissen ze om op te stappen. Dit keer komen zij aan in Marin bij San Francisco. Marin blijkt een onmetelijke shanty town te zijn, tot een bewoonbaar oord gevormd door zijn enorme culturele mix van bewoners. In Marin heerst armoede maar ook een zeker optimisme. In de chaos van Marin ruimen Nadia en Saeed een leefplek in, ieder op eigen wijze. Na enige tijd zien zij in de verte langzaam een lichtpuntje verschijnen.   ‘….. while changes were jarring they were not the end, and life went on, and people found things to do and ways to be and people to be with, and plausible desirable futures began to emerge, unimaginable previously, but not unimaginable now, and the result was something not unlike relief.’          

Optimisme en hoop, ook hiertoe lijkt Exit West de lezer aan te sporen. Niet ter wille van een feel good ervaring maar eerder om te benadrukken dat de geglobaliseerde wereld voortdurend in beweging is. En beweging stemt hoopvol. Door de voortschrijdende technologie gaan die bewegingen wel steeds sneller, waardoor afstanden als het ware krimpen. Misschien kan de metafoor van deuren in de roman ook als symbool van die ingekrompen afstanden worden gezien, immers met slechts één stap door de deur is een afstand van duizenden kilometers overbrugd. Sprekende over versnelde beweging in het tijdperk van globalisering vraag ik me af hoe deze ontwikkeling te rijmen valt met de neiging van velen van ons tot horizonvernauwing. Ontrolt zich hier niet een vreemde paradox? Het lijkt erop dat terwijl we als het even kan er flink op los reizen, de wereld rond, zodra we teruggekeerd zijn in onze woonplaats deze wereld liever versmald zien tot ons eigen huis en tuin. Misschien gaat de bewegingssnelheid om ons heen sneller dan we kunnen bevatten en klampen we ons, als reactie, vast aan strohalmpjes uit het verleden toen de wereld nog zo groot leek dat we ons nog ongestoord baas in eigen huis konden wanen.

Wanneer we naar binnen gekeerd raken lijken we ook te willen vergeten dat die snelle bewegingen om ons heen niet alleen onszelf dreigen te treffen, maar tegelijkertijd op honderden of wel duizenden andere plekken plaatsvinden. Hieraan worden we in Exit West op krachtige wijze herinnerd. Terwijl Nadia en Saeed hun hoop putten uit iedere kleine verandering die hen van dag tot dag tegemoet treedt, vuurt de schrijver korte beelden van taferelen elders in de wereld op de lezer af. Een donkere man in Sydney die op zijn vlucht voor een dodelijk straatgevecht een huis binnendringt waar een vrouw ligt te slapen. Een man in de Tokiose commerciële wijk Sinjuku die twee Filippijnse hoertjes achtervolgt, zijn vingers trommelend op het metalen voorwerp in zijn broekzak. Iemand die door de lens van een veiligheidscamera kijkt gericht op een vader, moeder en twee kinderen, vermoedelijk Tamils, die verdwaald rondlopen in het woestijnzand van een luxe badplaats in Dubai. In deze taferelen lijken haat, angst en verlorenheid te domineren. Maar de auteur schetst ook taferelen waar het geluk overheerst. Zoals die van  een oudere Amsterdammer die een zwervende, even oude en gerimpelde Braziliaan uitnodigt op het achterbalkon van zijn appartement aan de Prinsengracht en daarmee zijn liefde vindt.

