Nieuw nummer Extaze: ‘De magie van het verlies’

Donderdagavond 8 december was de presentatie in de Houtrustkerk in Den Haag.
Lees meer

E X T A Z E   B E S T E L L E N

cover Extaze 20

ESSAYS
In alle essays die dit nummer rijk is, klinkt muziek door. Veelal die van Lou Reed
van zijn album Magic and Loss, waarop hij twee overleden vrienden herdenkt. ‘Muziek
als geestelijke massage’, zo formuleert Heleen Rippen het in haar essay in briefvorm
‘Lieve Esther’. ‘Popmuziek is een belangrijke leverancier van hedendaagse mantra’s,
leuzen die het persoonlijk leven ruggengraat geven,’ schrijft Jan-Hendrik Bakker
in ‘Over de bestrating van het paradijs’. In zijn betoog ‘Chris. Een oefening in
melancholie’ gaat Laurens ten Kate uit van het verband dat Lou Reed in zijn album-
titel legt: vuur is vernietiging en hartstocht. Verlies kun en wil je niet verwerken. Je hoopt
dat in het brandend houden van het verlies de verlorene voortleeft en dicht bij je blijft.
Lieven de Cauter (‘Een beeld van het geluk’) beziet de relatie van de twee begrippen
vanuit de notie van geluk: alle geluk gaat gepaard met een intens bestaansbesef,
bijgekleurd met een besef van vergankelijkheid. Volgens Anton Simons (‘In de ban
van Lou Reed en Sartre’) beoogt Reed een absorptie van het ik en de objecten in
een magische wereld waarin het handelen faalt, maar die als ‘intellectum possibile’
mogelijkheden biedt om verlies en fouten een plaats te geven. ‘Wat gebeurt er,
wanneer je de balans van verlies en magie omarmt?’ vraagt Rene Gabriëls in
‘Magie en melancholie’. Bij de dood verdwijnen de geliefden van het toneel,
voorziet hij. Het verlies van dierbaren slaat een wond die nooit mag helen.
Melancholie is dan wel behulpzaam.

KORTE VERHALEN
Ofran Badakhshani
Rob H. Bekker
Cor Gout
Else de Jonge
Ishana Sayag
Marijn Sikken
Yoko Theeuws
Rob Verschuren

GEDICHTEN
Mark Baltser
Gerard Berends
Job Degenaar
Dorien Dijkhuis
Giuseppe Minervini
Dewi de Nijs Bik
Gerrit Vennema

BEELD
Erik Pape

Gepost in Home | Plaats een reactie

Place Stalingrad, Erik Pape

Film Erik Pape Place Stalingrad from Literair tijdschrift Extaze on Vimeo.
Vertoond tijdens de presentatie van Extaze nr. 20: Extaze in de Houtrustkerk op
8 december 2016. De aquarellen in het Extaze-nummer: ‘De magie van het verlies’ zijn gemaakt door Erik Pape op en rond Place Stalingrad Parijs.

Gepost in Home | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

Foto’s Extaze in de Houtrustkerk op 8 december

De avond in beeld, door Eric de Vries:

Gepost in Home | Plaats een reactie

Donderdagavond 8 december: presentatie Extaze 20 in de Houtrustkerk

Extaze in de Houtrustkerk 20
De magie van het verlies

Wie weet dat het aanzetpunt van het thema van Extaze 20 Lou Reed’s album
Magic and loss (1992) is, zal begrijpen dat de presentatie van het decembernummer voor een groot deel zal bestaan uit muziek. Vier sprekers zullen ingaan op de relatie tussen Reed’s motieven en muziek. En er zal ook muziek te horen zijn: als soundtrack bij de film die getoond zal worden, bij de installatie waarmee de avond opent, en tijdens het optreden van Henk Koorn.

Laurens ten Kate (gastredacteur van Extaze 20), Heleen Rippen (bedenker van het thema van het nummer), René Gabriëls en Anton Simons vertellen hoe zij de muziek van Reed en anderen in hun respectievelijke essays voor Extaze 20 hebben ingepast.
Voor de soundtrack van zijn film Place Stalingrad koos Erik Pape een rai-nummer uit, muziek die in zijn beleving verbonden is met het plein.
Geluiden (muzikaal gearrangeerd) zijn te horen bij de installatie van Marian Meerbeek en Marion de Laat, die ‘Berlijn’ en het begrip ‘tijd’ tot onderwerpen heeft.
De livemuziek, aansluitend op de inleidingen van de essayisten, wordt gespeeld en gezongen door Henk Koorn, bekend van de eigenzinnige Haagse band Hallo Venray.
Hij vertolkt nummers van Lou Reed, David Bowie en Joan Armatrading.
Poëzie, het meest muzikale literaire genre, komt deze avond voor rekening
van Dorien Dijkhuis.

Dan nog even terug naar het aanzetpunt. De vraag die de redactie zich daarbij stelde was: is verlies het tegendeel van winst, van betekenis, van vervulling? Of is er zoiets als een eigen kracht in het verlies? Of, zoals Bataille het noemde, is het verlies een gift
(le don de la perte)? (Hoe) kan verlies een magische glans krijgen?

Locatie: Houtrustkerk, Beeklaan 535, Den Haag (hoek Houtrustweg).
Parkeren kan gratis op het erf van de internationale school aan de overzijde.
Aanvang: 20.15 uur precies. Deur open van 19.45 uur tot 20.10 uur,
dus graag op tijd aanwezig zijn.
Entree: € 10,00 (alleen contant te betalen).
Reserveren: redactie@extaze.nl
Presentatie: Cor Gout
Licht en geluid: Harold Verra / Bigfatzo Productions

Gepost in Home | Plaats een reactie

Waar word je blij van, Christian Oerlemans

Christian we maken je blij… een email van Albert Heijn, omdat ik een bonus kan ophalen. Toetje van Mona zeker, want ‘daar word je blij van’. Hetzelfde geldt voor een vliegreisje met Transavia, word je ook blij van, zeggen ze. Kortom, blij worden is de boodschap. Boodschap? Armoe, roep maar wat, geluk in je postvak. Gek word ik ook van al die loterijreclame waar de miljoenen over de buis vliegen, opgevoerd door bekende Nederlanders – Neanderthalers wilde ik bijna zeggen. Wat een no-brainers, om eens een goed modern begrip te gebruiken. Net zo modern als tone policing – nee niet polishing, dacht ik eerst ook – vertaald als toon-politie. Van de Toon die niet de Muziek maakt, maar die oorverdovend meningen ventileert. Die toon dus. Waardoor meningen de feiten verdringen, ofwel mensen meningen roepen alsof het feiten zijn. Bijvoorbeeld omdat het in de Telegraaf staat. Vluchtelingenplaag, kansloze asielplaag. Daar word je blij van. Toegegeven, ik ben een ouwe liberaal, ik worstel me in het weekend door drie kranten; Volkskrant, NRC en de Gooise Telegraaf (De Gooi- & Eemlander). Welke jeugdige iPhone lezer doet zoiets nog? Ik hoorde voetbaltrainers zeggen dat communicatie met die voetbaljongetjes lastig is. Ze leven in een i– wereld, de i van ik. Bubbels, ook zo’n woord. Mensen leven in hun eigen bubbel. Is natuurlijk altijd wel zo geweest, maar nu botsen de bubbels met knallende meningen op elkaar. Links, rechts, gelovig of wetenschappelijk. Roept u maar. Ik herinner me nog dat we als reclamemakers op zoek gingen naar een zogenaamde u.s.p.; unique selling proposition. Op zoek naar de inhoud, zeg maar. En hoe die in drie woorden over te brengen naar de doelgroep. Wie toen was komen aankakken met ‘daar word je blij van’ was eruit gesodemieterd. Geldt ook voor ‘koppen’ maken in de krant. De essentie in een paar woorden over het voetlicht brengen. Een scherpslijpers klus, want je wilt ervoor zorgen dat de lezer die alleen koppen snelt toch de inhoud zo genuanceerd mogelijk meekrijgt. (Toen werkte ik nog voor het Vrije Volk ;-)). Neem de thema’s van de kranten zelf: slijpsteen voor de geest, voor wie de nuance zoekt, niets is vanzelfsprekend, misschien wel de beste krant van Nederland, krant van wakker Nederland… Toch ook geen teksten waar je blij van wordt. Ik bedoel maar, het valt niet mee om in een paar woorden te vertellen Wie je bent, voor Wie. Trump doet het nog niet zo slecht. Making America Great Again spreekt de achtergebleven werkloze Detroit automonteur natuurlijk wel aan. Maar de meeste banen die hij wil terughalen uit China bestaan al niet meer. Het gaat allemaal erg snel. YouTube is echt belangrijker aan het worden dan NPO televisie, zeker voor de jeugdige doelgroepen. Vloggers met een miljoen volgers. En dus reclame waardoor een jeugdige vlogger goed verdient. Muziek zien en luisteren? Wie koopt er nog een CD, laat staan bladmuziek. Beroemde muziekwinkels (Nieuwe Muziekhandel Leidsestraat Amsterdam) verdwijnen, Spotify pakt de markt. De jeugd heeft de toekomst, zei mijn oma al. En dit is zeker waar, misschien meer dan ooit. Maar ook hier knallen contrasten op elkaar. Veel jeugd heeft geen toekomst en glijdt af naar misdaad, terrorisme, religieuze waanzin, of gewoon naar niks. Een klein deel maakt de wereld en de toekomst voor ons. Noem ik nog niet eens Zuckerberg, toch ook alweer in de dertig (5e rijkste van de wereld), maar bijvoorbeeld Harshwardhan Zala van Aerobotics7. Maakte o.a. een drone voor het opsporen en vernietigen van landmijnen en tekende net een contract met de regering van deelstaat Gujarat (India) voor 7 ton business. Zala kan in weinig woorden zijn boodschap communiceren: hij wil binnen een paar jaar groter zijn dan Google (opgericht in 1996 door Page en Brin die toen 23 waren). Als de wereld straks omarmd wordt door twintigers en dertigers, inplaats van door oude arrivé’s die landmijnen hebben gelegd, dan worden we misschien wel blij.
Zala, de CEO van Aerobotics7 is 14 jaar. Ja veertien.

 

 

Gepost in Column Oerlemans, Home | Plaats een reactie

De erfenis, Stefan Stallaert

Dat mijn vader af en toe behoorlijk uit zijn krammen schieten kon, wist natuurlijk heel de straat. Maar toen hij die zondagmiddag mijn neus eraf rukte, vielen zelfs de monden van mijn familieleden wijd open. Iedereen zweeg: mijn moeder, zus en broer, ze staarden alle drie doodstil naar mijn verwekker, die in volle verwondering, in het midden van de kamer, mijn achtjarige neus in de handen hield.
Mijn grootste bekommernis was te zien hoe het kleine lichaamsdeel bloed en snot druppelde op het tapijt. Wat natuurlijk een nieuwe colère, nu van moederszijde, zou kunnen veroorzaken. Bevreesd dat er dus gauw een stevige rammeling zou volgen, keek ik weg van iedereen, recht naar de televisie die een goed half uur eerder was aangezet.
Mijn blik op een uitzending van onze nationale radio en televisie bracht me kalmte en rust. Met vreugde zag ik hoe het boerenpaard van Boer en Tuinder rond hotste, gezwinder nog dan op andere zondagen. Een edele Brabander was het, een stevig ros met een knap gecoupeerde staart. Het dier liep dwars door de mistige velden, op het lange weidegras dat nog nat was van de dauw, langs lage wilgen en naderde zo in volle draf het beeldscherm van het voor vers geplukt fruit omgeruild Philips-televisietoestel. Ik wist dat het dier zich klaar maakte om in volle kracht het salon in te stormen, zodat ik het, veerkrachtig als Otorongo, kon bestijgen en we samen in galop het huis konden ontvluchten.
Maar jammer genoeg draaide dat verkeerd uit. Blijkbaar had de mist ook het beeldscherm ingepalmd en verdween het dappere wezen en de hele uitzending in grijswitte beeldruis.
Ik stond er helaas terug alleen voor en keek mijn familie aan. Maar iets was gewijzigd aan de conflictsituatie: mijn broer klopte mijn vader namelijk bemoedigend op zijn rug. Vader en zoon keken elkaar in de ogen en lang duurde het niet voor ze samen in de lach schoten en moeder en zus mee giechelden.
Ik lachte niet mee maar herademde wel, bijzonder opgelucht dat het zondags incident zo met wat humor werd afgesloten.

Vader stierf, tien dagen terug. Wist ik veel dat hij ziek was: mijn moeder, broer of zus hadden mij niets laten weten. Pas na de begrafenismis en de koffietafel in de parochiezaal Sint-Cecilia, bij de koffie en pistolets met kaas, hesp of preskop, vernam ik hoe hij aan zijn einde kwam.
Ik hoorde er mijn moeder het relaas van zijn laatste levensdagen doen aan drie neven met zwarte puntkragen en luisterde geboeid mee naar het verhaal van de dood van de brave man die ik niet meer had gezien sinds de dag dat ik mijn humaniora had afgerond, nu meer dan vijfentwintig jaar geleden.
‘En na hoop en al twee maand tijd was het spelletje uit,’ zei moeder. Waarna ze alle details van zijn ziekte bekend maakte, van de dag dat hij haar vanop het toilet had toegeroepen dat hij rood had geürineerd tot de herhaling van zijn laatste vloek in het Universitair Ziekenhuis, zes dagen voor zijn teraardebestelling.
‘Enfin, om juist te zijn is hij exact eenenzeventig dagen ziek geweest,’ was haar slotzin.
Vandaag was het dag eenentachtig. De dag dat mijn moeder, broer, zus en ik ons dienden aan te bieden bij de notaris, die tussen belangrijke verkavelingsaktes, enkele minuten had kunnen vrijmaken om de door mijn vader uitgeschreven erfenis uit de doeken te doen.
Eens binnen in het kantoor, moesten we plaats te nemen in een van de zalen van het oude herenhuis. De notaris begon al aan de lectuur van de akte voor we goed en wel neerzaten. Een voor een kwamen we aan de beurt. Eerst moeder, dan mijn broer, dan mijn zus, dan ik. Iedereen leek tevreden, alleen leek de voor mij geschreven tekst enkele uitzonderingen te bevatten. Want naast de enkele zaken die mijn vader mij niet kon onterven, bleek dat er mij ook een gitaar toekwam.
Ik trok verwonderd de wenkbrauwen op. Deze merkwaardige schenking bracht ook mijn familielieden, en in eerste instantie mijn broer, spontaan aan het lachen. Zo storend luid, dat de notaris verveeld opkeek en vroeg om de stilte in de zaal te bewaren.
Ik, een vijftiger die nooit een noot muziek had gespeeld, erfde de gitaar van een man die erom bekend stond geen bal te geven om muzische kunsten, maar die om een mij totaal onbekende reden blijkbaar wel een gitaar bezat. Raar.
Enfin, iets later mocht ik samen met de overige gezinsleden de notariële woning verlaten en splitsten onze wegen zich alweer. Ik liep naar rechts waar ik mijn wagen had geparkeerd, mijn moeder, broer en zuster liepen druk napratend naar mijn broers auto die aan de overkant van de straat stond.
Eens thuis, bleef die vervloekte gitaar door mijn hoofd spoken. Zittend in de zetel piekerde ik over het geërfde stuk dat een koeriersbedrijf me later op de dag leveren zou.
Tegen het eind van de namiddag, ging de bel. Ik opende de deur en daar stond een zwaarlijvige man met een knalrode sweater aan. Een walm van opgedroogd zweet waaide naar binnen. De man plofte een kartonnen doos neer op de deurdrempel, liet het pakket tegen de deurlijst leunen, duwde een plastic tablet en een zwarte schrijfstift in mijn richting en vroeg me voor ontvangst te tekenen op een minuscuul display. Ik gehoorzaamde en plaatste onhandig een onherkenbare kriebel op het schermpje. Gegeneerd vroeg ik hem beleefd of ik een nieuwe kans kreeg om de handtekening te herbeginnen, maar hij schudde heel beslist van neen. ‘It doesn’t matter, all is OK, sir,’ riep hij nog terwijl hij zich naar zijn bestelwagen haastte die stationair op mijn oprit draaide. Ik knikte begrijpend, draaide me om, stapte naar binnen, sloot de deur goed af en sleurde de zending naar mijn garage.

Daarna nam ik rust. De vele handtekeningen van die dag hadden me diep uitgeput. Pas in de vooravond verliet ik mijn zetel en ging ik nog eens naar de erfenis kijken. Die was verpakt in een brede bruine, kartonnen doos, die volgens de vorm inderdaad een gitaar kon bevatten. Ik had geen idee of het een akoestisch of elektrisch instrument zou zijn. De doos leek me nogal gemakkelijk kapot te scheuren en te plooien, zodat ze mee kon met de papierophaling van volgende week. Het plastic hoesje waaronder mijn adreslabel zat, zou ik met het gewone huisvuil kunnen meegeven. Tot zover geen probleem. Maar wat ik met de rest van de zending moest beginnen wist ik niet.
Ik zocht terug mijn zetel op en zittend volgde een nieuw idee. Ik keek op mijn uurwerk. Het uur viel mee en indien ik het goed had, was het vandaag een weekdag. Dat zou betekenen dat er nog een oplossing voor mijn probleem mogelijk was. Tijd voor actie dus.
Ik nam mijn autosleutels, liep naar de garage, trok kordaat de poort open, opende de kofferbak van de auto en sleurde de zending erin. Maar het pak was zo groot, dat het niet in de koffer paste en ik het diende te verplaatsen achter de passagierszetel. Daarna sloeg ik het portier dicht en startte de wagen. Vanachter het stuur leek het wel alsof er iemand op de achterbank zat en met me mee reed.
Bijna blindelings reed ik in de richting van de hoofdstad. Mee fluitend met een vrolijk chanson, zocht ik me blijgezind een weg door het verkeer. Na een korte rit vond ik het parkinggebouw dat ik zocht. Boven de ingang stond een aankondiging dat er honderd vijfenzeventig vrije plaatsen waren. Wat dus perfect was. Ik had er maar eentje nodig.
Ik haalde het ticketje uit de automaat die me op een schermpje welkom heette, en nadat de rood-witte bareel zich opende reed ik naar binnen. Achteraan, op het gelijkvloers, vond ik een vrij parkeervak. Ik zette de motor stil en uit het handschoenkastje haalde ik de lange, rode schroevendraaier. Ik stapte uit, liep naar de voor- en achterkant van de auto en vees er de twee nummerplaten los. Daarna haalde ik de documenten uit de wagen en sloot ik de portieren af. Ik plooide de nummerplaten dubbel, stak ze daarna in een plastic zak en liep de parkingruimte in.
Ik keek nog even achterom en zag de doos vanop de achterbank naar me staren als een ontgoochelde, eenzame passagier. Maar zonder enig gevoel van medelijden liep ik naar de uitgang van de parking, zeer tevreden met de ondernomen actie. Aan de eerste vuilnisbak stopte ik om er de papieren van de wagen in te gooien. Twintig meter verder dropte ik de platgedrukte nummerplaten in een stadscontainer. Het mooie einde van een tijdperk kwam eraan.
Toen ik iets verder was gekomen en de straat naderde, was er een geluid in de parking dat mijn aandacht trok. Ik draaide me om en met half dichtgeknepen ogen tuurde ik de met neonlampen verlichte ruimte in. Achteraan in de parkeerzaal, op misschien tien meter afstand van mijn auto, zag ik een dier bewegen. Geen hond of een kat, neen, het was een enorme kolos die luid met de hoeven op de betonvloer trappelde, duidelijk om zo mijn aandacht te trekken. Ik ging op een trapje staan en toen drong het volledig tot me door. Een brede glimlach verscheen op mijn gelaat.
Wat ik zag was het Boer en Tuinder paard. Het dier dat mij vijftig jaar geleden op televisie trachtte te bereiken, was na al die jaren teruggekeerd en hinnikte luid om haar aanwezigheid te melden. Wat een geluksmoment. En vandaag was er geen televisiemist meer om onze ontmoeting te hinderen. Het dier keek in mijn richting, brieste hard en zette het volle galop in. Ik lachte, wuifde met beide handen naar de Brabander en hield me klaar om het te bestijgen.