Met het laatste voorbeeld lijkt de schrijver te willen suggereren dat bij de tegenwoordig verschrompelde afstanden ook liefde en geluk binnen handbereik liggen. Liefde en geluk, en niet alleen ongewenste confrontaties met de ander. Of erger, onheil. Om het gevreesde onheil van het verlies van de ‘eigen identiteit’ te weren wordt overgegaan tot het versterken van grenzen.  Hiermee is een andere paradox geboren: terwijl grenzen wegens de steeds kleinere afstanden vervagen, wordt alles in het werk gesteld om nieuwe grenzen te trekken. Nieuwe scheidslijnen verschijnen en oude worden opgewaardeerd, zo getuigt de bouw van  muren en hoge hekken in verschillende vormen en van allerlei afschrikwekkende materialen. De in Jordanië geboren kunstenaar Lawrence Abu Hamdan vermeldt in zijn video-installatie Walled Unwalled dat sinds het jaar 2000 het aantal landen met bemuurde grenzen is gestegen van vijftien tot drie-en-zestig. Maar hij laat ook zien dat met de juiste technische apparatuur steeds beter dwars door muren heengekeken en –geluisterd kan worden. Dankzij de voortschrijdende hightech worden fysieke muren steeds meer transparant en geluid-doorlatend.  De vraag rijst dan in hoeverre en voor hoelang deze muren en hekken het dreigende, al dan niet denkbeeldige, onheil buiten de grens kunnen houden. Misschien dat daarom ook andere dan fysieke grenzen in zwang zijn en blijven?  Virtuele muren bijvoorbeeld in de vorm van wetten en regels, die vervolgens moeten worden nageleefd door, ja toch wel weer fysieke elementen: controleposten, patrouillerende troepen politie en leger, lijfelijke straffen bij overtreding.

De hoofdpersonen in de roman Exit West nemen actie, leggen de bouwstenen voor een nieuw leven, werken zich met moed door de tegenslagen heen, reiken uit naar de samenleving waarin ze in zijn beland. Ze proberen de daarmee gepaard gaande veranderingen te sturen en zelf vorm te geven. Want waar beweging is, is hoop.

Geraadpleegde literatuur:
Roos van der Lint, ‘Vogels kijken in het donker, Ontmoeting met Lawrence Abu Hamdan,’ in De Groene Amsterdammer, 17 mei 2018, en  http://www.artdubai.ae/abraaj-group-art-prize-2018/

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost in Essays, Home, Recensies | Getagged , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe dichtbundel Niels Landstra: Entree naar de hemel

Entree naar de hemel (boekomslag)Zaterdag 24 november 2018 van 15.00 tot 18.00 uur zal Niels Landstra’s nieuwe bundel Entree naar de hemel (Uitgeverij Open) worden gepresenteerd in Café het Hijgend Hert der Jacht Ontkomen in Breda (Pasbaan 7). Hieronder een van de zesendertig gedichten uit de bundel.


In de schemer van onze lichaamstaal

Waar jij nu ook bent en met je ogen
misschien gesloten in een veld met
wilde bloemen en jonge rozen ligt

denk je aan mij zoals ik aan jou niet
mag denken, er is te veel gezegd
de averij even afgewend

op een verdwaald moment zullen we
elkaar wel weer ontmoeten, als de
luwte ons gunt van wat ooit in zicht

wie weet voltrekt zich dan het wonder
van het bijna altijd dicht bij elkaar

vergt de tijd van ons geen groter offer
of de zindering van het totaal

in de schemer van onze lichaamstaal
is de stilte in de ban gedaan

Waar je nu ook bent, ik richt mijn blik
niet naar buiten, waar je in het veld
naast mij opeens verdwenen was

de zomer is zijn glans kwijt, onze bloei
ligt achter ons, in het voorjaar, –
dat met zijn bloesems ook die pijn bracht

leg je neer bij je onmacht, en denk
soms aan mij zoals ik jou geheel
eens voor mij alleen heb gedacht

is het misschien toch zo bijzonder
dat ik aan je denk of jij bij mij bleef
en niemand dat in de gaten had

Niels Landstra

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , | Plaats een reactie

Walden 2.0: Het begin

Voor de allerlaatste keer maak ik aan het einde van de dag, in de boekwinkel waar ik negen jaar heb gewerkt de kassa op. Ik draai de bonnen uit en stop ze zorgvuldig achter de paperclip. Ik schuif de lade dicht. Ik knip het licht uit. Ik sta even stil in de donkere winkel.

‘Dag boeken,’ fluister ik en draai voor de allerlaatste keer de deur op slot.

Het is precies vier weken geleden dat ik mijzelf ineens tegen mijn baas hoorde zeggen; ‘ik neem ontslag.’ Het baantje in de boekhandel heeft jarenlang gezorgd voor een stabiel inkomen naast het onzekere dat ik inbreng met schrijfopdrachten, blogs, interviews en schrijflessen. En hoewel het onzekere gedeelte nog lang niet voldoende is om van te bestaan, besluit ik ineens in het diepe te springen, ruimte te gaan maken om het wel voldoende te laten zijn.