Enkele minuten later reed ik, blij en fier als een kind, op de rug van het boerenpaard, onder de geopende bareel van de parking door, in de richting van de brede steenweg.
We startten onze wandeling naar huis. Er was nog een hele tocht voor de boeg, maar dat zou gezwind verlopen. Dat voelde ik zo.
Wagens hielden voor ons stil, ik zwaaide naar de chauffeurs en was in de volle overtuiging dat ik als een tevreden man thuiskomen zou.

Gepost in Columns, Home, Proza | Plaats een reactie

De geboetseerde wereld van Taylor Swift, door Maarten Buser

Over popmuziek, abstractie en tastbaarheid

Een herinnering: de tekst van ‘Losing My Religion’ zat in een map met liedteksten die gebruikt werd tijdens de muziekles op de middelbare school. Ik zat in de brugklas, mijn begrip van het Engels was rudimentair, ik kende de bijhorende muziek niet en keek naar een blok tekst dat ik niet snapte. Ik wist bijvoorbeeld nog niet dat de titel een uitdrukking is die veel wordt gebruikt in het zuiden van Amerika en zoiets betekent als ‘aan het eind zijn van je Latijn’.
Als twaalfjarige wist ik niet wat ik met die tekst moest, en nu eigenlijk nog steeds niet. Hoewel ik ‘Losing My Religion’ absoluut een mooi nummer vind en R.E.M. een goede band, moet ik toegeven dat de tekst nauwelijks closereadbaar is. Sterker nog, als je dat probeert dan valt ze uit elkaar.

Goede theorie functioneert als gereedschap. Het is fijn om te zien dat iemand anders onder woorden kan brengen wat je zelf (net) niet lukte, of wiens observatie jou anders naar de zaken laat kijken. H.U. Jessurun d’Oliveira bijvoorbeeld schreef zulke theorie voor de gereedschapskist: het essay ‘Het gedicht als wereld’. Het stuk is een zelfverklaarde expeditie in Lucebert’s gedicht ‘Tiran in ruste’. Die reis begint met het vergelijken van gedichten met sneeuwbollen, ‘waarin zich een huiveringwekkend idyllisch sneeuwlandschap bevindt, een vriendelijk dorpje met een kerk, rood kerstlicht achter ramen en galmgaten, een heel wereldje op sap’. Die vergelijking vindt Jessurun d’Oliveira treffend (en ik met hem), want ‘[m]en kan een gedicht zien als een geïsoleerde, beperkte hoeveelheid woorden in een zodanige kombinatie, dat het bijzonder onwaarschijnlijk is deze kombinatie toevallig elders aan te treffen. Achter dit unieke woordenkomplex ligt een unieke wereld.’ Om de omgeving te verkennen stelt de reiziger hardop vragen:
Als ik nu mijn beeld van het gedicht als wereld weer opvat, dan kunnen er, net als ten aanzien van de wereld om ons heen, vragen gesteld worden over de plaats waar we ons bevinden, de tijd waarin geleefd wordt, welke personen er zijn en hoe hun onderlinge betrekkingen liggen. Hiermee is de lijst volstrekt niet uitgeput, maar wel is het dit soort vragen, dat eigenlijk bij elk literair werk te stellen is.
Ik las het essay in het tweede jaar van mijn studie Nederlands, en bam!, er werd een luikje in mijn hoofd opengezet: een gedicht kan benaderd worden als een wereld, als een plaats. Vergelijk het, als het moet, met de ingezonden briefschrijver in de Donald Duck die opmerkte dat na elke zin (behalve de vraagzinnen) in het blad een uitroepteken staat. Het was me nooit opgevallen en nu valt het me nog altijd op. Sinds de vergelijking met de sneeuwbol stel ik me voor hoe een gedicht een wereldje kan zijn waarin je rond zou kunnen lopen, een wereldje waar je vragen over en aan kunt stellen.
Een ander luikje werd twee jaar later opengezet, door Eric Auerbach. Hij laat in zijn boek Mimesis (wederom studiemateriaal) werkelijkheidsweergaves in literatuur door de eeuwen heen zien. Hij legt bijvoorbeeld het verschil uit tussen de werelden van Homerus en die van de Bijbel in het openingsessay ‘Het litteken van Odysseus’ (hier geciteerd in de vertaling door Wilfred Oranje). De wereld in de Odyssee is volgens Auerbach ‘geboetseerd’: ‘[G]een enkele contour is vaag. [Er is] alle tijd en ruimte voor een welgeordende, goed gearticuleerde, gelijkmatig belichte beschrijving van gereedschappen, kleine diensten en gebaren.’ Dat oog voor detail kan ver gaan: ‘zelfs op het dramatische ogenblik van de herkenning wordt niet verzuimd om de lezer mee te delen dat het de rechterhand is waarmee Odysseus de oude vrouw bij haar keel grijpt om haar het spreken te beletten’. De wereld van de Bijbel is volgens Auerbach niet geboetseerd, omdat er veel oningevuld blijft. Het blijft bijvoorbeeld duister waar Abraham mee bezig was toen God hem riep, en ook ‘[w]aar hij zich […] feitelijk ophoudt, in Berseba of elders, binnenshuis of in de open lucht, wordt niet meegedeeld’. Bam, luikje open: een tekst kan geboetseerd zijn of niet.

Naast oud-student Nederlands ben ik ook een groot liefhebber van popmuziek. Die twee werelden komen natuurlijk een keer bij elkaar; het gereedschap uit mijn studie kon ik immers loslaten op wat mij min of meer hobbymatig interesseert. Zo ontdekte ik dat er ook geboetseerde en niet-geboetseerde popteksten bestaan. ‘Losing My Religion’ valt in die laatste categorie. Neem nu behoorlijk abstracte zinnen als ‘Oh, Life is bigger / It’s bigger than you / And you are not me’, of ‘Every whisper / Of every waking hour / I’m choosing my confessions’. Waar gaat di in godsnaam over? Ander probleem: ‘It’s me in the corner / It’s me in the spotlight’. Ja, dat is een duidelijke tegenstelling tussen introvert en extravert, tussen geen aandacht en veel aandacht, maar wat is de onderlinge relatie? Wordt het in de hoek staan gevolgd door het in de spotlights staan of overlappen beide locaties elkaar? Dat laatste is natuurlijk een irrealistisch beeld: wie richt nu alle spots op dat bescheiden punt in de zaal of kamer. Maar zo zou je het gevoel kunnen weergeven dat iemand die veel aandacht krijgt ook heel eenzaam kan zijn. Op papier werkt het niet, maar luister naar het nummer zelf en het klopt.
Popteksten hebben vaak een neiging tot abstractie. Neem bijvoorbeeld de jazzstandard ‘Body and Soul’: ‘Call me irresponsible, call me unreliable / Throw in undependable too / Do my foolish alibis bore you? / Well, I’m not too clever; I just adore you’. Heel concreet wordt de tekst niet; de klassieke cast van de popmuziek draaft op: een ‘you’ en een ‘I’.
Wie zijn ze? Geen idee. Je kunt ze zelf invullen; bijvoorbeeld met jezelf en je geliefde in de hoofdrollen. Waar speelt ‘Body and Soul’ zich af? Evenmin weet ik dat, maar is het relevant? Nee. Veel popteksten drijven op een soort vaagheid die tot invulling uitnodigt. Wie kent niet het gevoel dat er in je puberteit een zanger(es) was die precies zong wat je doormaakte? Daar kun je best selectief mee omgaan. Wat niet met je gevoelens strookte kun je weglaten of juist als een metafoor voor jouw situatie zien.