Thuis drink ik champagne op mijn besluit. Speciaal voor mij staat er nog een mooie nazomerse avond op het programma. Ik blijf tot laat in de tuin zitten.

In de tussentijd wordt een boshut voor mij in gereedheid gebracht. Hij heeft jarenlang leeg gestaan. Er lopen muizen in de keukenkastjes, er zit een gat in het dak en de kachel werkt niet. De tuin is overwoekerd. Ik heb al gezien hoe mijn hangmat past tussen twee grote kastanjes. Waar je hangmat hangt, daar kun je wonen en dus maak ik me geen zorgen. Morgen rijd ik erheen om drie maanden in stilte te kunnen werken aan mijn debuutroman en aan een ondernemingsplan. Maar eerst hang ik mijn hangmat op tussen de twee grote kastanjes in de tuin. Ik zal erin gaan liggen en luisteren naar het ruisen van de wind. Ik wil de tijd voorbij laten tikken en de druk van me af laten waaien. Ik wil eerst komen tot niets om daarna te komen tot iets. Iets nieuws. Iets waarvan ik nu het bestaan nog niet ken. Ik ben benieuwd wie ik blijk te zijn en wat ik blijk te kunnen. 

Heidi Koren

Gepost in Home, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Nieuwe blogserie Heidi Koren: Walden 2.0 – (drie maanden in een boshuisje)

Walden 2.0 Heidi Koren

Heidi Koren heeft het kloeke besluit genomen haar baan op te zeggen en zich drie maanden terug te trekken in een oud boshuisje.
Schrijven wil ze, en daar haar geld mee verdienen, ook al zegt de hele wereld dat dit niet kan.
Eens per week zal er op de website van Extaze een blog verschijnen, waarin Heidi verslag doet van haar verblijf in het boshuisje en van haar pogingen om de rust van de omgeving te benutten voor het schrijven van nieuwe gedichten, nieuwe verhalen, haar maandelijkste Extaze-essay en haar wekelijkse ‘Walden’-blog.

Heidi debuteerde in 2015 met de poëziebundel Gedachten over een mogelijk einde bij uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). In december 2018 zal ze met een roman afstuderen aan de Schrijversvakschool Amsterdam.

Gepost in Geen categorie, Walden 2.0 | Getagged , , , | Plaats een reactie

Manuel Kneepkens in de Houtrustkerk

Tijdens de presentatieavond van Extaze 27 in de Houtrustkerk in Den Haag stak Manuel Kneepkens een bevlogen speech af, die perfect aansloot op het thema van de avond, ‘Stad en Ommeland’. We willen hun, die niet bij de presentatie aanwezig konden zijn, dit betoog niet onthouden.

Manuel Kneepkens was docent criminologie aan de Erasmus Universiteit  in Rotterdam en fractievoorzitter van de Rotterdamse Stadspartij, waar actie in zat en verzet uit voortkwam tegen twijfelachtige besluiten van de Gemeente Rotterdam.
Ook is hij tekenaar en dichter. In zijn poëzie zijn uiteenlopende stemmen te horen: ontroerende (lees er zijn gedicht over de onlangs overleden beeldend kunstenaar
Co Westerik op deze zelfde website maar op na), politiek geëngageerde, polemische, humoristische en nonsensicale. Een voorbeeld van het laatste is een reeks tweeregelige versjes over de Haagse vruchtenbuurt.

Perzikstraat

Eet je perzik altijd voorzichtig, want in iedere perzik
Droomt een baby. Peach in our time

Is daar één van.

And now, for something completely different:

 

Houtrustkerkspeech ‘laat het Hout met rust!’