Iemand die wel sneeuwbalwerelden van liedjes maakt, is Taylor Swift. Een korte introductie: Amerikaanse zangeres, geboren in 1989, maakte een aantal countrypopplaten en is langzaamaan steeds meer richting pop gekropen, met invloeden uit de new wave en de synthesizerpop. Haar laatste albums Red en 1989 waren ook in Nederland succesvol, en ze scoorde top 40-hits met ‘I Knew You Were Trouble’, ‘We Are Never Getting Back Together’, ‘Shake It Off’ en ‘Blank Space’. Dat hitsucces is voor sommige bekrompen ‘serieuze’ muziekliefhebbers een reden om laatdunkend over haar te praten, maar trekt u zich daar niets van aan.
Swift schrijft en zingt liedjes die popmuziek – in engere zin – op zijn best zijn: uiterst meezingbaar en catchy, lichtvoetig en inhoudelijk sterk. Haar teksten zijn duidelijk geworteld in de stijlen van populaire films en eerdere popmuziek. Swift gaat daar intelligent mee om, waardoor haar alles behalve vage liedjes een opvallende beeldende kracht krijgen. Bovendien valt er vaak een ondertoon van melancholie te bespeuren die diepte aan de nummers geeft. Swift’s hits hebben het absoluut in zich om evergreens te worden – en misschien is zij wel de enige van de huidige generatie hitparade-artiesten die daartoe in staat is. Drake, Rihanna en Beyoncé, artiesten die geregeld opvallend experimenteel en spannend uit de hoek zijn gekomen, hebben de afgelopen jaren de Top-40 gehaald met hun r&b- en hiphophits. Maar de kwaliteit van de welgevormde, welhaast klassieke popliedjes van Swift missen ze.
‘All Too Well’ van Red (2010) is een goed voorbeeld van een Swift-liedje met een geboetseerde tekst. Die bestaat uit een groot aantal specifieke herinneringen van de ‘ik’ aan haar ex-geliefde. Dat ze zich al die details zo goed herinnert, maakt het liedje nog melancholischer. Volgens Swift had ze zo’n lap tekst geschreven dat ze de hulp van een andere tekstschrijver inschakelde om van dat materiaal een behapbaar nummer te maken – dat overigens nog goed vijfenhalve minuut klokt. Het is niet moeilijk om een tien minuten-versie voor te stellen: de lijst herinneringen zou alleen nog maar langer worden. De herinneringen zijn de beelden die bijdragen aan het plastische karakter van de tekst. Neem alleen al het eerste couplet:

I walked through the door with you, the air was cold
But something ‘bout it felt like home somehow
And I left my scarf there at your sister’s house
And you’ve still got it in your drawer even now

Het is niet zo dat Swift alles tot in de puntjes voorkauwt voor de luisteraar. Dan zou ze wel verteld hebben van welk hout de deur was gemaakt, welke kleur de sjaal had, hoe het huis van de zus eruit zag, enzovoort. Dat soort informatie is allemaal niet relevant, omdat je die zelf in kunt vullen. Als Swift ‘door’ zingt, dan is het om het even aan welke deur ik denk. Ik weet niet eens aan welke deur ik dan denk, gewoon aan een deur, wellicht zelfs mijn eigen deur. Even heb ik geprobeerd me de deuren van mijn ex-vriendinnen te herinneren, maar dat lukt niet. Die poging is ook irrelevant: er zijn relevantere herinneringen aan die exen zelf dan aan de deuren van hun ouderlijk huis of studentenkamer.
Een belangrijker herinnering in ‘All Too Well’ is ‘We’re dancing ‘round the kitchen in the refrigerator light’. Die zin intrigeert mij vanwege een super-specifiek detail: het koelkastlicht. Het valt prima te beargumenteren dat ‘All Too Well’ helemaal niet zo’n geboetseerde liedtekst is, maar een tekst met paar details die de illusie van geboetseerdheid of verregaand realisme opwekken, zoals dat koelkastlicht. Waarom verschilt ‘That’s me in the corner / That’s me in the spotlight’ als detail (of eigenlijk twee details) van dat koelkastlicht? Dat zit in het super-specifieke, of althans de suggestie van het super-specifieke, van Swift’s beeld.

Swift zet slim beelden in die bijna verankerd lijken in het collectieve bewustzijn: scènes die we van films, series en boeken kennen, zonder dat je direct aan kunt wijzen waar je een dergelijk beeld eerder tegen bent gekomen. Ze gebruikt als het ware ‘oerbeelden’, die gelijk de bijhorende plaatjes en associaties in je hoofd oproepen. In ‘Love Story’ (2008) gaat het over ‘crying on the staircase, / baby, please don’t go’. Ik ken dat beeld uit films, maar ik kan geen bijhorende titels noemen. Vlak daarvoor zet ze al een ander oerbeeld in, dat veel makkelijker thuis is te brengen: ‘You were Romeo, you were throwing pebbles / And my daddy said: “Stay away from Juliet”’. Swift’s teksten zijn popcultuur ten top: ze verwijst niet zozeer naar Shakespeares Romeo en Julia, maar naar een echo daarvan die we kennen uit allerlei films: de geliefden die van hun ouders niet bij elkaar mogen zijn. Met dat grondmateriaal wordt in bewerkingen vaak heel vrij omgesprongen: de tragische afloop wordt meestal een happy end . Zo ook in Swift’s liedje.
Zo werkt popmuziek: putten uit het grote reservoir van populaire beelden en hun connotaties. Denk aan de schier eindeloze lijst van liedjes over auto’s: in popliedjes worden die meestal bemand door (Amerikaanse) jongemannen die hun vriendinnetjes oppikken, want auto’s en seks zijn in liedjes vaak verstrengeld – zie The Beatles, Bruce Springsteen, en vele anderen.
Terug naar Swift’s oeuvre: haar nummer ‘Speak Now’ (2010) begint met ‘I am not the kind of girl / who should be rudely barging in / on a white veil occasion / But you are not the kind of boy / who should be marrying the wrong girl’. Trek even het popcultuurreservoir open en stop bij ‘love interest gaat met een ander trouwen’ en ‘iemand maakt bezwaar tegen een huwelijk’. En wat vinden we daar? Een kerk natuurlijk (net als in de film). Swift bevestigt dat vermoeden later in het refrein: ‘I’ll meet you when you’re out of the church at the back door’.
Hoe lukt het Swift om haar teksten niet clichématig te worden? Dat heeft er deels mee te maken dat menige poptekst pas echt werkt als die gezongen wordt, maar dat is niet alles: een gezongen slechte tekst blijft een slechte tekst. Bij Swift staan tegenover de oerbeelden slimme, grappige observaties, zoals het bruidsmeisje met ‘a gown shaped like a pastry’ – weer zo’n detail dat de voorstelling veel levendiger maakt.

Swift trekt op 1989 (2014) in een aantal nummers de plasticiteit van de teksten heel sterk door. Een fantastisch voorbeeld daarvan is ‘Style’, dat een narratieve inslag heeft , net als ‘All Too Well’, ‘Speak Now’ en vele andere Swift-liedjes.
De setting van ‘Style’ wordt in de eerste regel al duidelijk gemaakt, en direct wordt er een plastisch detail toegevoegd: ‘Midnight, you come and pick me up, no headlights’. Je kunt op basis van nog geen tien woorden al door het decor van het nummer lopen: twee mensen zitten in een auto, het is nacht, en het is nog donkerder, want de koplichten zijn niet aan, een indicatie dat in elk geval een van de twee hun rendez-vous geheim wil houden. Het liedje staat bovendien in een traditie: die van liedjes waarin auto’s met seks geassocieerd worden. De sfeer in ‘Style’ is dan ook broeierig. Nu heb je een grote lijn te pakken – die trouwens aanzienlijker helderder is dan pakweg ‘Losing My Religion’ – en in het refrein wordt de scène verder ingekleurd:

You got that James Dean daydream look in your eye
And I got that red lip classic thing that you like
[…]
You’ve got that long hair slick back, white t-shirt
And I got that good girl faith and a tight little skirt
And when we go crashing down, we come back every time
We never go out of style, we never go out of style

Het refrein is met recht geboetseerd: je hoeft als luisteraar niet te bedenken wat de hoofdpersonages dragen, je krijgt zelfs de kans daarvoor niet, want hun uiterlijk wordt je voorgekauwd. Probeer bovendien eens niet aan de dromerige blik van James Dean te denken. Maar die verwijzing brengt ook een omineuze onderlaag met zich mee: de filmster kwam om tijdens een fataal auto-ongeluk.
‘Style’ laat zich beluisteren als een filmscène. Dat klinkt clichématig, maar gaat voor weinig nummers echt op. Ga maar na: de personages worden enigszins stereotypisch, maar duidelijk neergezet (jongen die op James Dean lijkt, meisje met rode lippen en een kort rokje), de locatie is duidelijk (in de auto), en zelfs de tijd (midden in de nacht). Swift roept met de James Dean-verwijzing geen associaties op met de persoon of zelfs de acteur zelve, maar met het imago dat James Dean is geworden. Is dat oppervlakkig? Niet per se. Hoe voor de hand liggend het ook klinkt: popmuziek is geworteld in popcultuur. Door een beroep te doen op wat de luisteraar al kent, kun je makkelijker de wereld van een popliedje boetseren. De tekstschrijver zet de palen in de grond en de luisteraar doet de rest.

Gepost in Essays, Home | Getagged , , | Plaats een reactie

Er nooit dichter vandaan, Theo van der Wacht: Aan de kunst

Aan de kunst

Wat het ook inhoudt, waar het
ook opdaagt, wie die het weet

Onder het ontbijt raadpleeg ik
Google, worden Adam en Eva
gelinkt aan het schilderkundig
begin van de mensheid, elk toe
aan een opknapbeurt, digitaal
ingekleurd, met heilige dagen
en al.

Het rare van kunst blijft dat je er
a. van houdt
b. niets mee kunt
c. soms te veel op vertrouwt

 

Lees meer »

pallas

 

 

 

 

 


Pallas Athene, Kurhaus Kleve

Kloof

Gisteren hoor ik haar weer
de uil rond het huis

Die ontluisterde godin
onderschat in haar marmer
de kloof

Voet die aandringt,
ogenblik die duizelt

 

Monnik aan zee

caspar david friedrich

 

 

 


Caspar David Friederich

Kijk, langzaam raakt het zichtbaar – ‘licht’
vermengt zich met het ‘donker’, contouren
komen uit de verf, een droom op zoek naar
de idee om werkelijk en onvervalst in zee
te kunnen gaan met de mens daar in habijt,
die wijst noch wenkt, maar het kaarsrecht
aan de schilder en de elementen overlaat.

 

Waterverf

Geen woorden voor. Zee even onwerkelijk
als de plastiek die hier oprijst uit het niets.
‘Stof waarvan dromen zijn gemaakt’, licht
doorstoofde waterverf, unicaat, òp is op.

CorneliaCornelia Troost/2016

Stek

In de wiegeling op de stek
de visvorming

Zet de plaats af.
Stel de klok in.
Leg de maat vast

en vertrek.

 

‘t

Jij (ik?) dacht het uitgewerkt,
maar nu het zuigt, schootsveld

ogenschijnlijk, de schrijfhand
in zijn ziel geraakt, digitaal

woorden briesend naar wat zeg
paard aanspoort, ’t horen laat –

Iedere maand een nieuw gedicht van ‘monnik’ Theo van der Wacht

 

Gevrijwaard

Stofwoorden die opstuivend de pluizige lente
verraden, zuidzuidwest, schapenwolken in het
blauw aangestipt, gevrijwaard van zwaarte

en hemelvrees, als een trekvogel op doorreis,
bovenwinds op de luchtstroom meedrijvend.
Jij? Ik? Zwichtend voor die onmogelijkheid?

Met onze vlerken gekortwiekt, uitkauwend bij
kunstlicht, het oude lied van al hoger en hoger,
John Keats, zonder leeuwerik in het verschiet.

 

Alle maanden

We schrijven een antieke oktober, Augustus is keizer in
Rome, ongerust over een baby die in maart is ontloken
– Mars, oorlog, Joden, Vandalen. – Duikt november als
elf op in de annalen – ‘Rijmt mooi, maar waar bleef Jezus
in dit verhaal,’ vraagt onze meester, die eind december
geen stal maar een dennenboom optooit, ons al eerder
besmuikt verhaalde dat september de bronstmaand is –
Met burlende herten, een afgedankt gewei. – Winter?
Die is haast al voorbij, één wit –

regel , en de woeste wil van april staat weer centraal,
le sacre du printemps, waar de natuur buiten zinnen op
mei aanstuurt, met hopelijk iets nieuws op het plankier –
En juni zich modieus aan het optutten is, selfies uitdeelt,
schouwspel door martelaren verafschuwd, als Julia ruw
door opa Saturnus wordt belaagd, februari met januari
op de vuist gaat, om wie ‘t eerst mag, de boete achteraf –

 

ontnuchtering

 

 

 

Ontnuchtering

Os staat verbaasd op stal, en voor ezel heeft het
balken allengs afgedaan, maar de ganzen slaan
milieu-alarm, en ik?, die vat in een bevlieging
Pegasus bij zijn staart, maar dit raspaard keert
zich briesend af, zelfs geen hoefslag kan er af –

Daarom blader ik prozaïsch door wat kranten,
zie de foto’s, spot de ellende en share mijn wel-
bevinden op Kletsboek met een selfie voor al
mijn vrienden voor vandaag en nog heel even

Jezus en ik, wat hebben we het samen fijn: Hij
veilig in de warmte van de stal, ik ontnuchterd
door de mistletoe, dennengeur en schone schijn –

Piet en Sint

De Piet van Sinterklaas

Die Piet, of ie nu pimpelpaars, pikzwart of spierwit
door het leven gaat, de duvel en zijn ouwe moer of
erger nog, een betovergrootvader als voorzaat heeft,
het zijn z’n lach, zijn springerigheid en de ondeugd
waar hij voor staat.- O middeleeuwse Piet, wanneer
deed jij nu òoit een braaf oppassende kleuter kwaad –

 

licht

Echt licht

Lichtsnelheid – Botsing – Beng!  Split second – onze capsule spat   uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien,  en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil.. U misschien, vanaf de Dierenriem? – Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ……..?’

Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, bedenk ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn.- Wars van angst, kies ik de kortste weg  naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand –

Nieuws-app meldt:  Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

 

theo2

Pi

‘Be willing to be blind, and give up all longing to know the why and how,
for knowing will be more of a hindrance than a help’

The Cloud of Unknowing,
anonymus medieval English.

Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: Wie ù kent, o getal (…..)
Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
kwestie van niet bang zijn vóor – ons gekromd heelal in vierkant op papier.
Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, waar nog van alles mogelijk lijkt..

(Wie verzint er nu zoiets, bromt professor Wit, aanhanger van de lege blik.)

Pluto of Venus, een baksteen of een kus.- Die plotse zonsverduistering komt
mij goed van pas.- Ik klamp me in pikkedonker vast aan het getal, laat Pi zijn
Odyssee verrichten in mijn dromerige brein: Sterrenschepen bewegwijzeren
de kosmische woestijn. Tijdreizigers cirkelen af en aan, spelen stommetje,
een spraak die mij verstaat.- Waar het almaar vroeger wordt, ontwaak ik vast
te laat..

 

theo

OFFERANDE

Wat er àl niet in die twitterende hoofdjes rondwaart –
Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt door
de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
kans te geven, de aura van een geleerde aan te nemen –
En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
en smeek Apollo, of hij jouw offerande wèl aanvaarden
wil, en reis daarvoor nù naar Delphi af, stante pede

Idee: Eva van der Wacht (gymnasium 5)
Tekst: Theo van der Wacht
juli 2015

 

Badkoorts

Over de zee schrijven, na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs
gelauwerde poëeten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd in mindere
gedichten te resulteren. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al
via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad herleven, waarin je als kind
ooit werd gekielhaald – de shampoo prikt weer in je ogen, schuim spat van de
golven, jouw erectie rijmt op Aphrodite, en je boekte al een cruise naar Cyprus.

Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en Charibdis te
ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de
scheepsfluit betekent Schip verlaten. Eerst de bejaarden.’ Beneden oefent moeder
La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig
onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later –

 

theo van der wacht

Doodmoe van politiek geknoei en blabla die gast
een Haags middagje zeebad te offreren – ligstoel
badhanddoek parasol.- Maar of ie zal toehappen,
wie zal ons vandaag onbewolkt weer garanderen –
– Ober! Eén portie ballen! Gloeiend heet, svp.
Ik relax en rol een sigaretje, en verbeeld me
zijn vlammenzee tegenover mijn saffie, hij
het langste.., ik het kortstonderige eindje…
En hoor hem ja nu in de verte al brommen:
– Bruinbakken? Kijk je uit voor je weet wel, ventje.
Pfff. – Wie lust er een bal van me, wie een trekkie?

 

Juni van muziek

Zon hier woord dat zich opdringt wel
is waar enkel kunstlicht afscheidt toch
met juni en deze duinpan in het zicht

een tropisch tintje aan de ingezoemde
klank verleent, melodieuze frase door
ooit een kind baarmoederlijk beleefd

roze noten, broederlijk brein verkleefd
nooit meer dichter in de buurt vertoefd
wit de zee die dit geneurie onderbreekt.

 

Sinds de oorlog vermist

De vader ‘Is over the ocean’, en leeft sinds
de oorlog voort als vermist. De moeder, tipsy,
knoeit met bokking op haar corrigeeerwerk en
gebaart de buurtende zoon om een vaatdoek.
Tot de hond die haar onbedaarlijk te na komt:
‘Wacht maar als de captain zo thuisvaart!’, en
wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

Of ik Dido’s klaaglied nog eens opzet, liefst het
vertrouwde met kraak. Onderwijl kijkt ze terug op
de moffentijd, en praat zelfs als ik Purcell brul, wijs
richting langspeelplaat, onverstoord door over mij,
het lastpak, dat luid op straat ‘We gaan naar Engeland’
begon te zingen in het ‘soldaten’ Duits.
Onvergetelijk
blijft mijn doorgevraag waarom de kat van boven niet zo.n
 ster draagt: – Mam, mag Tomi dan wel bij ons, straks?

En opnieuw vaar ik over een opengevouwen zee
mijn daddy achterna, en weer als we Tunis aandoen,
slaat er die brandbom in, vlak bij ons in de buurt –
De gevreesde vuurstorm blijft uit, het dodental beperkt
en ik, de grootadmiraal, wip onder de tafel vandaan
met mijn bordkartonnen vlaggenschip.
Tijdens zo’n
uitvaartdienst speelt moeder de treurmuziek; thuis
zwoegt ze op wat zij noemt De Ontembare Zee
La Mer lees ik, vurig spellend, op de partituur.

’Evacueren’, rebbelt ze, ‘hield in dat je tegen je zin ..’
‘Haast je rep je moest verhuizen’, overstem ik haar,
’wat voor ons uitdraaide op inwoning bij een boer.’
’O, die smeerboel als de beerput overliep!’, roept ze uit.
‘Fecaliën, moeder, die in jouw woorden toen, á la de
Armada samenschoolden in de goot….’
‘Wat ìk nog goed weet’, verzucht ze, ‘is hoe wij daar
op het platteland tandakten naar een schep zeelucht.’

Weer hoor ik mijn nieuwe schooljuf bidden tot een ‘Heer’
die niet bestond (als ik mijn moeder geloven mocht); zèlf
dorstte ik naar de periodiek  ‘Wie,Wat, Waar,Wanneer?’,
met als mijn favoriete premieplaat de beeltenis van een
raadselachtig bloot, Aphrodite Anadyomene genaamd.