Houtrustkerk, Den Haag, 13 september 2018

bij de presentatie Extaze 27

Ik ben een dichter, die ooit getroffen werd door een uitspraak van Lucebert die luidt:
‘De lyriek is de moeder van de politiek’.
Die regel heb ik aldus verstaan: als ik als dichter in de politiek ga… en dat heb ik gedaan – ik was twaalf jaar fractievoorzitter van de Stadspartij Rotterdam… mijn bijdrage aan het stedennummer van Extaze gaat dan ook over Rotterdam –  dan dien ik mij uiteraard af te vragen: een dichter in de politiek…  heeft dat meerwaarde en zo ja, welke?
Een bekende, hoogst hulpeloze uitspraak van Jacq. Bloem, u weet wel, die dichter van de eeuwige herfst, was deze: ‘Is dit genoeg een stuk of wat gedichten?’  Het gros van de Nederlandse dichters zegt daar tegenwoordig zwijgend ‘ja’ op. Mijn antwoord  luidt: ‘Nee, dat is niet genoeg. Zeker niet in onze tijd, die immers een politieke tijd is. Een tijd, die in veel opzichten op de jaren dertig lijkt, zeker waar het zijn groeiende minachtig van de democratie betreft, zijn rechts populisme. Toen, in de jaren dertig, verklaarde Thomas Mann (zijn broer Heinrich was hem daarin voorgegaan): ‘In een tijd als de onze is het standpunt l’ art pour l’ art  onhoudbaar. Ik kan mij niet langer afzijdig houden.’

Een dichter heeft dus méér te doen dan alleen maar gedichten schrijven. Hij heeft er ook zorg voor te dragen dat wij leven in een samenleving, die ontvankelijk is voor poëzie. Het is zijn (droeve?) lot de huidige samenleving te moeten poëtiseren
Daarbij  neem ik het begrip ‘ dichterschap’  ruim. Beeldende kunst beschouw ik als poëzie, voortgezet met andere middelen. En wat de verhouding  poëzie-muziek betreft, definieer ik dichtkunst als  taalmuziek met betekenis. Hoewel? Oote Oote Oote  Boe dichtte ooit Jan Hanlo. Het kan dus zelfs zonder.

Eigenlijk zou moet ik zeggen: de samenleving moet gecreativiseerd worden. Maar het woord creativisering ‘bekt’ niet. Dus gebruik ik het woord poëtiseren.  Dat is voor mij dus hetzelfde. Zie boven.

En wat houdt dat poëtiseren dan in?

Om te beginnen: de dichter kan en moet de politiek weer lyrisch maken (de lyriek is de moeder van de politiek). Dat moet zijn specifieke bijdrage zijn. Hij moet het begrip ‘creativiteit’ weer als kernbegrip terugbrengen in de politiek. Het is niet to be or not be, zoals Shakespaere zijn personage Hamlet liet filosoferen, het is ‘to be CREATIVE
or not to be’.

Om beter te doen begrijpen wat creativiteit inhoudt, wil ik met u een uitstapje naar het rijk van de mieren maken. Daarin ben ik trouwens niet de eerste. Denk aan de wijze koning Salomon, en hier in Den Haag, aan uw eigen Hans Lodeizen. 

De mieren

Er bestaat inmiddels een hele nijvere tak van wetenschap rond het mierennest: de myrmecologie ( myrmex is het Grieks woord voor mier) en die wetenschap heeft ons veel interessants te melden.

Mierengedrag volgt in wezen een eenvoudig systeem. Hij vindt voedsel en geeft dan een geurspoor af. Daar komen de andere mieren op af en halen het voedsel binnen.
Maar hoe vindt een mier nou voedsel, wanneer hij alleen maar kan reageren op het geurspoor van een andere mier? Welnu, in de mierenhoop heerst zo nu en dan een  functionele verkoudheid. Een verkouden mier gaat naar buiten, ruikt niks, dwaalt wat  rond en… vindt voedsel. Vervolgens geeft hij het geurspoor af
Zou men de verkoudheid in de mierennest genezen, dan betekent dat het einde van het mierennest!

Nu moeten we oppassen dat we de conclusies over de mierenwereld niet zomaar overbrengen naar de mensenwereld. Wel denk ik te weten wie bij ons de verkouden mier is. Dat is de creatieve mens, dat is de positieve afwijkeling… hij of zij die geestelijk voedsel voor ons binnen haalt.
De creatieve mens is dus van levensbelang voor de mensengemeenschap, zeker nu die gemeenschap zich almaar totalitairder – zeg maar mierenennestachtiger – ontwikkelt. Als
Wanneer we onvoorzichtig omgaan met de nieuwe technologie, zullen robotisering en automatisering die ontwikkeling alleen maar versterken,
Laat ik een  woord gebruiken, dat kerkelijk klinkt, we zijn hier tenslotte in een kerk.

In den beginne was het Woord
en op het einde is er  het algoritme

Amen

Niks Amen! Laar ons verkouden mieren zijn!

De vrijplaatsen

Het is dus belangrijk dat wij er zorg voor blijven dragen dat er creatieve mensen onder ons zijn én blijven. En dat er in elke stad vrijplaatsen voor creatieven zijn, plaatsen van pure creativiteit waar die ceatieve mensen zich thuis voelen en aan de slag kunnen. Dat soort broedplaatsen zijn er zowel in Rotterdam als in Den Haag helaas onvoldoende.
Op de gevel van de enige broedplaats die Rotterdam-Zuid ‘rijk’ is, staat niet voor niets een cynische parafrase op Lucebert’s  Alles van waarde is weerloos te lezen: alles is weer waardeloos….
Broedplaatsen zijn plaatsen waar de creativiteit exemplarisch is. Dat is in de eerste plaats dus kunstzinnige creativiteit, en daarmee bedoel ik: creativiteit in zijn puurste vorm.
Maar kunstzinnige creativiteit is niet alleen van intrinsieke waarde. Ze blijkt van groot belang voor de wetenschap, en in het kielzog daarvan voor de technologie..
Laat ik het verband tussen die disciplines, kort door de bocht, zo samenvatten: het was een begaafde violist, een zekere Einstein, die de voor de twintigste eeuw de baanbrekende formule E= Mc² uitvond. Het was Einstein’s streven om een formule zo elegant mogelijk te doen zijn.
Dit als (klein) voorbeeld van het feit dat linkerhelft van ons brein (de rationaliteit, de wetenschap) blijkbaar niet zonder de rechterhelft  kan (de intuïtie, de creativiteit, de kunsten), want elegantie is… een kunstzinnige term.

In het kielzog van kunst, wetenschap en technologie bevinden  zich de creatieve ondernemers. Wondernemers noem ik zulke mensen, dit in tegenstelling tot de geldzakondernemers. Van die laatsten moeten we af zien te komen.
En dan moeten we ons nog inzetten voor de broodnodige terugkeer van sociale en politieke creativiteit.
Steden als Rotterdam en Den Haag hebben zowel een hardnekkig armoede- als een hardnekkig werkeloosheidsprobleem. Of de economie nu is aangetrokken of niet, er is een blijvende sociale achterhoede ontstaan. Het is ongelofelijk hoe weinig creativiteit op dat probleem wordt losgelaten. Hetzelfde geldt voor onze politieke problemen. De  uitspraak ‘politici zijn er niet om problemen te maken, maar om politieke problemen op te lossen’ zou een open deur moeten zijn. In de praktijk blijkt die deur maar al te vaak gesloten. Deels is dat doordat er angst voor creatieve vrijheid bestaat (zie Erich Fromm: Fear of freedom, 1941). Maar vooral ook doordat bij de mens zijn creativiteit is afgenomen, met name zijn zelfbeeld als creatieve mens. Het is hem ontfutseld. De mesen hebben het zich het laten ontfutselen. Zo kan het ook gezegd
Mens zijn betekent creatief  zijn , die notie moet terug in het leven van alledag, maar zeker in de politiek.