‘De dokter’, zegt moeder, ‘typeerde jouw val in vijandelijk
prikkeldraad als een vuurdoop, en ..’
Duurde het wachten in de
kliniek een eeuwigheid – tijd genoeg om te bepeinzen waarom
die zogeheten almachtige god dit alles toch toestaat, dat kwaad,
die rot oorlog (alleen al de Deutschfeindliche scheepsruimte
– in bruto registertonnen – die er de eerste oorlogsjaren volgens
persbureau Reuters dagelijks ’in de grond werd geboord’…)
– het hechten van de wond daarentegen was in een oogwenk
gebeurd.

Een projectiel als de halfjaarlijkse brief van het Rode Kruis:
het ergste vrezend zie je haar die openritsen – dood?
vermist? of misschien toch weer een levensteken?
Is het een wonder dat de uitdrukking ‘strakjes als’
permanent vóor in moeders mond bestorven ligt?

Wanneer honger en winter hen aan bed binden,
wijst de moeder de zoon in Duizend en Een Nacht,
net voor ook dit boek wordt verstookt, op de zeeman
Sinbad
– diens schipbreuk, diens volharding, diens geluk.
Enkel de kindertekening van een boot, wat kranten
tegen de tocht, en de wereldkaart aan de wand
(knopspelden registreren er het ‘landjepik’)
blijven nog zo lang voor de kachel gespaard.

Op de dag van het bericht dat ook deze vader
officieel wordt vermist, sneeuwt het haring en
Zweeds wittebrood uit de wolkenloze lucht –


Uit de diepte

ter nagedachtenis aan
M.P.J. van der Wacht,
Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

Er zwemt iemand over mijn graf.- De juiste plek?
Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
overlevenden thans in een versneld tempo zijn eind –

De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek –

 

feut

opnieuw lente een gloed
tussen dood en geboorte

waar een feut zit te broeden
op de ingevroren narcissen

met de vreselijke woorden
van geen zon die wil gloren

 

lente bij hoog en bij laag

Opvlucht van dwarrelende blink wiens
saltomortales zich mengen met mus en getsjilp
omstreeks het daktuimelraam alwaar mijn
onzalige, buitelende kater

Tik later weerstaat zwaan de slagkracht
van een minnaar – plons kreet en snavel
in poldervaart die op eindeloos uitloopt

Na zo’n moment waar je bij hoog en bij
laag zwoer dat hij echt was die leeuwerik

 

Afvragen

Nadenkend over stad rijzen er  vragen  als
Verhaal of gedicht?  Voor jong en/ of oud?
Schepje zoet, puntje zout? Wie is hier ik?       

Waarom hij nu net een bankkraak beraamt,
zij op de fiets haar cliënten bezoekt, en jij
aan een stickie sabbelt in de koffieshop.

En ik? Die overziet op de luchtkaart vrijwel
alle buurten en straten. Weegt risico´s.
Vraagt af. Ziet heuse kansen –  Jenseits von
Gut und Böse? –

Verzwijgen

Wil het stilletjes ondersneeuwen
Voluit betekenisloos witte vegen

Met geen winterwoord te verven
Door geen oogwenk in te perken
Niks dan niets wordt er vergeven

Hartklop adem matglas doorkijk
Hoor hoe die het ook verzwijgen

 

Op het nieuwste jaar

(astrofysica)

‘im Ganzen is immer schon alles gezählt’
R.M. Rilke

…als in het morgenrood van ooit, op die eerste
ochtenstond, waar behalve licht geen ander
schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat…

…wat later
met roze champagne en vodden bij de hand,
wij, als halfproduct van oerknal, god en
pandorische kunst en wetenschap…

Pandora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandora
John W. Waterhouse

 

Tante Sint en oom Piet
een moraliteit

sintenpiet

Voor wie gelooft duikt de vliegboot uit
Spanje weer op.- Mijn oom speelt voor
Piet, mijn tante voor Sint. Oom besnord
En bebaard, tante zorgvuldig onthaard.
Oom zweert bij een tok, tante bij naakt.

Verwacht hier geen kadoos uit de zak van
Oom Piet, geen ‘lief of stout’ uit de mond
Van mijn tante de Sint, ook niet het wit en
Zwart door het oog van een kind, noch het
Blindvaren op, en wie doet dat soms niet..

Op een speelse tik heb ik oom Wim zelden
Betrapt, de schoot van tante Fien verwekte
Blosjes die ik pas heel veel later doorzag –
En mijn tante Sint en oom Piet?- Die twee
Bruinen zich behagelijk ontkleed, zo niet
Aan Spaans strand, dan toch wel op hun

Zonnebaadbank

 

Herfstcyclonen

herfstcyclonen

 

 

 

 

 

Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
Hoogseizoen voor oude dromers:
zijn blote hand onder de bank en
zij die deed of ze niks zag, maar in
de nablijfklas schrijft opa zich een
lamme arm, strafregels levenslang
Dwars door de schaamte heen want
straalverliefd kwadraat maal pi – de
afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs

– en altijd keurig voor het eten thuis.

 

Veredeld licht

Een simpele vingerveeg, en we zwerven uit
over het wereldnet. – Ontdek jij nu een passende
voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast –
Knipogend naar Slim O’Dysseus, praten zij rad
Trojaanse paarden en hun aanhang van het web

En surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
van Genesis naar Jongste Dag, en omgekeerd.

 

Obsidiaan

Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

De glasmeester heeft wel oren naar onze idee.
– Kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

ziel. –
Een loopje met Faust? – Kom doe niet
zo flauw! –
En zo zoeken wij nog altijd naar
de enige naam voor deze trofee, van dit glas
hard glinsterend zwart

 

Voetbalheldendom

‘Ik heb mezelf nooit als een held gezien’
Wim Kieft

Voetbalheldendom Theo van der Wacht

Vier tassen markeren het plein tot een speelveld,
de mat van fijn asfalt.-  Je speelt er om de eer van
je straat, vandaag 6 tegen 5, wij buiten kijf met een
vliegende kiep, wiens bloedende knie ìnstaat voor
felheid en strijd.- ‘Zat deze nu wel ja dan niet, of
was het “over en naast”, dat balletje van een cent’.

De fluitist die er bij ons aan ontbrak staat de volgende
dag in de sportkrant, om de pienantie die hij al dan niet
gaf, om de schwalbe die hij als enige niet zag…

En nooit
zullen we zijn uitgepraat over dat schot zijkant paal
in de laatste minuut, over die teenlengte pech in de weg,
het minieme verschil tussen uitzinnig geluk en
peilloos verdriet.

Toch gaan we vandaag opnieuw onversaagd uit ons dak –
in de clubkleur, mèt spandoek, in ons eigenste vak –
voor een spelletje en een relletje, als eerbetoon en ter
herinnering, aan het voetbalheldendom

 

Nachtegalen

Zinnebeeld? Idool? Sinds mensenheugenis de eerste
viool in mythen, sprookjes, en verhalen. Wereldwijd
drager van namen als bulbul, rossignol, nightingale.

Vogel met zo’n staat van dienst, en toch de echte niet.
Die verbergt zich op een kwartiertje gaans van hier
in de gure voorjaarsnacht, in de afgerasterde natuur.

Daar nu te staan kleumen onder een straatlantaarn –
Zonder mobiel. Zonder woorden. Zonder partituur.
Met alleen maar die trillers uit een keel, het vurig
begin van sneeuw –

 

Cader Idris

De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar
de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

Je had je danig voorbereid op deze tocht
maar door damp en een kompas dat miswijst –

Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
van de geit, keer je vliegenvlug

terug in de tijd. Je staat nu hoog
op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

( Cader Idris: bergrug te Wales. ‘Wie er de nacht
doorbracht, ontwaakte er ’s morgens alleen als
krankzinnige of dichter…’.)

 

Alle vogels

‘April is the cruellest month’
Wasteland, T.S. Eliot

Vrij verklaarde vogel op de vlucht; een valstrik
plukt hem aanhalig uit de lucht.- Doodsangst tergt
de omgeknoopte strop, opschortend het finale moment –
de onwerkelijkheid: alle vogels behalve jij en ik

 

Verwachting

Nog 1 keerlus en het land ligt braak
Golvende kluiten schitterend zwart

Vorst vreet al nachten aan de grond
Verwachting dat het sneeuwen gaat

De stramheid van de ochtendkilte
Alleen het koffiezetsel zich betuigt

Buiten dolt de zon met nevelslierten
Regenboog om verzen in te weiden

 

Marcel van Eeden

Vloek

Zuidzuidwest
Der
Nordost wehet. Zeelicht inkt gewolkte zwart
legt blikseminslag bloot
Zo’n beeld verstaat zich
tegendraads
met wat de kijker leest
kantelt
de ogenblik die zwalkend
gat op gat bikt in de tijd.
Op het ontbijtbord restjes
gekleurde hagelslag als
bloedcel
voor de nieuwste dag die
aanschreeuwt uit het boek
van woorden licht en vrees, verenigd tot een vloek –

Citaat uit Andenken van Friedrich Hölderlin
Tekst geïnspireerd door een Vloek van Cor Gout en
het Tekenwerk van Marcel van Eeden

 

Barrières

…al is je mond gortdroog, je lippen gebarsten
en brandt je tong van wat je verzwijgen zal

Onvergelijkelijke herinnering aan, je zou het
willen uitschreeuwen maar

Kinderen, buren, de taalbarrières van….