De metaforen

Dan is er de zaak van de metaforen.
Ook hierbij is de dichter belangrijk. Want zowel de dichtkunst als de politiek werken met metaforen. Bij politieke strijd is het gebruik van de juiste metaforen allesbehalve een detail. En hier is dan weer dichter nodig, want hij is de metaforengebruiker bij uitstek.
Metaforen kunnen ons inzicht geven. Neem de metafoor ‘het hart is een pomp’ (vergelijk het hart als een waterpomp), bedacht door de medicus Harvey. Zonder twijfel heeft deze metafoor de cardiologie inzichtelijker gemaakt.
Maar metaforen kunnen ook inzicht belemmeren. In bestuurlijk Rotterdam kom je steeds maar weer de metafoor ‘Manhattan aan de Maas’ tegen. Daarmee meet het stadbestuur zich een veel te grote broek aan. Zou er ook maar één iemand in New York te vinden zijn die zijn stad ‘Rotterdam aan de Hudson’ noemt? New York is een miljoenenstad, Rotterdam heeft 640.000 inwoners. Hier vergelijkt een dwerg zich met een reus.
‘Manhattan aan de Maas’ is een aantoonbaar schadelijke metafoor. Hij ligt ten grondslag aan de megalomane plannen voor een nieuw voetbalstadion, ter vervanging  van de fameuze Kuip, die momenteel door de gemeenteraad gejast worden. Het project is vooralsnog begroot op 410 miljoen euro. En die berekening is het werk van een gemeente die aantoonbaar heeft aangetoond niet te kunnen begroten. Zie de metrolijn naar Hoek van Holland.
Maar ja, in Rotterdam zijn de projectontwikkelaars machtig. En achter de schermen blijkt inzake Feijenoord alweer veel geritseld te zijn.
En ja hoor, wanneer je kritiek hebt op de gang van zaken, dan komen ze met de foutste metafoor aller foute metaforen op de proppen: ‘Dat is een gepasseerd station’. Mijn antwoord is dan altijd: ‘Wát gepasseerd station?’
Als je denkt dat je in een trein zit, ja, dan is het station na het fluitje van de stationschef al gepasseerd. Maar als je de fiets neemt, kun je dit station nog wel dertig keer passeren. ‘Het gepasseerd station’ is een gruwelijke metafoor. En een dooddoener bovendien.

De projektontwikkelaars

De projectontwikkelaars zijn dus zeer machtig, maar… eenmaal heb ik toch van ze weten te winnen. Dat was toen er in het Park aan de Maas, het park onder de Euromast, een pretpark moest komen en een woontoren even hoog als de Euromast. Dat zou betekenen dat er van dat hele park niets over bleef.’
Dus toen gold : ‘Verzin een list, Tom Poes!’
Ik heb toen een lid van de Stadspartij, iemand die in de buurt van dat park woonde, voor dat park de status van Rijksmonument laten aanvragen. Het park is namelijk een van de weinige door  de negentiende-eeuwse fameuze tuinarchitect Zocher aangelegde parken, die nog in vrij authentieke vorm over is. En prompt werd die status verleend.
Toen het in de gemeenteraad aan de orde kwam, zei ik: ‘Burgemeester, ik verzoek u ‘Het Park’ van de agenda  te halen, het is een Rijksmonument. Daar gaan wij niet over!’ Een pandemonium brak los. Het was in die dagen dat de metafoor ‘de parken zijn de groene longen van de stad’ nog nauwelijks zeggingskracht had in bestuurlijk Rotterdam.
De raad nam prompt een motie aan, dat B&W er in Den Haag  – het landelijke Den Haag – op aan moest dringen die status van Rijksmonument  weer in te trekken. Dat is natuurlijk niet gebeurd.
Om zo’n verzoek vanuit een gemeente wordt in (landelijk) Den Haag smadelijk  gelachen. Ditmaal terecht.

De Scheveningseweg

En nu kom ik op de Scheveningseweg. Daarvan wordt het nationale belang van ingezien, want zij is een van de mooiste groene stadsplekken van Nederland. De weg heeft niet voor niets de status van rijksbeschermde omgeving.
a) Rijksbeschermd! Dat betekent dat de gemeenteraad van Den Haag daar dus niet over gaat. Het raadsbesluit daarover is vernietigbaar. Hier valt voor het verzet nog veel juridische eer te behalen
b) Een waarlijk creatief verzet moet het van de gemeente kunnen winnen!
Want de gemeente Den Haag is niet creatief. Zij zou het kunnen zijn. Immers, de metafoor Hofstad geeft daartoe alle kansen. Die term houdt immers hoffelijkheid in. Ofwel beschaafde omgang met mens en milieu. En tevens verwijst hij naar de Hof van Eden, het aards paradijs, noem het maar ‘de volmaakte groenvoorziening’. Maar nee, Den Haag gebruikt zijn eigen groene metafoor niet. Laten wij het wel doen. Het is de hoogste tijd.
Laat het hout met rust! Want de Scheveningse weg  is bij uitstek de Laan van de Verkouden Mieren!

Ik heb gezegd!

 

Gepost in Home | Getagged , , , | Plaats een reactie