 

Aloude nachtegaal

Al vroeg in China maakt men hem knap als
mechaniekje na, favoriete speeldoos van
menig potentaat en kunstenaar
………………………………………..Zanger, verleider,
bedrieger
……………Bulbul in het Perzisch, naleesbaar
in het Chinees
…………………..De mijne verbergt zich het gehele jaar door
op een zoekopdrachtje gaans –
……………………………………..zie de pixels waaruit hij
bibberend ontstaat, beluister de klanken
waarop hij ons blikkerig onthaalt –

Solist in digitaal grijs
…………………………….zijn silhouet
echt als surrogaat

 

Atopia

“Nooit iets van waarde meenemen op reis (…)
je moet bereid zijn alles te verliezen’.
Redmond O’Hanlon

Die naam praait om een schip
compleet met kraaiennest en uitkijk, zware ijsgang,
walvissen en mist
‘Ahoi boots, land in zicht.’

~~~~~~ ^^—-#~~~ Dit krabbeltje als eerste aanzet van
de cartograaf. – Nieuw land wordt onbegrensd
in kaart gebracht.

~~~~~~~~~~~~~~~

Een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk
de noodlanding heb uitgelokt
Ik gesp mijn gordel los,
doe afstand van bagage en mijn pas
‘Dear Liberty’,
met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en
toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk
I cannot miss my way’,

kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren
mijn gaan
te voet en liftend On the road die mij alles doet
vergeten wat ik er van weet
kriskrassend over de planeet.….

Grenzstein 37 –
foto Tanya van der Wacht
Stemwede- Levern

 

Tango en vrouw

O Màlena, hoe jij als tango en als vrouw:
zelfs in mijn slaap (ik droom een rokerig
lokaal) omhelzen wij La Yumba en elkaar

Onvermoeibaar achter-, zijwaarts, gancho,
zwaai – in overrompelende taal de zweepjes

van vocaal en bandoneon, tot plotseling die

schel

Nee, aan dit café kleeft geen nachtverbod,
enkel de timer van mijn radioklok, belletje
waarvan ik wakker schrok, als jammerlijk
slotakkoord.

 

Gepost in Home, Poëzie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Trump, Els de Groen

Trump

Ook vulkanen krullen hun lippen
als ze vanbinnen koken
en in vuilbekkerij toch hun
mond weer voorbijpraten

Ook orkanen hebben hun ogen
diep in windstille zakken
en zijn blind voor de schade
die hun armen aanrichten

Ook zeeën schikken hun kapsels
op de kop van de wereld
broeierig van gedachten aan geld
als water – smeltwater wordend

Els de Groen
(december 2016)

 

Gepost in Poëzie | Plaats een reactie

Wegwerker, door Lydi Groenewegen

De plastic veiligheidshelm heeft hij stevig aangedrukt, net als de klittenband sluiting.
Het miezert. Windvlagen klapperen tegen het oranje regenpak met lichtgevende strepen dat over zijn oude spijkerbroek en ruitjesbloes zit. Een leeftijdsloze, onherkenbare, oranje man. Dat zien de automobilisten die braaf wachten tot hij het bordje omlaag doet als teken dat ze vol gas de tijdelijke eenbaansweg op kunnen schieten, zonder tegenliggers tegen te komen. Zo gaat het al de hele morgen. In de binnenzak van zijn regenpak voelt hij de boterhammen met zure zult die Frida vanmorgen voor hem maakte. Frietje noemt hij haar nog steeds plagerig.
‘Ge moet de eer aan u zelve houden,’ zei ze, toen hij haar eindelijk vertelde over de nieuwe baas op de drukkerij met zijn tweedaagse stoppeltjes en dure schoenen onder een broek met smalle pijpen. En nu staat hij hier auto’s tegen te houden. Of ergens anders. Net waar ze hem nodig hebben als de stoplichten weigeren. Weggewerkt. Omgeschoold.

Door zijn walkietalkie krijgt hij de boodschap dat hij zijn rij in beweging mag zetten.
Het werd tijd, ze beginnen te toeteren. Geduld is er niet. Er moet naar school gegaan, naar de baas, naar de supermarkt, de zonnebank, gitaarles. Hij heeft er plezier in te fantaseren over de levens in de auto’s die voor hem staan te wachten. Zo komt hij de dag wel door. Dat was zijn sterke punt. Als geen ander kon hij zich verplaatsen in de klant, pakte er een bakkie koffie bij en zijn schetsboek. De ideeën kwamen altijd vanzelf, als je maar goed luisterde en keek.
Rijden maar, doorrijden, gebaart hij naar de laatste onzekere bestuurder. Een oud madammeke is het, die vinden het altijd een beetje eng, zo’n weg op rijden waarvan maar één baan in gebruik is en waarbij je maar moet hopen dat ze aan de andere kant op tijd gestopt zijn met auto’s doorlaten. En hier al helemaal. Het is een weg met een lange, onoverzichtelijke bocht, daar was hij voor gewaarschuwd. Vooral goed contact houden met de andere kant en niemand meer door laten rijden als het sein rood is gegeven. Ook al toeteren ze nog zo hard. Maar het kan nog.
Zijn walkietalkie gaat.
’Ja, je mag ze weer stoppen,’ roept Geert hard aan de andere kant door het kastje. ‘Wat is jouw laatste?’
‘Een grijze Toyota,’ antwoordt hij en pakt een boterham. Hij zou er liefst een bakkie bij willen drinken, maar dat gaat niet. In de verte komt al weer een auto hard aan rijden.
De boterham smaakt best. Net als alles wat Frietje voor hem maakt. Hij schaamde zich zo toen hij haar opbiechtte dat hij gepest werd door dat nieuwe baasje. Of eigenlijk door alle mensen die er na hem bij kwamen. Alsof ze het hadden afgesproken met elkaar. De koffie was altijd net op als hij wilde inschenken. De telefoontjes werden toevallig altijd net door iemand anders opgenomen. En als hij informatie over nieuwe klanten vroeg, was er nooit iemand die het hem kon geven. Dat ze voor de grap allemaal gingen bidden als hij zijn boterhammen pakte, heeft hij haar maar niet verteld. En ook niet over de flauwe Belgenmoppen. Toen hij notulen moest maken bij het eerste grote plenaire overleg, wist hij dat het niet zou lukken. Alleen al van dat woord had hij nog nooit gehoord. En toen hij koffie rond moest gaan brengen als er besprekingen met nieuwe klanten waren in de ‘creative hub’, ja toen wist hij dat het voorbij was.

Als hij de luidruchtige, zilvergrijze Porsche laat stoppen ziet hij het meteen. De stoppeltjes, de arrogante blik. Hij is het. Op de achterbank een leeg kinderzitje. Een golf boosheid welt op en mengt zich met een restje zure zult. Het gaat harder regenen. Door de ruitenwissers van de Porsche ziet hij hem op zijn horloge kijken. Ongeduldig, nog steeds. Nooit was er tijd om met hem te praten. Ook niet toen hij wilde vertellen over Frida en haar reuma die steeds erger werd, en hij wilde vragen of hij misschien zijn vrije dagen meer mocht spreiden zodat hij thuis een beetje kon helpen. Toen was de grens bereikt en heeft hij hem met opgeheven hoofd een ontslagbrief overhandigd. Een geschreven brief. Liever wilde meneer de boodschap per email ontvangen, maar dat heeft ie niet gedaan, hij haat e-mailen. En zijn bureau heeft hij ook niet meer opgeruimd. Hij is gewoon weggegaan.

Als plotseling het raampje naar beneden glijdt, schrikt hij.
‘Hé Flipje Tiel, gaan we nog wat doen vandaag?’ klinkt het vanaf de zwartleren stoel.
Regel 1: geen oogcontact maken.
‘Je kunt toch contact op nemen met de andere kant? Er is al die tijd geen auto doorheen gekomen.’
De irritatie groeit hoorbaar.
‘Ik ben de enige in de rij. Je kan me er goddomme toch nu wel doorlaten.’
Regel 2: nooit met de wachtende automobilisten in discussie gaan.
Eindelijk gaat de walkietalkie over. Hij ziet hoe het glanzende raampje langzaam dicht schuift, het gaspedaal laat al opgefokt van zich horen.
‘Nog niemand doorlaten,’ roept Geert gespannen aan de andere kant, ‘er is net een grote DHL bus keihard doorgeglipt, sorry, na die bus kun je pas sein groen geven, dat duurt nog eventjes, nog een half minuutje denk ik.’
Hij veegt de regen van zijn gezicht. Dan gebaart hij in een opwelling met zijn hand: doorrijden, toe maar dan, schiet maar op jij.
Na een driftige druk op de toeter trekt de Porsche op en stuift weg.

Lydi Groenewegen, een van de winnaars van het literatuurprogramma WOORD in het Nutshuis in Den Haag, gehouden op 15 oktober 2016.

Gepost in Columns, Proza | Getagged , , , | 1 Reactie

«Beeldend als geen ander. Een parel.» – Eus Wijnhoven: ‘Stromen die de zee niet vinden’

CoverStromenvoorDef.inddOver ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren op De Omslag, 26 november 2016:
Nooit heb ik in reïncarnatie geloofd, maar na lezing van deze verhalenbundel begin ik te twijfelen: is Slauerhoff herboren? ‘Stromen die de zee niet vinden’ is een bundel met elf verhalen, gemiddeld een pagina of vijftien elk. Verhalen die zich afspelen in verschillende culturen, veel in Azië. Alle verhalen kenmerken zich door een zekere rusteloosheid, door een verlangen naar geborgenheid. Als dat laatste echter in beeld dreigt te komen, overwint de drang naar het onbekende. Rob Verschuren (Malden, 1953) zwerft al zijn halve leven over de aardbol en woont tegenwoordig in Vietnam. Hij schrijft beeldend als geen ander; je ziet de kleuren, ruikt de geuren, hoort de lijsters in de waringin zingen. Melancholie kenmerkt alle verhalen, tussen de regels door en daarom zo krachtig. Daardoor lees je deze bundel als een roman: je kunt niet stoppen, liefst zou je de zinnen hardop lezen om het ritme van de taal te proeven. (…)
Lees hier de recensie
Meer over ‘Stromen die de zee niet vinden’
Meer over Rob Verschuren op deze site

Gepost in Extaze-reeks | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Recensie ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren op ‘Alles over boeken en schrijvers’

«Je wordt meteen meegenomen in het verhaal.» – Danielle van der Hoeven

CoverStromenvoorDef.inddOver ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren op Alles over boeken en schrijvers, 24 november 2016:
Het zijn heel fantasierijke verhalen die net even anders lopen dan je verwacht. Vaak met een open einde zodat ze je ook daarna nog aan het denken zetten. Ieder verhaal is inderdaad een fascinerende kleine wereld. De verhalen spelen zich vaak af in het buitenland, in Azië, Frankrijk, de woestijn, maar ook in een Nederlandse Fabriek. Door de mooie omschrijvingen heb je het gevoel dat je als lezer in dat land aanwezig bent. Je wordt meteen meegenomen in het verhaal. Omdat het korte verhalen zijn is het voor een schrijver lastig om een lezer direct mee te nemen. Dat is Rob Verschuren goed gelukt. Als lezer schakel je moeiteloos van het ene verhaal naar het andere ook al speelt zich dat af in een totaal andere setting. Ik heb Rob Verschuren ‘Stromen die de zee niet vinden’ met veel plezier gelezen en overdacht.
Lees hier de recensie
Meer over ‘Stromen die de zee niet vinden’
Meer over Rob Verschuren op deze site

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Recensie ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren «Ik moest gelijk aan Slauerhoff denken.» – Bert Vos

CoverStromenvoorDef.inddOver ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren op Aziatische tijger, 21 november 2016:
Toen ik ‘Stromen die de zee niet vinden’ van Rob Verschuren las, moest ik gelijk aan Slauerhoff denken. Zijn boeken verslond ik als 19-jarige jongvolwassene. Ik ervoer bij Verschuren hetzelfde gevoel van ontheemd zijn, het hebben van een eeuwig verlangen en de vereenzelviging met de buitenstaander die ineens opdoemt. En schrijven, dat kan hij wel. Verveling, wanhoop, liefde, twee krabben die in dezelfde pot terechtkomen versus de liefde tussen een Vietnamees stel, schoonheid en wreedheid in een Aziatische gevangenis. In de elf verhalen, waarin elke zin klopt en waarin hij alles beeldend en oogstrelend beschrijft, weet Rob Verschuren een bijna surrealistische werkelijkheid te creëren.
Lees hier of hier de recensie

Gepost in Extaze-reeks, Home | Plaats een reactie

In beeld: presentatie Extaze-reeks in Boekhandel Douwes

Op 12 november werd Annette van ’t Hull’s Grote meisjes en Rob Verschuren’s Stromen die de zee niet vinden gepresenteerd in Boekhandel Douwes in Den Haag.
Foto’s: Jan Borchers

Gepost in Extaze-reeks, Home | Getagged , , , , , , | 1 Reactie

Wie klaagt er nog, door Christian Oerlemans

Onze logeés hebben een paar dingetjes achtergelaten. Kan een truc zijn om nog eens terug te komen, maar in dit geval zit daar dan wel een vliegreis aan vast. Twee sweaters en een plastic zakje met opladers voor telefoons en tablets. Daar kan een mens niet buiten. Dus dezelfde avond nog een WhatsApp: of we de opladers asap kunnen opsturen. En de sweaters? Oh, nog niet gemist. Met de spullen in een doosje ga ik naar het postkantoor. Een oudere vrouw, ernstig overbouwd, schuift over het zebrapad en beklimt met enige moeite het stoepje. Nee, het postkantoor is nog niet rolstoelvriendelijk. (Mijn privé w.c. wel, dat was verplicht bij de bouw.) Zo’n mevrouw rijdt in Nederland in een rolmobiel met buitenspiegels. Zie je hier zelden. De oudere garde heeft een stok. Zelfs de rollator is een bezienswaardigheid.

De postchef die hier op zijn post troont alsof de post door hem is uitgevonden, steekt een duim op als hij me ziet. Ons kent ons. Zijn klanten zijn vrienden, of tenminste kennissen en hij bouwt graag een intieme band op door hun taal te spreken. Goedemorgen, goedemiddag, hartelijk welkom in Frans, Duits, Engels, Zwitsers en ook Nederlands. Als je vertrekt roept hij steevast ‘Dag hoor! Tot zjiens!’

De oudere mevrouw is traditioneel gekleed, lange zwarte rok, kleurige omslagdoek en het nog bijna zwarte haar strak achterover in een knot. Op schone blote voeten in slofjes wiebelt ze van de ene voet op de andere terwijl ze wat nerveus papieren op de balie heen en weer schuift. Soms kijkt ze even snel om, naar de achter haar aangroeiende rij. Ook zij hoort natuurlijk de deur open en dicht gaan en ze zou misschien wel graag op het bankje naast mij willen zitten. Want het duurt lang, hoewel postchef Paulo heel druk in de weer is. Niemand zucht of klaagt, Portugezen zijn erg goed in wachten. Het werkwoord is ‘esperar’ en betekent ook hopen, vandaar waarschijnlijk. Er komen mannen binnen met belangrijke zaken waarvoor Paulo handtekeningen moet zetten. Een postauto stopt voor de deur, er moet worden ingeladen of uitgeladen. Paulo rent in zijn domein van links naar rechts en terug, knipoogt nog eens geruststellend naar mij (jaja ik ben zo dadelijk aan de beurt) en begint de mevrouw ingewikkelde dingen uit te leggen. Ze knikt en trekt nerveus aan de band van haar rok, maar dan wordt op de balie haar geld uitgeteld. Paulo telt twee keer. Ik tel mee: driehonderdtwintig euro, haar pensioentje ongetwijfeld. Veel is het niet, maar zij bergt het tevreden op in een zwarte linnen zak die zij om haar middel draagt. Geld is iets raars in Portugal. De dag ervoor speelde ik golf in een golfreservaat genaamd Vale do Lobo (185 euro voor een rondje, maar ik was gelukkig uitgenodigd) en bij een consumptiekarretje betaalden we 5 euro voor twee kartonnen bekertjes koffie. Op het rommelige terras van een lokaal etablissement namen we daarna twee bier en een ‘bifana’ , broodje warm vlees. De dubbele Portugese boterham (pao caseiro = huisgebakken brood) is zo groot dat we er één bestellen, wat moeder in de keuken raar vindt. Haar klanten zijn harde werkers, sjouwers en chauffeurs die ’s ochtends om 7 uur koffie drinken met een Macieiro (brandy) erbij en wel twee bifana’s lusten. We betalen vier euro dertig.

Het is toch geweldig dat iedereen hier Engels spreekt, zei een deftige mevrouw met roze schoenen op de golfbaan. En ja, ook het kassameisje in de lokale supermarkt spreekt Engels en verdient daarmee het minimumloon van rond drieënhalve euro per uur. Weinig? Ter vergelijking: in Amerika is ‘t bijna het dubbele. Spreken ook Engels en soms Spaans hoewel Trump dit wellicht gaat verbieden. En Nederland? Bijna het driedubbele. Wie klaagt er nog.

Laatst moest ik naar de bank om een nieuwe bankkaart op te halen. Die was van het hoofdkantoor naar de lokale vestiging gestuurd. Hebben ze hier nog, echte bankkantoren. Druk ook. Vooral omdat het net zo werkt als bij het postkantoor. Of bij de apotheek waar het ook altijd druk is en je een nummertje moet trekken. Toen ik eindelijk aan de beurt kwam en aan een van de vijf balies mocht gaan zitten, kostte het moeite om het heel erg klantvriendelijke meisje uit te leggen dat ik alléén een bankkaart wilde ophalen. Zij opende voor mij haar scherm en toonde mij hoe bedragen in en uit mijn account gaan, en dat ik ook een verzekering heb, bij de bank. Niet Hollands ongeduldig worden, want het is goed bedoeld. Uiteindelijk kwam zij achter haar desk vandaan, passeerde mij rakelings met een lieve verontschuldigende glimlach en verdween langdurig achter een deur. Bij terugkomst zag ik al aan haar gezicht: vruchteloze missie. Geen kaart. Nee, die was alweer teruggestuurd naar het hoofdkantoor. Dan de neiging tot Hollandse harde woordjes onderdrukken, want zij leeft met me mee en stelt voor om een naamloze kaart voor mij te maken. Dit kan meteen, ter plekke. Of ik dit erg vind? Geen naam erop? Schuldbewust kijkt zij mij aan. Nee hoor, ik vind niets meer erg, ja al die wachtende mensen achter mij misschien wel, maar ik ben lekker uitgebreid aan de beurt. Met de nieuwe kaart gaan we samen naar de ATM, waar ik uitleg krijg hoe mijn code te veranderen en hoe de pinmachine verder werkt. Ik raak aan haar gehecht, jammer dat we klaar zijn, ik bedank voor haar voortreffelijke service en krijg een mooie verlegen glimlach terug.

Op de hoek maar even een espresso genomen. Op elke hoek is er in Portugal een Pastelaria met veel taarten en gebak en tien soorten koffie. Ik neem een bica cheia, ofwel een volle espresso. Zestig cent.

Gepost in Column Oerlemans | Getagged , , , | Plaats een reactie